Henoch

Henoch wandelde met God en hij was niet meer

We lezen Gen. 5:21-24:

  • Toen Henoch vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Metuselach.22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren.23 Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar.24 En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.”

Vers 24 is een opmerkelijk vers, want Henoch wandelde met God, is al de tweede keer dat dit vermeld wordt. Want ook in vers 22 wordt dat gezegd. Henoch wandelde met God en de uitkomst daarvan was, vers 24: “En hij was niet meer. Want God had hem opgenomen.”

We moeten hierbij wel lezen wat in het N.T. over Henoch wordt gezegd. In het bijzonder ook vers 24. Dat wordt aangehaald door de apostel Paulus in Hebr. 11:5:

  • Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want vóórdat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest.”

Paulus citeert hier namelijk niet uit het Hebreeuwse O.T., maar uit het Griekse O.T., namelijk de Septuagenta. Die zegt wat meer, Dat komt omdat die vertalers toen wat meer hebben toegevoegd, namelijk datgene wat ze geloofden, en wat in de ongeweide geschiedenis toen werd gezegd.

Dat heeft Paulus overgenomen uit het toen algemeen gebruikte Septuagenta in die tijd. Daarom zegt hij ook: Door het geloof is Henoch weggenomen.

Deze twee teksten uit O.T. en N.T. lijken er op te wijzen, dat Henoch een verheerlijkt lichaam had ontvangen en dat hij ook eeuwig leven ontving, lang voordat de Heere Jezus dit ontving, voordat de Heere Jezus onvergankelijk leven aan het licht bracht.

Is het zo, wat de NBG-vertaling helemaal doet uitkomen in Gen.5:24?

Namelijk: “En Henoch wandelde met God en hij was niet meer, want God had hem opgenomen.”

Daar bedoelen ze dus mee, dat God hem van de aardbodem heeft opgenomen in de hemel. In Hebr. 11:5 houden de NBG vertalers zich meer aan wat de grondtekst zelf zegt, namelijk door het geloof is Henoch weggenomen, zodat hij de dood niet zag. We vinden hier helemaal geen woorden, die aangeven dat hij overgebracht werd naar de hemel. Het woord hemel vind je in beide versen niet. Je leest ook niet, dat hij een verheerlijkt lichaam ontving of dat hij een onvergankelijk leven kreeg. Hebreeën zegt alleen, dat hij niet meer gevonden werd. Of Henoch werkelijk naar de hemel is gegaan, is zeer de vraag in het licht van Joh. 3:13:

  • En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is de Zoon des mensen.”

Als je dit vers leest van de Heere Jezus, dan is het onmogelijk dat Henoch is opgenomen in de hemel. Zij die geloven dat Henoch is opgevaren naar de hemel en ook veranderd werd bij die opneming, die zien dat als een type van de verandering van de levende gelovige bij de komst des Heeren, zoals 1 Thes. 4 daarover spreekt. Dat zij veranderd worden in een ondeelbaar ogenblik, zoals dat ook vermeld staat in 1 Kor. 15 en dat zij de Heere tegemoet gaan in de lucht, zo zien zij deze opname van Henoch als een type van de opnamen van de gemeente.

Wij, leden van het Lichaam van Christus, hebben een andere hoop, een zalige hoop, namelijk wij zullen verschijnen met Christus in heerlijkheid [Kol.3:4]. Het is opmerkelijk dat Paulus in Hebr. 11:5 hele andere woorden gebruikt dan hij in 1 Kor.15 voor het woord –veranderen - vers 51:

  • Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden.”

Dit woord “veranderd worden” is het Griekse woord “allasso” . Dit gebruikt Paulus niet in Hebr. 11:5, maar hij gebruikt daar het woord “metatithemi”. Dit woord betekent “wegneming”, en zo is het ook vertaald door de St.Vert.:

  • door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag.”

Paulus maakt dus duidelijk in het Grieks, dat er iets anders met Henoch is gebeurd, dan beschreven staat in 1 Kor. 15, anders had Paulus hier ook het woord “allasso” gebruikt.

Henoch werd niet meer gevonden, want God had hem niet veranderd maar God had hem weggenomen [metatithemi]. Het woord “allasso” wijst op transformatie in 1 Kor. 15, als dat sterfelijke onvergankelijkheid aandoet.

Henoch kan ook moeilijk onsterfelijkheid aangedaan hebben, voordat de Heere Jezus de zonde door de dood overwon. De Heere Jezus overwon de dood door Zijn eigen dood en Zijn eigen opstanding.

Kol. 1 moet daar dan wel bij gelezen worden, over dat “veranderd worden”, over dat “onstervelijkheid aandoen”, vers 18:

  • En Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente.Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is”

Christus is de Eerstgeborene uit de doden, Die stond op tussen de doden uit, Hij is daardoor onder alles de Eerste geworden. Als Henoch de eerste is geweest, die onvergankelijkheid aangedaan heeft, dan zou Christus minimaal de tweede zijn geweest en niet de eerste. Christus heeft onvergankelijkheid aan het licht gebracht. In die tijd gezien, kan Henoch dat nooit hebben ondergaan.

In Gen. 5:24 is de St. Vert. wel heel erg suggestief met dit te vertalen met opnemen of zou Henoch in de hemel zijn opgenomen. Paulus gebruikt in het Grieks het woord “metatithemi”, wat betekent “wegnemen”. Paulus maakt dus duidelijk, in het Grieks, dat er iets anders met Henoch is gebeurd, dan beschreven staat in 1 Kor. 15:51, anders had Paulus hier in dit vers het andere woord gebruikt namelijk “allasso”, wat betekent veranderd worden.

Henoch werd niet meer gevonden want God had hem niet veranderd, nee God had hem weggenomen.[metatithemi]. In 1 Kor. 15 staat verder, dat dat sterfelijke onsterfelijkheid aandoet, dat het vergankelijke, onvergankelijkheid aandoet. Henoch heeft niet onsterfelijkheid aangedaan, in zodanige staat is hij niet veranderd. Henoch kon dat ook moeilijk, voordat de Heere Jezus de zonde door de dood overwon.

De Heere Jezus overwon de dood door Zijn Eigen dood en opstanding, Hij was daarin de Eerste zo lezen we in Kol. 1:18:

  • En Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is.”

Christus is de Eerstgeborene uit de doden, Die tussen de doden uit opstond. Hij is daardoor onder alles de Eerste geworden. Als Henoch de eerste is geweest die onvergankelijkheid aangedaan heeft en die veranderd is in een ondeelbaar ogenblik, omdat hij met God wandelde, dan is Christus minimaal de tweede geweest en nooit de eerste zijn geweest, maar Hij is onder alles de Eerste geworden. Dat Henoch gestorven is dat is wel heel erg duidelijk. Ook voor Paulus was dat duidelijk, want hij zegt in

Hebr. 11:13:

  • In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonderde beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet.”

Die hele lijst waarover ik het heb gehad zegt Paulus, vanaf Abel af tot Sara, zijn allen in dat geloof gestorven, dus ook Henoch. Het is wel opmerkelijk dat er staat; God nam hem weg zodat hij de dood niet zag. Er staat dat Henoch daarna niet meer gevonden werd, want God had hem weggenomen. Dat was dus wel een uitzondering op de bewuste ervaring van het sterven in die dagen, waar de mens mee geconfronteerd werd. De meesten werden in die dagen in de buurt van 900 jaar oud.

Je zou dus kunnen zeggen dat het lichaam in die tijd heel krachtig was. Het was wel heel vreemd, dat deze Henoch voor die tijd, op een zeer jonge leeftijd, er opeens niet meer was, hij werd maar 365 jaar oud. Het oordeel van God voltrok zich wel aan de mens, maar het duurde wel een hele poos, voordat Adam ondervond wat zijn zonde in het paradijs tot gevolg had. Hij werd ook wel ongeveer 900 jaar oud.

Het sterven moet wel een bewuste ervaring zijn geweest voor de persoon in kwestie en voor de mensen om hem heen.

Die Hebreeuwse uitdrukking; “Henoch was niet meer”, die kom je ook tegen in Jeremia, daar kun je zien dat die uitdrukking wel degelijk te maken heeft met sterven, Jer.31:15:

  • Zo zegt de Here: Hoor, te Rama klink een klacht, bitter geween: Rachel weent om haar kinderen, zij weigert zich te laten troosten over haar kinderen, omdat er geen meer is.”

Hier dezelfde uitdrukking in het Hebreeuws. Deze tekst wordt aangehaald door Mattheus met de kindermoord in Betlehem, Matt. 2:16-18:

  • Toen Herodes zag, dat hij door de wijzen misleid was, ontstak hij in hevige toorn en zond bevel om in Betlehem en het gehele gebied daarvan al de jongens van twee jaar oud en daar beneden om te brengen, in overeenstemming met de tijd, die hij bij de wijzen had uitgevorst. 17 Toen werd vervuld het woord, gesproken door de profeet Jeremia, toen hij zeide: 18 Een stem is te Rama gehoord, geween en veel geklaag: Rachel, wenend om haar kinderen, weigert zich te laten troosten, omdat zij niet meer zijn.”

Ze zijn niet meer, ze zijn niet in de hemel opgenomen. Net zo goed Henoch niet meer was, hij was niet meer te vinden en we moeten niet lezen dat hij was opgenomen.

Dit is onmogelijk voordat Christus was opgenomen, voordat Christus leed en stierf en onvergankelijk leven aan het licht bracht. Christus zegt Zelf; er is niemand die is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel is nedergedaald, dan wijst Hij op Zichzelf. We lezen in 1 Kor. 15:22,23:

  • Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.23 Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.”

Allen sterven in Adam. Het is de mens gezet eenmaal te sterven en daarna het oordeel. Ze zullen in Christus echter allen levend gemaakt worden. Henoch is daar geen uitzondering op. Er is ook nog een rangorde in die opstanding. Als Christus daarin de Eerste is, dan zullen ook velen volgen.

Van al die opstandingen, waar sprake van is in het O.T. en ook in de tijd van Christus rondwandeling op aarde, toen Hij de jongeling van Naïn opwekt en toen Lazarus werd opgewekt. Die mensen zijn allemaal wel opgestaan, maar niet in een onvergankelijk leven. Ze stonden weer op in een lichaam zoals ze gestorven waren. Lazarus kwam naar buiten, zoals die was en hij leefde voort.

Deze zijn allen weer gestorven in Adam.

Waar in 1 Kor. 15 sprake van is, waar Christus de Eersteling uit de doden wordt genoemd, daar is sprake van echt een verandering, zoals staat in

1 Kor. 15:53-54:

  • Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen.En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning.”

Bij Henoch was die dood nog niet verzwolgen. Want Christus moest daarvoor eerst nog sterven en de dood overwinnen. Zo mogen ook wij in die overwin-ning leven. Dat is de boodschap van de Bijbel. Christus is de Eerste in allen die ontslapen zijn. Christus is de eerste die bekleed werd met een hemels lichaam en anderen zijn Hem daarin niet voorgegaan, ook Henoch niet.

Hebr. 11:5 moet je ook niet lezen, dat hij zou zijn weggenomen, zodat hij niet stierf, er staat in Hebr. 11:5 :

  • Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen.”

Dat lijkt hetzelfde, maar dat is hetzelfde niet. Opmerkelijk is dat de Heere Jezus er in dezelfde zin over spreekt in Joh. 8:51:

  • Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen.”

Dat is nou wat Henoch meemaakte. Die belofte, die heeft ook Henoch onder-gaan. Want, Henoch was een prediker, lezen we in Judas vers 15:15 en hij had een boodschap, hij bewaarde het Woord van God, en de belofte is dan:

  • Ik zeg u indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen. De joden zeiden tot Hem, nu weten wij dat Gij bezeten zijt. Abraham is gestorven en ook de profeten en Gij zegt indien iemand Mijn Woord bewaard heeft, zal de dood in eeuwigheid niet smaken?”

Wat bedoelde de Heere Jezus met de dood niet zien, niet smaken? Wil dat zeggen dat je dan niet zal sterven, de dood niet zal smaken? Nee dat niet. Lees Hand. 2:25-28 let daarbij op het getuigenis van David, zo’n getuigenis had Henoch ook:

  • Want David zegt van Hem: Ik zag de Here te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. 26 Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd, ja, ook mijn vlees zal nog een schuilplaats vinden in hope, 27 omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien. 28 Gij hebt mijn wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor Uw aangezicht.”

God was aan zijn rechterhand, in David's eigen geloofsleven, was het zo. Hij wandelde met God. Hij ziet de Heere te allen tijde voor zich en Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou.

Dat is een getuigenis van iedere gelovige, ook voor ons, dat wij mogen wandelen met de Heere Jezus in het licht. Hier heeft hij het over het lichaam, over zijn vlees, en zijn hart is verheugd en zijn tong verblijd. Ook zijn lichaam is verblijd, want hij zal nog een schuilplaats vinden in hope. Opdat gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, nog het heilige van U [lett. uit het Grieks] ontbinding doen zien.

Als leden van het Lichaam van Christus wandelen wij met God en wij hebben de hoop dat wij de dood niet zullen zien, niet zullen smaken, maar dat wij met Christus zullen zijn in het licht. David kijkt over de dood en het graf heen, over de ontbinding van het lichaam heen, en hij verheugd zich erop, en dat hij zich voor het aangezicht des Heeren zal bevinden in de eeuwigheid.

Dat is het getuigenis van David en van Henoch en dat is het getuigenis van iedere gelovige. Dat wil niet zeggen, dat je niet zal sterven. Dat wist David heus wel en dat wist Henoch ook heus wel, maar hun hart was vervuld met hoop.

Om te onderstrepen dat David niet in de hemel is, zegt vers 29-34

  • Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij en gestorven en begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag. 30 Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, 31 heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien. 32 Deze Jezus heeft God opgewekt, waarvan wij allen getuigen zijn. 33 Nu Hij dan door de rechterhand Gods verhoogd is en de belofte des Heiligen Geestes van de Vader ontvangen heeft, heeft Hij dit uitgestort, wat gij en ziet en hoort. 34 Want David is niet opgevaren naar de hemelen, maar hij zegt Zelf: De Here heeft gezegd tot mijn Here: Zet U aan mijn rechterhand.”

David is niet opgevaren naar de hemelen, maar Christus! In Joh. 3:13 heeft de Heere Jezus dit Zelf onderstreept:

  • En niemand is opgevaren naar de hemel, dan die uit de hemel nedergedaald is de Zoon des mensen.”

Je zou kunnen zeggen, dat van David en Henoch getuigd kan worden, dat ze de dood niet hebben aanschouwd, omdat ze het Woord hebben bewaard, omdat ze door het geloof ervan hebben getuigd. Zo hebben zij de dood niet aanschouwd, de dood niet gesmaakt.

David diende de raad Gods en dat was ook het geval met Henoch, zij dienden de raad Gods, zij waren Gode welgevallig Hebr. 11:5

  • Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want voordat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest.”

Vers 13-14:

  • In (dat) geloof zijn deze allen gestorven, zonder de beloften verkregen te hebben; slechts uit de verte hebben zij die gezien en begroet, en zij hebben beleden, dat zij vreemdelingen en bijwoners waren opaarde. 14 Want wie zulke dingen zeggen, geven te kennen, dat zij een vaderland zoeken.”

Laten wij daarom ook Gods Woord bewaren, ons eraan vast houden. Er ten volle van overtuigd zijn, dat Gods Woord de waarheid is, waarop wij kunnen vertrouwen, dat deze dingen alzo zijn en ook op ons in deze tijd van toepassing zijn, dat er ook voor ons een plaats is in de hemelen en de dood ons niet vast kan houden, deze niet zullen aanschouwen. (Joh.8:51)

Nu gaan we vervolgens op een praktische manier stilstaan bij Henoch Gen. 5:23-24a

  • Zo waren al de dagen van Henoch driehonderd vijfenzestig jaar.24 En Henoch wandelde met God, en hij was niet meer.”

Henoch is een bijzonder man, want over maar heel weinig mensen staat in de Bijbel geschreven, dat zij wandelden met God. Hij is ook een van de weinige mensen, waarvan we iets meer weten van degene die leefden voor de zondvloed. Van de meesten weten we alleen dat ze hebben geleefd, en weten we niets van hun leven. Vanuit Judas 14 en 15 weten we nog iets meer over de dagen van Henoch en lezen we dat de dagen boos waren. Dat ieder mens zijn eigen weg ging, in plaats van Gods weg.

Het kenmerk van die dagen van Henoch is, dat die dagen goddeloos waren. Henoch lijkt daarin nogal alleen te hebben gestaan in de wereld van zijn dagen, toen hij begon te prediken als de prediker van God. En mensen om zich heen ook waarschuwde voor het oordeel dat onherroepelijk zou komen.

Zo lezen we in Judas 14-15:

  • Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, 15 om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.”

Het is wel bijzonder dat hier zo het woord “goddeloos” wordt onderstreept, want tot vier maal toe spreekt dit vers in Judas over goddelozen en goddeloze werken. Die wereld van Henoch was goddeloos, zonder God in de wereld, zonder God en Zijn gebod. Als ze het over God hadden, dan spaken ze harde taal, die ze tegen God hebben gesproken. Van Henoch echter wordt tot twee maal toe gezegd, dat hij niet goddeloos was, maar dat hij een levenswandel openbaarde, die daarmee tegenover gesteld stond. Want tot twee maal toe staat er: “En Henoch wandelde met God.” Dat hield in zoals Amos spreekt in hoofdstuk 3:1-3

  • Hoort dit woord, dat de Here over u spreekt, gij Israëlieten, over het ganse geslacht dat Ik uit het land Egypte heb gevoerd: 2 U alleen heb Ik gekend uit alle geslachten van het aardrijk; daarom zal Ik al uw ongerechtigheden aan u bezoeken. 3 Gaan er twee tezamen, zonder dat zij het eens geworden zijn?”

Als twee tezamen wandelen, betekent voor God Zelf dat er een overeenkomst tussen de twee, dat er een harmonie is tussen die twee. Dat houdt in dat Henoch zich met God heeft laten verzoenen. Want van nature is er bij de mens, vijandschap tegen God. (lees Ef. 2:1-3).

Ze willen met God niets te maken hebben. De mens van natura, leeft zonder God in deze wereld, hij houdt helemaal niet rekening met God. Als daar dan staat “Henoch wandelde met God”, dan houdt dat in, dat er een verzoening heeft plaats gevonden. Dat hij zijn vijandschap op een gegeven moment in zijn leven heeft opgegeven, dat er dus een moment in zijn leven moet zijn geweest dat hij zich tot God gekeerd heeft. Dat hij een relatie had met God!

Wandelen met God houdt in, dat er een overeenstemming moet zijn geweest. Want God is licht, in God is geen duisternis. Als je met God wandelt, dan moet je met God wandelen in het licht. Het licht heeft geen enkele gemeenschap met de duisternis. Geen enkele zondaar kan daarom wandelen met God. Hij heeft niets gemeen met God, zijn hart is alleen maar vijandig gezind. Het zijn de zonden die scheiding maken tussen de mens en God, zegt Gods Woord.

Wat deed Adam toen hij gezondigd had? Ging hij daarna net zo als elke avond Wandelen met God? Nee, hij verborg zich in de struiken. God vroeg Adam en Eva:

  • Waarom verbergen jullie je voor Mij ?

Een wandel met God veronderstelt, dat er een jurisdictie, een wegneming van zonden moet zijn geweest, ook van Henoch’s zonden. Henoch was een mens gelijk als wij, geboren onder de zonde. Een wandel van Henoch moet hebben ingesloten dat hij deel heeft gekregen aan Gods natuur, anders kon Henoch nooit met God wandelen. En Henoch wandelde met God.

Wandelen met God betekent ook, dat er een morele overeenstemming is, want God wandelt Zelf niet buiten de weg van innigheid. God is heilig en gaat Zijn weg. Gods wandel is heilig. God wandelde niet met Henoch, dat staat er niet, nee Henoch wandelde met God.

Zo is het ook in ons leven, God wandelt niet met ons. Wij hebben het voorrecht, dat wij als kind van God, met God mogen wandelen. In de praktijk betekent dat wel, dat we Gods weg moeten gaan, Gods heilige weg moeten gaan. Want wij wandelen, als het goed is, met de Heere.

Ons bidden is vaak niet correct in ons leven, als er van allerlei op ons aankomt in ons leven, dan bidden wij vaak wat ons eigen hart ons ingeeft. We gaan dan zonder erbij stil te staan, al heel gauw onze eigen weg. Dan vragen wij aan de Heer, wilt U alstublieft met ons meegaan. Toch is dat het verkeerde gebed, want God gaat niet met ons mee in allerlei situaties, want in allereerste instantie moeten we vragen aan de Heere, Heer waar gaat Gij heen, hoe is Uw weg, dan wil ik met U meegaan.

Om het maar heel praktisch te maken: Er is bijvoorbeeld een samenkomst en er is die zelfde avond ook een sport avond. Waar gaan wij dan heen? De vraag is dan, waar zou de Heer heengaan? Dan hebben we zo een antwoord, dan hoeven we niet meer na te denken.

Henoch wandelde met God. God wandelde niet met Henoch. Henoch en ook wij mogen wandelen met de Heer. Dat is Gods heilige weg gaan. Dat betekent ook alles wegdoen uit ons leven wat daar niet in thuis hoort. Gods weg is een weg waar geheel geen duisternis is, God is licht.

Vaak getuigt de Bijbel dat er heel wat uit ons leven moet worden verwijderd, omdat wij van nature helemaal niet heilig zijn. Israël ondervond dat meer dan eens. Toen zij verlost waren uit Egypte en de Heere achterna gingen door de woestijn, later Kanaän in. Iedereen heeft het meegemaakt in zijn leven, dat de Heere dan stilstond en dat Hij ons wees op de “terafim”.

Menige “terafim” moest Israël of een Bijbels persoon wegdoen uit zijn leven, want de Heere wist ervan. Een “terafim” is een afgodsbeeldje. Zo lees je dat menig bijbels persoon ergens nog stiekem onder de kleding een terafim met zich meedroeg. Een afgodsbeeldje, waar hij vanaf moet en de Heere legt de vinger daarbij op de terafim. Die moet je uit je leven wegdoen.

De Heere gaat ook niet verder met Zijn wandel als je dat niet uit je leven wegdoet. Iedereen kent zijn eigen afgodjes in het leven, zaken die je van God afhouden. Die afgodjes staan de omgang, de wandel met de Heer in de weg.

Als de Heer wederkomt op aarde en Hij richt het Koninkrijk op, dan staat er in de gelijkenissen in de Evangeliën, dat De Heer die ongerechtigheden uit Zijn Koninkrijk weg doet. Dan verwijdert Hij alles wat tot zonde verlijdt.

Wat is wandelen met de Heer in het kort? Dat betekent niet meer je eigen weg gaan, daar je bewust van worden, welke weg je gaat. Stoppen met je eigen weg en je weg wentelen op de Heere. Dat houdt in dat je de weg van de wereld verlaat, die brede weg verlaat, die je ging en verder het smalle pad volgen.

We moeten goed begrijpen dat God Zijn gezelschap niet aan ons opdringt. Amos 3:3 zei het duidelijk:

  • Hoe kunnen er 2 tezamen gaan, als zij het niet beide eens zijn.”

Niet alleen God moet het er eens over zijn dat jij met Hem mee mag wandelen, Je moet het er zelf ook eens over zijn. Er voor kiezen te gaan wandelen met God. Zoals ook Henoch een keus maakte in zijn leven en ging wandelen met God. Het grote voorbeeld hierin is natuurlijk de Heere Jezus Christus. We kunnen rustig stellen, dat niemand zo’n diepe gemeenschap met de Vader had als Hij. Christus' geheim was, dat Hij steeds tegen de Vader zei van het begin afaan tot het kruis toe: “hier ben Ik om Uw wil te doen o Vader.” En zelfs aan het kruis toe sprak Hij: “niet Mijn wil maar Uw wil geschiede.” Daarom moet er van onze kant ook een bereidheid zijn, om te gaan wandelen met God.

Wandelen met God houdt geestelijke gemeenschap in, want hoe kunnen er twee samengaan, als zij het niet eens zijn met elkaar. Wandelen houdt ook een voortgang in, in het kennen van elkaar, want je wandelt met elkaar, je overlegt met elkaar. Je spreekt met elkaar van hart tot hart. Zo bijzonder is het van Henoch, dat hij niet wandelde met God een dag of twee en dat hij Hem daarna verliet. Nee hij wandelde met God, 300 jaar, om precies te zijn, een volmaakte wandel. Want 3 is het getal van de volmaaktheid. Een volmaakte gemeenschap met God.

Laten we er wel op letten, het is een wandel, een rustige wandel. Het is niet rennen, het is niet jagen, dan wordt het dood vermoeiend. Soms stelt men het christelijke leven zo voor, alsof het een rennen is. Het is een rustig wandelen met Hem.

Als je naar de wereld kijkt, dan is het een voortjagen, een bezig zijn met alle mogelijke zaken. Bij God is dat een rustig wandelen en Hij past Zich ook nog aan jouw tempo aan.

En Henoch wandelde met God . Wat een licht geeft zo’n kort vers. Hoeveel verklaart ons niet dat zinnetje over Henoch? We dienen te beseffen, dat Henoch net als elke andere nakomeling van Adam, in zonde geboren was en ook dat hij van natura vervreemd was van het leven Gods.

Maar er kwam een dag in zijn leven, dat hij verzoend werd met zijn Schepper.

Als wij ons afvragen, wat de oorzaak is geweest van deze verzoening dan geeft Hebreeën 11:5 ons daar een antwoord op:

  • Door het geloof is Henoch weggenomen zodat hij de dood niet zag, en hij werd niet meer gevonden, want God had hem weggenomen. Want voordat hij werd weggenomen, is van hem getuigd, dat hij Gode welgevallig was geweest; 6 maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

Henoch was de Heere welgevallig geweest, dan staat er in vers 6: wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken. Henoch was de zevende vanaf Adam, geboren in deze wereld als verloren zondaar. Hij was ook zonder God in deze wereld, maar hij kwam tot God en hij geloofde dat Hij bestond. Terwijl de hele wereld om hem heen, zei dat God niet bestaat. Hij geloofde dat God bestond en hij geloofde zo hier staat, “dat God een beloner is van wie Hem ernstig zoeken”.

De schrift belooft, wie Hem zoekt, Hij Zich ook laat vinden. Henoch vond God, hij werd verlost uit genade. Hij kreeg deel aan de Goddelijke natuur en hij bleef in Gods aanwezigheid.

Wij kunnen nog meer leren van Henoch, door tekst met tekst te vergelijken. Het gevolg van zijn wandel met God, was ongetwijfeld; groeien in genade. Want wandelen veronderstelt, een voorwaartse beweging, een vooruitgang, een groeien in.

Aan het eind van die 300 jaar wandel met God was zonder twijfel voor Henoch zowel moreel als ook geestelijk, een veel verdere groei in het kennen van God. Een scherpere blik gekregen op de zonde en op de genade van God. Die 300 jarige wandel met God, heeft Henoch nederig gemaakt. Hij heeft hetzelfde moeten beleven, als Johannes de doper. Die zei; Hij moet wassen en ik moet minder worden. Zoals ook wij in onze wandel met de Heere, steeds meer ontdekken, onze totale afhankelijkheid van God.

Het wandelen met de Heere leidt aan de andere kant, van heerlijkheid naar heerlijkheid. Er is altijd sprake van een groei in de kennis des Heren, dat is niet een verstandelijke kennis over de Heere, maar het is de Heere persoonlijk kennen vanuit ons hart. Het is de praktische kant van het christelijke leven. Die kennis des Heren kan je alleen maar krijgen door een persoonlijk wandelen met Hem. Het kan alleen maar komen door persoonlijk contact/relatie met Hem, spreken met Hem, van aangezicht tot aangezicht. Dit is niet spreken over de Heere, maar een spreken met de Heere, dat is een groot verschil.

Een ander gevolg, van het wandelen van Henoch met God is ongetwijfeld geweest, dat Henoch verblijd is geweest, geestelijke blijdschap. Hoe kan je in je leven je miserabel voelen, als God je gezelschap is, als je mag wandelen met Christus. David roept zelfs uit:

  • Al ga ik door een dal van diepe duisternis, ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij.” (Ps 23).

Als je beseft, Hij is bij mij, dat geeft dan blijdschap. Als je dat heel persoonlijk ervaart en gelooft, als je 's morgens opstaat en weet Hij is bij mij, dat is geestelijke blijdschap, dat betekent dat God je beschermt. Zoals David dat zegt; “Hij richt een dis aan voor ons”, midden in deze jachtige wereld, “voor de ogen wie mij benauwen”.

Er zijn allerlei zaken om ons heen, die ons benauwen, het kan ziekte zijn, het kan van alles zijn. Dan mag je geestelijk eten samen met de Heere, dan mag je vol worden van Hem en dan mag je weer verder wandelen met God, dat is toch heerlijk ? Hij vertroost ons. Van David wordt het volgende gezegd in

Hand.2:25:

  • Want David zegt van Hem: Ik zag de Here te allen tijde voor mij; want Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou.Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd.”

Dat was voor Henoch ook zo. Dat mogen wij ook zo ervaren. Hij is aan mijn rechterhand, opdat ik niet wankelen zou. Daarom is mijn hart verheugd en mijn tong verblijd. Wij mogen daarom ook juichen in ons hart, want de Heere is bij mij. Ik mag wandelen met de Heere, opdat wij niet zullen wankelen.

Hij wil ons ook voor wankelen behoeden. Als wij maar even onderuit dreigen te gaan, is daar de hand van de Heer en dan mogen wij de weg weer vervolgen met blijdschap.

Een ander gevolg van Henoch’s wandel met God, was zijn getuigenis voor God. Zoals wij dat lazen in Judas 14 en 15. Hij was echt een prediker voor God. Hier zit een goddelijke volgorde in, dat moeten we nooit vergeten. Voordat we voor God kunnen getuigen, dienen we allereerst met God te wandelen.

Tegenwoordig is er veel uiterlijk vertoon in de prediking. Uiterlijk vertoon ook in gedrag en veel christelijk werk zou wel eens, als het door het vuur beproefd wordt, zoals Paulus zegt in Korinthe, zou het wel eens hout hooi en stoppelen kunnen zijn.

De Heer zegt: Gij zult de Heere uw God bidden en Hem alleen zult gij dienen en niet jezelf. Als je de “sous” van dat christelijk werk afhaalt, dan blijft er maar heel weinig van over.

We gaan nog stilstaan bij Gen. 5. Wanneer begon Henoch met de Heer te wandelen en wanneer is die wandel geëindigd. In Gen. 5:21 lezen we:

  • Toen Henoch vijfenzestig jaar geleefd had, verwekte hij Metuselach. 22 En Henoch wandelde met God, nadat hij Metuselach verwekt had, driehonderd jaar, en hij verwekte zonen en dochteren.”

Er wordt niet gezegd dat Henoch met God wandelde, voordat Methuselach geboren werd. Er wordt hier gezegd, dat Henoch 65 jaar oud was. Hij verwekte Metuselach en nadat hij M. verwekt had, wandelde hij 300 jaar met de Heere en na 365 jaar kwam hij te overlijden, toen God hem wegnam. Er waren ook nog meer zonen en dochters na Methuselach, waarvan wij de namen niet weten. Maar de komst van die kleine Methuselach, dat geschenk uit de hemel, dat je ervaart als vader, als je een kindje in de armen mag houden, dat maakte op Henoch een enorme indruk. Dat leidde hem in de gemeenschap met God.

Vanaf dat moment wandelde hij met God. Waarschijnlijk heeft Henoch bij de geboorte van zijn zoon een openbaring van God gehad, want wat betekent die naam Metuselach? En je moet je eens voorstellen in die tijd wat die naam Metuselach betekende namelijk: Bij zijn dood zal het zijn. Dan zou de zondvloed komen.

Na deze waarschuwing aan de mensheid van die dagen, die profetie uitgedrukt in de naamgeving aan dat kind, bekeerde de mensheid zich niet.

Dat kind werd die naam gegeven als een teken, in die tijd, waarin Henoch leefde. God wilde hiermee zeggen, bij zijn dood komt het oordeel, dan zal de wereld verzwolgen worden door het water, heel de mensheid zou omkomen.

Dat heeft een geweldige impact op Henoch zijn leven gehad, en op zijn geloofsleven. Methuselach werd 997 jaar oud. Dat wist Henoch niet, misschien is het wel morgen, als deze baby overlijdt. Of iets later door een ongeval of moord, dan zou het zijn. Er werd niet tegen Henoch gezegd wanneer het zou zijn, hoe lang het nog zou duren, is het morgen, overmorgen of over een week, een jaar, 100 jaar?

Henoch werd na die geboorte serieus, hij keerde zich af van zijn oude leven, hij keerde zich naar God, naar de Schepper van hemel en aarde. Die God zou komen met Zijn oordeel over de aarde.

Henoch wandelde met God en was niet meer, want God had hem weggenomen. Henoch kwam los te staan van de wereld, zoals ook wij, in onze wandel met de Heer, los komen te staan van deze wereld. Dat is het beeld van elke gelovige in elke tijd, want als wij sterven, dan gaat in vervulling wat de Heere Jezus zegt in Joh. 8:51

  • Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, indien iemand Mijn woord bewaard heeft, hij zal de dood in eeuwigheid niet aanschouwen.”

Als je met de Heer wandelt dan bewaar je Zijn woord, dan sla je Zijn woord op in je hart, dan leef je bij het woord, dan leef je daaruit. Als je zoals de Heere Jezus zegt, Zijn woord bewaart, dan zal je de dood in eeuwigheid (in de eeuw) niet aanschouwen.

In Hebr. 11:5 staat; dat hij [Henoch] de dood niet zag.

Ons lichaam wordt begraven in het graf, maar hoe zullen wij dat ervaren? Uit het Woord weten we, dat we als leden van het Lichaam van Christus van tussen de doden zullen opstaan. En daarna gaat de Heere door met Zijn werk wat Hij hier op aarde in ons mocht aanvangen, tot de dag van Christus Jezus (Fil 1:6).

 

Samengesteld door Wieb Rodenhuis naar een bijbelstudie van Denijs van Zuijlekom.

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk