De Berg Sinaï

De berg Horeb/Sinaï

Kaart van de berg Sinaï volgens de traditie:

Kaart van de berg Sinaï volgens de Bijbel: 

De berg Sinaï (= Horeb) in Arabië

Bijbelse geschiedenis

De berg Sinaï is in de Bijbel de berg Gods, de berg waar God Mozes riep vanuit het brandende braambos in het land Midian. Mozes kreeg daar bij die berg de opdracht van de Heere om het volk Israël uit Egypte te leiden naar deze berg.

Ex 3:10-12:

  • “Nu dan, ga, Ik zend u tot Farao, om mijn volk, de Israëlieten, uit Egypte te leiden. 11 Maar Mozes zeide tot God: Wie ben ik, dat ik naar Farao zou gaan en de Israëlieten uit Egypte zou leiden? (dit was natuurlijk eigenlijk een proberen er onderuit te komen, want Mozes had de allerbeste opleiding gehad aan het hof van de Farao. Maar Mozes had geen zin om naar Egypte terug te gaan – hij had immers een Egyptenaar doodgeslagen). 12 Toen zeide Hij: Ik ben immers met u! En dit zal u het teken zijn, dat Ik u gezonden heb: wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg.”

We weten dat de Heere Aäron naar Mozes toestuurde, om hem terzijde te staan. Maar dan moeten we ons tevens ook realiseren welke lange reis Aäron heeft gemaakt om bij Mozes te komen.

De Bijbel zegt het volgende daarover in Exodus 4:27-29:

  • “27 En de Here zeide tot Aaron: Ga Mozes in de woestijn tegemoet. (NBG, de St.Vert. én de HSV hebben allen vertaald “ga tegemoet”. Maar de King James heeft het eigenlijk beter vertaald: “Go into the wilderness to meet Moses” In de grondtekst staat: “Ga naar de woestijn om Mozes te ontmoeten.” En dat komt ook overeen met de rest van de tekst): Hij ging en ontmoette hem bij de berg Gods en kuste hem. 28 Mozes nu deelde Aaron al de woorden van de Here mede, met welke Hij hem gezonden had, en al de tekenen, die Hij hem had opgedragen. 29 En Mozes ging met Aaron op weg en zij verzamelden al de oudsten der Israëlieten.”

Samen gingen Mozes en Aäron vanaf de Berg Sinaï (in Midian) op weg naar het land Gosen, ongeveer een reis van zo'n 400 km (in een rechte lijn gerekend).

Een jaar later ging het volk Israël op weg naar dezelfde berg Gods (vlgs Ex 3:12), nadat God tien plagen over Egypte had doen komen. Op weg naar de berg Sinaï (in Midian) trok het volk op wonderbaarlijke wijze door de Rode Zee. Maar het Egyptische leger, dat hen achtervolgde, verdronk in de Rode Zee.

Vlak voordat het volk de berg Sinaï bereikte, voorzag God het volk van water door uit een rots bij Horeb water te laten stromen, nadat Mozes erop geslagen had. Toen het volk uiteindelijk bij de berg Sinaï gelegerd was, gaf God vanaf de berg Sinaï de tien geboden aan het volk. De berg der wetgeving wordt zowel Sinaï als Horeb genoemd, wat blijkt uit de volgende teksten:

  • Ex 31:18: “En Hij gaf aan Mozes, toen Hij geeindigd had met hem te spreken op de berg Sinaï, de twee tafelen der getuigenis, tafelen van steen, beschreven door de vinger Gods.”
  • Deuteronomium 4:15: “Neemt u er dan terdege voor in acht (want gij hebt generlei gedaante gezien op de dag dat de Here op Horeb tot u sprak uit het midden van het vuur”

Nog een paar teksten, waaruit blijkt dat beide namen (Horeb en Sinaï) voor de berg Gods kunnen worden gebruikt:

  • Ex 3:1: “Mozes nu was gewoon de kudde van zijn schoonvader Jetro, de priester van Midjan, te hoeden. Eens, toen hij de kudde naar de overkant van de woestijn geleid had, kwam hij bij de berg Gods, Horeb.”
  • Handelingen 7:30: “En toen er veertig jaren voorbijgegaan waren, verscheen hem in de woestijn van de berg Sinaï een engel in de vlam van een brandende braamstruik. 31 En toen Mozes dit zag, verwonderde hij zich over het gezicht, en toen hij erheen ging om het te onderzoeken, kwam een stem des Heren (tot hem).”

 

De Traditie

Volgens een zeer oude traditie ligt de berg Sinaï in Egypte. Jaarlijks reizen veel toeristen en pelgrims naar de Egyptische berg Sinaï en bezoeken daar het St. Catharinaklooster, dat in de 6e eeuw na Chr. aan de voet van de berg is gebouwd.

Het is echt een toeristische trekpleister, je kunt er zelfs de “braamstruik” van Mozes “bewonderen”. De traditie dat de berg Sinaï in Egypte ligt, is echter niet van Bijbelse tijden, maar dateert van de 4e eeuw na Chr. De oorzaak dat de zuidpunt van de Sinaï-woestijn als plaats voor de berg Gods wordt aangewezen, is vrijwel onaantastbaar geworden door de moeder van keizer Constantijn de Grote, de zeer vrome keizerin Helena. Haar zoon, de Romeinse keizer Constantijn kreeg een droom, waarin hij de berg Sinaï meende te zien. Zijn moeder Helena is daarna naar Egypte gereisd en heeft de berg in een visioen aangewezen. (weer door een vrouw, toeval?). Dus door een droom is de berg Sinaï daar terecht gekomen.

Wanneer we de Bijbel gaan bestuderen stuiten we op verschillende problemen met de traditionele locatie van de berg Sinaï. Er zijn nooit archeologische bevestigingen geweest van Joodse aanwezigheid bij de Egyptische berg Sinaï.

Verder gaat de traditie er niet van uit dat de doortocht door de Rode Zee (in de golf van Akaba) was, maar slechts door een bescheiden water als de Bittermeren, of de z.g. Schelfzee, of de Rietzee dicht bij Sukkoth. Deze wateren liggen echter vlak bij het land Gosen, wat een lange reis (naar de Rode Zee) uitsluit. Bovendien was een doortocht door de Bittermeren of de Schelfzee niet zo wonderbaarlijk, maar wel onlogisch. De Israëlieten hadden immers gewoon om het water heen kunnen lopen en de Egyptenaren ook. (zie kaartje pagina 2).

Tenslotte is het onbegrijpelijk dat het leger van Farao verdronken zou zijn in de destijds ondiepe Bittermeren of in de Schelfzee. Er zijn daar dan ook geen archeologische vondsten. Sinds 1978 zijn er wel op een andere plaatst archeologische vondsten gedaan, die bevestigen dat de doortocht door de Golf van Akaba heeft plaatsgevonden en dat de berg Sinaï zich in Saoedi-Arabië bevindt. Er zijn onderzoekingen geweest van zeer gemotiveerde christen amateur-archeologen, die inderdaad de Horeb/Sinaï in Arabië gevonden hebben, en wel in de bergketen Jebel-al-Laws (zie deze locatie op Google Earth).

Die locatie in Arabië van de berg Horeb (Sinaï) wordt door de daar wonende bedoeïenen nog steeds de "berg van Mozes" genoemd. Ook is in die buurt (het vroegere Midian) een nog levende traditie betreffende Jetro, de schoonvader van Mozes, die door de bevolking als een heilige wordt vereerd.

Nu de vondsten: En goed begrijpen, broeders en zusters, we hebben de archeologische vondsten niet nodig om de Bijbel te geloven, maar het is toch ook wel weer mooi dat die vondsten aantonen hoe waar Gods Woord is.

  • Het strand van Nuweiba. Vroeger heette deze plaats Pi-Hachirot. Hier was geen uitweg, omdat Israël aan de ene kant de zee voor zich had, en aan de andere kant omsloten was door een ontoegankelijk gebergte, en rotsen, die zich tot aan de oever uitstrekten (Flavius Josephus, JH 2, h6, p98).
  • De naam Nuweiba. Nuweiba is een verkorte naam. De volledige naam van Nuweiba luidt: “Nuwayba’ al Muzayyinah”. Dit betekent: “wateren van Mozes, die zich splijten”. Dat is toch wel heel bijzonder! (zie oude kaart hieronder waar de volledige oude naam van Nuweiba staat vermeld).
  • Met koraal overdekte restanten van de as met wielen van een strijdwagen in de zee bij Nuweiba.
Met koraal overdekte wagenwielen in de zee bij het Arabische strand. Hoe vaker de onderzoekers doken, hoe meer bewijsmateriaal zij vonden. Een van de vondsten was een wiel met acht spaken van een strijdwagen.

Na onderzoek verklaarde men dat het wiel afkomstig was uit de 18de Egyptische dynastie en dateerde uit de tijd van de Exodus in 1446 v.Chr. Toen de onderzoeker werd gevraagd hoe hij dit wist, verklaarde hij dat het wiel met 8 spaken alleen in de 18de dynastie werd gebruikt, de tijd van Farao Ramses II. Dit is de tijd van de doortocht. 

  • Een oase met 12 waterputtenaan de overkant van de Golf van Akaba, precies zoveel bronnen als de oase Elim in de Bijbel met zijn (nog steeds precies) 12 waterbronnen en 70 palmbomen (Ex 15:27). Deze oase wordt in de Sinaï woestijn in Egypte niet gevonden.

Bovenste luchtfoto: De oase Elim temidden van het gebergte

Onderste foto links: Enkele van de 12 waterbronnen, nu met een stenen rand om instuiven van zand te voorkomen.

Onderste foto rechts: De oase Elim met de palmbomen.

 

  • Een volkomen gespleten rots van 18 m hoog op een heuvel, met een droge uitgesleten waterbedding aan de voet van de rots (Ex 17:6, Psalm 78:15, 105:41).
  • Ex 17:4-6: 4 “Toen riep Mozes luide tot de Here en zeide: Wat moet ik met dit volk doen? Nog een ogenblik en zij gaan mij stenigen! 5 Daarop zeide de Here tot Mozes: Ga vóór het volk uit en neem enige van de oudsten van Israël met u; neem ook de staf waarmee gij de Nijl geslagen hebt, in uw hand en ga heen. 6 Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij Horeb staan; dan zult gij op de rots slaan en daaruit zal water te voorschijn komen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed alzo voor de ogen van de oudsten van Israël.”
  • Ps 78:15-16:Hij kliefde rotsen in de woestijn, en drenkte hen rijkelijk met watervloeden; 16 Hij deed beken vloeien uit de rots en water neerstromen als rivieren.”
  • Ps 105:41:Hij opende de rots, en wateren vloeiden, zij stroomden door de dorre streken als een rivier; 42 want Hij gedacht aan zijn heilig woord, aan Abraham, zijn knecht.”
  • Een altaar in de buurt van die rots bij Refidim (Ex 17:15).
  • Ex 17:15: “vers 8: “Toen kwam Amalek en streed tegen Israël te Refidim.” en na die strijd: vers 15-16: “Toen bouwde Mozes een altaar en noemde het: de Here is mijn banier. 16 En hij zeide: De hand op de troon des Heren! De Here heeft een strijd tegen Amalek, van geslacht tot geslacht.”
  • De plaatselijke bedoeïen noemen de berg Sinaï nog steeds “Jebel Musa”, dat betekent “berg van Mozes”. 
  • Een altaar aan de voet van de berg Sinaï, met kraal voor dieren en resten van marmeren pilaren (Ex 24:4).
  • Ex 24:3-5 “Toen kwam Mozes en deelde het volk al de woorden des Heren en al de verordeningen mee, en het gehele volk antwoordde eenstemmig: Al de woorden, die de Here gesproken heeft, zullen wij doen. 4 En Mozes schreef al de woorden des Heren op. Vroeg in de morgen bouwde hij een altaar onder aan de berg, met twaalf opgerichte stenen overeenkomstig de twaalf stammen van Israël. 5 Toen zond hij de jongelingen der Israëlieten heen, en zij brachten brandoffers en offerden stieren als vredeoffers voor de Here.”
  • Een plateau van rotsen met rotstekeningen van runderen (Ex 32:5).
  • Ex 32:5-6: “Toen Aäron dat zag, bouwde hij daarvóór een altaar en riep uit: Morgen is er een feest voor de Here! 6 En de volgende morgen vroeg offerden zij brandoffers en brachten vredeoffers, en het volk zette zich neer om te eten en te drinken; daarna stonden zij op om vreugde te bedrijven.” 
  • Een grote begraafplaats 6 km ten noorden van de berg (Ex 32:28).
  • Ex 32:26-28: “Mozes ging staan in de poort van de legerplaats en zeide: Wie is voor de Here? Die kome tot mij! en tot hem verzamelden zich al de Levieten. 27 En hij zeide tot hen: Zó zegt de Here, de God van Israël: Ieder gorde zijn zwaard aan zijn heup en ga heen en weer door de legerplaats van poort tot poort en dode, ieder zijn broeder en ieder zijn verwant en ieder zijn naaste. 28 De Levieten deden naar het woord van Mozes en er vielen van het volk op die dag ongeveer drieduizend man.”
  • Een rotstekening van een menorah, te midden van oeroude schrifttekens. Ex 25:31-32: “Gij zult een kandelaar van louter goud maken, van gedreven werk zal de kandelaar gemaakt worden, het voetstuk zowel als de schacht; de bloemkelken, met knoppen en bloesems, zullen daarmee één geheel vormen. 32 Zes armen nu zullen uit zijn zijden uitsteken: drie armen van de kandelaar uit de ene zijde en drie armen van de kandelaar uit de andere zijde.”

Menorah in de rots bij de berg Sinaï

  • Water dat van de berg afstroomt plus droge beekbedding in de woestijn.
  • Deuteronomium 9:21:“Maar het voorwerp uwer zonde, het kalf dat gij gemaakt hadt, nam ik, verbrandde het met vuur, vergruizelde het en vermaalde het grondig, totdat het tot stof gestoten was; en het stof wierp ik in de beek, die van de berg afvloeit.”
  • Een spelonk in de berg Sinaï:
  • 1 Kon 19:8-9: “Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb. 9 Hij kwam daar bij een spelonk, waar hij overnachtte. En zie, het woord des Heren kwam tot hem en Hij zeide tot hem: Wat doet gij hier, Elia?”

 

De ligging van de berg Sinaï volgens de Bijbel

De berg Sinaï ligt volgens de Bijbel in het land Midian: We hebben gelezen in Ex 3:1 dat Mozes naar Midian trok, en daar de kudden hoede, en daar in Midian bij de berg Gods kwam. En daar in Midian had de Heere tegen Mozes gezegd:

  • “Keer terug naar Egypte, want alle mannen, die u naar het leven stonden, zijn dood.” (Ex 4:19).

En in Ex 3:12 had de Heere tegen Mozes gezegd:

  • “Wanneer gij het volk uit Egypte hebt geleid, zult gij God dienen op deze berg.”

Midian behoorde niet meer tot het gebied van de Farao, maar tot het Arabisch schiereiland. Geen wonder dat Mozes dáár heen gevlucht was toen hij hoorde dat de Farao hem wilde doden (Ex.2:15). Want in deze regio (Midian) had de Farao niets meer te zeggen. We weten nu dat daar ook de berg Horeb/Sinaï lag, niet ver voorbij het steppenland van Jetro. Deze berg wordt genoemd de “berg Gods” (Ex 3:1). Hier bevinden we ons dus in het huidige Saudi-Arabië.

Dat is het land, waar Mozes naar toe vluchtte, nadat was ontdekt dat hij een Egyptenaar had dood geslagen. Mozes trouwde daar in Midian met Sippora, de dochter van de Midianitische priester Jetro. De stad, waar Jetro woonde, heet tegenwoordig Al Bad. Deze stad ligt in het huidige Saoedi-Arabië.

Alles wat vanuit de Bijbel over dit onderwerp tot ons komt, maakt het heel zeker dat de berg Sinaï in Arabië ligt. En dat is precies wat Paulus geschreven heeft in:

Galaten 4:25:

  • “Er staat immers geschreven, dat Abraham twee zonen had, één bij de slavin en één bij de vrije. 23 Maar die van de slavin was naar het vlees verwekt, doch die van de vrije door de belofte. 24 Dit is iets, waarin een diepere zin ligt. Want dit zijn twee bedelingen: de ene van de berg Sinai, die slaven baart, dit is Hagar. 25 Het (woord) Hagar betekent de berg Sinai in Arabië.”

Hagar staat voor het verbond van de berg Sinaï in Arabia, dat slaven baart. Als beeld van dat verbond belichaamt Hagar het volk Israël, dat met zijn kinderen in slavernij leeft.

Maar waar was dan de doortocht door de Rode Zee (in het O.T. Schelfzee of Rietzee genoemd)? Het enige zeewater tussen Arabië en Egypte is de Golf van Akaba, de oostelijke arm van de Rode Zee. Daar was de doortocht doorheen, en dat is conform de Bijbel, want de Golf van Akaba is de Rode Zee/Schelfzee/Rietzee (Exodus 23:31, 1 Koningen 9:26).

Een tekst die duidelijkheid geeft is: Ex 23:31:

  • “En Ik zal u het gebied geven van de Schelfzee (Rode Zee, nu Golf van Akaba) tot de Zee der Filistijnen en van de woestijn tot de Rivier (= de Eufraat), want Ik zal de inwoners van het land in uw macht geven, zodat gij hen voor u uit verdrijft.”

Opm.: Wil deze tekst enige zin hebben, dan is de Schelfzee (Rode Zee) de Golf van Akaba. (Zie kaartje pagina 2).

Van “de woestijn tot de Eufraat”, dat is de noord-zuid richting (preciezer noordoost-zuidwest), en de richting “Schelfzee tot de Zee bij de Filistijnen”, moet dan (zuid)oost-(noord)west richting zijn. Gezien de Zee waaraan de Filistijnen wonen de Middellandse Zee is, en dan speciaal bij het zuidelijk deel van de Palestijnse kust (Gaza-strook), dan kan het niet anders of de Schelfzee moet de Golf van Akaba zijn.

Nog een Bijbels bewijs, dat de “schelfzee” de golf van Akaba is, lezen we in:

1 Kon 9:26:

  • “Ook rustte koning Salomo een vloot uit te Esjon-Geber bij Elot, (zie kaartje pagina 2) aan de oever der Schelfzee (dat is aan de Golf van Akaba), in het land Edom. 27 En Chiram zond zijn knechten op die vloot, scheepslieden die met de zee vertrouwd waren, naast de knechten van Salomo.”

 

Waar ligt de berg Horeb?

Als de Schelfzee de Golf van Akaba is, dan kan het niet anders of de berg Gods, Horeb, moet in het huidige Saudi-Arabië liggen. De betekenis van de namen is: “Horeb” = woestijn, een berg die dus in een woestijngebied ligt. “Sinaï” = doornig (sin = doorn). We lezen dat Mozes’ aandacht bij die berg werd getrokken door een brandende braamstruik (die doornig is) in het land Midian.

En daar vluchtte Mozes heen:

Exodus 2:15-17:

  • “Toen Farao van deze zaak hoorde, trachtte hij Mozes te doden, maar Mozes vluchtte voor Farao en zocht verblijf in het land Midian. 16 Daar zat hij neer bij een bron. De priester van Midjan nu had zeven dochters; zij kwamen juist water putten en vulden de drinkbakken om de kudde van haar vader te drenken. 17 Er kwamen echter herders, die haar verjoegen, maar Mozes stond op en kwam haar te hulp en drenkte haar kudde.”

Op het Sinaï-schiereiland, waar de traditionele berg Sinaï geplaatst wordt, blijken nog de overblijfselen te zijn van verschillende Egyptische forten.

Oud Egyptisch fort in de nabijheid van Pi-Hachirot

 

Het wordt mede daardoor duidelijk dat het Sinaï-schiereiland onder controle stond van de Egyptische Farao. (En nog steeds staat dat gehele gebied onder Egyptische controle). Het is dan ook zeer voor de hand liggend, dat Mozes dat Egyptische gebied wilde ontvluchten.

Mozes vluchtte naar Midian, wat in het huidige Saoedi-Arabië ligt. Daar ging hij 40 jaar wonen. En daarheen leidde Mozes het volk Israël uit Egypte.

 

Het gebied dat wij nu “Sinaï” noemen was weliswaar vrijwel onbewoond, maar Farao had daar ook mijnbouw, er liep een belangrijke militaire route, tevens één van de hoofd-karavaanwegen en er waren militaire wachtposten langs de grenzen van de z.g Sinaï-woestijn. Dus moest Mozes, om veilig te zijn, het Arabisch schiereiland op.

 

Dit betekent eveneens dat het volk Israël ook pas veilig was, als zij het territorium van Egypte hadden verlaten. Dit betekent dat de uittocht uit Egypte eigenlijk pas was voltooid, toen zij de golf van Akaba waren overgestoken, want het gebied van Midian stond niet meer onder Egyptische invloed. Het is dan ook volkomen onlogisch dat de berg Sinaï door de traditie in de door ons genoemde Sinaï-woestijn wordt geplaatst, want dat hele gebied stond onder Egyptische invloed.

 

Als Mozes daar in het land Midian is, verschijnt God hem bij “de berg Gods”, Horeb. Mozes moet het volk Israël uit Egypte halen en het hier op deze plek terug brengen (Ex 3:12). Hieruit blijkt overduidelijk dat de berg Horeb (= de berg Sinaï) én de brandende braamstruik zich bevindt in het land Midian, oostelijk van de Golf van Akaba.

 

Dit betekent dat we op grond van de Bijbel mogen vaststellen dat de berg Sinaï niet in de z.g. Sinaï-woestijn ligt zoals al eeuwenlang wordt aangenomen, en waar per jaar duizenden mensen naar toe trekken, maar in Arabië.

Dat houdt natuurlijk ook in dat Refidim en Elim ook in Arabië aan de overzijde van de Golf van Akaba liggen. Bovendien schrijft ook Paulus in een van zijn brieven over de berg Sinaï in Arabië (Gal.4:25).

Mozes is dus eerst alléén bij de berg Horeb (Sinaï) geweest, kort daarna kwam ook Aäron naar die berg, en later heel het volk onder leiding van Mozes. En nog veel later ging de profeet Elia naar dezelfde berg Gods, de berg Horeb.

 

Galaten 1:17

  • Ook ben ik (Paulus) niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds vóór mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië (waar? Sinaï?) vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd.”

 

Hand 7:30: Daar haalt Paulus die braamstruik van Mozes nog eens aan:

  • En toen er veertig jaren voorbijgegaan waren, verscheen hem (Mozes) in de woestijn van de berg Sinaï een Engel in de vlam van een brandende braamstruik.”

 

Paulus spreekt ook over de Rode Zee in Hand 7:36

  • Deze (de Heere) heeft hen uitgeleid onder het verrichten van wonderen en tekenen in het land Egypte, in de Rode zee en in de woestijn, veertig jaren lang.”

 

Waar ligt volgens de Bijbel Arabië? Ten oosten en zuidoosten van Israël, het gebied dat wij ook nu Saoedi-Arabië noemen, met daarin de woestijn van Sin = de Syrische woestijn.

Sommigen nemen aan dat vooral in het Nieuwe Testament ook de huidige Sinaï-woestijn in de naam “Arabië” is begrepen, omdat in dat woord “Arabieren” dan alle gebieden zouden worden samengevat waar nomaden rondzwerven. Maar dat is een vergezochte argumentatie om de plaats van de berg Sinaï in de huidige Sinaï woestijn te plaatsten, omdat alles duidelijk aantoont dat dat gebied onder Egyptische invloed stond.

 

Misverstand over lokatie Horeb al heel oud

 

Israël heeft in het gebied van de huidige Sinaï-woestijn uitgebreide onderzoekingen gedaan, juist met het oog op Israëls woestijntocht, en men heeft moeten vaststellen dat daar, in de Sinaï woestijn geen sporen van Israëlische rondzwerving en/of bewoning zijn gevonden.

Ook de Bijbelse pleisterplaatsen Mara, Elim en Refidim zijn nooit in die Sinaï-woestijn gelokaliseerd, laat staan de berg Horeb. Maar tradities zijn taai.

 

De route van Israël naar de berg Horeb volgens de Bijbel

 

Ex 12: 37: “Daarna trokken de Israëlieten op van Raämses naar Sukkot, ongeveer zeshonderdduizend man te voet, ongerekend de kinderen. 38 Ook trok een menigte van allerlei slag met hen mee; en kleinvee en runderen, een zeer talrijke veestapel.”

 

Ex 13:4: “Heden trekt gij uit, in de maand Abib. Dat was die eerste maand, op de vijftiende dag.” Op de morgen nadat zij het Pascha in de avond van de 14de hadden gevierd.

 

Ex 13:17-18: “Toen Farao het volk had laten gaan, leidde God hen niet op de weg naar het land der Filistijnen, hoewel deze de naaste was; want God zeide: Het volk mocht eens berouw krijgen, wanneer zij in strijd gewikkeld werden, en naar Egypte terugkeren. 18 Daarom liet God het volk zwenken, de woestijnweg op naar de Schelfzee (= Rode Zee). Ten strijde toegerust trokken de Israëlieten op uit het land Egypte.” (NB: het z.g. Sinaï-schiereiland waar volgens de traditie de Sinaï berg ligt, behoorde ook bij Egypte). Er staat duidelijk: Israël trok op uit Egypte!

 

St.Vert. zegt over Ex 13:18: “Maar God leidde het volk om, langs de weg van de woestijn der Schelfzee. De kinderen Israëls nu trokken bij vijven uit Egypteland.” De HSV heeft hier vertaald: “In slagorde..........”

 

Op de kaart (pagina 2) is die route aangegeven door een zwarte lijn (zie kaartje route b). In de Bijbel lezen we in Exodus 13:19-22:

  • 19 En Mozes nam het gebeente van Jozef mee, omdat deze de zonen van Israel plechtig had doen zweren: God zal zeker naar u omzien, dan zult gij mijn gebeente vanhier met u meevoeren. 20 Zo braken zij van Sukkot op en legerden zich in Etam, aan de rand der woestijn(Etam lag ten westen van het huidige Eilath, er ligt nu nog een kleine plaatsje). 21 De Here (= JaHWeH) ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan. 22 Zonder ophouden bleef de wolkkolom des daags en de vuurkolom des nachts aan de spits van het volk.”

 

Bijzonder te zien hoe de liefdevolle zorgende Heere bij dit alles aanwezig is. Overdag om de weg aan te wijzen, en 's nacht om de weg te verlichten. Licht op hun pad. De profeet Nehemia haalt dat ook aan:

Neh 9:19:

  • Hebt Gij toch in uw grote barmhartigheid hen niet in de woestijn verlaten. De wolkkolom week niet van boven hen des daags, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hun op de weg die zij gingen, licht te geven.”

 

En Psalm 78:14 zegt:

  • Hij geleidde hen met een wolk des daags en met vurig licht de ganse nacht.”

 

Israël mocht die aanwezigheid van de Heere zien en ervaren.

Maar we zien door de hele Bijbel heen dat de Heere alles wat van Hem is met een geweldige liefdevolle zorg omringt en koestert én in Zijn licht plaatst.

Zo zorgt Hij ook voor ons, broeders en zusters, het Lichaam van Christus.

Wij zien geen wolkkolom, of een vurig licht, maar de Heere heeft ons Zijn Geest gegeven, en door die Geest ontvangen wij verlichte ogen van ons hart. En Hij is bij ons door Zijn Woord. Ps 119:105 zegt:

  • Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad.”

 

Ook in Kol 1:11-12 lezen we over dat licht:

  • Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht."
  • Volgens de grondtekst: "die u toebereid heeft voor het erfdeel in het Heiligste in het licht". Dit is het erfdeel van Christus in het Heiligste, Het Heilige der Heiligen in het licht.

 

In Joh 1:9 staat: “Hij was immers het waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht. De Heere Jezus sprak in Joh 8:12: "Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het Licht des levens hebben."

En in dát licht mogen ook wij dag en nacht optrekken, wandelend aan Zijn hand. En in Zijn licht heeft hij Zijn Lichaam geplaatst.

 

Nadat Israël Sukkot hadden verlaten, sloegen ze hun kamp op in Etam, aan de rand van de woestijn. De HEER ging voor hen uit om hun de weg te wijzen, overdag in een wolkkolom, ’s nachts in een lichtende vuurzuil. Zo konden ze dag en nacht verder trekken.

 

Ex 14:1-3:

  • De Here sprak tot Mozes (te Etam): 2 Zeg tot de Israëlieten, dat zij teruggaan (S.V.: “dat zij wederkeren) en zich legeren voor Pi-Hachirot (= een vlakte waar het gras groeit), tussen Migdol(= toren of vesting) en de zee; recht tegenoverBaäl-Sefon (= Heer die bewaart of verbergt) zult gij u legeren, aan de zee. 3 Dan zal Farao van de Israëlieten denken: zij zijn in het land verdwaald, de woestijn heeft hun de weg versperd.” 

Bijzonder dat de Heere in Ex 14:2 zegt dat het volk moet teruggaan.

Er komt er een moment waarop God zegt: Teruggaan! Dat was te Etam. Hoe wisten ze dat? De wolkolom en de vuurkolom wezen hun de weg, en die gingen gewoon terug.

Ze gingen (Eilat als het ware al min of meer in zicht) terug richting Egypte en sloegen na enige tijd linksaf een kloof in die na ca. 30 km uitmondt aan de Golf van Akaba, op de al eerder genoemde plek Pi-Hachirot, het tegenwoordige Nuweiba.

Wadi die uitmondt bij Nuweiba = Pi-Hachirot

Heel bijzonder, broeders en zusters, wanneer Israël bij Etam gewoon rechtdoor was gelopen, hadden ze zo om de golf van Akaba heen kunnen lopen, naar de berg Sinaï. Dat was toch veel makkelijker? Maar de Heere had een andere bedoeling.

Hiervoor zijn twee redenen, die we in de Bijbel kunnen vinden:

 

Ten eerste: Deut 8:2:

  • Gedenk dan heel de weg, waarop de Here, uw God, u deze veertig jaar in de woestijn heeft geleid, om u te verootmoedigen en u op de proef te stellen ten einde te weten, wat er in uw hart was: of gij al dan niet zijn geboden zoudt onderhouden.”

Richteren 2:22:

  • Om door hen Israël op de proef te stellen, en te zien of zij al dan niet de weg des Heren zouden houden, door daarop te wandelen.”

 

De tweede reden dat Israël moest omkeren naar Pi-Hachirot:

De Naam van de Heere moest worden grootgemaakt onder de volkeren.

We lezen daarvan een prachtige tekst in Jozua over Rachab, de hoer in Jericho:

Jozua 2:9-11:

  • En (Rachab) zeide tot de mannen (die twee verspieders): Ik weet dat de Here u het land gegeven heeft en dat de schrik voor u op ons gevallen is en dat alle inwoners van het land voor u sidderen. 10 Want wij hebben gehoord, dat de Here de wateren van de Schelfzee (King James: Red Sea) voor uw ogen heeft doen opdrogen, toen gij uittoogt uit Egypte, en wat gij gedaan hebt aan de beide koningen der Amorieten aan de overzijde van de Jordaan, Sichon en Og, die gij met de ban geslagen hebt. 11 Toen wij dat hoorden, versmolt ons hart en vanwege u bleef bij niemand meer enige moed over, want de Here, uw God, is een God in de hemel boven en op de aarde beneden.”

 

Hieruit leren we veel broeders en zusters.

Soms zijn ook wij als gelovigen op weg. En wij hebben de weg al voorbereid, we hebben onze plannen al klaar. Maar dan kan de Heere opeens zeggen: “Nee, niet die weg, even terug, want ik heb een andere bedoeling. Ik weet waarheen ik jullie stuur, namelijk naar de grazige weiden (Pi-Hachirot).

Ps 23:2-3:

  • Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren; 3 Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om zijns naams wil”.

 

Ook wij moeten leren dat de Heere ons de weg wijst (door de Zee).

We mogen weten: Hij zorgt voor ons. Dan leren we Hem te vertrouwen, leren we zeggen: “Uw wil geschiedde”.

 

Misschien denken we bij dit alles, kon de Farao niet eerder achter Israël aan?

Hij kon op zijn strijdwagens veel sneller, dan dat trage volk Israël. Maar dan moeten we niet vergeten, wat er net daarvoor in Egypte was gebeurd. Alle eerstgeborenen waren gestorven, en in Egypte was het de gewoonte dat alle doden werden gebalsemd voordat ze begraven werden. Zo mogelijk alle doden werden gebalsemd.

Ook vreemdelingen en dood gevonden zwervers werden – indien mogelijk – gebalsemd voordat ze begraven werden.

Het Egyptische leger op expeditie voerde zelfs mobiele balseminrichtingen mee, voor het geval er mensen sneuvelden. Die konden dan tegelijk worden geprepareerd. Dit lijkt misschien vergezocht maar er zijn betrouwbare berichten dat dit zo was.

 

Toen, na die tiende plaag was er dus een gigantisch balsemwerk te doen. Niet iedereen kon en mocht dat doen. En op zo’n groot aantal doden tegelijk was de Egyptische samenleving niet ingesteld. Een uitgebreide koningsbalseming duurde in die tijd zo’n 70 dagen, maar die werd zeker niet voor iedereen toegepast. We weten niet hoe lang de balseming in dit speciale geval duurde, maar – omdat er ook een koningszoon was gestorven – mogen we toch wel op enkele (mischien twee) weken rekenen, voordat Farao tot bezinning komt.

 

Al die tijd was Israël onderweg. Dat gaf Israël zijn voorsprong!

Het staat er ook mooi in Num 33:3:

  • Zij braken op van Raämses in de eerste maand, op de vijftiende dag der eerste maand; daags na het Pascha trokken de Israëlieten uit door een opgeheven hand, voor de ogen van alle Egyptenaren, 4 terwijl de Egyptenaren bezig waren degenen te begraven, die de Here onder hen geslagen had, alle eerstgeborenen.”

 

Vervolgens lezen we in Ex 14:9:

  • De Egyptenaren nu, al de paarden en wagens van Farao, zijn ruiters en zijn legermacht, achtervolgden hen en haalden hen in, terwijl zij (Israël) gelegerd waren aan de zee, bij Pi-Hachirot, tegenover Baäl-Sefon.”

 

Wat betreft Farao en de Egyptenaren, mogen we aannemen dat ze na die twee (?) weken van rouw, balsemen en begraven, nog enkele dagen nodig gehad zullen hebben om hun leger te verzamelen en, afhankelijk van de opvatting of alleen de strijdwagens ofwel het gehele Egyptische leger erbij betrokken was, zal de tocht naar de zee nog zeker een dag of vier tot een week hebben geduurd.

Dus ook hier lijkt de reis van Israël gedurende drie weken (blijkt uit het vervolg) tot aan de Zee, een kloppende tijdsspanne.

Zo komen dus die twee tijdsperioden, die van de reis van Israël en die van de reis van de Egyptenaren goed met elkaar overeen. Zo rond de drie weken ongeveer.

 

In de traditionele opvatting zou Israël dus al die tijd (drie weken lang) ergens in een klein gebied hebben rondgedwaald en dan na een week of drie die paar kilometer naar de Bittermeren of de kop van de Golf van Suez zijn getrokken. Dit klopt Bijbels gezien helemaal niet. (zie kaartje pagina 2).

Wanneer we de Bijbel onderzoeken, dan ontdekken we dat het volk Israël na ca. drie weken voor een zijarm van de Rode Zee, de golf van Akaba, stond.

Daar op die plaats haalde het leger van de Farao het volk Israël in. En dan gaat de Heere Jezus Christus het volk beschermen (= de Engel Gods):

 

Ex 14:19:

  • Toen verliet de Engel Gods, die vóór het leger van Israël uitging, zijn plaats en ging achter hen (aan); ook verliet de wolkkolom haar plaats aan hun spits en ging achter hen staan. 20 Zo kwam zij tussen het leger van de Egyptenaren en dat van de Israëlieten in, – en de wolk was duisternis, maar tegelijk verlichtte zij de nacht – zodat de een de ander niet kon naderen, de gehele nacht. 21 Toen strekte Mozes zijn hand uit over de zee en de Here deed de zee de gehele nacht door een sterke oostenwind wegvloeien, maakte haar droog, en de wateren werden gespleten. 22 Zo gingen de Israëlieten (in de nacht) in het midden der zee op het droge; terwijl rechts en links de wateren voor hen waren als een muur. 23 En de Egyptenaren vervolgden hen en kwamen achter hen aan – alle paarden van Farao, zijn wagens en zijn ruiters – midden in de zee. 24 Toen dan, in de morgenwake, schouwde de Here in vuurkolom en wolk naar het leger der Egyptenaren en bracht het leger der Egyptenaren in verwarring. 25 Hij deed de wielen van hun wagens wegglijden en met moeite voortrijden, zodat de Egyptenaren zeiden: Laten wij vluchten voor de Israëlieten, want de Here strijdt voor hen tegen Egypte.”

 

Na de overtocht: komt Israël bij Mara (bittere water) en later bij Elim

 

Ex 15:22

  • Toen liet Mozes de Israëlieten opbreken van de Schelfzee (= Golf van Akaba) en zij gingen naar de woestijn Sur; drie dagreizen trokken zij door de woestijn zonder water te vinden.” (In Mara vonden ze water wat bitter was, en wat door een wonder van de Heere zoet gemaakt werd).

 

Ex 15:27

  • Daarna kwamen zij in Elim; daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar aan het water.”

 

NB. In de Sinaï-woestijn waar volgens de traditie de berg Sinaï gelegen is, zijn nergens restanten te vinden van de “oase” Elim. Maar aan de overkant van de Golf van Akaba is Elim met zijn waterputten en palmbomen nog steeds te vinden.

 

De duur van Israëls reis volgens de Bijbel

 

De route hebben we nu zo'n beetje bekeken, nu gaan we eens kijken wat de Bijbel zegt van de duur van de reis van Israël vanuit Egypte tot de berg Sinaï.

Wat gebeurde er op de 14 de van de eerste maand? (Ex 12:18)

Numeri 28:16:

  • En in de eerste maand, op de veertiende dag der maand, zal het Pascha voor de Here zijn.”

 

Dat was de dag dat Israël het Pascha moest vieren, en daarna volgde de nacht van Israëls vertrek uit Egypte, de dag na de veertiende, dus op de vijftiende van de eerste maand.

 

Maar laten we dat hele Bijbelgedeelte lezen:

Ex 12:15-20:

  • Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag (eerste dag van het Pascha) zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid. 16 Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben; generlei arbeid zal daarop verricht worden; slechts wat door ieder gegeten wordt, alleen dat mag door u bereid worden. 17 Onderhoudt dan (het feest der) ongezuurde broden, want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte. Daarom moet gij deze dag onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting. 18 In de eerste (maand), op de veertiende dag der maand, des avonds, zult gij ongezuurde broden eten, tot aan de eenentwintigste dag der maand, des avonds. 19 Zeven dagen zal er geen zuurdeeg in uw huizen gevonden worden, want ieder, die iets gezuurds eet, zo iemand zal uit de vergadering van Israël worden uitgeroeid, hetzij hij een vreemdeling, hetzij hij in het land geboren is. 20 Niets wat gezuurd is, zult gij eten; gij zult in al uw woonplaatsen ongezuurde broden eten.

 

Sommigen menen dat de Bijbel hier niet duidelijk is, omdat er geschreven staat dat het “paaslam” op de avond van de veertiende geslacht moest worden (Ex 12:6), en dat de Israëlieten daarna zeven dagen lang ongezuurde broden moesten eten, van de veertiende tot de éénentwintigste van de maand. (Ex 12:18).

En gezien dát feit zou Israël niet op de vijftiende van de eerste maand vertrokken kunnen zijn.

Maar dat is wél gebeurd, want we lezen bij het vertrek van Israël in Ex 12:34:

  • Toen nam het volk zijn deeg op, voordat het gezuurd was, met hun baktroggen in hun klederen gebonden op hun schouders.”

 

Vervolgens lezen we over de tijdsduur in Ex 16:1-3:

  • Toen zij van Elim (in Midian) opgebroken waren, kwam de gehele vergadering der Israëlieten in de woestijn Sin (= doornig), die tussen Elim en de Sinai ligt, op de vijftiende dag van de tweede maand sedert hun uittocht uit het land Egypte. 2 En in die woestijn morde de gehele vergadering der Israëlieten tegen Mozes en Aäron; 3 en de Israëlieten zeiden tot hen: Och, dat wij door de hand des Heren in het land Egypte gestorven waren, toen wij bij de vleespotten zaten en volop brood aten; want gij hebt ons in deze woestijn geleid om deze gehele gemeente van honger te doen omkomen.”

 

Dus ze waren vertrokken op de 15de dag van de eerste maand. Aankomst in de woestijn Sin: Op de 15 de dag van de tweede maand.

Dus gereisd: Eén maand, 30 dagen tot aan de woestijn Sin, aan de overkant van de Rode Zee, aan de overkant van de Golf van Akaba.

 

Gezien deze tekst is het zeer voor de hand liggend dat Israël er ca 3 weken over had gedaan om in Pi-Hachirot te komen, en daarna nog ca ruim één week tot de woestijn Sin. Dan zijn we op die maand reizen.

Vanaf Sukkoth (in Egypte) naar de zee (Golf van Akaba) is ca. 300 km (in een rechte lijn). 3 weken = 21 dagen = ca 15 km per dag gemiddeld. (vrouwen, kinderen, bejaarden en grote hoeveelheid vee). Ze gingen niet zo snel met al hun vee, kinderen en bejaarden, maar ze gingen onder leiding van de Heere.

 

Na die eerste maand volgt in heel Ex 16 in de woestijn Sin de geschiedenis van het manna. Zij bleven daar ca. 8 á 10 dagen, want er zat ook nog een sabbath in, en op die sabbath mochten ze geen manna rapen.

Na die 8 á 10 dagen vertrokken ze weer:

Ex 17:1

  • De gehele vergadering der Israëlieten brak daarna op uit de woestijn Sin, trekkende van pleisterplaats tot pleisterplaats naar het bevel des Heren, en legerde zich te Refidim, maar daar was geen water voor het volk om te drinken.”

 

En dan volgt het verhaal van “het slaan op de rots”:

Ex 17:5-7:

  • Daarop zeide de Here tot Mozes: Ga vóór het volk uit en neem enige van de oudsten van Israël met u; neem ook de staf waarmee gij de Nijl geslagen hebt, in uw hand en ga heen. 6 Zie, Ik zal daar vóór u op de rots bij Horeb(= dor, droog) staan; dan zult gij op de rots slaan en daaruit zal water te voorschijn komen, zodat het volk kan drinken. En Mozes deed alzo voor de ogen van de oudsten van Israël. 7 Hij noemde die plaats Massa en Meriba (twist en opstand), wegens de twist der Israëlieten en omdat zij de Here op de proef gesteld hadden door te zeggen: Is de Here in ons midden of niet?”

 

Conclusie: Refidim, de rots bij Horeb, en Massa en Meriba zijn niet net al te ver verwijderd van de Berg Sinaï, waar Mozes de brandende braamstruik zag.

Toen kwam er nog een strijd van Israël tegen de Amelekieten:

Ex 17:8-9:

  • Toen kwam Amalek en streed tegen Israël te Refidim. 9 En Mozes zeide tot Jozua: Kies ons mannen uit, trek uit, strijd tegen Amalek, morgen zal ik op de heuveltop staan met de staf Gods in mijn hand.”

 

Daarna volgde daar nog een bezoek van Mozes' schoonvader Jetro, waarbij Jetro ziet dat Mozes het erg druk heeft, en dat hij dat anders moet aanpakken.

En dan lezen we in Ex 19:1-2:

  • In de derde maand na de uittocht der Israëlieten uit het land Egypte, op dezelfde dag, (= 15de dag) kwamen zij in de woestijn Sinai. 2 Nadat zij van Refidim opgebroken waren, kwamen zij in de woestijn Sinai en legerden zich in de woestijn; en Israël legerde zich daar tegenover de berg.”

 

Dus: vertrokken op de 15de dag van de eerste maand. Aankomst in de woestijn Sin: op de 15de dag van de tweede maand.

Aankomst bij de berg Sinaï: op de 15de dag van de derde maand.

Dus reistijd uit Egypte tot de berg Sinaï = 60 dagen.

 

En dan zijn we bij de berg Sinaï:

De berg Sinaï in Arabië

 

Op de foto is de donkere top goed te zien. Die donkere top is geen schaduw, maar ligt gewoon in de zon, de kleur is gewoon heel donker. Het zwarte, verglaasde gesteente is onderzocht, en dat blijkt metamorf gesteente te zijn.

Dit type gesteente ontstaat alleen door hoge druk en hoge temperatuur.

Metamorf gesteente is gesteente dat onder invloed van temperatuur, druk of hydrothermale vloeistoffen is gerekristalliseerd of gemetamorfoseerd.

Dat is normaal gesproken een proces wat gebeurt op grote diepte in de aardkorst of de aardmantel. “Metamorf” zit het woord “metamorphose” in opgesloten. Het gesteente boven op de berg had een totale verandering ondergaan.

Nergens ter wereld komt een dergelijk gesteente boven op een berg voor.

Het is menselijk gesproken dan ook volstrekt onlogisch dat dit type gesteente op de top van een berg ligt, terwijl normaal gesproken dergelijk gesteende op grote diepte wordt aangetroffen.

 

In Exodus 19:18 staat:

  • "De Sinaï was volledig in rook gehuld, want de HEER was daarop neergedaald in vuur. De rook steeg op als de rook uit een smeltoven, en de berg trilde hevig."

 

En in Deut 4:10-13 lezen we:

  • De dag, waarop gij voor het aangezicht van de Here, uw God, bij Horeb stondt, toen de Here tot mij zeide: roep Mij het volk samen, dan zal Ik het mijn woorden doen horen, opdat zij leren Mij te vrezen alle dagen, dat zij op de aardbodem leven, en opdat zij het hun kinderen leren. 11 En gij naderdet en stondt onderaan de berg, terwijl de berg laaide van vuur tot in het hart des hemels; duisternis, wolken en donkerheid. 12 Toen sprak de Here tot u uit het midden van het vuur; een geluid van woorden hoordet gij, maar een gestalte naamt gij niet waar, er was alleen een stem. 13 En Hij maakte u het verbond bekend, dat Hij u gebood te houden, de Tien Woorden, en Hij schreef ze op twee stenen tafelen.”

 

Deuteronomium 4:36:

  • Uit de hemel heeft Hij u zijn stem doen horen om u te vermanen, op de aarde heeft Hij u zijn groot vuur doen zien, en zijn woorden hebt gij gehoord uit het midden van het vuur.”

 

Deut 5:4-5:

  • Van aangezicht tot aangezicht heeft de Here met u gesproken op de berg uit het midden van het vuur – 5 ik stond te dien tijde tussen de Here en u om u het woord des Heren mede te delen, want gij vreesdet voor het vuur en gij kwaamt de berg niet op.”

 

Deut 5:23:

  • Toen gij nu de stem hoordet uit het midden van de duisternis, terwijl de berg stond in een brand van vuur, naderdet gij tot mij, al de hoofden uwer stammen en uw oudsten, en gij zeidet: 24 Zie, de Here, onze God, heeft ons zijn heerlijkheid en zijn grootheid getoond, en zijn stem hebben wij gehoord uit het midden van het vuur; op deze dag hebben wij gezien, dat God spreekt met een mens, en dat deze toch in leven blijft. 25 Maar nu, waarom zouden wij sterven? Want dit grote vuur zal ons verteren; als wij nog langer de stem van de Here, onze God, horen, zullen wij sterven. 26 Want welke sterveling is er, die de stem van de levende God heeft horen spreken uit het midden van het vuur, zoals wij, en die in leven is gebleven?”

 

De Bijbel legt uit dat de berg was gehuld in rook, het vuur brandde op tot in het hart der hemelen. Het moest echt een fascinerend en ook beangstigend gezicht zijn geweest voor het volk van Israël. Het was een manifestatie van Gods kracht, waardoor de berg Sinaï sporen van die ontzagwekkende gebeurtenis vertoont tot op de dag van vandaag. Het is tot op heden nog steeds erg moeilijk om beeldmateriaal van de berg Sinaï in Arabië te krijgen, omdat deze door de Arabieren sterk word afgeschermd voor bezoekers.

 

Eén van die onderzoekers, Ron Wyatt ging in 1984 met zijn twee zonen naar het gebergte Jebel-al-Lawz in Saoedi-Arabië, waar de Sinaï ligt.

Zij werden gearresteerd voor het illegaal aanwezig zijn in Saoedi-Arabië, terwijl zij wel een visum hadden, maar hun aanwezigheid in die regio werd niet geduld, en zij zijn als spionnen 78 dagen gevangen gehouden, en zijn daarna het land uitgezet.

 

Elf maanden later probeerde Wyatt het met een vriend nogmaals, maar opnieuw werden ze het land uitgezet, waarbij ze moesten beloven dat ze niet zouden terugkeren naar Saudi-Arabië en niet mochten praten of schrijven over hun bevindingen.

En dat is misschien maar goed ook, want anders zou het net zo'n toeristische attractie worden als in de Sinaï-woestijn.

De Heere zei tegen Mozes over die plaats: “Doe de schoenen van je voeten, want de grond waarop je staat is heilige grond.”

Nu wordt die “heilige grond” in ieder geval niet door toeristische voeten betreden.

Het is nu tot militair gebied verklaard, en er staat op ruime afstand rondom de berg Sinaï een meters-hoog hek met een wachthuisje, en op verschillende plaatsen staan grote borden waarop een Arabische en een Engelse tekst:

Vertaling van het bord:

Archeologisch gebied

waarschuwing

het is onwettig om het gebied te betreden

overtreders worden onderworpen aan sancties.

aangenomen bij Koninklijk besluit.

 

Samenvattend over deze reis van Israël kunnen we zeggen dat Mozes en Israël haast hadden om Egypte achter zich te laten en aan de andere kant van de Schelfzee te komen, buiten de Egyptische invloedssfeer.

De weg vanuit Sukkoth naar de Golf van Akaba was toendertijd een handelsroute. Deze route was (en is nog steeds) goed begaanbaar en kennelijk was er onderweg voedsel en water te vinden. Ook was er nog veel uit Egypte meegenomen, in ieder geval voor de eerste zeven dagen de ongezuurde broden, zoals we gelezen hebben.

Eénmaal over de zee was de noodzaak tot een snelle vlucht voorbij en deed men het wat kalmer aan.

 

De Traditie

 

De gebruikelijke opvatting is dat de Israëlieten door een soort moeras trokken aan het noordelijke uiteinde van de Golf van Suez. De sterke oostenwind (Ex 14:21) blies het ondiepe water weg en het volk trok over de moerassige grond naar de overkant. De Egyptische cavalerie volgde hen en moet meer zijn versmoord dan verdronken.

Ik heb me altijd afgevraagd waarom de Egyptenaren niet een paar kilometer omreden en de Israëlieten aan de andere kant opwachtten. Met zo'n cavalerie van strijdwagens is dat in een uurtje gebeurd. Niets is toch eenvoudiger? En de Farao's waren grote strategen, het waren geen simpele zielen op militair gebied.

 

Ik heb verschillende oude bijbelkaarten op google nagezocht, en op bijna allemaal plaatsen ze berg Sinaï, Mara én Elim én Refidim in Egyptisch gebied in de z.g. Sinaï-woestijn, terwijl ze wel het land Midian steeds aan de overkant van de Golf van Akaba plaatsen.

 

Uit de tot dusver genoemde Bijbelteksten en feiten blijkt de doortocht door de Golf van Akaba te zijn. Omdat dat eigenlijk zo duidelijk is, begrijp ik niet dat de gebruikelijke opvatting zo hardnekkig stand heeft kunnen houden door de eeuwen heen. Of is dit ook het werk van de “door-een-werper”?

 

Nog enkele teksten betreffende de “Schelfzee”:

 

Ik wil graag nog even stilstaan bij de geschiedenis waarin de 12 verspieders het land hebben verkend, en dat Israël ongehoorzaam was. Wat gebeurt er nadat de verspieders zijn teruggekeerd? Num 14:10-12:

  • 10 Toen zeide de gehele vergadering, dat men hen (Jozua en Kaleb) stenigen zou. Maar de heerlijkheid des Heren verscheen in de tent der samenkomst aan al de Israelieten. 11 En de Here zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk Mij versmaden, en hoelang zullen zij niet op Mij vertrouwen bij al de tekenen die Ik in zijn midden gedaan heb? 12 Ik zal het met de pest slaan en het uitroeien, en u (Mozes) tot een volk maken, groter en machtiger dan dit.”

 

Mozes bidt dan om vergeving voor het volk, en dan zegt de Heere:

Numeri 14:20-25:

  • En de Here zeide: Op uw bede schenk Ik vergeving. 21 Evenwel, zo waar Ik leef en de heerlijkheid des Heren de ganse aarde vervullen zal: 22 Geen van de mannen die mijn heerlijkheid gezien hebben, en de tekenen die Ik in Egypte en in de woestijn gedaan heb, en die Mij nu reeds tienmaal verzocht en naar mijn stem niet geluisterd hebben, 23 Zal het land zien, dat Ik onder ede aan hun vaderen beloofd heb! Ja, niemand van hen, die Mij versmaad hebben, zal het zien. 24 Doch omdat bij mijn knecht Kaleb een andere geest geweest is en hij Mij volkomen gevolgd heeft, zal Ik hem naar het land brengen, waar hij heen geweest is, en zijn nakomelingschap zal het bezitten. 25 De Amalekieten nu en de Kanaanieten wonen in de Laagvlakte. Wendt u morgen om en trekt op naar de woestijn in de richting van de Schelfzee.” De King James vertaald hier : “The Red Sea”.

 

Opm.: Ze moesten teruggaan, naar waar ze vandaan kwamen. Alhoewel de geografische plaats van de Schelfzee (Rode Zee) hier niet direct in het oog springt, is het toch wel logisch om aan te nemen dat de route vanuit de zuidelijke punt van Kanaän naar een "zee", niet anders dan naar de Golf van Akaba kan gaan. De Heere stuurt Israël niet terug naar één of andere “Schelfzee” in Egypte. Zeker wanneer daarbij wordt gezegd, dat de richting eerst het land Kanaän was, en dan het bevel volgt: “wendt u om”. (Overigens de tweede keer dat Israël moest omkeren)

 

Ik wil graag nog even bij deze tekst stilstaan.

Er waren zovele beloften dat de Heere aan Israël dat beloofde land zou geven, te beginnen bij Abraham, en verder aan Izaäk, en aan Jacob, enz. Het was door God onder ede beloofd, dat zij dat land zouden ontvangen. Maar ging Israël nu in vertrouwen op die beloften staan? Nee. En had dat consequentie's? Zeer duidelijk. Kregen zij het beloofde land? Nee, op Jozua en Kaleb na, kregen zij het beloofde land niet.

We zien hier in deze hele geschiedenis een liefdevolle genadige, maar ook rechtvaardige God. God vergeeft, Hij verhoort het gebed van Mozes, maar God laat ook zien dat Hij rechtvaardig is. Allen sterven in de woestijn, en 38 jaar later staat er een nieuwe generatie klaar om het land wel binnen te trekken.

 

God is niet veranderd, broeders en zusters. Ook nu is God vol van liefde en genade, maar ook rechtvaardig.

Waarom zeg ik dit: Gelovigen die nu niet wandelen naar de hoge roeping van Paulus, zullen wel behouden zijn, maar zullen niet binnengaan in het hemels Kanaän, zullen niet binnengaan in de bovenhemelse zegeningen, zullen hun erfenis niet in ontvangst kunnen nemen, en zullen niet deelhebben aan de opstanding van tussen de doden uit, en zullen niet met Hem verschijnen in heerlijkheid bij Zijn komst. Dit heb ik niet bedacht, maar dat zegt de Bijbel.

 

Er wordt vaak alleen maar gesproken over Gods rijke genade, en er is heel veel genade, maar God is niet veranderd, Hij is ook rechtvaardig.

 

De volgende tekst over de Rode Zee: Numeri 21:4

  • Toen zij van de berg Hor opgebroken waren in de richting van de Schelfzee (King James: “Red Sea”) ten einde om het land Edom heen te trekken, werd het volk onderweg ongeduldig. 5 En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd? om te sterven in de woestijn? Want er is geen brood en geen water en van deze flauwe spijs walgen wij.”

 

Van de Hor trokken ze verder in de richting van de Rode Zee (de Golf van Akaba). Daarbij moesten ze om Edom heen trekken. Maar onderweg werd het volk ongeduldig. De berg Hor ligt ergens in de Negev woestijn, de plaats is onduidelijk. Maar als je vanuit de Negev/de berg Hor naar een zee moet en om Edom trekken, dan is er weinig keus. Dan is je doel de Golf van Akaba.

Het land van Edom ligt ten oosten van de lijn Doode Zee – Eilath.

En de berg Hor ligt ongeveer in het midden ten westen van diezelfde lijn.

 

Deuteronomium 2:1-8:

  • Daarop wendden wij ons om en braken op naar de woestijn, in de richting van de Schelfzee (K.J. Red Sea) , zoals de Here tot mij gesproken had; vele dagen trokken wij om het gebergte Seir heen. 2 Toen zeide de Here tot mij: 3 Gij hebt lang genoeg om dit gebergte heen getrokken, wendt u naar het noorden; (toen mochten ze weer omkeren) 4 Gebied het volk aldus: gij gaat nu trekken door het gebied van uw broeders, de zonen van Esau, die in Seir wonen; die zullen bevreesd voor u zijn. Neemt u echter zeer in acht; 5 Daagt hen niet uit, want Ik zal u van hun land zelfs geen voetbreed geven, omdat Ik het gebergte Seir aan Esau tot een bezitting gegeven heb. 6 Voedsel om te eten zult gij van hen voor geld kopen; ook water om te drinken zult gij van hen voor geld kopen. 7 Want de Here, uw God, heeft u gezegend in al het werk uwer handen; Hij heeft uw tocht door deze grote woestijn gekend; deze veertig jaar was de Here, uw God, met u, gij hebt aan niets gebrek gehad. 8 Daarom trokken wij verder, weg van onze broeders, de zonen van Esau, die in Seir wonen, weg van de vlakte, van Elat en Esjon-geber. Daarna wendden wij ons en gingen in de richting van de woestijn van Moab.”

 

Opm.: Van Kades (ergens op de grens van Negev en Sinaï), via een zee, om het gebergte Seïr (woonplaats van Edom) heen, ja dat kan alleen maar in eerste instantie richting de Golf van Akaba zijn.

 

In Deut 2:1 lazen we over het gebergte Seir. Dat gebergte Seir ligt in Edom (zie kaartje). Dat gebergte Seir vinden we ook in de geschiedenis van Jaco en Ezau.

Genesis 32:3

  • En Jakob zond boden uit voor zijn aangezicht tot Ezau, zijn broeder, naar het land Seir, de landstreek van Edom.”

 

En nadat Jacob en Ezau hun geschil hadden bijgelegd, lezen we:

Genesis 33:16

  • Alzo keerde Ezau dien dag wederom zijns weegs naar Seir toe.”

 

En tot slot lezen we daarover in Genesis 36:8:

  • Derhalve woonde Ezau op het gebergte Seir. Ezau is Edom.”

 

Dan lezen we in 1 Koningen 9:26-27 ook nog over de Rode Zee:

Koning Salomo had ook een vloot laten bouwen, in Esjon-Geber bij Elat, aan de kust van de Rode Zee, in Edom:

  • Ook rustte koning Salomo een vloot uit te Esjon-geber bij Elot, aan de oever der Schelfzee, in het land Edom. 27 En Chiram zond zijn knechten op die vloot, scheepslieden die met de zee vertrouwd waren, naast de knechten van Salomo.”

 

Opm.: Rode Zee = Schelfzee = Golf van Akaba, want daar liggen Esjon-Geber en (nog steeds) Elot of Eilat.

 

 

Jeremia 49:20-21 (gaat over het oordeel van de Heere tegen Edom)

  • NBG: “Daarom, hoort het besluit dat de Here tegen Edom genomen heeft, en de plannen die Hij tegen de inwoners van Teman beraamd heeft: Voorwaar, de jongens der kudde zullen hen wegsleuren, voorwaar, hun dreve zal zich over hen ontzetten; 21 Van het geluid van hun val beeft de aarde, het gejammer wordt aan de Schelfzee gehoord.
  • De St. Vert. heeft ook “Schelfzee” vertaald, maar de King James heeft “Red Sea” vertaald.

 

Opm.: Het gaat hier over een gericht van de Heer tegen Edom, tegen Teman (een stad in Edom). Als die valt, wordt het gejammer aan de Schelfzee (Rode Zee) gehoord. De Schelfzee is al meer genoemd in verband met Edom. Bovendien is het zeer waarschijnlijk, dat het geluid van hun val de Golf van Akaba zou bereiken, maar niet bijv. de Golf van Suez of één van de andere traditionele gebruikelijke locatie's voor ”Schelfzee”.

 

Conclusie: Overal waar de naam “Schelfzee” (Rode Zee) in de Bijbel wordt genoemd in verband met enige andere, geografische locatie, is altijd maar één uitleg acceptabel, dat de Schelfzee = Golf van Akaba.

 

Hoe kon Israël door een diep water als de Golf van Akaba?

 

Een vraag die direct opkomt is: Hoe konden de Israëlieten een diepe zee als de Golf van Akaba kruisen? Enkele opmerkingen daarover:

 

Ten eerste: De Golf van Akaba is rond 1600 meter diep, 15 km breed, en hellingen van 45% tot 60%. Maar op de plaats van de doortocht ongeveer is de diepte ca. 300 meter, de breedte ca 10 km, met hellingen van maximaal 6% steil. Dus zonder al te grote inspanning kon Israël op een door de Heere bepaalde plaats die 10 km door de zee trekken. De Heere wist heel goed waar Hij Zijn volk heen leidde. De golf van Akaba was daar op zijn smalst en het minst diep.

Deze betrekkelijke ondiepte is veroorzaakt door sediment, aanslibbing dat van weerskanten, juist tegenover elkaar in de Golf is aangevoerd door oude rivieren die vanuit de beide woestijnen op die plaats in de zee uitkwamen. Aan beide zijden zijn zeer brede en ver de zee ingaande stranden ontstaan, die zelfs op satellietfoto's goed zijn te zien. Israël kon daar gemakkelijk zijn kampement opslaan.

 

Hieronder een kaartje wat de situatie aangeeft:

Ten tweede: Het is door onderzoek bekend, dat ten tijde dat Israël uit Egypte trok, de zeespiegels aanmerkelijk lager waren dan thans. Duikers hebben namelijk op deze plaats bij Nuweiba aan de golf van Akaba gedoken tot een diepte van 60 meter. Zij zagen hoe tot minstens op die diepte a.h.w. een middenpad was vrijgemaakt doordat de grote keien naar de kant geschoven waren, (door de adem van God?) precies zoals dat ook te zien was in de bergkloof die naar de zee leidt. Het leek erop alsof de weg daar enkele duizenden jaren geleden nog een heel eind de zee inliep.

Ten derde: Hoe het ook zij, God deed het water van deze zee als zeer hoge muren ter weerszijden van de Israëlieten staan. (op het diepst ca 300 meter hoog).

De hoer Rachab uit Jericho sprak er 40 jaar later nog met ontzag over.

Het Egyptische leger had geen keus, dan de Israëlieten achterna gaan en hopen dat het water zou blijven staan (wat het dus niet deed). Omrijden over Eilat zou te lang geduurd hebben en bovendien kwamen ze dan op niet-Egyptisch territorium met alle mogelijke gevolgen van dien. De machtige Egyptische cavalerie verdronk doordat het water op hen neersloeg, en Mozes zegt in Exodus 15 regelmatig dat het water van de zee waarin Farao verdronk, diep was. Dat zijn tamelijk overdreven woorden als Farao met zijn leger in een ondiepe Rietzee versmoord zou zijn:

Ex 15:4-11: het loflied van Mozes zong aan de overkant: 

  • “De wagens van Farao en zijn legermacht wierp Hij in de zee; de keur van zijn wagenhelden werd in de Schelfzee (K.J. Red Sea) gedompeld. 5 Watervloeden overdekten hen; in de diepte zonken zij als een steen. 6 Uw rechterhand, Here, heerlijk door kracht, uw rechterhand, Here, verpletterde de vijand. 7 In uw grote majesteit vernietigdet Gij wie tegen U opstonden; Gij liet uw toorngloed los, hij verteerde hen als stoppels. 8 Door de adem van uw neus werden de wateren opgestuwd; als een dam stonden de stromen; de watervloeden stolden in het hart der zee. 9 De vijand zeide: Ik achtervolg, haal in, deel de buit; ik koel mijn lust aan hen, trek mijn zwaard; mijn hand roeit hen uit. 10 Gij bliest met uw adem, de zee overdekte hen; als lood zonken zij in geweldige wateren. 11 Wie is als Gij, onder de goden, Here, wie is als Gij, heerlijk in heiligheid vreselijk in roemrijke daden, wonderbaar in uw doen?

Nog een prachtige tekst uit Jesaja:

Jes 51:10:

  • “Zijt Gij het niet, die de zee hebt drooggelegd, de wateren van de grote diepte; die de diepte der zee hebt gemaakt tot een weg, een doortocht voor verlosten?”

Het is zeer overweldigend wat hier is gebeurd. Het is eigenlijk niet onder woorden te brengen. Stelt u zich eens voor. Een doortocht over 10 km, met hoge muren van water naast je van maximaal 300 meter hoog.

Wanneer je snel loopt, dan kun je daar in twee uur doorheen lopen. Twee uren lang met naast je ongekende hoge muren van water!

Hieronder een doorsnede van de situatie aan de plaats van de doortocht: Aan de Egyptische kant ligt daar tegenwoordig de badplaats Nuweiba (In de Bijbel lag daar de plaats “Pi-Chiharot). 

Nuwayba' al Muzayyinah betekent: “Wateren van Mozes die zich splijten”.

De verschillende kleuren blauw geven de diepte aan

Strand bij Nuweiba

 

 

Dan gaan we naar Elia. We lezen in 1 Kon 19:

  • 3 Toen hij dat had vernomen, maakte hij zich gereed en ging weg om zijn leven te redden; en gekomen tot Berseba, dat tot Juda behoort, liet hij zijn knecht daar achter. 4 Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zeide: Het is genoeg! Neem nu Here, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. 5 Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruik. Doch zie, daar raakte een Engel hem aan en zeide tot hem: Sta op, eet. 6 Toen hij rondzag, was daar, aan zijn hoofdeinde, een koek op gloeiende stenen gebakken en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer neer. 7 Doch wederom, ten tweeden male, raakte de Engel des Heren (= de Heere Jezus = de Zoon) hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn. 8 Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb.”

 

Dus Elia stond op, at en dronk, en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Horeb. Wanneer we op de kaart kijken naar de afstand tussen Berseba en de berg Sinaï, dan is dat hemelsbreed circa 400 km. Wanneer we dan meerekenen dat Elia dan door gebergten heen moest, en misschien om bergen heen moest, dan komen we mischien wel op het dubbele uit, ca 800 km. Dat is dan per dag ca 20 km. (20 x 40 = 800).

Maar wat mooi is in dit beeld, dat Elia naar de berg Sinaï moest.

Elia was dat dat helemaal niet van plan, maar de Engel des Heeren, de Heere Jezus spoorde hem daartoe aan.

Want de Heere wist dat Elia op die berg Gods de Heere zou ontmoeten.

 

Een les voor ons, broeders en zusters:

Waar moeten wij heen wanneer we het niet meer zien zitten? Gelukkig hoeven we geen 800 km te reizen. Maar we hebben genoeg voeding (het Woord) om te weten waar we heen moeten. We moeten onszelf helemaal inleveren, en gaan schuilen bij Hem, die ons liefheeft, die Zichzelf heeft gegeven om u en mij te redden.

Nog één tekst wil ik tot slot graag met u lezen:

Kol 1:9-12: Paulus dankt daar voor het geloof van de Kolossenzen:

  • Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 Om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 En dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.”

 

20 februari 2016, Bert Boersma, boersmaklm@hetnet.nl

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk