Bijbelstudie "Waardig Wandelen"

Waardig Wandelen

Inhoud  

Het Fundament (1)....................................................

Deel 1

Betere Dingen..........................................................

 

De Hebreeër Abraham................................................

Deel 2

Ur der Chaldeeën......................................................

 

Door het Geloof........................................................

 

Horen....................................................................

Deel 3

Traag in het Horen.....................................................

Deel 4

Hun Zinnen oefenen...................................................

 

Hoe zullen zij/wij ontkomen?.......................................

Deel 5

Het Fundament (2)....................................................

 

Het Fundament (3)....................................................

Deel 6

Bekering van dode werken (Hebr 6:1)..............................

 

Geloof inGod (Hebr 6:1)..............................................

 

Een leer van dopen (Hebr 6:2).......................................

 

Oplegging der handen (Hebr 6:2)...................................

 

Opstanding der doden (Hebr 6:2)...................................

 

Het eeuwig Oordeel (Hebr 6:2)......................................

 

Zeven Stappen.........................................................

Deel 7

Het Erfdeel van Ezau.................................................

 

Het Erfdeel van Israël.................................................

 

Wat staat er op het Spel?............................................

Deel 8

De Strijd................................................................

 

Eerstgeborenen erven.................................................

 

Niet in eigen Kracht...................................................

Deel 9

De Afgoderij van Israël...............................................

 

Drie Dagen..............................................................

 

Het Geloof gerekend tot gerechtigheid............................

Deel 10

Zien op HEM............................................................

 

Het getal 2000.........................................................

 

Jozua beeld van Christus.............................................

Deel 11

Eerste publieke daad van Jozua.....................................

 

Dappere Helden........................................................

Deel 12

Onbeweeglijk blijven staan..........................................

 

Drie Dagen..............................................................

Deel 13

Twee Doortochten.....................................................

 

De Heere der ganse Aarde............................................

Deel 14

Het afgesneden Water................................................

 

Adam....................................................................

 

Drie Stammen (verdeling van het Land)...........................

 

Onbeweeglijk blijven staan (2)......................................

Deel 15

Twee monumenten van 12 stenen..................................

Deel 16

Met haast overtrekken................................................

Deel 17

Het getal tien..........................................................

Deel 18

De Besnijdenis..........................................................

Deel 19

Het Pascha..............................................................

 

De Besnijdenis (2).....................................................

Deel 20

Wandelen als vijanden van het Kruis...............................

Deel 21

Epignosis – Gnosis......................................................

Deel 22

Nu ben ik gekomen....................................................

Deel 23

Hij is de Leider.........................................................

Deel 24

Waardig Wandelen (deel 1)

Dit is een onderwerp waar ontzettend veel over te zeggen valt. Het is ook een onderwerp wat vanaf het allereerste begin van de Bijbel actueel is. Reeds aan Adam werd gezegd – al lezen we dat niet met zoveel woorden – dat hij de Heere waardig moest wandelen. Deze opdracht vinden we eigenlijk door de hele Bijbel heen, tot op onze tijd. Want ook wij, de gelovigen van deze tijd, worden opgeroepen om de Heere waardig te wandelen. En hoe zouden wij mensen, van wie niemand tot enig goeds in staat is, de Heere waardig kunnen wandelen? Zó zouden we kunnen denken, maar dan denken we niet goed, want als de apostel Paulus ons oproept om de Heere waardig te wandelen, dan is dat ook mogelijk.

 

Maar dan komt de vraag: “Hoe doe je dat? Hoe wandel ik de Heere waardig? Hoe is het mogelijk om Hem te behagen? Hoe kan ik in alle goed werk vrucht dragen, en opwassen in de rechte kennis van God? (Kol 1:10).

 

Er zijn twee teksten in Gods Woord die de basis zijn geweest van deze bijbelstudie “Waardig Wandelen”:

  1. “Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt.” (Efeze 4:1).

  2. “Om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God.” (Kol 1:10).

 

Om de Heere waardig te wandelen, moet de mens in ieder geval tot geloof komen. En wanneer een mens tot geloof komt dan wordt hij wedergeboren, een pasgeborene, en dan wil het Woord ons leren te groeien. En door die groei leren we uiteindelijk het Woord kennen. Door die groei leren we Gods plan der eeuwen verstaan. Dat gaat niet zomaar in één keer, dat duurt een poosje. En gedurende die groei “beleven” we al die groei-fasen, die nodig zijn om volwassen te worden. Dat is in het normale dagelijkse leven zo, en zo zou het in het geestelijk leven van iedere gelovige ook behoren te zijn.

 

Een voorbeeld: Toen we nog kind waren, leerden we op school rekenen. We leerden dat 2 + 2 = 4. Later leerden we iets meer, dan ging dat verder en werd het iets moeilijker, bijvoorbeeld 64 : 8 = 8, en dat ging zo maar door. En wanneer iemand later in een hoge opleiding komt, bijvoorbeeld een bouwkundig ingenieur, dan heeft hij/zij nog steeds die basis nodig van 2 + 2 = 4. Dat is het fundament!

 

Net zo gaat het ook met een geestelijk leven. We hebben de basis, een Fundament, en we hebben alle verdere fasen nodig om te komen tot de volwassenheid. En uit alle doorleefde fasen kunnen/moeten we lessen trekken, die nodig zijn om als een volwassene te leven en te wandelen, daarbij steeds verder bouwende op het Fundament!

 

Ik wil graag beginnen in het bijbelboek Hebreeën, wat nou niet in eerste instantie aan ons – gelovigen van deze tijd – is geschreven, maar Hebreeën heeft wel geweldige lessen voor ons. En het laat eigenlijk ook zien waar het met het volk Israël op het einde van de Handelingen periode op uit liep. Bovendien kunnen we er ook heel veel uit leren voor wat betreft óns “waardig wandelen”.

 

We beginnen in Hebr 5:7, waar Paulus zegt:

  • Tijdens Zijn dagen in het vlees heeft Hij gebeden en smekingen onder sterk geroep en tranen geofferd aan Hem, die Hem uit de dood kon redden, en Hij is verhoord uit zijn angst, en zo heeft Hij, hoewel Hij de Zoon was, de gehoorzaamheid geleerd uit hetgeen Hij heeft geleden, en toen Hij het einde had bereikt, is Hij voor allen, die Hem gehoorzamen, een oorzaak van eeuwig heil geworden, door God aangesproken als hogepriester naar de ordening van Melchisedek.” (Hebr 5:7-10).

 

Paulus wil zijn toehoorders graag veel over al deze dingen zeggen, maar hij vervolgt:

  • “Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen. Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs. Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.” (Hebr 5:11-14).

 

Om een goed inzicht te krijgen waar het hier over gaat lezen we ook het volgende gedeelte. Waar Paulus vervolgt:

  • Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van een eeuwig oordeel; en dat zullen wij doen, indien God het vergunt. Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding.” (Hebr 6:1-8).

 

Dit is geen makkelijk bijbelgedeelte. Misschien is het wel het hart van de Hebreeën brief. Tevens ook het moeilijkste gedeelte van de Hebreeën brief, waar door de jaren heen al veel over geschreven is, en waar de meningen enorm over verschillen. Dit gedeelte moeten we natuurlijk altijd lezen in de context, doen we dat niet, dan komen we tot een uitleg, die alle kanten kan opgaan, en wat mensen heel erg kan bedroeven, en wat soms meer leidt tot afval van het geloof, dan tot opbouw, en dat is nu wat we graag niet willen, en daarom moeten we het in zijn context bekijken.

 

We beginnen in Hebr 5:11: “Hierover hebben wij veel te zeggen,” Waarover heeft Paulus hier veel te zeggen? Nou, hij heeft veel te zeggen over wat daarvoor staat, over die ordening van Mechizedek, dat hogepriesterschap, enz. Daar komt hij dan in Hoofdstuk 5 uiteindelijk op terecht. En eigenlijk is Hebr 5 een vervolg op Hebr 3:1:

  • “Daarom, heilige broeders, deelgenoten der hemelse roeping, richt uw oog op de apostel en hogepriester onzer belijdenis, Jezus, die getrouw is jegens Hem, die Hem heeft aangesteld.” (Hebr 3:1-2).

 

Zij moeten hun oog richten op dé Apostel, en op dé Hogepriester, dat is de Heere Jezus Christus. Hij is het fundament! Het eerste wat dan geschied, dat wanneer zij hun oog vestigen op die Apostel, die Christus is, dat zij dan geconfronteerd worden, dat er nog een ander gezonden was, want apostel betekent “de gezondene (apostello)”, dat is zenden. Christus is de gezondene, maar wie werd vroeger, nog veel eerder gezonden? Dat was Mozes, dat staat er dan ook achter:

  • “Evenals ook Mozes getrouw was in [geheel] zijn huis.” (Hebr 3:2).

 

Maar waar gaat het dan over in Hoofdstuk 3? Dat eigenlijk Christus groter is dan Mozes:

  • “Want Hij is zoveel groter heerlijkheid dan Mozes waardig gekeurd, als de bouwmeester hoger eer geniet dan het huis. Nu was Mozes wel getrouw in geheel zijn huis als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden, maar Christus als Zoon over zijn huis. Zijn huis zijn wij, indien wij de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, [tot het einde onverwrikt] vasthouden.” (Hebr 3:5-6).

 

Dus Mozes werkte in dat huis, maar Christus is gezet over Zijn huis. En iemand die is gezet over Zijn huis is groter en beter en heerlijker, en noem maar op, dan diegene die in dat huis werkt. Dus Christus is meer dan Mozes, groter dan Mozes, beter dan Mozes, dát zijn eigenlijk de kernwoorden van de hele Hebreeën brief.

 

Nadat de apostel Paulus hier laat zien, dat Christus meer is dan Mozes, gaat hij in Hebr 3 en 4 verder, en komt hij in Hebr 5 ertoe om te laten zien, dat ook Christus meer is dan de hogepriester, want Christus, zo wordt gezegd in Hebr 3:1, Christus is zowel een Apostel als een Hogepriester.

 

Mozes was een apostel, een gezondene, en Aäron was de hogepriester. Maar Christus was beide, en van een hogere orde! En Paulus laat in Hebr 5 zien dat Christus een Hogepriesterschap heeft wat hoger is dan dat van Aäron, want het is een Hogepriesterschap naar de ordening van Melchizedek.

 

En als Paulus dan aankomt bij dat punt dat Christus een Hogepriester is, niet naar de ordening van Aäron, maar naar de ordening van het hogepriesterschap van Melchizedek, ja dan komt hij eigenlijk op een punt, waar Paulus graag verder zou willen gaan in zijn verkondiging. Maar datgene, wat hij eigenlijk zou willen vertellen, kan hij onvoldoende aan die Hebreeën kwijt. Hij zegt:

  • “Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, (niet dat Paulus het nou zo moeilijk vindt) omdat gij traag zijt geworden in het horen.” (Hebr 5:11).

 

En dat is het probleem, ze zijn traag geworden in het horen, en eigenlijk verstaan en begrijpen ze het niet. Want wat is Melchizedek? Waarin verschilt zijn Hogeprieserschap? In dat hogeprieserschap van Aäron. Het hele geslacht van Aäron, dat waren allemaal priesters, ook de zonen van Aäron. Nou Melchizedek, dat weten we uit het Woord, die was Koning Priester. En eigenlijk – en dát wil Paulus hun graag vertellen – was dát ook de bestemming van het volk Israël, toen al in de Handelingen.

 

Reeds bij de berg Sinaï, bij de verbonds-sluiting waren deze dingen voor het volk door de Heere aan Mozes meegedeeld. Israël was het door God uitverkoren volk, ontstaan uit Abraham en zijn 12 zonen, wat uitgroeide tot een volk van 70 geslachten.

 

En God had een doel met dat volk, met die 70 geslachten. Na de Babylonische spraakverwarring viel de mensheid volgens Gods plan in 70 volkeren uiteen. En in de toekomst zullen die 70 geslachten Israëls die 70 volkeren, die na de Babylonische spraakverwarring zijn ontstaan, en die ook in de toekomst zullen bestaan, bereiken met het evangelie van het Koninkrijk. Daarom is het 70 op 70, dat kunnen we lezen in Deuteronomiun. Maar voor dat doel moet Israël eerst wel een koninkrijk van priesters en een heilig volk worden, alvorens ze tot heil van de naties zullen optreden:

  • “En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult. Toen kwam Mozes en ontbood de oudsten van het volk en legde hun al deze woorden die de Heere hem geboden had, voor. En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de Heere gesproken heeft, zullen wij doen.” (Ex 19:6-8).

 

Door deze woorden komt de hoogmoed van Israël tot ons, en we weten waar het op uit liep. Er kwam helemaal geen spaan van terecht. Want ze werden geconfronteerd met een verbond der wet, het oude verbond, en ze dachten in eigen kracht hieraan te kunnen voldoen. Ze dachten dat zij in eigen kracht zouden kunnen worden tot een koninkrijk van priesters, maar daar kwam op hun manier natuurlijk niets van terecht. En ook dat priesterschap van Aäron en de priesters, die onder hun eigen volk waren, die ontdekten wel dat dat hogepriesterschap van Aäron tekort schoot. Hebreeën namelijk toont dat ook aan, als we gaan naar Hebr 7:11:

  • “Indien nu het Levitische priesterschap het volmaakte gebracht had, immers, daaronder heeft het volk de wet ontvangen – waarom was het dan nog nodig, dat een andere priester naar de ordening van Melchisedek opstond, van wie niet gezegd werd, dat hij naar de ordening van Aäron is?”

 

Het priesterschap van Aäron bracht niet het volmaakte (= grondtekst = teleiosis). Wat is het woord volmaakt? Dat is eigenlijk steeds in de grondtekst het woord afgeleid van “teleio”, en “teleio” dat is eigenlijk het woord, dat kun je ook vertalen met “telos”, dat is het woord “einde”, het woord “doel”. God heeft dus het volmaakte gemaakt. Het woord wordt met volmaakt vertaald, maar kan ook met volwassen worden vertaald, en ook met “ten einde gebracht” worden vertaald.

 

Ja, dat doel, wat God met Israël voorhad, kon Israël onder dat oude verbond, onder het Levitische priesterschap Israël niet brengen in die positie. En ook de offers, die daar gebracht werden daar in de tabernakel, en later in de tempel onder het oude verbond, konden Israël in feite niet brengen in de positie, waarvan ze dachten dat ze die zelf konden bereiken, namelijk een koninkrijk van priesters. Tot dat doel, tot die volmaaktheid (volwassenheid) kon het priesterschap van Aäron hen onmogelijk brengen.

 

En dan staat er ook nog later in dat hoofdstuk:

  • “Immers de wet heeft in geen enkel opzicht het volmaakte (= het einddoel) gebracht – maar thans wordt een betere hoop gewekt, waardoor wij nader tot God komen.” (7:19).

 

Ja, ze hadden een beter offer nodig, een betere offerande, ze hadden ook een betere Hogepriester nodig. En het woord “beter”, dat komen we vaak tegen in de Hebreeën brief, dat is ook weer zo'n sleutelwoord, een sleutel, die als het ware past op de Hebreeën brief, waar we op moet letten, die de Hebreeën brief als het ware voor ons ontsluit.

 

Ook vinden we in de Hebreeën brief een beter verbond, waarvan Christus de Middelaar is. Er wordt betreffende het nieuwe verbond een heel stuk van Jeremia geciteerd in Hebr 8:

  • “Want Hij berispt hen, als Hij zegt: Zie, er komen dagen, spreekt de Here, dat Ik voor het huis Israëls en het huis Juda een nieuw verbond tot stand zal brengen, niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen maakte ten dage, dat Ik hen bij de hand nam om hen uit het land Egypte te leiden, want zij hebben zich niet gehouden aan mijn verbond en Ik heb Mij niet meer om hen bekommerd, spreekt de Here. Want dit is het verbond, waarmede Ik Mij verbinden zal aan het huis Israëls na die dagen, spreekt de Here: Ik zal mijn wetten in hun verstand leggen, en Ik zal die in hun harten schrijven, en Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen. Want Ik zal genadig zijn over hun ongerechtigheden, en hun zonden zal Ik niet meer gedenken. Als Hij spreekt van een nieuw (verbond), heeft Hij daarmede het eerste voor verouderd verklaard. En wat veroudert en verjaart, is niet ver van verdwijning. (Hebr 8:8-13).

 

Ja, het zal dan niet meer geschreven zijn op tafelen van steen, maar in vleselijke tafelen van de harten. Wanneer dat zo is, en zij met Geest begiftigd worden, ja dan kunnen zij zich verlustigen in de wet. Want wat is de wet? De wet is hetzelfde als onder het oude verbond, de wet is dan Gods norm, en Gods norm is goed, is rechtvaardig, Gods wet is heilig, daar mankeert ook helemaal niets aan, er mankeert wat aan de mens. God hoeft zijn wet niet te veranderen, nee de mens moet veranderd worden, en dat kan alleen, als God in feite Zijn wet schrijft, niet op stenen tafelen, en dan tegen de mens zegt, gij zult...., maar als Hij Zijn wet schrijft op de vleselijke tafel van het hart van de mens, dan kan de mens ook automatisch daaraan voldoen, als hij door wedergeboorte Gods Geest gekregen heeft. Daar hoeft hij geen moeite voor te doen, want het is geschreven op zijn hart. Zo gaat het worden.

Als de mens dat nieuwe leven heeft gekregen, dan kan hij aan die wet voldoen. Daarom is die tegenstelling, die er altijd wordt gemaakt tussen wet en genade, dat is eigenlijk een verkeerde tegenstelling. Je mag wel de tegenstelling maken – dat doet de Hebreeën ook – tussen het oude verbond en het nieuwe verbond. En waar leidt dat nieuwe verbond dan toe, wat straks met Israël gesloten zal worden? Dat zal ertoe leiden dat Israël een koninkrijk van priesters zal zijn.

 

En nu moeten we al deze dingen niet één op één op onszelf toepassen. Want dat kan helemaal niet. Het Lichaam van Christus is geen volk, wij zijn geen heilige natie, dat is de natie Israël, en dát is het volk, wat God ten eigendom verkiest, en zij zullen straks een uitverkoren geslacht zijn, een koninklijk priesterschap, een koninkrijk van priesters. Voor het Lichaam van Christus heeft God nog een hoger plan, nog betere dingen bereid.

 

Deze dingen, betreffende Israël, worden vervuld in de toekomst, onder het nieuwe verbond. En dat wil in feite de apostel Paulus in Hebreeën 5 aan zijn toehoorders gaan vertellen, want zij zullen zelf priesters zijn naar die ordening van Melchizedek. Er staat voor hen nogal wat op het spel. Zij, die Hebreeën moeten daaraan voldoen. En wat moet je dan als het ware voor een geloofshouding hebben? Nou dan moet je niet van twee walletjes willen eten. Dan moet je een echte Hebreeër worden. Wat is nou een Hebreeër? Dat kunnen we het beste ontdekken, door te onderzoeken waar die naam “Hebreeër” voor het eerst in de Bijbel voorkomt. Want die eerste keer waar een woord in Gods Woord voorkomt, geeft bijna altijd de juiste betekenis weer. We vinden het woord “Hebreeër” voor de eerste keer in Gen 14:

  • “Toen kwam een vluchteling en deelde dit mede aan de Hebreeër Abram, – hij nu woonde bij de terebinten van de Amoriet Mamre, de broeder van Eskol en Aner, die Abrams bondgenoten waren.” (Gen 14:13).

 

Over deze “Hebreeër” en het woord “Hebreeën” gaan we de volgende keer verder.

Deel 2 volgt DV

Bert Boersma Februari 2012  boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 2)

De vorige keer zijn we geëindigd met de conclusie dat er een bepaalde geloofshouding, een juiste gezindheid voor nodig is om bepaalde dingen te beërven. De dingen die Paulus de Hebreeën zó graag wil vertellen betreffen Israël, en die dingen hadden in de Handelingen in vervulling kunnen gaan, áls Israël als volk tot geloof gekomen was, maar die zullen nu in de toekomst onder het nieuwe verbond worden vervuld. En dát wilde in feite de apostel Paulus in Hebreeën 5 aan zijn toehoorders gaan vertellen. Hij wil hun vertellen dat zij zelf priesters zullen zijn naar die ordening van Melchizedek. Er staat voor hen nogal wat op het spel. Zij, die Hebreeën moeten daaraan voldoen. Maar dan moet je wel een echte Hebreeër worden.

 

Hebreeër

Wanneer we gaan zoeken in het Woord waar de eerste keer het woord “Hebreeër” voorkomt, dan komen we terecht in Gen 14:13, waar Abraham een Hebreeër word genoemd:

  • “Toen kwam een vluchteling en deelde dit mede aan de Hebreeër Abram, – hij nu woonde bij de terebinten van de Amoriet Mamre.” (Gen 14:13).

 

Waarom wordt Abraham hier een Hebreeër genoemd? En wat betekent de naam “Hebreeër”?

We vinden: Hebreeërs of Hebertes, Eberites, Hebreians en "Habiu of“Habiri"; Hebreeuws: עברים of עבריים, Ook vinden we nog voor Hebreeër: ʿIvrim, ʿIvriyyim Tiberian ʿIbrîm, ʿibriyyîm.

 

Het betekent dat Hebreeën nakomelingen zijn van de bijbelse Abram. En het Hebreeuwse עברי (ʿIbrî) betekent „doortocht.” De Hebreeën werden genoemd “Ibri over”, wat zoveel wil zeggen, dat het mensen betreft die van de andere kant van de Rivier kwamen, mensen die uiteindelijk leefden binnen een groot gebied wat vanuit het oosten gezien lag aan de overzijde van de Rivier. En wanneer het in de Bijbel gaat over de Rivier, dan wordt altijd de rivier de Eufraat bedoeld.

 

Dus eigenlijk betekent Hebreeër: “Hij die van de overzijde komt”. En misschien nog uitgebreider vertaald: “Hij, die de Rivier overgestoken is” Dus van de overzijde van de Rivier overgestoken is. Nou dat duurde nogal lang bij Abraham. Hij werd wel geroepen in Ur der Chaldeeën, in Genesis, maar het duurde een hele lange tijd van zijn leven, voordat hij echt een Hebreeër werd. Want hij werd geroepen, en hij ging met zijn vader Therah op stap, en hij nam zijn hele familie mee.

Ze gingen op reis en ze gingen echt honderden kilometers reizen, in totaal heeft hij 1000 kilometer afgelegd, en hij stopte in Haran.

 

En als we dan oude kaarten bekijken (zie bovenstaande kaart), en als je uit Ur der Chadeën vertrekt, en je gaat dan op reis, en je gaat helemaal naar Haran, dan heb je nog steeds één rivier niet overgestoken. Je hebt steeds langs de kant van die rivier gelopen. Dat is de rivier de Eufraat, die heb je dan 1000 km gevolgd zonder die over te steken. En het heeft Abraham misschien wel moeite gekost om die Rivier over te steken, om in het geloof echt naar dat land Kanaän te gaan, en daar te komen tussen Bethel en Ai.

 

Zo is het in ons leven vaak ook, dat het ons heel veel moeite kost, we horen de roeping van God wel, en we willen die misschien ook wel volgen, maar wanneer worden we nou echt een Hebreeër? Wanneer steken we nou in geloof die “Rivier” over? Wanneer zijn we bereid al de oude dingen achter ons te laten, en echt voorwaarts te gaan op de weg waarin de Heere ons wil hebben, en waarin Hij ons wil leiden? Waarbij we overigens een grote voorsprong hebben op Abraham, want door het geloof mogen we wel weten, waarheen onze weg leidt. Maar voor ons is het ook net als bij Abraham, een gaan in het geloof!

Het is prachtig om de geschiedenis van Abraham (eerst nog Abram) te lezen (Gen 11:27- Gen 12:9).

 

Abram betekent “verheven vader”, en Abraham betekent “vader van vele volken”. Abram werd geroepen toen hij nog in Ur der Chaldeeën woonde:

  • “De God der heerlijkheid is verschenen aan onze vader Abraham, toen hij nog in Mesopotamië was, voordat hij in Haran ging wonen, en Hij zeide tot hem: Verlaat uw land en uw bloedverwanten en kom herwaarts naar het land, dat Ik u wijzen zal. Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont.” (Hand 7:2-4).

 

Dus Abram werd geroepen, toen hij nog woonde in Ur der Chadeeën, maar Abram werd nogmaals geroepen toen hij in Haran woonde:

  • “De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. Toen ging Abram, zoals de HERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok. Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.” (Gen 12:1-5).

 

Wanneer we proberen ons in te leven in de situatie en leefomstandigheden van Abram en zijn familie, dan komen we tot het volgende:

  • Eerst reisde Abraham van Ur naar Haran, waar hij voor langere tijd (vermoedelijk jaren) blijft steken.
  • In Haran wordt Abraham voor de tweede keer opgeroepen om naar het beloofde land te gaan. (Gen 12:1-5).

 

En eigenlijk laat dit ons zien, dat Abram (of zijn vader) schijnbaar moeite had, om in eén keer vanuit Ur naar Kanaän te trekken. En wanneer we terugkijken, is dat niet zo verwonderlijk. Want ook bij Abram was niets menselijks vreemd. Hij woonde met zijn familie in één van de vruchtbaarste gebieden van de aarde in Mesopotanië, in het gebied, waar ooit de hof van Eden ongeveer geweest was.

 

Dankzij de archeologie kunnen we ons er een redelijk goed beeld van vormen. De Bijbel deelt mee dat de aartsvader uit Ur kwam, een plaats in het district Babel. Talloze archeologische vondsten vertellen, hoe de situatie in grote steden als Ur er rond die periode voorstond. Steden als Ur, Babel en Akkad hadden al rond 3000 v. Chr. een hoogstaande cultuur ontwikkeld, en dat is ruim 1000 jaar vóór Abram wordt gedateerd.

 

Ur der Chaldeeën

Het is wel interessant te onderzoeken, waar Abram nou werkelijk vandaan kwam. Door diverse opgravingen en archelogische vondsten is veel duidelijk geworden. Wel wil ik voorop stellen, dat dergelijke bevindingen totaal overbodig zijn om de waarheid van Gods Woord aan te tonen, maar soms geven ze ons wel een blik in het verleden.

Zo kunnen we toch een tamelijk goed beeld krijgen van Ur, en hoe de stad er door de eeuwen heen heeft uitgezien.

 

Dichtbij Ur is Al-Ubaid (of Obeid) waar al in de zeer vroege historie ca. 6000 - 3800 v.Chr. al een belangrijke nederzetting was. Uit deze vroege tijd zijn boten van klei gevonden als bewijs van het feit dat men de rivier en misschien ook de golfkust bevoer. Ook halfedelstenen die uit India afkomstig zijn, laten verre handelscontacten vermoeden.

 

De oudste laag van Ur (ca. 4000 v.Chr.) is volledig bedekt met een dikke laag klei, afkomstig van een overstroming die de stad heeft verwoest. (waarschijnlijk de zondvloed van Gen 6 en Gen 7).

 

De Mesopotamische geschiedenis werd overigens doorkruist door rampzalige overstromingen. In en onder deze laag klei zijn menselijke resten gevonden, afbeeldingen van godinnen en beschilderde potten.

 

Bovenop deze kleilaag is een afzetting van vijf en een halve meter dik die de restanten bevat van de vroegstedelijke periode (ca. 3400 tot 2900 v.Chr.). In deze laag zijn talloze pottenbakkersovens gevonden, alsmede ruwe kleipotten voor het afmeten van voedselhoeveelheden.

 

Zo zijn er voorstellingen gevonden van de Oorlog van Ur (Standard of Ur, ca. 2600 v.Chr. British Museum) op kleitabletten met Sumerisch spijkerschrift (± 2400 v.Chr.). In deze periode moest Ur eerst het voortouw laten aan Uruk en Kisj.

Een archief van enkele honderden teksten op klei-tabletten uit ca. 2650 v. Chr., toont een sociale gelaagdheid, beroepsmatige specialisatie, en de economische macht van een grote organisatie, die personeel in dienst heeft, rantsoenen en land ter beschikking stelt, en over een goede administratie beschikt.

 

Vanaf ca. 2560 v.Chr. was de stad Ur onder Mesannipadda en zijn dynastie een tijdlang de belangrijkste en welvarendste stad van Sumer. Dit blijkt uit de koningsgraven die in deze tijd in Ur zijn opgericht.

 

De engelse archeoloog Woolley vond bij zijn opgravingen van deze tombes vele skeletten van personen van de hofhouding die zelfmoord hadden gepleegd om hun meester of meesteres in het hiernamaals te kunnen dienen. De hofdames waren getooid met sieraden van goud en Lapis lazuli. Ook waren er lijfwachten. De laatste van deze graven moeten mogelijk al toegeschreven worden aan de eerste van de drie echte dynastische perioden van de stad Ur. Er was een zware terrasmuur rond delen van Ur. Rond 2334 kwam er een eind aan de eerste dynastie.

 

Tijdens de tweede dynastie, waarover niet veel bekend is, berustte de macht eerst bij de Semitische vorsten van Akkad en daarna bij de Guti.

 

En nu komen we ongeveer terecht in de tijd waarin Abram in Ur geleefd heeft:'De derde dynastie: Met Ur-Nammu van Ur begon ca. 2112 v.Chr. opnieuw een bloeiperiode voor Ur onder de derde dynastie van Ur. Deze duurde tot 2004 v.Chr. In deze tijd stond de cultuur van het land op een bijzonder hoog peil en de overblijfselen getuigen van een tijd van grote rijkdom. De maatschappij was grotendeels rond de tempel georganiseerd. Men bouwde trapvormige piramides, “ziggoerats” genoemd, om er de goden te vereren, vooral de maangod Nanna. De landbouw stond op hoog peil en met een goed georganiseerd bevloeiingsstelsel werden grote oogsten binnengehaald.

 

In het noorden was een stadsdeel dat gewijd was aan de maangod Nanna, de hoofdgod van de stad. Hier stond ook de ziggoerat die ca. 2200 v.Chr. werd gebouwd.

 

Om de ziggoerat heen bevonden zich nog een paar belangrijke bouwwerken. Het paleis Echursanga dateert van de derde dynastie van Ur en was het koningspaleis van Ur-Nammu en Schulgi. Het Egipar was een heiligdom gewijd aan de afgod Ningal en is ook in de derde dynastie gebouwd.

 

Een “ziggoerat of ziggurat” (Babylonisch: ziqqurrat, “bouwen op een verhoogd gebied") is een tempeltoren uit het oude Mesopotamië en Perzië (Iran) in de vorm van een terrasvormige piramide van opeenvolgend teruglopende verdiepingen. De vroegste voorbeelden van ziggoerats dateren uit de Ubeidperiode in het 4e millennium v.Chr., en de laatste dateren uit de 6e eeuw v.Chr.

 

De ziggoerats lijken aan te tonen dat Sumeriërs voorheen hun goden op bergtoppen vereerden. Omstreeks 535 v.Chr. stopt als het ware de geschiedenis van Ur. Tijdens deze periode van Perzische overheersing bloedt Ur leeg. Een oorkonde uit 316 v.Chr. is het laatste gedateerde voorwerp waaraan we kunnen afleiden dat de stad nog werd bewoond. De naburige stad Uruk was nog steeds bevolkt en was bekend om zijn astronomie, maar Ur werd enkel nog bewoond door rondtrekkende nomaden die het af en toe bezochten om er een tijdelijk kampement op te slaan.

 

Halverwege de 19e eeuw na Chr. (ca 1850 na Chr) stond de ziggoerat van de maangod Nanna er nog zo goed als intact. Hij was destijds bekend als Tell al-Muqayyar (de trappenheuvel).

In 1854 liet de Britse consul (op zoek naar schatten) de getrapte toren van bovenaf afbreken. Hij vond tenslotte een kleicilinder met inscripties. Deze werd in eerste instantie onbelangrijk gevonden. De Arabieren gebruikten vervolgens de leemtegels van de Ziggoerat als bouwmateriaal.

 

In de eerste wereldoorlog (1914-1918) smeekte een van de Britse officieren (die in vredestijd voor het Britse Museum werkte, en nu op mars was naar Bagdad), om de ruïnes en de inmiddels vergeten kleirol nog eens goed te bekijken. Daar gaf men klaarblijkelijk gehoor aan.

 

Nu werd duidelijk dat de gevonden ziggoerat behoorde tot de stad Ur en dat de Babylonische heerser Nabonid de Ziggoerat ca. 550 v.Chr. nog had laten restaureren. Nog veel meer teksten in spijkerschrift bevestigden bovenstaande feiten, dat Ur ooit een van de belangrijkste steden van Sumer was geweest. Archeologen vonden er kleitabletten met daarop contracten, rekeningen en wetenschappelijke stelsels. Ze hadden een zestigtallig rekensysteem, en tijdrekeningen verdeeld in jaren en minuten.

De kleitabletten tonen allerlei literaire tradities, godenverhalen, legendes en volksverhalen. Volgens de kleitabletten was er permanent vraag naar delicatessen: vissoorten, hom en kuit en ingelegde sprinkhanen. De steden in Mesopotamië handelden in een enorme sortering goederen: honing, wijnen, zeldzame oliën, metalen, bouwmaterialen, cederhout uit de Libanon, exotische kledingstoffen, parfums, edelgesteente en ivoor, en dit alles van uitzonderlijke kwaliteit.

 

In 1922 kwam een archeologische expeditie onder leiding van Leonard Woolley naar Ur en begon met systematische opgravingen van de Tell (een heuvel waar een nederzetting onder ligt). Woolley groef hier gedurende 1922-1934. Hij groef ook het koningskerkhof op. De meeste graven waren al geschonden, behalve de grafkamer van de koningin Puabi, die begraven was met 23 dienaressen die vele juwelen droegen. De koningin zelf had kostbare grafgiften van goud, Lapis lazuli, Achat en Chalcedoon. Koning Mesilim van Kish droeg een gouden helm (zo dun als papier) en een gouden dolk met een handvat van lapis lazuli. De bekendste vondst van de opgravingen is een stierenkop van gedreven goud, versierd met blauwe lapis lazuli. Hij zat als versiering op een harp.

 

Ca. 200 m. zuidelijk van de ziggoerat werden de oudste structuren van Ur opgegraven. Het ging om de koningsgraven van Ur die uit ca. 2600-2500 v.Chr. stammen. Ze waren een gedeelte van een kerkhof met ca. 2000 graven. Een paar van de koningsgraven waren nog niet geroofd en er werden kostbare grafgiften gevonden. Vlakbij dit kerkhof vond men ook de monumentale grafcomplexen van de koningen van de derde dynastie. In het zuiden van de stad kon een groot gedeelte van de woonstad uit deze tijd opgegraven worden. De huizen waren meest aan de kleine kant en hadden een binnenplaats. Er waren meerdere stegen, maar er zijn geen aanwijzingen dat er volgens een stadsplan gebouwd werd.

[Ik heb nog overwogen deze lange uiteenzetting wat in te korten, maar omdat het mij toch wel interessant leek, om te weten uit wat voor een wereld Abraham kwam, heb ik het maar zo gelaten, Bert]

 

In die stad woonde Abraham met zijn familie. Nergens in de vermeldingen van de archeologen vinden we één of ander teken dat de God van Adam, God de de Schepper nog werd vereerd, wel vond men vele aanwijzingen van afgoderij. In zo'n stad met afgoden tempels woonde Abraham.

 

Wel bijzonder dat de Heere uit zo'n stad één man, Abraham, op het oog had om uit hem twee volken te laten geboren, één volk met een aardse bestemming (Gen 13:16), en één volk met een hemelse bestemming (gen 15:5). Gods plan stond vast, het zou gewis uitgevoerd worden!

 

En eigenlijk werd Abraham net als Paulus bij zijn kraag gevat om gehoorzaam te doen wat God voor hem op het oog had. We leren duidelijk dat God in dit alles de leiding heeft. Abraham geloofde in God en koos ervoor Hem te gehoorzamen, maar achter de schermen had God zelf de algehele leiding. Abraham werd door God geleid, en stond onder Zijn bewaring. Want we lezen:

  • “Maar Ik nam uw vader Abraham van de overzijde der Rivier, en leidde hem door het gehele land Kanaän; Ik maakte zijn nakomelingschap talrijk en schonk hem Isaak.” (Jozua 24:3)
  • “Gij toch zijt de HERE, de God, die Abram verkoren, hem uit Ur der Chaldeeen geleid en hem de naam Abraham gegeven hebt” (Neh 9:7).

 

Abraham heeft er misschien best wel moeite mee hebben gehad om zijn vader te overtuigen. Want Abraham moest zich naar de toenmalige hiërarchie voegen naar de wil van zijn vader, en dus zou hij zijn vader moeten overtuigen om ook naar dat onbekende land te gaan, wat de Heere hen zou wijzen. Abraham was afhankelijk van de toestemming van zijn vader Terach.

 

Abraham heeft zijn vader weten te overtuigen, getuige Gen 11:31, waar we lezen:

  • “En Terach nam zijn zoon Abram en Lot, de zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram; en hij deed hen wegtrekken uit Ur der Chaldeeën om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen te Haran en bleven daar. En de dagen van Terach waren tweehonderd vijf jaar, en Terach stierf te Haran.” (Gen 11:31-32).

 

Uit bovenstaande tekst mogen we concluderen dat onder leiding van vader Terach de familie vertrok uit Ur. Het is wel bijzonder te lezen dat “Hij (Terach) deed hen wegtrekken uit Ur der Chaldeeën om te gaan naar het land Kanaän”, terwijl Terach nooit in Kanaän is aangekomen. Waarom de familie in Haran is blijven steken, wordt ons niet vermeld. Wel lezen we dat ze het goed hadden in Haran, en de welvarende omstandigheden zoals boven omschreven betreffende Ur, vonden Terach en zijn familie ook in Haran, getuige wat we daarover lezen in de Bijbel:

  • Haran, Kanne en Eden, de kooplieden van Seba, Assur, Kilmad dreven handel met u. Zij handelden met u op uw markt in staatsiegewaden, blauwpurperen en kleurig geborduurde mantels, in bont geweven tapijten, in gevlochten kabeltouwen. Schepen van Tarsis brachten u de koopwaar aan.” (Ez 27:23-25).

 

Dat ook Abram goede zaken had gedaan in Haran, blijkt uit hetgeen we lezen in het Woord, want wanneer Abraham na de dood van zijn vader uiteindelijk toch uit Haran vertrekt, lezen we:

  • “Toen ging Abram, zoals de HERE tot hem gesproken had, en Lot ging met hem; en Abram was vijfenzeventig jaar oud, toen hij uit Haran trok. Abram nu nam zijn vrouw Sarai en Lot, zijns broeders zoon, en al hun have, die zij verworven hadden, en de lieden, die zij in Haran verkregen hadden, en zij trokken uit om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen in het land Kanaän.” (Gen 12:4-5). Dus Abraham had in Haran “have én lieden” verworven.

 

Door het geloof

Abraham gaf dus gehoor aan Gods oproep om zijn land, stam en familie te verlaten. Maar wat bracht hem tot deze keuze? Wanneer wij de verschillende gedeelten lezen die over deze geschiedenis gaan, dan blijkt uit alles dat dit gehoorzaamheid vanuit geloof was.

Als eerste lezen we van Terach:

  • “En Terach nam zijn zoon Abram en Lot, de zoon van Haran, zijn kleinzoon, en Sarai, zijn schoondochter, de vrouw van zijn zoon Abram; en hij deed hen wegtrekken uit Ur der Chaldeeën om te gaan naar het land Kanaän, en zij kwamen te Haran en bleven daar.” (Gen 11:31). Ook hier moet geloof aan vooraf gegaan zijn.

En dan lezen we:

  • Toen ging Abram, zoals de HERE tot hem gesproken had…” Geen vragen, tegenwerping of iets dergelijks lezen wij hier, Abraham ging gewoon.

Vervolgens lezen wij in Handelingen 7:4:

  • Toen vertrok hij uit het land der Chaldeeën en vestigde zich in Haran. En nadat zijn vader gestorven was, bracht Hij hem vandaar over naar dit land, waar gij nu woont”. Weer is er geen sprake van vragen of enige tegenwerping.

En in Hebreeën lezen we:

  • Door het geloof is Abraham, toen hij geroepen werd, in gehoorzaamheid getrokken naar een plaats, die hij ter erfenis zou ontvangen, en hij vertrok zonder te weten waar hij komen zou.” (Hebr 11:8).

En later in Abraham's leven:

  • Door het geloof heeft Abraham, toen hij verzocht werd, Isaak ten offer gebracht, en hij, die de beloften aanvaard had, wilde zijn enige zoon offeren.” (Hebr 11:17).

 

Maar het mooiste is wat de Heere zelf van Abraham zegt:

  • “Want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des HEREN zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HERE aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft.” (Gen 18:19).

 

God kent de Zijnen. En God komt met Abraham tot Zijn doel. Verder laten al deze teksten zien, dat Abrahams vertrek uit Ur en later uit Haran in gehoorzaamheid gebeurde. Deze gehoorzaamheid werd wel voorafgegaan door geloof. Het geloof was voor Abraham de kracht waarop hij voortging.

Abraham wandelde zijn roeping waardig! O zeker, ook hij maakte fouten, maar zijn geloof werd hem gerekend tot rechtvaardigheid!

 

Het geloof dat eeuwen geleden in Abraham werkzaam was, is nu nog steeds van kracht. Wij bevinden ons in een soortgelijke positie als Abraham. Ook wij zijn geroepen om op weg te gaan naar een onbekend (hemels) land. Wij weten niet hoe dit er uit ziet en hebben daar, naar menselijke maatstaven gerekend, geen bewijzen van bestaan van. Maar Paulus zegt tegen ons: “Volg mij na.” (Fil 3:17). Daar is een gezindheid als de gelovige Abraham voor nodig.

En daarom de vraag: Hoe zit het met ons? Zijn wij de Rivier ook al overgetrokken?

Daarover DV de volgende keer meer, en dan gaan we weer verder met de Hebreeën brief.

Bert Boersma Februari 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 3)

Hebreeën (2)

De vorige keer hebben we gezien dat “Hebreeër betekent: “Hij die van de overzijde komt”. En misschien nog uitgebreider vertaald: “Hij, die de Rivier overgestoken is” Dus van de overzijde de Rivier overgestoken is. Abram werd pas een Hebreeër, toen hij werkelijk de Rivier de Eufraat overstak naar het onbekende land dat God hem zou wijzen. Daarvoor is geloof en vertrouwen nodig.

 

Wij worden pas een “Hebreeër” als we in het geloof ook zo'n “rivier” oversteken, en in geloof verder trekken met alleen Gods Woord als een licht op ons pad. Dat betekent in de praktijk, dat dat “oversteken”, hoewel dat een grote geloofs-stap is, toch nog maar het begin is. Want dan moeten we gaan wandelen in dat “land” wat we door genade hebben gekregen. Waarbij we niet op eigen “kunnen” vertrouwen, maar in volledige afhankelijkheid op de Heere, onze weg vervolgen, al de menselijke ballast achter ons latende, eigenlijk de wereld achter ons laten.

 

We trekken die rivier over en we geven ons over in Gods hand, en we gaan staan in ons hemels Kanaän, wat voor de leden van het Lichaam van Christus, in de hemelse gewesten is. En daar gaan we echt letterlijk in staan, én wandelen in het geloof. En al wandelende mogen we ontdekken welke geestelijke zegeningen we hebben ontvangen in dat “beloofde land”. En in Abrahams leven duurde dat nog wel een hele tijd. Hij moest nog heel veel afscheid nemen van allerlei dingen.

 

En wanneer hij dan eenmaal in het land is, dan valt het nog niet mee om in het land Kanaän te blijven, want als het dan wat moeilijk wordt, dan vlucht hij gelijk naar Egypte toe, dan gaat hij in Egypte, in de wereld, bij Farao – wat een beeld van satan is – zich nog voor iemand anders uitgeven ook, dan gaat hij nog liegen over zijn vrouw, en dan duurt het nog een hele tijd, maar de wereld (Farao) kieperde hem er toch uit, want hij hoort daar niet thuis, en dan komt hij toch weer terug in Kanaän, en wordt hij genoemd, de “Hebreeër” in Genesis 14.

 

Hierin zit ook voor ons een geweldige les. Kijk eens naar de beloften van de Heere, die Hij aan Abraham had gedaan:

  • “De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal; 2 Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. 3 Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.” (Gen 12:1-3).

 

Geweldige beloften had Abraham gekregen. Maar ook beloften, die om een volhardend geloof vragen. Want toen er een zware hongersnood in het land Kanaän uitbrak, trok Abram naar Egypte. (Gen 12:10). En daar moest hij nou net niet zijn.

 

“Maar”, zo heeft Abraham waarschijnlijk gedacht bij zichzelf, “In Egypte is eten, en hier kom ik om van de honger.” En vervolgens zien we in het vervolg van de geschiedenis (Gen 12:11-20) dat door op eigen kracht te vertrouwen, de ene misstap volgt op de andere. Maar uiteindelijk zorgt God dat Abraham weer op zijn plaats in Kanaän terug keert.

 

En ook wij hebben geweldige beloften van de Heere gekregen, waarin wij mogen (moeten) gaan staan. Ook voor ons vraagt dat om een volhardend geloof. Want, broeders en zusters, God doet echt wat hij zegt en belooft. En Hij heeft ons een geweldige wapenrusting gegeven (Ef 6), om als geliefde kinderen, echt Gods navolgers te zijn, en te wandelen in Zijn liefde, Gode tot een welriekende reuk. (Ef 5:1-2).

 

Maar we waren eigenlijk bezig met de Hebreeën brief. Paulus schreef immers aan de Hebreeën. Hij roept die Hebreeën eigenlijk op om nu toch vooral eens waardig te gaan wandelen, overeenkomstig alles wat hen al geruime tijd was verkondigd.

 

En wat was er eigenlijk mis met deze Hebreeën hier? Hij schrijft aan de Hebreeën, hij schrijft aan het Joodse volk, dat zijn de Hebreeën, die spreken de Hebreeuwse taal. Maar zijn ze echt naar de norm, die we eerder behandeld hebben, Hebreeën?

 

Nee, dat zijn ze niet, want ze kennen al heel lang de Heiland, kennen al heel lang Christus, kennen de Messias, maar ze zijn traag geworden in het horen.

  • “Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen. Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs. Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.” (Hebr 5:11-14).

 

Je kunt pas echt werkelijk iets aan iemand kwijt, als diegene ook werkelijk in dat geloof gaat staan, dus wanneer diegene ook werkelijk echt “die rivier overtrekt”, in het land “Kanaän” komt, en ook daar echt zijn tent opslaat, en dan uiteindelijk dezelfde geloofs-houding krijgt als Abraham, dat je echt een Abraham wordt, niet Abram, maar Abraham, en dat je uit het geloof gaat leven, en dat je voortvaart naar de volmaaktheid, voortvaart naar de volwassenheid:

  • “Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, (“Voortvaren naar de volmaaktheid”, staat in de Staten Vertaling), zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God.” (Hebr 6:1).

 

Horen

  • “Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen.” (Hebr 5:11).

 

Ja, dat woord “horen” dat kwamen we al eerder tegen in de Hebreeën brief, want waarin waren ze dan traag in dat horen? Was Israël al niet veelvuldig traag in het horen?

  • “Daarom, gelijk de heilige Geest zegt: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn, waar uw vaders Mij verzochten door Mij op de proef te stellen, hoewel zij mijn werken zagen, veertig jaren lang; daarom heb Ik een afkeer gekregen van dit geslacht en Ik heb gezegd: Altijd dwalen zij met hun hart, en zij hebben mijn wegen niet gekend, zodat Ik gezworen heb in mijn toorn: Nooit zullen zij tot mijn rust ingaan! Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde; want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden. Als er gezegd wordt: Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering. Wie waren het dan, die, hoewel zij (de stem) gehoord hadden, (God) verbitterden? Waren dat niet allen, die onder Mozes uit Egypte waren uitgegaan?” (Hebr 3:7-15).

 

Ja, “heden, indien gij Zijn stem hoort”, wat is dat horen? Het wordt tot twee keer genoemd in bovenstaande tekst. Maar we moeten goed bedenken, het betreft hier wel allemaal verloste mensen. Het zijn allemaal verloste mensen, waar Paulus tegen spreekt. Ze kennen allemaal de Heiland, maar ze zijn traag geworden in het horen, ze zijn een beetje laks geworden in dat horen.

 

Het gaat in Hebr 3 over de Israëlieten, die door de Heere uit Egypte zijn geleid. Dat zijn ook allemaal mensen, die door de Heere zijn verlost. Zij zijn verlosten! Zij zijn door het bloed van het lam, wat zij aan hun deurposten hadden gestreken, verlost van de dood. Verlost ook uit de slavernij!

 

Maar wat lezen we over deze verlosten? Dat zij hun harten hebben verhard, hoewel zij de werken Gods zagen! En wat was het gevolg? Wat gebeurde er met Israëlieten, met deze verlosten?

  • Niet één van deze mannen, dit boze geslacht, zal het goede land zien, waarvan Ik gezworen heb, dat Ik het aan uw vaderen zou geven, behalve Kaleb, de zoon van Jefunne; die zal het zien, ja, aan hem zal Ik het land geven, dat hij betreden heeft, en aan zijn kinderen, omdat hij de HERE volkomen gevolgd heeft. Ook op mij werd de HERE vertoornd om uwentwil, zodat Hij zeide: ook gij zult daar niet komen. Jozua, de zoon van Nun, die in uw dienst staat, die zal daar komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen beërven. En uw kleine kinderen, waarvan gij gezegd hebt: ten roof zullen zij zijn, – en uw zonen, die op dit ogenblik nog geen kennis hebben van goed en kwaad, die zullen daar komen, ja, aan hen zal Ik het geven en zij zullen het in bezit nemen. Gij echter, wendt u om en breekt op naar de woestijn, in de richting van de Schelfzee.”(Deut 1:35-40).

 

U weet vast nog wel wat er gebeurde, toen Israël na twee jaar voor het land stond, waarvan de Heere had gezegd, dat Hij hun dat land zou geven, en dat ze daar in alle gerustheid zouden wonen. Ze vertrouwden het niet, en stuurden 12 verspieders, om eens polshoogte te nemen. En toen die terugkwamen, waren er 10 van mening, dat het onmogelijk was, dat ze ooit in het land zouden komen. Slecht een “klein overblijfsel”, twee van de twaalf, Jozua en Kaleb vertrouwden op de Heere.

 

En het gevolg was dat al die verlosten (ruim 600.000 van 20 jaar en ouder) in de woestijn stierven. Zij liepen hun erfenis mis. “Jozua, de zoon van Nun, die in uw dienst staat, die zal daar komen; sterk hem, want hij zal het Israël doen beërven.” (Deut 1:38).

 

Ik wil dit graag met nadruk zeggen. God had voor Zijn volk een erfenis op het oog. Een land overvloeiende van melk en honing. En wanneer het volk Hem zou dienen, dan zouden zij in alle rust en vrede kunnen leven in dat land, en nooit zou enige hongersnood hen plagen. Maar het volk wat uit Egypte werd verlost erfde niet! Door ongeloof!

 

En hierin zit ook voor ons een grote les. Ook de leden van Het Lichaam van Christus hebben geweldige beloften, ook wij mogen het “land” binnen trekken, maar ook wij moeten wandelen in dat land, en “onze voeten zetten” op alles wat de Heere ons wil geven. (Joz 1:3). Doen wij dat niet, en gaan we niet wandelen, dan krijgen we de beloofde geestelijke zegeningen ook niet.

 

Wanneer Israël na het oversteken van de Jordaan was blijven rondhangen bij Jericho, hadden ze nooit het beloofde land kunnen ontvangen. Zij moesten in geloof gaan “lopen” in dat land.

En eigenlijk zegt Paulus in Hebr 3 hetzelfde tegen zijn toehoorders:

  • Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet, zoals bij de verbittering, ten dage van de verzoeking in de woestijn.” (Hebr 3:7-8).

En dan nogmaals:

  • Heden, indien gij zijn stem hoort, verhardt uw harten niet zoals bij de verbittering.” (Hebr 3:15).

Maar Paulus zegt nog meer in bovenstaande tekst, we hebben gelezen:

  • “Ziet toe, broeders, dat bij niemand uwer een boos, ongelovig hart zij, door af te vallen van de levende God, maar vermaant elkander dagelijks, zolang men nog van een heden kan spreken, opdat niemand van u zich verharde door de misleiding der zonde; want wij hebben deel gekregen aan Christus, mits wij het begin van onze verzekerdheid tot het einde onverwrikt vasthouden.” (Hebr 3:12-15).

 

Het is nogal wat, wat Paulus hier zegt. Hij spreekt tegen de broeders, in dit verband tegen de broeders die horen bij de gemeente van Eerstgeborenen, en hij zegt tegen die gelovigen dat ze moeten opletten, dat er geen boos, ongelovig hart in hun binnenste ontstaat. Paulus zegt ook dat ze acht moeten slaan op elkander, door elkaar te bemoedigen. Want zij hebben deel gekregen aan Christus, MITS zij volharden tot het einde, want dat staat er eigenlijk.

 

En over “dat einde” van de gemeente van Eerstgeborenen lezen we in 1 Tess 4, waar we zien, dat de gelovigen, behorende tot de gemeente van eerstgeborenen aan het einde van hun leven het graf in gaan, of als zij nog leven bij de wederkomst van de Heere tezamen met de gestorven broeders en zusters de Heere tegemoet gaan in de lucht, om dan samen met Hem op de aarde te verschijnen:

  • “Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.” (1 Tess 4:15-17).

 

Paulus zegt eigenlijk: “Doe nou niet net als jullie voorouders, en wordt niet traag in het horen, maar luister!” En Paulus gaat verder:

  • “Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs.” (Hebr 5:12).

 

Ze hadden naar de tijd gerekend, want ze kenden de Heere al een hele lange tijd, en daarom hadden ze allang leraars behoren te zijn, maar ze hebben nodig, dat men hun de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert. Ja, ze kenden de Heere al geruime tijd, en naar de tijd gerekend zouden ze eigenlijk vaders in het geloof moeten zijn, volwassenen in het geloof. Maar ze waren het niet, ze waren geestelijke baby's in het geloof, en dat klopte niet in hun leven.

 

Over dat horen, en dat ze traag waren in het horen, lezen we ook in Hebr 4:

  • “Want ook ons is het evangelie verkondigd evenals hun, maar het woord der prediking was hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard ging bij hen, die het hoorden.” (Hebr 4:2).

 

Zij hoorden het wel, maar ze geloofden het niet, dat is het probleem. Als men traag is in het horen, dan wil dat eigenlijk zeggen in deze tekst, ze zijn wel onder de prediking, ze horen het Woord wel, maar het Woord der prediking is hun niet van nut. Waarom niet? Omdat het niet met geloof gepaard gaat. Ze horen het aan, maar er volgt geen geloof op, het valt niet in hun hart! Dat is het probleem. En dat moeten we dan ook lezen in verband met wat Paulus zegt in Hebr 2:1:

  • “Daarom moeten wij te meer aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven.”

 

Dat is het gevaar, als je er te weinig aandacht aan gaat schenken, als je laks, als je traag wordt, ja, als je niet in het geloof gaat staan of blijft staan, wanneer je net als Abraham niet echt op je beloften gaat staan, dan ga je uitwijken naar “Egypte” als er moeilijkheden zijn. Dan zoek je je heil in de wereld en vertrouw je niet op de Heere!

 

Nee, we moeten er aandacht aan schenken, aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven. En daar gaat heel Hebreeën over, want Hebreeën is eigenlijk één vermaning:

  • “Ik vermaan u, broeders, houdt mij dit woord van vermaning ten goede, want ik schrijf u maar kort.” (Hebr 13:22).

 

Het is dus een woord van vermaning. Het gaat erom dat we niet afdrijven. Het gaat erom dat wij niet traag gaan worden.

  • “Want hoewel gij naar de tijd gerekend leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert. En gij hebt nog melk nodig en geen vaste spijs. Want ieder die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking. Hij is nog een zuigeling, maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad ” (Hebr 5:12-14).

 

Ja, dat zijn toch heel wat dingen. Eigenlijk, deze hele opsomming van vers 12 t/m vers 14, al die verzen, en eigenlijk laat dat ons zien, waar dat traag zijn in het horen, in de praktijk toe leidt.

Er zit geen voortgang, totaal geen voortgang, geen geestelijke voortgang in hun leven. En hoe moeten ze dan koning-priester worden? Want dat heeft God aan het eind van de Handelingen voor hen op het oog, daar moet het uiteindelijk op uit gaan lopen, en daar komt op deze manier geen snars van terecht. Wanneer hun toestand zó blijft, dan kan God hen, ook al worden ze daartoe geroepen, dat onmogelijk geven. Petrus leert dat ook, we kunnen dat ook in zijn brief lezen:

  • “Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen. Want zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland, Jezus Christus.” (2 Petr 1:10-11).

 

Eigenlijk roept Petrus: “Luister, mensen, je moet je roeping in je leven verstaan. En je moet je roeping ook vastmaken, ook bevestigen, in je roeping gaan staan en je roeping waardig wandelen, anders gaat die roeping langs je heen.” Dat is trouwens met elke roeping zo. We hebben het hier over de Hebreeën brief, en over de brief van Petrus, en dan betreft het de roeping van de gemeente van eerstgeborenen, maar precies hetzelfde geldt ook voor de roeping van het Lichaam van Christus. Daar komen we nog wel uitgebreid op terug.

 

Als we die roeping verstaan, en dat is prachtig als we dat leren verstaan, maar het is vooral noodzakelijk dat je gehoorzaam wordt, dat je gehoor geeft aan die roeping, dat je zegt, Ja, Heere, en je gaat er op in, maar daarna moet je hem ook bevestigen. En daarna moet je ook die hele race, die hele loopbaan, die moet je lopen. Je moet wel lopen voor de prijs der roeping Gods. Ook in ons geval. Want doen we dat niet, ja dan kan Christus in feite, als je die roeping niet bevestigd, dan kan Hij je niet in die positie brengen, waarin Hij je zo graag hebben wil. Daarbij moet je steunen op Hem, niet op eigen kracht, maar op Zijn kracht. Dan moet je een Hebreeër worden. In het geloof gaan staan. In het geloof de “rivier” overtrekken, om te arriveren in het “beloofde land”. In ons geval in de hemelse gewesten.

 

Dit betekent dat we behoren te wandelen in het land, in de zegeningen, die de Heere ons geeft. Wandelen waardig de roeping waarmee gij geroepen zijt! En dan belooft de Heere zelf, dat Hij ons geeft waarop wij “onze voeten zetten”, of anders uitgedrukt: Dan geeft de Heere ons geopende ogen des harten, en dan worden wij geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging.” (Kol 2:7).

 

Deel 4 volgt DV.

Bert Boersma Februari 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 4)

 

Traag in het Horen

 

We gaan nog even door met wat Paulus aan de Hebreeën schreef. Paulus wil hen eigenlijk een spiegel voorhouden. Want wat was er eigenlijk mis met deze Hebreeën hier? Zijn ze echt wel naar de norm Hebreeën? Zijn ze wel echt die Rivier overgetrokken, en hebben ze hun stappen gezet in het land, en wonen ze in “het beloofde land”? Nee, eigenlijk niet, want ze kennen al heel lang de Heiland, de Christus, de Messias, maar ze zijn traag geworden in het horen.

 

“Hierover hebben wij veel te zeggen”, zegt Paulus in Hebr 5:11. Ja, je kan wel veel te vertellen hebben, maar als die andere niet wil horen, dan komt het niet over. Je kan pas echt aan iemand iets kwijt als die toehoorder op dezelfde golflengte zit, als die toehoorder ook echt het verlangen heeft om echt meer te willen weten. En Paulus kon pas echt iets aan die Hebreeën kwijt, als zij ook werkelijk in dat geloof gaan staan, dus dat zij echt die rivier overtrekken, in het land Kanaän komen, en ook daar echt hun tenten opslaan, en dan uiteindelijk dezelfde geloofs-houding krijgen als Abraham, dat ze echt een Abraham worden, niet Abram, maar Abraham, en dat ze uit het geloof gaan leven, en dat ze aldus voortvaren naar de volmaaktheid. Hebr 6:1:

  • “Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God.”

 

“Voortvaren naar de volmaaktheid”, staat in de Staten Vertaling in Hebr 6:1. In de NBG staat dat we ons moeten “richten op het volkomene”. Maar zij hoorden het niet, dat is het probleem, als men traag is in het horen, dan wil dat zeggen (Hebr 5:11), dat ze wel onder de prediking zijn, ze horen het Woord wel, maar het Woord der prediking is hun niet van nut, omdat het niet met geloof gepaard gaat. Ze horen het aan, maar er volgt geen geloof op, en dan kan er ook geen wandel op volgen. En dat is het probleem. En net zo moeten we ook Hebr 2:1 lezen, waar Paulus zegt:

  • “Daarom moeten wij te meer aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven.”

 

Dat is ook voor ons het gevaar, dat we afdrijven, als we er te weinig aandacht aan schenken, wanneer we traag worden in het horen. Ja, als we niet in het geloof gaan staan of blijven staan. Nee, we moeten er aandacht aan schenken, aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven. En daar gaat heel Hebreeën over, want Hebreeën is eigenlijk één vermaning:

  • “Ik vermaan u, broeders, houdt mij dit woord van vermaning ten goede, want ik schrijf u maar kort.” (Hebr 13:22).

 

Het is dus een woord van vermaning voor de Hebreeën, ons tot lering. Het gaat erom dat we niet afdrijven. Het gaat erom dat wij niet traag gaan worden.

  • “Want hoewel gij naar de tijd gerekend leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert. En gij hebt nog melk nodig en geen vaste spijs. Want ieder die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking. Hij is nog een zuigeling, maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad ” (Hebr 5:12-14)

 

Ja, dit is nogal wat, datgene wat Paulus hier in deze tekst opnoemt. Het laat zien, waar dat traag zijn in het horen toe leidt, en wat dat in de praktijk wil zeggen. Er zit geen voortgang, totaal geen voortgang, geen geestelijke groei in hun leven, en als die Hebreeën dan koning-priester moeten worden, want dát heeft God uiteindelijk voor hen op het oog, dan komt daar op deze manier helemaal niets van terecht. Dan kan God datgene, wat Hij hen zo graag wil geven, ook al worden ze daartoe geroepen, onmogelijk geven.

Petrus leert dat ook, we kunnen dat ook in die brief gelezen, die leert: “Ja, mensen, je moet je roeping in je leven verstaan.” Maar je moet die roeping ook vastmaken, ook bevestigen, anders gaat die roeping langs je heen:

  • Beijvert u daarom des te meer, broeders, om uw roeping en verkiezing te bevestigen; want als gij dit doet, zult gij nimmer struikelen. Want zó zal u rijkelijk worden verleend de toegang tot het eeuwige Koninkrijk van onze Here en Heiland, Jezus Christus.” (2 Petr 1:10-11).

 

Ja, dit zei Petrus tegen die gelovige Israëlieten. Petrus zegt tegen die gelovigen dat zij ijverig moeten zijn om hun roeping en verkiezing te bevestigen, want als zij dát doen zullen zij rijkelijk mogen genieten van de zegeningen die voor hun zijn weggelegd in de hemelen. Want het betreft hier de hemelse roeping voor de gemeente van eerstgeborenen. En Petrus vindt dit zó belangrijk,

dat hij deze aansporing zal blijven herhalen:

  • “Daarom zal het steeds mijn voornemen zijn u hieraan te herinneren.” (2 Petr 1:12).

 

En, broeders en zusters, ik geloof dat het goed is om een dergelijke houding aan te nemen, om elkaar deze dingen in herinnering te houden, en elkaar aan te sporen om onze roeping waardig te wandelen. Want ik geloof dat dit geldt voor iedere roeping. Ook voor de roeping van het Lichaam van Christus. Iedere roeping moet worden bevestigd door een persoonlijke wandel, voortvloeiend uit de gezindheid van Fil 2:5. “Laat die gezindheid in u zijn.........” Dat is voor mij het hart van Gods Woord. En dat gedeelte van Fil 2 gaat heel ver, dat gaat over een wandel, waarin wij steeds minder worden, en Hij steeds meerder, waarbij we bereid zijn oude dingen achter ons te laten, om voort te gaan in de nieuwe zegeningen die God ons wil geven.

 

Als we die roeping gaan verstaan, en dat is mooi als je dat gaat leren verstaan, en het is ook mooi als je gehoorzaam wordt. Als je gehoor geeft aan die roeping, als je zegt, Ja, Heere, en je gaat er op in. Maar daarna moet je hem ook bevestigen. Daarna moet je ook die hele race, die hele loopbaan, die moet je wel lopen. Je moet wel lopen voor de prijs der roeping Gods. Ook in ons geval. Want doen we dat niet, als we die roeping niet bevestigen, ja dan kan Christus in feite, je niet in die positie brengen, waarin Hij je zo graag hebben wil. Daarbij moet je steunen op Hem, niet op eigen kracht, maar op Zijn kracht. Dan moet je net als hier in de Hebreeën brief een Hebreeër worden. In het geloof gaan staan. In ons geval in de hemelse gewesten. (hier komen we nog wel op terug).

 

Maar hier bij de Hebreeën zat dus geen voortgang in hun leven. Naar de tijd gerekend zouden ze leraars moeten zijn, maar ze hadden weer nodig, dat ze de eerste beginselen van de uitspraken Gods zouden leren.

 

Het tweede wat gezegd wordt: “Gij hebt nog melk nodig en geen vaste spijs.” (Hebr 5:12).

Ja, dan ben je geestelijk een baby. Als je de vaste spijs niet verdraagt, als je het al heel gauw heel moeilijk vindt, en eigenlijk een houding aanneemt, zo van, het hoeft van mij allemaal niet zo. Als je zo reageert, dan laat je eigenlijk zien wie je bent. Dan ben je in feite een geestelijke baby.

Hetzelfde zegt Paulus ook in een eerdere brief, die hij schreef aan de Korinthiërs. Dat is wel in een ander verband, maar dat maakt niet zoveel uit, dat gaat over hetzelfde. De tekst uit Korinthe laat ons zien, dat ze naar de tijd gerekend al veel verder zouden moeten zijn gegroeid:

  • “En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu [nog] niet, want gij zijt nog vleselijk.” (1 Kor 3:1-3).

 

Ja, het vlees staat de geestelijke groei altijd in de weg. Dat was bij de Korinthiërs zo, dat is hier bij de Hebreeën net zo, en als we niet oppassen, dan is dat in ons leven ook zo. Die prediker (Paulus) kan dat vaste voedsel dan niet aan hen kwijt. Dat is het probleem, en dan zijn er wel sprekers, maar die kunnen hen/ons dat vaste voedsel eigenlijk niet aanreiken, want ja, dan zou hij over de hoofden heen gaan spreken, dus hij moet maar terug naar “de eerste beginselen” van het evangelie.

Wat zijn nou de eerste beginselen van de uitspraken Gods?

  • “Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen (1) van bekering van dode werken (2) en van geloof in God (3), van een leer van dopen (4) en van oplegging der handen (5), van opstanding der doden (6) en van een eeuwig oordeel. (7)” (Hebr 6:1-2).

 

Deze zeven punten, dát zijn de eerste beginselen van de uitspraken Gods. Verder zegt Paulus in vers Hebr 5:13:

  • “Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling.”

 

Dat is nogal een uitspraak, maar het is wel waar. Een baby, een zuigeling, een pasgeborene heeft geen weet van de rechte prediking. Hij vindt zich misschien heel erg geestelijk, en heel erg vroom, maar als hij zich in een situatie bevind, dat hij niet geestelijk is gegroeid, dan heeft hij geen weet van de rechte prediking. Die Hebreeën weten niks van dat Hogepriesterschap van de ordening van Melchizedek. Zij beseffen niet wat het betekent om straks een koning-priester te zijn. Zij weten eigenlijk niks van die roeping, waar Paulus het hier over heeft, en waar Petrus het over heeft, dat is het probleem.

 

En hoe is dat in onze dagen? Hebben de gelovigen van nu weet van de rechte prediking? Hebben de gelovigen van nu weet van het geheimenis waar Paulus in zijn late brieven over schrijft? Hebben de gelovigen kennis van de roeping van het Lichaam van Christus? Weten ze wat het betekent om Paulus na te volgen? Vergeef mij deze vragen, maar het is zo belangrijk voor de gelovigen van deze tijd om deze dingen te onderscheiden.

 

Verder zegt Paulus:

  • “Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.” (Hebr 5:14).

 

Hun Zinnen oefenen

 

Voor de volwassen is daar de vaste spijs voor. De vaste spijs kan je alleen maar als het ware verorberen als je volwassen bent. Dat woord “volwassen”, en dat is eigenlijk wel mooi, want in het Grieks is dat het woord “teleio”. Totaal wordt “teleio” in allerlei verbuigingen in de Hebreeën brief zo'n 24 keer gebruikt. In het woord “teleio”, het woord “telos” daar zit het woord “telé” in, en dat Griekse woord kennen wij ook. Heel veel Griekse woorden kennen wij overigens ook in onze Nederlands taal.

 

Denk maar aan onze televisie thuis, en onze telefoon. Het zijn allemaal woorden, die daarvan af zijn geleid. Ook het woord telescoop, of het woord telegram. En al die woorden met “telé” geven eigenlijk aan, dat iets heel dichtbij wordt gehaald.

Als je door een telescoop naar de maan kijkt, dan zie je als het ware die maan alsof je hem kan aanraken. Als je hele sterke telescoop hebt, nou dan zou je bijna de maan zo kunnen pakken. En als je met de telefoon iemand belt, dan is het net alsof diegene, die ik bel naast me staat. Ook al is diegene aan de andere kant van de wereld.

 

Televisie, je ziet wat aan de andere kant van de wereld gebeurt. Dát wil “telé” eigenlijk zeggen. Iets wat heel veraf is, dat haal je zomaar dichtbij. En dát doet een volwassene in het geloof. Wat heel ver weg is, dat haalt de gelovige heel dichtbij, en dát beïnvloedt zijn keuze hier en nu. En dat is met die geloofshelden rij van Hebreeën 11 steeds het geval. Als je al die geloofshelden daar allemaal ziet, de één na de ander, dan kan je concluderen, dat ze allemaal door geloof een keuze hadden gemaakt, die tot ver in de toekomst lag.

 

En Mozes, wat deed die? Hij wilde niet voor Farao's zoon doorgaan. Waarom niet? Want hij lette op de vergelding. Die vergelding was heel ver weg, maar voor Mozes was het heel dicht bij. En alle schatten van Egypte waren wel prachtig, allemaal pracht en praal, maar hij achtte in feite de smaadheid van Christus nog grotere rijkdom, en meer heerlijker dan alle schatten van Egypte.

Steeds kan je dat bij al die geloofshelden zien, dat wordt allemaal aangestipt, waardoor ze leefden als rechtvaardigen, als rechtvaardigen uit het geloof. En door dat geloof wordt benadrukt, hoe zij volwassen waren in dat geloof, en dat zij als het ware “telé”, “het einddoel” zagen. Want dat zit in het woord “telos”, het einddoel, het einde, het eindoel. Zij zagen het doel van hun roeping, en dat haalden ze dichterbij. En áls je dat dichterbij haalt, dan wordt het ook meer realiteit, en dan ga je er ook uit leven. En dat deden die geloofshelden. En dat is ook wat een volwassene uit het geloof doet. Dat is die vaste spijs.

  • “Die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben.” (Hebr 5:14b).

 

Zij hebben hun zinnen geoefend. Welke zinnen heb je dan geoefend? Twee dingen, je kan heel goed horen, daar begon het mee: “Omdat gij traag zijt geworden in het horen.”

Een volwassene kan ongelofelijk goed horen, en hij kan ook enorm goed zien. Dat zijn de zinnen, die hij oefent, het gehoor, het geestelijk horen van het Woord Gods, en aan de andere kant het zien, met het geloof zien in de toekomst, en dat naderbij halen. En uit die hoop, die die roeping je biedt, daaruit leven.

Wat staat er verder?

  • “Die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.” (hebr 5:14b).

 

Met dat “goed en kwaad” moeten we wel oppassen. Dat is geen onderscheiden van moreel goed en moreel kwaad. Het Grieks geeft hier voor het woord “goed” een heel ander woord, wat normaal zou worden gebruikt in de tegenstelling tussen goed en kwaad. Nee, het heeft hier te maken met dat horen. Een volwassene in het geloof kan heel goed horen, en die kan heel goed onderscheiden. Hij heeft zijn zinnen geoefend in het onderscheiden van – in de prediking met nadruk – wat goed is en wat kwaad is, dus wat deugt en wat niet deugt. Een baby ziet geen onderscheid. Die ziet af en toe niet wat vergif is, wat kwaad is, wat in de prediking totaal niet deugt, wat uit de koker van een tegenstander komt, want hij ontdekt het niet. Hij ziet geen verschil. Een klein peutertje, een klein babytje die steekt alles in de mond, die ziet ook niet het verschil tussen een limonade fles en een chloor fles. En zo is het met geestelijke baby's ook.

 

Maar een volwassene heeft zijn zinnen geoefend, hij kan heel goed horen, en als hij luistert naar een prediking, dan weet hij één ding, hij weet heel goed wat goed is en wat niet goed is. Nou, die baby niet. Dat is het probleem. Zij hebben geen weet van de rechte prediking. Dus het was niet zo best hier met die Hebreeën. Er zat geen geestelijke voortgang in, ze waren nog geestelijke baby's, ze hebben geen weet van de rechte prediking, ze waren verre van volwassen, ze zijn nalatig in het geloof, en zij hebben geen enkel onderscheid.

Ja, je zal maar op zo'n manier aan die Hebreeën moeten schrijven. Maar Paulus legt wel zijn vinger bij de zere plek. En wat zegt hij dan?

  • “Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene.” (Hebr 6:1).

 

Het volkomene, in de grondtekst staat hier het woord “teleiotEta”, dat is het weer een woord met als basis het woord “telé”, het heeft weer te maken met het einddoel. Het wordt met “volkomenen” vertaald, wat betekent dat iets is volgemaakt, en het wordt ook met “volwassen” vertaald, wat betekent dat je volgroeid. We moeten voortvaren naar die volwassenheid.

Ook het woord “volwassen” van Hebr 5:14, waar staat: “maar de vaste spijs is voor de volwassenen,” staat in de grondtekst ook het woord “teleion”, dus je kan het vertalen door “volmaakt”, en je kan het ook nog vertalen door “volwassen”. Laten we ons richten op het volkomene. En wat moesten ze eigenlijk doen?

Nou alles wat met Christus te maken had, in het verleden, vóór Zijn kruis, waar ze bij stil stonden, met de nadruk op de Evangeliën, waar hun baby-tijd aan vast zat, dat moeten ze in feite laten rusten. Niet opgeven, maar laten rusten, en dan voortvaren, zich richten op het volwassene. Het heeft eigenlijk ook te maken met Hebr 2:3, want dat is eigenlijk misschien wel de tekst, waardoor we Hebr 6:1 beter leren verstaan, want er staat:

  • “Hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door [de] heilige Geest toe te delen naar zijn wil.” (Hebr 2:3-4)

 

Dit vers “Hoe zullen wij dan ontkomen”, wordt vaak opgevat, alsof dat dan geldt voor ongelovige Hebreeën. Maar, nee, het wordt gezegd tegen gelovige mensen, Joden, die de Heere Jezus Christus als Messias hebben aanvaard. En dan staat er, dan zegt Paulus: “Hoe zullen we dan ontkomen”

Hoe denk je nou, als jij zo traag wordt in het horen, en nog steeds een geestelijke baby bent, hoe denk je dan te kunnen ontkomen? “Indien wij geen ernst maken met zulk een heil”, en dan zit eraan vast: “dat allereerst verkondigd is door de Here”, in de Evangeliën periode, in de Evangeliën tijd, en waar je vier Evangeliën vol van vindt, “en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd”, en wanneer was dat? Dat zijn de apostelen in de Handelingen. “Terwijl ook God getuigenis daaraan geeft.” Terwijl God dat getuigenis bevestigt door tekenen en wonderen. Want het is nog steeds Christus, die het doet. Christus heeft het in de Evangeliën periode gedaan, maar Christus is verder gegaan in de verkondiging, namelijk in de Hebreeën, door Zijn diensknechten heen, en Hij heeft in de Handelingen verder “getuigenis gegeven door tekenen, wonderen en velerlei krachten, en door die gave Heilige Geest toe te delen naar Zijn wil.”

 

We moeten dus, zegt Paulus tegen de Hebreeën: “Je moet voortvaren naar de volmaaktheid, je moet je richten op het volkomene, je moet niet nalatig worden, maar verder gaan!

  • “Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft mijn ziel in hem geen welbehagen. Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.” (Hebr 10:35-39).

 

Maar als je nalatig wordt, en de Hebreeën hier aan wie hij schrijft zijn nalatig, “hoe zul je dan ontkomen?” “Dan heeft Mijn ziel in hem geen welbehagen.” (Hebr 10:38b)

“Ontkomen”, ja dat woord “ontkomen”dat zagen we al in Hebr 2:3, en dat zien we ook in Hebr 12. En we hebben het al uitvoerig gehad over dat “horen”, en dat “horen” volgt op iets wat gesproken is. En dat spreken (waar gehoor op dient te volgen) vinden we ook in Hebr 12:

  • “Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt).” (Hebr 12:25).

 

Zo zien we dat Paulus eigenlijk de hele Hebreeën brief door zijn toehoorders er op wijst dat zij toch vooral moeten horen. En daar dan ook naar dienen te handelen, anders zal hun dat nalatig worden, worden aangerekend, ja zal hun dat zelfs tot schade, tot verderf zijn. (Hebr 10:39).

 

Precies hetzelfde vinden we eigenlijk ook terug in de late brieven van Paulus:

  • “Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:18-19).

 

Ook hier gaat het over gelovigen, die wel behouden zijn, maar zij horen niet, en “wandelen als vijanden van het kruis van Christus”, wat betekent dat zij niet het kruis van Christus op zich willen nemen, zij willen niet delen in de verdrukking om Christus wil, zij wandelen in wezen hun roeping onwaardig. En daarom staat er ook “Hun einde is het verderf”. Dat betekent niet dat zij verloren zijn, maar zij zullen wel schade lijden. Zij zullen hun erfenis mislopen.

 

Het is dan ook prachtig dat we direct hierna lezen, in tegenstelling tot het voorgaande, en wat geld voor hen die Paulus wel volgen, en die weg in vernedering wel willen gaan, en die wel het kruis van Christus op zich nemen:

  • Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit wij ook de Zaligmaker verwachten, namelijk de Heere Jezus Christus.” (HSV Fil 3:20).

 

Deel 5 volgt DV

 

Bert Boersma Maart 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 5)

 

Voor we verder gaan met de bijbelstudie wil ik iets zeggen naar aanleiding van een vraag, die ik kortgeleden kreeg. De vraag was, waarom ik nu toch zoveel bezig ben met de Hebreeën brief, terwijl die eigenlijk niet aan ons is geschreven. Want de Hebreeën brief is tijdens de Handelingen periode geschreven, en die zou dan niet aan ons zijn geschreven, en niet voor ons gelden. Alleen de late brieven van Paulus zijn echt voor ons. Tot zover de opmerking, die ik kreeg.

 

Ik begrijp deze opmerking, en hij is ten dele juist. De late brieven, die Paulus heeft geschreven na de Handelingen periode zijn speciaal geschreven voor hen, die tot het Lichaam van Christus behoren. En zijn ook specifiek bedoeld om daar lering uit te trekken. Maar wanneer we bijbelstudie doen, dan komen we tot de ontdekking, dat Gods regels en Gods normen eigenlijk in iedere tijd dezelfde zijn.

 

Altijd wil God van mensen, dat ze in hem geloven én ook dat ze door een wandel in geloof groeien in Hem. Dat zijn twee dingen. Niet alleen geloven, maar op dat tot geloof komen dient een wandel te volgen. En deze beide dingen hebben verschillende gevolgen. Op het geloof volgt de verlossing, en op de wandel volgt “loon”, wat je ook een erfenis kunt noemen. De verlossing is tot stand gekomen door het volbrachte werk van Christus aan het kruis. Dat ligt vast, daar kan niemand wat aan veranderen. Aan dat volbrachte werk aan het kruis kan niemand iets toevoegen. Door de verlossing wordt een mens wedergeboren, en een geboorte wordt nooit ongedaan gemaakt. Eenmaal tot geloof gekomen, en daardoor verlost door het bloed van Christus, betekent voor altijd behouden!

 

Maar dan volgt door dat geloof de persoonlijke wandel. En door de wandel kun je in een voor die tijd geldende positie komen. Die positie is in de verschillende tijden van de Bijbel niet steeds gelijk. En die positie kan wel verloren worden. Door bijvoorbeeld af te haken, zoals een Demas deed. Hij kreeg de tegenwoordige wereld lief, en verliet Paulus. Het werd hem allemaal wat te zwaar. Hij wilde niet zijn kruis om Christus wil op zich nemen. Daar gaat het om in de wandel. En daar hamert Paulus ook bij voortduring op bij zijn toehoorders. En daarom is de Hebreeën brief ook van groot belang voor ons, de gelovigen van deze tijd. Om daar lessen uit te leren. Dat lezen we ook in het Woord. Wanneer we over Israël lezen, dan staat er:

  • Dit is hun overkomen tot een voorbeeld (voor ons) en het is opgetekend ter waarschuwing voor ons, over wie het einde der eeuwen gekomen is.” ( 1 Kor 10:11).

En daarom gaan we nu weer verder met de bijbelstudie.

 

Hoe zullen zij/wij ontkomen?

 

Als laatste hadden we de vorige keer de tekst gelezen uit Hebr 10:35-39, over dat nalatig worden. Maar als je nalatig wordt, en de Hebreeën hier aan wie hij schrijft zijn nalatig, “Hoe zul je dan ontkomen?” “Dan heeft Mijn ziel in hem geen welbehagen.”

“Ontkomen”, dat woord “ontkomen”, dat staat ook in Hebr 12, daar heeft Paulus het weer over dat spreken, en over dat horen:

  • “Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn Godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, [betekent: hoeveel meer wij.........], als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt).” (Hebr 12:25).

 

Deze tekst is eigenlijk een beetje raar vertaald in de NBG. Er staat “hoeveel te minder wij”. Bij “hoeveel te minder”, staat in de grondtekst het Griekse woord “mallon”. Dit wordt in de HSV en St.Vert. weergegeven met “veel meer”, dat is wel een groot verschil, en ook beter vertaald. “Mallon” komt 81 keer voor en is in de NBG alleen hier vertaald met “minder”, alle andere keren met: “veel meer”, bv: Matt.6:26, Matt.7:11 enz.

Wat Hebr.12:25 betreft komt “veel meer” ook beter tot zijn recht, de Heere deed Zijn stem horen door Mozes op aarde, maar het is veel meer toen Hij Zijn stem deed horen door Hem, dat is Christus uit de hemelen. En als genen (Israël) niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn Godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te meer wij, als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt).” (Hebr 12:25).

 

En hoe spreekt de Heere nu uit de hemelen in de Handelingen tijd? Door Zijn apostelen, en door de apostel Paulus. Als jij traag bent in het horen, en je wordt zo nalatig, en je bent eigenlijk nog een geestelijke baby, en je hebt het wel gehoord, maar je vindt het eigenlijk wel goed zo, en je gaat op je lauweren rusten, hoe denk jij nog te ontkomen? Als je geen ernst maakt met zulk een heil? Denk je dan dat je automatisch maar een koning-priester wordt? Dát is wat Paulus tegen de Hebreeën zegt. En dat is ook, als we het verstaan, en er lering uit trekken, Paulus ook tegen ons zegt.

 

Wat moeten ze dan doen? Ze moeten dat eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten, en voortvaren naar de volmaaktheid en de volwassenheid, zonder opnieuw het fundament te leggen (Hebr 6:1).

En dan komen we terecht bij het fundament. Wie of wat is dat fundament? En wie heeft dat fundament gelegd? In heel veel gevallen heeft Paulus dat fundament gelegd:

  • “Naar de genade Gods, die mij gegeven is, heb ik als een kundig bouwmeester het fundament gelegd, waarop een ander voortbouwt. Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.” (1 Kor 3:10).

 

Het Fundament (2)

 

Jaren geleden heb ik een oud boerderijtje gekocht. Dat boerderijtje was meer dan 100 jaar geleden zomaar op het veen gebouwd. Zo ging dat toen. Zonder fundament bouwen op drie meter veen. U kunt begrijpen wat er met dat boerderijtje in die 100 jaar was gebeurd. Dat was aan alle kanten verzakt. Maar het was zo'n mooi plekje, en we wilden er graag wonen. Daarom moest er eerst een nieuw fundament worden gelegd, zodat het nieuw te bouwen huis niet weer zou verzakken.

Mijn vrouw en ik waren heel blij toen dat fundament was gelegd, dat was de basis voor het nieuwe huis.

 

Ik zal nu proberen te schetsen wat de houding van de Hebreeën was, en hoe zij handelden volgens Paulus. Het vervolg van dit verhaal is dus fictie, maar het laat wel zien hoe dwaas mensen soms bezig zijn:

  • “Toen dat fundament dus was gelegd voor ons nieuwe huis, kwamen wij de volgende morgen weer even kijken bij ons huis, en wat bleek, de bouwlieden hadden het fundament weer weggehaald, want het leek hun beter om maar een nieuw fundament te leggen. En dat ging zo een poosje door. Steeds maar weer het fundament afbreken, en dan maar weer een nieuw fundament leggen.”

 

U zult de grote onzin van dit verhaal beseffen. Maar dát was in feite waar de Hebreeërs mee bezig waren. “Zonder opnieuw het fundament te leggen.” zegt Paulus. Je hebt dan van die mensen, die zeggen, nou ja, wij houden van dat eenvoudig evangelie. Ja, maar zij gaan steeds opnieuw weer dat fundament leggen, steeds maar weer bij het begin beginnen. En dat is een zeer vermoeiende bezigheid, want u zult ook begrijpen, zo doende kom je geen stap verder. En dat is dan ook meestal de praktijk. Je krijgt ze maar niet in beweging, want ze zijn traag, en zitten lekker onderuit. Dat is het probleem, en dat was het probleem bij de Hebreeën. “Maar ieder zie wel toe, hoe hij daarop bouwt.” (1 Kor 3:10). Ze moeten erop bouwen. En waarop moeten ze bouwen, en hoe moeten ze bouwen volgens het Woord?

  • “Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen. Is er iemand, die op dit fundament bouwt met goud, zilver, kostbaar gesteente, hout, hooi, of stro, ieders werk zal aan het licht komen. Want de dag zal het doen blijken, omdat hij met vuur verschijnt, en hoedanig ieders werk is, dat zal het vuur uitmaken. Indien het werk, dat hij erop gebouwd heeft, standhoudt, zal hij loon ontvangen, maar indien iemands werk verbrandt, zal hij schade lijden, doch hij zelf zal gered worden, maar als door vuur heen.” (1 Kor 3:11-15).

 

Precies hetzelfde lezen we ook in Hebreeën 6:

  • "Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van een eeuwig oordeel; en dat zullen wij doen, indien God het vergunt. Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding.” (Hebr 6:1-8)

 

Dit is een moeilijke tekst, die we in het vervolg van deze bijbelstudie nog verder zullen uitzoeken, omdat dit deel 5 is te kort om daar mee klaar te komen.

 

We zien in Hebreeën dus hetzelfde als in 1 Kor 3. We lazen in Hebr 6:8 over verbranding, en in 1 Kor 3:13 over het vuur. En we moeten goed beseffen broeders en zusters, dat het er in deze teksten volstrekt niet om gaat dat er iemand verloren gaat:

  • In 1 Kor 3 lazen we in vers 12 dat er iemand is die op het fundament, op Christus bouwt. Kan zo iemand verloren gaan wanneer hij gelooft in het volbrachte werk van de Heere aan het kruis? Nee, volstrekt niet, want Christus is gestorven voor de zonde der gehele wereld, en wanneer een zondaar Christus aanneemt, wordt hij/zij wedergeboren, en een geboorte kan nooit ongedaan worden gemaakt. Dan ligt het behoud vast in Christus Jezus.

 

  • In Hebr 6:4 lezen we over mensen, die eens verlicht zijn geweest, mensen die van de hemelse gave genoten hebben, mensen die deel gekregen hebben aan de heilige Geest, en als laatste het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben. Dit zijn geen ongelovigen. En ook voor hen geldt dat het behouden mensen zijn.

 

Nee, het gaat er hier om hoe die mensen wandelen nadat zij tot geloof zijn gekomen. Het gaat erom wat die mens van 1 Kor en van Hebr 6 opbouwt op het fundament, wat hij/zij op Christus heeft gebouwd, dát wordt getoetst door de Heere, dát wordt beproefd door het vuur.

En het gaat hier niet meer om de verlossing, nee, het gaat hier om de werken, die op de verlossing dienen te volgen. En als die werken blijken te zijn van hout, hooi of stro, dan blijken zij in de mens te zijn verricht, en zal er niets van overblijven. Maar als die werken zijn van goud, zilver, kostbaar gesteente, dan blijkt dat God Zijn werken door de mens heeft kunnen verrichten. En Gods werk alleen houd stand!

 

Het jammerlijke, wat we vaak tegenkomen nadat mensen tot geloof gekomen zijn, is dat men denkt: Prachtig, we zijn gered, Christus heeft voor onze zonden betaald, en alles is klaar, nu hoeven we niks meer te doen. Men heeft vaak niet in de gaten dat er op het geloof nog werken behoren te volgen. Het Woord spreekt ook duidelijk dat de gelovige van pasgeborene behoort door te groeien naar een volwassene. En vaak weet men niet hoe dat moet gebeuren.

Wanneer we dan zelf aan de slag gaan, door onze eigen werken te doen, dan weten we waar dat op uit loopt. Dan brengen we werken voort van hout, hooi en stro. En we hebben gelezen dat daar niets van over blijft. Dat kan ook niet anders, want geen mens is in dat opzicht tot enig goeds in staat. Daarom staat er ook geschreven: “Er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één.” (Ps 14:3 en Rom 3:12).

 

Hoe moet dat dan? Hoe brengen we wel de goede werken voort? Dat kan alleen maar door God Zijn gang te laten gaan in ons. Door in die gezindheid van Fil 2 te gaan staan. Daar zegt Paulus:

  • Laat die gezindheid bij (= in) u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken.” (Fil 2:5-9)

 

Deze tekst is voor mij het hart van de Bijbel. Deze tekst laat de geweldige liefde van Christus zien. Hij was God. Maar uit liefde voor u en mij heeft Hij al Zijn heerlijkheid afgelegd, heeft Hij Zich volkomen vernederd, om de weg voor u en mij vrij te maken. Zonder die vernedering van Christus zouden wij allen reddeloos verloren zijn geweest. En wat staat hier nu in deze tekst? Dat die gezindheid van vernedering, welke ook in Christus Jezus was, dat die gezindheid ook IN u aanwezig moet zijn. Kan dat dan? Ja, dat kan, want kijk maar eens naar de apostel Paulus, ook hij ging die weg van vernedering. Leest u

Fil 3:4-8 er maar eens op na. Hij achtte alles uit zijn verleden schade, en liet dat achter zich, al zijn leringen, al zijn eerdere vermeende goede werken, en noem maar op. Daarom heeft Paulus ook het recht om te zeggen:

  • “Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.”

 

Alleen op die manier, door al het oude achter te laten, en vol vertrouwen voorwaarts te gaan in de nieuwe dingen, die de Heere ons wil geven, kunnen we navolgers worden van Paulus.

Alleen zó, door werkelijk al het oude schade te achten, kan die gezindheid in ons gestalte krijgen. En alleen in die gezindheid kan God door ons heen zijn werken van goud, zilver, kostbaar gesteente doen.

 

En wat zijn dan Gods werken? Wat zei de Heere Jezus zelf?

  • “Werkt niet om de spijs, die vergaat, maar om de spijs, die blijft tot in het eeuwige leven, welke de Zoon des mensen u geven zal; want op Hem heeft God, de Vader, zijn zegel gedrukt. Zij zeiden dan tot Hem: Wat moeten wij doen, opdat wij de werken Gods mogen werken? Jezus antwoordde en zeide tot hen: Dit is het werk Gods, dat gij gelooft in Hem, die Hij gezonden heeft.” (Joh 6:27-29).

 

Ja, broeders en zusters, dat betekent dat we Hem vertrouwen, dat we Zijn Woord niet alleen geloven, maar ook vastleggen in ons hart. En vanuit Zijn Woord gaan wandelen door Zijn kracht. Dat we groeien door Zijn Woord. Paulus zegt tegen Timoteus, en dat geldt ook voor ons:

  • “Dat gij van kinds af de heilige Schriften geweten hebt, die u wijs kunnen maken tot zaligheid, door het geloof, hetwelk in Christus Jezus is. Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Tim 3:15-17 St. Vert).

 

Dit is nogal wat. De Schrift kan ons wijs maken. En alle menselijke bedenkselen dienen tot niets. Dat kunnen we beter achter ons laten, schade achten. Want de gehele Schrift is de Waarheid van God. En alleen Gods Woord kan ons onderrichten. Door Gods Woord kunnen wij de wijsheid van de wereld weerleggen, en alleen door Zijn Woord worden we opgevoed in de gerechtigheid. En dan komt het laatste vers:

  • “Opdat de mens Gods volmaakt (grondtekst = “artios”) zij, tot alle goed werk volmaaktelijk (= “exartizo”) toegerust.”

 

In de NBG staat: “Opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust.” Dit betekent, dat de mens Gods volwassen moet worden, en door Gods werk, door Gods Woord in hem volkomen als een volwassene is toegerust. We zien hierin dat dit niet ons eigen werk kán zijn, maar het uitsluitend God is die in ons wil werken. En dat kan alleen wanneer we in die gezindheid gaan staan, welke we ook in Paulus aantreffen.

 

Zo kunnen we, al bezig zijnde met het Woord, gaan jagen naar de prijs der roeping Gods. Niet in eigen kracht, maar in Christus kracht. Je hebt wel degelijk een opdracht om goede werken voor te bereiden, om daarin te gaan staan. Die werken, die zijn voorbereid voor de grondlegging der wereld. En als je zó in het geloof gaat staan, dan komen die goede werken vanzelf. Daar leidt Christus je dan wel in. Het is niet zo van: Wat zal ik eens even voor de Heere doen? Nee, het is wat gaat de Heere door jouw heen doen. Stel je dan maar gewoon open, en als de werken Gods dan openbaar worden, dan zijn die niet hout, hooi of stro, wat er aan de buitenkant heel mooi uit kan zien, hele prachtige houten huizen, en weet ik het allemaal wat er van hout gebouwd kan worden, maar als het door het vuur ontdekt wordt, dan blijft er niets van over. Nee, wat is kostbaar? Dat is dat goud, dat zilver, en dat edelgesteente.

 

Deze dingen lezen we ook in Hebreeën 6. Daar lazen we:

  • “Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding.” (Hebr 6:7-8)

 

Ons hart, wat de grond mag zijn, waar de regen op valt, waar het Woord in valt, en indrinkt, zal groeien in geloof, en zo zullen we door het Woord vruchten voortbrengen. Maar wanneer we onze eigen bedenkselen voortbrengen, zullen er doornen en distels uit voort komen, en die zullen net als het hout, het hooi en het stro verbranden.

 

Maar er staat gelukkig nog wat bij in 1 Kor 3:

  • “Doch hijzelf zal gered worden, maar als door vuur heen.”

 

Het gaat er niet over dat de mens dan opeens niet meer verlost is, zo is het niet, hij is behouden, hij blijft behouden. Christus kan Zichzelf niet verloochenen. Zijn werk aan het kruis blijft staan. Wie gelooft zál leven! Gods genade blijft staan.

 

Deel 6 volgt DV

 

Bert Boersma maart 2012 boersmaklm@hetnet.nl of boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 6)

 

De vorige keer hadden we het over het behouden worden, maar dan door vuur heen, en we zijn toen geëindigd met te zeggen: Het gaat er niet over dat de mens, de gelovige, dan opeens niet meer verlost is, zo is het niet, hij is behouden, hij blijft behouden. Christus kan Zichzelf niet verloochenen! Zijn werk aan het kruis blijft staan. Wie gelooft zál leven! Gods genade blijft staan! Dan gaan we nu verder met de tekst uit de Hebreeën waar we mee bezig waren. We waren bezig met de tekst uit Hebr 6:

  • Laten wij daarom het eerste onderwijs aangaande Christus laten rusten en ons richten op het volkomene, zonder opnieuw het fundament te leggen van bekering van dode werken en van geloof in God, van een leer van dopen en van oplegging der handen, van opstanding der doden en van een eeuwig oordeel; en dat zullen wij doen, indien God het vergunt. Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken. Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding.” (Hebr 6:1-8).

 

Het Fundament (3)

 

Paulus noemt hier in Hebr 6:1-3 een hele serie dingen op, die ze eigenlijk zouden moeten nalaten. Want alleen door die dingen na te laten kunnen ze groeien in het geloof. Ze moeten die oude belemmeringen opruimen, niet meer mee bezig zijn.

Als eerste noemt hij dat “opnieuw het fundament leggen”, waar Paulus het in Hebr 6:1 over heeft, en wat ze moeten nalaten. Paulus zegt dit omdat de Hebreeën klaarblijkelijk daarmee bezig waren, steeds opnieuw het fundament leggen. En dat moesten ze niet meer doen, dat moesten ze laten rusten, dat fundament lag er al in Christus Jezus, onze Heere. Wat bedoeld Paulus hiermee?

Ik zal proberen het met het volgende voorbeeld duidelijk te maken. Wanneer we op school in een bepaalde klas komen, dan leren we bijvoorbeeld rekenen, 1+1=2, 2+2=4. enz, dat is de basis om later te kunnen vermenigvuldigen en delen. Doen we niet ons best, dan blijven we zitten, en moeten we die klas overdoen. Dan moeten we van voren af aan opnieuw dat fundament leggen, om later voort te kunnen.

En dát was nou precies wat die Hebreeën deden. Zij deden niet hun best, en kwamen geen stap verder, en waren steeds bezig opnieuw het fundament te leggen, begonnen steeds weer bij het begin, omdat zij traag waren geworden in het horen. “Want”, zegt Paulus, “hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs.” (Hebr 5:11-12). En dit alles is ook een waarschuwing voor ons. Opdat wij voortvaren naar de volwassenheid, naar de volmaaktheid!

 

Bekering van dode werken (Hebr 6:1)

 

Het woord “bekering” is typisch een woord, wat je altijd tegenkomt in verband van de prediking van het Koninkrijk voor Israël. “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij gekomen.” Johannes de Doper predikte het al, de Heere Jezus, de 70, enz. En ook Petrus op de pinksterdag aan de Joden te Jeruzalem. Hij riep op onder Israël “bekeert u”, heb berouw over uw zonde, enz.

Het is goed om op te merken, dat we het woord “bekering” in de zeven late brieven van Paulus, die hij na de Handelingen heeft geschreven, niet vinden. Daar kom je het woord “bekering” niet in tegen. Daarom mogen we de conclusie trekken, dat “bekering” een woord is, wat voor Israël geldt. De heidenen hoeven zich niet te bekeren, zij moeten tot geloof komen.

 

Als tweede noemt Paulus dat ze die bekering van dode werken moeten nalaten. Als je om je heen kijkt dan zijn de gelovigen toch wel heel vaak allemaal met die eerste uitspraken, met die eerste beginselen bezig, waaruit meestal de werken van mens zelf uit voortvloeien.

En vooral de geestelijke baby's, mensen waarvan Paulus in de Hebreeën zegt dat ze naar de tijd gerekend leraars zouden moeten zijn, die zijn altijd bezig met werken uit henzelf, wat dode werken zijn. Ook zijn ze bezig met bekering van die dode werken, en ook altijd met het eeuwig oordeel wat helemaal aan het eind zou komen.

Eigen werken en het eeuwige oordeel, en daar wordt dan van alles van gemaakt, er wordt vaak veel meer van gemaakt dat dat de Bijbel zegt, helse eeuwige pijniging, enz. Er is wel een oordeel, maar men weet dat oordeel niet in juiste context te plaatsen, en daarom blijft men daar altijd maar mee stoeien, met die werken, en met dat oordeel.

Nee, zegt Paulus, ga nou eens voortvaren, laat dat nou eens los, niet dat het niet waar is, maar het ligt achter je. Laat dat los, en richt je nou op het volkomene.

 

Geloof inGod (Hebr 6:1)

 

Het derde punt wat Paulus noemt, is dat ze het “geloof in God” moeten loslaten. Dat is wel vreemd, als we dit zo lezen. Want dat moet er toch juist wel zijn? Maar wanneer we de grondtekst onderzoeken, dan vinden we iets anders. Er staat eigenlijk in het Grieks: “geloof op God”. Dat is een geloof wat ver van de mensen staat, als je geloof hebt op God, “geloof tot op God”, zo kan je het ook vertalen, “epi” in het Grieks. En dat “geloof op God” moesten ze nalaten, omdat er een beter geloven IN God op moest volgen.

De Bijbel kent in de grondtekst een verschil tussen een aantal soorten geloven. Als je een geloof hebt “op” of “tot op God”, of “op” of “tot op Christus”, dat is maar heel beperkt, dan sta je eigenlijk ver van de Heere Jezus af, dan ken je Hem maar een heel klein beetje. Het is jammer dat we dat in onze bijbelvertalingen niet terug vinden. Maar in de Griekse grondtekst is er wel degelijk een verschil in geloof.

In het Grieks vinden we, als je in je geloof groeit, dan krijg je een geloof “tot in”, “tot in Christus”, “tot in God.” Daar is de grondtekst heel correct in. Dan neemt je geloof toe, dan zie je meer van de Heere, ontdek je meer van Hem, leert Hem beter kennen, je wordt naar Hem toegetrokken. Dat is een geloof “tot in”.

 

Uiteindelijk wordt het zelfs voor een volwassene in het geloof een geloof IN Christus, dan is het niet meer “tot op”, of “tot in”. Dan ga je als het ware niet een klein beetje de deur door, nee, Je mag helemaal doorlopen tot in het Heilige der Heiligen. Je bent dan IN Christus.

Dan sta je in Christus, dan ben je in het Lichaam van Christus. Je groeit in het geloof.

Maar deze mensen die staan dus eigenlijk ver van God af, ze hebben een geloof “op God”, of “tot op God”, dat is wel heel beperkt.

 

Een leer van dopen (Hebr 6:2)

 

Als vierde punt noemt Paulus dat ze moeten nalaten “een leer van dopen”. Nou moeten we niet denken, dat is de waterdoop. Het Griekse woord (baptismon) wat hier gebruikt wordt, komt maar drie keer in de Bijbel voor. Namelijk hier in Hebr 6:2, en dan nog in Hebr 9:10, en nog in Marcus 7:4-8. En steeds waar dat woord wordt gebruikt, wordt er een wassing, worden er wassingen mee bedoeld. Het zijn wassingen om dingen te reinigen. En als we dan die teksten gaan lezen, dan kunnen we lezen dat bij de Joden alles maar ondergedompeld moest worden, en gewassen moest worden. Alles wat ze kochten dat moest weer rein worden gemaakt door wassingen. En de Heere Jezus laat in Marc 7 zien, dat het eigenlijk allemaal menselijke leringen zijn, die de Farizeeën en Schriftgeleerden nog eens aan de bestaande wetten hebben toegevoegd. Alles diende gewassen te worden, anders is het niet rein, en dan kan je het niet gebruiken, dan zou het zelfs jezelf kunnen verontreinigen, enz. Iets wat voor een deel terug te vinden is in de Bijbel, maar de mens heeft er weer van alles bij verzonnen. En deze “leer van dopen, van wassingen”, wat door menselijke bedenkingen waren toegevoegd, moesten de Hebreeërs ook achter zich laten, moesten ze vrij van worden.

 

Oplegging der handen (Hebr 6:2)

 

Als vijfde punt wat de Hebreeën moesten laten rusten was het “opleggen der handen”.

We lezen o.a. in de Handelingen, dat Paulus diverse malen de handen oplegt, en wat geschied er dan? Dan kwam de Heilige Geest over hen, die de handen opgelegd kregen, en dan ontvingen ze gaven, geestes gaven, nou daar stonden ze dan bij. En daar bleven die Hebreeërs ook bij. En ook die “oplegging der handen, het ontvangen van gaven” moesten die Hebreeërs ook achter zich laten.

 

Opstanding der doden (Hebr 6:2)

 

En als zesde punt noemt Paulus de opstanding der doden. Wat is dat “opstanding der doden”? Daar sprak Martha bijvoorbeeld van, in het gesprek met de Heere Jezus, bij Lazarus, dat ze geloofde in een opstanding der doden. Ja, Martha wist wanneer Lzarus zou opstaan, hij zal opstaan op de jongste dag, bij de opstanding der doden. Dat was algemeen bekend. Wanneer ze moeten nalaten om daarover te spreken, en nalaten dát als hun hoop te zien, dan moet daar voor de Hebreeërs iets anders, iets beters voor in de plaats zijn gekomen. En dat was ook zo. Dat was de opstanding uit de doden, dus van tussen de doden uit.

Maar ze hadden nog nooit gehoord van de opstanding van tussen de doden uit. Dat is meer, dat is geen opstanding der doden, maar van tussen de doden uit. Als de Heere Jezus de berg der verheerlijking afkomt, en de discipelen zijn zo bezig geweest met die maanzieke knaap, enz, (Math 17), dan spreekt de Heere Jezus opeens, dan doet Hij een uitspraak, dan heeft Hij het opeens over de opstanding uit de doden. We lezen daarover ook in Marcus 9:

  • En terwijl zij van de berg afdaalden, verbood Hij hun, dat zij iemand zouden vertellen, hetgeen zij gezien hadden, voordat de Zoon des mensen uit de doden zou zijn opgestaan. En zij hielden dit woord vast en trachtten onder elkander te weten te komen, wat het was, uit de doden opstaan.” (Marc 9:9-10).

 

Ja, als zij dan hun weg vervolgen, dan zitten die discipelen elkaar wat aan te kijken, en de één vraagt de ander: “Heb jij daar ooit van gehoord? Opstanding uit de doden? Wat is dat?” Daar hadden ze nog nooit van gehoord.

 

De Heere Jezus spreekt daar opeens over, over de opstanding, over Zijn eigen opstanding uit de doden, tussen de doden uit. De “Opstanding der doden”, daar behoren heel veel gelovigen bij, dat spreekt van een groeps-opstanding. Maar het gaat hier bij de Hebreeën over een opstanding uit de doden, en voor wat betreft de Hebreeën betreft dat ook een groeps-opstanding, maar dan wel tussen de andere doden uit. Het betreft hen, die tot de gemeente van eerstgeboren behoren, en die bij de komst van de Heere Hem tegemoet zullen gaan in de lucht (1 Tess 4). De Heere zal hen als groep doen opstaan van tussen de andere doden uit.

 

Maar waar de Heere zelf over spreekt, op die berg der verheerlijking, dat betreft nog een andere opstanding. Dat betreft de opstanding waar de Heere Jezus als eersteling deel van uitmaakte. Dat was een individuele opstanding, dus een heel persoonlijke opstanding van tussen uit doden uit. Deze opstanding was toen nog helemaal nooit geopenbaard, en die opstanding zou Paulus pas in zijn late brieven mogen bekend maken. En Paulus verlangt er dan ook naar om aan die opstanding deel te hebben, hij zegt:

  • Of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, 11 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” (Fil 3:10-11).

 

Eigenlijk staat hier in de grondtekst “een uitopstanding van tussen de doden uit.” Aan deze opstanding hebben allen deel, die tot het Lichaam Christus behoren. Anders gezegd: Allen die in Christus zijn geplaatst hebben deel aan dezelfde opstanding die Christus ten deel viel!

 

Er is dus sprake van een betere opstanding. En beste broeders en zusters, u zult begrijpen dat de opstanding uit de doden, zoals voor de Hebreeén, een veel betere opstanding is dan de opstanding der doden. En de uitopstanding van tussen de doden uit is nog een betere opstanding dan de opstanding uit de doden.

En dát is nu wat Paulus hier in Hebr 6:2 bedoelt, wanneer hij zegt dat ze die opstanding der doden moeten laten rusten. Niet dat die opstanding der doden niet waar is, o, zeker, daar zullen een heleboel mensen deel aan hebben, maar voor die Hebreeën geldt een betere opstanding, namelijk die uit de doden. Wat moet je dan doen, als je van een betere opstanding hoort? Nou, dan moet je die opstanding waar je eerder van gehoord hebt, dat moet je dan laten rusten, en dan moet je voortvaren naar de volmaaktheid, naar het volkomene, dan moet je je richten op die betere opstanding, want die is veel meer. En dat is wat ze hier moeten doen.

 

Het eeuwig Oordeel (Hebr 6:2)

 

En als zevende punt noemt Paulus het “eeuwig oordeel”. Beter vertaald: “Het oordeel van de eeuw”. Dat is de toekomende eeuw van 1000 jaar, waarin Christus zal regeren. Ook daar moeten de Hebreeën zich niet mee bezig houden. Want wanneer ze daarmee bezig zijn, dan houdt hun dat af van hun voortvaren naar de volmaaktheid. Ze moeten leren zien op Christus, en wat Hij voor hen heeft gedaan, en wat Hij nog meer voor hen wil doen, daar gaat het om, en daar moeten ze zich naar uitstrekken, en daarom moeten ze al die oude dingen achter zich laten. En dan lezen we:

  • “En dat zullen we doen, indien God het vergunt.” (Hebr 6:2).

 

Ja, indien God het vergunt, want dat is hun probleem. Want doet God dat wel? Geeft God hun die kans wel om al die oude dingen achter je te laten? Als jij je roeping verstaat, zegt Paulus, en je hebt het gehoord, en je bent er toch niet aan gehoorzaam, en je gaat er als het ware bij zitten, en je gelooft het wel, zoals die Hebreeën doen, en ze blijven maar bij dat oude, omdat ze zo traag zijn in het horen, dan ben je wel verlost, maar gaat de Heer hen dan toch zomaar alles geven? Dat geldt ook in ons leven. Wanneer wij zo'n houding aannemen van traag in het horen, en we geloven het wel, gaat de Heer dan toch je al die geestelijke zegeningen geven? Gaat de Heere je dan toch geopende ogen des harten geven, om duidelijkheid te krijgen in Zijn Woord? Laat de Heere je dan toch volwassen worden, terwijl je niet wilt eten?

 

Bij ons grote voorbeeld, Israël, ging het niet goed. U kunt dat lezen in Hebr 3, dat ze daar waren in de woestijn, en ze verbitterden, en ze morden, en door ongeloof gingen ze het land Kanaän niet binnen. En wat geschiedde daar toen? Ga maar Num 14 voor uzelf thuis maar eens helemaal lezen, dat hele hoofdstuk. Want dan komen die 12 verspieders terug, in Num 13 zijn ze in dat land geweest, in het land Kanaän, en wanneer die verspieders terug komen, dan hebben tien van de twaalf man er helemaal geen enkel geloof in om het land Kanaän in te kunnen trekken. Een land met allerlei grote reuzen en versterkte steden, nee dat zien ze niet zitten. Alle Israëlieten gaan morren, dat kunt u lezen in hoofdstuk 14:2, en het loopt erop uit dat ze eigenlijk Mozes en Aäron willen stenigen, daar loopt dat gemor van hen op uit. Dat kunnen we lezen in Num 14:10.

  • “Toen verhief de gehele vergadering haar stem en het volk weende in die nacht. Al de Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, waren wij in het land Egypte gestorven, of waren wij in deze woestijn gestorven! Waarom toch brengt ons de HERE naar dit land, opdat wij door het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren? En zij zeiden tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren. Toen wierpen Mozes en Aäron zich op hun aangezicht ten aanschouwen van de gehele gemeente van de vergadering der Israëlieten. En Jozua, de zoon van Nun, en Kaleb, de zoon van Jefunne, die behoorden tot degenen die het land verspied hadden, scheurden hun klederen en zeiden tot de gehele vergadering der Israëlieten: Het land dat wij doorgetrokken zijn om het te verspieden, dat land is buitengewoon goed. Indien de HERE welgevallen aan ons heeft, dan zal Hij ons in dit land brengen en het ons geven, een land, dat vloeit van melk en honig. Alleen, weest dan niet opstandig tegen de HERE, en gij, vreest het volk van het land niet, want zij zijn ons tot spijs, hun schaduw is van hen geweken, en de HERE is met ons; vreest hen niet. Toen zeide de gehele vergadering, dat men hen stenigen zou. Maar de heerlijkheid des HEREN verscheen in de tent der samenkomst aan al de Israëlieten.” (Num 14:1-10).

 

Ja, de Heere grijpt in! Als ze eenmaal zover zijn, dat ze Mozes en Aäron willen stenigen, dan grijpt Hij in, en laat Hij zien, dat kun je lezen in het hele hoofdstuk, dat ze Kanaän niet zullen ingaan, en dat hun lijken zullen vallen in de woestijn, exact zoals Paulus dat in Hebr 3 en 4 ook allemaal aanhaalt, wat er toen geschiedde. Maar wat krijg je daarna? Als ook die 10 verspieders om het leven zijn gekomen door het oordeel van de Heere, dan staat er in Num 14:39

  • “Toen Mozes deze woorden tot al de Israëlieten gesproken had, bedreef het volk zware rouw. 40 En de volgende morgen vroeg wilden zij de bergtop beklimmen, onder de uitroep: Ziet, wij trekken op naar de plaats, van welke de HERE gesproken heeft, want wij hebben gezondigd. 41 Maar Mozes zeide: Waarom staat gij op het punt het bevel des HEREN te overtreden? Dit zal toch niet gelukken. 42 Trekt niet op, want de HERE is niet in uw midden – opdat gij niet de nederlaag lijdt tegen uw vijanden, 43 want de Amalekieten en de Kanaänieten zijn daar tegenover u, en gij zult door het zwaard vallen, daarom dat gij u van de HERE hebt afgekeerd, en de HERE zal niet met u zijn. 44 Toch waagden zij het de bergtop te beklimmen, doch de ark van het verbond des HEREN en Mozes verlieten de legerplaats niet. 45 Toen kwamen de Amalekieten en de Kanaänieten die dat gebergte bewoonden, naar beneden, versloegen hen en dreven hen terug tot Chorma toe.” (Num 14:39-45).

 

“Indien de Heere het vergunt”. Hier vergunde de Heere het de Israëlieten niet. Door ongeloof gingen ze niet in, ze werden traag in het horen, ze verharden hun hart, en wat zei de Heere, toen ze daarna het wel wilden? Toen zei de Heere: Nee. Je kan het niet op een akkoordje gooien met de Heere, dat kunnen we niet doen. En dit is een voorbeeld uit het Oude Testament wat nauw aansluit hier met Hebreeën. Ja, dat ze het wel wilden, later, maar niet meer mochten, niet meer konden. “Indien de Heere het vergunt........”

 

Hetzelfde zie je eigenlijk ook bij Ezau, broeders en zusters.

Was Ezau een gelovige? Ja natuurlijk was die een gelovige. En als je naar Ezau gaat in Hebr, daar lezen we:

  • “Ziet daarbij toe, dat niemand verachtere van de genade Gods, dat er geen bittere wortel opschiete en verwarring stichte, en daardoor zeer velen zouden besmet worden. Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Esau, die voor één spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht. Want gij weet, dat hij later, toen hij (toch) de zegen wilde erven, afgewezen werd, want toen vond hij geen plaats voor berouw, hoewel hij het onder tranen zocht.” (Hebr 12:15-17).

 

Deel 7 volgt DV

 

Bert Boersma april 2012 boersmaklm@hetnet.nl of boersbpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 7)

 

Zeven Stappen

 

Toen ik nog eens over de bijbelstudie van de vorige keer nadacht, over al die dingen, die de Hebreeën moesten nalaten, viel mij iets op v.w.b. een vergelijking tussen de Hebreeën brief en Filippenzen. In Fil 2:5-8 lezen we:

  • Laat die gezindheid bij (= IN) u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.”

 

We vinden in deze tekst zeven stappen van vernedering van de Heere Jezus:

  • Hij heeft Zichzelf ontledigd
  • Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen
  • Hij is aan de mensen gelijk geworden
  • Hij is in Zijn uiterlijk als een mens bevonden
  • Hij heeft Zich vernederd
  • Hij is gehoorzaam geworden
  • Hij is gehoorzaam geworden tot de dood des kruises

 

Om deze redenen, omdat de Heere gehoorzaam is geweest, lazen we, daarom vinden we daarna in Fil 2:9-11 ook zeven treden die omhoog leiden:

  • God heeft Christus de naam boven alle naam geschonken.
  • In de naam van Christus zal alle knie zich buigen,
  • Van hen die in de hemel,
  • Van hen die op de aarde,
  • Van hen die onder de aarde zijn.
  • Alle tong zal belijden.
  • Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!

 

In Fil 4 vinden we aangaande Paulus vergelijkbare dingen. Paulus zegt in Fil 3:4: “Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer.” En dan volgt een opsomming van 7 punten uit zijn oude leven naar het vlees waarin hij zou kunnen roemen, al weet hij dat dat roemen tot niets dient, en dingen die hij achter zich moet laten.

  • besneden ten achtsten dage, (vs 5)
  • uit het volk Israël, (vs 5)
  • van de stam Benjamin, (vs 5)
  • een Hebreeër uit de Hebreeën, (vs 6)
  • naar de wet een Farizeeër, (vs 6)
  • naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, (vs 6)
  • naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. (vs 6)

 

En nu moeten we eens opletten, wat Paulus allemaal ontving toen hij al de oude dingen achter zich liet, en wanneer Paulus ook in die gezindheid gaat staan, dan noemt Paulus in Fil 3:8-11 zeven zaken op die hij in Christus wil najagen. En omdat Paulus al dat oude zich liet, heeft hij die zeven geweldige dingen ook ontvangen:

  • De kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles (het oude) prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen. (vs 8).
  • En in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof van Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. (vs 9)
  • (Dit alles) om Hem te kennen (vs 10)
  • En de kracht zijner opstanding (vs 10)
  • En de gemeenschap aan zijn lijden, (vs 10)
  • Of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, (vs 10)
  • Zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. (11)

 

Hieruit leren we, dat alleen wanneer we bereid zijn om die oude dingen die belemmeringen op te ruimen, zullen we kunnen groeien en wortelen in Christus Jezus, onze Heere.

 

En wanneer we dan de punten opsommen, die we de vorige keer hebben behandeld, en die de Hebreeën moesten nalaten, om te kunnen voortvaren naar de volwassenheid, dan vinden we ook zeven punten:

 

  • Als eerste noemt hij dat “opnieuw het fundament leggen”, waar Paulus het in Hebr 6:1 over heeft, en wat ze moeten nalaten.
  • Als tweede noemt Paulus dat ze die bekering van dode werken moeten nalaten.
  • Het derde punt wat Paulus noemt, is dat ze het geloof in God moeten loslaten.
  • Als vierde punt noemt Paulus dat ze moeten nalaten “een leer van dopen”.
  • Als vijfde punt wat de Hebreeën moesten laten rusten was het “opleggen der handen”.
  • En als zesde punt noemt Paulus de opstanding der doden.
  • En als zevende punt noemt Paulus het “eeuwig oordeel”.

 

Ik geloof niet dat dit allemaal zomaar toevallig is. Het geeft blijk van de grote harmonie in Gods Woord. En het geeft steeds weer aan, dat we oude dingen achter ons moeten laten, en niet een beetje, maar alles! Steeds komen we het getal zeven tegen. Dat spreekt van een volheid. Dat spreekt ervan dat we werkelijk alles moeten achterlaten. Doen we dat niet, dan zijn de oude dingen een belemmering, een blokkade om te groeien in Christus Jezus, onze Heere. Dat geldt voor de Hebreeën, en dat geldt ook precies zo voor ons.

– – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – – –

 

Het Erfdeel van Ezau

 

De vorige keer zijn we geëindigd met Ezau. Ja, mensen kunnen onverschillig worden. Laat niemand onverschillig als Ezau worden. Letterlijk staat er “dat Ezau geen plaats vond voor bekering.” Hij kon gedane zaken niet omkeren. Dat is wat geweest. Hij kon het niet terug draaien. Maar hij had zijn eerstgeboorterecht (om te erven) verkocht voor wat? Voor een bord linzensoep. Maar we moeten goed beseffen, zijn zaligheid staat niet op het spel.

Wat staat op het spel? Zijn erfdeel staat op het spel. Hij heeft zijn erfdeel verkocht. En toen hij later diepe spijt had, ja het later onder tranen zocht, werd hij afgewezen, gediskwalificeerd. Toen wilde hij toch dat erfdeel van Izaäk in ontvangst nemen, maar Izaäk zegt: “Ik heb het niet meer, het is naar een ander.” En dat is altijd het geval, dan gaat het naar een ander.

  • Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest, van de hemelse gave genoten hebben en deel gekregen hebben aan de heilige Geest, en het goede woord Gods en de krachten der toekomende eeuw gesmaakt hebben, en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken.” (Hebr 6:4-6)

 

Daar heb je dat woord “bekering”, ze zijn niet opnieuw tot bekering te brengen. Ze zijn afgewezen v.w.b. de erfenis, en ook al zoeken ze het onder tranen, als de Heere de deur dicht doet, nou dan kan niemand die deur niet meer open doen. Daarom zei Mozes ook tegen het volk Israël, toen ze ná hun ongeloof toch in eigen kracht het land wilden binnen gaan: “Ga daar toch niet naar toe mensen, ga toch niet proberen op eigen houtje dat land te veroveren, dat leidt tot niks, want God is niet met jullie, dit zal tot jullie nederlaag leiden. De Heere is niet met je.” (Num 14:39-45).

 

En dat was met Ezau hetzelfde, daarom dit gedeelte, wat zo moeilijk is, Hebr 6:4-6 wordt heel vaak verkeerd opgevat. Dan gaan we daar een draai van maken. Ja, zeggen we dan: “Dit zijn eigenlijk mensen (in vers 4-6) die de Heere Jezus niet echt hebben leren kennen, die hebben er wel van gehoord, maar zijn er niet echt op in gegaan.”

 

Het Erfdeel van Israël

 

Maar dat is niet waar. Nee, Ezau, die kende de Heere. Het volk Israël in de woestijn is een verlost volk, verlost uit Egypteland, allemaal verlosten! Maar wat ging er mis, wat stond op het spel? Niet hun verlossing, ze waren allang verlost uit Egypte. Wat stond op het spel? Het land Kanaän! Hun erfdeel! En door ongeloof gingen ze niet in hun erfdeel in, omdat ze traag waren geworden in het horen.

  • Hoe zult gij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd.” (Hebr 2:3).

 

Dit gold ook in de Handelingen tijd. Hoe zul je ontkomen, als je geen ernst maakt met zulk een heil? “Want het is onmogelijk, degenen, die eens verlicht zijn geweest......” (Hebr 6:4).

Ze zijn verlicht geweest. Dat woord “verlicht” komen we ook tegen in Hebr 10:32, daar zien we dezelfde groep gelovigen, en ze zijn verlost:

  • Herinnert u de dagen van weleer, toen gij, na verlicht te zijn, zo menigmaal lijden doorworsteld hebt, hetzij zelf een schouwspel van smaad en verdrukking, hetzij deelnemende aan het lot van hen, die in zulk een toestand verkeerden. Want gij hebt met de gevangenen mede geleden en de roof van uw bezit blijmoedig aanvaard, want gij wist, dat gijzelf een beter en blijvend bezit hebt.” (Hebr 10:32-34).

 

Dit zijn geen mensen, deze Hebreeën, die alleen maar een beetje van de Heere hebben gehoord, en er een beetje aan hebben geproefd, en dat ze het verder niet hebben aangenomen, nee, deze mensen hebben daadwerkelijk de Heere aanvaard, ze zijn tot erkentenis der waarheid gekomen, ze hebben mede geleden en mede gestreden omwille van het geloof. Maar tegen deze mensen, tegen deze gelovigen, die behouden zijn, zegt Paulus ook:

  • Want indien wij opzettelijk zondigen, nadat wij tot erkentenis der waarheid gekomen zijn, blijft er geen offer voor de zonden meer over, maar een vreselijk uitzicht op het oordeel en de felheid van een vuur, dat de wederspannigen zal verteren.” (Hebr 10:26-27).

 

Het gaat ook hier over gelovigen, het gaat over die heilige broeders, die de hemelse roeping deelachtig zijn. En toch lezen we over die gelovigen, wanneer die ongehoorzaam zijn, dat Gods verterend vuur dan over hen komt. God zal hun werk toetsen. God zal ook ons werk toetsen. Het fundament, Jezus Christus, hoe wij daar mee om zijn gegaan, en wat daarop is gebouwd. Wat is het, hout, hooi en stoppelen, of goud, zilver en edelgesteente?

 

We zijn tot erkentenis der waarheid gekomen, en als je dan net als Ezau maar onverschillig bent, net als het volk Israël door ongeloof niet intrekt, niet binnengaat in het hemelse land, ja dan blijft er geen offer meer voor de zonde over. En nogmaals, voor alle duidelijkheid, dan ga je niet verloren, maar dan lijdt je schade, verderf, zoals het Woord dat noemt in Fil 3:18-19.

 

Wat zou Christus nog moeten doen, als je zo onverschillig bent, en eigenlijk zo zondigt, zo je doel mist nadat je tot erkentenis der Waarheid bent gekomen? Moet Hij dan opnieuw daarvoor naar het kruis, voor onze onverschilligheid? Nee, de Heere heeft niks meer om te geven. Izaäk had niks meer om aan Ezau te geven, het was gegeven, Ezau was zijn erfenis kwijt.

 

En dát is wat Hebr 6:6 ons zegt. Ze kruisigen als het ware de Heiland opnieuw, dát is wat hier wordt bedoelt:

 

  • ....en daarna afgevallen zijn, weder opnieuw tot bekering te brengen, daar zij wat hen betreft de Zoon van God opnieuw kruisigen en tot een bespotting maken.” (Hebr 6:6).

 

En dát is zonde tegen de heilige Geest. We lazen immers in Hebr 6:4 dat zij deel hadden gekregen aan de heilige Geest, maar zij lieten zich daardoor niet leiden. Zonde tegen de Heilige Geest wordt niet vergeven, niet in deze aioon, die is vanaf de zondvloed tot aan de wederkomst van Christus, en niet in de toekomende aioon van het duizendjarig vrederijk. Zonde tegen de heilige Geest wordt niet vergeven.

 

En dát is zondigen tegen de Heilige Geest, willens en wetens je doel missen, willens en wetens zonde doen. Je weet de dingen uit het Woord, je weet voor zover dat mogelijk is, van de hoed en de rand, je bent tot erkentenis der waarheid gekomen, maar je wordt zo traag, je wordt zo slap, dat je de loopbaan in navolging van Paulus niet meer wilt lopen, de race niet meer wilt lopen, je gaat er bij zitten, en de Heere zegt, pak nou die slappe handen, en kom, en als de Heere het je vergunt, dan mag je weer lopen. Maar let op, het Woord zegt dat je afgewezen kunt worden, gediskwalificeerd staat er in het Grieks.

 

Straks krijgen we weer de olympische spelen, en dan zie je weer die hardlopers, enz. En als er eentje bij is, die zich niet houdt aan de regels, en hij wordt gediskwalificeerd, dan is het onmogelijk om de wedstrijd over te doen in zijn eentje. Die hardloper kan niet zeggen, oh, heb ik het niet goed gedaan? Dan ga ik nogmaals opnieuw vanaf het begin de loopbaan overdoen. Nee, het is over en uit! Dat is er aan de hand.

 

Paulus zegt ons deze dingen ook in 1 Kor 9:24 naast Hebr 12, waar je die renbaan ziet, en die wolk der getuigen, en dat je alle last moet afleggen, dus alle oude dingen achter je moet laten, om de loopbaan te lopen, en dat je de Beginner en de Voleindiger, de Volmaker van het geloof, Christus in het oog houdt, de Leidsman

 

  •  "Weet gij niet, dat zij, die in de renbaan lopen, allen wel lopen, doch dat slechts één de prijs kan ontvangen? Loopt dan zó, dat gij die behaalt! En al wie aan een wedstrijd deelneemt, beheerst zich in alles; zij om een vergankelijke erekrans te verkrijgen, wij om een onvergankelijke. Ik loop dan ook niet maar in den blinde en ik ben geen vuistvechter, die zo maar in de lucht slaat. Neen, ik tuchtig mijn lichaam en houd het in bedwang, om niet, na anderen gepredikt te hebben, wellicht zelf afgewezen te worden.” (1 Kor 9:24-27).
  • Daarom dan, laten ook wij, nu wij zulk een grote wolk van getuigen rondom ons hebben, afleggen alle last en de zonde, die ons zo licht in de weg staat, en met volharding de wedloop lopen, die vóór ons ligt. Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.” (Hebr 12:1-3).

 

Gediskwalificeerd, dat is het woord afwijzen, en in het Grieks is dat hetzelfde woord, afwijzen, [ik hoop over een tijdje in het vervolg van deze bijbelstudie nog een woord-studie te maken over het woord “afwijzen” of “gediskwalificeerd worden”]

 

Ditzelfde “afwijzen” komen we ook tegen in dat voorbeeld van Hebr 6. Dit is eigenlijk een voorbeeld om het allemaal te illustreren uit de tuinderij, je legt een tuintje aan, en je houdt van tuinieren, dan begrijp je dit:

  • "Want de grond (Grieks = veld of akker), die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God.” (Hebr 6:7).

 

Ja, dan krijg je allemaal mooie planten en mooie vruchten, daar kan je van eten, maar:

  • "Doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk (= afgewezen) en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding.” (Hebr 6:8).

 

Ondeugdelijk” is hetzelfde woord als “afgewezen” uit 1 Kor 9, een identiek woord, ondeugdelijk is het hier vertaald. Afgewezen. Ook Ezau werd afgewezen. En wat doe je met dorens en distels, ja daar heb je niks aan, die verzamel je in de tuin, die gooi je op een hoop, en daar gaat het vuur in. Het is niet ver van vervloeking, die uitloopt op verbranding.

 

Dat wil niet zeggen, dat je dan voor eeuwig verloren bent, dat niet, maar wat is weg? Wat gaat in rook op? Nou, hout, hooi en stoppelen. Je bent wel gered, maar als door vuur heen, je bent verlost, je blijft verlost, maar van die roeping, met daaraan vastzittend de erfenis, ja helaas, daar komt dan niets van terecht.

 

Dit leven is een woestijn-leven, broeders en zusters, zo is het echt. We zijn op reis naar ons hemels Kanaän. Het is een test, een testcase van ons leven, of we in het geloof gaan staan, of we werkelijk een Hebreeër zijn.

 

Laten we wel wezen, de dorens en distels die worden hier verbrand. Die akker wordt niet verbrand, nee op die akker worden de dorens en distels verzameld, die worden op een hoop gegooid, en dat wordt verbrand.

 

Soms denken we dan, ach, dit is Hebreeën, Hebreeën is niet voor ons geschreven, is niet aan ons gericht. Ja, dat is waar, maar het is identiek aan datgene wat aan de leden van het Lichaam is geschreven in Paulus' latere brieven, die speciaal voor deze tijd zijn geschreven. Daar lezen we exact over dezelfde dingen op dezelfde manier. Daar lezen we ook over een loopbaan, over een race, net als in Hebr 12, en als in 1 Kor 9. Paulus zegt in Fil 3:

  • Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt (teleio) zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.” (Fil 3:12-14).

 

Je ziet, Paulus is aan een race bezig, en hij weet het nog niet, hij heeft die volmaaktheid nog niet bereikt, maar hij heeft dat doel wel voor ogen, en in de kracht van Zijn Heiland, vergeet hij alles wat achter hem ligt, en dat was ook allemaal niet zo fraai, maar hij laat het achter zich, en gaat voort, want hij ziet het doel, de prijs der roeping Gods, zijn erfenis, die boven is IN Christus Jezus. En Paulus gaat verder, hij roept op:

  • Laten wij dan allen, die volmaakt (= volwassen) zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder! Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus.” (Fil 3:15-18)

 

Daar heb je die mensen, het zijn gelovigen. We kunnen hier twee dingen over zeggen.

 

Ten eerste precies hetzelfde als datgene wat we hiervoor ook al over de Hebreeën hebben gezegd, dat zij Christus opnieuw kruisigen, ook in onze dagen, want als je gaat zitten, dan kruisig je in feite Christus opnieuw, want je gaat als het ware niets doen, en daardoor ga je je doel missen. En het doel missen is zondigen. Willens en wetens niets doen, willens en wetens je doel missen. En die zonde wordt niet vergeven, en daarvoor zou Christus dan opnieuw naar het kruis moeten gaan?

 

Ten tweede zegt Paulus wenende dat zij als vijanden van het kruis van Christus wandelen, en dat betekent ook, dat ze het kruis van Christus niet op zich willen nemen. Ze gaan er voor weg. Ze willen niet lijden om Christus wil. Ze vinden het wel best, en willen mooi buiten schot blijven.

 

En wat staat er achter, wat is het resultaat?

  • Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:19).

 

Ook hier geld niet, dat zij voor eeuwig verloren zijn. Dat moeten we er niet van gaan maken. Maar hun einde is het verderf. Wat is verderf? Ze missen hun loon, ze missen hun erfdeel, ze missen alles waar ze toe geroepen waren, en dat is heel triest.

 

Maar er zijn ook geweldig mooie dingen, zoals we die ook in Hebr kunnen lezen:

  • Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.” (Hebr 10:39).

 

En dezelfde mooie dingen, maar dan van een hogere strekking lezen we ook in Fil 3:

  • Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.” (Fil 3:20-21).

 

Tot slot een prachtige tekst uit Hebreeën:

  • Maar wat u betreft, geliefden, ook al spreken wij zo (vermanend), wij zijn overtuigd van iets beters, waaraan uw heil hangt. Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen hebt en nog bewijst. Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijverblijve betonen tot de verwezenlijking der hoop tot het einde toe, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven.” (Hebr 6:9-12).

 

De belofte beërven, daar gaat het om. Voor de Hebreeën, betreft het de belofte van Abraham beërven, die hemelse stad, want dat betreft de belofte voor de gemeente van eerstgeborenen. En wat nu betreft, in onze tijd, betreft het de belofte beërven van de boven-hemelse positie in Christus Jezus, onze Heere.

 

Deel 8 volgt DV

Bert Boersma April 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 8)

 

Wat staat op het Spel?

 

We gaan weer verder met Hebreeën 6, naar het gedeelte waar we zijn gebleven. We zijn eigenlijk gekomen in het middelpunt van de Hebreeén brief. We hebben de laatste keer gelezen tot en met Hebr 6:8, maar ik wil graag een heel stuk lezen, te beginnen in Hebr 6:7, om daar de draad weer op te gaan pakken:

  • Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God; doch als hij doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding. Maar wat u betreft, geliefden, ook al spreken wij zo, wij zijn overtuigd van iets beters, waaraan uw heil hangt. Want God is niet onrechtvaardig, dat Hij uw werk zou vergeten en de liefde, die gij voor zijn naam getoond hebt door de diensten, welke gij de heiligen bewezen hebt en nog bewijst. Maar het is onze begeerte, dat ieder uwer dezelfde ijver blijve betonen tot de verwezenlijking der hoop tot het einde toe, opdat gij niet traag wordt, maar navolgers moogt zijn van hen, die door geloof en geduld de beloften beërven. Want toen God aan Abraham zijn belofte deed, zwoer Hij, omdat Hij bij niemand hoger kon zweren, bij Zichzelf, zeggende: Voorzeker zal Ik u zegenen en zekerlijk u vermeerderen. En zó, door geduld te oefenen, heeft deze het beloofde verkregen. Want mensen zweren bij wie hoger is, en de eed dient hun tot bekrachtiging, als einde van alle tegenspraak. Daarom heeft God, toen Hij des te nadrukkelijker aan de erfgenamen der belofte het onveranderlijke van zijn raad wilde doen blijken, Zich onder ede verbonden, opdat door twee onveranderlijke dingen, waarbij het onmogelijk is, dat God liegen zou, wij, die (tot Hem de) toevlucht genomen hebben, een krachtige aansporing zouden hebben om de hoop te grijpen, die voor ons ligt. Haar hebben wij als een anker der ziel, dat veilig en vast is, en dat reikt tot binnen het voorhangsel, waarheen Jezus voor ons als voorloper is binnengegaan naar de ordening van Melchisedek hogepriester geworden in eeuwigheid.” (Hebr 6:7-20).

 

Wanneer we dit gedeelte zo lezen, dan is het altijd goed om te beseffen wat we nu lezen, en waar zitten wij nou precies met dit gedeelte in de Hebreeën brief? De Hebreeën brief is een brief, dat hebben we al eerder benadrukt, aan de Hebreeén, aan de Joden, en het is een brief wat eigenlijk één grote vermaning is, want wanneer we naar Hebr 13:22 gaan, waar Paulus terug kijkt in zijn nawoord, dat gebeurt wel meer, als er dan een brief geschreven is, dan volgt er aan het eind nog een nawoord, dat doet Paulus hier ook. In Hebr 13:22 kijkt hij terug, en daar zegt hij:

  • Ik vermaan u, broeders, houdt mij dit woord van vermaning ten goede, want ik schrijf u maar kort.”

 

Paulus vond het maar een kort briefje, en dat is het eigenlijk ook best wel, maar 13 hoofdstukken. Maar het is woord van vermaning, ik schrijf u maar kort. Waar wilde nou de apostel de Hebreeën toe aansporen? Nou steeds maar weer wil hij hen aansporen, dat ze niet traag worden, dat ze niet bij de eerste beginselen, het eerste onderwijs aangaande de Heere Jezus Christus blijven staan. Dat ze niet als het ware in de lagere school blijven, de geestelijke lagere school, maar dat ze als het ware naar het voortgezet onderwijs gaan, naar het universitair onderwijs, en dat men volwassen wordt in het geloof, want er staat veel op het spel.

 

Wat staat niet op het spel? Niet meer op het spel staat hun verlossing, want ze zijn verlost. Maar wel hun loon, hun erfdeel staat op het spel. En heel de Hebreeën brief gaat er niet over, dat we kunnen afvallen van het geloof, in die zin dat we onze verlossing zouden kunnen kwijtraken, begrijp dat goed broeders en zusters, houdt dat vast, en leg dat vast in uw hart. Nee, waar het in de Hebreeën brief om gaat is, dat dat we ons erfdeel kunnen verspelen, door bijvoorbeeld zo onverschillig te worden, zoals bijvoorbeeld als een Ezau, en zoals het volk Israël. Dat zijn eigenlijk de twee grote voorbeelden, die gebruikt worden in Hebreeën, als een waarschuwing, als een vermaning. Hebr 12:16:

  • Laat niemand een hoereerder zijn, of onverschillig als Esau, die voor één spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht. Want gij weet, dat hij later, toen hij (toch) de zegen wilde erven, afgewezen werd, want toen vond hij geen plaats voor berouw, hoewel hij het onder tranen zocht.” (Hebr 12:16-17).

 

En ik weet het, ik val in deze bijbelstudie wel eens in herhaling, maar omdat het zó belangrijk is, doe ik dat. Ezau werd heel onverschillig, en toen Jacob hem als het ware uitnodigde om voor een bord linzensoep zijn eerstgeboorterecht te ruilen, toen ging hij daarop in. Omdat hij eigenlijk het eerstgeboorterecht minachtte. En door die onverschilligheid verspeelde hij zijn erfdeel. En toen hij later toch de zegen wilde erven, werd hij afgewezen.

 

Dat is het gevaar, als je onverschillig wordt in het geloofsleven, en je niet voortvaart tot het einde. En dat einde is pas aan het einde van ons leven. Maar als je geen geduld hebt, je oefent geen geduld, en je bent niet volhardend in je wandel in de Heere, en je verslapt, en door matheid van ziel geloof je het wel, en je gooit eigenlijk het geestelijke bijltje erbij neer, dan wordt je eigenlijk net zo onverschillig als Ezau. En het gevolg daarvan is, dan wordt je afgewezen. Dan wordt je gediskwalificeerd, en dan gaat het erfdeel je voorbij. En als je dan later toch wil beërven, toch de zegen wil beërven, nee, dan is die vergeven aan een ander, en het gaat je neus voorbij. En ook al zoek je dat onder tranen, je ontvangt het niet.

 

Het tweede grote voorbeeld hier in Hebreeën is niet alleen Ezau, maar het andere is het volk Israël, ook zij waren verlosten, verlost uit Egypteland, gebracht door de Heere in de woestijn, daar ook een verbond met de Heere aangegaan, en de Heere wil ze als het ware Kanaän laten beërven. Ze komen bij de grens van Kanaän, ze laten het verspieden door 12 verspieders, wat totaal niet hoefde, want wanneer we goed de Bijbel lezen, en zien op al de beloften, die de Heere reeds aan Israël had gegeven, dan zien we eigenlijk dat God hen reeds het land gegeven had. Dan mag je in het geloof gewoon ingaan (in het beloofde land).

 

Maar dat ze wel twaalf verspieders stuurden, dat was al een teken aan de wand, dat er ongeloof was, en uiteindelijk als die 12 terug komen, dan zijn er 10 die zeggen, ja dat is helemaal niks, dat land zit vol met Enakieten, en dat wordt allemaal strijd, en ze hebben grote versterkte steden, dat gaan we verliezen. En zo verspeelden zij in feite hun erfdeel. Want de Heere zwoer toen in Zijn toorn, dat zij nooit tot Zijn rust zouden ingaan. En hun lijken vielen in de woestijn.

 

 

De strijd

Datzelfde geldt ook voor ons broeders en zusters, wij kunnen ook, als wij in ons leven eerst de Heere Jezus hebben leren kennen, verlost zijn geworden, een kind van God zijn geworden, wedergeboren zijn geworden, en je leert opeens de verborgenheid verstaan, dan wordt het van belang dat je vol houdt. Wat krijg je dan in je leven, als je de Heere als een volwassene in het geloof gaat volgen? Ja dan krijg je pas de ervaring van Efeze 6. De strijd. Niet de strijd met je zonde, nee, een geestelijke strijd tegen overheden, tegen machten in de hemelse gewesten. Een strijd op de uitleg van het Woord van God. Daar wordt je dan opeens op aangevallen.

 

Dat is de geestelijke strijd van Efeze 6. Ook dan kan je net als die 10 verspieders eens gaan rondneuzen in het hemelse land, als het ware die hemelse gewesten verspieden, en zeggen, ja maar, die strijd is mij te zwaar, en daar ben ik niet bekwaam genoeg voor, om me te verdedigen ten opzichte van anderen. En dan kan het zo zijn, dat mensen, gelovigen, net zoals Israël, door ongeloof niet ingaan in het voor hen klaarliggende erfdeel.

 

Daarom spelen ze wel met vuur, want als de Heere je dingen laat zien, en bent gekomen, door Gods hand in je leven aan de grens van Kanaän, en je gaat er niet binnen, je neemt niet die geestelijke zegeningen tot je, die in Christus je in feite je gegeven worden, dan neem je niet die hemelse zegeningen van Kanaän tot je. Met het gevolg dat de Heere ook kan zeggen: “Je komt er niet meer in.”

 

We hebben daar immers de vorige keer nog iets overgelezen uit Num 14, dat er een groep was onder Israël, die de volgende dag berouw had, net als Ezau, die het ook onder tranen zochten, en in eigen kracht probeerde Kanaän binnen te gaan. Mozes zei: “Dat moet je niet doen, dat leidt tot niks.” En het leidde ook tot niks. Nee, hun lichamen vielen uiteindelijk in de woestijn. En dat (Israël) is het tweede grote voorbeeld. Waar Paulus dat in Hebr 3 en 4 heel uitgebreid laat zien. Hij komt hier nog op terug in Hebr 12:

  • Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij, (St. Vert.: veel meer wij!) als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt)” (Hebr 12:25).

 

Wie zijn niet ontkomen? Nou, de Israëlieten, daar in de woestijn, daar aan de grens van Kanaän, die daar niet binnen gingen. Zij zijn niet ontkomen aan de Heere, hun lichamen vielen in de woestijn. En ja, de Heere spreekt nu uit de hemelen, en dat is voor Israël o.a. in de Hebreeën brief, en Hij spreekt aan ons in de late brieven van Paulus!

 

Zo begint ook de Hebreeën, want als je naar Hebreeén 1 gaat, en je leest het eerste vers, dan staat er:

  • Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, 2 heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft.” (Hebr 1:1-2).

 

Paulus maakt nu in de Hebreeën brief bekend, wat God in de Zoon wil zeggen, hoe Hij het Woord tot Israël richt in die tijd, maar ook tot ons richt met die boodschap. Het gaat er dus letterlijk om, dat, áls ze niet zullen voortvaren tot de volmaaktheid, dat ze dan niet aan de toorn van God zullen ontkomen. Het gaat hier steeds over erven. Bijvoorbeeld nog even Hebr 1:4, het gaat over Christus, en Christus heeft een boodschap te brengen.

  • Christus is zóveel machtiger geworden (zoveel beter geworden) dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft.”

 

Christus heeft een erfdeel ontvangen. Dat is het thema steeds, een erfdeel, en het ontvangen van een erfdeel. Christus heeft Zijn erfdeel ontvangen. Hebr 1:6:

  • En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt, spreekt Hij:”

 

Eerstgeboorten erven

Wanneer heeft God de Vader de Heere Jezus Christus wederom als de eerstgeborenen in de wereld gebracht? Wederom, dat betekent dat er ook een eerste keer was. En wanneer was de eerste keer? Dat was in Bethlehem. En wanneer werd wederom de eerstgeborene in de wereld gebracht? Bij Zijn opstanding. En let op, Hij is de eerstgeborene. Waarom wordt Christus de eerstgeborene genoemd? Omdat een eerstgeborene erft in Gods Woord, net zoals Ezau. Ezau was ook een eerstgeborene, en Christus is ook de eerstgeborene, Hij erft, het gaat om een erfdeel. En zo eindigt ook Hebr 1 in vers 14:

  • Zijn zij niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?”

 

Daar staat het weer. Beërven, het gaat over een erfdeel, over eerstgeborenen, een gemeente van eerstgeborenen door alle eeuwen heen, die zullen erven! En dan gaat Paulus verder in Hebr 2:

  • Daarom moeten wij te meer aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben [van de Zoon], opdat wij niet afdrijven. Want indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, hoe zullen wij dan ontkomen. indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de heilige Geest toe te delen naar zijn wil.” (Hebr 2:1-4)

 

En hier krijg je hetzelfde dat we niet zullen ontkomen als we er niet naar luisteren, naar het Woord wat de Heere spreekt. Hier in Hebr 2 lezen we hetzelfde als in Hebr 12: “Hoe zullen wij dan ontkomen?” Die twee teksten die horen bij elkaar, Hebr 2:3 en Hebr 12:25:

  • Ziet dan toe, dat gij Hem, die spreekt, niet afwijst. Want als genen niet ontkomen zijn, toen zij Hem afwezen, die zijn godsspraak op aarde deed horen, hoeveel te minder wij (St. Vert.: veel meer wij!), als wij ons afwenden van Hem, die uit de hemelen (spreekt).” (Hebr 12:25).

 

Hoe denkt u nou te ontkomen? Zegt Paulus in die brief. Als je net zo onverschillig wordt, als je net zo ongelovige wordt als een Ezau, of als Israël, dan ontkom je niet eraan. Onze God is een verterend vuur.

 

En houdt dan vast, het gaat hier niet over de verlossing, die raak je niet kwijt. Je zal gered worden als door vuur heen (1 Kor 3), maar er moet gelet worden op dat fundament, hoe daarop wordt gebouwd. Is dat goud, zilver en edelgesteente, of hout hooi en stoppelen, want ieders werk zal door de Heere beoordeeld worden. Het wordt door de Heere getest. En daar gaat het hier om. En verbrand het, ja dat betekent eigenlijk dat je geen loon overhoudt, dat je niet erft, dat het vergaat.

 

En dát is steeds het thema hier, waar Paulus in de hele Hebreeën brief maar op hamert en hamert. Dat is eigenlijk boodschap van Hebreeën.

 

En dan gaan we terug naar waar we gebleven zijn, in Hebr 6:7, waar Paulus dan zegt in Hebr 6:1:

  • Laten wij daarom het eerste onderwijs [de eerste beginselen] aangaande Christus laten rusten.”

 

Paulus zegt niet dat je dat eerste onderwijs moet opgeven, nee je moet doorgroeien, de lagere school, die je hebt gehad, die is van onschatbare waarde, daar is het fundament gelegd, daar is de basis gelegd, waarop je later kan voortstuderen in het voortgezet onderwijs, enz. Je moet de lagere school niet (minachten), die is van onschatbare waarde. Maar die moet je achter je laten. Je moet wel voortvaren, je moet je wel richten op het volkomene, je moet je wel richten op het einde, op het doel. Voortvaren naar de volmaaktheid, zoals de St. Vert. zegt.

 

En hoe doe je dat? Ja, door in feite geestelijk niet een baby te blijven, door je niet te blijven voeden met melk, maar het vaste voedsel tot je te nemen, zodat je groeit in het Woord van God, zodat je groeit geestelijk, daar gaat het om. En dan ook die vergelijking in vers 7, Hebr 6:7 over die akker, over dat veld:

  • Want de grond, die de regen, welke er telkens op valt, indrinkt en gewas voortbrengt, geschikt voor hen, ter wille van wie hij ook bewerkt wordt, ontvangt zegen van God.”

 

Ja, de grond, in het Grieks staat daar het woordje “gé”, het veld, het land, de akker. En dat is een heel duidelijk voorbeeld voor ons allemaal, want het is een dagelijks voorbeeld, gewoon een akker, waar gewas staat, en het regent, en als je dat dan bewerkt, goed bewerkt, dan brengt dat land ook zijn vrucht voort. En als je goed werkt, en als de boer zijn werk goed doet, dan zal hij aan het eind kunnen oogsten, en dat is die zegen van God.

  • Doch als hij [die akker] doornen en distelen draagt, is hij ondeugdelijk (adokimos) en niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding.”

 

Ondeugdelijk (adokimos), wat we al tegen kwamen bij Ezau, en wat ook zo vaak wordt vertaald met “afgewezen”, dan is hij ondeugdelijk. Ja, wat staat hier tegenover elkaar?

 

Of die akker brengt voort goede vruchten, en dat is zegen van God, óf die akker die draagt doornen en distelen, en dat is geen zegen van God, maar dan is hij ondeugdelijk. Of je ontvangt zegen van God op grond van de werken (Zijn werken) die je voortbrengt, of je wordt afgewezen op grond van de werken (jouw eigen werken) die je voortbrengt.

 

En dat is eigenlijk het thema van Hebreeén. Breng dan werken voort, vruchten voort, waarop je de zegen van God ontvangt. Breng geen doornen en distelen voort, brengt geen hout, hooi en stoppelen voort, want als het vuur van Gods proef, van Gods test daarmee in aanraking komt, blijft daar niets van over. Dan wordt het ondeugdelijk, dan wordt het afgewezen.

 

Paulus had een mede-diensknecht, Demas. Wat deed Demas? Demas liep vele jaren met Paulus mee, maar wat deed Demas op een gegeven ogenblik? Hij kreeg de wereld lief, en hij verliet Paulus. Hij hing zijn toga, zal ik maar zeggen, aan de wilgen. Uiteindelijk was de weg voor hem te zwaar. En hij week uit de dienst met Paulus. Dat kan altijd. Het kan ons in het begin heel avontuurlijk lijken, enz. En we kunnen naar een bijbelschool gaan, of we kunnen bijbelstudie-cursussen, of bijbelstudie-avonden bezoeken, en bezig zijn met het Woord van de Heere, enz, enz. Maar het komt erop aan dat we volhouden.

 

En dat laat Paulus zelf ook heel duidelijk zien, wanneer hij het over hemzelf heeft. Lezen we ergens in het Woord dat Paulus tijdens zijn leven al wist dat hij gezegend was met alle geestelijke zegeningen? (Ef 1:3) Nee, broeders en zusters, Paulus jaagde ernaar, hij zegt:

  • Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt (= volwassen in het geloof) zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.” (Fil 3:12-14).

 

Paulus strekt zich er naar uit, om toch vooral de prijs, de erfenis die voor hem is weggelegd in de hemel in Christus, niet te missen. Ook in de late brieven, die Paulus heeft geschreven, wordt ons aangaande, steeds over een erfenis, die er te behalen valt gesproken:

  • “In Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis.” (Ef 1:13-14).
  • “Opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen.” (Ef 1:17-18).
  • “Gij weet toch, dat gij van de Here tot vergelding de erfenis zult ontvangen. Gij dient Christus als heer.” (Kol 3:24).

 

Pas op het einde van zijn leven, na voortdurend volgehouden te hebben, is hij zeker van zijn zaak, is Paulus er zeker van dat de erfenis voor hem klaar ligt, en dan durft hij te zeggen:

  • “Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden.” (2 Tim 4:7).

 

Laten we maar Paulus als voorbeeld voor ogen houden. Hij zegt niet voor niets: “Volgt mij na.” En hij heeft het recht om dat te zeggen, omdat hij Christus navolgt! (Fil 3)

 

Deel 9 volgt DV

Bert Boersma mei 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 9)

Als we ouder en ouder worden, en wanneer we al een lange tijd op de weg met de Heere zijn, of eigenlijk moet ik zeggen: Wanneer de Heere ons al een lange tijd heeft kunnen vormen, kunnen kneden, waar Hij ons hebben wil, een ieder op zijn of haar plaats, en wanneer we in de juiste gezindheid hebben mogen voortvaren naar de volwassenheid, dan komen er ook beproevingen op onze weg. Dat mist niet. Want bij het volwassen worden horen beproevingen, hoort “het kruis van Christus op je nemen”, en hoort het lijden om Christus wil.

 

De Heere gaat ons dan beproeven, om te kijken wat er in ons hart is, in de praktijk van het leven, en we krijgen te maken met die geestelijke strijd. Maar we hebben daarvoor een geweldige wapenrusting ontvangen om te kunnen standhouden. (Efeze 6).

 

We krijgen dan te maken, zoals bijvoorbeeld in het geval van Paulus, dat allen die in de provincie Azië zijn, in Efeze, in Kolossenzen, in al die steden, waar hij gewerkt had, dat allen hem hebben verlaten. Je krijgt geestelijke weerstand. En dan kan er iemand zijn als Demas, die zegt: Nou 't is wel goed Paulus, maar dit leidt tot niks, je houdt geen mens over man. Stop hier maar mee, en ik kap er mee. Ik vertrek naar Thessalonica, daar heeft de wereld mij nog wat te bieden. Dan heb ik nog een leuke oude dag.” Zo dacht Demas.

 

Ja, als je dat doet, en je volhardt daarin, dan wordt je uiteindelijk afgewezen, dan doe je hetzelfde als een Ezau, dan doe je hetzelfde eigenlijk als een Israël, die door ongeloof niet inging, niet volhield. Die op de loopbaan, op de renbaan moe wordt, en door matheid van ziel verslapt, en die als het ware slappe handen krijgt, en slappe knieën, en geen moed meer heeft.

 

En dat kennen we allemaal. Allemaal zijn we wel eens in de omstandigheden gekomen, dat we geen moed meer hebben, dat we het niet meer zien zitten in die geestelijke dingen. Dat we er moe van worden. En dan hebben we echt nodig, een Hebreeën brief, een Paulus, die ons als het ware door zijn brieven aanspoort: “Wordt nou niet door matheid van ziel verslapt. Sta op, verachter nou niet van genade, want je hebt zo'n ruime vergelding te wachten. Er staat zoveel op het spel! Kom op! En dat is eigenlijk de boodschap.

 

Niet in eigen Kracht

In dit alles moeten we niet proberen in eigen kracht te volharden op de renbaan van het geloof. Want dan zal het ons bij de handen afbreken. We moeten zien op Christus. Hij zal het doen. Ook hierin hebben we een geweldig voorbeeld in wat er met Israël gebeurde toen zij het land binnen mochten trekken.

 

Daarvoor moeten we naar de geschiedenis van Israël, toen het volk na een omzwerving van 40 jaar voor het land Kanaän stond, en eigenlijk klaar was om daar onder leiding van Jozua binnen te trekken.

 

En eigenlijk zouden we eerst verschillende hoofdstukken van Numeri moeten lezen, te beginnen in Numeri 22. We lezen daar dat de Israëlieten zich legerden in de velden van Moab. In die tijd was Balak koning van Moab (Num 22:4), en Balak met heel zijn volk was doodsbenauwd voor het volk Israël (Num 22:3). En die Balak zinde op een list om het volk Israël kwaad te doen. Er tegen vechten durfde hij niet, dan maar iets anders verzinnen. Zo kwam hij op het idee om Bileam, een soort profeet, tegen Israël een vervloeking te laten uitspreken (Num 22:6).

 

En na verschillende aansporingen van de boodschappers van koning Balak, ging Bileam uiteindelijk op weg. Onderweg ging de ezel nog spreken, nadat Bileam de “onwillige” ezel tot drie keer toe had geslagen, maar het eindresultaat was, dat Bileam uiteindelijk het volk Israël zegende, inplaats van vervloekte, wat natuurlijk niet naar de wens van koning Balak was. En nadat Balak Bileam maar naar huis had gestuurd, omdat hij Bileam niet naar zijn hand kon zetten, gaf hij het nog niet op. Hij verzon een ander plan om van dat volk af te komen.

 

De afgoderij van Israël

En uit wat er verder volgt, blijkt dat de overste van deze wereld ook toen al een grote vinger in de pap had. Want nergens lezen we dat Balak inzicht had in de wetten, die God aan het volk Israël had gegeven, maar er was één, de mensenmoorder van den beginne, die daar wel inzicht in had. Hij wilde ten koste van alles proberen te verhinderen dat Israël het beloofde land zou binnen trekken. En satan bewerkt de gedachten van Balak. Want wat bedenkt Balak? Dat lezen we in Num 25:

  • Terwijl Israël in Sittim verbleef, begon het volk ontucht te plegen met de dochters van Moab. Dezen nodigden het volk tot de slachtoffers van haar goden en het volk at daarvan en boog zich neer voor haar goden.” (Num 25:1-2)

 

 Het volk ging afgoderij bedrijven, en het gevolg van deze dingen is:

  • Toen Israël zich aan Baäl-Peor gekoppeld had, ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël en de HERE zeide tot Mozes: Neem al de oversten van het volk en hang hen in het openbaar op voor de HERE, opdat de brandende toorn des HEREN zich van Israël afwende. Toen zeide Mozes tot de richters van Israël: Ieder dode diegenen onder zijn mannen, die zich aan Baäl-Peor gekoppeld hebben. En zie, een der Israëlieten kwam een Midjanitische bij zijn broeders brengen ten aanschouwen van Mozes en van de gehele vergadering der Israëlieten, terwijl dezen weenden aan de ingang van de tent der samenkomst. Toen Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, dat zag, stond hij midden uit de vergadering op en nam een speer in zijn hand; toen hij de Israëlitische man tot in het vertrek achterhaald had, doorstak hij hen beiden, zowel de Israëlitische man, als de vrouw, in het onderlijf. Toen hield de plaag over de Israëlieten op. Het getal van hen die aan de plaag gestorven waren, bedroeg vierentwintigduizend. De HERE nu zeide tot Mozes: Pinechas, de zoon van Eleazar, de zoon van de priester Aäron, heeft mijn toorn van de Israëlieten afgewend, doordat hij met een ijver voor Mij in hun midden heeft geijverd, zodat Ik de Israëlieten in mijn ijver niet heb verdelgd. Zeg daarom: Zie, Ik geef hem mijn verbond des vredes, opdat het voor hem en zijn nakomelingen tot een verbond van een altoosdurend priesterschap zij, omdat hij voor zijn God geijverd en over de Israëlieten verzoening gedaan heeft.” (Num 25:3-13).

 

Daarna sprak de Heere tot Mozes:

  • Behandelt de Midjanieten als vijanden en doodt hen, want zij hebben u vijandig behandeld met de listen die zij tegen u bedacht hebben ten aanzien van Peor en ten aanzien van Kozbi, de dochter van de Midjanitische vorst, hun zuster, die gedood is ten dage van de plaag ter oorzake van Peor.” (Num 25:17-18).

 

Wat deden de Israëlieten hier? Zij gingen een ongelijk juk aan. Zij gingen een juk aan met ongelovige vrouwen, en dat ging zelfs zo ver, dat zij de afgoden van die vrouwen gingen eren. Toen was dat een zonde tot de dood.

 

Dit voorbeeld laat zien waartoe een ongelijk juk leidt. Het laat eigenlijk ook zien, dat een ongelijk juk de Heere een gruwel is, en het laat tevens zien dat een ongelijk juk geen vrucht voortbrengt. Een ongelijk juk laat zien dat de begeerte van het vlees zeker een dood geestelijk leven voortbrengt.

 

Dat was de situatie van Gods volk, toen zij daar in Sittim gelegerd waren. In Sittim ging het niet goed met Israël. Ook de naam Sittim, die wijst op de zwakheid van het vlees, en die zwakheid van het vlees werd daar openbaar.

 

We zijn maar mensen, en ook wij hebben te maken met die geestelijke strijd. En dat zie je in onze dagen net zo, als je ouder bent, en je hebt een gelovige jongen, of een gelovige dochter, ja, die kunnen een ongelijk juk aangaan, en dan kan het opeens heel anders in hun leven gaan. En meestal gaan ze de weg des geloofs dan niet vervolgen. Want diegene waar ze mee huwen, als die de Heere niet kent, dan kan die onmogelijk de weg des Heeren gaan. Die gaat een aardse weg, die gaat een wereldse weg. En voor je het weet gaat de gelovige “helft” helemaal met de ongelovige “helft” mee. Dat is de praktijk. En zo zijn er altijd dat soort verleidingen in ons leven. Er kunnen soms wel eens heel aardige mensen zijn, die midden in de wereld staan, en als dat jouw vrienden worden, jouw persoonlijke vrienden worden, ja, dan kan het gebeuren, dat voor je 't weet, je helemaal met hen mee gaat doen, want zij verwachten, dat je in hun denken, en in hun doen en laten ook helemaal met hen mee gaat. En zo is er altijd een soort trek in deze wereld om je te begeven en je verdiepen en je bezig te houden met dingen, waar de wereld zich mee bezig houdt.

 

En in de wereld is het carriëre maken, in de wereld is het rijkdom vergaren, en voor je het weet, heb je ook de zorgen van de rijkdom. Daar krijg je mee te maken, enz.

 

En van het één komt het ander, het is een gevaar, het is een geestelijke strijd. Net zoals Balak met list omging, zoals we kunnen lezen in Num 25.

 

Ja, ze hebben listen bedacht tegen Israël. En ook wij hebben te maken met een geestelijke tegenstander, die listen tegen ons bedenkt, die de zwakheid van ons vlees kent, die ons ten val probeert te brengen. Die ons eigenlijk net als Israël in die woestijn wil houden, die niet wil dat het volk het beloofde land Kanaän binnentrekt, en daar gaat genieten van de zegeningen, die God daar voor hen heeft bereid. En die “diabolis” zal net zo proberen ook ons in die “woestijn” te houden, zodat we niet binnen trekken in ons hemels Kanaän, waar ook wij zullen mogen genieten van al de geestelijke zegeningen. Gods tegenstander zal altijd proberen te verhinderen, dat wij de plaats innemen, waar de Heere ons hebben wil. Dat we blijven bij Sittim, bij de zwakheid van het vlees, en dat we niet geestelijk sterk worden. Maar we moeten als het ware geestelijk verrijzen, zodat we opeens ons verplaatsen van Sittim naar de Jordaan.

 

En dat deed Israël uiteindelijk wel. Ze verplaatsten zich naar de Jordaan, Ze vertrekken van Sittim, en ze kwamen tot aan de Jordaan, waar ze overnachtten, voordat ze overtrokken. En dan krijg je gelijk een nieuw probleem, als deze nieuwe generatie van het volk daar aan de Jordaan vertoeft. Want stel dat u en ik daarbij waren geweest, en we 's morgens uit ons tentje kwamen, en we keken naar buiten, naar de oever van de Jordaan, dan moeten we wel gedacht hebben: “Wij hebben een probleem. Hoe moeten we in vredesnaam met zijn allen, hoe moet ik met mijn gezinnetje aan de overkant komen?”

 

Nu moet u weten, de Jordaan is normaal gesproken een heel klein riviertje, maar precies in deze tijd was het geen klein riviertje, want er staat in Jozua 3 wat er met die Jordaan aan de hand is:

  • Het geschiedde nu, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te trekken, – de priesters die de ark van het verbond droegen, bevonden zich aan de spits van het volk – dat, zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren – de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd.” (Jozua 3:14-15).

 

Dát is er aan de hand. De Jordaan was geheel buiten zijn oevers getreden. Je kon er onmogelijk over heen, zo woest was dat water. U kunt zich dat misschien wel voorstellen. We zien dat ook wel eens op het Journaal, als je dan naar een vakantieplaatsje kijkt, bijvoorbeeld in Oostenrijk, of in België, dan denk je, hé, dat riviertje heb ik wel eens gezien, en ik heb erbij gestaan, dat was toen een heel rustig kabbelend beekje, en dan zie je opeens, wanneer na een zware regenval het in het Journaal komt, dat die rivier opeens geen klein beekje meer is, maar dat is een kolkende rivier geworden, en sleurt alles met zich mee, gaat dwars door een dorp heen. En je denkt, hoe is het mogelijk, wat is hier aan de hand? Zo kan het veranderen.

 

En zo is het hier bij de Jordaan ook veranderd. Dat is niet de Jordaan, zoals hij normaal was, maar dit was een enorme grote rivier buiten zijn oevers getreden. Er staat in het Woord:

  • De Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd, .” (Joz 3:15).

 

Ze hebben een probleem. Hoe kan het volk zo'n ver buiten zijn oevers getreden rivier overtrekken? Hoe moeten al die kinderen, al die mensen, oud en jong ooit zo'n kolkende rivier oversteken? Want er waren ruim 600.000 strijdbare mannen van 20 jaar en ouder, maar er waren ook vrouwen en kinderen en oude mensen.

 

Waar is de Jordaan een beeld van in de Bijbel? Bij de Jordaan spreken we ook wel van de “doods-Jordaan”. Het is een beeld van de dood.

 

En ook wij, als wij in geestelijke zin bij de Jordaan komen, en we doen ons tentje open, en we kijken naar buiten, en we zien daar de doods-Jordaan, dan hebben we een probleem. Hoe komen we daar ooit over? In geestelijke zin hebben we ook wel een probleem. Want we lezen dan wel in de Bijbel, en ook horen we wel in de prediking over dat hemelse Kanaän, over die hemelse gewesten, maar hoe kan ik daar nou komen? De Heere Jezus is daar opgenomen, ten hemel gevaren in de lucht, en Hij is in die hemelse gewesten, daar is Hij gezien door Stefanus, daar heeft Hij zich gezet aan de rechterhand des Vaders in die hemelse gewesten. En ik hoor ook wel in de prediking dat ik gezegend ben met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, maar hoe kom ik daar dan?

 

Drie dagen

Ik heb een enorme rivier voor me, een enorme doods-rivier. Nou het is niet voor niks, als je dan met dat probleem wordt geconfronteerd, dat de Heere zegt, nou, ga daar maar eens goed over nadenken, hoe jij denkt dat jij daar overheen komt. En het werd een geweldige erva-ring. Het was niet zo, dat de volgende morgen, toen zij hun kamp hadden opgeslagen aan de oever van de Jordaan, dat ze nog diezelfde dag nog de Jordaan doorgingen. Nee, hoelang moest Israël nog wachten? Dat lezen we in Joz 3:2:

  • Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door en zij gaven het volk dit bevel: Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken.” (Joz 3:2-3).

 

Dus hoelang mochten ze nadenken over dit probleem? Drie dagen! Dat is wel belangrijk hoor, dat je drie dagen moet nadenken over dat probleem. Als het in de Bijbel over drie dagen gaat, waar denken we dan altijd aan? Dan denken we aan de Heere Jezus, die drie dagen in het graf was. Waar heeft die drie dagen altijd mee te maken? Dat heeft altijd te maken met de opstanding van Christus. Dat Hij de dood overwon, dat Hij overgankelijk leven aan het licht gebracht heeft. Daar spreken die drie dagen van.

 

En waar moet ik als gelovige achter komen? Dat ik zelf eigenlijk nooit in die hemelse gewesten kan komen, en dat ik zelf nooit al die geestelijke zegeningen van de hemelse gewesten, waar ik mee gezegend word, kan vatten en kan toeëigenen. Dat ik het hemelse Kanaän niet binnen kan gaan zonder dat ik me realiseer, dat ik wat de oude mens betreft alles moet inleveren, ik moet mij volledig toevertrouwen aan Christus. Dat heeft ook alles te maken met het inleveren van alle oude dingen in ons leven, die ons in de weg kunnen staan, om op te wassen in Christus. (Fil 2:5)

 

Ik moet tot het diepe besef komen dat ik in Christus begraven ben, gestorven ben, mede gekruisigd ben, maar dat ik ook met de Heere ben gewekt, mede levend ben gemaakt, en dat ik met de Heere en door Hem ben gezet in de hemelse gewesten.

 

Ik moet beseffen, dat ik het zelf niet kan doen, dat ik het zelf niet kan beërven, dat ik het zelf niet kan grijpen, maar dat de Heere het mij/u wil geven. We moeten goed beseffen, broeders en zusters, dat het een geestelijke les is, daar aan de oever van de Jordaan. De les, dat ik me persoonlijk de waarheden uit het Woord moet toeëigenen. De les dat ik me volledig moet overgeven aan Gods genade, en Hem op Zijn Woord moet vertrouwen.

De les, dat niet ik, maar dat Hij zal zorgen, dat ik aan de overkant kom.

 

Zonder de toeëigening van deze lessen kom ik nooit aan die overkant. Ik zal als het ware moeten nadenken, dat ik moet stoppen om mij geestelijk in te spannen, dat ik in eigen kracht nooit aan die overkant kan komen. Er is geen brug, er is geen tunnel, om even met 100 km per uur, even onder de Jordaan door in het beloofde land te komen, die is er niet. Er is ook niet een doorwaadbare plaats.

 

Er zijn heel wat mensen, die zeggen, ja, maar er zijn doorwaadbare plaatsen, daar kan je zomaar oversteken. Maar die doorwaadbare plaatsen waren er op dat moment helemaal niet! De Jordaan was helemaal buiten zijn oevers getreden. Er hoeft helemaal geen twijfel over te bestaan, ik kom op eigen kracht niet aan de overkant.

 

Broeders en zusters, dan kom je tot de ontdekking, dat je niet in eigen kracht die geweldige dingen kan omarmen, maar dat je je moet uitleveren aan de Heere, dat je volledig op Hem moet vertrouwen, en dat je mag weten, dat je met Hem gekruisigd bent, dat je met Hem begraven bent, maar ook met Hem bent opgewekt tot nieuw leven, en dat je in dat nieuwe leven mag staan en wandelen als een veranderd mens. “Gij geheel anders”.

 

Dáár is het doorgaan door de Jordaan een beeld van, sterven aan jezelf! Dan mag je weten dat je met de Heere zo, die doods-Jordaan als het ware nu al reeds door mag gaan om die zegeningen en beloften te omarmen, en te leren kennen, en je erfdeel stap voor stap in bezit te nemen. Dat is iets bijzonders. Velen komen daar nooit toe. Velen blijven altijd maar zitten bij Sittim, altijd maar zitten bij de zwakheid van het vlees.

 

Wanneer we tot geloof gekomen zijn, dan krijgen we allemaal in ons leven, dat we geconfronteerd worden met de zwakheid van ons eigen vlees, en dat er talloze verleidingen zijn, en dat er talloze listen zijn, die ons worden aangedaan door de tegenstander, waardoor we geen overwinningsleven hebben. Maar het overwinningsleven ligt niet in Sittim. Het overwinningsleven is aan de overkant van de Jordaan, aan de overkant van de doods-Jordaan.

 

Maar daarenboven hoeft het niet zo te wezen dat je die overwinning pas gaat beleven, als je pas letterlijk heengaat, komt te overlijden, en die “doods-Jordaan” overgaat, en aan de overzijde staat, en echt dat hemelse Kanaän binnen gaat, letterlijk die hemelse gewesten, dat boven-hemelse zal zien, en dat je werkelijk versteld zal staan welke heerlijkheid er te zien is. Nee, je mag dat nu al reeds in geestelijke zin doen. En daar (in Sittim) mag je erover nadenken. Als je eenmaal jezelf hebt leren kennen, de zwakheid van je vlees, dan zegt de Heere Jezus, dan mag je nu drie dagen gaan nadenken over Mijn opstanding, je mag drie drie dagen gaan nadenken over het vlees en de zonde, en je mag drie dagen gaan nadenken over nieuw geestelijk leven. En daar moet je naar grijpen, en dan wordt het voor je de dag des Heeren. Dan breng Ik je aan de overkant.

 

Broeders en zusters, dit is toch wel heel belangrijk in ons leven, in ons geestelijk leven. Vroeger was je een kind, en langzamerhand, nadat je kind bent geweest, de eerste drie dagen, wordt je een beetje een jongeling in het geloof, maar het vaderschap ligt aan de overkant. Dan ben je volwassen. Dan ga je over van het kindschap, naar het jongelingschap, en dan ga je over naar het vaderschap, dan wordt je een volwassene in het geloof, en dan ga je beleven, wat de Heere voor ons heeft weggelegd.

 

Ja, dan ga je meemaken wat we lezen in Efeze 2, waar het een beetje wordt samen gevat:

  • God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen [en dat is Sittim, ik ellendig mens] mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus.” (Ef 2:4-7).

 

Hier wordt eigenlijk alles samengevat, het vlees, de overtredingen, de dood, Sittim, de zwakheid van het vlees, maar aan de andere kant ook, dat je mag weten dat je met Christus bent levend gemaakt, bent opgewekt, en dat je mede een plaats gegeven is in de hemelse gewesten in Christus Jezus. En dat er een doel is in die hemelse gewesten, om in komende aionen de overweldigende rijkdom zijner genade niet alleen te leren kennen, maar ook die te verkondigen aan die schepselen in de toekomst ook in die hemelse gewesten uit te mogen leggen in dat boven-hemelse.

 

Maar je moet wel de beperking van jezelf gaan zien, daar mag je die drie dagen best voor gebruiken, als je daar bent aan de oever van de Jordaan. Dat je niet in eigen kracht, in eigen kunnen die Jordaan kan oversteken. Als je kijkt naar de Heere Jezus, wat Hij zegt in Marcus hierover.

  • En Hij riep de schare, met zijn discipelen, tot Zich en zeide tot hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden.” (Marc 8:34-35).

 

Dat is een keus. Aan de ene kant is de eerste stap, indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf. Die vertrouwt niet meer op eigen kunnen. Die geeft dat op, die verloochene zichzelf, die zegt, ik ga niet meer op mijn vlees vertrouwen, want in mijn vlees woont geen goed. Dat is de eerste stap. De tweede stap is, en neme zijn kruis op.

 

Wat is dat, zijn kruis opnemen? Dat je zegt, ik ben met Christus gekruisigd, en toch leef ik, maar niet meer mijn ik, maar thans leef ik alleen nog maar door het geloof van de Zoon van God. Dat is echt zijn kruis opnemen. Ik ben mede gekruisigd, maar ik leef. Door genade leef je. Ik heb opstandingsleven gekregen. En dan is het, als je dat doet, “en volge Mij”.

 

Dan volg je Christus, Doen we dat echt? Dan mag je die doods-Jordaan nu al reeds geestelijk doorgaan, en die geestelijke zegeningen in die hemelse gewesten nu al stap voor stap in bezit nemen, net zoals Israël stap voor stap het land in bezit mocht nemen (Joz 1:3). Later zullen dat letterlijke zegeningen zijn. Maar we mogen er nu al uit en in gaan leven!

 

Deel 10 volgt DV

Bert Boersma mei 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 10)

 

De vorige keer hebben we het gehad over het doortrekken van de (doods)Jordaan. We hebben toen gezien, dat dat te maken had met keuzes maken. Ook hebben we toen gezien, dat er vele verleidingen kunnen zijn. En daarom valt dat soms niet mee, om de goede keuzes te maken, iedereen heeft daar zo zijn eigen keuze in. Ook heb ik de vorige keer geschreven over de Israëlieten, die daar aan de oever van de Jordaan in hun tentjes zaten, en ik schreef:

  • Want stel dat u en ik daarbij waren geweest, en we 's morgens uit ons tentje kwamen, en we keken naar buiten, naar de oever van de Jordaan, dan moeten we wel gedacht hebben: “Wij hebben een probleem. Hoe moeten we in vredesnaam met zijn allen, hoe moet ik met mijn gezinnetje aan de overkant komen?”

 

En naar aanleiding van deze opmerking kreeg ik van een lezer(es) van de bijbelstudies het volgende getuigenis, dat mij erg raakte, en wat ik daarom graag met u wil delen:

  • Vanmorgen, het was nog vroeg, deed ik mijn tentje open.
  • Ik had heerlijk geslapen en keek naar buiten.
  • Zo’n 30 meter vanaf het water van de Jordaan zag ik de zon opkomen.
  • De glinstering van de Zonne der gerechtigheid spiegelde op de rivier.
  • De schittering werd feller, haar licht ketste op het water terug.
  • Haast te fel voor mijn ogen.
  • Ik liep naar de oever en hoorde het water wiegen,
  • zo rustig kabbelend wat klotsen. “Kom”, leek het te zeggen, “kom, en zie, mijn water is verlicht”.
  • Iedereen sliep nog. Het kamp lag nog te rusten in afwachting van de komende dag.
  • Vogels scheerden over het water en ook zij werden verlicht.
  • Daar stond ik, alleen, vervuld naar het Licht te kijken,
  • dat met haar schijnsel het water in zich opnam. Het overweldigde mij.
  • Het omvatte mij. En dat niet alleen, het Licht was ook binnen in mij.
  • Ik hoorde het Licht in mijn hart spreken:
  • Je bent geliefd in de Geliefde. Ik kende je al voordat je geboren werd. Ik kende je nog veel langer daarvoor. Al voordat Ik met de schepping begon. Hoe vind je dat?
  • Ik dacht na. Zijn er wel woorden, om zoiets geweldigs uit te drukken?
  • Ik knielde neer en sprak: “ik geloof het, het is zoveel liefde Vader, zo onbegrijpelijk.
  • dat ik het leven dat mij rest daarover na moet denken. Dank U, dank U, het is Uw genade Heer.”
  • Ik liep terug naar mijn tentje.
  • Het water. Ik zal er doorheen gaan, het Levende Water zal mij dragen,
  • in Zijn opstanding opgenomen.
  • Ik kom eens aan de overkant, gewassen door Zijn bloed,
  • om in Heerlijkheid met Hem te leven.

Prachtig om zo'n getuigenis te lezen. En nog mooier om je dat eigen te maken. Te weten dat dat van jouw is. Want broeders en zusters, zo is het wel, wanneer we weten Zijn eigendom te zijn, en wanneer we wandelen als navolgers van Hem, dan mogen we, een ieder persoonlijk, dit werkelijk nazeggen:

  • “Je bent geliefd in de Geliefde!”

 

Dan gaan we nu verder met de bijbelstudie. We hadden het over keuzes maken. Er zijn veel voorbeelden in Gods Woord waar we van kunnen leren. Maar één wil ik toch graag naar voren halen, en dat is Abraham. Abraham moest ook keuzes maken. Abraham moest toch een zoon verwekken? Kreeg hij dat voor elkaar in zijn eigen kunnen en kracht? Nee, hij heeft het vaak geprobeerd, hij dacht op gegeven moment, dat wordt helemaal niks met mijn vrouw Sara, wat zal ik doen? Ik denk dat ik maar Hagar even als vrouw neem, en dan is er nakomelingsschap. Maar dat had hij beter niet kunnen doen, want dan krijgt hij een zoon van Hagar, een wildebras. Want Ismaël betekent “wild als een ezel”, of “wilde ezel”, nou dat is leuk als je een wilde ezel in je huis hebt.

 

Het Geloof gerekend tot Gerechtigheid

En dan zie je, soms door schade en schande, dat je in het vlees helemaal niks bereikt. En toen Abraham helemaal verstorven was, en dacht, daar komt helemaal niks meer van terecht, bleef hij uiteindelijk toch vertrouwen, dat de Heere het maar moest doen. En dan, wanneer hij echt niet meer op zichzelf ziet, dan komt er opeens een verandering, en dan wordt hem dat geloof (= vertrouwen) gerekend tot gerechtigheid. Daarom zegt Paulus in Rom 4:

  • Gelijk geschreven staat: Tot een vader van vele volken heb Ik u gesteld – voor het aangezicht van die God, in wie hij (= Abraham) geloofde, die de doden levend maakt en het niet zijnde tot aanzijn roept. En hij heeft tegen hoop op hoop geloofd, dat hij een vader van vele volken zou worden, volgens hetgeen gezegd was: Zo zal uw nageslacht zijn. En zonder te verflauwen in het geloof heeft hij opgemerkt, dat zijn eigen lichaam verstorven was, daar hij ongeveer honderd jaar oud was, en dat Sara’s moederschoot was gestorven; maar aan de belofte Gods heeft hij niet getwijfeld door ongeloof, doch hij werd versterkt in zijn geloof en gaf Gode eer, in de volle zekerheid, dat Hij bij machte was hetgeen Hij beloofd had ook te volbrengen. Daarom [ook] werd het hem gerekend tot gerechtigheid.” (Rom 4:17-22).

 

Abraham ging het niet meer van zichzelf verwachten, de Heere moest het doen. En tot die ontdekking moeten wij ook komen, nadat je in Sittim de zwakheid van je eigen vlees hebt leren kennen. Hoe leer je je eigen zwakheid kennen? Kijk eens hoe snel je kunt vallen, vooral als de wereld je vangt met list en alles wat de wereld je zoal heeft te bieden. Dan leer je dat je het niet in eigen kracht kan doen, maar dat je het van de Heere moet verwachten. Daar mag je dan, net als Israël, over na gaan denken, drie dagen lang aan de oever van de Jordaan, hoe je aan de overkant komt, zoals we de vorige keer hebben behandeld. Daar heb je Christus voor nodig.

 

Daarom was het goed, dat zij hier eerst moesten nadenken, die drie dagen in Jozua 3:

  • Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door en zij gaven het volk dit bevel.” (Joz 3:2-3).

 

Ja, wat ook nog goed is in dit verband om te lezen, is 2 Kron 20, dat is de geschiedenis, waar je een vergelijkbaar probleem hebt, dat je een hele grote tegenstander hebt van de Moabieten en de Ammonieten. Die twee volken brachten een geweldig leger op de been, en als Israël dat dan ziet, dan denken ze, hoe moeten we dat nou overwinnen? In die strijd gaan we ten onder, we zijn maar zo'n heel klein volkje, en Moab en Ammon tezamen is zo verschrikkelijk groot, er staat zo'n geweldig groot leger tegenover ons, en dan staat er:

  • Onze God, zult Gij over hen niet gericht houden? Wij immers zijn niet opgewassen tegen deze grote menigte die tegen ons is opgerukt, en wij weten niet, wat wij doen moeten, maar op U zijn onze ogen gevestigd.” (2 Kron 20:12).

 

Zien op HEM!

Dat is het antwoord: “Op U zijn onze ogen gevestigd.” En dat moesten ze leren, hier aan de oever van de Jordaan in Jozua 3, dat ze hun ogen moesten vestigen, en gevestigd houden op de Heere Jezus alleen. En als je goed luistert en leest, wat het bevel is, dan is dat het bevel van Jozua 3:3. Zij gaven het volk dit bevel:

  • Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet, en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken.”

 

Zodra je dat ziet, dat moesten ze doen, ze moesten hun ogen daarop vestigen, en ze moesten ernaar blijven kijken, ze moesten HEM niet uit het oog verliezen. En ook Paulus zegt herhaaldelijke malen, bijvoorbeeld ook in Hebr 12:

  • Laat ons oog daarbij (alleen) gericht zijn op Jezus, de leidsman en voleinder des geloofs, die, om de vreugde, welke vóór Hem lag, het kruis op Zich genomen heeft, de schande niet achtende, en gezeten is ter rechterzijde van de troon Gods. Vestigt uw aandacht dan op Hem, die zulk een tegenspraak van de zondaren tegen Zich heeft verdragen, opdat gij niet door matheid van ziel verslapt.” (Hebr 12:2-3).

 

Vestigt uw oog dan op Hem! Je moet je geloofsoog op Hem gevestigd houden, Israël moest de ogen op de ark gevestigd houden:

  • Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken.” (Joz 3:3).

 

Daar moesten ze op letten. Zodra gij die ark ziet. En waar is die ark des Verbonds een beeld van? Die ark des Verbonds is een beeld van Christus. Ze moesten hun oog gevestigd houden op Christus. En ook al denk je in bepaalde omstandigheden, we kunnen hier niet tegen op, het is te zwaar, nee, dan moet je doen wat ook Israël heeft geleerd, later in 2 Kron 20, je moet je oog vestigen op de Heere Jezus Christus alleen, en Hem in het oog houden.

 

Ja, de Heere Jezus Christus is een prachtig beeld van die ark. Wanneer we zien hoe die ark werd gebouwd. Die ark bestond eigenlijk uit een grote kist, en die kist was gemaakt van sittimhout. 't Is toch wonderlijk hé, daar komt weer Sittim terug. En waar is Sittim ook weer een beeld van? Een beeld van de zwakheid van het menselijk vlees.

 

En hoe kwam de Heere Jezus in ons midden? Ook als een mens. Hij werd zwak als een mens, Hij werd mens (uitgenomen ze zonde). Maar het mooie van die ark is, als je die ark zag, dan zag je niets van dat hout, want die ark was helemaal met goud overtrokken. Waar spreekt dat goud van? Van de heerlijkheid. En het is mooi, als je nou eens een boortje zou pakken, en je zou die ark eens doorboren, en eens kijken, waar die ark nou uit bestond, dan krijg je eerst een goudlaag, dat spreekt van de heerlijkheid van Christus, en wanneer je dan nog dieper ging, dan zag je opeens dat Hij Zijn heerlijkheid had afgelegd, en dat Hij mens geworden was, want je kwam bij het Sittimhout, en wanneer je dan nog verder ging doorboren, dan kwam je weer een goudlaag tegen, want nadat Hij mens geweest was, heeft Hij de heerlijkheid, die Hij tevoren bij de Vader had, weer terug ontvangen. Die kreeg Hij terug, en Hij is nu met eer en heerlijkheid gekroond, en zit aan de rechterhand des Vaders. Dat laat de ark ons zien!

 

Uit heerlijkheid, tot mens, en weer naar heerlijkheid. Zo spreekt in vele opzichten die ark des verbonds van en over de Heere Jezus Christus.

 

Het is wel bijzonder, als je dat woord “ark” gaat onderzoeken, dan kom je tot de ontdekking, dat in Jozua 3 en Jozua 4 de naam “ark” 21 keer wordt genoemd. In totaal gaat het hier in deze hoofdstukken 21 keer over de ark des Verbonds. 21= 3 x 7, het getal drie en zeven. Het getal zeven spreekt van de volheid, de volmaaktheid, en het getal drie dat spreekt er eigenlijk van wie God is. Het is eigenlijk een volmaakte openbaring van wie God is.

 

En die volmaakte openbaring vinden we eigenlijk terug in die ark des Verbonds met al zijn onderdelen. Ook in datgene, wat er allemaal in bewaard wordt. Want ook alles wat er in die ark zit, wijst op Christus: De wet, de 10 geboden, de twee stenen tafelen, de bloeiende staf van Aäron, en ook die gouden kruik met manna.

 

Wanneer je al die dingen die in de ark zitten, overdenkt, dan ontdek je achtereenvolgens dat de wet des Heeren door de Heere Jezus op volmaakte wijze is volbracht, en dat Hij ook die bloeiende staf van Aäron op volmaakte wijze uitbeeld, want die staf ging weer bloeien, die bracht weer leven aan het licht, en zo heeft Christus ook in de opstanding onvergankelijk leven aan het licht gebracht, en hij is ook het volmaakte beeld van een gouden kruik met Manna, want Hij is het brood des hemels, wat voor ons is nedergedaald.

 

En wanneer we naar het deksel van de ark kijken, het z.g. verzoendeksel, waarop de Hogepriester één keer jaar op de grote verzoendag het bloed moest sprenkelen, wijst dat alles ook op Christus, op het kostbare bloed van Christus, wat Hij als dé grote Hogepriester als het ware in het hemels Heiligdom toonde aan de Vader, als bewijs van de verzoening van de zonde der gehele wereld.

 

Het getal 2000

En op al die dingen moest Israël dus zien. Daar moesten ze op letten. Daarop moesten ze hun oog gericht houden. En wat geschied er dan in vers 3?

  • Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken. Er zij echter tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte; komt niet dicht bij haar; opdat gij de weg moogt weten, waarlangs gij gaan zult, want langs die weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken.” (Joz 3:3-4).

 

Het is wel bijzonder dat hier over 2000 ellen afstand gesproken wordt. De afstand tussen de ark en het volk. Er staat niets zomaar in het Woord. En ook dit heeft een betekenis.

 

Tussen de verwerping van Israël (Lo-Ammi) in Handelingen 28, en hun toekomstige aanname door Christus (Ammi) liggen twee dagen, oftewel 2000 jaar, getuige Hos 6:2:

  • Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht.”

 

In deze twee dagen is Israël als Volk terzijde gesteld, daarna zal Hij Zijn relatie met Zijn volk herstellen, en zal Israël aan de spits der natiën staan met Christus als hun Koning.

 

Maar in dit Bijbel gedeelte zit ook voor ons een les. Want in die 2000 jaar leven gelovigen, en aan die gelovigen wordt in die twee dagen (van 1000 jaar) het evangelie verkondigd. Daarvan geeft de Bijbel ook een prachtig voorbeeld in het Johannes evangelie, waar de Heere in gesprek komt met een Samaritaanse vrouw. Die Vrouw vertelt in de stad wat haar is overkomen, en de stad loopt uit om naar de Heere Jezus te luisteren, en dan lezen we:

  • En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord, en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is. En na die twee dagen vertrok Hij vandaar naar Galilea. (Joh 4:39-43).

 

Ja, na die twee dagen gaat de Heere weer terug naar Israël. En dat is eigenlijk een beeld van hoe de Heere straks na twee dagen (na 2000 jaar) daadwerkelijk naar Zijn volk zal omzien.

 

Daarnaast wordt ook in deze twee dagen (2000 jaar) het Lichaam van Christus gevormd. En om die reden is het ook zo mooi dat er staat geschreven in de tekst van Jozua 3:

  • dat gij de weg moogt weten, waarlangs gij gaan zult, want langs die weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken.” (Joz 3:4).

 

Natuurlijk werd dit toen gesproken tot Israël, maar we mogen ook hier een geestelijke les uit trekken. Want wanneer wij werkelijk ons oog gericht houden op Christus, ook onze Leidsman en onze Voleinder des Geloofs, en Hem volgen zonder vragen, al het oude achter ons latende, dan leren ook wij een weg des geloofs gaan, die we noch gisteren, noch eergisteren gegaan zijn. Want het is een nieuwe weg, waarop Hij ons nieuwe dingen wil laten zien, zodat we kunnen opwassen in Hem.

 

Dat is een geloofsweg. En het was toen voor Israël een weg in geloof, en het zal ook in de toekomst met Israël een geloofsweg zijn, maar nu is het voor ons ook een geloofsweg in geestelijke zin. Wij mogen die geloofsweg gaan. Het is die weg, die de Heere ons wijst, de hemel in, het beloofd Kanaän in.

 

Want leest u maar eens Johannes 14 daarbij, en dat wordt gezegd tegen gelovigen. Het gaat daar over het huis des Vaders. Het huis des Vaders dat boven is bij de Vader:

  • Uw hart worde niet ontroerd; gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. In het huis mijns Vaders zijn vele woningen – anders zou Ik het u gezegd hebben – want Ik ga heen om u plaats te bereiden; en wanneer Ik heengegaan ben en u plaats bereid heb, kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.” (Joh 14:1-3).

 

Dus de Heere ging heen om voor de gelovigen plaats te bereiden. Dit is het Johannes evangelie wat aan de wereld wordt gepredikt in onze dagen, in onze tijd. En naast het evangelie van Johannes heeft de apostel Paulus zijn bediening voor de gelovigen in deze tijd. En Paulus mag een weg verkondigen die nog hoger voert. (hierover DV later meer).

 

Maar de Heere Jezus nodigt in het Johannes evangelie uit, en zegt: “Uw hart worde niet ontroerd, gij gelooft in God, gelooft ook in Mij. En eigenlijk zegt de Heere: “Ik ben nog wel niet bij je, maar je hart worde niet ontroerd, want in het huis Mijns Vaders zijn vele woningen, anders zou ik het u gezegd hebben.” Dus er is ook een woning voor jouw. Waar? In het huis mijns Vaders. En dat is boven! “En Ik ga heen om u plaats te bereiden.”

 

Waar ging de Heere toen heen om plaats te bereiden, toen Hij dit sprak? Hij sprak dit op de vooravond van Zijn kruisiging. Terwijl Hij toen, dat weten we allemaal, die maaltijd gebruikte. Hij spreekt daar niet over die maaltijd. Maar waar spreekt Hij wel over? Hij zegt: Ik ga heen om u plaats te bereiden. Waar ging Hij een plaats bereiden? In de Hemel? Nee, broeders en zusters, waar ging Hij voor ons een plaats bereiden? Op het kruis van Golgotha! Daar stierf Hij. Dáár werd voor ons een plaats bereid. “En wanneer Ik heengegaan ben (naar Golgtha) en u plaats bereid heb (door te sterven op Golgatha), kom Ik weder en zal u tot Mij nemen, opdat ook gij zijn moogt, waar Ik ben.”

 

En waar ging Hij uiteindelijk heen? Ja, Hij voer op ten hemel. En dan zegt Hij in Joh 14:4:

  • En waar Ik heenga, daarheen weet gij de weg.” (Joh 14:4).

 

Oh ja? Maar dan is daar Thomas, en Thomas zegt:

  • Here, wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg?” (Joh 14:5).

 

Ja, dat is Jozua 3. Wij weten niet die weg. En Joz 3:4 zegt:

  • Er zij echter tussen u en haar een afstand van ongeveer tweeduizend ellen lengte; komt niet dicht bij haar; opdat gij de weg moogt weten.”

 

En Thomas zegt: “Ik weet die weg niet.”

En Joz 3 vervolgt:

  • Opdat gij de weg moogt weten, waarlangs gij gaan zult, want langs die weg zijt gij noch gisteren noch eergisteren getrokken.”

 

Ja, maar dat is een nieuwe weg, die gaat wel hemelwaarts. En Thomas zegt:

  • "Wij weten niet, waar Gij heengaat; hoe weten wij dan de weg? Jezus zeide tot hem: Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij.” (Joh 14:5-6).

 

Later gaat Hij uitleggen, hoe die weg gaat, want in vers 16 staat er:

  • En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere Trooster geven om tot in eeuwigheid (grondtekst: in de eeuwen) bij u te zijn, de Geest der waarheid, die de wereld niet kan ontvangen, want zij ziet Hem niet en kent Hem niet; maar gij kent Hem, want Hij blijft bij u en zal in u zijn.” (Joh 14:16-17).

 

Dat is die Trooster, de Heilige Geest, die troost, die heeft Hij gezonden.

  • Ik zal u niet als wezen achterlaten. Ik kom tot u.” (Joh 14:18).

 

Hoe is de Heere Jezus dan tot ons gekomen? Door die Geest der Waarheid.

  • Nog een korte tijd en de wereld ziet Mij niet meer, maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven. Te dien dage zult gij weten, dat Ik in mijn Vader ben en gij in Mij en Ik in u.” (Joh 14:19-20).

 

En dat ervaren we dan. Dat is de geestelijke weg, dat is de geloofsweg. En HIj nodigt ons w uit. En Hij zegt dat Hij ons niet als wezen achterlaat. Hij geeft ons Zijn Geest, de Geest der Waarheid. “En de wereld ziet Mij niet meer.” Nee, de wereld ziet de Heere Jezus niet meer. “Maar gij ziet Mij, want Ik leef en gij zult leven.”

 

Zien wij de Heere? Ja, wij zien de Heere. Hoe zien wij de Heere? Met onze geestelijke ogen, met ons geloofs-oog zien we de Heere, en ervaar je ook, dat als je gaat “nadenken”, die drie dagen aan de oever van de Jordaan, van de doods-Jordaan, dat je met Christus gestorven bent, mede gestorven bent, mede gekruisigd bent, mede begraven bent, maar ook mede bent opgewekt, mede bent levend gemaakt, en ook mede bent gezet in de hemelse gewesten.

 

Dat mogen we dan ervaren, en dan weten wij dat er een vrije weg is door die doods-Jordaan, nu alreeds, naar dat hemelse Kanaän. En als je die weg gaat, die geloofsweg gaat, dan zegt de Heere Jezus: “Ik kom tot u.” Nou, dan komt Hij ook tot je door Zijn Geest, die Hij aan ons gegeven heeft. Daarom staat er in Joh 14:25

  • Dit heb Ik tot u gesproken, terwijl Ik nog bij u verblijf; maar de Trooster, de heilige Geest, die de Vader zenden zal in mijn naam, die zal u alles leren en u te binnen brengen al wat Ik u gezegd heb. Vrede laat Ik u, mijn vrede geef Ik u; niet gelijk de wereld die geeft, geef Ik hem u.” (Joh 14:25-27).

 

Deel 11 volgt DV

Bert Boersma mei 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 11)

 

De vorige keer zaten we nog aan de oever van de Jordaan, te kijken naar die kolkende, buiten zijn oevers getreden rivier, die de Jordaan in die tijd van het jaar was geworden, en bedenkende hoe ik ooit heelhuids daar overheen kom met mijn familie. En daar krijgt Israël dan drie dagen voor, om te leren met hun geloofs-ogen hiernaar te kijken. En misschien zijn er wel verschillenden onder hen, die gedacht hebben aan de verhalen van hun ouders, die allemaal gestorven waren in de woestijn, want die hadden ook al eens een wonderbare doortocht door de Rode Zee meegemaakt, waarbij de Heere hen op wonderbare wijze had verlost van de Egyptenaren. Ze moesten leren te zien en leren te vertrouwen op de Heere, de “IK BEN”, die Zich aan Mozes had geopenbaard in de brandende braamstruik.

 

Israël moest leren uitsluitend te zien en te vertrouwen op De Heere. En net zo moeten ook wij leren uitsluitend te zien op Christus. En daarbij ook in die gezindheid van Christus gaan staan (Fil 2:5), waarbij we al het oude achter ons laten. Dat is de geestelijke weg, dat is de geloofsweg, die wij moeten gaan, en die Israël moest gaan.

 

De weg in geloof en vertrouwen, die ook Jozua ging. Eigelijk zegt Jozua in Joz 3:2-3 tegen het volk: “Staat op, en laten wij vanhier gaan.” Dat moesten de opzieners tegen het volk zeggen: “Staat op en laten wij nou van hier gaan, en houdt die ark goed in het oog, en volg op een afstand van 2000 el.”

 

Dan ga je een weg, die je noch gisteren, noch eergisteren getrokken bent. Het is onbekend, het is een nieuwe weg, die je in geloof mag gaan. Maar met de ark (= Christus) als voorganger kom je nooit beschaamd uit. Ga die nieuwe weg nou maar!

 

En dat zegt de Heere ook tegen ons: “Staat op, zegt de Heere Jezus, en laten wij vanhier gaan. Als we die weg nog niet zijn gegaan, staat dan op, en ga die weg, blijf niet achter!

 

Want als je achter blijft krijg je weer te maken met Sittim. Dan blijf je daar niet bij die oever van de Jordaan, maar dan ga je weer terug naar Sittim. Dan blijf je maar in die woestijn rondhangen, dan krijg je daar weer al die last van die zwakheid van het vlees.

 

Maar Jozua zegt nog meer tegen het volk:

  • En Jozua zeide tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de HERE in uw midden wonderen doen.” (Joz 3:5).

 

Ja, dat is een geweldig wonder. Want zal dan die Jordaan droog vallen, en trekken zij daar doorheen, zo naar het hemels Kanaän. “Heiligt u!” Ja, wat wil dat eigenlijk zeggen? Wat is heiligen? Hoe doe je dat? Heiligen is dat je weet, dat je door Gods grote genade apart bent gezet, dat je tot de dienst van God als het ware apart bent gezet. Dat de Heere je kan gebruiken voor Zijn dienst.

 

Wanneer we zouden nagaan waar dat woord “heiligen” voor de allereerste keer in de Bijbel voorkomt, dan komen we terecht in Gen 2, en dan zien we dat daar de zevende dag door de Heere wordt geheiligd, dáár wordt voor de eerste keer het woord “heilig”genoemd. Met betrekking tot de zevende dag. En de zevende dag is de dag des Heeren. En die zevende dag die wordt apart gezet. Er is ook een toekomstige profetische dag des Heeren, die apart is gezet. Dat is heiligen. De Heere heeft die dag afgezonderd. Zo zijn wij ook geheiligd, afgezonderd, apart gezet in Christus, en moeten wij ons ook zo gedragen. Daarmee laat je wat achter je. Je laat eigenlijk die hele woestijn voorgoed achter je, en je mag dat hemelse Kanaän binnen gaan. Er gaat een nieuwe wereld voor je open. Een wereld, waarvan het Woord zegt:

  • Wat geen oog heeft gezien en geen oor heeft gehoord en wat in geen mensenhart is opgekomen, al wat God heeft bereid voor degenen, die Hem liefhebben.” (1 Kor 2:9).

 

Je gaat een ontzaglijke prachtige nieuwe wereld binnen van een enorme geestelijke rijkdom van genade. Het is Gods enorme goedertierenheid. Je krijgt een boodschap te horen, een evangelie-boodschap, wat eigenlijk onuitsprekelijke woorden zijn, die in de Handelingen ook onuitsprekelijk waren, maar die Paulus later mocht uitspreken in zijn latere brieven. En dat is geweldig.

 

Maar Jozua zegt nog meer. Eerst had Jozua tot de opzieners gesproken, toen tot het volk, en daarna gaat hij ook nog tot de priesters spreken, wat zij moesten doen:

  • Tot de priesters zeide Jozua: Neemt de ark des verbonds op en trekt over, vóór het volk uit. Toen namen zij de ark des verbonds op en gingen vóór het volk uit.” (Joz 3:6).

 

Het woordje “voor” is steeds onderstreept in de grondtekst, daar wordt de nadruk op gelegd. Vóór het volk moesten ze optrekken. En die ark des verbonds, het getuigenis, de ark der getuigenis, zo wordt die ark vaak genoemd, wat een beeld is van Christus, die moesten ze als het ware vóór het volk uitdragen. Hij ging hun voor! En zó moesten ze overtrekken.

 

En zo is het eigenlijk ook in onze dagen. De priesters, degenen die voorgaan, de predikanten, de pastoors, de evangelisten, of wat voor titel ze ook mogen hebben, of misschien geen titel, maakt ook niet uit, maar als ze diensknechten des Heeren zijn, wat moeten ze dan doen? Dan moeten ze vóór het volk uittrekken. Ze moeten het voorbeeld geven. Ze moeten laten zien, dat zij er op vertrouwen, dat je door die doods-Jordaan zal gaan. Daarin behoren zij de gelovigen vóór te gaan.

 

Ze moeten laten zien, dat je nú alreeds mag genieten van de geestelijke zegeningen, die de Heere je wil openbaren door van Hem ontvangen geopende ogen des harten. Ze moeten eigenlijk laten zien, hoe de gelovige mag doorwandelen, mag overtrekken over de Jordaan, daarbij voorgegaan door Christus zelf, en het “beloofde land” stap voor stap in bezit mag nemen. Nu alreeds in geestelijke zin, en later ook in de meest letterlijke zin, als je komt te overlijden. Als Hij je voorgaat, en als je Hem in vertrouwen volgt, dan mag je verzekerd zijn van een behouden aankomst!

 

En dat moet iedere voorganger doen. Vóór het volk uittrekken. En zo heeft Jozua het ook gedaan, samen met de priesters, en zo hebben ze dat dan meegemaakt.

 

We gaan verder met Jozua, en lezen voor het goede verband het gehele gedeelte uit Jozua 3:7-17

  • En de HERE zeide tot Jozua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël, opdat zij weten dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Mozes geweest ben. Beveel dan de priesters, die de ark des verbonds dragen: zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan. Toen zeide Jozua tot de Israëlieten: Komt naderbij en hoort de woorden van de HERE, uw God. Voorts zeide Jozua: Hieraan zult gij weten, dat de levende God in uw midden is en dat Hij zeker de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten (zeven volken)voor u uit verdrijven zal: ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over, de Jordaan in. Welnu, neemt u twaalf mannenuit de stammen van Israël, uit elke stam één man. Zodra dan de voetzolen der priesters, die de ark van de HERE, de Here der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan rusten, zal het water van de Jordaan afgesneden worden; het water, dat van boven afkomt, zal als een dam blijven staan. Het geschiedde nu, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te trekken, – de priesters die de ark van het verbond droegen, bevonden zich aan de spits van het volk – dat, zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren – de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd – het water, dat van boven afkwam, bleef staan; het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad, die bezijden Saretan ligt, terwijl het water dat afvloeide naar de zee der Vlakte, de Zoutzee, volkomen werd afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho. Doch de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had."

 

De gebeurtenis hier is het overtrekken van de Jordaan, en dat omvat niet alleen Jozua 3, maar ook Jozua 4. We hebben gelezen:

  • En de HERE zeide tot Jozua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël, opdat zij weten dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Mozes geweest ben.” (Joz 3:7).

 

Jozua beeld van Christus

Daar begint het mee, met het groot maken van Jozua op deze dag. En het is prachtig om te zien, dat deze gebeurtenis uit Jozua eigenlijk geheel parallel loopt met de geschiedenis van de Heere Jezus. Jozua is echt een type is van de Heere Jezus. Dat zie je ook al aan zijn naam (Joshua), maar dat zie je ook hier aan deze gebeurtenis. Want op deze dag aan de Jordaan wordt Jozua grootgemaakt in de ogen van geheel Israël “opdat zij weten, dat Ik met u zal zijn, zoals Ik met Mozes ben geweest.”

 

We moeten ons ook realiseren, dat dit aan dezelfde rivier, aan dezelfde Jordaan geschied waar ook de Heere Jezus later door Johannes de Doper gedoopt werd. En ook zou je kunnen zeggen, dat de gebeurtenissen op elkaar lijken. Want Jozua moest uiteindelijk op deze dag zelf de Jordaan doortrekken, van de ene oever afdalen, en over de bodem van de rivier lopen naar de overzijde, en daar opklimmen, de andere oever op. En in feite is dat heel erg zinnebeeldig, want dat lijkt heel erg op een doop, waar je ingaat en uit verrijst. En dat is ook wat je bij de Heere Jezus ziet, als Hij begint op te treden, dat Hij allereerst Zich naar de Jordaan begeeft, waar Hij door Johannes de Doper in de Jordaan wordt gedoopt.

 

En wanneer we ons ook nog realiseren, dat dopen een beeld is van sterven en opstanding, wat door het ingaan en opkomen uit de Jordaan ook hier wordt uitgebeeld, dan wordt de vergelijking nog completer.

 

En dan zie je iets bijzonders. Wat gebeurde er bij de doop van de Heere Jezus? Dat lezen we in Math 3:

  • Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb.” (Math 3:16-17).

 

Hier zie je dat God de Vader bekend maakt, wie de Heere Jezus eigenlijk is. Hij werd door de Vader grootgemaakt. En die grootmaking, die de Heere Jezus hier mee maakte, zo maakte Jozua dat ook mee. En er is nog een verdere parallel, want Jozua wordt hier in Jozua 3 eigenlijk bekend gemaakt aan geheel Israël, dat staat er bij in Joz 3:7:

  • En de HERE zeide tot Jozua: Op deze dag zal Ik beginnen u groot te maken in de ogen van geheel Israël.”

 

Nou, dat geschiedde ook bij de Heere Jezus, toen Hij werd gedoopt, want als je leest in Johannes, wat over dezelfde gebeurtenis gaat, over de doop van de Heere Jezus, dan lees je in Joh 1 de reden waarom Hij werd gedoopt. Daar zegt Johannes de Doper van Hem:

  • En zelf wist ik niet van Hem, maar opdat Hij aan Israël zou geopenbaard worden, daarom kwam ik dopen met water.” (Joh 1:31).

 

De Heere Jezus werd dus door Zijn doop bekend gemaakt aan geheel Israël. En de Vader zei: Dit is degene in Wie ik al Mijn welbehagen heb. Dit is Mijn geliefde Zoon. Bijzonder is ook, dat we in deze twee gebeurtenissen mogen zien, dat beide diensten, zowel van Jozua, als van de Heere Jezus, daar bij de Jordaan op dezelfde plaats met een doop aanvangen.

 

Alle evangeliën beginnen bij de doop van de Heere Jezus. Hier ook bij Johannes 1, het eerste wat er geschied, is dat de Heere Jezus wordt gedoopt, en daarna neemt Hij die openbare dienst van Hem op, roept Hij Zijn discipelen, enz, en gaat Hij Zijn hele openbare leven beginnen. Bij Jozua is het eigenlijk hetzelfde. Jozua begint ook daadwerkelijk zijn openbare dienst bij de doortocht/doop door de Jordaan.

 

Wat ook bijzonder is, dat beide worden gezien als leider. De Heere Jezus zegt in feite dat Hij de Christus is, de Messias is, en dat Hij de leider is, en zo is Jozua ook de leider van het volk. Bijzonder ook is, dat die gebeurtenis zowel in het leven van Jozua, als in het leven van de Heere Jezus, plaats vindt op exact dezelfde plaats. Die plaats staat erbij in Joh 1, want er staat in Joh 1:28:

  • Dit geschiedde te Betanië, over de Jordaan, waar Johannes doopte.”

 

Eigenlijk is dat in de NBG niet zo'n goede vertaling, dat woord “Bethanië”, Zowel de Staten Vertaling, als de HSV hebben vertaald “Bethábara”, en dat is de juiste vertaling. Daar op die plaats geschiedde zowel de doop van de Heere Jezus, als de overtocht van het volk Israël. Wat betekent nou “Bethábara? Dat betekent eigenlijk: “plaats van de overtocht”, en dáár geschiedde dus die doop, precies bij die plaats, de plaats van de overtocht, waar Israël is aangekomen, niet ver van Jericho af, in de Jordaan. Daar is ook Israël door de Jordaan getrokken, daar is ook Jozua grootgemaakt voor heel Israël, en daar is ook de Heere Jezus gedoopt. Daar is Hij bekend gemaakt, is Hij geopenbaard, en is Hij ook grootgemaakt voor heel het volk Israël. Dat loopt allemaal parallel.

 

Bijzonder is, dat wanneer we gaan naar Jozua 4, een tekst die aansluit op Jozua 1:7, dan lezen we daar in Joz 4

  • Te dien dage heeft de HERE Jozua groot gemaakt in de ogen van geheel Israël, zodat zij hem vreesden, zoals zij Mozes gevreesd hadden al de dagen van zijn leven.” (Joz 4:14).

 

Ze zagen een geweldig wonder, die overtocht door de Jordaan, over het droge, en dat ze zomaar aan de andere kant van de Jordaan konden komen. Maar het had als gevolg, dat ze zagen en erkenden, dat Jozua de leider was van het volk, en ze vreesden Jozua. En ook later lees je dat zolang Jozua eigenlijk de leider was van Israël, dat het met het geloof van het volk ook wel goed zat. Want wanneer we naar Jozua 24 gaan, dan lezen we daar dat de situatie zo is, dat gedurende heel het leven van Jozua Israël de Heere trouw bleef al de dagen dat Jozua leefde:

  • Israël diende de HERE al de dagen van Jozua en al de dagen van de oudsten die Jozua overleefd hebben, en die al de daden gekend hadden, welke de HERE voor Israël verricht had.” (Joz 24:31).

 

Maar er is wel een verschil tussen Jozua en de Heere Jezus. Bij Jozua kan je zeggen dat Israël wel Jozua aanvaarde als leider, en de Heere trouw bleven, terwijl als je gaat lezen in Joh 1, dan lees je:

  • Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.” (Joh 1:11).

 

Bij de Heere Jezus was het totaal anders. Jozua hebben ze aanvaard, maar de Heere Jezus, die Zich openbaarde als de Messias, die verwierpen ze. Hij kwam tot het Zijne, tot Israël, maar de Zijnen, de Israëlieten hebben Hem niet aangenomen, hebben Hem niet aanvaard. Ondanks de wonderen, die de Heere Jezus deed, en dat was niet één wonder, maar talloze wonderen. Hij deed allerlei wonderen en teken en krachten, en Hij sprak ook als Eén, die geheel anders sprak dan de wetgeleerden en de schriftgeleerden. Maar ondanks dat dat allemaal waar was, en Hij ontegenzeggelijk de Christus was, hebben ze Hem niet aangenomen, en uiteindelijk hebben ze Hem gekruisigd

 

Eerste publieke daad van Jozua

De eerste publieke daad van Jozua vinden we in Joz 3:8:

  • Beveel dan de priesters, die de ark des verbonds dragen: zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan.”

 

Ja, die eerste eerste daad die hier Jozua doet, is dat hij de priesters des Heeren moet bevelen, wat ze moeten doen. En ze moeten die ark des Verbonds dragen, en die moeten ze dragen naar de oever, ze moeten zelfs dat water van de Jordaan ingaan aan de kant, en in de Jordaan blijven staan.

 

Het eerste wat de Heere Jezus doet als Hij gaat optreden, is dat Hij de discipelen, Zijn diensknechten roept, en dat Hij ze ook toespreekt, en ook daarover het hele volk toespreekt, wat hier eigenlijk Jozua ook doet, want er staat in vers 9:

  • Toen zeide Jozua tot de Israëlieten: Komt naderbij en hoort de woorden van de HEERE, uw God.” (Joz 3:9).

 

Eigenlijk deed de Heere Jezus hetzelfde. Die riep Zijn discipelen, maar daarbij sprak Hij ook voor geheel de schare, sprak Hij al de Israëlieten erop aan:

  • Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.”

 

En zo predikte Hij ook het evangelie. Je ziet dus een hele parallel tussen Jozua en de Heere Jezus in hun optreden, en ook op het punt precies waar dat optreden startte.

 

Voor die priesters hier in vers 8 is het best wel een zware opdracht, dat moeten we ons wel realiseren, als Jozua naar ze toekomt en zegt ten die priesters:

  • Beveel (dat is een bevel) dan de priesters, die de ark des verbonds dragen: zodra gij gekomen zijt aan de oever van het water van de Jordaan, zult gij in de Jordaan blijven staan.”

 

Ja, daar was toch best wel moed voor nodig, geloofsmoed voor nodig, om met die ark te gaan, en te blijven staan, want die Jordaan was buiten zijn oevers getreden. Dat hebben we nog gelezen in vers 15, want er staat over die priesters, toen ze met hun voeten in dat water stonden, laten we maar lezen:

  • Zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren – de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd.” (Joz 3:15).

 

Het was niet een klein riviertje, het was geen klein beekje, de Jordaan, wat het wel eens in de zomer wil zijn, of aan het eind van de zomer, nee, het is een Jordaan, die geheel buiten zijn oevers is getreden. Het is ook oogsttijd. Het is voorjaar, en in die tijd had je ook de vlas-oogst. Want ook die verspieders, die bij Rachab waren, misschien kunt u zich dat herinneren, die waren daar onderdoken, die mochten op het dak klimmen, en Rachab die heeft ze toen verborgen onder de vlas-stengels. Dat kan je lezen in Joz 2.

 

Het was dus oogsttijd, het vlas werd binnen gehaald, en het was ook de gersten-oogst. En wanneer vond dat nou plaats? Dat vond eigenlijk plaats zo'n beetje eind april, begin mei, dat was precies ongeveer de periode dat de gersten-oogst plaats vond. Dat staat hier ook bij: “Gedurende de ganse oogsttijd. Een oogsttijd van het vlas, en een oogsttijd van het gerst, zo'n beetje eind april, begin mei.

 

En u moet zich eens voorstellen in het voorjaar, wat er dan gebeurde met de Jordaan, en dat gebeurt in onze dagen ook, ook al is in onze dagen de Jordaan veel meer gekanaliseerd, enz. Maar wat geschiedde er dan? Op de Libanon, en eigenlijk op dat hele hooggebergte ten noorden van Israël, daar lag altijd heel veel sneeuw, maar door die sneeuw, die daar op dat hooggebergte door het voorjaar begon te smelten, kreeg je heel veel smeltwater, wat naar beneden kwam in allemaal beken, dat stoomde allemaal in het meer van Galilea, en het meer van Galilea stroomde dan als het ware over, en dat bracht dan de Jordaan op gang. En dan werd de Jordaan een enorme rivier in die oogsttijd.

 

Het is bekend, dat in die periode precies, eind april, begin mei, in die oogsttijd, dat de Jordaan ongeveer 4 meter diep is, dat is een behoorlijke diepte, en het is een eigenlijk een snelstromende rivier van ongeveer 120 meter breed. Dat is een behoorlijke breedte. Je kan niet zo maar even naar de overkant toe. Ja, je kan wel naar de overkant toe, maar daar zit best wel risico aan verbonden. Want het is heel snel stromend water. We zijn dat hier in Nederland niet zo gewend. Maar we kunnen er ons in Nederland toch wel een klein beetje een indruk van krijgen. Want als we in de herfst eens naar de IJssel kijken, wanneer we op de grote brug bij Zwolle rijden, dan zien we ook een hele brede rivier buiten zijn oevers getreden, dan zijn de uiterwaarden helemaal overstroomd, en dan is die rivier wel vier keer zo breed geworden, en is hij ook veel dieper geworden, en dan stroomt het water ook veel sneller. Dat is ongeveer het beeld.

 

En zo moet u zich voorstellen, 120 meter, dat is een behoorlijke rivier, met snelstomend water. Ja, en dan moet je uitkijken, kolkend, enz. Dat is best gevaarlijk. En nu moet u zich de situatie proberen voor te stellen. Jozua gaf de priesters opdracht die woeste Jordaan in te lopen met de ark op hun schouders, terwijl de Jordaan nog steeds woest doorstroomde. Hoor je enig verzet van de priesters? Zeiden ze tegen Jozua: “Nee, beste man, daar beginnen we niet aan, dat is onbegonnen werk?” Nee, ze voerden in het volste vertrouwen de opdracht uit, en ze gingen met hun voeten in het woeste water staan met de ark op hun schouders. En toen gebeurde het wonder!

 

Daarnaast kan je je je ook afvragen, hoe ging dat dan met die twee verspieders? Die zijn toch uitgestuurd, en moesten toch Kanaän verspieden? Ja inderdaad, omstreeks dezelfde tijd, ongeveer acht dagen hiervoor zijn ze weggezonden door Jozua. Is dan voor hun opeens de Jordaan opgedroogd, en dat ze er zomaar doorheen konden lopen?

 

Dat gaan we de volgende keer zien.

 

Deel 12 volgt DV

Bert Boersma juni 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 12)

 

Dappere Helden

De vorige keer waren gebleven bij die twee verspieders, Hoe waren die over de Jordaan gekomen? Had de Heere ook voor hen de Jordaan doen opdrogen? Nee, zij moesten zwemmen over die snelstromende, buiten zijn oevers getreden Jordaan, om het land Kanaän te verkennen. Ja, die twee verspieders hebben moeten zwemmen naar de overkant. Dat valt niet mee. Ga maar eens zwemmen door de Jordaan als het een kolkende rivier is van ca. 120 meter breed. Dat waren dappere helden. En zo worden ze in het Woord ook omschreven in 1 Kron 12. Dat is de tijd van David, en daar lees je over die dappere helden:

  • Van de Gadieten voegden zich eveneens sommige bij David in de vesting in de woestijn, dappere helden, strijdvaardige krijgslieden, met schild en speer uitgerust, er uitziende als leeuwen, en vlug als gazellen op de bergen: Ezer, de aanvoerder; Obadja, de tweede; Eliab, de derde; Mismanna, de vierde; Jirmeja, de vijfde; Attai, de zesde; Eliël, de zevende; Jochanan, de achtste; Elzabad, de negende; Jirmeja, de tiende; Makbannai, de elfde. Dezen behoorden tot de zonen van Gad, aanvoerders van het leger; de kleinste reeds woog op tegen honderd, de grootste tegen duizend. Dezen waren het, die in de eerste maand de Jordaan overstaken, toen deze geheel buiten zijn oevers getreden was, en die al de bewoners van de vallei oostwaarts en westwaarts op de vlucht joegen.” (1 Kron 12:8-15).

 

Dat waren kloeke mannen, dat waren dappere helden. En van datzelfde sterke geslacht waren dus die twee verspieders, dat waren dappere helden, die die woeste snelstromende Jordaan overzwommen om het land Kanaän te verkennen.. Dat kon je niet vragen aan een kind, of aan een oude moeder, zo van, ja, het spijt me opa of oma, we moeten naar de overkant zwemmen. Dat gaat niet lukken, en dat gaat ook niet gebeuren. Want de Heere zou wat doen. Er zou een groot wonder gebeuren om dat volk, wat ongeveer uit 2.000.000 mensen bestond, veilig over de Jordaan te brengen. Dat moeten we ons ook goed realiseren.

 

En dan die priesters, zij kwamen daar aan de oever van de Jordaan met zo'n gewicht op hun schouders, want die ark was niet zo licht, die moet je echt met elkaar dragen, en daar stonden ze dan. Ze moesten in dat water gaan staan, en wat moesten ze doen? Ze moeten wel naar de overkant, en die priesters wisten ook niet van te voren wat er eigenlijk allemaal ging gebeuren. Maar ze deden wel wat Jozua hun had opgedragen. Daar was geloof voor nodig, want met het oog zag je er nog niks van dat er een wonder ging geschieden.

 

Dat is een geloofshouding waar ook wij van kunnen leren. Die priesters moesten iets doen, wat op het oog onmogelijk was, en nog levensgevaarlijk ook.

 

Onbeweeglijk blijven staan

Ja, die priesters moesten daar in gaan staan! Ze moesten letterlijk in het water gaan staan, terwijl die Jordaan nog steeds ver buiten zijn oevers was getreden, en terwijl het water snel aan hun voeten voorbij bruiste. Dat vraagt echt geloof en vertrouwen! Dat geeft tegelijk aan dat Jozua werkelijk gezag had, en met gezag sprak. En later, wanneer het water door de Heere is tegengehouden, lezen we in vers 8, dat er tegen de priesters wordt gezegd: “Zult gij in de Jordaan blijven staan.” Maar eigenlijk staat er in de grondtekst: “Zult gij echt in de Jordaan stil staan.” Echt stil staan. Blijven staan. Kijk je naar vers 17, dan staat er eigenlijk hetzelfde:

  • Doch de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan." (Jozua 3:17).

 

Ze moesten onbeweeglijk blijven staan. Eerst stonden ze aan de rand, waren ze net de oever afgedaald, en waren ze in het water gaan staan, en later vindt je dat ze verder gelopen zijn, toen de Jordaan door de hand des Heeren droog viel, en moesten ze onbeweeglijk blijven staan in het midden van de Jordaan. Onbeweeglijk. Ja, ik kan me best voorstellen dat je daar geloofs-moed voor nodig hebt, want ze weten best wel wat ze net hebben gezien, hoe dat water ongelofelijk kan gaan stromen, en er hoeft maar iets te gebeuren, of..........

 

Maar er gebeurde niets, want de Heere was erbij. En opeens wordt die Jordaan als een dam aan de noordzijde als het ware door de hand des Heeren tegen gehouden. Als opeens dat water zou worden losgelaten door de Heere, dan kan je wel voorstellen wat een vloedgolf er dan aan komt. En dan kan je daar wel staan, onbeweeglijk, maar als er een vloedgolf aan komt, dan wordt je compleet weggevaagd. Er wordt nooit meer iets van je gevonden, of van de ark. Maar dat liet de Heere niet gebeuren.

 

Maar er was echt wel geloofs-moed voor nodig om als priester onbeweeglijk te blijven staan, daar midden in die Jordaan, met het getuigenis van de Heere op je schouders. Want zo wordt die ark des Verbonds altijd genoemd: “de ark der getuigenis”. En zo moest je als een priester met het getuigenis op je schouders blijven staan.

 

En zo moeten ook wij in ons leven met het getuigenis van de Heere onbeweeglijk blijven staan. Ook al weet je dat de dood je angst kan aanjagen. Daar is misschien soms vrees bij ons, dat opeens die doods-Jordaan je te pakken neemt in je leven. En dan mag je vanuit het geloof altijd weten dat je niet hoeft te vrezen, dat je naar de overkant lopen kan, dat er helemaal geen belemmeringen zijn, dat je overgaat van het ene leven in de woestijn naar het leven bij de Heere, en dat je zo naar de hemel mag gaan. Maar dat water van de doods-Jordaan dat is dreigend, en dat weet je ook. Je hebt al heel veel levens gezien, dat opeens die vloedgolf komt, en die man of die vrouw is weg, en die is niet meer te vinden.

 

Daarom het valt niet mee, om onbeweeglijk te gaan staan, om zo wie zo al met je voeten daar in te gaan staan, en te zeggen: “Van af nu jaagt de dood geen angst meer aan, want alles, alles is voldaan”, zoals een lied zegt. Daar is geloofs-moed voor nodig. En daar is een wandel voor nodig, een wandel, die laat zien, dat je bereid bent alles achter je te laten, dat je die woestijn voor gezien houdt. Dat je voort gaat in die gezindheid, welke we ook vinden bij de Heere zelf, die ons daarin voorgaat. Hij ís ons daarin voorgegaan. Net als Jozua, in het volste vertrouwen, in vernedering afdalen, en weer opstaan in het nieuwe leven van Kanaän.

 

Ik haal de volgende tekst wel vaker aan, maar omdat het zo wezenlijk van belang is, doe ik dat in dit verband nogmaals:

  • "Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken.” (Fil 2:5-9).

 

Dáár is de Heere ons in voorgegaan, en wij mogen daarin Zijn navolgers zijn! Hij heeft werkelijk alles achter zich gelaten, ál de heerlijkheid die Hij bij de Vader had. Hij heeft zich vernederd, en is gehoorzaam geworden tot de dood, om ons te redden, en is daarom ook uitermate verhoogd. Wanneer wij die Voorganger volgen, en al onze oude dingen achter laten (in de woestijn), dan mogen wij ook ingaan in het beloofde (hemels) Kanaän, dan mogen wij Hem volgen in die weg van verheerlijking. Eigenlijk heb ik geen woorden om al deze geweldige zegeningen uit te drukken. Maar het is alles Gods overweldigende genade voor allen die tot het Lichaam van Christus mogen behoren.

 

In dit alles kan je je alleen maar beroepen op het getuigenis van de Heere. Maar als je dat getuigenis, dat evangelie van de Heere bekend maakt, en je staat daar dan onbeweeglijk in deze wereld, ja, dan weten we ook dat de wereld om je heen, je als het ware belachelijk maakt, want we weten, dat het getuigenis van de Heere Jezus, dat het evangelie een dwaasheid is voor deze wereld. Heel die prediking is dwaasheid voor de wereld.

 

Wanneer we ons die situatie daar aan de Jordaan eens proberen voor te stellen, dan zien we dat dat snelstromende water opeens stil staat. Er ontstaat een muur van water, en de ark der getuigenis wordt door de priesters naar het midden van de Jordaan gedragen, terwijl het water maar stijgt en stijgt, en de muur van water maar hoger en hoger wordt. Zou u erin stappen? De hoge muur van water staat maar aan één kant, want aan de andere kant was het water weggelopen naar de Zoutzee, of ook Dode Zee genoemd. Dit vraagt echt veel geloof en geloofsmoed. Eigenlijk zijn het stuk voor stuk geloofshelden.

 

Staan met het getuigenis van de Heere op de schouders. Onbeweeglijk, ook al jaagt de dood je angst aan. Geloof!

 

Ongeveer 2.000.000 mensen gingen daar door de Jordaan met naast hun die hoge muur van water. Hoe staan wij? Onbeweeglijk? Blijven we onbeweeglijk staan, terwijl het evangelie voor deze wereld een dwaasheid is?

 

Ook als de Heere Jezus begint te prediken, en dat is toch wel opmerkelijk, dat staat er in Math 5, als Hij Zich dan bekend maakt:

  • Zalig zijt gij, wanneer men u smaadt en vervolgt en liegende allerlei kwaad van u spreekt om Mijnentwil. Verblijdt u en verheugt u, want uw loon is groot in de hemelen; want alzo hebben zij de profeten vóór u vervolgd.” (Math 5:11-12).

 

En zo is het in ons leven ook, ook al gaat dit gedeelte uit Mattheus nou niet precies over ons, maar je kan het geestelijk wel naar ons doortrekken, want als wij datzelfde getuigenis van Gods Woord verkondigen in deze wereld, wat zegt de wereld dan? Het is dwaas om zo te geloven. En je zal al gauw worden gesmaad, en we worden vervolgd, en men zal allerlei kwaad over ons spreken, en men liegt daarbij eigenlijk. Nou. Zegt de Heere Jezus, verblijdt je dan maar, als het om Mijnentwil is, en verheug je dan maar, want uw loon zal groot zijn in de hemelen. En er is niks nieuws onder de zon. De profeten hebben ze zo vervolgd, en ze zullen u ook zo vervolgen.

 

Als we terug gaan naar Jozua hoofdstuk 3, dan staat in Joz 3:9, als Jozua dan eerst de priesters bevolen heeft, naar de oever van de Jordaan te gaan, en in de Jordaan te gaan staan, dan zegt Jozua tot de Israëlieten:

  • Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” (Joz 3:9).

 

Komt naderbij.” Ja, dat is altijd het getuigenis wat wij hebben te verkondigen. “Komt naderbij”. Iedere spreker waar dan ook, dat maakt helemaal niet uit, maar overal waar een spreker gaat staan, en hij predikt het Woord van God, dan zou hij eigenlijk moeten zeggen: “Komt naderbij”. En dat is iets wat wij altijd zouden moeten doen, we moeten naderbij komen, en dat houdt eigenlijk in, dat ik in de prediking mijn hart open, en dat ik naderbij kom, dat ik het wil horen. Dat ik me uitstrek naar de woordverkondiging, dat ik me uitstrek naar de Heere Jezus Christus zelf.

 

En dan heb je altijd twee keuzes, je kan naderbij komen in de prediking, of je kan veraf blijven staan. Of je gaat luisteren, dat staat er achter in de tekst, en “hoort de woorden van de Heere uw God” (Joz 3:9). Of je gaat echt luisteren, en je gaat horen, je strekt je uit naar de woorden van de Heere uw God, of je doet dat niet. Want eigenlijk, en dat weet u wel, het zijn niet zozeer de woorden van zo'n spreker, nee, als het goed is, dan hoor je door de woorden van de spreker heen altijd de woorden van de Heere uw God, de woorden van je eigen Heiland. En strek je daar dan naar uit? Dat moeten we zelf doen. En daarom is het wel goed, dat Jozua hier maar niet meteen die boodschap van de Heere begint door te geven aan de Israëlieten, maar dat hij eerst nog zegt: “Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” (Joz 3:9).

  •  We moeten naderbij komen.
  • Ons hart openen,
  • En horen en uitstrekken naar de verkondiging.
  • Kom je, of blijf je van verre staan?
  • Het zijn niet de woorden van de spreker, maar de woorden van God.

 

Dus eerst: “Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” Dat is de houding, dán heb je er wat aan, anders gaat de prediking aan je voorbij. En dat is nodig, daar is een

 

houding voor nodig, een geloofs-houding voor nodig als je in een samenkomst gaat zitten. Als die er niet is, dan gaat zo'n prediking al gauw langs je heen, en blijf je op een afstand staan, en heb je er eigenlijk niets aan, heb je er eigenlijk geen deel aan. En dan staat er in vers 10, en dan gaat Jozua ook het volk toespreken:

  • Voorts zeide Jozua: Hieraan zult gij weten, dat de levende God in uw midden is en dat Hij zeker de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten (zeven volken)voor u uit verdrijven zal.” (Joz 3:10).

 

Het is eigenlijk heel bijzonder dat Jozua begint te spreken met de woorden van bovenstaande tekst. Want als ik probeer me in te leven in de situatie die er bestond, dan verwacht ik eigenlijk helemaal niet dat Jozua hier meteen gaat spreken over dat de Heere God die Kanaänitische volkeren zal verdrijven voor hen uit, en dat ze zó Kanaän in bezit zullen nemen. Want als Jozua dit uitspreekt, dat staat Israël met het gehele volk nog steeds voor een enorm probleem, een Jordaan, een geweldige rivier, die buiten zijn oevers getreden is, en ik zou eigenlijk verwachten dat Jozua het daarover zou hebben, dat de Heere in feite die Jordaan zal tegenhouden, en dat het droog zal vallen, en dat ze zo met zijn allen naar de overkant zullen gaan.

 

Nee, daar heeft Jozua het niet over. Hij heeft het er eigenlijk over, wat God op het oog heeft. En dat is namelijk de inname van het land Kanaän. Hij begint eigenlijk direct te spreken over waar het de Heere Jezus Christus nou eigenlijk om gaat. Namelijk dat de Heere hun bij die inname van Kanaän zal helpen. Dat ze over de Jordaan zullen trekken, het probleem waar ze in eerste instantie voor staan, daar spreekt Jozua niet over.

 

En in deze woorden van Jozua spreekt al een geweldig geloofs-vertrouwen op God, dat God zeker het volk veilig over de Jordaan zal brengen. Dat is voor Jozua een vaststaand feit, zonder twijfel!

 

En dat is in ons leven ook zo. We zijn vaak bezig, en daar gaan we een volgende keer nog wat dieper op in, maar we zijn vaak in ons leven bezig met die Jordaan. We zijn vaak in geestelijke zin bezig met waar we geestelijk staan. Namelijk, staan wij nou vóór de Jordaan aan de kant van de woestijn, of zijn we al doorgetrokken over de Jordaan. Staan we nog steeds in onze oude mens, of zijn we de Jordaan doorgetrokken, en gaan we echt staan in de nieuwe mens? Daar gaat die Jordaan over. Daar gaat deze geschiedenis over. Dat je je oude leven achter je laat, je oude mens uittrekt, en dat je je nieuwe mens aandoet. En dat je in dat geloofsleven gaat staan. En dan mag je over de dagelijkse “problemen” heen stappen, eroverheen kijken, en zien op, en leven vanuit de zegeningen, die voor je zijn bereid in het hemels Kanaän!

 

Maar waarom moet je in dat geloofsleven gaan staan? Sommigen mensen zijn alleen maar met die vraag bezig. Maar “dat erin gaan staan” heeft een reden. Waarom moet je in die nieuwe mens gaan staan? Waarom “wij geheel anders”? Omdat, als je overgetrokken bent door die Jordaan, wat niet het doel op zich is, dat is alleen maar een middel, dat de Heere je tot een nieuw mens doet zijn, en dat je die nieuwe mens mag aandoen. Waarom? Om de geestelijke strijd aan te gaan. Om Kanaän in bezit te nemen, daar gaat het om! Je bent gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten. Maar die moet je wel in bezit nemen! En dat kost wel strijd. Daar gaat het om!

 

En dan krijg je gelijk altijd te maken met die boosheden in de hemelse gewesten. Dan krijg je meteen te maken met die geestelijke strijd. En de Heere wil dat we het in bezit nemen. De Heere wil ook van Israël dat ze het innemen. 't Is eigenlijk heel goed wanneer je hier gaat lezen, dat Jozua hier van Godswege zegt, als hij hier gaat spreken in Joz 3:10:

  • "Hieraan zult gij weten, dat de levende God in uw midden is en dat Hij zeker(en dan volgen er zeven volken) de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u uit verdrijven zal.”

 

Die zeven volkeren worden hier alle zeven achter elkaar genoemd, die zeven stuks zullen voor Israël uitgedreven worden, en zij zullen de Jordaan overtrekken, en zij zullen heel het land Kanaän erfelijk in bezit nemen, het staat vast, er is geen twijfel mogelijk!

 

Broeders en zusters, waaraan zullen wij dan uiteindelijk ervaren, persoonlijk ervaren, dat je in feite in het geloof bent gegroeid? Niet dat je alles achter je laat, en nu die Jordaan doortrekt, ja, dat is natuurlijk wel het eerste grote wonder, maar je gaat ervaren dat de levende God in je midden is, als je in Kanaän overwinning op overwinning behaald. Dat je daar overwinnings-leven meemaakt. Geen leven vanuit de woestijn, in de nederlaag, altijd maar murmureren, dag in dag uit murmureren. Dat is jammer genoeg vaak het woestijnleven van de christenen, die zijn wel verlost vanuit “Egypte”, maar zij murmureren altijd maar, en zij zitten maar in die woestijn.

 

Nee, waar gaat het hier om? Wat ga je beleven als de levende God in je persoonlijk midden is? In ons midden is? Maar vooral ook in je eigen leven in het middelpunt staat?

 

Als je in Kanaän bent gekomen, dan mag je ervaren dat je al die geestelijke zegeningen stuk voor stuk, één voor één in bezit mag nemen, dan mag je persoonlijk ervaren dat de Heere je geopende ogen des harten geeft om die rijkdom van zegeningen te ontwaren, die rijkdom waarmee ieder lid van het Lichaam van Christus mee is gezegend. Maar het gaat niet vanzelf, het kost strijd! Maar daarvoor heeft God voorzien van Zijn wapenrusting, die we mogen aantrekken. En daarin zien we dat God eigenlijk in alles heeft voorzien, als wij maar stillekens achter Hem aan wandelen.

 

Deel 13 volgt DV

Bert Boersma Juli 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 13)

 

 Drie Dagen

We waren bezig in het boek Jozua. We hebben gezien hoe voor Israël die dagen daar aan de oever van de Jordaan elkaar opvolgen. We hebben gezien in Joz 2:22, dat er eerst sprake is van drie dagen, drie dagen verbleef Israël in Sittim, terwijl de verspieders in Jericho waren:

  • Zij (die verspieders) nu gingen heen, kwamen in het gebergte en bleven daar drie dagen, totdat de vervolgers (van Jericho) teruggekeerd waren. De vervolgers hadden overal langs de wegen gezocht zonder te vinden. Toen keerden de beide mannen terug, daalden van het gebergte af, staken over en kwamen bij Jozua, de zoon van Nun, en zij vertelden hem al hun wedervaren.” (Joz 2:22-23).

 

Drie dagen in Sittim. Daar was Israël toen. Daarna lees je over een volgende drie dagen, namelijk in Joz 3:

  • Toen stond Jozua des morgens vroeg op, en hij en al de Israëlieten braken op van Sittim en kwamen tot aan de Jordaan, waar zij overnachtten, voordat zij overtrokken. Na verloop van drie dagen gingen de opzieners de legerplaats door en zij gaven het volk dit bevel: Zodra gij de ark des verbonds van de HERE, uw God, ziet en de levitische priesters, die haar dragen, dan zult gij ook van uw plaats opbreken en achter haar aan trekken.” (Joz 3:1-3).

 

Weer drie dagen. En we hebben gezien, waar die dagen mee te maken hebben. Die eerste drie dagen vertoefde Israël in Sittim. Waar stond Sittim voor? Sittim stond voor een beeld van de zwakheid van het vlees. In Sittim vond je een slechte houtsoort, Sittim is een beeld van zeer slecht hout, een zeer slechte houtsoort. En je zou kunnen zeggen, Sittim dat is type wie wij als gelovigen van nature zijn. Dan ben je maar heel zwak, dat is de zwakheid van het vlees, je bent dan wel verlost uit Egypte, en je mag je verlost weten, maar het is toch nog een woestijnleven, en het is eigenlijk een beeld van de hele periode in je geestelijk leven, dat je een geestelijke zuigeling, een onmondige, de geestelijke baby bent. Die periode hebben we als gelovigen allemaal meegemaakt.

 

Drie dagen, dat is een periode, die je wel nodig hebt, drie dagen, een periode om verder te komen. Want het moet niet zo zijn, dat je daar in Sittim blijft, of anders gezegd, het moet niet zo zijn, dat je geestelijk een zuigeling, een onmondige blijft. Nee, er wordt verwacht dat je ook groeit in het geloof. Je moet de woestijn wel door, je mag ook allemaal die periode meemaken, dat je nog onmondig bent, dat je de Heere Jezus Christus pas hebt leren kennen, maar je moet door ongeloof niet blijven steken in die woestijn. Want dan komen we nooit verder.

 

Israël wordt hierna door de Heere naar de oever van de Jordaan geleid. En dat doet de Heere in ons leven ook. Hij leidt ons na die periode van drie dagen naar de Jordaan, waar we ook weer drie dagen vertoeven, en daar ons kampement opslaan aan de oever van de Jordaan.

 

Je bent nog wel in de woestijn, maar je groeit verder op, je ziet die Jordaan, je denkt na over die Jordaan, je wordt geestelijk wat ouder, het is eigenlijk een beeld van de geestelijke jongeling. Je zou kunnen zeggen, de geestelijke puber. Je mag leren zien dat beeld van de Jordaan, de woestheid van de golven en de wilde snelstromende rivier – de wereld waarin wij leven, en waar doorheen Christus ons wil dragen – hebben wij vertrouwen? God houdt als het ware Zijn hand voor het snelstromende water, om ons te beschermen tegen alle boosheden.

 

Je ontwikkelt je geestelijk, maar je bent nog steeds bezig in jezelf met die doods-Jordaan, je bent bezig met vlees en geest, en de strijd, die er in je leven tussen is.

 

Op een gegeven moment zit je ook echt in die zesde dag. Drie dagen was je een geestelijke zuigeling, en drie dagen lang ben je nou een jongeling. 3 + 3 = 6, en 6 is het getal van de mens, en dat is de opbouw van dit Bijbelgedeelte. Zes, het getal van de mens, en zo is daar strijd tussen het vlees en de geest. Maar we moeten leren om die “zesde dag” achter ons te laten, en ons uit te strekken naar die zevende dag, de dag waarop Israël mocht overtrekken.

 

Eigenlijk een prachtig beeld dat Israël hier op die zevende dag moest overtrekken. Want wij weten dat in de toekomst het volk Israël na zes dagen, na 6000 jaar, werkelijk het beloofde land zal binnengaan. Dan zal Christus hen uit de volkeren verzamelen en hen in het beloofde land brengen, en Hij zal koning over hen zijn.

 

En die zevende dag komt, de dag des Heeren. En die zevende dag is de dag waarop je je moet heiligen. En Israël die moest zich ook heiligen, die morgen komt:

  • En Jozua zeide tot het volk: Heiligt u, want morgen zal de HEERE in uw midden wonderen doen.” (Joz 3:5).

 

Heiligt u!” En zo'n opdracht krijg je in je eigen leven ook, dat je je moet klaarmaken, dat je apart gezet bent, dat je door genade ontdekt wie je bent in de Heere, en dat je doorgroeit naar de volwassenheid in het geloof, en dat je op die zevende dag in je geloofsleven toekomt aan die persoonlijke overtocht over de Jordaan, dat je het beloofde land mag binnen gaan.

 

Twee Doortochten

Wanneer we persoonlijk al deze dingen overdenken, dan zou je dus kunnen zeggen dat er twee keer een verandering plaatsvindt in ons leven, tenminste, zo zou het moeten zijn.

 

Twee keer is er een geweldige verandering in je leven. Dat was bij Israël zo, en dat is bij ons ook zo. Wanneer vond er bij Israël een geweldige verandering plaats? De eerste verandering was bij die doortrekking door de Rode Zee, en de tweede keer was door de Jordaan. En je kan die twee ook met elkaar vergelijken, dat trekken door de Rode Zee, ook wel genoemd de Schelfzee, én de doortocht, de overtocht over de Jordaan. Het zijn twee identieke vergelijkbare gebeurtenissen.

 

Maar zo zijn er ook twee gebeurtenissen, twee geestelijke veranderingen, twee overtochten ook in ons eigen persoonlijk leven. De eerste verandering is dat je uit Egypte komt, wat een beeld is van de wereld, waar je leefde onder de slavernij der zonde, maar opeens leer je het Paaslam kennen, het Lam Gods, en de kracht van het bloed van de Heere Jezus Christus, wat je mag smeren aan de deurposten van je leven. En dan gaat de doods-engel gaat aan je voorbij. Je maakt een persoonlijke uittocht mee uit deze wereld, en je maakt mee, dat je hele leven verandert. Je gaat door de Rode Zee. Je komt tot geloof in de Heere Jezus Christus. En je leven verandert compleet, sinds Jezus nu woont in je hart.

 

Maar wat ervaart ook ieder mens die tot geloof komt, een kind van God wordt, weder-geboren wordt? Wat ontdekt die ook? Hij denkt al heel wat te weten, maar hij komt opeens tot de ontdekking dat hij nog steeds in deze wereld leeft, dat hij niet opgetrokken is in de hemel of zo, nee hij staat nog steeds met zijn beide benen op deze aardbol, op deze aardbodem, en hij ontdekt ook dat die aarde, dat die wereld voor hem een woestijn geworden is. Die wereld bevredigt zijn hart niet meer. Die wereld is voor hem als het ware als een woestijn. En hij bemerkt ook, dat hij nu wel gelovig geworden is, maar dat hij toch helaas af en toe ook wel terug verlangt naar die vleespotten van Egypte. Want die wereld trekt aan hem, en die heeft allerlei lucratieve zaken te bieden. En dat was voor Israël ook zo, zij verlangden ook terug naar de vleespotten van Egypte, naar de knoflook, en ik weet niet wat er allemaal wordt opgesomd, wat ze lekker vonden.

 

En dat hebben wij als gelovigen ook, als gelovigen maken we dat ook mee, dat ondanks dat we verlost zijn, en de Heere Jezus Christus hebben leren kennen als onze Heiland, en de wereld een woestijn voor ons is geworden, dat toch die oude wereld van vroeger nog het nodige voor ons te bieden heeft, en dat daar verleiding is. En dat het vlees van ons terug verlangt. Vaak zit dan ook zo'n gelovige in zo'n situatie, dat hij zich nog wel in die wereld bevindt, nog wel terug verlangt, en dat hij tegelijk ook in die woestijn verblijft, waar hij met de Heere Jezus wel op weg is naar Kanaän, maar hij vindt het toch zwaar, dat geloofsleven, het is niet allemaal zo gemakkelijk.

 

Maar de Heere zorgt voor hem in die woestijn, want elke dag is daar het manna, het brood uit de hemel, en elke dag is daar ook het levende water uit de rots, de Heere Jezus Christus. Er wordt heel goed voor zijn natje en zijn droogje gezorgd. En de Heere Jezus gaat steeds vooraan in zijn leven, en hij volgt ook wel, maar ja, hij murmureert ook wel erg veel. Het is altijd murmureren en altijd morren in die woestijn. En de Heere wordt er ook wel eens erg moe van, van sommige christenen, dat ze maar aan het morren blijven, en murmureren. Maar zelfs als hij in dat kindschap Gods is, als ze nog niet volwassen zijn, toch zorgt God ook voor deze kinderen in het geloof.

 

Maar de gelovige moet volwassen worden, en de Heere gaat hem daarin voor. En voor je het weet is de Heere de woestijn doorgetrokken, en staat Hij daar aan de Jordaan. En dan kunnen er twee dingen geschieden, of hij (die gelovige) is zo gegroeid, dat hij gaat nadenken aan de oever van de Jordaan, en in het geloof doortrekt door de Jordaan heen naar de overzijde, en hij (al wandelende) Kanaän ontdekt, en dat land geestelijk in bezit gaat nemen, en echt in dat geloof gaat staan, óf dat hij, zoals Israël ook een keer deed, door ongeloof het helemaal niet ziet zitten, al die geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, en er helemaal niet van wil horen, en zich geestelijk helemaal niet wil inspannen, en geestelijk helemaal niet wil strijden. Dat wil hij allemaal niet, en hij draait zich om, en uiteindelijk blijft hij steken, zoals een heel geslacht van Israël is blijven steken in de woestijn, en hun lijken zijn uiteindelijk gevallen in de woestijn.

 

We zien hier twee groepen gelovigen. En die twee groepen gelovigen zien we ook vandaag de dag om ons heen. De ene groep gaat aan Gods hand door de Jordaan, en gaat doorwandelen in het beloofde land. Dat gaat wel gepaard met strijd, maar zij weten: God strijd voor ons. Wij mogen vol vertrouwen achter hem aan gaan.

 

De andere groep vindt dat strijden maar helemaal niks, en blijft liever zitten bij de “vleespotten” van Egypte. En eigenlijk komen we dan terecht bij de tekst uit Fil 3:17-19:

  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.”

 

Eigenlijk zouden we Fil 3:17 uit de Staten Vertaling moeten lezen, want die is juister vertaald, namelijk: “Weest mede mijn navolgers.” In de grondtekst vinden we hier het woord “summimetes”, wat is afgeleid van “sun” en “mimeomai” Het woordje “sun” is vaak vertaald door “mede”, wat eigenlijk een veel te zwakke vertaling is, want het drukt veel meer uit. “Mede” betekent “exact gelijk aan”, en “precies hetzelfde”. Eigenlijk zegt Paulus dus: “Volg mij na op exact dezelfde wijze, imiteer mij op precies dezelfde manier, als ik doe.” Dat kon Paulus zeggen, omdat hij Christus navolgde.

 

En, er zijn gelovigen, die Paulus op die manier ook echt zo navolgen, want hij zegt: “Ziet op hen,die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.” Dat is die ene groep gelovigen, die geplaatst in de context van deze bijbelstudie, wél overtrekken over de Jordaan, en wél gaan wandelen aan Gods hand in de strijd. Want strijd komt er, en zal er zijn.

 

Maar er zijn ook gelovigen, waar Paulus groot verdriet van heeft. Want zij hebben helemaal geen zin om hem na te volgen, en van hen staat geschreven:

  • Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:18-19).

 

Paulus huilt om deze gelovigen. Want zij zouden beter moeten weten, maar zij willen niet het kruis van Christus op zich nemen, en zij willen niet om Christus wil lijden. Zij hebben geen trek in die strijd. Zij zoeken niet de dingen die boven zijn, maar die op de aarde zijn. En dat zal voor hen tot verderf lijden. Dat betekent niet dat ze verloren gaan, maar dat betekent wel, dat ze niet zullen genieten van de zegeningen die voor hen bereid zijn in het hemels Kanaän. Zij zullen geen geopende ogen ontvangen om Gods rijke zegeningen te ontdekken. Zij zullen door hun wandel uitgesloten worden van het Lichaam van Christus.

 

Precies zo is het gegaan met de eerste “lichting” Israëlieten, die toen voor de eerste keer voor het land stonden, en door hun ongeloof niet konden intrekken in het beloofde land. Ook zij waren niet verloren, want zij waren in Egypte verlost door het bloed van het lam, wat ze aan de deurposten hadden gestreken, maar door ongeloof, en door het niet in geloof volgen van hun Voorganger, door het niet aangaan van de strijd, gingen zij toen niet binnen in het beloofde land.

 

Wanneer we zo Gods Woord bestuderen, dan zien we bijvoorbeeld hoe de Heere in Lev 25 aan Israël de regels geeft om in alle rust, en zonder armoe te leven in het land Kanaän, wat van de Heere is, en waarin Hij Zijn volk wil laten wonen. Zo lezen we bijvoorbeeld in Lev 25:23:

  • Het land is van Mij, en gij zijt vreemdelingen en bijwoners bij Mij.”

 

Maar wat was er gebeurd, terwijl het land van de Heere was? We lazen in Joz 3:10 dat er zeven volkeren woonden in het land Kanaän, die de Heere voor het volk Israël uit verdrijven zal. Wat was er aan de hand met die volkeren? Ze bedreven allemaal de afgoderij, wat de Heere een gruwel was, en daarom moest het land worden schoongemaakt! Satan was mooi bezig geweest, hij had het land, wat van de Heere was, volgemaakt met gruwelen, volgemaakt met afgoderij. Juist dat land, wat van de Heere was! Atijd weer probeert hij de plannen van God te dwarsbomen. Maar hij zal altijd de verliezer zijn. En daarom moest er strijd geleverd worden, waarin de Heere het volk zou leiden.

 

En zo staat er een nieuwe generatie klaar, die aan de oever van de Jordaan stond. Veertig jaar is voorbij gegaan. En zij mogen het land binnen gaan, zij staan eigenlijk op hetzelfde punt waar eens het oude geslacht, hun eigen vader en moeder stonden, en door ongeloof niet zijn ingegaan.

 

Maar dat is een tweede stap in het geloofsleven. Net zo groot is deze stap als de eerste stap als je door de Rode Zee gaat. Net zo'n grote stap is in het geloofsleven, het gaan door de Jordaan.

 

En je kan alleen maar gaan door de Jordaan, als je gaat ontdekken in je leven, dat je één bent gemaakt met de Heere Jezus Christus in Zijn dood én in Zijn opstanding. Dat je één bent gemaakt, dat je mede bent gekruisigd met Christus, mede bent gestorven met Christus, mede bent begraven met Christus, en dat is allemaal een jezelf minder achten, een jezelf vernederen, dat is een afdalen de Jordaan in. Maar niet alleen dat je met Hem bent begraven, maar ook dat je met Hem mede bent levend gemaakt, en dat je met Hem mede bent opgewekt, en dat je met Hem mede bent gezet in de hemelse gewesten ter rechterhand Gods. En dan ben je in Kanaän. Dat is het hele geheim. Dat is het hele beeld. En dat betekent geestelijk die hele overtocht van de Jordaan.

 

We mogen zien, dat het doorgaan door de Rode Zee, net zo'n enorme verandering in ons leven teweeg heeft gebracht, namelijk tot geloof en overgave komen in de Heere Jezus Christus, als ook die doortocht door de Jordaan een geweldige verandering in ons leven teweeg brengt, namelijk dat je persoonlijk, je geestelijk dingen eigen maakt door van God ontvangen geopende ogen des harten, en dat je groeit naar de volwassenheid in het geloof, en dat je je uitstrekt naar de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, om die één voor één te ontdekken.

 

Die parallellen, broeders en zusters, zijn bijzonder waardevol om in Gods Woord te ontdekken. Die parallellen die je kan trekken tussen de doortocht van de Rode Zee, en de doortocht van de Jordaan. En wat ze ook ons te zeggen hebben. Beide zijn verbonden met water. Het was allebei water. En voor wie het later eens een keer wil onderzoeken, water is in de Bijbel altijd een type van tijd. Op de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, vindt je daar water? Nee, daar vindt je geen water, dat moet je maar eens onderzoeken. Daar is geen water en daar is ook geen tijd. Water is tijd. Het opstandingslichaam bestaat dat uit water? Wij bestaan geloof ik voor 80% wel uit water. Bestaat ons opstandingslichaam uit water? Nee, dat is net als het Lichaam van Christus, dat bestaat uit vlees en been. (Luk. 24:39).

 

Dat kunnen wij ons niet voorstellen. Wij bestaan uit vlees en bloed. Maar bij de Heere Jezus wordt alleen maar gesproken over vlees en been, niet over vlees en bloed. Hij bestaat niet uit water. Water is tijd. Hij is tijdloos, Hij is eeuwig, dat wil zeggen, Hij is van alle eeuwen. En door Zijn grote genade zijn allen, die tot het Lichaam van Christus behoren, in Hem geplaatst.

 

Wat ook zo bijzonder is, als je die twee rivieren, om zo maar eens te zeggen, of die twee zeeën, de Rode Zee en de Jordaan met elkaar gaat vergelijken, dan hebben ze allebei:

  • Ze hebben beide twee oevers. En je staat of aan de ene kant van de oever, of aan de andere kant van de oever. Nou hoop ik van u allemaal dat u die u de Rode zee bent doorgetrokken, dan hoeven we ons niet af te vragen, waar u staat. Maar waar sta je bij de Jordaan? Ik bedoel, hoe sta je bij de Jordaan? Ja, daar kunnen we alleen maar heel persoonlijk een antwoord op geven. Of we staan nog steeds aan de woestijn-kant, óf we staan aan de kant van Kanaän. Zijn we doorgetrokken onder Zijn machtige beschermende hand? Hebben we het ons geestelijk toegeëigend? Aan welke oever staan wij?
  • Beide waren een getuigenis voor heel het volk Israël. Een geweldig getuigenis, met een geestelijke diepgang ook voor ons.
  • Bij beide moest een barrière worden weggenomen. Dat water moest worden weggenomen, zowel bij de Rode Zee, als bij de Jordaan. Bij de Rode Zee was dat eigenlijk een beeld van de doodstraf, en de doodstraf werd ook zo toegepast op de Egyptenaren. En de lijken van al die Egyptische soldaten zagen ze ook drijven aan het eind, toen het ook allemaal geschied was. Maar de Jordaan gaat over de dood zelf. Dat die dood je geen angst meer aan jaagt, omdat Christus de dood heeft overwonnen!
  • Beide zijn een beproeving van het geloof. Bij allebeide is geloof voor nodig. Het is een test, het is een beproeving van ons geloof. En beide geschied, als je daar op in gaat, zonder dat je dat van te voren eigenlijk beseft, dat je ondervindt dat je daar loopt op een zeer droge bodem, er is geen druppel water te bekennen, je staat op vaste grond, het is geen drijfzand. Nee, je kan er overheen lopen, zonder meer, je komt aan de overkant, maar er is wel geloof voor nodig.
  • Beide zijn ook geluidloos. In die zin, dat er geen geschreeuw, geen rumoer is. Er wordt daar helemaal niet op ramshoornen geblazen, of op trompetten. Zowel niet bij de Rode Zee, als bij de Jordaan, het is muisstil, de wereld ziet het niet. De wereld kent het niet. Wat gelovigen doen in het geloof, ziet de Heere alleen. Maar het is geluidloos. De wereld kent het niet.
  • Het betekent een nieuwe periode in het leven van Israël, ook zo voor ons. Het is een nieuwe periode in je leven, als je er doorheen gaat, treedt er een nieuwe periode in je geloofsleven aan.
  • En bij beide sta je versteld van de geweldige macht van God. Want het is God, die het doet. Het is Christus die het doet. En je staat versteld daarvan, hoe groot God is.
  • In beide gevallen ga je liederen zingen. Het is wel bijzonder, dat in de psalmen ook een lied is opgenomen, die ze gezongen hebben, hier, aan de Jordaan. En het lied van Mozes, wat je in Deuteromium kan vinden, dat hebben ze gezongen, toen ze aan de andere oever van de Rode Zee stonden. Ze gaan allebeide zingen.
  • Ze zijn allebei vol van de grootheid van God. Want Hij is het die het doet
  • Het heeft te maken met zien. Vers 11, het zien op Christus
  • Het zien op de ark des verbonds. “Ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over, de Jordaan in.” (Joz 3:11). Ziet! Je moet zien. Wie moet je zien? Dat hebben we de afgelopen keer al overdacht, die arks des Verbonds is heel duidelijk een type van Christus. Waar moet je op zien? Je moet op Christus zien.

 

Daar moet je op zien. En wat ik zo bijzonder vindt, dat wat hier ook staat, wat heeft Christus nou voor je gedaan? Nou, Hij is voor je de dood ingegaan. Dat staat hier ook, vers 11:

  • Ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over, de Jordaan in.” (Jozua 3:11).

 

Hij is de Jordaan ingegaan. Dat is een beeld van hoe Hij de dood is ingegaan voor u en voor mij, voor heel het volk. Hij is voor ons uitgegaan, de dood in. Dat deed Hij voor u, dat deed Hij voor mij. En dáár moet je op zien. En als je daarop gaat zien, op Zijn dood, dan ontdek je ook, dat mede-gekruisigd zijn met Christus, dat mede gestorven zijn met Hem, dat mede begraven, dat mede levend gemaakt, mede opgewekt en het mede gezet zijn in de hemelse gewesten. Dat ontdek je dan. Maar dat moet je je wel persoonlijk toeëigenen, dan moet je wel gaan zien. Ziet op Hem. Hij trekt voor u over de Jordaan in! Volgen wij Hem?

 

Deel 14 volgt DV

Bert Boersma Juli 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 14)

 

 Wanneer we zo bezig zijn met het onderwerp “Waardig Wandelen”, en dan nu met name in het boek Jozua, dan ontdek je ook steeds weer de grootheid van God, en dan zie je ook steeds hoe geweldig Gods Woord in elkaar zit. Het verhaalt ons van de geschiedenis van Israël, maar in bijna alles zitten ook voor ons hele rijke geestelijke lessen.

 

De vorige keer waren we geëindigd met de tekst:

  • Ziet, de ark des verbonds van de HERE der ganse aarde trekt vóór u over, de Jordaan in.” (Joz 3:11).

 

De Heere der ganse Aarde

Het is niet zomaar de ark des Verbonds, nee, het is de ark des Verbonds van de Heere der ganse aarde. Het is niet zomaar de Heere, nee, hier wordt Hij uitdrukkelijk genoemd: “De Heere der ganse aarde.”

 

Dat is een hele bijzonder uitdrukking, want dat komt maar heel weinig voor in de Bijbel.

 

Je kan de aantallen tellen in de Bijbel, aan de hand van een concordantie, en dan komen we tot de ontdekking dat de uitspraak “De Heere der ganse aarde” zeven keer in het Woord voorkomt. Heel bijzonder. Komt altijd weer precies zeven keer voor, het is een volheid. En wanneer je al die tekstplaatsen opzoekt, waar het allemaal over gaat, wat dan eigenlijk de betekenis van “de Heere der ganse aarde” is in de schrift, dan ontdekken we dat het een getuigenis is van de Heere aan gans de aarde, over de Zoon, de Heere Jezus Christus, de ark des Verbonds, en dat Hij straks de universele heerschappij krijgt over gans de aarde. Het wordt ook in de profeten gebruikt, deze uitdrukking vinden we zeven keer in de Bijbel. Wanneer u het wilt opzoeken, dan zijn dit de zeven teksten: Jozua 3:11, Jozua 3:13, Ps 97:5, Jes 54:5, Micha 4:13, Zach 4:14 en als laatste Zach 6:5.

 

En broeders en zusters, die Heere der ganse aarde gaat de Jordaan in! Gaat in vernedering die doods-Jordaan in. Want dát is wel het beeld wat ons hier geschetst wordt. En dan kan het bijna niet anders, dat ons de tekst uit Fil 2:5 in gedachten komt, waar we lezen dat Christus:

  • Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood.” (Fil 2:7-8).

 

Welk een liefde spreekt hieruit. En welk een liefde spreekt uit dit Woord, waardoor de Heere ons reeds in Jozua een vergezicht gunt in de dingen die Hij zal doen voor de mensheid, voor u en voor mij.

 

Het is een getuigenis, en het wás ook een getuigenis voor alle volken, die hier worden genoemd in Jozua 3:10, namelijk voor zeven volken. Zeven volkeren van Kanaän worden er genoemd. Weer zeven, weer eigenlijk een volheid, maar dan in dit geval een volheid van het kwade. Want al die zeven volken moesten in opdracht van de Heere vanwege hun afgoderij van de aardbodem worden weggedaan.

 

En wat is nou het gevolg van het getuigenis van de Heere der ganse aarde, aan alle volken van het land? Dat staat er eigenlijk bij als je één pagina verder gaat naar hoofdstuk 5:1, dan kan je zien wat die uitwerking van die doortocht over de Jordaan was:

  • Zodra al de koningen der Amorieten aan de westzijde van de Jordaan en al de koningen der Kanaänieten aan de zee hoorden, dat de HERE de wateren van de Jordaan voor het aangezicht der Israëlieten had doen opdrogen, totdat zij erdoor getrokken waren, versmolt hun hart en zij hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten.”

 

Dat is de uitwerking. Toen zij dat zagen, versmolt hun hart, en ze hadden geen moed meer. Ja, dat is het geweldige getuigenis. Wat is het getuigenis van de Heere Jezus dan? Dat Hij de dood inging, (dat Hij de Jordaan inging), en dat Hij opstond, (dat Hij weer uit de Jordaan opklom), en ten hemel voer, (dat Hij in het beloofde land kwam), dat Hij opstond in de grootheid en de macht en de kracht van God, en Zich zette aan Gods rechterhand boven alle overheid en macht en kracht. Wat was daar het beeld dan van? Waar zijn deze koningen der Amorieten, en de koningen der Kanaänieten, waar zijn zij een beeld van, als je deze dingen doortrekt naar die hemelse gewesten? Wat vinden we daar in die hemelse gewesten? De geestelijke boosheden in de lucht. En wat heeft Christus daarmee gedaan? Dat kunnen we lezen in Kol 2:

  • Hij heeft de overheden en machten ontwapend en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.”

 

Dat heeft Hij gedaan in Zijn opstanding en hemelvaart. Zo heeft Hij over die overheden en machten, daar, in die hemelse gewesten, hij heeft ze openlijk ontwapend, en zo over hen gezegevierd. Datzelfde beeld zien we later ook in het veroveren van het land Kanaän. Het gaat in beide gevallen niet over aardse overheden en machten en krachten, dat vindt je nergens in de Bijbel. Nee, Paulus heeft het in Kol 2 over een hele andere dimensie, en ook in Jozua gaat het over die andere dimensie. Het betreft steeds de overwinning van de overste van de macht der lucht en zijn aanhang.

 

Zo zien we dat ook in deze dingen, in geestelijke zin gezien, een geweldige diepgang zit, want wij gaan in Christus diezelfde geestelijke weg, en we komen ook dan terecht in ons Kanaän, in de hemelse gewesten, en we krijgen daar ook die strijd tegen die geestelijke boosheden, tegen die machten, overheden en krachten in de hemelse gewesten. Maar je ziet, en we weten, de Heere heeft over hen gezegevierd. Hij heeft allang overwonnen, Hij is de Overwinnaar.

 

Broeders en zusters, ik kan u wel één ding zeggen, we hebben allemaal wel een geestelijke strijd te voeren, maar satan en al zijn trawanten, die hebben gezien, toen zij Christus via de mens aan het kruis van Golgotha nagelden, dat Hij werd opgewekt, en dat Hij nu zit ter rechterhand Gods. En weet u, wat er aan de hand is, als zij zien, dat er zoveel gelovigen de Heere Jezus Christus in geestelijke zin volgen, en dat zich daar een Lichaam van Christus vormt, ter rechterhand Gods? Dan zinkt de moed satan in de schoenen, dan versmelt zijn hart.

 

Dat is identiek aan de tekst uit Jozua:

  • Zodra al de koningen der Amorieten aan de westzijde van de Jordaan en al de koningen der Kanaänieten aan de zee hoorden, dat de HERE de wateren van de Jordaan voor het aangezicht der Israëlieten had doen opdrogen, totdat zij erdoor getrokken waren, versmolt hun hart en zij hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten.” (Joz 5:1-2).

 

Ja, dat wil niet zeggen, dat ze zich zomaar gewonnen geven, ook al versmolt hier hun hart. Ze gingen wel vechten hoor, die Kanaänieten, en die Amorieten. Dat is nog wel een heel gevecht geweest daar in het land Kanaän. En het zal ook in de toekomst nog een heel gevecht zijn, voordat Christus Zijn heerschappij kan vestigen in heel de schepping, en Hij Zijn werk eindelijk af heeft, en terug kan geven in de handen van de Vader, en dat God kan zijn alles en in allen. Zover is het nog lang niet. Want ook al weet satan, dat hij door alle eeuwen heen het onderspit heeft moeten delven, hij zal tot aan het allerlaatste einde proberen strijd te voeren tegen Christus, en tegen alles en iedereen waarmee Christus Zijn plan zal volvoeren!

 

Christus zal heerschappij moeten voeren, en Hij gebruikt ons daar ook voor. Dát is het getuigenis van de Heere der ganse aarde. Dat is de uitwerking daarvan.

 

Het afgesneden Water

Ja, en dan dat water van de Jordaan. Dat water dat werd afgesneden. “Afgesneden” staat er. Dat lezen we in Joz 3:13:

  • Zodra dan de voetzolen der priesters, die de ark van de HERE, de Here der ganse aarde, dragen, in het water van de Jordaan rusten, zal het water van de Jordaan afgesneden worden; het water, dat van boven afkomt, zal als een dam blijven staan. Het geschiedde nu, toen het volk uit zijn tenten opbrak om de Jordaan over te trekken, – de priesters die de ark van het verbond droegen, bevonden zich aan de spits van het volk – dat, zodra de dragers van de ark aankwamen bij de Jordaan en de voeten der priesters, die de ark droegen, aan de oever in het water gedompeld waren – de Jordaan nu was geheel buiten zijn oevers getreden gedurende de ganse oogsttijd – het water, dat van boven afkwam, bleef staan; het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad, die bezijden Saretan ligt, terwijl het water dat afvloeide naar de zee der Vlakte, de Zoutzee, volkomen werd afgesneden. Toen trok het volk over, tegenover Jericho.” (Joz 3:13-16).

 

Het water werd dus afgesneden, van boven, aan de noordkant bleef het water als een dam staan, terwijl die ark door de priesters in de Jordaan gedragen werd, en zij uiteindelijk in het midden van de Jordaan bleven staan, onbeweeglijk. En dan staat er tot hoever de Jordaan als een dam blijft staan. Dat staat erbij in vers 16:

  • Het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam, de stad, die bezijden Saretan ligt.”

 

Adam, de stad. Ja, we hebben te maken in ons leven met die doods-rivier, de Jordaan. We hebben te maken in ons leven met de dood. En dan ga je naar Rom 5:12, dan lees ik over die dood:

  • Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan.” (rom 5:12).

 

En wie is die ene mens, waardoor de zonde de wereld is binnengekomen? Ja, dat is Adam. En door de zonde is de dood de wereld binnengekomen. En die dood is tot alle mensen doorgegaan. Ook tot u, en ook tot mij. Dat is Adam. En wat deed die Jordaan in de oogsttijd, terwijl men erbij stond, terwijl de Jordaan zo hard aan het bruisen en kolken was, en het water maar snel voorbij stroomde? Nou, alles wat daarin kwam, dat werd meegevoerd, zegt hier vers 16. Dat water werd meegevoerd door die doods-Jordaan. En waar kwam het terecht? Dat staat erbij, het water vloeide af naar de zee der Vlakte, de Zoutzee. Daar werd al dat water en alles wat erin kwam, naartoe afgevoerd.

 

Wat is de Zoutzee? We noemen dat ook wel de Dode Zee. Ja, dat is allemaal dood. We weten, het is er inderdaad zo dood als een pier. De zon is zo heet, en in die Dode Zee groeit helemaal niks. Kan ook niet. Je kan er alleen maar in drijven, dat is ook wel een hele leuke ervaring, om daarin te drijven, en je hebt heel veel modder, daar kan je je mee insmeren, en later weer helemaal schoonspoelen, enz. Het schijnt goed voor je huid te zijn. Maar er kan niks in zwemmen, geen visje, er kan geen plant in groeien, het is echt een Dode Zee. En al het water uit de Jordaan komt er in terecht.

 

Maar, en dat is zo mooi, je ziet dus, Christus snijdt die Jordaan de pas af, Hij snijdt die doods-rivier de pas af. Hij snijdt die dood af. Hij is de dood ingegaan, als de ark des Verbonds, als de Heere der ganse aarde. En die dood wordt afgesneden. Hij heeft de dood overwonnen! Die doods-rivier is afgesneden, en er wordt niets meer meegevoerd door de doods-Jordaan naar die Dode Zee. Want het water stond stil bij Jericho. En dat is zo geweldig.

 

Adam

Toen ik de naam “Adam” las, gingen mijn gedachten ook naar de mens Adam. We weten dat Adam als eerste mens zondigde, en alle mensen na hem hebben gezondigd, en zo werd als het ware de zonde opgehoopt. Toen ik hierover nadacht in verband met deze geschiedenis bij de oever van de Jordaan, dacht ik: “Waarom wordt nou net die naam “Adam” genoemd?

 

We hebben gelezen dat “het water, dat van boven afkwam, bleef staan; het rees op als een dam, zeer ver weg bij Adam” Dus het water hoopte zich maar op, het kon geen kant uit, terwijl Christus als de Heere der ganse aarde de Jordaan inging, wat een beeld is van Zijn sterven, en Hij klom er weer uit, wat een beeld is van Zijn opstaan. En als alles vervuld is, dan gebeurt het!

 

Wanneer dan het hele volk is overgetrokken en de ark ook weer op de andere oever op het droge staat, dan is alles vervuld. Dan is de Heere der ganse aarde weer als het ware uit de dood verrezen. Dan stroomt dat opgehoopte water, wat voor mij een beeld is van de opgehoopte zonde vanaf “Adam”, met geweld weer terug. Dan stort die muur van water in, en alle water loopt in de “Dode Zee”, wat een beeld is van de dood, wat een beeld is waar de opgehoopte zonde in terecht komt. Er wordt niets meer van gevonden. De zonde is door het volbrachte werk van Christus totaal weggedaan! Zo ziet ook deze gebeurtenis uit het boek Jozua op het te volbrengen werk van Christus.

 

Ja, Adam, die plaats waar zeer ver weg dat water als een dam bleef staan, bij Adam, de stad. Het is wel bijzonder, dat Adam hier wordt genoemd, die stad. Ja, Adam ligt 30 km ten noorden van Jericho. Het is ook bijzonder, waar dat plaatsje lag, Adam, want precies op die plaats kwam er een zijriviertje aan, en die mondde uit in de Jordaan. En die zijrivier, dat is de Jabbok. En we weten eigenlijk precies, dat bij Adam, bij de Jabbok er een worsteling heeft plaatsgevonden. Wie worstelde daar met God? Dat was Jacob. Jacob worstelde daar bij de Jabbok met God, en door die worsteling werd Jacob een Israël. Dat kan je helemaal uitgebreid lezen in Genesis. Voor de worsteling heette hij nog Jacob. Dat is niet zo'n beste naam, want dan ben je een hielenlichter. Dat weten we ook wel uit zijn leven. Er was niks leuks aan die jongen, aan Jacob.

 

Maar hij werd een Israël, wat betekent “een vorst Gods”. En we weten ook wat er geschiedde bij de Jabbok, want in die worsteling met de Heere, raakte uiteindelijk de Heere Jacob aan zijn heup, en hij werd mank. Hij liep zijn hele leven mank. Heel zijn leven kon hij zich herinneren, wie hij eigenlijk was naar het vlees. Dat hij op eigen vlees niet moest vertrouwen, dat hij mank was. En dat geschiedde dus, en dat is heel bijzonder, precies daar op de plek bij Adam, bij dat plaatsje, die stad waar het water bleef staan, en oprees als een dam.

 

En dat is eigenlijk wat het wil zeggen, wat Jacob meemaakte, dat hij van een Jacob een Israël werd. Zo maakte ook Israël dat mee, toen zij bezig waren met de overtocht, en net zo kunnen ook wij dat meemaken, als we bezig zijn met onze overtocht over de Jordaan. Namelijk, dan beleven we de betekenis van de dood en de opstanding van de Heere Jezus Christus. Dat je met Hem de doods-rivier in gaat, maar dat je ook weer verrijst met Hem in opstandings-leven, en dat je het hemels Kanaän binnen gaat. Dat je de oude mens uit trekt, en dat je de nieuwe mens aan doet. En dat je zo gaat staan in de wapenrusting Gods. Dat is het beeld. De oude mens uit doen, en laten liggen aan de ene kant, en de nieuwe mens aan doen, dan sta je aan de kant van Kanaän.

 

En wat is dezen van vitaal belang is, het is eerder gezegd, maar ik herhaal het nog maar eens. Het is van wezenlijk belang dat we de oude mens ook daadwerkelijk achter ons laten, dat betekent, dat we al de oude dingen achter ons laten. Want wanneer we alle oude dingen meezeulen, dan zitten we daar meestal ook vol van, en dan kan de Heere ons de nieuwe dingen, waar Hij ons mee wil vullen, niet geven. Dan is ons hart vol van oude dingen, en dan zien onze ogen op de oude dingen, dan blijven onze ogen gesloten voor al de zegeningen, die de Heere ons wil geven, en die de Heere ons wil laten zien.

 

Maar wanneer je al het oude voor gezien houdt, dan alleen kan je voorwaarts gaan in een heel nieuw tenue. Dan mag je een strijder zijn des Heeren. Dat is wel bijzonder, want als je gaat naar Joz 4, en je ziet al dat volk door die Jordaan trekken, die overtocht meemaken, dan staat er in Joz 4:

  • Ook trokken de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse over, ten strijde toegerust, aan de spits der Israëlieten, zoals Mozes tot hen gesproken had, 13 ongeveer veertigduizend tot de strijd gewapenden; voor het aangezicht des HEREN trokken zij over ten strijde, naar de vlakten van Jericho.” (Joz 4:12-13).

 

Drie stammen (verdeling van het land)

Daar zie je ze, tot de strijd gewapenden, stoottroepers uit die drie genoemde stammen, veertig duizend man. Stoottroepers trekken over, voor het aangezicht des Heeren. Het is op zich bijzonder, dat hier drie stammen worden genoemd. Waarom die andere negen niet? De reden daarvan kunnen we vinden in Numeri 32. De genoemde drie stammen, vooral de Rubenieten en de Gadieten hadden geweldig veel vee, en nadat Israël veel over-Jordaans land had veroverd, vonden die drie stammen dat land eigenlijk wel heel geschikt voor al hun vee (Num 32:1-2). Dat “over-Jordaans land” lag aan de oostzijde van de Jordaan.

 

Daarom kwamen de Gadieten en de Rubenieten, en zeiden tot Mozes en tot de priester Eleazar en tot de hoofden der vergadering:

  • Het land, dat de HERE voor het aangezicht der vergadering Israëls geslagen heeft, dat is een land voor vee, en uw knechten hebben vee. Voorts zeiden zij: Indien gij ons genegen zijt, laat dan dit land aan uw knechten als bezitting worden gegeven; doe ons niet over de Jordaan trekken.” (Num 32:4-5).

 

Maar Mozes stond dit niet toe, en Mozes legde hun ook uit, waarom hij hun dat niet toestond. Want dát zou dan wel eens de reden kunnen worden, dat heel het volk ook niet wilde overtrekken, en dat dan heel het volk Israël het net zo zou vergaan, als de eerste keer dat zij voor het land stonden. Toen waren immers alle mannen van 20 jaar oud en daarboven in de woestijn gestorven, omdat zij niet in het land wilden gaan. En eigenlijk zei Mozes, dat als ze dát wensten, dan zou er waarschijnlijk weer zoiets gebeuren. (lees Num 32:5-15). Nee, de Heere wilde nu, dat heel het volk zou overtrekken, ook die drie stammen. En dat liet Hij door de mond van Mozes weten. Maar de mannen van de drie stammen waren vastberaden, en zeiden tegen Mozes:

  • Wij willen hier schaapskooien bouwen voor ons vee en steden voor onze kinderen, maar wijzelf zullen ons toerusten, ons voortspoedende in de voorhoede van de Israëlieten, totdat wij hen op hun plaats gebracht hebben; onderwijl zullen onze kinderen in de vestingsteden wonen wegens de inwoners des lands; wij zullen naar onze huizen niet terugkeren, totdat ieder van de Israëlieten zijn erfdeel verworven heeft; want wij willen met hen geen erfdeel verwerven aan de overzijde van de Jordaan en verder, wanneer ons erfdeel ons ten deel valt over de Jordaan, aan de kant, waar de zon opgaat.” (Num 32:16-19).

 

Toen zei Mozes tot hen: “Als jullie dat alles doen, dan zult gij vrij staan tegenover de HERE en tegenover Israël, en dan zal dit land voor u zijn tot een bezitting voor het aangezicht des HEREN. Doet wat gij gezegd hebt!”

  • "En de Gadieten en de Rubenieten zeiden tot Mozes: Uw knechten zullen doen, zoals mijn heer gebiedt. Onze kinderen, onze vrouwen, onze have en al ons vee zullen daar blijven in de steden van Gilead, maar uw knechten zullen voor het aangezicht des HEREN overtrekken (over de Jordaan) om te strijden, een ieder, die ten strijde toegerust is, zoals mijn heer spreekt.” (Num 32:25-27).

De Verdeling van het land over de Stammen Israëls

 

Op bovenstaande kaart is te zien hoe het land verdeeld werd onder de stammen van Israël. De Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse hielden hun woord, en daarom lezen we in Jozua 4 dat zij overtrokken:

  • Ten strijde toegerust, aan de spits der Israëlieten, zoals Mozes tot hen gesproken had, ongeveer veertigduizend tot de strijd gewapenden; voor het aangezicht des HEREN trokken zij over ten strijde, naar de vlakten van Jericho.” (Joz 4:12-13).

 

Ja, dat wordt je dan, als je zo gaat in de weg des Heeren, één geworden met Christus in Zijn dood en opstanding. In de Jordaan afgedaald, en aan de andere kant weer op/uitgeklommen, wat een beeld is van sterven en opstaan. In dat nieuwe leven mag je opeens een stoottroeper zijn. Niet een murmureerder, niet een klein kind, wat altijd maar aan het murmureren is, nee, het leven is anders voor je geworden. Je hebt je uitgestrekt naar de Heere, en er heeft een geweldige gebeurtenis in je leven plaatsgevonden. Het woestijnleven, de oude mens ligt achter je, en de nieuwe mens, Kanaän ligt voor je.

 

En ook al is daar een geestelijke strijd, je bent ten strijde gewapend. Je staat in de wapenrusting Gods, en je gaat voorwaarts. Als laatste tekst dan nog Joz 3:17:

  • Doch de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had.”

 

Ja, dat moet een priester doen. Onbeweeglijk blijven staan midden in de Jordaan. Elke spreker moet ook onbeweeglijk blijven staan met het getuigenis van de Heere midden in die doods-Jordaan. En hij moet wachten tot al de gelovigen aangemoedigd zijn, en gewezen zijn op, en gewaarschuwd zijn voor, en aangemoedigd zijn om toch die overtocht te maken. Die priester moet niet denken, ik heb nou een paar keer gevraagd of ze overkomen, en ze komen niet, nou ik ga maar naar de andere kant hoor, nee, hij moet blijven staan. Onbeweeglijk blijven staan met dát getuigenis op zijn schouder, totdat heel dat volk van klein tot groot overgetrokken is, en in dat hemelse Kanaän zijn gekomen. Dat is wat een priester doen moet. Dat is wat wij allemaal hebben te doen in ons getuigenis naar onze omgeving. En dat valt lang niet altijd mee, om dan onbeweeglijk te blijven staan met dat getuigenis op je schouder/in je hart van Christus, Jezus, onze Heere. Dát is wel onze opdracht, om dat in ons leven tot uiting te brengen. Dat het oude leven achter ons ligt, terwijl het nieuwe leven is gekomen.

 

Deel 15 volgt DV

Bert Boersma Juli 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 15)

Onbeweeglijk blijven staan (2)

  • Doch de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, bleven onbeweeglijk staan op het droge, midden in de Jordaan, terwijl geheel Israël op het droge overtrok, totdat het ganse volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had.” (Jozua 3:17).

 

Onbeweeglijk blijven staan met dát getuigenis totdat heel dat volk van klein tot groot overgetrokken is, en in dat hemelse Kanaän is gekomen. Dat is wat een priester doen moet. Dat is wat wij allemaal hebben te doen in ons getuigenis/houding naar onze omgeving. En dat valt lang niet altijd mee, om dan onbeweeglijk te blijven staan met dat getuigenis op je schouder/in je hart van Christus, Jezus, onze Heere. Dát is wel onze opdracht, om dat in ons leven tot uiting te brengen. Dat het oude leven achter ons ligt, terwijl het nieuwe leven is gekomen. Dat is het getuigenis naar onze omgeving! Valt niet mee, maar dat is wel de geestelijke strijd, waar we in staan, maar we mogen weten, dat we daar niet alleen in staan.

 

Twee Monumenten van 12 Stenen

We gaan lezen Jozua 4, en ik wil graag stilstaan bij dit hoofdstuk van vers 1-20:

  • Nadat het gehele volk de overtocht over de Jordaan voleindigd had, zeide de HERE tot Jozua: Neemt u uit het volk twaalf mannen, uit elke stam één man, en beveelt hun: Neemt twaalf stenen op, hier midden uit de Jordaan, van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan, brengt ze met u naar de overzijde en legt ze in het kwartier, waar gij deze nacht zult doorbrengen. Toen riep Jozua de twaalf mannen, die hij uit de Israëlieten had aangesteld, uit elke stam één man, en Jozua zeide tot hen: Trekt over, vóór de ark van de HERE, uw God, naar het midden van de Jordaan, en heft u ieder één steen op de schouder, naar het getal van de stammen der Israëlieten, opdat dit een teken onder u zij. Wanneer uw kinderen later vragen: Wat hebben deze stenen voor u te betekenen? dan zult gij tot hen zeggen: Dat de wateren van de Jordaan afgesneden werden voor de ark van het verbond des HEREN; toen deze door de Jordaan trok, werden de wateren van de Jordaan afgesneden; daarom zullen deze stenen voor de Israëlieten tot een gedenkteken zijn voor altoos. De Israëlieten nu deden, zoals Jozua bevolen had. Zij lichtten twaalf stenen midden uit de Jordaan, zoals de HERE tot Jozua gesproken had, naar het getal van de stammen der Israëlieten, en brachten ze met zich naar het nachtkwartier, waar zij ze neerlegden. Ook richtte Jozua twaalf stenen op midden in de Jordaan, op de plaats, waar de voeten der priesters die de ark des verbonds droegen, hadden gestaan; en zij zijn daar tot op de huidige dag. De priesters nu, die de ark droegen, bleven midden in de Jordaan staan, totdat alles volbracht was, wat de HERE Jozua bevolen had tot het volk te spreken, naar alles wat Mozes Jozua geboden had; en het volk trok methaast over. Toen het gehele volk de overtocht volbracht had, trok de ark des HEREN over en de priesters, voor de ogen van het volk. Ook trokken de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse over, ten strijde toegerust, aan de spits der Israëlieten, zoals Mozes tot hen gesproken had, ongeveer veertigduizend tot de strijd gewapenden; voor het aangezicht des HEREN trokken zij over ten strijde, naar de vlakten van Jericho. Te dien dage heeft de HERE Jozua groot gemaakt in de ogen van geheel Israël, zodat zij hem vreesden, zoals zij Mozes gevreesd hadden al de dagen van zijn leven. En de HERE zeide tot Jozua: Beveel de priesters die de ark der getuigenis dragen, uit de Jordaan op te klimmen. En Jozua beval de priesters: Klimt op uit de Jordaan. Toen dan de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opklommen, hadden de voetzolen der priesters zich nauwelijks losgemaakt en het droge betreden, of de wateren van de Jordaan keerden terug naar hun plaats en stroomden als tevoren langs zijn gehele oever. Het volk nu is uit de Jordaan opgeklommen op de tiende der eerste maand en zij legerden zich te Gilgal, aan de oostelijke grens van Jericho. Die twaalf stenen, welke men uit de Jordaan genomen had, richtte Jozua te Gilgal op.”

 

Ja, Jozua 4 geeft ons hier eigenlijk vanaf een geweldige blik op hoe God de dingen ziet, en hoe Gods weg eruit ziet. Je ziet het hier van boven af. En je ziet hier de voorbereidingen, die God maakte voor Israël om het land Kanaän binnen te gaan, en het erfdeel van Kanaän in bezit te nemen. Je ziet dat God hier een weg baant door de Jordaan, en dat er twee gedenktekens moesten worden opgericht. Eén in de Jordaan, en één aan de oever, aan de overzijde van de Jordaan.

 

Het zijn voorbereidingen, die God voor Israël maakte, om het voor hen mogelijk te maken om het land Kanaän dus in bezit te nemen. En typologisch gezien, zinnebeeldig gezien heeft God voor ons dezelfde voorbereidingen ook gemaakt om de hemelse gewesten in bezit te nemen, ons erfdeel, wat daar is in het boven-hemelse. Dat loopt parallel, en we kunnen daarom ook veel van dit hoofdstuk leren.

 

Het zichtbare getuigenis, dat God aan elke Israëliet gaf, tijdens de overtocht van de Jordaan, was dus dat 12 gedenkstenen werden opgericht in Gilgal aan de overzijde van de Jordaan, die stenen moesten genomen worden uit de Jordaan, die moesten naar de overkant worden gebracht, en we zien dat 12 gekozen mannen dat deden, uit elke stam één. Die pakten dan zo'n steen in het midden van de Jordaan, en die heeft hij dan op de schouder getild, en zo naar de overkant gedragen.

 

Maar er waren niet alleen 12 gedenkstenen, die naar de overkant werden gedragen, en waar een monument van werd opgericht, er waren ook nog 12 gedenkstenen midden in de Jordaan, die ook opgericht werden tot een monument midden in de Jordaan. Dus er zijn eigenlijk twee monumenten. Twaalf gedenkstenen midden in de Jordaan opgericht, en 12 gedenkstenen opgericht aan de overzijde van de Jordaan, op de oever, wat later genoemd werd Gilgal. In beide gevallen zijn het 12 stenen. En bij het getal 12 denken wij direct aan Israël, namelijk aan de 12 stammen Israëls, en dat is natuurlijk correct, want ga je lezen al in Joz 3:12, daar lees je al die opdracht, die in hoofdstuk vier zijn volle betekenis krijgt:

  • Welnu, neemt u twaalf mannen uit de stammen van Israël, uit elke stam één man.”

 

En pas later komt men erop terug wat deze 12 mannen moeten doen. Maar het zijn 12 mannen uit de 12 stammen Israëls. Uit elke stam één man. Dat zie je ook in Joz 4:2, daar wordt het nog een keer herhaald

  • De HERE tot Jozua: Neemt u uit het volk twaalf mannen, uit elke stam één man.”

 

En ook nog in Joz 4:4, daar staat:

  • Toen riep Jozua de twaalf mannen, die hij uit de Israëlieten had aangesteld, uit elke stam één man.”

 

En daar wordt ook nog gezegd, wat ze moesten doen:

  • En Jozua zeide tot hen: Trekt over, vóór de ark van de HERE, uw God, naar het midden van de Jordaan, en heft u ieder één steen op de schouder, naar het getal van de stammen der Israëlieten, 6 opdat dit een teken onder u zij.” (Joz 4:5-6).

 

En ook nog in vers 8 lees je weer over die 12, die die 12 stammen vertegenwoordigden:

  • De Israëlieten nu deden, zoals Jozua bevolen had. Zij lichtten twaalf stenen midden uit de Jordaan, zoals de HERE tot Jozua gesproken had, naar het getal van de stammen der Israëlieten, en brachten ze met zich naar het nachtkwartier, waar zij ze neerlegden.” (Joz 4:8).

 

Vier keer zie je in al die tekstplaatsen, dat die 12 mannen de betekenis hadden, dat ze heel het volk vertegenwoordigen. Eén man vertegenwoordigde één stam. Vier keer. Dat wordt ook nog eens een keer herhaald, want er zijn eigenlijk nog twee tekstplaatsen hier te vinden, die refereren aan het getal 12, dat is vers 3:

  • Neemt twaalf stenen op, hier midden uit de Jordaan, van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan, brengt ze met u naar de overzijde en legt ze in het kwartier, waar gij deze nacht zult doorbrengen.” (Joz 4:3).

 

Ook daar wordt weer over het getal 12 gesproken. En dan nog een keer in vers 9, de laatste keer dat over 12 wordt gesproken:

  • Ook richtte Jozua twaalf stenen op midden in de Jordaan, op de plaats, waar de voeten der priesters die de ark des verbonds droegen, hadden gestaan; en zij zijn daar tot op de huidige dag.” (Joz 4:9).

 

Als je al die keren gaat tellen in Jozua 3 en 4, wat allemaal over die overtocht gaat, en je gaat dan tellen hoe vaak over de betekenis van die 12 wordt gesproken, en wat die 12 dan voorstelden, dan zien we dat die 12 stenen, die naar de overzijde moesten worden gebracht, of die moesten worden opgericht midden in de Jordaan, steeds de betekenis hebben, dat ze het gehele volk Israël, alle 12 stammen Israëls voorstellen. En het wordt zes keer genoemd, in zes verschillende teksten. Bij herhaling.

 

Het is dus een absoluut getuigenis van God aan Zijn volk. Zes keer, zes is het getal van de mens. Het is een getuigenis van God aan de mens. Een overvloedig getuigenis, zes keer wordt het getuigenis aan de mens herhaald.

 

Als je zo over deze hele geschiedenis nadenkt, dan vallen ons direct een paar zaken op. Het eerste wat eigenlijk opvalt, is dat die 12 vertegenwoordigers van Israël, uit elke stam één man, dat opeens in vers 8 wordt gezegd:

  • De Israëlieten nu deden, zoals Jozua bevolen had.”

 

Er staat: “De Israëlieten nu deden.” Heb je de staten vertaling, dan staat er eigenlijk:

  • De kinderen Israëls nu deden zoals Jozua bevolen had.”

 

In de grondtekst wordt als het ware bedoeld alsof heel het volk dat doet. Maar heel het volk was het niet, maar zinnebeeldig wel. Het waren eigenlijk maar 12 mannen, die dat deden:

  • Zij lichtten 12 stenen midden uit de Jordaan, zoals de HERE tot Jozua gesproken had, naar het getal van de stammen der Israëlieten, en brachten ze met zich naar het nachtkwartier, waar zij ze neerlegden.”

 

Het was alsof als het ware geheel Israël dat deed. Zij vertegenwoordigden ook Israël, dat valt op. Die 12 zijn ook echt zo gekozen, het waren niet willekeurig zomaar uit de 12 stammen uit het volk Israël, nee uit elke stam één.

 

Wat ook opvalt, dat die 12 stenen, die mochten niet zomaar lukraak uit de rivierbedding worden gehaald. Het kon niet zo zijn, dat er één dacht: “Ik doe maar wat, dat is wel een leuke steen, die is niet te zwaar, die is mooi rond, niet zo scherp, die til ik wel op, en die breng ik wel naar de overkant. Nee, zo mocht het niet gaan. Ze mochten niet lukraak zomaar een steen pakken. Nee, dat staat er uitdrukkelijk bij. Dat valt op. Het mochten alleen stenen zijn op de plaats waar de priesters onbeweeglijk stil stonden met de ark des Verbonds op hun schouders:

  • Neemt twaalf stenen op, hier midden uit de Jordaan, van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan.” (Joz 4:3).

 

Daar moest het gebeuren. Niet zomaar ergens, nee, niet lukraak een steen pakken ergens in de Jordaan. Nee, ze moesten die stenen halen precies van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan.

  • Brengt ze met u naar de overzijde en legt ze in het kwartier, waar gij deze nacht zult doorbrengen.”

 

Dat was de opdracht. En dan kun je afvragen, waarom moest het nou precies zo gebeuren? Want alles wat geschreven staat in Gods Woord heeft een geestelijke betekenis. Waarom worden deze feiten zo uitvoerig omschreven?

 

Altijd wanneer dingen zo uitvoerig worden omschreven dan wil het Woord ons iets meedelen, en wanneer we deze dingen overdenken, dan kunnen we eigenlijk maar tot één conclusie komen. Deze dingen worden zo uitvoerig omschreven, omdat ze ons iets willen vertellen van de grootheid van Christus.

 

Want wat is hier aan de hand? De priesters stonden daar onbeweeglijk midden in de Jordaan met de ark der getuigenis op hun schouders. Eigenlijk mogen we ook stellen, dat de “Heere der ganse aarde” (Joz 3:11) daar midden in de Jordaan staat. En die “Heere der ganse aarde” staat daar op “heilige” grond. Want beide gedenktekens werden gevormd van stenen waar de voeten van de priesters hadden gestaan met de ark op hun schouders. Het waren eigenlijk daardoor 12 “heilige” stenen. Het waren “apart-geplaatste” stenen, apart geplaatst voor een speciaal doel, namelijk om er gedenktekens van op te richten. En we zien ook dat die gedenktekens wijzen op het volbrachte werk van Christus. En aldus wezen die heilige, die apart-geplaatste stenen op de “Unieke”, op dé “Apart-geplaatste”, op Christus, op de Heere der ganse aarde!

 

Jozua betrad dus in zijn eentje die Jordaan, om dat gedenkteken van 12 “apart-geplaatste” stenen in de Jordaan op te richten. Daar waren geen 12 mannen bij, dat was alleen maar Jozua. En hij mag ook niet zomaar 12 stenen in die Jordaan pakken, en daar een soort gedenkteken van maken, die stenen daar op elkaar stapelen, en dat was dan het gedenkteken, nee, dat was de bedoeling niet. Hij moest ook exact naar die “heilige” plaats gaan, waar de priesters met de ark des Heeren op hun schouders hadden gestaan. Lees maar vers 9:

  • Ook richtte Jozua twaalf stenen op midden in de Jordaan, op de plaats, waar de voeten der priesters die de ark des verbonds droegen, hadden gestaan; en zij zijn daar tot op de huidige dag.”

 

Wat ook wel mooi is, als je dit niet zorgvuldig leest, dan denk je dat die 12 vertegenwoor-digers van het volk, uit elke stam één, dat die zo'n steen hebben gepakt, waar de priesters stonden, en naar de overkant hebben gebracht, en dat zij die stenen gelijk maar hebben opgericht tot een gedenk-teken, dat ze maar gelijk een monument daarvan hebben gemaakt, en die stenen op elkaar hebben gestapeld. Is dat zo? Nee, dat is niet zo. Zij hebben dat gedenk-teken niet opgericht aan de overzijde van de Jordaan. Wie heeft dat opgericht? Dat was er maar één die het oprichtte, dat was Jozua. Lees dat maar in Joz 4:20:

  • Die twaalf stenen, welke men uit de Jordaan genomen had, richtte Jozua te Gilgal op.”

 

Het bijzondere is dat er maar één was die beide gedenktekens op mocht richten. En dat was Jozua, die hier een beeld is van dé “Joshua”. Alleen hij mocht dat doen. Eigenlijk werd alleen hij waardig bevonden om die twee unieke monumenten van 12 “apart-geplaatste” stenen op te richten. Als vanzelfsprekend moeten we dan ook denken aan Open 5:1-5, waar Christus de enige was die waardig bevonden werd om de boekrol te openen.

 

Eigenlijk wijzen die 12 apart geplaatste stenen op de 12 door de Heere apart geplaatste stammen van Israël, waar de Heere Zijn doel mee had. En het is misschien een beetje gewaagd wat ik nu ga zeggen, maar toen ik over deze dingen nadacht, moest ik toch ook denken aan de uitverkiezing van gelovigen die tot het Lichaam van Christus worden toegevoegd. (Ef 1:4). Want ook die gelovigen betreft “heiligen”, dat zijn “apart geplaatsten” (Ef 1:1), en die “apart geplaatsten” worden tot één Lichaam gevormd, die vormen tezamen het Lichaam van Christus. En zo wijst dat monument in Gilgal, die apart geplaatste stenen, in het verborgen reeds op het Lichaam van Christus, wat door Hem gevormd zou worden van apart-geplaatste “stenen”.

 

Het is daarom ook mooi te lezen dat Jozua (Joshua) dat monument oprichtte. Dat deden niet de twaalf vertegenwoordigers. Als laatste kan je nog afvragen, is dat gedenkteken, wat Jozua heeft opgericht midden in de Jordaan, is dat heden ten dage nog te vinden? Was het nog te vinden, toen heel het volk overgetrokken was, en in Kanaän was aangekomen, en achterom keek, toen ook de priesters met de ark des Verbonds waren opgeklommen, de oever op, en aan de overzijde waren gekomen, en de Jordaan terug gestroomd was in zijn bedding? Was er toen nog iets van het gedenkteken midden in de Jordaan te zien? Nee, er was niks meer van te zien. En dat is een prachtig beeld van hoe Christus de zonde niet meer gedenkt. Ze zijn volkomen weggedaan.

 

Er was maar één gedenkteken later te bewonderen, te bezoeken, en dat was dat gedenkteken te Gilgal:

  • En de HERE zeide tot Jozua: Beveel de priesters die de ark der getuigenis dragen, uit de Jordaan op te klimmen. En Jozua beval de priesters: Klimt op uit de Jordaan. Toen dan de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opklommen, hadden de voetzolen der priesters zich nauwelijks losgemaakt en het droge betreden, of de wateren van de Jordaan keerden terug naar hun plaats en stroomden als tevoren langs zijn gehele oever.” (Joz 4:16-18).

 

Alleen het gedenkteken wat is opgericht in Gilgal, was echt een gedenkteken. Daar kon je later naartoe gaan, en je kinderen, en klein-kinderen over vertellen. Als die daar later kwamen, en die dan gingen vragen, wat heeft dat nou te betekenen? Dan kon iedere Israëliet aan de hand van het boek Jozua precies vertellen, wat hij moest zeggen, en waar het allemaal een beeld van was. Een beeld van hoe de Heere der ganse aarde de 12 stammen van Israël veilig door de Jordaan had geleid.

 

Goed, waar is deze hele geschiedenis, die zo bij zonder is, met die twee gedenktekens nou verder een beeld van? Die twee gedenktekens van heilige, apart geplaatste stenen, wat is daar nou de geestelijke betekenis van?

 

De Jordaan is het beeld van de doods-Jordaan, en het laat zien hoe wij allen als gelovigen begraven zijn met Christus in Zijn dood, en allen tezamen met Christus opgewekt worden en zijn in nieuwheid des levens. Daar is het een beeld van.

 

Lees er maar eens naast Rom 6, waar we zien, als Paulus aan ons uitlegt wat er v.w.b. de oude mens aan ons is geschied. Dan krijg je helemaal een beeld van de overtocht van de Jordaan:

  • Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn?” (Rom 6:3).

 

Dat heeft niks te maken met een doop met Water. Er staat hier niet: “Die in Christus Jezus gedoopt zijn in water.” Dat staat er niet, nee, in Zijn dood gedoopt zijn. Met deze doop in Christus, deze inlijving in Christus, daar komt geen druppel water bij te pas. Zoals bij de overtocht van de Jordaan, kwam er geen druppel water aan te pas. Je hoefde niet te zwemmen, het viel compleet droog, en je ging over het droge naar de overkant. Maar je had in het midden van de Jordaan te maken met het kruis van Golgotha. Dat passeerde je midden in de Jordaan, en ging voorbij dat kruis, en liet dat achter je, en ging nieuwe stappen zetten in dat nieuwe land, wetende dat alles reeds volbracht was.

  • Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? Wij zijn dan met Hem begraven door de doop (de doop in Christus) in de dood (in de dood van Christus, niet door de doop in water), opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen.” (Rom 6:3-4).

 

Deel 16 volgt DV

Bert Boersma Augustus 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 16)

 

De vorige keer waren we de Jordaan overgetrokken, en dan ben je aan de overkant, dan ben je in nieuwheid des levens. Dan ontdek je opeens dat je een nieuw mens geworden bent. En je oude mens? Waar is je oude mens? Nou, die zit in de Jordaan, die komt er ook nooit meer uit. En dat prachtige gedenkteken in de Jordaan, wat door Jozua was opgericht, dat kan je ook nooit meer vinden. In die doods-Jordaan ligt je oude mens. En die is in de dood, in de dood van Christus. Gelukkig nooit meer te vinden. En ik kan maar één gedenkteken vinden in mijn leven, dat staat aan de overzijde. Dat is de nieuwe mens, die ik door genade geworden ben. In nieuwheid des levens kan ik wandelen.

  • Want indien wij samengegroeid zijn met hetgeen gelijk is aan zijn dood (grondtekst: IN Zijn dood), zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan (Grondtekst ook IN) zijn opstanding.” (Rom 6:5).

 

Het ene gedenkteken in de Jordaan is een beeld van het kruis, is het beeld van Zijn dood, en de doop in Christus, dat wij één zijn met Christus, zoals heel Israël, de 12 stammen één zijn met Christus. Dat is het beeld van de dood. Maar aan de andere kant zijn wij ook, als wij gelijk zijn met Hem in Zijn dood, zijn wij ook gelijk in Zijn opstanding. En daarom vindt je aan de overzijde dat gedenkteken van Zijn opstanding. Hier zie je uitgebeeld aan de Jordaan, wat de betekenis is van Christus kruis én van Christus opstanding. Zoals Paulus het hier uitlegt, maar daar is het onder Israël heel zinnebeeldig (aanschouwelijk) uitgebeeld.

 

Rom 6:6 zegt: “Dit weten wij immers”, ja, je moet het wel weten, er wordt niet alleen gevraagd om dit te geloven, maar er wordt ook van je gevraagd, dat je dit weet, dat je daarvan doordrongen bent. En wat moet je dan weten?

  • Dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde.” (Rom 6:6-7).

 

Ja, die oude mens is met Christus mede-gekruisigd, en die blijft achter in die doods-Jordaan. Daar vindt je die oude mens. Maar de nieuwe mens, die in nieuwheid des levens wandelt, vindt je aan de overzijde. Het is niet meer zo, dat het leven van een gelovige, en het leven van een Israëliet zo is, dat, als je verlost wordt uit Egypteland, en je komt dan in de woestijn, dat je dan een leven lijdt van allerlei nederlagen, van allerlei moeiten, van een slaaf zijn aan de zonde. Dát is een kenmerk van het woestijn-leven van menig gelovige, dat hij alleen maar nederlagen lijdt, dat hij alleen maar te maken krijgt dat hij nog steeds een slaaf is van de zonde.

 

Nee, als je eenmaal in je leven hebt meegemaakt wat de betekenis is niet alleen van Christus kruis, maar ook van Zijn opstanding, dan wil je niet meer wandelen zoals helaas veel gelovigen toch nog wel wandelen. Want veel gelovigen kennen alleen Zijn kruis, die kennen alleen het bloed van Christus. Die kennen de betekenis, de geestelijke betekenis van het kruis, dat hij daar voor onze zonde stierf, enz. Zij zijn wel verlost uit Egypte-land, trekken door de Schelfzee, en komen dan aan in de woestijn, en dan is het voor een gelovige vaak murmureren, en klagen en niet verder kijken. En dan is het leven voor hen verder maar een woestijn, waar hij gebukt in gaat. Dan is er verder geen hoop, en er zijn eigenlijk alleen nederlagen. Dan blijf je een slaaf van de zonde, en dan is er ook nog vaak een terug verlangen naar de vleespotten van Egypte. Nee, dat is alleen maar de betekenis van het kruis.

 

Maar hier leer je dat na dat kruis Christus ook is opgestaan. Dat Hij niet in die doods-Jordaan is gebleven, maar dat je met Hem die doods-Jordaan door mag gaan, en dat je mag weten, dat je oude mens mede-gekruisigd is met Christus, en dat je óp mag klimmen aan de overzijde van die doods-Jordaan, en dat je mag gaan staan in nieuwheid des levens. En dan mag je de geestelijke betekenis leren kennen van de opstanding van Christus, en dat wij ook mede opgewekt zijn met Hem.

  • Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. 10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. 11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.” (Rom 6:8-11).

 

Ja, dat moet voor je vast staan. Als je één keer die doods-Jordaan bent overgestoken, en je staat aan de andere zijde, dan moet iets voor je vast staan. Dat moet je zeker weten, dat moet onherroepelijk voor je vast staan. En wat moet dan voor je vast staan? “Dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.” De dood ligt achter je, die oude mens ligt achter je, die ligt in het graf, die is mede-gekruisigd, die moeten we ook niet meer gaan zoeken, die is trouwens ook niet meer te vinden in de Jordaan. Het is niet meer te zien, het is niet meer te ontdekken, dat is in de dood. Laat dat in de dood! Want je bent levend voor God in Christus Jezus!

 

En zo alleen kan Christus er voor zorgen, als we dat geestelijk meemaken in ons eigen geloofsleven, dat er overwinnings-leven op ons wacht, dat we die hemelse gewesten kunnen binnen gaan, dat we ons erfdeel geestelijk in bezit kunnen nemen. Alleen door deze geloofs-beleving, dit toetrekken van de betekenis, niet alleen van het kruis, maar ook van de opstanding van Christus, dat je in nieuwheid des levens staat, dan kom je als gelovige in het overwinningsleven te staan, dan ligt het woestijn leven achter je.

  • Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen.” (Rom 6:12).

 

Dat is het woestijnleven, als christenen gebukt gaan onder de zonde, en een slaaf zijn van de zonde, dat de zonde als koning heerst in je sterfelijk lichaam, en dat je aan zijn begeerte gehoorzaamt, nee, dat is niet meer:

  • En stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.” (Rom 6:13).

 

Dan opeens ontdek je, ik ben een heilssoldaat, ik heb wapens. Ik mag me helemaal inzetten. Het zijn wapenen der gerechtigheid, alle “leden” van mijn lichaam, mijn mond, mijn ogen, mijn oren, heel mijn wezen, heel mijn zijn. “Stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God.” Je bent in de dienst van God gekomen. Dat is militaire dienst. Dat is Kanaän binnen trekken. Dat is de geestelijke strijd strijden, die geestelijke strijd in de hemelse gewesten. Daar gaat het dan om.

 

Veel gelovigen maken dat nooit mee. Waarom niet? Omdat ze deze geestelijke beleving van het doortrekken van de Jordaan zich geestelijk niet weten toe te eigenen. Het wordt vaak ook niet gepredikt. Daar ligt het vaak ook aan. Men staat eigenlijk als gelovige alleen maar stil bij het kruis, en men trekt eigenlijk alleen maar door de Schelfzee, uit Egypte, en komt dan in de woestijn, terwijl Gods weg nog veel verder gaat. De Heere wil je bij de hand nemen, en je ook nog leiden naar een andere overtocht, de overtocht door de Jordaan, die heel belangrijk is om geestelijk door te groeien.

 

Ja, u ziet hier aan het eind van Rom 6, wat we gelezen hebben, dat je je leden ten dienste van God stelt. Als mensen die dood zijn geweest, maar thans leven. Je komt in de dienst van God te staan. Dat zie je ook in Jozua 4, daar gaan we naar terug. Daar zie je opeens soldaten voorbij komen, die trekken door de Jordaan. Die komen aan de overzijde:

  • Ook trokken de Rubenieten, de Gadieten en de halve stam Manasse over, ten strijde toegerust, aan de spits der Israëlieten, zoals Mozes tot hen gesproken had, ongeveer veertigduizend tot de strijd gewapenden; voor het aangezicht des HEREN trokken zij over ten strijde, naar de vlakten van Jericho.” (Joz 4:12-13).

 

Het zijn soldaten. Tot de tanden toe zijn zij bewapend. Dit zijn meer dan overwinnaars. Dit zijn mensen, die je ook in Rom 8 vindt. Meer dan overwinnaars, ze staan ten dienste van God. Ze zijn dood geweest, ze zijn die doods-Jordaan over getrokken, en ze leven voor Christus, ze leven voor God, en ze nemen Kanaän in bezit.

 

Ja, deze doortocht over de Jordaan, deze doods-rivier, is een hele andere dan de doortocht door de Schelfzee, ook wel genoemd de Rode Zee. Het valt wel op dat bij de Schelfzee helemaal geen gedenkteken is opgericht. Niet in de Schelfzee, en ook niet aan de overkant op de oever. De Schelfzee is een type, dat iemand uit Egypte komt, geroepen wordt uit Egypte, uit de wereld, en dat hij het Lam Gods leert kennen, de betekenis ook van het kruis, en dat hij zo de Exodus meemaakt. Het is eigenlijk een type van de wedergeboorte, dat iemand een kind van God wordt.

 

Maar de Jordaan is een type van de gelovige, van een kind van God, die ontdekt, dat hij een nieuwe schepping geworden is, iets wat volgt op de wedergeboorte. Lees dat maar eens in 2 Kor 5, dat loopt een beetje parallel natuurlijk aan Rom 6, maar als je naar 2 Kor 5 gaat, wat zegt Paulus dan?

  • Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.” (2 Kor 5:17).

 

Vaak horen we broeders en zusters zeggen, ja, maar dit is de Romeinen brief, of de brief aan de Korinthiërs, en die zijn niet aan ons geschreven. En dat klopt, maar we moeten goed beseffen dat heel het Woord wel voor ons is, want als baby zijn de meeste gelovigen door het Johannes evangelie tot geloof gekomen, tot wedergeboorte gekomen. Dus dat was toen wel voor ons om ons tot geloof te brengen, en de woorden van o.a. Romeinen en Korinthe helpen ons verder op de weg om te groeien, en om nog verder tot de volwassenheid te groeien heeft Paulus aan de gelovigen ook nog de latere brieven, zoals o.a. Efeze, Filippenzen, en Kolossenzen gegeven.

 

Dus opeens gaat Paulus in Korinthe spreken over dat we een nieuwe schepping zijn. En hij maakt er een hele parallel mee, met hoe er straks ook een nieuwe schepping zal zijn, en dat dan letterlijk kan worden gezegd “het oude is voorbijgegaan, en het nieuwe is gekomen.”

 

En dan hebben we het hier eigenlijk wel over tijden, eigenlijk over eeuwen, over aionen. Straks krijgen we de aioon van de nieuwe schepping. Welke aioon gaat aan de nieuwe schepping vooraf? Hoe wordt die aioon genoemd? De aioon van de wedergeboorte. De wedergeboorte van deze wereld, de wedergeboorte van de volkeren, die gaat aan de nieuwe schepping vooraf.

 

Als de Heere Jezus Christus wederkomt op aarde, is het dan zo, dat Hij de mensen oordeelt, en dat er gelijk dan een nieuwe schepping is? Is het dan zo dat de nieuwe aarde en de nieuwe hemelen er meteen zullen zijn? Nee, zo is het niet. Christus komt straks weder, en dan richt Hij op deze aarde een duizend-jarig vrederijk op, wat ook wordt genoemd, de wedergeboorte, de tuin van de wedergeboorte van heel deze wereld. Al die volkeren kunnen tot geloof komen in Christus, en kunnen worden wedergeboren, kunnen leven krijgen uit God, en gaan groeien, opgroeien.

 

En als die wereld tot wedergeboorte is gekomen in die 1000 jaar, en daar gaat een hele aioon, een hele eeuw van 1000 jaar mee gemoeid, die hele toekomende aioon is daarmee gemoeid, wat geschied daarna pas? Als men dat kindschap in deze wereld heeft gehad, en gegroeid is in het geloof? Dan treedt op het einde van die 1000 jaar Christus nog één keer op om satan en zijn afvallige leger te vernietigen. En daarna zal er een nieuwe schepping komen, dan zullen er zullen er nieuwe hemelen en een nieuwe aarde komen, een nieuwe schepping.

 

Dat is de volgorde in het groot, maar dat is ook de volgorde in het klein. Het eerste wat een mens doet, is uit Egypte verlost worden, uit deze wereld verlost worden, ook in onze dagen, en tot wedergeboorte komen, een kind van God worden. Maar het is niet de bedoeling dat je een kind blijft, het is niet de bedoeling dat je een zuigeling blijft, een onmondige blijft in Christus, nee, het is de bedoeling dat je groeit, en dat je verder komt. En dat je niet alleen de doortocht in de Schelfzee mee maakt. Maar dat je later ook de doortocht mee maakt door de Jordaan, en dat je dat nieuwe leven omarmt.

 

Ja, Jozua laat dus eigenlijk in Jozua 4 heel zinnebeeldig aan ons zien, wat de betekenis geestelijk voor ons is van Christus' dood én van Christus' opstanding. De Schelfzee, de wedergeboorte, staat dus stil bij de verlossing van de mens door het bloed van het Paaslam. De Schelfzee staat stil bij het kruis van Golgotha, en zijn geestelijke betekenis. De doods-Jordaan kijkt verder, en staat stil bij de betekenis van Christus opstanding, dat we in nieuwigheid des levens staan, en dat de oude is mede-gekruisigd met Christus.

 

En die overtocht is iets persoonlijks. Dat moest ieder voor zich doen. Een ander kan dat nooit voor je doen, dat is iets heel persoonlijks. En het is nodig, want als je niet over de Jordaan trekt, en in geestelijke zin weiger je, en doe je dat niet, ja, dan kom je nooit in Kanaän. Dan kom je nooit op het punt om een strijder te worden, een heilssoldaat te worden, gewapend, zoals Efeze 6 helemaal zegt, dat je tot de tanden toe bewapend bent, en dat je die strijd aangaat in de hemelse gewesten. Die strijd die schuw je dan, die wil je dan niet.

 

En dan blijf je toch maar in de woestijn, door dat zand lopen, en dat je zegt, aan dat manna des Heeren heb ik wel genoeg hoor, en het water des levens, dat vind ik meer dan genoeg. Een beetje water en een beetje manna is genoeg. Terwijl de Heere véél meer heeft om te geven, in dat land vloeiende van melk en honing. Door zó te doen getuig je van ongeloof! En veel gelovigen doen dat. Maar je moet het zelf persoonlijk doen, anders kan je de zegeningen van Kanaän geestelijk nooit in je leven in bezit nemen. De geestelijke zegeningen, waarmee je gezegend wordt in de hemelse gewesten in Christus.

 

Bovendien, wanneer je niet heel persoonlijk overtrekt, kan je ook nooit gaan wandelen in dat land vol met de beloofde zegeningen!

 

En er staat ook zo mooi, dat moet je met haast doen. Die overtocht die moet je met haast doen. Je moet niet dralen:

  • De priesters nu, die de ark droegen, bleven midden in de Jordaan staan, totdat alles volbracht was, wat de HERE Jozua bevolen had tot het volk te spreken, naar alles wat Mozes Jozua geboden had; en het volk trok met haast over.” (Joz 4:10).

 

Je moet met haast overtrekken, je moet benen maken, je moet opschieten. Je moet niet gaan dralen in deze geestelijke dingen. Dat moet je niet doen. Je moet er ook haast mee maken om die zaken je geestelijk toe te eigenen. Als je zaken worden uitgelegd vanuit het Woord van God, dan moet je niet dralen en zeggen: “Nou ik moet er nog eens even over nadenken hoor.” Nee, je moet die dingen dan ook echt je persoonlijk toeëigenen.

 

En we hebben in ons leven niet zolang om te gaan, laten we eerlijk wezen, het is niet zo dat wij hier in dit lichaam, ik zal maar zeggen, het eeuwige leven hebben. Absoluut niet. Aan ons leven komt al heel spoedig een eind. En hoeveel jaren wij persoonlijk nog voor de boeg hebben, ja, dat is eigenlijk niet zoveel. Dat is maar heel betrekkelijk. En je moet als het ware de tijd in je leven goed benutten. Je moet de tijd uitkopen. En je moet met deze dingen ernst maken. Je moet met deze dingen haast maken, zoals Israël haast maakte om over te trekken.

 

Want weet wel, het is niet alleen overtrekken in deze dingen, het je geestelijk toeëigenen, dat de oude mens achter je ligt, dat je een nieuw mens geworden bent, en het is niet alleen dat je de betekenis van het kruis, en de betekenis van de opstanding in Christus aanvaard en begrijpt, en dat je in nieuwigheid des levens gekomen bent, maar je moet dan ook nog die strijd aangaan in de hemelse gewesten. Je moet ook dat nog in bezit gaan nemen. Dat was ook nog een hele opdracht. Want Jozua is nu niet afgelopen met Jozua 4, nee het gaat nog wel een aantal hoofdstukken verder voordat heel Kanaän in bezit is genomen.

 

En zo hebben we ook nog heel dat leven van ons nodig om in geestelijke zin al die geestelijke zegeningen toe te eigenen door bezig te zijn met Gods Woord. En het is zó verschrikkelijk veel om dat allemaal te ontdekken en in bezit te nemen, meer dan als je als mens ooit hebt kunnen bedenken. En God wil het je geven, maar je moet je er wel naar uitstrekken, je moet wel aan Zijn hand in gehoorzaamheid gaan wandelen in dat nieuwe land, in al die zegeningen, die de Heere je één voor één wil geven.

 

Deel 17 volgt DV

Bert Boersma Augustus 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 17)

 

Naar aanleiding van een heel lang gesprek wat ik gisteravond met een gelovige broeder had, wil ik toch nog wat nader ingaan op het onderwerp waar we al mee bezig waren. We kunnen veel leren van gelovigen die in een bepaalde kerk zitten, en het daar wel naar de zin hebben. Deze broeder moet niets van het evangelie van Paulus hebben, hij zei dat daar alleen maar strijd door ontstaat. “Als we Paulus willen navolgen, ontstaat er alleen maar strijd.” Dat waren zijn woorden. En ondanks dat ik allerlei voorbeelden heb mogen noemen, was hij niet van zijn standpunt af te brengen. “Ik laat me leiden door Jezus”, zei hij, “en bij mij staat de liefde voorop”. Ik zei dat bij mij het Woord van God voorop staat, maar voor hem was de liefde belangrijker dan het Woord van God.

 

Ik zou hier nog eens een apart onderwerp van moeten maken, want ik denk dat vele gelovigen, zonder het zelf te beseffen, op een dergelijke of vergelijkbare manier verstrikt zitten in bepaalde netten waar ze nooit uit komen. Paulus mag door Gods genade spreken van “mijn evangelie”, wat hem door Gods genade is geschonken, en welk evangelie ons een weg omhoog voert, die al het eerdere geschrevene verre te boven gaat. Daarom gaan we nog eens kijken naar die priesters waar we in Jozua al over gelezen hebben.

 

Wat moesten die priesters doen terwijl het volk Israël door de Jordaan trok? Wat moesten de priesters blijven doen bij die overtocht door de Jordaan, terwijl het volk met haast overtrok? Die priesters droegen de ark, de ark der getuigenis, dat is Christus. Die priesters, die dienstknechten des Heeren, die daar met de ark der getuigenis, met “de Heere der ganse aarde” op hun schouders staan, bleven onbeweeglijk midden in de Jordaan staan totdat alles volbracht was. Ze moeten blijven staan. En ook wij moeten onbeweeglijk blijven staan.

 

Een dienstknecht des Heeren, en iedereen, die dient in het Woord van God die moet midden in de Jordaan blijven staan, bij het kruis van Golgotha blijven staan, en de mensen er op wijzen, dat er een weg is die verder, die hoger voert. Zij moesten als het ware de weg wijzen naar de overkant. “Loop maar naar de overkant, ga maar in het geloof naar de overkant, daar wacht het beloofde land.” Dat is de boodschap!

 

En er staat dat ze onbeweeglijk bleven staan:

  • .........van de plaats waar de voeten der priesters onbeweeglijk staan,......” (Joz 4:3).

 

Met Haast overtrekken

Die priesters moesten onbeweeglijk blijven staan, wat mensen ook van je zeggen, en hoe ze je ook aanvallen, het maakt allemaal niets uit, je moet onbeweeglijk blijven staan. Dat betekent pal staan voor het evangelie van Paulus. En dat valt niet mee. Kijk als de mensen allemaal met haast overtrekken, dan is het makkelijk, dan denk je: “Het is wel zwaar dat getuigenis van de Heere op je schouders, maar het volk trekt met haast over, het gaat wel goed.” En voor je het weet zijn ze allemaal aan de overkant, dan is alles volbracht, en dan gaan de priesters, dan gaan wij ook naar de overkant, en dan hebben we onze taak volbracht. Ja, maar zo is het vaak niet, want is dat volk nou zo haastig?

 

Nee, dat volk is helaas niet zo haastig, het volk daarentegen is vaak traag. De Heere Jezus zei bijvoorbeeld in Lukas 24 als Hij daar de Emmaüs-gangers tegen komt na Zijn opstanding, en we hebben het over de betekenis van het kruis en de betekenis van Zijn opstanding, terwijl Hij het toch gepredikt had, dat Hij ten derde dage zou opstaan. En daar gaat dan de discussie over op de weg naar Emmaüs. En wat zegt dan de Heere Jezus tegen die twee Emmaüs-gangers?

  • En Hij zeide tot hen: O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan? En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.” (Luk 24:25-27).

 

En in de Hebreeën brief lezen we ook over dat traag zijn:

  • Hierover hebben wij veel te zeggen, maar het is moeilijk uit te leggen, omdat gij traag zijt geworden in het horen. Want hoewel gij, naar de tijd gerekend, leraars behoordet te zijn, hebt gij weer nodig, dat men u de eerste beginselen van de uitspraken Gods leert, en gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs. Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.” (Hebr 5:11-14).

 

O, onverstandigen en tragen van hart.” Men is vaak helemaal niet zo haastig. Maar ondanks dat mensen soms niet haastig zijn, moet elke dienstknecht onbeweeglijk blijven staan met het getuigenis van de ark op zijn schouders, en hij heeft de opdracht om bij Mozes en al de profeten van heel de Schrift uit te leggen aan de mensen wat op Hem, op Christus betrekking heeft. Dat moeten ze blijven doen. Ja, hoe trager de gelovigen zijn van hart, hoe moeilijker het wordt voor de prediker om onbeweeglijk te blijven staan. Dat valt niet mee. Maar toch moesten zij blijven staan, en ook in de dienst des Heeren blijven staan. En wanneer er gelegenheid is dan moet hij prediken, en nog eens prediken. Dat zegt het woord ook tot ons:

  • Verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting.” (2 Tim 4:2).

 

Dat betekent niet dat je maar te pas en te onpas het Woord moet verkondigen, want dan “landt” het Woord niet. Maar het betekent wel, dat je, wanneer de kans zich voordoet, dat je dan die kans grijpt, en het Woord predikt, of het jezelf nou wel of niet goed uitkomt, dat maakt niet uit, maar wanneer de kans zich voordoet, dan moet je klaar staan. En dan is het uiteraard belangrijk dat je aan een ieder het juiste antwoord kan geven. En daarvoor is inzicht in Gods plan noodzakelijk.

 

En die prediker, die mag weten, en dat is een hele troost, dat hij niet zijn eigen woord verkondigd, maar dat hij verkondigd het getuigenis van de Heere. Het getuigenis van Zijn kruis, en het getuigenis van Zijn opstanding. En dat mag hij uitleggen, en hij mag ook weten dat het Woord van God nooit ledig tot God terug keert, en dat God hem de kracht geeft om te spreken, en dat hij op de Heere mag vertrouwen. Hij moet ook één ding goed begrijpen, een prediker, dat staat hier eigenlijk ook in, hij mag niets doen op eigen initiatief, het mag niet zo wezen dat een prediker, die daar al een lange tijd staat, en de mensen zijn wat traag van hart, dat hij denkt: “Het gaat nou zoveel moeite kosten, ik ga vertrekken hoor, uit het midden van de Jordaan, ik ga naar de overkant. De last van de ark is zo zwaar, ik ga maar naar de overkant.” Nee, dat mocht hij niet doen. Hij moest blijven staan totdat hij bevel kreeg om voort te gaan. In Joz 4:5 staat:

  • En de HERE zeide tot Jozua: Beveel de priesters die de ark der getuigenis dragen, uit de Jordaan op te klimmen. En Jozua beval de priesters: Klimt op uit de Jordaan.” (Joz 4:15-17).

 

Niet eerder, het is de Heere die als het ware zegt tegen je wat je moet doen. Je mag niet op eigen initiatief dingen doen. Je moet rustig blijven staan. Je moet gehoorzaam zijn. In dit geval trok geheel Israël met spoed, met haast over de Jordaan.

 

Maar wanneer we naar de situatie van vandaag de dag kijken, dan is daar wel het gevaar dat mensen uiteindelijk weigeren om over te trekken, zij horen er wel van, het wordt hen wel gepredikt, maar velen (en dan heb ik het over gelovigen) weigeren helaas over te trekken, zoals ik ook gisteravond in dat gesprek weer heb ervaren. Dat gebeurt helaas, broeders en zusters. Het gebeurt, dat mensen wordt gepredikt over de hemelse gewesten, de betekenis van een opstanding en een nieuwheid des levens, en van een wandel in Christus, in navolging van Paulus, maar dat ze daar niet van willen horen, en dat ze dat Woord verwerpen, en niet overtrekken, omdat ze maar blijven staan bij dat kruis. Ja, en dat is wel gevaarlijk.

 

Het is gevaarlijk om midden in de Jordaan te blijven staan, terwijl je weigert verder over te trekken, en je bent een beetje geestelijk lui, en je zet thuis je leunstoeltje neer, en je gaat er in liggen, en je denkt, nou lekker zonnetje, dat is wel goed zo. En dat je zegt, nou, ik vind het evangelie prachtig, maar dan meer het eenvoudig evangelie, van het kruis van Golgotha, en daar aan de overkant, daar wacht de vijand, daar heb ik allemaal niet zo'n trek in. Ik blijf hier lekker wel even zitten, zo in het zonnetje, bij het kruis van Golgotha. Maar ze beseffen dan niet dat ze dan eigenlijk midden in de Jordaan zijn blijven steken.

 

Dat is heel gevaarlijk. Want op een gegeven ogenblik gaat God verder. En God trok ook verder, die priesters met de ark, die moesten op een gegeven ogenblik ook verder, omdat de Heere via Jozua dat bevel gaf, om uit de Jordaan op te klimmen.

 

Laat nou eens een Israëliet achter gebleven zijn, dat is wel gevaarlijk, want wat lees je dan wat er meteen erna gebeurt in Joz 4:18:

  • Toen dan de priesters die de ark van het verbond des HEREN droegen, uit het midden van de Jordaan opklommen, hadden de voetzolen der priesters zich nauwelijks losgemaakt en het droge betreden, of de wateren van de Jordaan keerden terug naar hun plaats en stroomden als tevoren langs zijn gehele oever.

 

Nou, het zal best wel een donderend geweld zijn geweest. Die wateren die waren opgehouden. Je moet je eens voorstellen, dat jij je als het ware daar nog rustig bevindt in die Jordaan. Ja, je vindt het wel mooi, dat gedenkteken, wat Jozua daar heeft opgericht, wat wijst op Christus, want het is een beeld van Christus. Jozua heeft dat gedenkteken daar opgericht en je staat daar stil bij dat kruis, enz, maar de geestelijke betekenis daarvan eigen je je niet toe, en je ziet ook niet, en je wil het ook niet zien, wat de betekenis van Christus opstanding voor je kan zijn. Ja, dan komt daar wel op een gegeven ogenblik die rivier op je af, en die sleurt je mee, en er blijft van je wandel niks over. Er valt niks meer te wandelen. Want je bent aangespoord om toch vooral haast te maken, maar je bent blijven staan daar midden in die Jordaan, daar bij het kruis, en je bent niet doorgetrokken, en daarom wordt je meegesleurd door het water wat verdwijnt in de Dode Zee. En net zo dood als die Dode Zee is, net zo dood is je wandel geworden. En dat wandelen was nodig om in het beloofde land te komen, en die wandel is nodig om het beloofde land in bezit te nemen. En helaas hebben veel gelovigen vandaag de dag schipbreuk geleden, omdat zij niet doorwandelen naar en in het beloofde land.

 

Misschien vindt u dit allemaal wat te ver gaan, maar dit zijn wel de zaken die het Woord ons zo voorhoudt. Volgens bijvoorbeeld de Hebreeën brief haal je dat over je heen, en dan zegt u misschien, ja, de Hebreeën brief is niet aan ons geschreven, maar aan de twaalf stammen van Israël. Ja, dat is waar, maar we moeten wel acht slaan op de lessen die vanuit de Hebreeën brief naar ons toe komen. Laten we daarom maar een gedeelte daaruit lezen:

  • Daar wij dan, broeders, volle vrijmoedigheid bezitten om in te gaan in het heiligdom door het bloed van Jezus, langs de nieuwe en levende weg, die Hij ons ingewijd heeft, door het voorhangsel, dat is, zijn vlees, en wij een grote priester over het huis Gods hebben, laten wij toetreden met een waarachtig hart, in volle verzekerdheid des geloofs.” (Hebr 10:19-22).

 

Dit had Jozua ook kunnen zeggen, want Israël mocht met volle vrijmoedigheid door de Jordaan ingaan in het “heiligdom”. En dat mochten ze doen met een waarachtig hart in volle verzekerdheid des geloofs. Dit geld ook voor ons. Leest u Hebr 10 maar eens rustig door.

 

En dan eindigd Hebr 10 met:

  • Geeft dan uw vrijmoedigheid niet prijs, die een ruime vergelding heeft te wachten. Want gij hebt volharding nodig, om, de wil van God doende, te verkrijgen hetgeen beloofd is. Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten, en mijn rechtvaardige zal uit geloof leven; maar als hij nalatig wordt, dan heeft Mijn ziel in hem geen welbehagen. Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.” (Hebr 10:35-39).

 

Voor we verder gaan even nog het volgende. Er zijn in dit verband twee dingen heel schadelijk voor de gelovige. Het eerste hebben we al behandeld, dat was het blijven staan bij het kruis van Christus. Maar er is nog iets wat ook heel schadelijk kan zijn voor een gelovige als hij niet gaat wandelen in dat land. Stel nu eens dat de gelovige wel overtrekt, dus hij komt wel aan in het beloofde land, maar hij blijft daar bij Jericho wat rondhangen. Hij denkt, ik vindt het zo wel mooi genoeg. Ik ben nu overgetrokken, en heb de overkant bereikt, maar die strijd om dat land te veroveren, daar heb ik geen zin in. Wat zou er dan zijn gebeurd? Zou de Heere dan wel het land geven, zonder dat zij hun voeten verplaatsten? Want de Heere had gezegd:

  •  "Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden.” (Joz 1:3).

 

Als zij hun voeten niet zouden verplaatsen zouden zij nooit het beloofde land ontvangen. En net zo zullen wij nooit de beloofde zegeningen van de Heere ontvangen, zoals die aan de getrouwen en apart geplaatsten worden beloofd in Efeze 1:3. Dan zullen zij nooit geopende ogen des harten ontvangen om al de geestelijke zegeningen één voor één, stap voor stap te ontvangen. Dat is het gevaar wanneer wij als gelovigen niet gaan wandelen in dat beloofde land. Dan zullen wij de prijs der roeping Gods niet ontvangen, dan hebben wij geen erfdeel in dat land. Paulus zegt niet voor niets:

  • Laat niemand u de prijs doen missen door gewilde nederigheid en engelenverering, als ingewijde in wat hij heeft aanschouwd, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk denken, 19 terwijl hij zich niet houdt aan het hoofd, waaruit het gehele lichaam, door pezen en banden ondersteund en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt.” (Kol 2: 18-19)

 

Ja, het klinkt heel nederig en vroom, wanneer een gelovige zegt: “Ik heb genoeg aan het kruis, ik hou van het eenvoudig evangelie.” Maar zonder te gaan wandelen, ga je de prijs missen! Zonder te gaan wandelen ga je de strijd niet aan. Zonder te gaan wandelen schaar je je onder die gelovigen, waarvan Paulus zegt, dat zij wandelen als vijanden van het kruis van Christus, wat betekent, dat zij de strijd om Christus wil niet aangaan:

  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:17-19).

 

In Hebr 10:39 kwamen we ook al dat verderf tegen. Hier komen we weer dat “verderf” tegen, wat we ook meerdere keren in de Filippenzen brief tegen komen. Maar we moeten altijd goed de context lezen. En dan zien we dat Paulus in Hebr 10 spreekt tegen “broeders” (vers 19), die volle vrijmoedigheid bezitten om te gaan wandelen, te gaan wandelen het heiligdom binnen! En ook in Filippenzen spreekt Paulus tegen “apart geplaatste broeders” (Fil 1:1). Het zijn dus broeders, mensen, die door hun geloof in het volbrachte werk van Christus behouden zijn. En Paulus zegt tegen diezelfde broeders in Hebr dat ze hun vrijmoedigheid, dat is in dit verband hun wandel, niet moeten prijsgeven. En in Filippenzen huilt Paulus zelfs om die broeders die niet wandelen in navolging van Paulus, maar als vijanden, omdat ze de strijd om Christus' wil schuwen.

 

Uit Fil 3 blijkt dat de broeders hun wandel kunnen opgeven, want zij willen niet wandelen, zij willen niet lijden om Christus wil. Maar door die wandel staat de gelovigen nou juist een ruime vergelding te wachten (Hebr 10:35). En daarom moeten ze volharden (Hebr 10:36), niet om behouden te blijven, nee, om door genade die ruime vergelding te beërven. En dat staat niet alleen in de Hebreeén brief, maar dat zegt Paulus ook tegen ons zegt in 2 Tim 2:12:

  • Indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen.”

 

Ook wij moeten volharden in onze wandel. Het komt je niet aanwaaien. En door te wandelen gaan we één voor één onze geestelijke zegeningen ontdekken.

 

En dan staat er in Hebr 10:37: “Mijn rechtvaardige zal uit geloof leven.” Het gaat dus over gerechtvaardigden. Maar die gerechtvaardigden kunnen nalatig worden, dat betekent dat ze hun roeping niet in volharding wandelen. Ze blijven dan wel gerechtvaardigd, maar omdat ze nalatig worden, heeft God in hen geen welbehagen (vers 38).

 

En als laatste staat er in de tekst:

  • Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.” (Hebr 10:39).

 

Die nalatigheid leidt ten verderve. Dat betekent niet dat zo'n gerechtvaardige verloren gaat. Want hij is en blijft gerechtvaardigd door het bloed van Christus Jezus. Maar hij zal zijn erfenis mislopen. Dát is de schade (= verderf) die die gelovige oploopt.

 

Want dan vertreedt je het kruis van Christus. Dat betekent, dat je het kruis van Christus niet op je neemt, dat je niet wilt lijden om Zijns naams wil. Dan is er geen vervolg, geen wandel in je geloofsleven.

 

Ja, Israël moest haast maken om over te trekken. En wij moeten ook haast maken in ons geestelijk leven om wel gehoorzaam te willen zijn, om wél waardig onze roeping te wandelen. En daarin hebben we een geweldige voorganger in Paulus, die ons oproept om te jagen naar de prijs der roeping Gods. Om niet te verachteren van de genade Gods, maar voort te gaan op de weg, op onze loopbaan in navolging van Paulus.

 

Broeders en zusters, ik hoop dat u mij vergeeft dat ik zo op dit onderwerp blijf hameren. Maar ik ken geen onderwerp dat belangrijker voor u kan zijn. Onze wandel in Christus bepaalt onze positie in Christus! Paulus is ook zeer duidelijk in al zijn liefdevolle vermaningen. En bij dit alles moeten we nooit vergeten, dat we onze loopbaan uitsluitend kunnen lopen in grote afhankelijk van Christus Jezus, onze Heere, die dit werk (van Hem) al voor de aionen heeft voorbereid, opdat wij onze loopbaan zouden kunnen lopen in Christus Jezus. Dat is overweldigende genade!

 

Deel 18 volgt DV

Bert Boersma September 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 18)

 

In het boek Jozua zien we Jozua (Joshua) als een type van Christus. Jozua, die twee gedenktekens opricht, in vers 9 doet hij dat midden in de Jordaan, en in vers 20 doet hij dat aan de overzijde van de Jordaan. Aan de ene kant zie je dus het gedenkteken van de oude mens in de Jordaan, (wat niet meer te vinden is) en aan de andere kant het gedenkteken van de nieuwe mens, de betekenis van Christus opstanding, aan de overkant van de Jordaan. We hebben deze dingen uitvoerig behandeld.

 

Dat gedenkteken moeten we onszelf ook bij herhaling voor de ogen houden. En vooral dat gedenkteken wat aan de overzijde van de Jordaan is gebouwd. Dat is niet voor niks een gedenkteken. Dat staat er ook duidelijk, dat het een gedenkteken is, in vers 7:

  • .......daarom zullen deze stenen voor de Israëlieten tot een gedenkteken zijn voor altoos.” (Joz 4:7).

 

Een gedenkteken voor Israël. Maar ook voor ons mag het een gedenkteken zijn. Een gedenkteken dat wijst op datgene wat Christus voor Israël heeft gedaan, en in de toekomst zal doen, en tegelijk een gedenkteken wat Hij van die apartgeplaatste stenen nu bezig is te vormen, namelijk Zijn Lichaam! En op de één of andere manier hebben we dat nodig in ons leven. Een gedenkteken. Dat je bij herhaling, af en toe, er eens langs loopt, langs de oever van de Jordaan, en dat je herinnerd wordt aan de betekenis van Christus opstanding. Wij hebben herhaling nodig in ons leven. We hebben ook nodig dat de kinderen, onze kinderen, en onze kleinkinderen tegen ons zeggen: “Wat is nou de betekenis van Christus sterven en van Christus opstanding, van Zijn kruis en van Zijn opstanding, wat is daar dan de betekenis van?”

 

En “Wat is dan de betekenis van Kanaän? Het is goed voor ons om ook antwoord te kunnen geven op die vragen die de kinderen hebben. En dan bedoel ik ook de kinderen in het geloof. En voor ons is het ook een gedenkteken, want wij zijn als gelovigen vaak heel hardleers. En als ik maar bij mezelf blijf, dan mag ik er zelf in mijn eigen leven wel over schrijven, maar om er echt in de geestelijke dingen bij te blijven staan, en daar uit te blijven putten, en in de geestelijke geloofshouding te blijven staan, in het besef dat mijn oude mens in de Jordaan is achtergebleven, en dat ik door genade in nieuwigheid met Christus mag wandelen, en dat ik nu leef, gewapend, met de leden van mijn lichaam gewapend, dan moet ik wel steeds weer terug naar het Woord, om steeds tot het besef te komen dat ik vast mag staan in Hem! Dat ik Hem ten dienste mag staan, een dienstknecht mag zijn, een doulos mag zijn, een slaaf mag zijn. En als je niet oppast, dan vergeet je dat in het dagelijks leven, met allemaal rompslomp om je heen, van beslommeringen op je werk, en wat er allemaal in de wereld gebeurd, allerlei zorgen om je bezittingen, vakantie, en weet ik wat allemaal nog meer.

 

Voor je het weet, ben je het weer vergeten, en heb je weer nodig dat je als gelovige gewoon weer samen komt, de Bijbel weer openslaat, en zegt, “Oh ja, zo was het”. Het is een gedenkteken voor altoos. Dat je eraan blijft herinnerd worden.

 

Het zijn wel enorme grote wonderen geweest, die de Heere daar voor Israël heeft gedaan. Wonderen die ons ook heel veel te vertellen hebben, en waar we van kunnen leren. En dan zou je toch denken, dat een volk als Israël, als er zulke grote wonderen met je gebeuren, dan zal je dat toch nooit meer vergeten. Maar het volk vergat het wel. Dat lezen we in de Psalmen:

  • Zij onderhielden Gods verbond niet, zij weigerden in zijn wet te wandelen en vergaten zijn werken en zijn wonderen, die Hij hun had doen zien.” (Ps 78:10-11).

 

Dát lees je in Ps 78:11, dat ze het vergaten. Ja, wij zijn allemaal vergeetachtig. En vooral in de geestelijke dingen zijn we vergeetachtig. En bij herhaling moet je het vaak weer horen, en dan denk je “Oh ja, zo was het. En je grijpt weer moed, geloofsmoed. En je gaat weer staan als een strijder des Heeren.

 

Het Getal Tien

En dat allemaal te doen, dat is onze persoonlijke verantwoordelijkheid. En die persoonlijke verantwoordelijkheid vinden we ook in het boek Jozua. Als je in Joz 4:19 leest, dan lees je wanneer dit alles is geschied. Wanneer was nou die overtocht over de Jordaan?

  • Het volk nu is uit de Jordaan opgeklommen op de tiende der eerste maand en zij legerden zich te Gilgal.”

 

Het is dus geschied op de tiende der eerste maand. Dat is wel bijzonder, het is niet geschied op de vierde van de maand, of de vijfde van de maand, of de zesde van de maand, nee, op de tiende van de eerste maand. En waar is het getal 10 in de Bijbel altijd een beeld van? Het getal 10 is altijd in de Bijbel een beeld van de menselijke verantwoordelijkheid. Daarom hebben wij hoeveel vingers? We hebben er tien. Hoeveel tenen? We hebben er tien. Je handelen en je wandelen is jouw eigen verantwoordelijkheid. Wat je met je handen doet, wat je met je wandel doet. Dat is het getal tien.

 

Het getal 10 in de Bijbel mogen we beschouwen als één van de volmaakte getallen en typeert de perfectie van de Goddelijke ordening. Zo spreekt Genesis 1 over het werk van God in zes dagen. In dat gedeelte lezen we 10 keer: "En God zeide...". Zo liggen de (tien) woorden van God ten grondslag aan Zijn werk om hemel en aarde te formeren tot een woonplaats voor de mens.

 

Uit de mensheid koos God één volk uit om Zijn eigen volk te zijn: Israël. Met dat volk sloot Hij een verbond (Exod. 19) en gaf hen Tien Woorden, die ten grondslag liggen aan Zijn werk met en door het volk Israël. Mozes zegt later: "En Hij maakte u het verbond bekend, dat Hij u gebood te houden, de Tien Woorden, en Hij schreef ze op twee stenen tafelen" (Deut. 4:13).

 

De Tien geboden zijn verdeeld in twee keer vijf. De eerste vijf Geboden houden verband met het dienen van God; de tweede serie van vijf gaat over de verhouding tot de naaste. In feite gaat het allemaal over het handelen en wandelen van de mens, over de persoonlijke verantwoordelijkheid.

 

Het is daarom heel mooi dat we dit terug vinden in Mattheüs 22, waar een wetgeleerde vraagt wat het grote gebod in de wet is. De Here Jezus antwoordt dan:

  • "Gij zult de Here, uw God, liefhebben met geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw verstand. Dit is het grote en eerste gebod. (de eerste vijf geboden). Het tweede, daaraan gelijk, is: Gij zult uw naaste liefhebben als uzelf. (de tweede vijf geboden). Aan deze twee geboden hangt de ganse wet en de profeten" (vs. 37-39).

 

Het motto van de Tien Woorden is dus overduidelijk: liefde! Liefde tot God en de naaste. Ten diepste is dat hetzelfde, want God heeft Zich de Naaste van de Israëlieten betoond in Zijn Zoon, de Here Jezus Christus. Vandaar dat deze twee geboden feitelijk aan elkaar gelijk zijn.

 

We vinden dus in het Woord de omschrijving “10e van de maand”. Deze dag is voor Israël een hele belangrijke in verband met het Pascha. Op de tiende dag van de eerste maand (Nisan) moest het offerdier voor het Pascha in huis gehaald worden.

 

En we hebben gezien dat het volk van Israël het beloofde land binnen trok onder aanvoering van Jozua op de 10e van de eerste maand:

  • "Het volk nu is uit de Jordaan opgeklommen op de tiende der eerste maand en zij legerden zich te Gilgal..." (Joz. 4:19).

 

Het is hier precies op de tiende van de eerste maand dat het volk is opgeklommen uit de Jordaan, en zij legerden zich te Gilgal. Ja, dat was hun verantwoordelijkheid.

 

Het is onze verantwoordelijkheid op te klimmen, en uit de Jordaan te komen, en in nieuwheid des levens in het geloof te gaan staan, en dat persoonlijk je toe te eigenen. Dat kan een ander niet voor je doen. Dat moet je zelf doen.

 

Toch is die overtocht door de Jordaan blijkbaar toch wel heel erg belangrijk in de Bijbel, gezien de grote aandacht die het Woord eraan geeft. Heel hoofdstuk 3 gaat erover, en hoofdstuk 4 gaat erover, en eigenlijk gaat nog een stukje van hoofdstuk 5 er ook nog over, want dan wordt er verteld wat er allemaal te Gilgal is gebeurd. En we weten wat er te Gilgal is gebeurd. Daar vond een besnijdenis plaats van het vlees. Nou dat is wel heel bijzonder, het eigen vlees werd er gewoon nog af gehaald. Ja, dat is het beeld van het vlees, van ons menselijk vlees, het oude vlees, de oude mens, daar werden ze van besneden. Dat was Gilgal, hoofdstuk 5.

 

Waarom zou dit alles zo uitvoerig behandeld worden door de Schrift? Omdat het zo heel erg belangrijk is, daarom wordt er zoveel aandacht in de Schrift gewijd aan de overtocht van de Jordaan. Het is cruciaal voor het leven van de gelovige om de Jordaan echt over te trekken. Want alleen dan, als je die betekenis gaat zien, niet alleen van Christus kruis, maar ook van Christus opstanding, dan pas zijn de Israëlieten in staat om Kanaän in bezit te nemen. En als wij die betekenissen begrijpen, dan kunnen wij ook in geestelijke zin in ons hemels Kanaän gaan wandelen, en die geestelijke zegeningen één voor één in bezit nemen.

 

Maar voor we echt kunnen gaan wandelen moet er toch nog wel iets gebeuren in ons persoonlijk leven, en dat leert ons het vervolg van het Boek Jozua, en daarom gaan we lezen in Jozua 5. En om goed zicht op het geheel te krijgen lezen we het hele hoofdstuk:

  • Zodra al de koningen der Amorieten aan de westzijde van de Jordaan en al de koningen der Kanaänieten aan de zee hoorden, dat de HERE de wateren van de Jordaan voor het aangezicht der Israëlieten had doen opdrogen, totdat zij erdoor getrokken waren, versmolt hun hart en zij hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten. 2 Te dien tijde zeide de HERE tot Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, ten tweeden male. 3 Toen maakte Jozua zich stenen messen en hij besneed de Israëlieten op de Heuvel der voorhuiden. 4 Dit nu was de reden, waarom Jozua hen besneed: al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, alle krijgslieden waren in de woestijn onderweg gestorven, nadat zij uit Egypte getrokken waren. 5 Want al het volk dat uitgetrokken was, was besneden geweest, maar al het volk dat geboren was in de woestijn onderweg na de uittocht uit Egypte, had men niet besneden. 6 Want veertig jaren zijn de Israëlieten door de woestijn getrokken, totdat het gehele volk omgekomen was, de krijgslieden, die uit Egypte getrokken waren, die naar de stem des HEREN niet gehoord hadden, aan wie de HERE gezworen had, dat Hij hun niet zou laten zien het land, waarvan de HERE hun vaderen gezworen had, dat Hij het ons geven zou, een land, overvloeiende van melk en honig. 7 Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld; dezen heeft Jozua besneden, want zij waren onbesneden, omdat men hen onderweg niet besneden had. 8 Toen het gehele volk zich tot de laatste man toe had laten besnijden, bleven zij waar zij waren in de legerplaats, totdat zij hersteld waren. 9 En de HERE zeide tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld. Daarom noemt men die plaats Gilgal, tot op de huidige dag. 10 Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; 11 en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. 12 En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde. 13 Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg – zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? 14 Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen? 15 En de vorst van het heer des HEREN zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed dit.” (Joz 5:1-15).

 

Dat is nogal een ervaring voor Jozua geweest, dat hij zó de Heere ontmoette, en de plaats waarop hij stond heilig bleek te zijn. Mozes had ook al eens zoiets meegemaakt.

 

Ja, wij zijn hier aangekomen bij hoofdstuk 5. En het is bijzonder dat deze geschiedenis van Jozua 5 zo ingeklemd staat tussen Jozua 4 en Jozua 6.

 

In Jozua 4 hebben we die hele doortocht door de Jordaan gezien. Dat droogvallen van de Jordaan met die twee gedenktekens. Eén gedenkteken in die doods-Jordaan, en één gedenkteken op de oever. En we hebben gezien, dat beeldt uit zinnebeeldig, typologisch, in feite de oude mens, die we achter laten in de doods-rivier als we één worden met Christus. En we trekken dan met Christus door Zijn dood heen naar de overkant. We sterven met Hem, we worden met Hem mede-gekruisigd, we trekken door die doods-Jordaan heen.

 

We worden met Hem begraven in de dood, maar we staan als het ware op, we worden opgewekt, we worden levend gemaakt, en we staan aan de andere oever als nieuwe mensen. We zijn met Hem levend gemaakt. We zijn met Hem opgewekt, en zoals Efeze zegt, dat we met Hem gezet zijn in de hemelse gewesten.

 

En dát beeldt eigenlijk die hele doortocht door die Jordaan, die doods-Jordaan uit. En dan denk je eigenlijk, als je dat zo zinnebeeldig ziet, ja, dan zijn wij klaar, want wij zijn nieuwe mensen, en dan zijn wij natuurlijk klaar om het gevecht voor het land Kanaän aan te gaan. Dan zijn we klaar om die hemelse strijd in de hemelse gewesten te gaan strijden. Want we zijn met Christus daar gezet, we zijn levend gemaakt en we zijn met Hem gezet in de hemelse gewesten, en we worden bewapend met Hem, en we kunnen zo de strijd aan gaan, niet tegen vlees en bloed, maar tegen de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten. Toch is dat niet zo. Het is nog niet klaar.

 

Eigenlijk zou je vanuit hoofdstuk 4 gewoon de geschiedenis kunnen vervolgen in hoofdstuk 6, waar je over Jericho gaat lezen, en alles wat daar allemaal geschied, die hele strijd rondom Jericho. Wanneer we dat zouden doen, (hoofdstuk 5 overslaan), dan missen we niets van de hele geschiedenis. Maar broeders en zusters, het is niet voor niets dat hoofdstuk 5 juist tussen deze twee hoofdstukken is geplaatst. Dat is juist heel belangrijk.

 

Want wij denken misschien, dat wij nu alles wel hebben meegemaakt, wij hebben dat nu ook onderwezen gekregen uit de Schrift, dat wij met Christus zijn mede-gekruisigd, met Hem zijn gestorven, en dat onze oude mens, ons oude leven achterblijft in de doods-Jordaan, en dat we de doods-Jordaan met Christus doorgetrokken zijn, en dat we nu op de andere oever staan, en dat we nieuwe mensen geworden zijn, en we die twee gedenktekens zien. Van de eerste is niks meer te zien, want de doods-Jordaan gaat erover heen, dat oude leven daar valt niks meer van te ontdekken, en je mag weten, ik ben een nieuw mens geworden in de Heere Jezus Christus. En toch is het zo, dat dat niet voldoende is.

 

Het is niet voldoende, dat je al deze dingen alleen in theorie weet. Er moet namelijk nogal wat meer geschieden in de praktijk van ons leven voordat wij die geestelijke strijd in de hemelse gewesten ook daadwerkelijk kunnen aangaan.

 

Jozua 5 begint ons hier te vertellen in het eerste vers, dat al die koningen der Amorieten aan de westzijde van de Jordaan, en al de koningen van de Kanaänieten aan de zee, die hebben van dit geweldige wonder van God gehoord, en ja, er staat dan bij aan het eind: “Hun hart versmolt.”

  • versmolt hun hart en zij hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten.” (Joz 5:1)

 

Ik denk persoonlijk, dat we dat geestelijk mogen vertalen naar het hier en nu. Het staat niet met zoveel woorden in de Bijbel, maar ik denk dat we op grond van het Woord toch mogen stellen, dat het misschien wel zo is, dat ook de harten van de geestelijke boosheden in de hemelse gewesten zijn versmolten. Want de Heere Jezus Christus is niet alleen gestorven aan het kruis van Golgotha, maar Hij is ook daadwerkelijk ten derde dage opgestaan, en daarna ten hemel gevaren. Hij is als Overwinnaar de hemelen doorgegaan. En die geestelijke boosheden in de lucht hebben Hem als Overwinnaar die hemelen zien doorgaan. En zoals in Kol 2 ons wordt uitgelegd, Hij heeft daar een geweldige overwinning geboekt, want niemand kon die hemelvaart van Christus verhinderen. Hij heeft zitting genomen aan de rechterhand des Vaders. En er staat bij, dat Hij openlijk over hen (over die geestelijke boosheden) heeft gezegevierd, dat Hij ze openlijk heeft ten toon gesteld, en dat Hij ze te kijk heeft gezet. En ze hebben beseft, tot satan aan toe, dat het in feite alleen maar een kwestie is van tijd, of ze lijden voorgoed de nederlaag!

 

Dat wisten de Amorieten, dat wisten de Kanaänieten, dat wisten die koningen, en dat weten die geestelijke boosheden in de hemelse gewesten ongetwijfeld ook. En je ziet dat deze koningen op die manier keken naar deze Israëlieten. Ze hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten. En ik denk ook in geestelijke zin, als je naar de geestelijke strijd in Efeze 6 kijkt, dat het net zo is ten aanzien van ons, ook al hebben we daar niet zo'n weet van, maar als je dat dan doortrekt, dat het dan zo is, dat eigenlijk die geestelijke boosheden weten, als ze op ons zien, en wat God met ons voor heeft in Zijn plan der eeuwen, in Zijn voornemen der eeuwen, dat wij meer dan overwinnaars zijn.

 

Wij zijn niet te overwinnen, broeders en zusters! Omdat wij daar niet staan in eigen kracht. Maar omdat wij voorwaarts gaan in de opstandingskracht van Jezus Christus, onze Heere! En de dood kon Hem niet houden, en zij konden Hem ook niet verhinderen om zitting te nemen aan de rechterhand Gods in de hemelse gewesten. Zo kunnen ze ook ons niet verhinderen, dat wij, de leden van Zijn Lichaam, samen met Christus gezet zijn in de hemelse gewesten, dat we levend gemaakt zijn, en dat we eigenlijk een geestelijke troepenmacht met elkaar vormen, het Lichaam van Christus, dat ten strijde zal trekken in de toekomst, namens Hem, met een geweldig getuigenis aan alle overheden, machten en krachten in de hemelse gewesten.

 

Ja, er staat ook in Jac 2:19 dat de demonen God ook kennen. En wat staat erbij? Dat ze sidderen. Er is een siddering, er gaat dan een siddering door de schepping heen. Er staat ook zo duidelijk in de eerste Korinthe brief, dat als ze alles van te voren geweten hadden, die geweldhebbers van deze schepping, als ze geweten hadden wat er zou geschieden toen ze Christus kruisigden, dan hadden ze Hem nooit gekruisigd. Maar ze deden het wel. Ze deden eigenlijk precies wat voor ons de verlossing zou worden, en wat de verlossing zou betekenen voor de ganse schepping. Dat is het bijzondere, dat is de diepte, die er in zit.

 

Maar ondanks dat het zo is, dat het hart van de in Kanaän wonende volkeren versmolt, zou je kunnen zeggen, nou dan kunnen de Israëlieten toch meteen naar Jericho trekken? Meteen de confrontatie aangaan? Want die volkeren zijn toch allemaal bang voor de Israëlieten? Die volkeren zetten het gelijk op een lopen als de Israëlieten eraan komen. Die weten dat ze de nederlaag zullen lijden. Maar nee, dat is niet zo. Want wat moet er geschieden? Eigenlijk geschieden hier twee belangrijke dingen in hoofdstuk 5 met de Israëlieten. En zo moeten er eigenlijk ook aan ons twee dingen gebeuren. Eigenlijk zijn dat twee voorwaarden voor overwinningsleven. En die twee dingen moeten eerst gebeuren voor Israël de strijd aan kan gaan. En die twee dingen moeten ook aan ons gebeuren voor wij werkelijk in Christus de strijd kunnen aangaan.

 

En daar gaan we de volgende keer mee verder.

 

Deel 19 volgt DV

Bert Boersma oktober 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 19)

 

De Besnijdenis

De vorige keer hebben we heel Jozua 5 gelezen. En we zijn toen geëindigd met de constatering dat er eerst nog twee dingen moeten gebeuren voor Israël daadwerkelijk de strijd in het beloofde land kon aangaan. Zoals ook die dingen in ons leven moeten plaatsvinden om werkelijk in het overwinningsleven te kunnen staan. Als we werkelijk overwinningsleven willen beleven in ons geloofsleven, dan dienen ook die twee dingen die in Jozua 5 staan aan ons te geschieden. Ja die dingen dienen we dan ons persoonlijk toe te eigenen, dat het iets van onszelf wordt. En wat zijn nou die twee dingen? Nou het eerste is, wat de opdracht is in Joz 5:2:

  • Te dien tijde zeide de HERE tot Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, ten tweeden male.”

 

Dat is het eerste wat geschieden moet. Je moet worden besneden, ja niet met een besnijdenis, zegt Paulus in Kol 2, die een werk van mensenhanden is. Nee, niet die besnijdenis, maar je moet wel besneden worden. Daar gaan we bij stil staan, wat dat inhoudt, om een besnijdenis mee te maken, maar niet van mensenhanden, maar door Gods handen. Geen besnijdenis, zoals letterlijk Israël hier meemaakte aan hun vlees, dat iedereen van het mannelijk geslacht hun voorhuid kwijt raakte:

  • Toen maakte Jozua zich stenen messen en hij besneed de Israëlieten op de Heuvel der voorhuiden.”

 

Ja, ze raakten allemaal hun voorhuid kwijt daar op die heuvel Gilgal. Er waren alleen al ruim 600.000 strijdbare mannen overgetrokken, die besneden werden. Maar het is bij ons niet dat wij besneden worden aan de voorhuid, nee maar wij worden besneden met een geestelijke besnijdenis, een besnijdenis die niet geschied met mensenhanden. Het is een besnijdenis, zoals de Bijbel dan zegt: Een besnijdenis van het hart. En daar gaat het hier om. Dat is de eerste belangrijke ding wat moet gebeuren.

 

En dat is de praktische besnijdenis in ons leven. Het moet niet zo zijn dat het alleen maar theoretisch is. Zo van: Ik ben met Christus gekruisigd, en ik ben met Hem begraven, ik ben met Hem gestorven, en ik ben met Hem levend gemaakt, en ik ben met Hem gezet in de hemelse gewesten, dat het alleen maar theoretisch is. Nee, er behoort ook wat op te volgen. Namelijk dat je je oude mens, letterlijk in de praktijk van je leven aflegt, dat je je oude vlees aflegt, en dat je in de praktijk van je leven de nieuwe mens aan doet. En dat is waar heel Efeze over gaat, waar Kolossenzen over gaat, en waar Filippenzen over gaat. Daar worden hele hoofdstukken aan gewijd, wat die “besnijdenis” in de praktijk van het leven wil zeggen. Dat je je oude mens aflegt, en dat je je nieuwe mens aandoet. En dát is hier aan de hand. Daar gaat het hier om, dat maken ze mee.

 

Bijzonder is, dat erbij staat in vers 2:

  • Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, ten tweeden male.

 

Het is iets wat hier voor een tweede keer geschied, en dat is wel een beetje bijzonder, want dat “ten tweede male” komt steeds terug hier in dit hoofdstuk. Die Israëlieten waren natuurlijk al besneden in Egypte. Dat hele geslacht wat toen uittoog uit Egypte, wat de uittocht meemaakte, en wat ook in die nacht dat lam slachtte, en ook het bloed van het lam had gestreken aan de deurposten, en ook van het gebraden lam aten, en ook voor het eerst dat Pascha vierden, die allereerste Pascha-viering die je in de Bijbel kunt vinden. En niet zomaar iedereen kon dat Pascha vieren, want er wordt nog speciaal iets bij vermeld in Ex 12, waar het gaat over het paaslam en de uittocht uit Egypteland:

  • Maar wanneer een vreemdeling bij u vertoeft en de HERE het Pascha wil vieren, dan zal ieder van het mannelijk geslacht, die bij hem behoort, besneden worden; eerst dan mag hij naderen om het te vieren; hij zal gelden als in het land geboren. Maar geen enkele onbesnedene mag ervan eten. Eénzelfde wet zal gelden voor de geboren Israëliet en voor de vreemdeling, die in uw midden vertoeft.” (Ex 12:48-49).

 

Wat houdt dat in? Ook al lees je nergens hier in deze hoofdstukken over de besnijdenis van de Israëliet, maar zij wisten wanneer zij met elkaar dat Paascha mochten vieren. Wanneer je besneden was! Dat staat duidelijk beschreven aan het eind van vers 48: “Maar geen enkele onbesnedene mag ervan eten.” Dan mocht je er niet van eten.

 

In Egypte waren allen besneden, daar was die eerste besnijdenis, dat zat gekoppeld aan die viering, die eerste viering en die instelling van dat Pascha. Geen enkele onbesnedene mag ervan eten. En ook als je dan leest in Jozua 5, dan lees je de reden, waarom ze ten tweede male besneden werden:

  • Dit nu was de reden, waarom Jozua hen besneed: al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, alle krijgslieden waren in de woestijn onderweg gestorven, nadat zij uit Egypte getrokken waren. Want al het volk dat uitgetrokken was, was besneden geweest, maar al het volk dat geboren was in de woestijn onderweg na de uittocht uit Egypte, had men niet besneden.” (Joz 5:4-5).

 

Ja, ze waren allemaal besneden voordat die uittocht plaatsvond, voordat ze aan dat Pascha hadden deelgenomen, en van dat Paaslam hadden gegeten, voordat zij die verlossing hadden meegemaakt. Maar daarna waren de Israëlieten niet meer besneden, en hadden ze ook het Pascha niet meer gevierd............!

 

In feite is het zo, als wij zelf in ons persoonlijk leven in geestelijke zin, in typologische zin de uittocht meemaken uit Egypteland, uit deze wereld, en wij oog krijgen voor het bloed van Christus, voor Zijn kruis, en Zijn kruisdood, dat Hij ons daar van onze zonden heeft verlost, en je leert zo je Heiland kennen, en je neemt Hem als de Christus, als je Heiland, als je Verlosser persoonlijk aan, en je doet die stap in het geloof, dan is dat eigenlijk de eerste stap in het geloof, die je doet. En daarop volgt de volgende stap, dan breek je ook met je oude leven, dan breek je ook met zonden in je leven. Je leven verandert. “Welk een verand'ring heeft God in mijn leven gewrocht, sinds Jezus nu woont in mijn hart”, zegt een lied.

 

Dan vindt er een enorme verandering in je leven plaats. Echter, wat is wel een kenmerk? Laat ik maar bij mezelf blijven. Toen ik persoonlijk zelf vele jaren terug, persoonlijk de Heere Jezus leerde kennen als mijn Heiland, had ik toen enige kennis, dat ik met Hem was gestorven, en dat ik met Hem was mede-gekruisigd, en met Hem begraven was, en met Hem opgewekt was, levend gemaakt was, en gezet was in de hemelse gewesten, in een hemels Kanaän?

 

Nee, helemaal niet. Daar wist ik helemaal niets van. En ook de Israëlieten hier, die maakten alleen maar de uittocht mee. De uittocht uit Egypteland. Ze werden verlost van de macht van de Farao. En zo maak je ook in je leven mee dat je verlost wordt uit de macht, eigenlijk verlost wordt uit de macht van de boze, en dat je gered wordt, en dat je uitgeleid wordt. En je weet ook dat je een hemel ergens in het verschiet hebt, dat wisten de Israëlieten ook.

 

Ja, de Heere zal ons wel leiden naar een Kanaän. Maar dat je daar in het heden al in geestelijke zin in mag binnen gaan, dat wist ik vroeger helemaal niet.

 

Dat moet je ook niet van een jong-gelovige, van een zuigeling in het geloof, van een baby in het geloof, iemand die jong is in het geloof, of hoe je het ook wilt noemen, daar moet je dat ook niet van verwachten. Dat wordt ook in de evangelie-verkondiging nooit gepredikt, en dat kan ook niet. Dat is een boodschap, die je aan de wereld niet kunt brengen, dat is een boodschap, die je alleen maar aan gelovigen kunt brengen.

 

Gelovigen, die opeens tot de ontdekking komen dat het geestelijk leven, het geloofsleven toch wel zwaar is, want je komt in de woestijn, je komt onder een brandende zon. En je hebt te maken met het feit dat je steeds water des levens nodig hebt, je hebt ook steeds voedsel nodig, je hebt ook steeds manna nodig, en dat manna moet er ook steeds komen. En de Heere geeft dat ook. En je hebt die melk vanuit Gods Woord ook steeds nodig, want als je nog een zuigeling bent, dan drink je daar ook steeds van.

 

Het Pascha

Dat manna, kan je daar van leven? Ja, daar kan je van leven. Maar is dat nou vast voedsel? Nee, dat niet, het is geen boterham met kaas, dat is het niet. Het zijn ook geen aardappelen met vlees en groente, nee, dat is het niet. En eigenlijk moest er een keer iets anders, vast voedsel, voor in de plaats komen. Het moest een keer ophouden met de manna, en dat gebeurde ook in Jozua 5, daar kon Israël van de opbrengst van het land eten. Tijdens de hele woestijn reis was er elke dag manna, totdat ze aankwamen in Kanaän, en met elkaar dat Pascha vierden.

 

En wat daar zo belangrijk en mooi is, broeders en zusters, ze gaan opeens Pascha vieren. De vorige keer hebben we immers behandeld over die tiende van de eerste maand. Dat was de dag voor Israël dat ze het paaslam in huis moesten halen, en dat paaslam moesten ze bewaren tot de veertiende van de maand, waarop het in de avondschemering geslacht moest worden. En die tiende van de eerste maand was ook de dag dat Israël aan de overkant van de Jordaan kwam. Maar voordat ze het Pascha konden gaan vieren, moesten ze dus eerst besneden worden.

 

Ze komen aan in dat land, in dat beloofde land, en dan lees je dat ze niet alleen besneden worden aan de voorhuid, maar dat ze daarna ook het Pascha vierden. Ze hebben dat voor het eerst gevierd, toen ze uittogen uit Egypteland, en ze hebben dat ook als een herinnerings-feest nog één keer gevierd, namelijk die ene keer samen met Mozes, dat kan je lezen in Numeri.

 

En dan denk je, dat hebben ze vast elk jaar gevierd, maar dat is niet waar, want zolang ze daar zwierven in de woestijn, 40 jaar lang, hebben ze het verder nooit weer gevierd.

 

Terwijl de Heere duidelijk opdracht had gegeven:

  • En deze dag zal u een gedenkdag zijn, gij zult hem vieren als een feest voor de HERE; in uw geslachten zult gij hem als een altoosdurende inzetting vieren.Zeven dagen zult gij ongezuurde broden eten; dadelijk op de eerste dag zult gij het zuurdeeg uit uw huizen verwijderen, want ieder die iets gezuurds eet, van de eerste tot de zevende dag, zo iemand zal uit Israël worden uitgeroeid. Zowel op de eerste als op de zevende dag zult gij een heilige samenkomst hebben; generlei arbeid zal daarop verricht worden; slechts wat door ieder gegeten wordt, alleen dat mag door u bereid worden. Onderhoudt dan (het feest der) ongezuurde broden, want op deze zelfde dag leid Ik uw legerscharen uit het land Egypte. Daarom moet gij deze dag onderhouden in uw geslachten als een altoosdurende inzetting.”(Ex 12:14-17).

 

De eerste keer dat ze het weer vierden, was hier aan de oever, aan de overkant van de Jordaan, daar hebben ze het gevierd, nadat ze besneden werden, ten tweede male besneden werden, en zo zou je kunnen zeggen: Ten tweede male het herdenkingsfeest hebben gevierd. Het “originele” feest hebben ze gevierd in Egypte, en toen ze net uitgetogen en aangekomen waren in de woestijn, hebben ze het ten tweede male gevierd, en ze hebben het ten derde male hier gevierd aan de oever van de Jordaan. Eigenlijk de tweede keer hebben ze het hier als een herdenkingsfeest gevierd.

 

En dát is ook zo wat er met ons geschied, broeders en zusters, want wanneer je groeit in het geloof, en de late brieven van Paulus leert begrijpen én aanvaarden, dan krijgt door de prediking het kruis van Christus zijn bijzondere betekenis, een veel diepere betekenis. Dan heeft het niet alleen de betekenis, dat de Heere Jezus daar als onze Heiland Zijn bloed gaf voor onze zonde, en dat wij vergeving van zonde ontvangen, en dat onze zonde verzoend zijn, enz., maar dan krijgt het een veel diepere, hogere betekenis: Dan gaan wij opeens begrijpen dat we met Hem zijn mede-gekruisigd, begraven, en gestorven, en mede zijn opgewekt, mede zijn levend gemaakt, en mede gezet zijn in de hemelse gewesten. Dat we één zijn geworden met Hem, dat we één zijn in Zijn opstanding.

 

Dat is zo bijzonder, en dan ga je opnieuw kijken, hier, dan ga je opnieuw beleven, dat kruis, de betekenis van dat kruis in je leven. De betekenis hier, waar ze ook bij stilstonden om Pascha te vieren. Maar dat kunnen ze alleen vieren nadat het “Gilgal” is geweest, waar ze zijn besneden. Ze vieren het te Gilgal. Die plaats wordt Gilgal genoemd. Dat staat er ook:

  • En de HERE zeide tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld. Daarom noemt men die plaats Gilgal, tot op de huidige dag. Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho; en zij aten, daags na het Pascha, van de opbrengst van het land, ongezuurde broden en geroost koren, op dezelfde dag. En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten. Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde.” (Joz 5:9-12).

 

Dat hebben ze daar gevierd, het Pascha. Ze keken hernieuwd naar het kruis. En zo kunnen wij ook in ons leven uiteindelijk komen, dat we opnieuw kijken naar het kruis en de betekenis van het kruis in ons leven, en dat we daar op ingaan. En hoe gaan we daar op in? Nou, in de meest praktische zin.

 

Want je hebt er niks aan als het alleen maar een leerstellig stuk is, een soort “dogma” is, nee, dan heb je er helemaal niks aan. Dat helpt ons niet verder, dat helpt ons niet afscheid te nemen van ons oude leven. Nee, dan moet je het ook daadwerkelijk afleggen.

 

Dan moet je ook meemaken die besnijdenis, wat geen werk is van mensenhanden. Dat lezen we in Kol 2, waar Paulus het over die besnijdenis aan ons heeft:

  • In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, daar gij met Hem begraven zijt in de doop.” (Kol 2:11-12).

 

Welke doop heeft Paulus het hier over? Dat je gedoopt bent in Christus, dat je één gemaakt bent met Christus. Daar moeten we geen water-doop van maken, dat denken we altijd maar met het woord “doop”, maar daar gaat het niet over. In Rom 6 wordt ook over die doop gesproken, ook daar is het geen water-doop. Nee, het is het gedoopt worden in Christus, het ingelijfd worden in Christus. Precies zoals de gereformeerden dat zo mooi in hun catachismus schreven. Ingelijfd worden, zo noemen ze het in de catachismus. Dat is juist, dat is correct. Gedoopt worden betekent ingelijfd worden, en dat is geschied.

  • In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt.” (Kol 2:12).

 

In die doop in Christus zie je de éénwording met Christus, ingelijfd worden in Hem, in de doop met Hem en in Hem, dan wordt je met Hem begraven in de dood, en wordt je opgewekt in het nieuwe leven. Dát is die besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is. En wat is dan dat besneden worden in de praktijk? Dat is het afleggen van het lichaam des vleeses. Wat moet je dan doen, hoe doe je dat? Het afleggen van het lichaam des vleeses? Nou dat je op vlees geen vertrouwen meer stelt. Op vlees geen vertrouwen meer stellen, niet op eigen kunnen vertrouwen stellen. Wij denken aan (bij) het afleggen van het vlees alleen maar aan zondige dingen, van je mag niet meer zus, en je mag niet meer zó, enz. Maar dan denken we heel erg wettisch. maar als we denken aan het afleggen des vleeses, wat moet je dan afleggen? Laten we maar eens lezen in Fil 3, daar gaat het ook over die besnijdenis:

  • Want wíj zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen.” (Fil 3:3).

 

Dat is als je deel hebt aan die besnijdenis die geen werk van mensenhanden is. Wat doe je dan? Dan vertrouw je niet meer op vlees. En wie vertrouwde nou heel zijn vroegere leven zo verschrikkelijk op zijn vlees? Ja, dat was Paulus zelf. Hij zegt in vers 4:

  • Ofschoon ik voor mij wel reden zou hebben om ook op vlees vertrouwen te stellen. Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer: besneden ten achtsten dage, uit het volk Israël, van de stam Benjamin, een Hebreeër uit de Hebreeën, naar de wet een Farizeeër, naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk.” (Fil 3:4-6).

 

Allemaal godsdienstige kwaliteiten, maar ál die religieuze kwaliteiten, al die godsdienstige kwaliteiten, alle steunen op eigen kracht, dat heeft Paulus hier in Fil 3 schade en drek geacht. Hij heeft geleerd op vlees niet te vertrouwen. En hij noemt degene die op vlees vertrouwen in Fil 3:2 de slechte arbeiders:

  • Let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis! Want wíj zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen.” (Fil 3:2-3).

 

Die versnijdenis, dat is niet de echte besnijdenis, dat is versnijdenis. Maar als je deel krijgt aan dé besnijdenis Gods in de doop, in de inlijving, in de eenwording met Christus, dan is dat niet een besnijdenis, wat een werk is van mensenhanden, maar dat is een besnijdenis van het werk van Gods handen aan je hart. Dat is afleggen. En Christus legt dat oude leven in ons af, ook het godsdiensige leven legt Hij af, ook dat wettische leven, als dat er is, legt Hij af. Ook dat Farizistische leven legt Hij dan af. Daar moet je mee breken. Niet alleen met dingen waar al klip en klaar van is dat dat niet in ons leven thuis hoort, dat je af en toe liegt en bedriegt, en dat je anders voordoet dan je bent, al dat soort dingen, want ga maar naar Efeze 4, wat zegt Paulus daar over dat oude leven?

  • Dit zeg ik dan en betuig ik in de Here, dat gij niet langer moogt wandelen zoals ook de heidenen wandelen, in de ijdelheid van hun denken, verduisterd in hun verstand, vervreemd van het leven Gods om de onwetendheid, die in hen heerst, om de verharding van hun hart.” (Ef 4:17-18).

 

Dát is de maatschappij om ons heen. Die is verhard, en het valt ons allemaal wel op, dat die verharding in onze maatschappij, ook in onze dagen, eigenlijk alleen maar toeneemt. Maar ze zijn vervreemd van het leven Gods. Dat kennen ze niet. Nou, wij moeten niet meer zoals vroeger voorwaarts gaan, dat we alleen op zondag bijvoorbeeld christen zijn, en door de week zijn we dat niet. Alsof we als het ware dan vervreemd zijn van het leven Gods. Zo mogen we niet wandelen. Nee, je moet niet wandelen zoals de heidenen wandelen in de ijdelheid in hun denken, dat je alleen je eigen carrière nastreeft. Je moet geen aardse loopbaan nastreven, je moet een hemelse loopbaan nastreven. Dat is wat hier staat.

 

Want de wereld is verduisterd in hun verstand. Maar wij zijn kinderen des lichts, zegt Paulus hier in Efeze, en we moeten in dat licht wandelen.

  • Zij hebben zich immers in hun verdoving overgegeven aan de losbandigheid om gretig winst te slaan uit allerlei onreinheid.” (Ef 4:19).

 

Ja, dat biedt de wereld, gretig winst slaan uit allerlei onreinheid, losbandigheid, enz. Je hoeft de tv maar aan te zetten, en in menig programma wordt de losbandigheid, en dan vooral onder jongeren enorm gepropageerd, en als het ware verheerlijkt, dat jongeren vooral uit hun dak moeten gaan, uit hun bol moeten gaan.

  • Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, (en nou krijg je het, dát is de besnijdenis:) de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.” (Ef 4:20-24).

De volgende keer gaan we nog iets dieper op de besnijdenis des harten in.

 

Deel 20 volgt DV

Bert Boersma oktober 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 20)

 

De besnijdenis (2)

De vorige keer zijn we geëindigd met de tekst:

  • Maar gij geheel anders: gij hebt Christus leren kennen. Gij toch hebt van Hem gehoord en zijt in Hem onderwezen, gelijk dit de waarheid is in Jezus, dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, (en nou krijg je het, dát is de besnijdenis:) de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.” (Ef 4:20-24).

 

In het Grieks staat er eigenlijk:

  • Dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens afgelegd hebt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd zoudt worden door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aangedaan hebbende, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.”

 

Zo moet je het eigenlijk vertalen, niet iets dat wij nu moeten doen, nee, het is waar we de Heere in mogen volgen, want Hij schakelt die oude mens uit in Zijn dood. En in de praktijk moeten we dat dan ook voor dood houden, en moeten we in dat nieuwe leven ook gaan staan, waarin Hij ons heeft gebracht. We mogen naar die nieuwe mens gaan leven. In ons denken moeten we ook verjongd worden, vernieuwd gaan leren denken, anders gaan leren denken, want we zijn heel anders dan de wereld, nou en dat uit zich dan in allerlei dingen, het is teveel om op te noemen:

  • Legt daarom de leugen af en spreekt waarheid, ieder met zijn naaste, omdat wij leden zijn van elkander. Geraakt gij in toorn, zondigt dan niet: de zon mag niet over een opwelling van uw toorn ondergaan; en geeft de duivel geen voet. Wie een dief was, stele niet meer, maar spanne zich liever in om met zijn handen goed werk te verrichten, opdat hij iets kan mededelen aan de behoeftige. Geen liederlijk woord kome uit uw mond, maar als gij een goed (woord) hebt, tot opbouw, waar dit nuttig is, opdat zij, die het horen, genade ontvangen. En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing. Alle bitterheid, gramschap, toorn, getier en gevloek worde uit uw midden gebannen, evenals alle kwaadaardigheid. Maar weest jegens elkander vriendelijk, barmhartig, elkander vergevend, zoals God in Christus u vergeving geschonken heeft.” (Ef 4:25-32).

 

Dat gaat hier maar door met hele praktische dingen. Dat is de besnijdenis in de praktijk van ons leven. En willen we daadwerkelijk overwinningsleven beleven, zoals Israël dat mocht beleven om het land Kanaän in bezit te nemen, dan begon dat daar in Gilgal met de besnijdenis van het vlees. En willen wij werkelijk overwinnings-leven beleven om de hemelse gewesten en alle zegeningen die in Christus zijn in de hemelse gewesten om die persoonlijk in bezit te nemen, ja, dan begint het met die besnijdenis, die geen werk is van mensenhanden, die God aan ons doet. We moeten Hem aan het werk laten. En doet dat zeer? Ja, dat doet best zeer. Het snijdt namelijk aan ons eigen oude vlees. In Jozua 5 werden ze er ziek van:

  • Toen het gehele volk zich tot de laatste man toe had laten besnijden, bleven zij waar zij waren in de legerplaats, totdat zij hersteld waren.” (Joz 5:8).

 

Ja, dat doet best wel zeer. En er wordt hier wel gesproken over stenen messen, maar niet in elke tekst, in Joz 5:2 staat:

  • Te dien tijde zeide de HERE tot Jozua: Maak u scherpe messen,” (zo staat het is de grondtekst), en besnijd de Israëlieten opnieuw.”

 

Scherp. En de Heere zegt dan dat we ook heel scherp moeten kijken naar ons leven, geestelijk moeten kijken naar ons leven, en dat we in dat nieuwe leven echt moeten gaan staan. En dat we echt moeten breken met al dat oude! Dat is er niet meer. Dat ligt achter ons.

 

Eigenlijk is de besnijdenis een beeld van het afleggen van het oude vlees, van het sterven van het oude vlees, maar tegelijk, daaruit voortvloeiend, ook het opgewekt worden met Christus.

 

En dan lezen we over het gevolg van die besnijdenis van het hart:

  • Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God.” (Kol 3:1-3).

 

Hier lezen we over het zoeken van de dingen die boven zijn, maar we moeten ze niet alleen zoeken, we moeten ze ook bedenken. Dat laatste moet je ook leren. Als je dat vergelijkt met de tekst in Ef 4:23, wat lazen we daar dan?

  • Dat gij, wat uw vroegere wandel betreft, de oude mens aflegt, die ten verderve gaat, naar zijn misleidende begeerten, dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken, en de nieuwe mens aandoet, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid.” (Ef 4:22-24).

 

Ook deze tekst gaat over de besnijdenis van ons hart! “Dat gij verjongd wordt door de geest van uw denken.” Verjongd worden, vernieuwd worden. Je moet als het ware nieuw leren denken, anders leren denken dan wat je van nature gewend bent. En daar moet je dus bedachtzaam op zijn, daar moet je alert op zijn. En dat moeten we eigenlijk ook mensen die de Heere Jezus Christus pas leren kennen als hun Heiland, een kind van God worden, langzamerhand leren, dat ze anders leren denken, anders daardoor leren zien, anders leren horen, en daardoor anders leren handelen, en uiteindelijk anders leren wandelen. Dat is een groei-proces.

 

En zodra wij ontdekken dat ons leven met Christus verborgen is in God, en dat wij dus moeten leren leven van bovenaf, en in gemeenschap met boven, in gemeenschap met Christus, vier en twintig uur per dag, en dat wij niet meer vleselijk moeten zijn, dus niet van beneden uit moeten leven, maar dat we dat van boven af moeten doen, dus niet bedenken, die dingen die op de aarde zijn, maar bedenken die dingen die boven zijn, ja, dan leren wij langzamerhand in ons denken verjongd te worden, vernieuwd te worden. Dat is ook die nieuwe mens, die je aandoet. Anders gaan denken.

 

En grote voorbeelden daarvan hebben we in de Bijbel in de talloze Oud-Testamentische gelovigen, want ook zij hebben geleerd in hun leven om anders te denken. Als we kijken naar Abraham, wat deed Abraham? Abraham volgde zijn roeping van God, die hij kreeg om zijn land en zijn maagschap te verlaten, en te reizen naar een land wat hij niet kende, het land Kanaän. En God had hem gezegd dat hem dat gegeven zal worden, zelfs erfrechtelijk gegeven zou worden. En ondanks dat hij daar was, en wandelde en woonde in Kanaän, wat deed Abraham? Ging hij een stad bouwen? Ging hij een huis bouwen? Nee, hij bleef wonen in tenten, terwijl hij nota-bene woonde in zijn door God gegeven land, en daar aangekomen was na een lange reis, na een heleboel omwegen, in dat beloofde land. Waarom bleef hij in tenten wonen? Nou dat laat Hebreeën ons zien. Omdat hij uitkeek naar een hemelse stad, waarvan God de bouwmeester en de grondlegger is.

 

Hij keek dus uit in feite naar zijn erfdeel wat hem door God was beloofd. Hij keek eigenlijk uit naar de nieuwe aarde, waar straks het hemelse Jeruzalem op zal nederdalen, die hemelse stad, en waar hij zal wandelen in straten van goud. En wat zei Abraham tegen zichzelf?

  • Ik ben een pelgrim hier, waarom moet ik zien op het heden? Nee, ik blijf wonen in mijn tenten, want ik ben een pelgrim, ik ben op doorreis naar die hemelse stad.”

 

En dát bepaalde zijn leven. Dat bepaalde zijn beslissingen in zijn leven. Kijk ook naar Mozes. Mozes, arm geboren, maar toch heel rijk opgevoed aan het hof van de Farao. Mozes leefde in al die rijkdom, al die eer en die roem, die hij daar had aan het hof van de Farao, opgevoed door de dochter van de Farao, hoog in aanzien, eigenlijk één van de zonen van Farao, direct opgenomen in Farao's familie. Maar wat staat er in de Hebreeën brief geschreven over deze Mozes? Hij heeft de rijkdom van Egypte gesmaad, en hij heeft de smaadheid van Christus aanvaard, en die gedragen, in plaats van te genieten van de rijkdommen van Egypte. Waarom? Dat staat erbij in Hebreeën. Omdat hij zag op de vergelding des loons. (Hebr 11:26)

 

Voortdurend was zijn geloofs-oog gericht op wat de prijs zou zijn, het loon zou zijn, het erfdeel zou zijn, niet hier op aarde, niet op wat voor ogen was, wat hij misschien zou erven van de dochter van de Farao, als zij ooit kwam te overlijden, die hem had opgevoed als haar eigen zoon. Nee, daar zag hij niet op. Hij zei neen tegen die aardse erfenis. In plaats van samen met de Egyptenaren te genieten in dit leven, en eruit te halen wat erin zit.

 

En tegenwoordig is de zaak niet anders dan in de dagen van Mozes, want kijk maar op t.v., wat wordt jongeren door al die verschillende nieuws-omroepen allemaal geleerd? Ja, juist de jongeren, want er is niet voor niets het spreekwoord: “Wie de jeugd heeft, heeft de toekomst.” Wat wordt hen veelvuldig geleerd? Je moet genieten jongens, je moet op vakantie, je moet uit je bol gaan, je moet in het weekend uitgaan, je moet toch gaan genieten van het leven, want straks is het voorbij. Maar dat is leven vanuit het vlees. En dat wordt door de wereld gepredikt aan alle kanten.

 

Maar Mozes koos ervoor niet te genieten in dit leven, maar de smaadheid van Christus te dragen, en het volk van God, het volk Israël te leiden, daarvoor uiteindelijk geroepen te worden. Dat wist hij eerst nog niet, maar uiteindelijk werd hij geroepen als leider van het volk, om zo het volk te leiden uit Egypte door de woestijn naar het beloofde land. Hij had zijn blik gericht op de voleinding.

 

En altijd zie je dat gelovigen in de Bijbel, van welke gemeente, van welke geloofsgroep dan ook, vanaf de eerste pagina van de Bijbel tot de laatste van de Bijbel hun geloofs-oog richten, niet op het heden, maar op het eeuwige, en wat in de eeuwigheid (in de eeuwen) hun erfdeel zal zijn samen met Christus.

 

Ook wij hebben dat te doen. Want morgen ga ik weer naar mijn werk, dan ga ik daar weer aan de slag. Maar wat moet je dan doen? Als je kijkt naar die slaven, eigenlijk naar die medewerkers, zo kunnen we het wel vertalen in de tegenwoordige tijd, lees maar Kol 3:22

  • Slaven, gehoorzaamt uw heren (je baas) naar het vlees in alles, niet als mensenbehagers om hen naar de ogen te zien, maar met eenvoud des harten in de vreze des Heren. Wat gij ook doet, verricht uw werk van harte, als voor de Here en niet voor mensen; gij weet toch, dat gij van de Here tot vergelding de erfenis zult ontvangen. Gij dient Christus als heer.” (Kol 3:22-24).

 

Ook zelfs als je gewoon op je werk staat, en gewoon maandagmorgen weer aan de slag gaat, dan mag je dat doen, wetende dat je in de eerste plaats in je leven de Heere Jezus Christus dient. En dat je in dat dienen, dat je daar mag staan als een gelovige die van boven af leeft. Dat je mag weten dat je leven met Christus verborgen is in God. En God bewaart dat leven voor je, dat ontvang je ook straks. Als Hij verschijnt in heerlijkheid, verschijnen die apart geplaatsten, die getrouwen en gelovigen in Hem, samen met Hem in heerlijkheid. En dan ontvangen zij ook die erfenis, ook dat loon.

 

En Paulus zegt “Houd moed.” Ook in de gewone werkomstandigheden, waarin we zo gauw verleid worden om te gaan reageren zoals je collega's reageren, om te gaan roddelen, zoals je collega's roddelen over anderen, die er niet bij zijn. En hoe er soms allerlei intriges zijn. En van alles wat je in de wereld tegen komt, kom je ook op je werk tegen.

 

Nee, doe daar dan niet aan mee. Blijf daar als een gelovige verre van. Maar ga vanuit de gemeenschap met de Heere Jezus Christus van boven af leven, want je mag je oog gericht houden op de vergelding. De vergelding des loons, de erfenis, die gij zult ontvangen van de Heere.

 

Bedenkt de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn – Maar, er is ook nog een andere kant, ja, als je dat niet doet, als je aardse dingen bedenkt, als je aards gezind bent, wat gebeurt er dan? Nou, als je naar de Fil brief gaat, dan wordt duidelijk wat er dan gebeurt, en wat dan je positie is. Paulus zegt:

  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. Want velen (= gelovigen) wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:17-19).

 

Kunnen gelovigen wandelen als vijanden van het kruis? Hoe dan?

  • Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:18-19).

 

Als je aardsgezind bent, dan bedenk je de dingen die beneden zijn, die van de aarde zijn, dan ben je aardsgezind. En wat ben je dan? Dan ben je een vijand, een vijand van het kruis, een vijand van het kruis van Christus. Want als je aardsgezind bent, als je bedenkt de dingen die op de aarde zijn, in plaats van de dingen die boven zijn, hoe handel je dan? Nou dan handel je niet naar het burgerschap wat je in Christus ontvangen hebt:

  • Want wíj zijn burgers (grondtekst: “wij bezitten het burgerschap”) van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten.” (Fil 3:20).

 

Dan realiseer je je dus niet, wat je in Christus ontvangen hebt, dat je een burger bent van een rijk in de hemelen, en dat je niet aardsgezind moet zijn, maar hemels gezind, en dat je moet bedenken de dingen die boven zijn. Ja, als je als christen aardsgezind bent, je alleen maar laat leiden, je laat vullen door de dingen van deze aarde, door wat je ziet, aards ziet, aards hoort, aards voelt, ja dan wordt je een vijand van het kruis van Christus, en ja wat wordt er over die vijanden gezegd in Fil 3:1? Daar begint Paulus daarover te spreken, hij zegt:

  • Overigens, mijn broeders, verblijdt u in de Here! Hetzelfde aan u te schrijven is voor mij niet verdrietig en voor u is het veilig. Let op de honden, let op de slechte arbeiders, let op de versnijdenis!” (Fil 3:1-2).

 

Je moet dus opletten, en hij zegt het hier heel scherp, op slechte arbeiders in de wijngaard des Heeren, en die stonden toen op een podium, en die staan ook nu op een podium.

 

Maar het zijn slechte arbeiders. En je moet ook iedere arbeider toetsen die in die wijngaard des Heeren werkzaam is. Toetsen aan de Schrift. Niet toetsen aan je gevoel, maar toetsen aan de Schrift. Ook mij, niks zomaar van mij aannemen, alles wat ik hier neerschrijf, toets dat maar rustig aan de Bijbel. Toets maar voortdurend of Christus centraal staat in de prediking.

 

Dat moet je altijd doen. Staat bij elke prediking Christus centraal? Wordt Christus erdoor verheerlijkt of verlaagd? Wordt Christus en Zijn Woord groot gemaakt? Groei ik in Christus door die prediking? Dat wil zeggen, wordt ik kleiner gemaakt door die prediking, en Christus groter gemaakt in die prediking? Wast Christus voor mij in die prediking?

 

Want als de juiste, als de correcte prediking plaatsvindt dan heeft het tot gevolg dat we ons mogen verblijden in de Heere. Dat leren we dan ook. We moeten ons niet verblijden in onszelf, ons niet verblijden in de omstandigheden, want we verblijden ons in de Heere, want de Heere is nabij, en we mogen bij de Heere vertoeven. We hebben toegang tot de Heere. We mogen zoeken de dingen die boven zijn, waar Christus is. We mogen met Christus spreken. En ons leven is met Christus verborgen in God.

 

Maar we moeten wel opletten, want er zijn honden, Paulus is heel scherp in Fil 3. Honden zijn het, en die verscheuren je. Het zijn slechte arbeiders, en wat doen ze? Ze versnijden, ze brengen verdeeldheid, die slechte arbeiders, die zijn uit op verdeeldheid, en ze prediken uiteindelijk ook verdeeldheid in plaats van de eenheid van het Lichaam van Christus. Hij zegt:

  • Want wíj zijn de besnijdenis, die door de Geest Gods Hem dienen, die in Christus Jezus roemen en niet op vlees vertrouwen.” (Fil 1:3).

 

Een ware arbeider, en ook ware christenen, ja die vertrouwen niet op het eigen vlees, en die roemen niet in zichzelf. Alle roem is uitgesloten. Die roeme, die roemen in de Heere Jezus Christus. Paulus zegt er nog achter aan:

  • Ofschoon ik voor mij wel reden zou hebben om ook op vlees vertrouwen te stellen.” (Fil 1:4).

 

En hij gaat dan in Fil 3 al die dingen opnoemen, waarin hij misschien kan roemen in zichzelf, op heel veel goede daden en dingen die hij in zijn leven heeft gedaan en welke geweldige afkomst hij allemaal heeft, een Hebreeër, enz, van de stam van Benjamin, uit het volk van Israël, en naar de wet een Farizeeër, en ijverig een vervolger van de gemeente, allemaal op het oog gezien, naar de mens gezien, prachtige dingen, maar hij acht al die eigen inspanningen van zijn eigen vrome vlees schade en drek. En hij heeft geleerd niet meer op vlees te vertrouwen, en niet meer te roemen in zichzelf, maar te roemen in de Heere.

 

Ja, de versnijdenis echter, de honden, de slechte arbeiders, die leggen altijd zo de nadruk op goede werken, die je vanuit het eigen vlees moet doen. En die leggen geboden op, van “raak niet, smaak niet, roer niet aan”, en ze brengen in feite de christenen in contact met henzelf. Dan staat de christen in het middelpunt. Maar de christen hoort niet in het middelpunt te staan, Christus hoort in het middelpunt te staan. Maar wanneer het een prediking naar beneden toe is, dan staat de christen in het middelpunt. Dan is het opeens heel belangrijk wat die christen voelt, wat die christen ervaart. En dat is ook vaak een beetje de prediking van vandaag.

 

En die christen krijgt dan allerlei handreikingen, wat hij allemaal niet en wel moet doen, wat Paulus in Kol 2 uitvoerig aan ons laat zien, hoe er zo'n eigendunkelijke godsdienst ontstaat, die alleen maar een bevrediging is van ons eigen vrome vlees, maar waardoor je wel kans loopt dat je de prijs misloopt, je loon misloopt.

 

Ja, dat spreekt ons natuurlijk van nature geweldig aan, als er wordt gesproken over dingen die we allemaal moeten doen als christen. En dat zie je ook tegenwoordig, en ook in die tijd was het zo.

  • Want velen (= gelovigen) wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus.” (Fil 3:17-18).

 

Dan terug naar de vraag: Kunnen gelovigen wandelen als vijanden van het kruis? Hoe dan?

 

Hun wandel, hun levenspatroon staat lijnrecht tegenover die van Paulus. En ze worden dus vijanden van het kruis van Christus genoemd. Je moet wel oppassen, er staat niet “vijanden van Christus”, er staat “vijanden van het kruis van Christus”. Het zijn dan ook niet vijanden van Christus. Zij hebben ook de Heere Jezus lief, en zij hebben ook de Heere Jezus verkozen als hun Heiland, ze geloven ook. Maar toch in de praktijk zijn zij vijanden van het kruis van Christus. Wat betekent dit? Wat ontbreekt er dan in hun leven? Nou de eerste stap, die de Heere Jezus Christus aanstipt ontbreekt in hun leven. Dat is, wat de Heere Jezus zelf uitlegt in Lukas 14, waar de Heere Jezus over Zijn kruis spreekt, waar die groep gelovigen uit Fil 3 volgens Paulus dus vijanden van zijn:

  • Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.” (Luk 14:27).

 

En over wat dat “kruis dragen” inhoudt hopen we de volgende keer verder te gaan.

 

Deel 21 volgt DV

Bert Boersma November 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 21)

 

Wandelen als vijanden van het Kruis

De vorige keer waren we geëindigd met de vraag: Kunnen gelovigen wandelen als vijanden van het kruis? We hebben toen de tekst gelezen:

  • Ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:18-19).

 

En we hebben toen gezien dat de wandel, het levenspatroon van die genoemde groep gelovigen lijnrecht staat tegenover die van Paulus. En ze worden vijanden van het kruis van Christus genoemd. We hebben toen opgemerkt dat het geen vijanden van Christus zijn, maar dat zij in de tekst vijanden van het kruis van Christus genoemd worden. We hebben toen ook nog de tekst uit Lukas 14 aangehaald, waar de Heere Jezus over Zijn kruis spreekt, waar die groep gelovigen uit Fil 3 volgens Paulus dus vijanden van zijn:

  • Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.” (Luk 14:27).

 

Heel vaak wordt dat “kruis dragen” opgevat alsof het aardse zaken betreft. Heel vaak wordt dat “kruis dragen” toegetrokken naar het menselijke vlak, en dan gaan we daar opeens maar van maken, ziekte, of tegenspoed, of rampen, verbroken relatie's, enz. En dat noemen we dan, dat is iemands kruis. Maar dat bedoelt de Heere Jezus er hier niet mee.

  • Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.”

 

Ja, deze Filippenzen, waar Paulus wenende van zegt dat zij vijanden zijn van het kruis v.w.b. hun wandel, wat betekent dat? Dat betekent dat ze in de praktijk van hun leven niet belijden, dat zij zijn mede-gekruisigd met de Heere Jezus Christus. Dat ze hun oude vlees voor dood houden, dát is kruisdragen. Beseffen dat je gekruisigd bent met Christus. Dat het oude leven achter je ligt, en dat je zó Christus mag gaan volgen, en dat je een gekruisigd leven leeft, waarbij je Paulus nazegt, zoals Hij dat in Gal 2:20 zegt:

  • Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, (dat is), niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij. En voor zover ik nu (nog) in het vlees leef, leef ik door het geloof in de Zoon van God, die mij heeft liefgehad en Zich voor mij heeft overgegeven.” (Gal 2:20).

 

Daar gaat het om! Dát is kruisdragen. Maar deze Filippenzen leven niet met de visie van: “met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij.”

 

Het gaat erom dat je op die manier je kruis op wil nemen, en Christus wil volgen. Het gaat er dus ten diepste om dat je geen rekening meer houdt met je oude vlees, maar dat oude vlees voor gekruisigd houdt! Het gaat er dus eigenlijk om dat je leert begrijpen én toepassen in je leven, dat je die besnijdenis van je hart hebt meegemaakt, en doorleeft! “Wie niet zijn kruis draagt en achter Mij komt, kan mijn discipel niet zijn.” Nee, wanneer je niet dat oude vlees achter je laat, dan volg je Christus niet in je leven. En dát was er met die Filippenzen aan de hand. Het waren gelovigen, maar zij wandelden als vijanden van het kruis, eigenlijk wandelden zij als vijanden van de besnijdenis des harten.

 

En wat krijg je dan? Ja, dan krijg je, dat je in plaats van dat je je vlees als gekruisigd ziet, en ook houdt als gekruisigd, dan ga je zelf allerlei dingen doen. Zelf je voor allerlei dingen inspannen in eigen goede werken, en dan wordt je als gelovige, (want het betreft wel gelovigen), op die manier een vijand van het kruis van Christus, en zo'n wandel leidt tot niets, dat leidt alleen maar tot verlies. Want je functioneert eigenlijk van bovenaf gezien helemaal niet. Dat denk je misschien wel, want je spant je enorm in, en je bent enorm met van alles bezig. En ja, sorry, dat ik het zo zeg, maar je kan in vele gemeenten, van wat voor aard dan ook in de wereld, ook in Nederland, binnenstappen, en men heeft de lijst al voor je klaar liggen, wat je allemaal kan gaan doen, en je kan bij wijze van spreken, daarmee vier en twintig uur per dag je leven vullen.

 

En dat deden die Filippenzen ook, omdat ze onder invloed stonden van slechte arbeiders. Maar ja, dat leidt tot niks, het einde daarvan is het verderf, “hun einde is het verderf.”

 

Het leidt tot niks, niet dat jij als gelovige verdorven wordt, of verloren gaat, nee, je behoud ligt vast in het volbrachte werk van Christus, dat blijft staan, maar van al die werken, die je eigen vrome vlees voortbrengen, daar blijft niets van over. Paulus noemt die werken in 1 Kor 3: “Hout, hooi en stoppelen.”

 

Als het getoetst wordt door de Heere, ja, dan verbrandt het. Dan blijft er niets van over. Daarom: “Wij zijn Zijn maaksel, geschapen om goede werken te doen.” Als je die werken wilt werken, wat moet je dan doen?

 

Dan moet je leren in je leven, vanuit je gemeenschap met Christus – terwijl je leven boven is verborgen met Christus in God – met Hem te spreken, en van bovenaf te kijken, en te vragen “Heere wat wilt u dat ik doen zal”? Want we moeten niet vergeten, wij bezitten als leden van het Lichaam van Christus immers dat hemels burgerschap wat boven is, en we moeten leren denken vanuit die hoge positie. En we moeten leren te gaan staan in die geloofsopenbaring van “spreek Heere, uw knecht hoort.” En als je je zó opent voor Hem, ja, broeders en zusters, dan spreekt de Heere best wel, en dan legt de Heere best wel heel persoonlijk in je hart, wat je in bepaalde omstandigheden wel of niet zou moeten doen. Want wij hebben dat voorrecht, dat privilege, dat we de toegang hebben tot de Vader in het Heilige der Heiligen. En dan mogen we spreken met Hem. Want Christus is niet alleen daar in dat Heilige, maar alle leden van Zijn Lichaam, alle heilige apart geplaatste getrouwe gelovigen zijn daar met Hem, en in Hem geplaatst, en dat is een geweldig weten, dat is een geweldig voorrecht.

 

Hoe moeten we eigenlijk leven? Hoe moeten we eigenlijk wandelen? Waardig wandelen? Paulus zegt het ons in Galaten 6, waar het kruis nog een keer voorkomt:

  • Maar ik moge ervoor bewaard blijven te roemen anders dan in het kruis van onze Here Jezus Christus, door wie de wereld mij gekruisigd is (dát is de besnijdenis des harten) en ik der wereld. 15 Want besneden zijn of niet besneden zijn betekent niets, maar of men een nieuwe schepping is.” (Gal 6:14-15).

 

Ja, die wereld, die ligt eigenlijk samen met mijn eigen gekruisigde vlees, achter mij. Want ik ben toch een nieuwe schepping? En als ik een nieuwe schepping geworden ben, wat zegt dan Paulus in 2 Kor 5? Ja, dan ken ik ook eigenlijk niemand meer naar het vlees. Dan leef ik al verhoogd, dan leef ik al een nieuw leven, alsof ik een nieuwe schepping, alsof ik al in de nieuwe schepping ben. En ik leef niet meer aardsgezind, ik leef hemelsgezind. En ik bedenk niet meer de dingen die beneden en die aards zijn, maar ik bedenk de dingen die hemels zijn. Die dingen zoek ik. Die dingen bedenk ik. Mijn God is niet meer mijn buik, in mijn gevoelens, zoals we in Fil 3:19 lezen:

  • Hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.”

 

Wat is je buik? Ja, dat is je hele gevoels-leven. Maar wanneer ik de hemelse dingen bedenk, dan leef ik niet meer vanuit mijn gevoel, en op mijn gevoelens, en dan wordt mijn leven niet meer gecontroleerd door mijn buik, en door de gevoelens uit mijn buik, mijn buikgevoelens, dan leef ik niet meer door het vlees, heen en weer geslingerd door allerlei gevoelens, dan leef ik niet meer vanuit de oude natuur, dan leef ik niet meer vanuit beneden, en bedenk ik niet meer de dingen die van de aarde zijn. Nee, ik leef niet meer vanuit de buik, dan leef ik uit de Geest. Ik leef vanuit mijn nieuwe natuur die God in mij geschapen heeft. Ik ben een nieuwe schepping in Christus Jezus, mijn Heere.

 

Het oude is voorbij gegaan, zie het nieuwe is gekomen. En de wereld is voor mij gekruisigd, en ik hou het ook gekruisigd. En ik hou mijn eigen leven ook gekruisigd. En dat is de kracht van dat nieuwe leven.

 

Als je kijkt naar zo'n leven, zo'n leven in gemeenschap met Christus, zo'n verborgen leven, dan zou ik willen zeggen, dan heeft dus ons leven, als ons leven boven is, verborgen met Christus in God, dan heeft ons leven dus een verborgen bron. En als ik wil zorgen in mijn leven, dat dat nieuwe leven, die nieuwe natuur, die nieuwe schepping, die ik geworden ben, die God in mij geschapen heeft, die Goddelijke natuur, die in mij verwekt is, als ik die wil beleven, ja, dan moet ik dat ook voeden. En als ik dat wil voeden, dan moet ik gaan naar de bron, dan moet ik gaan naar het hemelse water. Het water des levens vloeit. En waar is die bron? Die bron is boven. Die bron is Christus. En dan moet ik ook dat Heilige der Heiligen binnen gaan. Dat moet mijn dagelijkse gewoonte worden.

 

Ook zou ik willen zeggen, dat nieuwe leven heeft niet alleen een verborgen bron, maar dat leven is ook enorm veilig, heel erg veilig, onaantastbaar, niet te roven. Ons nieuwe leven is verborgen in Christus! Dat moeten we beseffen. Het is bijna alsof je bij een bank bent, en je zegt bij die bank, ik wil een bank-kluisje huren. En als je dan zo'n klein bank-kluisje huurt, met zo'n heel klein deurtje, dan kom je eerst in een kamer, en die kamer is eigenlijk één grote safe, één grote kluis. En als je die kluis binnen stapt, en die hele zware deur, die elke dag van het slot af wordt gehaald, en die open wordt gedaan, en er wordt aan dat grote rad gedraaid, en die dikke zware kluis-deur gaat open, dan loop je naar binnen, en dan heb je daar een bank-kluisje gehuurd, met een sleutel, die doe je open, en daar haal je een laatje uit, en daar kan je allerlei dingen die kostbaar zijn in bewaren.

 

Nou zo moet u voorstellen, is ons leven. En de bank-kluis met die hele dikke deur dat is de Heere Jezus Christus. Door Hem kan je binnengaan in de hemel, in dat Heilige der Heiligen, en daar vindt je als het ware allemaal van die bank-kluisjes, waar allemaal onze namen op staan. En de Heere bewaart dat. En die zware kluis-deur, die gaat dicht, en niemand kan er bij, niemand kan daar wat aan veranderen. Daar ligt ons nieuwe leven verankerd in Hem.

 

En dáár worden we bewaard. Zo veilig is ons leven opgeborgen in Christus, met Christus in God. Wat willen we nog meer? Die verzekerdheid hebben we. En wij mogen inlopen en uitlopen. We kennen de code. We hoeven alleen maar de code te draaien op de deur, en we kunnen zomaar naar binnen. We hebben een geopende deur. En je hoeft alleen maar bij wijze van spreken, je handen te vouwen, en je knieën echt te buigen om daar naar binnen te mogen gaan. Je hoeft het niet eens te doen terwijl iedereen het ziet, maar dat mag je diep in je hart doen. En dan ben je al binnen. Christus is ons nabij. Verblijdt u in de Heere te allen tijde. En dat is een geweldige zekerheid, dat ons leven veilig is, en dat je je in dat leven mag laten leiden door Hem.

 

En verder kunnen we nog zeggen, dat leven is één met Christus. En waar is Christus? Ja Christus zit daar wel aan Gods rechterhand. Maar wat lezen we dan dat Christus daar doet aan Gods rechterhand? Je moet je voorstellen, daar is een tafel met allemaal wezens, en soms krijgen we ook in de Bijbel daar een blik op, met cherafs en cherubs en de oudsten, de 24 oudsten, en de dieren, en dat wordt allemaal beschreven in Openbaring en het bijbelboek Ezechiël, en noem maar op. Als je daar kijkt in dat Heilige der Heiligen, daar zit aan de rechterhand van de Vader de Heere Jezus Christus.

 

En wat doet de Heere Jezus Christus? Hetzelfde als wat de apostel Johannes deed, toen de Heere Jezus aan tafel zat met Zijn apostelen, met Zijn discipelen. Wat deed Johannes? Johannes die vleide zich dan aan de boezem van de Heere Jezus. En wat lees je van de Heere Jezus? De Heere Jezus is de persoon, die aan de boezem des Vaders is.

 

En als Christus aan de boezem des Vaders is, en wij zijn één met Hem, wie is dan aan de boezem des Vaders? Dan zijn wij door genade aan de boezem des Vaders. En zo drukt de Vaders Christus en ook ons aan Zijn hart. Al zijn ogen, Vaders ogen zijn vier en twintig uur per dag op ons gericht. We weten het vaak niet, we beseffen het vaak niet, ook als we naar ons werk gaan, en het vaak druk hebben, maar Hij ziet ons, en Zijn hand is over ons. Hij bewaart ons, Zijn bewarende hand. Ons leven is veilig.

 

En Hij wil zo graag dat we er aandacht schenken, dat we dat voorrecht beseffen, en dat we uit dat voorrecht leven, en de gemeenschap met de Vader onderhouden, dat we Zijn liefde beantwoorden, dat we geen vijand worden van het kruis, maar dat we dat kruis dragen, en dat we dat kruis toepassen. Wat doe je dan?

  • Doodt dan de leden, die op de aarde zijn.” (Kol 3:5).

 

Ja, dan hou je voor dood, die leden die op de aarde zijn. In het Grieks staat hier eigenlijk niet “doodt dan de leden...!”, want dat klinkt als een opdracht, die je hebt te voldoen. Nee, zo wordt het niet bedoeld. Hier staat in de grondtekst het woord voor: “Houdt het dan voor dood.” Voor dood houden, en dat moeten we doen. We moeten die oude natuur, het vlees, met al zijn leden, die moeten voor dood houden.

 

Dat is: Toepassen in de praktijk van je leven, dat je mede-gekruisigd bent. Met Christus ben ik gekruisigd en tóch leef ik. Dan is het niet meer mijn ik, maar ik leef door het geloof. En dat is door het geloof leven! Het oude voor dood houden.

 

Het domste wat we kunnen doen, is onder de verkeerde prediking naar ons eigen graf gaan, en een spade pakken, en dat oude lijk op gaan graven, en net doen of dat lijk leeft, en daarmee nog eens een keer een robbertje gaan vechten ook. Nou dat verlies je tegen dat oude vlees. Want dan is dat oude vlees opeens springlevend, als je niet door het geloof leeft.

 

En dan komt er opeens een geestelijk strijd in je leven, dat ga je onherroepelijk verliezen. Dat kan je nooit winnen. “Doodt dan de leden die op de aarde zijn.”

 

Dat mag je doen. En als je dat doet, en als je dát in je leven beleeft, ja, dan ga je ook ervaren in je leven, dat Christus je waarachtig tot een nieuwe schepping gemaakt heeft. En dat die wereld inderdaad voor je dood is, dat je niet meer moet leven, dat alles al het ware via je ogen en je oren binnenkomt, en je daar dan op reageren gaat.

 

Nee, dan zie je wel wat er in de wereld is, maar dan leef je van boven af. En dan ga je daar niet tegen strijden. Wat moeten we voor dood houden? Wat op die aarde is, en wat je dus ook niet moet bedenken.

  • Doodt dan de leden, die op de aarde zijn: hoererij, onreinheid, hartstocht, boze begeerte en de hebzucht, die niet anders is dan afgoderij, 6 om welke dingen de toorn Gods komt.” (Kol 3;5-6).

 

Bedenk niet de dingen die op de aarde zijn, nee, bedenk de dingen die boven zijn.

 

Wat is er dan op die aarde? Op die aarde is er hoererij, in het Grieks staat er gewoon het woord “ porneia”, ons woord porno”, onreinheid, sexuele onreinheid, hartstocht, hier staat “pathos”, ons woord “passie” in de grondtekst, boze begeerten, boze verlangens (in de grondtekst), en de hebzucht, “lust” staat er in de grondtekst, die niet anders is dan afgoderij, om welke dingen de toorn Gods komt.

 

Wat zijn dat allemaal voor dingen? Waar heeft dat allemaal mee te maken? Pornografie, sexuele onreinheid, hartstocht, passie, verlangens, boze begeerten, hebzucht, lust. Het zijn allemaal gevoelens, allemaal aardse gevoelens, allemaal aardse prikkelingen van het vlees, en die komen dus op je af, en het is wel wonderlijk, dat dit toch allemaal wat te maken heeft met seksualiteit. En blijkbaar speelde dat in die gemeente van Kolosse, blijkbaar waren er dingen gaande in Kolosse, die Paulus opmerkt, en waarom hij dat hier zo aanstipt. En dat moeten we niet onderschatten.

 

Seksualiteit is een heel krachtig ding, en vooral onder christenen hangt er soms een taboe over, maar we kunnen er maar beter eerlijk in zijn, en niet doen alsof wij opeens geen mensen meer zijn, die staan met onze beide voeten op deze aarde.

 

Nee, dat is een punt waardoor heel velen kunnen struikelen. En tegenwoordig komt er door t.v. heel wat onze huiskamer binnen. En ook door reclame, en noem maar op, komt er heel wat op je af, want men gebruikt deze dingen in de reclamewereld, om juist daardoor de mens nog te treffen en te prikkelen tot iets.

 

Je gevoelsleven dus. Daar heeft het steeds mee te maken. Wat staat er centraal in je leven als je leeft op je gevoelens, en de mens om ons heen leeft op zijn gevoelens, alles draait om zijn gevoelens. Wie staat er dan centraal? Dan sta ik centraal, dan sta jezelf centraal, in plaats van dat Christus centraal staat. Het moet vaak goed voelen, men gaat naar predikers luisteren, en de toets die men hanteert is niet dat ze het toetsen ten aanzien van de Schrift, nee, ze toetsen de dingen die gesproken worden niet aan de Schrift, maar men toetst het naar hun gevoel. Het moet goed voelen, of ik moet mij er beter door gaan voelen, ik moet mij er meer “happy” door gaan voelen. Maar dan sta je wel zelf centraal in plaats dat Christus centraal staat. En dat is afgoderij. Want wie staat dan centraal? Dan sta ik centraal.

 

En wie is die ik dan? Dat is dan mijn allergrootste afgod in mijn leven, die Christus gekruisigd heeft, maar ik hou hem dan niet voor gekruisigd, ik ben dan een vijand van het kruis, want ik hou dan mijn “ik” hartstikke levend, en dat vind ik nog heerlijk ook. En onder een bepaalde prediking streel ik nog dat eigen vrome vlees, en ben ik bezig in mijn leven van raak niet, smaak, niet roer niet aan, en ik maak mezelf nog wijs dat ik een geweldige christen ben. Laten we maar eerlijk zijn. Zo is heel vaak de praktijk.

 

Maar daarin hebben we gewandeld. Zo zijn we van nature, afgaand op onze gevoelens, levende vanuit onze gevoels-wereld:

  • Daarin hebt ook gij eertijds gewandeld, toen gij erin leefdet.” (Kol 3:7).

 

Ja we hebben erin gewandeld, we kennen het allemaal. En we kennen die oude mens. En die oude mens functioneert zo. Dat is bedenken die dingen die beneden zijn. Zó kijken in de wereld. Zó zien in de wereld. Zó reageren in deze wereld.

  • Maar thans moet ook gij dit alles wegdoen.” (Kol 3:8).

 

Wat komt uit dat leven vanuit je gevoel voort? Nou dan krijg je al die uitingen:

  • Toorn, heftigheid, kwaadaardigheid, laster en vuile taal uit uw mond. Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd hebt.” (Kol 3:8-9).

 

Ja, zo leefde we vroeger, maar zo leven we nu niet meer. We mogen al die uitingen van dat vlees, dat mag je ook in de praktijk wegdoen, niet meer najagen. En dat het werkelijk zo is, als je die oude mens met zijn praktijken hebt afgelegd, en de nieuwe hebt aangedaan, ja, dan is dat ook weg.

 

Ik ben blij dat de NBG vertaling vers 9 heel goed vertaald heeft, want als je heel goed oplet, dan zegt vers 9:

  • Liegt niet meer tegen elkander, daar gij de oude mens met zijn praktijken afgelegd en de nieuwe aangedaan hebt.”

 

Het is dus al gedaan, het is al vervuld! Je hoeft het niet meer te doen. Er wordt zoveel gedacht van, dat we die oude mens met zijn praktijken moeten gaan afleggen. Nee hoor, het is afgelegd, het is een lijk, een afgelegd lijk. En die oude mens die is er niet meer, en we hoeven niet meer die nieuwe aan te doen, nee, “en de nieuwe aangedaan hebt!” Het is een voldongen feit.

 

God heeft ons die nieuwe natuur gegeven, en die oude is weg. En we hoeven alleen maar door het geloof te gaan leven. Met Christus ben ik gekruisigd, dat is een feit. En met Christus, in Christus heb ik nu ook de nieuwe mens gekregen, en ik vorm met Hem een nieuwe mens, en mijn leven is met Christus verborgen in God. En ook al ziet niemand er ook wat van, ik weet het, en u weet het. En we hebben de toegang, en eens zullen allen die tot Zijn Lichaam behoren, met Hem verschijnen in heerlijkheid.

 

Deel 22 volgt DV

Bert Boersma November 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 22)

 

Door die besnijdenis des harten echt aan ons hart te laten komen, heeft God ons die nieuwe natuur gegeven, en die oude natuur is weg. En we hoeven alleen maar door het geloof te gaan leven. Met Christus ben ik gekruisigd, dat is een feit. En met Christus, en in Christus heb ik nu ook de nieuwe mens gekregen, en ik vorm met Hem een nieuwe mens, en mijn leven is met Christus verborgen in God. En ook al ziet niemand er ook wat van, ik weet het, en u weet het. En we hebben de toegang, en eens zullen allen die tot Zijn Lichaam behoren, met Hem verschijnen in heerlijkheid.

 

Ja, de nieuwe mens, die we aangedaan hebben, daar staat nog iets van geschreven:

  • Die vernieuwd wordt tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper", (Kol 3:10).

 

We kennen nog iemand anders die ooit naar het beeld van zijn Schepper geschapen is.

 

Dat is Adam. Wat staat ook al weer in Gen 1 bij de schepping van Adam? En natuurlijk ook uit Adam Eva:

  • En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen.” (Gen 1:27).

 

Ja, Hij schiep Adam en Eva naar Gods beeld. Wie is Gods beeld? Dat is Christus. Eigenlijk staat er “God schiep de mens naar Zijn beeld, God schiep de mens naar Christus beeld, naar Gods beeld, naar Christus schiep Hij hem, man en vrouw schiep Hij hen.”

 

En wat staat er van Christus geschreven in Kol 1:15?

  • Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping.”

 

Hij is het beeld van de onzichtbare God, naar Gods beeld, naar Zijn beeld schiep Hij hen.

 

Ja, wij gelijken dus van nature wel in Adam, op Christus, maar er is door de zondeval niks van terecht gekomen, en door de zondeval is die Adam, en wij met hem, de oude mens geworden, de eerste Adam. Maar in Christus vindt er dus een schepping plaats, die hier in Kolossenzen plaats gevonden heeft in Christus naar de nieuwe mens, naar de laatste Adam, met de nieuwe natuur. En wat staat er geschreven over die nieuwe mens? Die nieuwe mens wordt vernieuwd tot volle kennis naar het beeld van zijn Schepper. (Kol 3:10).

 

Epignosis – Gnosis

Die nieuwe mens, die nieuwe natuur, die is geschapen naar Zijn beeld, naar Christus beeld. En dat moet je wel leren, want je wordt vernieuwd tot volle kennis. Ja, het woord “kennis” dat is het woord “epignosis”, dat is niet hetzelfde als het woord “gnosis”, dat wordt ook wel vertaald met kennis in onze vertaling, maar “epignosis” gaat verder. Er staat “epi” voor, dat betekent “boven”, “epi-gnosis” dat is “boven-kennis”.

 

Die nieuwe mens wordt vernieuwd tot volle boven-kennis. Het woord “volle” hebben ze ervan gemaakt in de vertaling, maar eigenlijk staat er “boven-kennis”. Je wordt vernieuwd tot boven-kennis naar het beeld van Zijn Schepper. Hoe wordt je vernieuwd met die boven-kennis naar het beeld van Zijn Schepper? Door de dingen te bedenken die boven zijn.

 

Dat woord “volle kennis”, “boven-kennis”, “epignosis”, komt in Kol 1:9 al voor:

  • Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis (= epignosis = boven-kennis) van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis (= epignosis = boven-kennis) van God.” (Kol 1:9-10).

 

We moeten goed begrijpen, voor wie Paulus hier bidt. Het zijn de geadresseerden van de Kolossenzen brief, de apart-geplaatste en getrouwe broeders, die wilden luisteren naar de onnaspeurlijke verborgenheid (Kol 1:1). Dus aan hen die tot het Lichaam van Christus behoren! Dus Paulus bidt ervoor dat zij met die “boven-kennis vervuld mogen worden, zoals Hij boven ook is. En dat is een vernieuwing, dit is dus eigenlijk een proces, waar Paulus voor bidt, waar hij om vraagt in zijn gebed, of de Kolossenzen met die boven-kennis, die rechte kennis van Zijn wil vervuld mogen worden, en dat zij geestelijk inzicht mogen krijgen om de Heere waardig te wandelen, Hem in alles te behagen. Inzicht te krijgen.

 

In Kol 2 komt “epignosis ook voor:

  • Want ik stel er prijs op, dat gij (weer die zelfde groep getrouwen) weet, hoe zware strijd ik te voeren heb voor u, en voor hen, die te Laodicea zijn en voor allen, die mijn aangezicht niet hebben gezien in het vlees, 2 opdat hun harten getroost en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdom van een volledig inzicht (= epignosis”), en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, 3 in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn.”

 

Het gaat om een volledig kennen, een “boven” kennen, en dat zij het geheimenis Gods mogen kennen. Wie? Christus, in wie al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn, de “bankkluis” boven, Christus, die open doet voor alle schatten der wijsheid. Alle schatten der kennis, die je je maar kan voorstellen. Maar je hebt er wel “boven-kennis” voor nodig, en dat moet als het ware in je gaan werken, want je hebt als uitverkoren gelovigen (Ef 1:4) die nieuwe mens, die nieuwe natuur ontvangen, daar maak je deel van uit, maar die moet wel dagelijks vernieuwd worden tot die “epignosis”. En daarom moeten we dagelijks blijven drinken uit de Bron, Christus Jezus onze Heere.

 

Ja, zullen mensen zeggen, kennis, ja, maar kennis maakt toch opgeblazen? Ja, kennis maakt inderdaad opgeblazen. Die tekst staat in 1 Kor 8:

  • Wij weten, dat wij allen kennis (= gnosis) bezitten. De kennis (gnosis) maakt opgeblazen, maar de liefde sticht.” (1 Kor 8:1).

 

En heel veel mensen zeggen dan, zie je wel, kennis maakt opgeblazen, het is helemaal niet goed om eigenlijk met zoveel bijbelstudie bezig te zijn, en die Bijbel maar doorvorsen, daar krijg je alleen maar hete hoofden en koude harten van. Moet je niet doen. Maar ik wil u wel zeggen, kennis, ja, “gnosis” staat hier in de grondtekst, niet “epignosis”, niet “boven-kennis”, nee “gnosis”, dié kennis maakt opgeblazen, dat is waar. En wanneer we zo samen bezig zijn met het Woord, en we gaan Kol 3 alleen maar zien als kennis (“gnosis”), en het blijft alleen maar in je bovenkamer, in je verstand zitten, maar het wordt niet boven-kennis (“epignosis”), je laat het niet tot je hart toe, je laat dus eigenlijk die besnijdenis van je hart niet toe, je gaat dus niet echt “boven” binnen, en gaat dus niet leven vanuit je leven, wat verborgen is met Christus in God, en je bedenkt niet de dingen die boven zijn, waardoor je anders gaat leven en anders gaat handelen, van boven af gaat handelen, ja, dan blijft het alleen maar kennis (“gnosis”), en dat maakt inderdaad opgeblazen.

 

Dan was het misschien maar beter, dat je nooit van deze dingen had gehoord. Sorry, dat ik het zo zeg. Maar als het “epignosis” wordt, ja, dan is het zoals het Woord het bedoelt, dan wordt je vernieuwd door die volle kennis, door die “boven-kennis”. En hoe wordt je dan vernieuwd? Nou, dan ga je steeds meer lijken op het beeld van de Schepper. Op Christus. Want Hij is het beeld van de onzichtbare God, Dan ga je gelijken op Christus. Dan gaan we Christus in onszelf ontdekken. Die nieuwe mens. Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik. Christus leeft in mij.

 

Ja dat is nou het verschil tussen “gnosis” en “epignosis” Ik krijg soms wel eens de vraag, Ja er zijn zoveel mensen die theologie studeren, en er zijn toch zoveel mensen, die met de Bijbel bezig zijn, en een heleboel kennen de Bijbel van kaft tot kaft, die kennen zelfs de grondtekst, het Hebreeuws en het Grieks, en noem maar op, en waarom ontdekken die deze dingen nou allemaal niet?

 

Ja, dat is hetzelfde als bij die wijzen uit het oosten, die waren echt wijs. Die hadden Zijn ster gezien hé, en wat deden ze? Ze gingen op pad, en ze gingen naar Jeruzalem toe, en ze gingen vragen aan de personen, die het weten konden, waar is die Koning der Joden geboren, want we hebben Zijn ster aanschouwd. En wat zeiden de Schriftgeleerden? Even zoeken..... Maleachi, daar staat het, in Bethlehem, zeiden ze. Ja, ze wisten het wel, ze hadden er wel “gnosis” van, maar geen “epignosis”, want als het “epignosis bij hen was geweest, dan hadden ze gezegd: “Beste wijzen uit het oosten, we gaan met jullie mee, we gaan ook knielen voor dat Kind.” Maar dat deden ze niet, nee ze deden precies het tegenovergestelde. Uiteindelijk gingen ze samen met koning Herodes samenspannen, wat ertoe leidde dat de kindermoord in Bethlehem plaatsvond. Dat is het verschil tussen “gnosis” en “epignosis”.

 

Je kent misschien de Bijbel van kaft tot kaft, zij kenden de Hebreeuwse grondtekst hoor, die Schriftgeleerden, als geen ander. Ze lazen het hele O.T. In de grondtekst, geen probleem, maar het was geen “epignosis”, wat zij kenden, alleen maar “gnosis”. En dat is een groot verschil.

 

Maar ging je op het tempelplein kijken, toen de Heere Jezus daar besneden moest worden, en Hij op het tempelplein als baby'tje in de armen van Maria lag, wie hadden “epignosis”, een boven-kennis? Dat was een Hanna, die het kindje in de armen nam, de profetes, en die oude Simeon, die de profetiën uitsprak, dát is “epignosis”, dat is het verschil, die hadden inzicht, een volledig inzicht, Zij verwachten de Christus der Schriften, én zij herkenden Hem. Dat hadden de Schrifgeleerden en de Farizeeën niet, en dat maakt het grote verschil.

 

Ook in onze dagen zijn er vele Schriftgeleerden van allerlei pluimage, en die kennen ook de Schrift ja, en die spreken ook uit de Schrift, en toch blijven dingen voor hen verborgen, en het heeft ermee te maken in je leven, of je je uitstrekt naar Wie? Of je gaat bedenken de dingen die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Dat je niet aardsgezind bent, maar hemels gezind bent. En dat je ook echt gaat belijden: “Met Christus ben ik gekruisigd, en toch leef ik, maar niet meer mijn ik, maar Christus leeft in mij.” En dat je door die belijdenis gaat inzien wat het betekent dat je door God Zelf besneden bent met die besnijdenis des harten. Dan leef ik door het geloof in én van de Zoon van God. En dat je dan beseft: “De oude mens met zijn praktijken is afgelegd, en ik mag vormen de nieuwe mens. En dan gaat die verborgenheid, dat geheimenis van Christus voor je open. En dan kom je met elkaar samen, en wordt je verenigd in liefde tot alle rijkdom van een volledig inzicht in het geheimenis van God, Christus, in Wie al de schatten der wijsheid en der kennis verborgen zijn.

 

Die verborgen kennis, die verborgen schatten leer je kennen, en je leert daaruit te leven.

 

We moeten ook beseffen, het is een schepping, die we zijn. Die nieuwe mens is een schepping, het is geen verbouwing van het oude, van het oude leven, of dat je beter gaat leven of zo, nee het is een heel ander leven, een heel ander denken, een geheel ander “zijn”, waardoor je een geheel andere wandel openbaart.

 

En al die oude gewoonten, die gebaseerd zijn op je oude denken, en je oude leven, je manier van leven, ja al die oude gewoonten, die hebben we achter ons gelaten.

 

En wat wordt er nog meer geschreven over die nieuwe mens? Dat staat er bij in vers 11: “Waarbij geen onderscheid is tussen Griek en Jood.” Wonderlijk hè, opeens staat er “Griek en Jood”. Griek vooraan, en Jood komt er achteraan. Dat was daarvoor nooit het geval, eerst was het altijd: “eerst de Jood en dan de Griek”, en hier staat “Griek en Jood” in plaats van “Jood en Griek”.

 

Er staat nog wat achter: “besneden of onbesneden”, die volgorde maakt allemaal niet meer uit, Barbaar en Skyth. Ja, dan moet je een Skyth hebben, die leefden in die tijd bij de Kaspische zee, in de Kaukasus. De Romeinen en Grieken, in de gehele geciviliseerde wereld, vonden ze van alle barbaren de Skyten wel het meest barbaars.

 

Nou, het maakt niet uit, er is geen rassen-onderscheid in het Lichaam van Christus, er is geen verschil in cultuur, dat wordt allemaal opgeheven, of je nou besneden bent, of onbesneden, wat voor culturele achtergrond je ook hebt, het doet er allemaal niet meer toe als je tot die door God uitverkoren gelovigen behoort. (Ef 1:1)

 

En sociaal gezien, ja, of het nou barbaren zijn of de ergste barbaar, of je nou een slaaf bent of een vrije, alles en in allen is Christus. Christus staat centraal.

 

Zo waren we in deze bijbelstudie vanuit het boek Jozua d.m.v. het onderwerp van de besnijdenis terecht gekomen in de late brieven van Paulus. We hebben gezien hoe belangrijk dit onderwerp ook voor ons is. En dan doel ik met name op de besnijdenis van ons hart door God zelf. Want alleen daardoor kunnen we navolgers van Paulus worden. Door het afleggen van ons oude vlees. Wanneer die gezindheid in ons is, die gezindheid van: Hij moet meerder worden, en ik moet minder worden. Dan zullen we ook gaan zoeken de dingen die boven zijn, en niet die op de aarde zijn. Dan mogen we leven in vaste verzekerdheid dat we hemelburgers zijn, en dan hebben we niets van doen met enig aardsgezind zijn.

 

Broeders en zusters, al deze dingen mag je je in geestelijke zin persoonlijk toeëigenen. Dat is wel heel bijzonder. Maar als je dat niet doet, en je denk bij jezelf, ja, aardig en leuk, maar dat is mij allemaal veel te moeilijk, ik blijf mooi bij het oude. Ja, wat moet ik er dan nog verder van zeggen? Dan kan de Heere Zijn werk in ons niet doen.

 

Dan blijf je altijd toch een beetje, ja, dan kom je niet tot overwinningsleven in Kanaän, (voor ons in ons hemels Kanaän), en dan blijf je ergens weer steken in die ander fase, dan blijf je weer steken in die woestijn, dan blijf je daar achter, zoals Israël daar achter is gebleven:

  • Want veertig jaren zijn de Israëlieten door de woestijn getrokken, totdat het gehele volk omgekomen was, (terwijl ze gered waren door de uittocht uit Egypte) de krijgslieden, die uit Egypte getrokken waren, die naar de stem des HEREN niet gehoord hadden, aan wie de HERE gezworen had, dat Hij hun niet zou laten zien het land, waarvan de HERE hun vaderen gezworen had, dat Hij het ons geven zou, een land, overvloeiende van melk en honig.” (Joz 5:6).

 

Ja, ze hadden de stem des Heeren niet gehoord. Ze wilden er niet naar luisteren, en de Heere wilde hun (daarom) dat land niet geven. Ze vertrouwden er niet op dat de Heere hun dat land zou geven. En deze dingen zijn nog zo. Als wij niet in de praktijk gaan staan in het geloof, in het volkomen vertrouwen op de Heere, en gaan beamen, heel persoonlijk, dat ons oude leven is afgelegd, en dat wij in het nieuwe leven moeten gaan staan, en dat we verjongd moeten worden, nu, eens en voor altijd, in ons denken, en dat we niet alleen zondags, in een prediking, of zondagsmorgens bij een bijbelstudie, of als je zelf je Bijbel leest, dat je dán alleen maar geestelijk denkt, nee, dat moet je ook maandagmorgen doen, ook als je op je werk bent, ook als je thuis bent, ook als je met je kinderen omgaat in je opvoeding, of later als ze allang volwassen zijn, en je gaat met ze om. Steeds alles geestelijk beoordelen, en dus vanuit Gods standpunt zaken bezien, en het aan laten komen in je leven op de geestelijke dingen. Dat je de geestelijke loopbaan loopt, niet alleen op zondag, maar ook alle dagen van de week.

 

Het is bijzonder, dat in Jozua 5 het getal 40 zo wordt benadrukt, Joz 5:6. Veertig is altijd een periode in de Bijbel. Bij “veertig” is er iets bereikt, en het heeft altijd te maken met beproeving, en na die beproeving dan is daar de overwinning. Hoelang werd de Heere Jezus verzocht in de woestijn? Veertig dagen in de woestijn. En daarin werd Hij verzocht door de duivel. Maar na die veertig dagen was daar de overwinning. Hij moest worden verkwikt, enz, maar er was overwinning na die veertig dagen in de woestijn.

 

Veertig” is iets bijzonders, want als we bijvoorbeeld naar de leeftijd van Mozes kijken, hoe oud werd hij? 120 jaar oud werd hij. Maar heel zijn leven valt uiteen in drie perioden van 40 jaar. Hij was eerst 40 jaar in Egypte, daar werd hij opgevoed aan het hof van de Farao, daarna moest hij toch vluchten uit Egypteland, en liep hij 40 jaar als herder achter de schapen aan, hoedde hij die kudde van zijn schoonvader Jetro, en daarna werd hij geroepen om weer terug te gaan naar Egypteland, en het volk Israël uit te leiden, en heeft hij met dat uitgeleidde volk 40 jaar gewandeld, rond gezworven in de woestijn.

 

Veertig jaren, het zijn steeds aparte perioden in de Bijbel. Hoelang was Mozes op de Sinaï om daar met de Heere te zijn? Veertig dagen. Hoelang was Elia bij de Horeb? Elia, de profeet. Elia, hoelang was hij bij de Horeb? Veertig dagen. Zo kan je heel veel van die “veertig” opzoeken in de Bijbel, dat is niet zo moeilijk, je hoeft de concordantie maar te pakken, en “veertig” na te gaan, en dan zie je alles op je scherm verschijnen tegenwoordig. Maar wat is “veertig” eigenlijk voor een getal? Het is een overgangsperiode, een afgesloten tijd. Zo hoort het eigenlijk ook in ons eigen leven te gaan, dan komt er zo af en toe zo'n afgesloten tijd, dat je geestelijke opeens overgaat van de periode van het kindschap naar een nieuwe periode van het zoonschap. Opeens is de kindertijd voorbij, en ben je geen kind van God meer, opeens ben je volwassen geworden in het geloof. Opeens is de “manna-periode” voorbij en gaat het naar het vaste voedsel toe. Opeens wordt het manna niet meer gegeven, maar je leeft wat het land, het hemelse land, het hemelse vaderland opbrengt, de hemelse gewesten, en de zegeningen die daar “groeien”, de zegeningen die God voor de Zijnen in petto heeft. En daar ga je van eten.

 

Opeens gaat dan je geestelijk leven in een hele andere fase over. Dat is wat het getal 40 uitdrukt. 40 is 5 x 8. vijf is het getal van de genade, en acht is altijd in de Bijbel het getal van het nieuwe begin. En het is eigenlijk Gods genade, dat er een nieuwe fase in je leven aanbreekt. Dat was bij Mozes zo, dat het steeds naar een nieuwe fase in zijn eigen leven over ging, en dat was met Israël zo, die veertig jaar daar rond zwierf in de woestijn, dat ze daarna in Kanaän kwamen, en dat is met ons ook zo. Dan gaan we door Gods genade opeens een nieuwe periode binnen, dan krijgen we verlichte ogen des harten, en ontdekken we de geestelijke betekenis van Christus kruis en opstanding, en mogen we dát onszelf toeëigenen.

 

Dat is eigenlijk Gods werk, Christus' voortgaande werk, dat Zijn hand niet vermoeid raakt om dat steeds opnieuw aan ons te geven. En Hij is nog lang niet met ons klaar, want Hij wil nog veel verder met ons gaan. En dat goede werk, wat Hij in ons begonnen is, dat laat Hij niet zomaar varen, daar gaat Hij mee door! (Fil 1:6). En wanneer die gezindheid (Fil 2:5) in ons is, dan brengt Hij je naar die nieuwe fase toe. En dan maak je die geestelijke besnijdenis mee, die geen werk van mensenhanden is, dan maak je opeens weer mee, dat je opnieuw weer Pascha (Israël) met elkaar viert, en dat je weer nieuw met nieuwe ogen (van het hart) kijkt, en de ogen open gaan voor de grootheid en de betekenis van het kruis, van het bloed van Christus, van het Paaslam, en dan houdt ook het manna op, en het wordt dan vervangen door vast voedsel, het geroost koren, en de ongezuurde broden, die ze daar dan in Israël na het Pascha met elkaar aten.

 

Misschien denken we dan, nou dan zijn we er klaar voor. Nou, nog niet helemaal. Er moet nog iets op geschieden. Ik denk dat Jozua daar best wel van onder de indruk is geworden, wat er toen nog moest gebeuren. En ik denk dat wij in ons persoonlijk leven daar ook van onder de indruk komen. Want wat overkwam Jozua?

 

Daar gaan we de volgende keer mee verder.

 

Deel 23 volgt DV.

Bert Boersma December 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 23)

 

Nu ben Ik gekomen

Nadat al wat mannelijk was van het gehele volk Israël bij Gilgal was besneden, ging het volk het Pascha vieren. En dan gebeurt er nog iets wonderlijks. Jozua zal daar best wel van onder de indruk zijn geweest. En ik denk dat wij in ons persoonlijk leven daar ook vaak van onder de indruk komen. Want wat overkwam Jozua?

  • Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg – zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand. Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders? Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen. Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn heer tot zijn knecht te zeggen? En de vorst van het heer des HEREN zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed dit.” (Joz 5:13-15).

 

Wie is dat? Wie verschijnt hier aan Jozua? Hij vraagt zich dat ook af, hij weet niet wie dat is, en daarom vraagt Jozua:

  • Jozua trad op hem toe en vroeg hem: Behoort gij tot ons of tot onze tegenstanders?” (Joz 5:13).

 

Nou, het is geen van beide, Hij behoort niet tot het volk Israël, en Hij behoort ook niet tot de Kanaänieten, daarom antwoordt die Man:

  • Doch hij antwoordde: Neen, maar ik ben de vorst van het heer des HEREN. Nu ben ik gekomen.” (Joz 5:14).

 

Let op dat er staat: “NUben Ik gekomen.” En dat is het wonderlijke, als je als volk Israël opeens bent besneden, en het Pascha in gehoorzaamheid hebt gevierd, of naar ons doorgetrokken, als je opeens naar die nieuwe fase in je geloofsleven gaat, wanneer je die besnijdenis des harten hebt meegemaakt, dat je dan opeens iemand ontmoet. En wie is dat? Dat is de Heere Jezus zelf, die hier staat in al Zijn heerlijkheid. En dat raakt Jozua diep. En dat raakt je ook persoonlijk diep in je hart, die persoonlijke omgang, die je met Hem mag hebben. En dan is het: “Nu ben Ik gekomen.” Dat gebeurt dan, dat gebeurt niet eerder in Jozua's leven. Het gebeurt nadat het volk is besneden, en nadat het volk in gehoorzaamheid het Pascha heeft gevierd. Het is wel zo, dat Jozua in de eerste hoofdstukken door de Heere zelf geleid werd, dat de Heere tot hem sprak, maar hier staat hij versteld van, als opeens deze vorst van het heer des Heeren vóór hem staat. Dat het de Heere Jezus Christus is, blijkt uit wat er staat:

  • Toen wierp Jozua zich op zijn aangezicht ter aarde, boog zich neer en zeide tot hem: Wat heeft mijn Heer tot zijn knecht te zeggen?

 

Hij buigt, hij knielt, staat er. Hij knielt, hij knielt zich ter aarde, hij buigt zich ter aarde, hij werpt zich op zijn aangezicht. Sommige mensen zeggen, nee, dit is niet de Heere Jezus Christus, nee dit is een engel. Ja, maar, als het nou een engel zou zijn, dan zou er iets heel anders gebeurd zijn. Kijk maar eens wat er gebeurd in Openbaring 19:10. Daar wordt Johannes getroffen door de gesproken woorden, en werpt Johannes zich voor iemands voeten neer om hem te aanbidden, maar die persoon zegt:

  • Doe dit niet! Ik ben een mededienstknecht van u en uw broederen, die het getuigenis van Jezus hebben; aanbid God!” (Openb 19:10).

 

Maar wanneer we dan bijvoorbeeld gaan naar Openb 1, waar Johannes een heel bijzonder omschreven Persoon ontmoet op Patmos, en dat hij zich dan ook op de aarde werpt, dan zegt die Persoon niet dat hij moet opstaan en dat hij daarmee moet ophouden, want daar blijkt het duidelijk Christus zelf te zijn.

 

Het is heel duidelijk. Een engel laat zich niet aanbidden, ook als is hij gezonden door de Heere, ook al is hij een dienstknecht ook van de Heere. Hij zegt: “Doe dit asjeblieft niet, aanbidt mij niet. Je moet God aanbidden!”

 

Ja, in Open 1, als Johannes die heerlijkheid van Jezus Christus ziet, werpt hij zich ook op de aarde, en aanbidt hij de Heere. Maar daar zegt de Heere Jezus niet: “Nee, dat moet je niet doen, je moet Mij niet aanbidden, aanbidt God.” Nee, dat zegt Christus niet, want je mag Hem aanbidden, want Christus is God!

 

Dat blijkt ook wel duidelijk als Jozua zich hier in hoofdstuk 5 ter aarde werpt, en voor Hem neerbuigt, en dat hij ook nog te horen krijgt, dat het “de Vorst van het heer des HEREN” is:

  • En de vorst van het heer des HEREN zeide tot Jozua: Doe uw schoenen van uw voeten, want de plaats waarop gij staat, is heilig. En Jozua deed dit.” (Joz 5:14).

 

Ja, dan is het wel duidelijk wie die Man is, die daar staat. Als Mozes daar is bij de brandende braambos, zie je hetzelfde gebeuren. De Heere is in die brandende braambos, en Hij spreekt vanuit die brandende braambos tot Mozes, en dan hetzelfde: “Mozes, doe asjeblieft de schoenen van je voeten, want de plaats waarop je staat is heilig.” Het is heilige grond. En daar krijgt Jozua hier ook mee te maken. Dat zal een engel nooit zeggen. Daarom is het Christus, die hij hier ontmoet. En je ziet hier dat Jozua het ook doet.

 

Het bijzondere in deze geschiedenis is, dat de Heere dán aan Jozua verschijnt, nadat ze de Jordaan zijn overgetrokken, en nadat het volk is besneden, en nadat ze het Pascha hebben gevierd. Zit hier voor ons ook een les in? Ik denk het wel.

 

Is het in ons leven ook niet zo, dat we pas echte diepe gemeenschap met Christus krijgen, nadat we tot geloof gekomen zijn? En nadat we echt in geloof door de Jordaan getrokken zijn, en daardoor hebben leren verstaan wat het sterven en opstaan in Christus in ons leven betekent? En dat we ons hebben laten besnijden door een besnijdenis, die geen werk van mensen handen is, maar door de besnijdenis van ons hart? En dat we daarna hebben geleerd in ons leven hoe wij mogen staan in het Feest des Heeren in ons leven, door te wandelen aan Zijn hand? Wanneer we dat allemaal doorleeft hebben, dan zullen we ook zo'n geestelijke ontmoeting met de Heere hebben, en zullen we Christus leren kennen (epignosis = bovenkennis) van het aan ons geschonken, zo rijke Woord van Hem.

 

In het Oude Testament zien we diverse malen dat de Heere heel duidelijk aan mensen verschijnt. Dat Christus aan mensen verschijnt. Als je bijvoorbeeld gaat naar Abraham, lees dat maar eens in Gen 18, het was op een warme dag:

  • En de HEERE verscheen aan hem bij de terebinten van Mamre, terwijl hij op het heetst van de dag in de ingang der tent zat. 2 En hij sloeg zijn ogen op en zag.” (Gen 18:1-2).

 

Ja, dat is hetzelfde als in Jozua! De ogen opslaan én zien! Dat is wat bijzonders hé, want dat lees ik ook in Joz 5:13:

  • Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg – zie, daar stond een man tegenover hem.”

 

Zo ook in Gen 18:

  • En hij sloeg zijn ogen op en zag, en zie, drie mannen stonden bij hem; toen hij hen zag, liep hij hun uit de ingang van zijn tent tegemoet, en boog zich ter aarde; en hij zeide: Mijn heer, indien ik uw genegenheid gewonnen heb, ga dan niet aan uw knecht voorbij. Laat toch een weinig water gehaald worden, en wast uw voeten en vlijt u neder onder de boom; dan wil ik een bete broods gaan halen, opdat gij uw hart versterkt; daarna kunt gij verder trekken.” (Gen 18:2-5).

 

Daar wordt op in gegaan, en daaruit voortvloeiend volgt daarna een gesprek, en langzaam aan begrijpt Abraham, dat deze drie richting Sodom en Gomorra gaan. En dan begint hij een gesprek, want hij weet dat Lot daar een belangrijke positie heeft in Sodom, en hij gaat dan pleiten, een heel gesprek is daar. Maar wat blijkt dan aan het eind? Steeds wordt één daarvan aangesproken in de Bijbel als Heere. Dat staat ook in vers 1: “En de Heere verscheen aan hem.” En steeds is het de Heere. Ook als wordt aangezegd dat Sara na een jaar zwanger zal zijn, en een zoon zal hebben gebaard. Dan staat er in vers 14:

  • Zou voor de Heere iets te wonderlijk zijn?”

 

Het gaat hier steeds over de Heere. En als je dan in hoofdstuk 19 gaat kijken, als dan het gesprek voorbij is, dan zie je opeens dat twee van de drie engelen zijn, en die twee engelen gaan naar Sodom.

  • En de twee engelen kwamen in de avond te Sodom.” (Gen 19:1).

 

Ja, twee van de drie. Twee waren engelen, en die vertrokken dus naar Sodom. Hier wordt duidelijk, dat de derde persoon de Heere is. De Heere verscheen aan Abraham, en heel dat hoofdstuk kan je daarover lezen.

 

Zo kan je het ook lezen bij Jacob in Gen 32, waar je dan leest dat Jacob met zijn gezin de Jabbok, de beek Jabbok overtrekt, en dat hij alles naar de overzijde brengt, en dat hij dan alleen achterblijft:

  • Zo bleef Jakob alleen achter. En een man worstelde met hem, totdat de dag aanbrak.” (dus een hele nacht). Toen deze zag, dat hij hem niet overmocht, sloeg hij hem op zijn heupgewricht, zodat Jakobs heupgewricht ontwricht werd, terwijl hij met hem worstelde.” (Gen 32:24-25).

 

Dat is de worsteling des Heeren die wij vaak in ons leven hebben.

  • Toen zeide hij: Laat mij gaan, want de dageraad is gekomen. Maar hij zeide: Ik laat u niet gaan, tenzij gij mij zegent. Daarop zeide hij tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. Toen zeide hij: Uw naam zal niet meer Jakob luiden, maar Israël, want gij hebt gestreden met God en mensen, en gij hebt overmocht. Daarop vroeg Jakob: Zeg mij toch uw naam. Maar hij antwoordde: Waarom vraagt gij toch naar mijn naam? En hij zegende hem daar. En Jakob noemde de plaats Pniël, want (zeide hij) ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht en mijn leven is behouden gebleven.” (Gen 32:26-30).

 

En dat is zo bijzonder, want Jacob wist heel goed wat daar gebeurde, met Wie hij gevochten had. “Ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht.” zegt hij, en daarom noemde hij die plaats Pniël. “En mijn leven is behouden gebleven. En er was een verandering voor hem, want hij was daarvoor Jacob, en daarna was hij Israël. Daarvoor was hij Jacob, zijn naam is dat hij eigenlijk een hielenlichter is, want dat betekent de naam Jacob. Maar daarna was hij een Israël, wat betekent “vorst van God”. Zijn leven was voorgoed veranderd. En heel zijn leven liep hij mank aan zijn heup. En sleepte hij als het ware steeds maar met dat heupgewricht, wat niet meer functioneerde. Elke keer werd hij eraan herinnerd dat hij voorgoed veranderd was, omdat hij met de Heere gestreden had.

 

Zo moeten wij ook, als wij naar die nieuwe fase in ons leven gaan, zoals ook Jozua hier de Heere ontmoet, en Hem ziet met een zwaard in de hand, zo moeten ook wij, moet ook voor ons vast staan dat ons leven voorgoed veranderd is, als wij na de besnijdenis van ons hart de Heere zo ontmoeten heel persoonlijk in ons leven. Dat we Zijn grootheid zien, en dat Hij zichzelf aan ons openbaart in Zijn grootheid, dat we zien wie Hij is. En dat Hij ons leert wat geestelijk strijden is. En wat is geestelijk strijden hier voortdurend in al die levens? Wat is die geestelijke strijd steeds? Nou, dat is eigenlijk wat Jozua hier leerde, hij werpt zich ter aarde, hij buigt zich neer, deze Jozua, en hij vraagt: “Wat heeft mijn Heere tot Zijn knecht te zeggen?”

 

Dat is de houding. Ook voor ons geldt die houding. Knielen, buigen voor God, en dan je ogen opslaan, je ogen richten op Hem, en dan zien! En dan krijg je ook contact met Hem!

 

Dat is je afhankelijk opstellen, knielen. En dat deden de profeten ook. Dat deed Samuël ook. “Spreek Heer, u knecht hoort”. En de overwinning is daar te behalen. Wij kunnen niets doen in die geestelijke strijd. Wij zijn eigenlijk vanuit onszelf gewoon machteloos. Het is in de eerste plaats de strijd des Heeren. Het is niet in de eerste plaats onze strijd, het is Zijn strijd. Het is een geestelijke strijd. Hoe kunnen wij daarin iets betekenen? Eigenlijk helemaal niets, het is Zijn strijd.

 

We zien hier eigenlijk in Jozua 5 wat Jozua doet. Zijn reactie op wat hij ziet is:

  • Wat heeft mijn Heer tot Zijn knecht te zeggen” (Joz 5:14).

 

En hij knielt, en hij doet de schoenen van zijn voeten, want de plaats waarop hij staat is heilig, ja dan begin je te begrijpen, dat het gebed van een rechtvaardige veel vermag. En dat is wat wij ook mogen leren uit dit bijbelgedeelte. En dát is wat God je als het ware leert, om te bidden, om je te richten op Hem, om op Zijn kracht te vertrouwen. Om te zeggen:

  • Heere, wat wilt u dat ik doen zal?”

 

Dat we zien, dat Hij een strijder is van grote macht, en dat je voorwaarts mag gaan in Zijn kracht. En dat is wat Jozua hier leert. Hij leert dus eigenlijk twee dingen.

 

Het eerste wat hij leert, is dat er een scherp mes is, en dat hij met dat scherpe mes besneden wordt, en dat het oude leven weggesneden wordt. Dat oude leven wordt afgelegd, en dat we een nieuw mens geworden zijn, en dat het een werk is eigenlijk van Gods hand, niet van mensenhanden.

 

Het tweede is, dat hij oog krijgt voor de diepe geestelijke betekenis van het kruis van Christus, dat je met Hem mede-gekruisigd bent, en dat je nu in nieuwheid des levens gekomen bent, en dat je verjongd wordt in de geest van je denken. En je ziet hier ook dat je niet alleen uiteindelijk mag zien op het Paaslam, dat Christus niet alleen het Lam is, wat voor je leed en stierf, “Zie het Lam Gods, dat de zonde der wereld weg neemt”, maar dat je Hem ook leert kennen door de besnijdenis des harten, en dan leer je Christus kennen, dan mag je Hem leren kennen als de Leeuw. De Leeuw uit de stam van Juda. Zoals Openbaring ons dat laat zien, aan de ene kant een Lam, en aan de andere kant een Leeuw. Dat is Christus, een Leeuw uit de stam van Juda.

 

Een man die hier staat, die hier op Jozua toetreedt, een man met een uitgetrokken zwaard in Zijn hand, die Zichzelf noemt, “de Vorst van het heer des Heeren”. Dat is nogal wat. Van het leger des Heeren, daar is Hij de Vorst van. Daar is Hij de Aanvoerder van. En je mag staan in de gelederen van dat leger des Heeren, daar maak je deel van uit, en je moet je positie innemen, en meestrijden. En hoe doe je die strijd. Wanneer ga je strijden? Die strijd voer je op de knieën, nergens anders, op de plaats die heilig is. En als je niet bidt, als je niet strijdt, dan lijdt je de nederlaag. Maar als je bidt, en je leert knielen, dan mag je in de overwinning staan. En helaas is het soms zo, dat we in ons leven door de omstandigheden, door de tegenslagen in ons leven, daartoe worden aangezet. Nood leert bidden, helaas. Maar zo is het wel. Zo leer je bidden, zo leer je wat overwinningsleven is, dat overwinningsleven bevindt zich in de binnenkamer bij ons, voor het aangezicht des Heeren.

 

Dus dat is eigenlijk wat ook wij en Jozua krijgen te leren in Jozua 5, voordat we klaar zijn voor Jericho. Het moet praktisch worden in ons leven. En als het praktisch is, ja, dan kunnen we ten strijde trekken in het leger des Heeren, met Hem aan het hoofd.

 

Deel 24 volgt DV

Bert Boersma december 2012 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 24)

 

De vorige keer hebben we gezien aan de hand van Jozua 5 dat geheel Israël klaar was gestoomd voor de aanval op de stad, voor dit conflict van Jericho. En we weten, als we nogmaals kijken naar Jozua 5, welke voorwaarden er golden en ook gelden voor ons om in de overwinning, om in het overwinningsleven te staan. In de eerste plaats vindt je in Hoofdstuk 5 van Jozua die besnijdenis, dat iedereen zich moest laten besnijden. En we hebben gezien, dat het eigenlijk betekent in de praktijk: Het afleggen van de oude mens.

 

Dat is het eerste wat wij in ons leven, als we tot geloof gekomen zijn, in de praktijk dienen te brengen, het afleggen van de oude mens, van het oude vlees. En hoe gaat dat in zijn werk? Niet dat je dat door eigen inspanning doet, nee, daarvoor kunnen we het beste kijken naar ons grote voorbeeld, Israël. Want nadat het volk Israél te Gilgal was besneden, gingen ze het Pascha vieren. En door dat Pascha te vieren leerden de Israelieten de Heere Jezus Christus kennen als het Lam.

  • Terwijl de Israëlieten te Gilgal gelegerd waren, vierden zij het Pascha op de veertiende dag van die maand, des avonds, in de vlakten van Jericho.” (Joz 5:10).

 

En je ziet, nadat men wordt besneden, nadat het oude vlees is afgelegd, gaan ze het Pascha vieren, maken ze kennis met het Lam dat voor hen stierf. En zo leren wij als gelovigen ook dat wij mede-gekruisigd zijn met Christus. In Christus is het oude leven niet meer, dat is met Hem mede gekruisigd, dat is begraven in die dood, in die dood des kruises. En wij dienen dat ook voor dood te houden. Dát is de geloofshouding. En daarna, dan pas zie je eigenlijk, dat wij in het geloof doorgroeien. Dat is een stap, die je in het geloofsleven mag doen, dat je waarachtig ook het oude achter je laat, en dat je ziet, dat het nieuwe is gekomen. Dat je uit dat nieuwe leven ook daadwerkelijk gaat leven, en dat je weet wat het betekent, dat je niet alleen met Christus bent gekruisigd, mede-gekruisigd, maar ook met Christus levend bent gemaakt, en dat je met Hem bent opgewekt in nieuwigheid des levens, waar je dan in staat in het hemels Kanaän.

 

Dan zien we ook meteen bij Israël, dat er een verandering plaats vindt op het gebied van wat zij tot zich nemen, namelijk in datgene wat zij vanaf die tijd elke dag eten. Tot dit moment hadden ze altijd gegeten van het manna, wat de Heere hun elke dag gaf, maar het wonderlijke is, als ze besneden zijn, en hier het Pasha vieren, dat dan direct daar achter staat in Joz 5:12:

  • En het manna hield op, daags nadat zij van de opbrengst van het land hadden gegeten.” Dus hadden de Israëlieten geen manna meer, maar zij aten dat jaar van wat het land Kanaän opleverde.”

 

Het manna hield gelijk op, en daarvoor in de plaats kwam de opbrengst van het land. Je zou kunnen zeggen in geestelijke zin: Die hele verschaffing van de melk (het manna) stopte toen. En dat zie je in geloofs-levens ook, dan opeens krijgen gelovigen geopende ogen voor wie ze eigenlijk in Christus geworden zijn, en ze leren kennen hun roeping, en ze worden ook geroepen als kinderen Gods, met de bedoeling dat ze dan doorgroeien naar de volwassenheid in Christus. Dan laten ze die melk voor wat het is, en het vaste voedsel komt in de plaats van de melk.

 

Deze feiten zetten we deze dingen nu zomaar even op een rijtje. Maar ik wil hier wel een kanttekening bij maken. Gaat dit allemaal vanzelf? Ja, bij Israël ging het eigenlijk wel vanzelf. Het manna hield op, en als ze in leven wilden blijven, moesten ze wel eten van datgene wat het land hen opleverde. Maar hoe zit dat bij ons? Gaat het bij ons ook vanzelf?

 

Toen wij tot geloof kwamen, aten wij, of beter gezegd, dronken wij van de melk. Want het vaste voedsel konden wij toen nog niet verdragen. Die melk kwam tot ons in de prachtige woorden van het Johannes-evangelie. Zoals bijvoorbeeld de tekst:

  • Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.”

 

We ontdekten dat we hier en nu behouden waren door het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus. Dat was de melk, en we dronken ervan. Maar wanneer we alleen daarvan blijven drinken, zullen we nooit geestelijk volwassen worden. Wanneer stopte die melk voor ons? En zijn we doorgegroeid door vast voedsel tot ons te nemen?

 

Wat zien we vandaag de dag, broeders en zusters? En ik wil helemaal niet oordelen, maar zie het met verdriet om mij heen. Ik zie heden ten dage veel gelovigen, die maar bij de melk blijven zitten. Die eigenlijk geen flauw idee hebben, dat de Heere nog veel meer heeft om te geven. Gelovigen, die eigenlijk geen flauw idee hebben, dat de besnijdenis des harten dient te volgen op het gelovig aanvaarden van Christus. Een besnijdenis van het hart door God zelf verricht, wat inhoudt, dat we ons oude vlees voor dood houden, wat in de praktijk inhoudt, dat we al onze oude dingen voor vuilnis houden, en achter ons laten. En dan alleen kan de Heere ons vullen met al de nieuwe dingen, die Hij ons wil geven. Doen we dat niet, laten we dat niet toe in ons leven, en willen we toch vooral die oude dingen vasthouden, dan zetten we eigenlijk een bedekking voor onze ogen, zodat we blind zijn voor al de hemelse zegeningen in de hemelse gewesten die de Heere ons één voor één wil geven in de wandel, die Hij voor ons heeft bereid.

 

Maar wanneer we die besnijdenis des harten in ons leven wel laten gebeuren, en gelukkig zijn er ook veel gelovigen, die dat wel doen, dan zie je in die gelovigen, dat ze opeens doorgroeien van het kindschap naar het zoonschap. Die worden volwassen in het geloof. Dan komt het vaste voedsel in plaats van de melk. En die melk, dat manna, hebben ze dan ook niet meer nodig.

 

Dan leren ze Christus heel anders kennen. Ze kenden Christus als het Lam, maar hier zie je in Jozua 5, dat ze Hem ook leren kennen als de “Vorst van het Heer des Heeren”, van het Leger des heeren. Ze leren hem als het ware in een veel volmaaktere zin kennen.

 

En dat is het vaste voedsel, dat ze Hem leren kennen als de Opgestane, en de Verheerlijkte. En daar gaat ons hart naar uit. En zó gaan ze Hem meemaken, zo gaan ze Hem zien. En dat is ook wat hier in Hoofdstuk 5 aan Jozua gebeurde:

  • Het gebeurde nu, terwijl Jozua bij Jericho was, dat hij zijn ogen opsloeg – zie, daar stond een man tegenover hem met een uitgetrokken zwaard in de hand.” (Jozua 5:13).

 

Jozua moet eerst goed nadenken wie dat is, maar als die Man zich bekend maakt, dan is het de Zoon des mensen, dan is het in feite de Heere Jezus Christus, die zegt:

  • Maar ik ben de Vorst van het Heer des Heeren. Nu ben ik gekomen.”

 

Hij is de Leider!

Dan is Hij gekomen, want de strijd staat voor de deur, en Hij voert de strijd aan! En natuurlijk, je denkt dan, en het hele volk denkt: “Jozua is onze leider.” Maar eigenlijk is het hier, die Vorst van het Heer des Heeren, die de Leider is. En zo is het in ons leven ook, je moet nooit denken, dat een spreker de leiding heeft, en dat die vooraan gaat. Die spreker heeft wel een doel, maar de ware Leider, de ware kapitein, het ware Hoofd is Jezus Christus. En Die voert een geestelijke strijd in dat land Kanaän. En Hij zegt: “Nu ben ik gekomen.”

 

En je leert ook pas in je geloofsleven de Heere Jezus kennen als je doorgroeit in het geloof. Als je leert verstaan, dat je niet alleen verlost bent, en dat je daar niet meer wandelt in de woestijn, waar je hebt genoten van het water des levens, en het brood des hemels, wat er daar elke dag was, maar je leert Hem pas ten diepste kennen, als je werkelijk in dat land Kanaän arriveert, als je werkelijk gaat ervaren, wat dat allemaal betekent, dat mede-gekruisigd zijn, dat mede-gestorven zijn met Christus, en dat je aan de andere kant in het hemels Kanaän komt, als je werkelijk als lid van het Lichaam van Christus in de hemelse gewesten treedt, en dat je al wandelende in dat hemels land je geestelijke zegeningen één voor één mag ontdekken.

 

Dan ontdek je ook meteen, dat die hemelse gewesten zijn bevolkt door overheden, door machten, die helemaal niet voor jouw plaats willen maken, en gelijk is daar een strijd in die hemelse gewesten. En dan ontdek je ook, dat je niet zelf die strijd hoeft te voeren, maar Christus voor je strijdt in die hemelse gewesten!

 

En dat ontdekte hier Israël ook, toen ze over de Jordaan getrokken waren, want gelijk is daar die confrontatie met Jericho. En zó is het voor de gelovigen ook, die die hemelse gewesten betreden, er is gelijk een confrontatie!

 

Het doet zich heel vaak aan ons voor, alsof wij een strijd hebben met vlees en bloed, maar zo is het niet, want het Woord zegt:

  • Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.” (Ef 6:12).

 

We krijgen als gelovigen geen gehoor in deze wereld. Je zou kunnen zeggen, als de mens van deze wereld hoort, dat wij echt gelovigen zijn, dan zakt voor hen gelijk het zonnescherm, de deuren gaan dicht, en de ramen gaan dicht, en niemand komt er meer in, en niemand komt er meer uit. Meestal stopt meteen alle communicatie.

 

Dat is hier in Jozua 6 ook zo:

  • Intussen had Jericho de poort gesloten; het was volkomen gesloten voor de Israëlieten; niemand kon daar uit of in gaan.”

 

Ja, dat is heel kenmerkend. Aan de ene kant komt dat natuurlijk ook wel omdat Jericho bevreesd was voor Israël, want we hebben eerder immers al gelezen in Joz 5:1, wanneer Israël door die Jordaan getrokken is:

  • Zodra al de koningen der Amorieten aan de westzijde van de Jordaan en al de koningen der Kanaänieten aan de zee hoorden, dat de HERE de wateren van de Jordaan voor het aangezicht der Israëlieten had doen opdrogen, totdat zij erdoor getrokken waren, versmolt hun hart en zij hadden geen moed meer vanwege de Israëlieten.” (Joz 5;1).

 

Ze hadden geen moed meer, hun hart was versmolten. Ze waren dus best wel angstig. Maar ze wilden ook niet in gesprek raken met de Israëlieten, of het met hun op een akkoordje gooien, ze stuurden ook geen onderhandelings-commissie naar de Israëlieten toe, nee de poorten gingen dicht, het was volkomen gesloten, niemand kon er meer in, of niemand kon er meer uit.

 

Dat ervaren wij toch ook wel in deze wereld, als toch blijkt dat wij de Heere Jezus Christus toebehoren, en wij geestelijk groeien, en wij best wel een boodschap hebben, die we kunnen uitdragen, ja, dan is er toch gelijk een houding, dat dat niet op prijs wordt gesteld, en er wordt niet met ons gesproken. Dat is toch altijd een probleem, dat gaat toch altijd wringen. En wat Israël hier meemaakt, dat maken wij ook mee. Wij komen nou eenmaal direct terecht in een geestelijke strijd. We merken dat aan mensen om ons heen, maar we weten wel wat Paulus zegt, en laten we dan maar eens denken aan de bovenstaande tekst over die geestelijke strijd. (Ef 6:12).

 

Ja, die geestelijke strijd ontpopt zich, en wanneer we om ons heen kijken, dan zien we dat ook. Dan weten we dat deze wereld door hele andere dingen wordt beheerst, dan de dingen waar we ons in onze wandel in de hemel mee bezig houden. Het staat haaks op elkaar. Als je naar Efeze 2 gaat, en dat leest:

  • Ook u, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en zonden, 2 waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld.” (Efeze 2:1-2).

 

Wat is nou de loop van deze wereld? Nou, zet het journaal maar aan, dan zie je de loop van deze wereld, de “house” van deze wereld. Dan zie je waar ze met de politiek steeds vol van zijn, ook in onze dagen. En daar zit een tijdgeest in, daar zit ook iets in wat daar in wroet, namelijk de wereldbeheersers dezer duisternis. Het is geen vlees en bloed, maar er zit wel wat achter.

  • Het is de loop van deze wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid.” (Ef 2:2).

 

De mens is van nature ongehoorzaam, de mens wil van nature niet naar God luisteren. De mens wordt vaak echt fel, wanneer het over geloofszaken gaat.

  • Trouwens, ook wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees.” (Ef 2:3).

 

Ja, toen wij de Heere Jezus Christus nog niet kenden, zegt Paulus, ja toen hebben we er allemaal in verkeerd, deden we allemaal mee in die tijdgeest, en we bewogen ons mee in die loop der wereld, maakten we ons ook over aardse zaken druk, en wij hoorden daar ook bij.

  • Handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten.”

 

Ja, je handelde helemaal naar de wil van je eigen vlees en je eigen gedachten. Ja, je deed wat je zelf wilde, en wat je allemaal bedacht en dacht met elkaar. En dat wordt ook in onze dagen steeds maar roeriger en roeriger. Ja, die confrontatie met deze wereld, met Jericho, daarin wordt onze positie in Christus helemaal niet op prijs gesteld. Men is aan de andere kant ook bang, men schuwt ook de discussie, want ze gaan die discussie niet aan.

 

De poorten zijn gesloten. Men wil er niet over praten. Maar men heeft wel heel veel kritiek. Dat is altijd een kenmerk. Toch moeten we beseffen, net als de Israëlieten, dat de Heere voor ons strijdt. Als we eens lezen in 2 Tim 2 :3, dan ontdekken wij wie we zijn. Wij zijn eigenlijk heilsoldaten, een uitdrukking door William Booth bedacht. Hij was de oprichter van het leger des heils. Maar er staat in 2 Tim 2:3:

  • Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus. Tijdens de veldtocht wordt geen soldaat gemoeid in de zorg voor zijn onderhoud; hij heeft (slechts) hem te voldoen, door wie hij aangeworven is.”

 

Dit is echt een brief, gericht aan ons, het gaat ook over ons. Wij zijn ook soldaten van Christus Jezus, er is een strijd, een geestelijke strijd, en het betekent ook lijden, want we lazen: “Lijd met de anderen als een goed soldaat van Christus Jezus.”

 

Daarbij ben je niet alleen, je bent met elkaar, maar er is een veldtocht, en Christus loopt met dat uitgetrokken zwaard voorop in die strijd! Hij zorgt ervoor dat het ons aan niets ontbreekt.

 

Dus ja, je zal je wel moeten inspannen. Het is zelfs zo, dat we zeer waakzaam moeten zijn.

 

Want als we 2 Tim 2 op het eind lezen, dan lezen we over de valstrik van satan, die ons van de Waarheid wil afhouden. En we moeten goed beseffen, dat dit over gelovigen gaat. Er gebeurt heel wat onder gelovigen, ook onder christenen:

  • Maar wees afkerig van de dwaze en onverstandige strijdvragen; gij weet immers, dat zij twisten teweegbrengen; en een dienstknecht des Heren moet niet twisten, maar vriendelijk zijn jegens allen, bekwaam om te onderwijzen, geduldig, met zachtmoedigheid de dwarsdrijvers bestraffende. Het kon zijn, dat God hun gaf zich tot erkentenis der waarheid te keren en, ontnuchterd, zich te wenden tot de wil van Hem, (losgekomen) uit de strik des duivels, die hen gevangen hield.” (2 Tim 2:23-26).

 

Ja, het is een geestelijke strijd, en sommige gelovigen, die lopen in de valstrik, de valstrik niet van mensen, maar de valstrik des duivels. En dan lezen we verder in hoofdstuk 3:

  • Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand.” (2 Tim 3:1-5).

 

Is dit niet een beschrijving van een maatschappij, waar wij toch langzamerhand in dreigen terecht te komen, of al in zitten? Ja, eigenlijk wel, als je ziet, hoe ontevreden men tegenwoordig is, en wat de tijdgeest via de t.v. en het journaal en al die actualiteiten programma's, en wat er allemaal verder uitgezonden wordt, in onze huiskamers brengt.

 

Wanneer je dit gaat vergelijken met de beschrijving van de laatste dagen, waarvan Paulus zegt, hoe die laatste dagen eruit zullen zien, dan hoeven we alleen maar onze ogen open te hebben, en te constateren, dat die dingen zich om ons heen bevinden.

 

Wanneer je wilt weten hoe die bedeling van Paulus, die bediening van Paulus over de verborgenheid, hoe die eindigt, dan moeten we 2 Tim 4:1-5 lezen. Dat zijn die laatste dagen. Die beschrijft Paulus hier.

 

Hoe gaat het dan eigenlijk, niet alleen in de maatschappij, maar ook onder de christenheid?

  • Ik betuig u nadrukkelijk voor God en Christus Jezus, die levenden en doden zal oordelen, met beroep zowel op zijn verschijning als op zijn koningschap: verkondig het woord, dring erop aan, gelegen of ongelegen, wederleg, bestraf en bemoedig met alle lankmoedigheid en onderrichting. Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.” (2 Tim 4:1-5).

 

Is dat niet de situatie onder de christenheid? Dat velen eigenlijk de Waarheid niet meer willen horen. Dat ze leraars naar hun eigen vleselijke begeerte bijeen hebben gehaald, en verzameld hebben? En daar hollen ze dan achteraan, en dan krijg je vaak samenkomsten, waar je een prediker ziet, waarbij ik mij dan afvraag, staat daar nou iemand die het Woord van God verkondigd, of heb ik hier te maken met een entertainer, een show-master?

 

Het lijkt wel of elke dienst “the show must go on” geworden is. En het moet allemaal spectaculair zijn. Ja, dat is wel de schildering hier in 2 Tim 4, dat men zich naar allerlei verdichtsels keert, allerlei verzinsels, en de één is nog mooier dan de ander, maar niets wordt meer getoetst aan het Woord van God. Men wil geestelijke ervaringen hebben, enz.

 

En als men geestelijke ervaringen wil hebben, of die geestes-gaven, waar ze tegenwoordig in menige gemeente zo enorm vol van zijn, terwijl het helemaal niet de bijbelse geestes-gaven zijn, dan kan je een dvd-tje kopen, en dan krijg je daar toch een training in, want zo werkt dat tegenwoordig. Dan leer je hoe je profetieën moet uiten, en misschien ga je wel jezelf trainen in profetie. In het begin zul je misschien een paar missers hebben, maar dat mag, en later gaat het vanzelf wel een keertje goed, toch? Zo wordt er geredeneerd.

 

En als je zegt, ik vind gebeds-genezing zo leuk, nou dan koop je toch een dvd-tje over gebeds-genezing, dat ga je dan toch leren? Of ik spreek graag in tongen, dat vind ik zo fantastisch, ja, ga maar door, ga maar door. Maar dit is alles is volstrekt bezijden de Waarheid, en dit is niet wat Gods Woord ons te zeggen heeft.

 

Maar tegenwoordig staat het overal bol van dit soort zaken. En daar zit wel wat achter, daar zit een tijdgeest achter, er zit een geestelijke strijd achter, die Paulus hier naar boven haalt. Er is maar één, die het prachtig vindt dat men zich met allerlei onbijbelse zaken bezig houdt, dat is de “diabolis, de “door de war brenger” betekent die naam, dat is satan. En hij brengt je zeker niet dichter bij het Woord. Hij verdraait juist het Woord.

 

Laten we maar doen wat Paulus zegt. Hij tegen ons zegt: “Blijf gij echter nuchter onder alles.” (2 Tim 4:5).

 

Ja je moet geestelijke heel nuchter zijn en blijven, maar Paulus zegt in delfde tekst meer, hij zegt ook: “aanvaard het lijden”, dat hoort er ook bij. Het brengt lijden met zich mee, als je er wat van zegt, dan is men het daar niet mee eens, en dan wordt je daar op aangevallen.

 

En verder zegt Paulus: “Doe het werk van een evangelist”. Een evangelist is iemand die de boodschap voorop stelt, blijf die boodschap brengen, zegt Paulus, en “verricht uw dienst ten volle.” Blijf daarmee doorgaan! Voleindig gewoon je dienst, ook al zijn die laatste dagen zwaar, want het is een geestelijke strijd!

 

En dat zijn allemaal dingen die horen bij het volwassen worden. Dat we leren die dingen te onderscheiden. En daar bid Paulus ook voor. Hij zegt:

  • En ik bid dat uw liefde blijft groeien door inzicht en fijnzinnigheid, zodat u kunt onderscheiden waar het op aankomt.” (NBG Fil 1:9-10)

 

De Staten Vertaling heeft deze tekst iets duidelijker en beter vertaald, daar lezen we:

  • En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen; Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen.”

 

Daar bidt Paulus voor, en hij bidt hier voor gelovigen, voor de geadresseerden van de Filippenzen brief. Het is belangrijk, dat wij leren onderscheiden de dingen die voor ons zijn geschreven, en waardoor wij volwassen moeten worden. En als laatste zegt Paulus in Fil 1:11, dat wanneer wij zó doen, dus doordat wij in liefde en verlangen naar het Woord, in feite in liefde groeien in Christus, en door van Hem ontvangen geopende ogen des harten leren onderscheiden de dingen die verschillen, dan zullen we worden:

  • Vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God.” (Fil 1:11). En dat is overweldigende genade!

 

Tot zover deel 24. Deel 25 volgt D.V.   

Ik wilde eerst enkele maanden een ander onderwerp met u behandelen. Ik hoop op een later tijdstip met “Waardig Wandelen” door te gaan, want over dit onderwerp is nog lang alles niet gezegd.

 

Maar ik heb een paar keer mogen voorgaan in een gemeente, en heb daar het onderwerp “Het Lichaam van Christus” mogen behandelen, en omdat het voor de gelovigen van deze tijd van het grootste belang is, dat we samen in staat zijn om te onderscheiden, wat er daarover in het Woord tot ons komt, heb ik gemeend dat onderwerp eerst in een bijbelstudie met u te gaan delen.

 

In die bijbelstudie “Het Lichaam van Christus” zullen misschien dingen aan de orde komen, die volkomen nieuw voor u zijn. En daarom wil ik u vragen, die dingen als een “Bereër” na te gaan aan de hand van de Schrift. Het is heel gemakkelijk om dingen, die u nog nooit hebt gehoord, of waar u het niet mee eens bent aan de kant te schuiven, maar mocht dat zo zijn, dan wil ik u vragen, zeg het mij dan, wijs mij er dan op waar ik verkeerd ga “lopen”.

 

Want mijn intentie is uitsluitend te putten uit Gods Woord. En door het Woord wil ik terecht gewezen worden. Het zal altijd zo zijn en blijven, wanneer wij bereid zijn, ons te laten terechtwijzen door het Woord, dat we onze inzichten moeten bijstellen, wanneer het Woord daartoe aanleiding geeft. Want het Woord blijft levend en krachtig, en de Heere geeft ons voortschrijdend inzicht in Zijn Woord op Zijn tijd.

 

Bert Boersma Januari 2013  boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 25)

 

Graag wil ik even met u stilstaan bij het gebed van Paulus wat hij bad in Efeze 1:

  • Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen.” (Ef 1:15-18).

 

Wanneer we deze tekst lezen in de latere brieven van de apostel Paulus, moeten we ons altijd realiseren, aan wie deze brieven geschreven zijn. Ik zal dit nog wel vaak herhalen, omdat dit gegeven te vaak over het hoofd wordt gezien, en dan wordt de tekst maar meteen op alle gelovigen toegepast. Maar we moeten ons steeds weer realiseren, dat al de latere brieven van Paulus geschreven zijn aan de “apart geplaatste en getrouwe gelovigen” (Ef 1:1), die trouw ingaan op de door Paulus gebrachte boodschap in zijn latere brieven. Ze zijn geschreven aan hen, die “in Hem uitverkoren zijn van vóór de grondlegging der wereld.” (Ef 1:4).

 

En voor hen vraagt Paulus in zijn gebed, dat hun gegeven mag worden “de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen [uws] harten.” (Ef 1:17-18).

 

Hoe krijg je nu die Geest van Wijsheid, en hoe kun je Hem nou recht leren kennen, en hoe krijg je nou verlichte ogen des harten? Dat zijn dingen, die komen je niet zomaar aanwaaien. Allereerst betreft dit gelovigen. Zij hebben Christus aanvaard als hun persoonlijke Verlosser.

En daarna zijn zij bezig met Zijn woord, en trachten te verstaan wat Hij hun te vertellen heeft in Zijn Woord. En toen ik hierover nadacht moest ik aan Cornelius denken. Dat is een geweldig voorbeeld in de Bijbel. Laten we maar eens zien wat de geschiedenis van Cornelius ons te zeggen heeft.

 

In Handelingen 10 lezen we:

  • En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld (grondtekst = diapanthos) tot God bad. Hij zag in een gezicht, omstreeks het negende uur van de dag, duidelijk een engel Gods bij zich binnenkomen en tot hem zeggen: Cornelius! Hij staarde hem aan en werd zeer bevreesd en zeide: Wat is er, heer! En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen.” (Hand 10:1-4).

 

In vers 2 staat dat hij geregeld tot God bad. Dit is eigenlijk een hele zwakke vertaling, want in de grondtekst staat het woord “diapanthos” en dat heeft een heel andere betekenis. Wanneer je geregeld iets doet, dan kan dat best één keer per 14 dagen zijn. Maar dat staat hier niet. We gaan kijken wat het woord “diapanthos” ons te zeggen heeft. Ik heb zeven teksten gevonden waar we dit woord tegenkomen:

  • Hand 10:2: “En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld (= diapanthos) tot God bad.”
  • Markus 5:5: “En hij was altijd (= diapanthos) , nacht en dag, op de bergen en in de graven, roepende en slaande zichzelven met stenen.”
  • Lukas 24:53: “En zij waren allen tijd (= diapanthos) in den tempel, lovende en dankende God. Amen.”
  • Hand 24:16: “En hierin oefen ik mijzelven, om altijd (= diapanthos) een onergerlijk geweten te hebben bij God en de mensen.”
  • Rom 11:10: “Dat hun ogen verduisterd worden, om niet te zien; en verkrom hun rug allen tijd (= diapanthos).
  • Hebr 9:6: “Deze dingen nu, aldus toebereid zijnde, zo gingen wel de priesters in den eersten tabernakel, te allen tijde (= diapanthos), om de godsdiensten te volbrengen;”
  • Hebr 13:15: “Laat ons dan door Hem altijd (= diapanthos) Gode opofferen een offerande des lofs, dat is, de vrucht der lippen, die Zijn Naam belijden.”

 

Door deze teksten met elkaar te vergelijken krijgen we een goed beeld wat “diapanthos” ons wil zeggen. In alle teksten (behalve in Hand 10:2) is het vertaald met de betekenis van “altijd, te allen tijde”.

Dan zou er eigenlijk vertaald moeten zijn in Hand 10:2:

  • Een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en te allen tijde (= diapanthos) tot God bad.”

 

We kunnen hieruit opmaken, dat Cornelius in heel zijn handel en wandel voortdurend rekening hield met God. Ook weten we uit de tekst dat Cornelius hartgrondige pogingen deed om toch vooral te verstaan wat de weg van God was, waarin Cornelius Gode welgevallig wilde wandelen. Want we lezen Hand 10:4 dat in antwoord op de gebeden van Cornelius een engel Gods naar hem toe werd gestuurd. Dat kunnen dan alleen gebeden zijn in de trant van:

  • Heere, God van Israël, wijs mij toch de weg die ik mag gaan, Leer mij te wandelen naar uw wegen, geef mij geopende ogen voor uw Woord.”

 

En zulke bidders laat de Heere niet met lege handen staan. Zulke bidders worden door de Heere (op Zijn tijd) verhoord. Er wordt nota bene een Petrus voor gebruikt om Cornelius alles te vertellen over de Christus der Schriften.

  • En Cornelius was hen wachtende, terwijl hij zijn bloedverwanten en beste vrienden had bijeengeroepen. En toen het geschiedde, dat Petrus binnentrad, kwam Cornelius hem tegemoet, viel hem te voet en bewees hem hulde. Maar Petrus richtte hem op en zeide: Sta op, ik ben zelf ook een mens. En terwijl hij zich met hem onderhield, kwam hij binnen en vond er velen bijeen.” (Hand 10:24-27).
  • En Petrus opende zijn mond en zeide: Inderdaad bemerk ik, dat er bij God geen aanneming des persoons is, maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen Israëls om vrede te verkondigen door Jezus Christus. Deze is aller Heer.” (Hand 10:34-36).
  • Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de heilige Geest op allen, die het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort.” (Hand 10:44-45).

 

Nu gaan we nog even terug naar de vraag waar we mee begonnen:

  • Hoe krijg je nu die Geest van Wijsheid, en hoe kun je Hem nou recht leren kennen, en hoe krijg je nou verlichte ogen des harten?

 

Na het lezen van Handelingen 10, de geschiedenis van Cornelius, is duidelijk, dat de Heere oprechte bidders niet met lege handen laat staan. Wanneer we gaan staan in die gezindheid van Cornelius, dan geeft de Heere ons op zijn tijd geopende ogen des harten.

Maar er is nog Eén in het woord, Die laat zien, hoe onze gezindheid moet zijn, en dat is de Heere Jezus zelf. Paulus zegt in Fil 2:

  • Laat die gezindheid bij (grondtekst = IN) u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft,...” (Fil 2:5 en verder).

 

Daar gaat het om, broeders en zusters, een gezindheid met de bereidheid om je totaal te ontledigen van alle wereldse dingen, en zaken, die je van de Heere afhouden. Een bereidheid om alle oude menselijke leringen achter te laten, en tegelijk een diep verlangen om toch vooral de dingen van de Heere recht te mogen leren kennen en onderscheiden.

 

Gelovigen zijn verzegeld met Gods Geest. En wanneer die gezindheid in ons gestalte krijgt zal Gods Geest ons geopende ogen geven voor de rijke zegeningen die uit het Woord tot ons komen. Dit zijn niet zomaar mijn woorden, maar zo werkt het in geestelijke opzicht.

 

Maar er is meer. Want wanneer we de tekst goed lezen, dan staat er dat Christus “heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. En daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken.” (Fil 5).

 

Hier staat dat Hij zichzelf heeft vernederd. Wanneer die gezindheid in ons gestalte krijgt, geldt dat ook voor ons. Ook wij moeten ons vernederen voor het Woord van God. Ook wij moeten buigen voor het Woord van God. En dat brengt ook lijden met zich mee. Kijk maar eens naar de apostel Paulus, ons grote voorbeeld. Hij zegt:

  • Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.” (Fil 1:29).

 

Paulus is in diezelfde gezindheid gaan staan. Hij heeft al het oude moeten achterlaten, toen hij op de weg naar Damascus door Christus zelf bij zijn kraag gegrepen werd. Hij zegt:

  • Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen.” (Fil 3:7-8).

 

Het is een heel bekende tekst, maar broeders en zusters, hebben we deze tekst al toegepast in ons eigen leven? Hebben we werkelijk al de oude dingen achter ons gelaten, zodat er ruimte voor de Heere is dat Hij ons kan vullen met de rijke zegeningen, die Hij ons wil geven? Want:

  • In Christus moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” (Fil 3:9-11).

 

Ja, dit zegt Paulus over zichzelf. Maar dit zegt de Heere door de mond van Paulus ook tegen ons! En hier staat nogal wat, broeders en zusters. Hier staat dat Paulus al de oude dingen, waar hij eerst nogal prat op ging, nu helemaal “drek” achtte. Waarom? Om Christus te leren kennen, en om de kracht van Christus' opstanding te leren kennen, en daardoor ook gemeenschap aan het lijden van Christus zou krijgen.

Er staat nogal wat op het spel. Want als wij in dezelfde gezindheid deze dingen in ons gestalte laten krijgen door de werking van Gods Geest in ons binnenste, dan zullen wij zelfs mogen delen in dezelfde opstanding als Christus. Dan zullen wij na ons sterven dezelfde positie ontvangen als Christus in de rechterhand des Vaders. Dat is ongekende overweldigende genade!

 

Maar Paulus zegt niet dat hij dat allemaal reeds ontvangen had. Paulus zegt ook nergens dat hij als jong gelovige, of waar dan ook tijdens zijn loopbaan, tijdens zijn “wedloop”, reeds gezegend was met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus. Nee zijn hele leven “jaagde” hij daar naar. Hij zegt:

  • Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben.” (Fil 3:12).

 

Wanneer ons grote voorbeeld Paulus zegt, dat hij het nog niet allemaal ontvangen heeft, maar ernaar jaagt, bezig is zijn roeping waardig te wandelen, in de hoop dat hij het ontvangen mag, dan kunnen en mogen wij (door een foute vertaling van bijv Ef 1:3) niet zeggen dat wij nu wel alles hebben ontvangen. Dan gaan wij tegen Gods Woord in. Voor alle apart geplaatsten en getrouwen geldt precies hetzelfde als Paulus. En omdat dit zo belangrijk is, benadrukt Paulus het nogmaals:

  • Broeders, ik voor mij achtniet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn.” (Fil 3:13-15).

 

Paulus wist wél, dat wanneer hij zijn roeping waardig wandelde tot het einde van zijn leven, dat dán de prijs in Christus voor hem klaar lag. En dat zegt hij dan ook op het einde van zijn leven:

  • Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad.” (2 Tim 4:6-8).

 

Deel 26 volgt DV.

Bert Boersma september 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 26)

 

De vorige keer zijn we geëindigd met de tekst:

  • Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad.” (2 Tim 4:6-8).

 

Waar ik graag deze keer bij stil wil staan is het feit dat bij “de loopbaan ten einde” brengen ook een strijd behoort. En als er iémand ons is voorgegaan in die strijd is het wel de apostel Paulus.

Paulus had alles uit zijn verleden om Christus wil opgegeven, en daarom zegt hij:

  • (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, 11 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.”

 

Het Winnen

Paulus wist heel duidelijk ik moet de oude dingen, waar ik vroeger zoveel waarde aan hechtte, achter mij laten, ja, ze zelfs als “drek” beschouwen. (St. Vert.)

En hij had nogal wat, want hij was besneden zoals het behoorde in Israël, en was een echte Farizeeër, hij was de gerechtigheid der wet onberispelijk. Maar dat alles heeft hij om Christus wil schade geacht (Fil 3:7)

Paulus zegt:

  • Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen.” (Fil 3:8).

 

Voor “winnen” staat in de grondtekst het woord “kerdaino” = winnen. En wanneer we nu Fil 3:8 willen begrijpen, dat is het goed enkele teksten te onderzoeken waar we (“kerdaino”)ook vinden:

  • Maar indien uw broeder tegen u gezondigd heeft, ga heen en bestraf hem tussen u en hem alleen; indien hij u hoort, zo hebt gij uw broeder gewonnen.” (“kerdaino”) (Math 18:15).
  • En die de vijf talenten ontvangen had, kwam, en bracht tot hem andere vijf talenten, zeggende: Heer, vijf talenten hebt gij mij gegeven; zie, andere vijf talenten heb ik boven dezelve gewonnen.” (“kerdaino”) (math 25:20).
  • En die de twee talenten ontvangen had, kwam ook tot hem, en zeide: Heer, twee talenten hebt gij mij gegeven; zie, twee andere talenten heb ik boven dezelve gewonnen.” (“kerdaino”) (Math 25:22).
  • Desgelijks ook die de twee ontvangen had, die won (“kerdaino”) ook andere twee.” (Math 25:17).
  • Desgelijks gij vrouwen, zijt uw eigenen mannen onderdanig; opdat ook, zo enigen den Woorde ongehoorzaam zijn, zij door den wandel der vrouwen zonder Woord mogen gewonnen (“kerdaino”) worden.” (1 Petr 3:1).
  • Want wat baat het een mens, die de gehele wereld zou winnen (“kerdaino”), en zichzelven verliezen, of schade zijns zelfs lijden?” (luk 9:25).
  • Want wat baat het een mens, zo hij de gehele wereld gewint (“kerdaino”), en lijdt schade zijner ziel?” (Math 16:26 en Marc 8:36).
  • Want daar ik van allen vrij was, heb ik mijzelven allen dienstbaar gemaakt, opdat ik er meer zou winnen. (“kerdaino”)” (1 Kor 9:19).

En verder ook nog in 1 Kor 9:20, 1 Kor 9:21 en 1 Kor 9:22.

 

Dat “winnen” wat we hier in Gods Woord tegenkomen, heeft altijd ten diepste te maken met het winnen en in bezit verkrijgen van geestelijke zaken. En dat “winnen” heeft altijd de betekenis dat je iets doet om iets te winnen, om iets te verkrijgen. En wanneer je niet aan de voorwaarden voldoet, dus nalaat datgene wat je moet doen om te winnen, dan win je ook niet datgene wat er op het spel staat. Ja, dat is nogal logisch, zult u misschien denken. Maar laten we dit nu eens toepassen op datgene wat Paulus zegt.

 

En ook van de woorden die Paulus zegt, kunnen we leren dat ook dit “winnen” een hoge geestelijke zaak betreft. Paulus zegt:

  • Om Zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen.” (Fil 3:8).

 

Dus Paulus heeft al de oude dingen uit zijn leven prijsgegeven, opdat hij Christus moge winnen. En wat valt er dan te winnen? Zie daarvoor De bijbelstudie “Het Lichaam van Christus deel 15”.

Dus het heeft grote gevolgen wanneer we bereid zijn de oude dingen uit ons leven schade te achten, en dan bedoelt Paulus, als we de oude eerdere leringen en de oude dingen loslaten, waar wij in ons eerdere leven zoveel waarde aan hechtten en zo erg aan vast zaten. En wanneer wij in navolging van Paulus die oude dingen achter ons laten, dan zijn er geen belemmeringen meer om op te wassen in de nieuwe dingen, die we door Paulus verkondiging in zijn latere brieven mogen leren. Dan zijn er geen belemmeringen meer om van de Heere geopende ogen des harten te ontvangen voor de nieuwe dingen. Dan valt er wat te winnen!

 

Maar als er wat te winnen valt, dan is er bij het niet lopen van die “renbaan” ook wat te verliezen. En dát is wat Paulus veelvuldig duidelijk wil maken. Hij zegt dan ook niet zomaar:

  • Laat niemand u de prijs doen missen (HSV: Laat u niet de prijs ontzeggen)” (Kol 2:18).

 

En dat zegt Paulus tegen de geadresseerden van Paulus late brieven (Kol 1:2), tegen de apart geplaatste en getrouwe broeders en zusters. Dus wanneer zij niet wandelen in die “win-situatie” dan winnen zij niet, maar verliezen zij de prijs! Wanneer iedereen zonder meer de “prijs”zou winnen, dan is zo'n waarschuwing van Paulus zinloos. Maar Paulus is doorlopend bewogen om broeders en zusters, om de getrouwen, omdat er zoveel op het spel staat.

 

En wanneer kun je nou de prijs missen? Dat staat in diezelfde tekst in Kol 2: 19 en verder. Door vleselijk te denken, en door met aardse zaken bezig te zijn. Zaken, die in ieder geval hun hart hadden, en hun afhielden van de hemelse dingen. Zo konden die apart geplaatsten en getrouwen de prijs missen.

Alleen het feit al dat er staat, “Laat niemand u de prijs doen missen”, betekent dat de gelovigen, dat zelfs de apart geplaatsten de prijs konden mislopen. Dat zou ons allen al waakzaam moeten maken, opdat ons dat niet overkome. We hebben eerder over dit mislopen van de prijs geschreven in de bijbelstudie “Het Lichaam van Christus” deel 14. We hebben toen gezien dat er voor “prijs missen” het Griekse woord “katabrabeuo” in de grondtekst staat. En dat betekent eigenlijk “diskwalificatie”. En er is maar Eén, die ons kan diskwalificeren, dat is Christus, Jezus, de Heere. In onze vertalingen vinden we dit jammer genoeg niet terug.

 

Dit betekent, wanneer je geroepen wordt, en je geen acht slaat op Zijn roeping, of je wilt er niet van horen, van die “hoge” boodschap van Paulus, en je gaat willens en weten niet wandelen je roeping waardig, dan zul je daarvan worden gediskwalifi-ceerd, dan zul je niet in aanmerking komen voor je geroepen positie. Dan zul je niet in aanmerking komen voor die prijs der roeping Gods.

Dan wordt je gediskwalificeerd. Dan lijdt je schade (verderf = apoleia).

 

Ook in dezen kunnen we veel leren van ons grote voorbeeld Israël. We weten dat Israël na 40 jaar in de woestijn geweest te zijn, in gehoorzaamheid door de Jordaan is getrokken naar het door God beloofde land, wat ze onder Gods leiding moesten veroveren.

Maar stelt u zich eens voor dat Israël voor de Jordaan stond, en ze weigeren over te trekken naar het hun beloofde land. Ze zien het helemaal niet zitten om naar dat onbekende land vol reuzen en strijd te moeten gaan. En zij zeggen, laat ons nou maar lekker hier zitten.

Zou God dan zeggen:

  • Maakt niet uit hoor, ondanks dat jullie niet willen, breng ik jullie toch in het land, en ondanks dat jullie niet willen strijden voor het land, zal ik het jullie toch geven.”

 

U begrijpt, dat dit nergens op slaat. Zo werkt God niet. Hij wil gehoorzaamheid. Daar is Zijn Woord heel duidelijk in. Maar er zijn heden ten dage heel veel gelovigen, die na de boodschap van Paulus gehoord te hebben, zeggen: “Dat is mij te moeilijk hoor, laat mij maar mooi bij het oude blijven, dat is wel zo makkelijk, en dan hoef ik mij niet zo in te spannen.”

Er zijn zelfs gelovigen die zeggen: “Als je ruzie wilt hebben, dan moet je over Paulus beginnen.”

 

Zij horen het wel, maar willen heel bewust niet. Zegt God dan:

  • Nou ja, jullie willen wel niet in Mijn hoge roeping wandelen, maar ik plaats jullie toch in die hoge positie. En ook al wordt je niet volwassen, en ben je niet in staat om de hoge erfenis in ontvangst te nemen, Ik geef hem toch aan jouw.”

 

U begrijpt hopelijk wel dat dit niet de waarheid is. Maar dit laat zien, dat het onbijbels is te zeggen, dat alle gelovigen tot het Lichaam van Christus behoren, en zullen delen in de hoge erfenis die in de hemelen is weggelegd voor de apart geplaatsten en getrouwen, die in navolging van Paulus hun hoge roeping waardig wandelen. En die in navolging van Paulus op het einde van hun leven kunnen zeggen:

  • Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof (het geloof om te blijven staan in die hoge roeping) behouden; 8 voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad.” (2 Tim 4:7-8).

 

Ja, Paulus zegt “Ik heb de goede strijd gestreden”, maar het prachtige is, die strijd hoeven we niet in ons eentje te voeren. In die strijd staat Christus naast ons. Hij houdt ons bij de hand, en Hij leidt ons door en in die strijd. Net zoals de Heere voor Israël streed om het land in bezit te nemen, zo strijd Hij voor ons, om te zorgen dat wij onze hemelse erfenis in bezit kunnen nemen. Maar dan moeten we wel aan Gods hand, wandelen in navolging van Paulus.

Want Christus is reeds overwinnaar, Hij heeft de strijd gestreden, en Hij heeft overwonnen. Wat God reeds aan Adam en Eva had beloofd in het paradijs, dat heeft God in Christus volbracht!

 

En om ons te wapenen in die strijd, heeft Hij ons een geweldige wapenrusting gegeven (Ef 6) om te kunnen standhouden tegen alle verleidingen van satan. Hoe kunnen wij standhouden tegen die verleidingen van satan? Dan moeten we kijken naar het voorbeeld wat de Heere ons zelf heeft gegeven, bij Zijn verzoekingen in de woestijn. Daarin is de Heere ons zelf voorgegaan. Hij heeft laten zien wat de beste wapenrusting tegen satan is. Tot drie keer toe citeerde de Heere het Woord om de verleidende aanvallen van satan te weerstaan. En daarom staat er ook in Efeze 6:

  • Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden.” (Ef 6:13).

 

Wanneer we dat doen, broeders en zusters, dan zijn we bezig onze roeping waardig te wandelen. Toen ik hier over nadacht, moest ik denken aan de tekst uit Fil 2:

  • Alzo dan, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijd gehoorzaam geweest zijt, niet als in mijn tegenwoordigheid alleen, maar veelmeer nu in mijn afwezen, werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven.” (Fil 2:12).

 

Dit heeft ook alles te maken met het voorgaande in deze bijbelstudie. Paulus zegt hier eigenlijk hoe we aan Gods hand moeten lopen in die persoonlijk “renbaan”. Hij zegt: “Werkt uws zelfs zaligheid met vreze en beven.” Dit betekent niet dat we aan ons behoud moeten werken, want dát ligt vast in het volbrachte werk van Christus. Daar valt niets aan toe te voegen.

Paulus noemt hier ook geen tijds-limiet van het “bewerken van onze “zaligheid”. Nee, Paulus zegt hier eigenlijk dat we onze loopbaan in het volle geloof en vertrouwen mogen lopen aan Gods hand, opdat wij aan het einde van de loopbaan in navolging van Paulus kunnen zeggen, dat we door het juist “bewerken”, door in de juiste baan te blijven, de prijs (= alles in Christus) hebben gewonnen!

 

En omdat er zoveel op het spel staat waarschuwt en vermaant Paulus ook voortdurend, om toch vooral die loop, ieders eigen persoonlijke “loop” in alle rust en vertrouwen aan Zijn hand te lopen. Daarom zegt Paulus in Ef 6:18:

  • En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

 

Heel bijzonder en betekenisvol dat Paulus de broeders in Christus aanspoort om toch voor elkaar met volharding te blijven bidden.

En broeders en zusters, mocht u zich afvragen waar dan die gelovigen blijven, die niet tot het Lichaam van Christus behoren, dat heb ik uitgebreid behandeld in de bijbelstudie “Het Lichaam van Christus”, die u kunt vinden op de site www.waardig-wandelen.nl

Voor die gelovigen geldt:

  • Ik geef hun eeuwig leven (grondtekst: het leven van de aioon) en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven.” (Joh 10:28).

Deel 27 volgt DV 

Bert Boersma oktober 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 27)

 

Deze keer wilde ik graag stilstaan bij de tekst uit Filippenzen:

  • (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, 11 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” (Fil 3:10-11).

 

En dan wil ik vooral met name dat “lijden” graag nader belichten. Paulus zegt hier eigenlijk, dat hij al de oude dingen achter zich heeft gelaten (Fil 3:7-9), om Christus te leren kennen, en om de kracht van Zijn opstanding te leren kennen, en om gemeenschap aan Zijn lijden te krijgen.

 

En Paulus gaat eigenlijk in dit opzicht nog een stapje verder, want hij zegt in Kol 1:24:

  • Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd.”

 

Paulus is blij dat hij omwille van de apart geplaatsten mag/moet lijden. Dat geeft wel aan dat het geen gemakkelijke opdracht is waar Paulus voor geplaatst is. Maar dat ondervond Paulus al kort nadat hij op weg naar Damascus door de Heere was aangesteld als apostel der heidenen. Want toen Ananias door de Heere naar Paulus gestuurd werd, zei de Heere tegen Ananias:

  • Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls; want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam.” (Hand 9:15-16).

 

En die verdrukking van Paulus begon meteen al in Damascus, want nadat Paulus er enige dagen was geweest, en in zijn bediening was gaan staan, wilden de joden in Damascus Paulus al vermoorden (Hand 9:23).

 

Het Lijden

 

Maar Paulus zegt meer in Kol 1:24. Hij zegt ook:

  • Ik vul in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente. Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het woord van God tot zijn volle recht te doen komen, het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen. Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid. Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn. Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar zijn werking, die in mij werkt met kracht.” (Kol 1:24-29).

 

Ondervinden we dit lijden? Lijden wij om Christus wil? Misschien heeft het lijden wel heel veel te maken met het “trouw” zijn. Toen Paulus zei “Ik vul in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus”, toen bedoelde Paulus niet dat het verlossingswerk van de Heere incompleet was. Want dát was helemaal compleet en goed. Daar kan niemand iets aan toevoegen. Toch lijkt de tekst te zeggen dat Paulus nog iets aanvult aan de verdrukkingen van Christus. Wat kon Paulus doen om aan Christus' verdrukkingen nog iets toe te voegen?

 

In de grondtekst vinden we in deze tekst voor “aanvullen” het woord “antanapleroo”, wat is afgeleid van “anti” en “anapleroo”. Het Griekse “anti” heeft in de Schrift altijd de betekenis van “in de plaats van”, en anapleroo” heeft de betekenis van vervullen en volmaken. Wanneer we die betekenis naar Fil 1:24 zouden verplaatsen, dan krijgt de tekst de betekenis dat Paulus in zijn vlees de verdrukkingen van Christus vol maakt. Dat is misschien zo op het oog een moeilijk te begrijpen zaak.

Hoe kan een mens nu Christus' lijden vervullen of vol maken?

 

Ik geloof dat een ieder die bij Christus hoort, en ook daadwerkelijk Christus volgt, en gaat staan in de boodschap, die Paulus in zijn late gevangenis brieven bekend maakt, op wat voor manier dan ook, zal worden verdrukt. Het Lichaam van Christus deelt in de verdrukkingen van Christus.

We weten dat satan de overste van deze wereld is. En de volgelingen van Christus, waarvan Paulus er één was, en die op Christus lijken (Zijn “typos” zijn), passen niet in deze wereld, en zijn niet van deze wereld, en doen niet mee met deze wereld. Christus heeft de leden van Zijn Lichaam als bezit het hemels burgerschap gegeven.

 

Maar satan veracht hen om Christus wil, en zal er alles aan doen wat in zijn vermogen ligt, om de navolgers (typos) van Christus van de juiste “loopbaan” af te brengen. Daarvoor is ons dan ook die wapenrusting (Ef 6) gegeven, om in de wandel en verdrukking staande te blijven, opdat wij al de brandende pijlen van de boze kunnen doven.

In de wereld lijden de “typos” van Christus verdrukking en smaadheid.

 

Paulus spreekt hier in Kol 1:24 over het aanvullen van het lijden van Christus door het lijden van het Lichaam van Christus. Dus de gelovigen, het Lichaam van Christus maken het lijden van Christus vol. Toen Christus op aarde was, werd hij voor het kruis in Zijn vlees verdrukt. Nu wordt Christus in Zijn Lichaam geraakt (verdrukt = lijden) na het kruis. En daarom zegt Paulus ons ook met aandrang:

  • Daarom verzoek ik u met aandrang, de moed niet op te geven bij mijn verdrukkingen om uwentwil, want die zijn een eer voor u.” (Ef 3:13).

 

Ja, broeders en zusters, die verdrukkingen, dat lijden om Christus wil is een eer voor ons. Ervaart u dat ook zo? De Heere zegt zelf:

  • In de wereld lijdt gij verdrukking, maar houdt goede moed, Ik heb de wereld overwonnen.” (Joh 16:33).

 

Ik ben ervan overtuigd, wanneer allen, die tot het Lichaam van Christus behoren, in hun door God gegeven roeping gaan staan, verdrukking te verduren hebben. Want zij dragen het lijden voortdurend van Christus' afwijzing door de wereld. Christus bevindt Zich in heerlijkheid in de hemel. Daar is Zijn lijden voorbij. Wij zijn het, de leden van Zijn Lichaam die het geheimenis kennen, die net als Paulus, in Christus’ plaats tegenover de wereld staan. Wij verdragen Zijn verwerping en bieden daarentegen toch de mensen genade en vrede door Zijn volbrachte werk aan.

 

Door hen, die tot het Lichaam van Christus behoren, wordt aangevuld, wat nog ontbreekt aan Christus' verdrukkingen als de afgewezen Zoon van God. Geen wonder, dat Paulus zegt dat het voorrecht aan ons is gegeven om voor Hem te lijden. En die verdrukking strekt ons tot eer, zegt Gods Woord. Maar die last der verdrukking “bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid”. lezen we in 2 Kor 4:17.

 

Dit lijden van de gelovigen begon ook al geruime tijd vóór Handelingen 28. We lezen in Handelingen 5 over Joden die tot geloof in de opgestane Christus waren gekomen. Na beraadslagingen van de Joodse raad werden zij gegeseld, en werd hen verboden te spreken in de naam van Jezus, en werd hun de vrijheid gegeven.

Het werd als een voorrecht door de Joodse gelovigen gezien, om voor hun afgewezen Christus te lijden. En daarom lezen we:

  • Zij dan gingen uit de Raad weg, verblijd, dat zij verwaardigd waren ter wille van de naam smadelijk behandeld te zijn; en zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is.” (Hand 5:41-42).

 

Ook in Hand 11 lezen we over de verdrukking van de gelovigen.

  • Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe.” (Hand 11:19).

 

Wat eigenlijk ook bij dit onderwerp hoort, is de tekst die Paulus aanhaalt in 2 Tim 4:6:

  • Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur.”

 

Door het gehele Oude Testament zien we in Israël het gebruik van het “plengoffer” als een soort bij-offer bij het hoofd-offer. Zo lezen we bijvoorbeeld in Gen 29:

  • Het éne lam zult gij in de morgen bereiden en het andere lam zult gij in de avondschemering bereiden, benevens een tiende fijn meel aangemaakt met een vierde hin gestoten olie, en een plengoffer van een vierde hin wijn voor het éne lam. Het andere lam zult gij in de avondschemering bereiden; zoals het morgenspijsoffer en het daarbij behorende plengoffer zult gij het bereiden tot een liefelijke reuk, een vuuroffer voor de HERE.” (Gen 29:39-41).

 

Dat Paulus dit beeld van het “plengoffer” gebruikt in 2 Tim 4 is niet verwonderlijk. Paulus wist in wiens dienst hij stond. En Paulus wist waartoe de verdrukking leiden. Paulus wist dat hij en de zijnen om Christus wil verdrukt werden, en om Christus wil moesten lijden. En Paulus wist dat zijn lijden, en het lijden van allen die tot het Lichaam van Christus behoren, diende tot een volmaking van het lijden van Christus na het kruis. En daarom noemt Paulus zichzelf een “plengoffer”, als een vol-making, een bijoffer bij het offer van Christus. En daarom was dat een eer voor hem. En daarom is het een eer voor allen, die tot het Lichaam van Christus behoren.

  • Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, 30 in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort.” (Fil 1:29-30).

 

Natuurlijk stond de strijd en het lijden van Paulus in betrekking tot zijn boodschap, het brengen van hét geheimenis. Hij zegt in Kol 1:25:

  • Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het woord van God tot zijn volle recht te doen komen, het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen.” (Kol 1:25-26).

 

Wij moeten dus vers 24 lezen in samenhang met vers 25, waar Paulus spreekt over zijn bediening. Het was juist die bediening van Paulus, die dat lijden teweeg bracht.

En die bediening sluit aan op de bediening van de Here Jezus Christus op aarde! Net zoals de Heere Jezus werd verworpen, werd ook Paulus verworpen overal waar hij kwam tijdens zijn rondreizen.

Toen Christus stierf aan het kruis van Golgotha was Zijn werk volbracht, maar Gods werk ging door. En het verzet tegen dat werk van God bleef (en blijft) voortduren.

 

De verdrukking en het lijden wat de apostelen en Paulus moesten meemaken was van dezelfde aard en heftigheid als de verdrukkingen en afwijzing van de Heere zelf. En zo maakte Paulus de verdrukkingen van Christus vol. Of volgens Kol 1:24 gezegd, door het lijden van Paulus vult hij aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, en zo komt het lijden van Christus tot volheid in het Lichaam van Christus.

 

Paulus verrichtte dus een aanvullend werk, dat verankerd ligt in het volbrachte werk van Christus, en dat brengt ook voor hem (evenals voor de Here Zelf) lijden met zich mee. Het lijden van Paulus staat dan ook in verband met de opbouw van het lichaam van Christus.

Zoals Christus in het vlees moest lijden tijdens Zijn aardse bediening, om Zijn opdracht in gehoorzaamheid te volbrengen, zo moest ook Paulus in het vlees lijden (verdrukkingen doorstaan), om zijn opdracht in gehoorzaamheid te volbrengen. En zo vult Paulus niet alleen het werk van Christus aan, maar dientengevolge ook de verdrukkingen van Christus.

 

Het is geen gemakkelijk onderwerp wat we hier hebben behandeld, maar het geeft wel aan dat we ons niet moeten verbazen dat we om Christus wil verdrukking en lijden ondervinden. Want als we door Paulus worden opgeroepen om zijn navolgers te zijn, daarbij wetende, dat Paulus Christus navolgt, dan moet het ons niet verbazen dat we ook dezelfde verdrukkingen ondervinden, als we Paulus' voorbeeld navolgen.

 

Daarbij is het onontbeerlijk dat we de wapenrustig Gods aantrekken, want alleen dan zijn we in staat om onze roeping waardig te wandelen.

  • Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten. Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden.” (Ef 6:11-13).

 

Deel 28 volgt DV

 

Bert Boersma oktober 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 28)

 

Graag wil nogmaals met u gaan naar het gedeelte uit Gods Woord wat we de vorige keer behandeld hebben uit Kol 1:

  • Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente. Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het woord van God tot zijn volle recht te doen komen, het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen. Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid. Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt te doen zijn. Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar zijn werking, die in mij werkt met kracht.” (Kol 1:24-29).

 

Paulus zegt dat hij een “dienaar” (Grieks = diakonos) is geworden van de gelovigen, en dat zijn in dit geval “de heilige en gelovige broeders in Christus.” (Kol 1:1).

Dat waren zij, die door de Heere apart geplaatst zijn (= heiligen) en getrouw (= gelovig) Paulus navolgen, en die tezamen het Lichaam van Christus vormen. Dát zijn de geadresseerden van deze brief. En aan hen (zo lazen we), “aan Zijn heiligen” is het geheimenis geopenbaard.

En in die “dienst”, die hem door God is toevertrouwd, wil hij het Woord van God, wat betrekking heeft op zijn laatste bediening, tot zijn volle recht laten komen. De Staten Vertaling heeft het iets beter vertaald, daar staat “om te vervullen het Woord Gods.”

In de grondtekst vinden we hier het woord “pleroo”, wat inderdaad alles te maken heeft met “vervullen” en “vol maken”.

 

Hieruit leren we ook dat God deze laatste bediening van Paulus al lange tijd in zijn plan (der eeuwen) had opgenomen, maar God had voor de vervulling van Zijn plan Paulus gekozen om als dienaar Gods plan te vervullen (vol te maken). God kiest bruikbare mensen om Zijn plannen te vervullen.

 

Met welk doel heeft God deze ‘bedeling’ of ‘rentmeesterschap’ aan Paulus gegeven? Wel, dat hebben we net gelezen: “Om onder u het Woord van God tot zijn volle recht te doen komen”. Het gaat erom, dat met deze bediening van Paulus Gods Woord volgemaakt, d.i. volledig vervuld wordt.

En met dit Woord Gods mocht/moest Paulus eigenlijk volmaken de boodschap, of beter gezegd, het evangelie wat de Heere zelf nog niet kon verkondigen in Joh 16:12, toen Hij tegen de discipelen zei:

  • Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen.”

 

Nee, zij zouden daar ook niets van hebben begrepen, want de discipelen hadden een totaal andere opdracht. En ook toen de Heere na Zijn opstanding 40 dagen lang aan Zijn discipelen had verteld over al de dingen betreffende het Koninkrijk Gods, kon Christus Zijn discipelen niet vertellen over de in God verborgen boodschap, die Paulus pas na de Handelingen moest bekend maken. We lezen in Hand 1:

  • Dat Hij aan de apostelen, die Hij had uitgekozen, door de heilige Geest zijn bevelen had gegeven; aan wie Hij Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend heeft vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft.” (Hand 1:2-3).

 

Toen kon de Heere niet de dingen verkondigen, die Hij later wel aan Paulus bekend maakte. De Heere heeft aan Zijn discipelen dingen verkondigd, die betrekking hadden op het Koninkrijk, wat Hij voor Israël op wilde richten. Dat was de bediening van de 12 apostelen. Over die dingen moesten zij spreken, vanuit de situatie van toen, over de opgestane Christus, en dat hun toehoorders moesten geloven, dat die opgestane Christus Koning zou worden over Israël, zoals vele profeten al hadden geprofeteerd.

 

Waarom kon de Heere in Johannes 16:12 en in Handelingen 1 niet meer vertellen? Omdat de gelovigen van die tijd moesten blijven staan in die hoop die voor die tijd gold. En die hoop was de verwachting van de komst van Christus, en daarmee de verwachting van het het zeer aanstaande koninkrijk. Stel dat de Heere toen alles had verteld, ook van de onnaspeurlijke verborgenheid, dan was die hoop van de Handelingen periode met één slag van de baan geveegd.

 

Uit deze dingen leren wij, die achter al deze feiten staan, dat God het door Hem bepaalde Evangelie laat klinken in de door Hem bepaalde tijden. Paulus kon in de Handelingen periode niet spreken over het geheimenis, dat eeuwen en geslachten was verborgen in God. In de Handelingen had God een hele andere bediening en een hele andere hoop. Pas na de Handelingen mocht Paulus Gods Evangelie “vol maken”.

 

En door de apostel Paulus werd dat “volmaken” ook daadwerkelijk voltooid, door o.a. de Kolossenzen brief te schrijven:

  • Het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen”. (Kol 1:26).

 

Dit geheimenis of verborgenheid, zoals de Staten Vertaling het noemt, wordt in al Paulus' late brieven aan geboden aan de gelovigen, maar er is een uitverkoren groep (Ef 1:4) gelovigen, die Paulus ook daadwerkelijk navolgen, en zij worden dan ook de apart geplaatste en getrouwe broeders genoemd. En hun wordt iets bekend gemaakt:

  • Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid”. (Kol 1:27).

 

Aoristus Tijd

 

Het woord “willen” in deze tekst kan net zo goed worden vertaald met “wensen” of “verlangen” en staat in de zgn. aoristus tijdsvorm. Dit geeft aan, dat de uitdrukkelijke wens van God om de heerlijkheid van het geheimenis bekend te maken ook daadwerkelijk heeft plaatsgevonden, met name door de bediening van de apostel Paulus.

Ik heb in het verleden al eens geschreven over de Aoristus 1 tijd in de bijbelstudie over “Het Lichaam van Christus”, maar omdat er nogal eens een misverstand optreedt, wanneer het over de Aoristus tijd gaat, herhaal ik nog maar eens, wat de Aoristus 1 tijd betekent.

De Griekse Aoristus 1 tijd is een tijd, die we in het Nederlands niet kennen, maar die we in het Grieks veelvuldig tegenkomen. Het is dein het Grieks voorkomende verleden tijd die geen begrenzing insluit wat betreft het voortduren van de handeling tot in het heden; het duidt een feit of toestand aan zonder op de duur ervan te letten. In het Latijn heet deze werkwoordsvorm de perfectum historicum. De “A” staat voor “niet”, en “oristis” betekent “afgrenzen. (dus: niet afgrenzen, nog geen einde). Dus dátgene waar over gesproken wordt in de betreffende tekst, heeft zijn aanvang gehad in het verleden, maar is niet afgerond, en gaat nog volledig door in het heden.

 

Graag wil ik nog iets dieper op die Aoristus 1 ingaan. Zoals al gezegd, kennen wij in onze taal deze tijd niet, maar voor een goed verstaan van Gods Woord is het wel noodzakelijk om hier kennis van te hebben. Want wanneer we dit niet toepassen bij het lezen van de tekst, dan gaan we dingen verkeerd verstaan, en komen bijbelse zaken in een heel ander licht te staan.

 

Ik zal proberen dit met enkele voorbeelden toe te lichten:

In Wikipedia vinden we een juiste omschrijving van de Aoristus 1:

  • De in het Grieks voorkomende verleden tijd die geen begrenzing insluit wat betreft het voortduren van de handeling; het duidt een feit of toestand aan zonder op de duur ervan te letten In het Latijn heet deze werkwoordsvorm de perfectum historicum.”

Fil 1:6

  • Ik vertrouw er op dat Hij die in u een goed werk begonnen is
  • πεποιθωςαυτοτουτοοτιοεναρξαμενος (= enerchomai)ενυμινεργον

Enarchomai = is begonnen. (Aoristus 1)

dwz: Christus is daar in het verleden mee begonnen en gaat daarmee door tot op die dag. Hij is daar niet mee gestopt, en die handeling is niet afgegrensd, het is een doorgaand proces.

 

Ef 3:17

Opdat Christus door het geloof in uw harten wone (A0R), en gij in de liefde gewortelden gegrond zijt;

In uw harten wone; (Aor,act) Christus is actief bezig woning te maken in ons hart, is daar in het verleden mee begonnen en gaat daar mee door.

En deze werkwoordsvorm kom je veel tegen in het Woord, zo ook bijvoorbeeld in

 

Ef.1:3

Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus

Gezegend heeft. (= Aor 1) Niet dat Christus dat in het verleden een keer gedaan heeft, maar daar is Hij nog steeds actief mee bezig. Het is niet voltooid, maar is geleidelijk bezig te gebeuren, wanneer ons hart open staat. Er is werkelijk geen mens die in één keer gezegend is met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus. Dat zou ook geen mens aan kunnen. Nee, Christus is bezig, om hen die verlangend bezig zijn met Zijn Woord, stukje voor stukje geopende ogen te geven voor de verborgenheden in Zijn Woord. En een ieder, die op zoek is, om Hem recht te leren kennen, weet ook, dat het zó werkt.

 

Er zijn overigens voorbeelden te over in Gods Woord, die aantonen, dat God op Zijn tijd mensen die dingen geeft, waardoor ze weer verder kunnen om op te wassen in de rechte kennis van Hem.

 

Ef 1:5

Ook toen wij dood waren door de misdaden, heef[ons]levend gemaakt met Christus; (uitgenade zijt gij zalig geworden),

Levend gemaakt (= Aor.act.)Christus is bezig ons in het volle leven met Hem te brengen.

Verder zijn wij uit genade zalig geworden. Dit laatste in de w.w.-vorm die voltooid is.

 

In al die werkwoordsvormen van Aoristus, komt naar voren, dat de Heere Jezus Christus ergens aan begonnen is en nog steeds met bezig is. Hij wil niets liever om Zijn werk in de apart geplaatsten en getrouwen te voltooien. Hij is bezig Zijn Lichaam vorm te geven, en daarvoor gebruikt Hij allen, waarvan de gezindheid zó door Hem is omgebogen, dat ze in die gezindheid als bruikbare instrumenten door Hem gebruikt kunnen worden.

 

We moeten goed beseffen, dat zolang wij hier nog op deze aarde rondstappen, dat Zijn werk betreffende de vorming van het Lichaam van Christus nog niet is afgerond, en zelfs wanneer wij onze intrek bij (in) Hem hebben mogen nemen, dan gaat Hij nog door om dat goede werk van Hem in ons te voltooien.

 

In de tekst, die we hebben gelezen stond:

  • Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid”. (Kol 1:27).

 

Het is vaak heel moeilijk om de Aoristus tijd te vertalen, omdat de Aoristus een begrip insluit, dat wil zeggen, dat God ergens mee is begonnen, en dat Hij daar nog steeds mee bezig is. En al die woorden, om dat begrip, (het werkwoord in de nog steeds voortgaande tijd), te vertalen staan niet in de grondtekst. Maar wanneer we zouden kunnen begrijpen, wat er zou moeten staan, dan staat er eigenlijk:

  • Hun, de leden van Zijn Lichaam, heeft God het verkondigd (vanaf Handelingen 28) en gaat daar nog steeds mee door, om te verkondigen hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u, de hoop der heerlijkheid”.

 

En wat dan dat geheimenis, of die verborgenheid is, dat staat er achter: “Christus onder u, de hoop der heerlijkheid”. Maar dat is jammer genoeg niet goed vertaald, want er had volgens de grondtekst moeten staan: Christus in u, de hoop der heerlijkheid”. En dát was het nieuwe, de verborgenheid, wat Paulus mocht bekend maken aan de heiligen in Christus Jezus!

 

We hopen hier de volgende keer mee door te gaan.

 

Bert Boersma november 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 29)

 

Christus IN u, de Hoop der Heerlijkheid (Kol 1:27)

 

Wanneer we in de Bijbel het woord “hoop” tegenkomen, dan is het belangrijk te beseffen dat de betekenis van het woord “hoop” in het Woord een totaal andere is, dan de huidige betekenis, die wij eraan hebben gegeven. Wanneer wij tegenwoordig iets hopen, dan moeten we nog maar afwachten of het ook gebeurt, of iets misschien wél uitkomt of misschien wel niet. Bijbels hopen zit geen onzekerheid in. Bijbelse “hoop” is een zekerheid, een absoluut zeker weten.

 

Wanneer David zegt: “Want op U, HERE, hoop ik; Gij immers zult antwoorden, Here, mijn God.” (Ps 38:16). Dan zegt David eigenlijk: “U Heere bent mijn zekerheid, Gij immers zult antwoorden. David dacht echt niet: “Ik hoop maar dat het zal gebeuren, maar afwachten of de Heere het doet.” Nee, het was een vast vertrouwen, een vast en zeker weten.

In de Handelingen had Paulus ook een “hoop”. Dat was een andere “hoop” dan de “hoop” waar hij in zijn latere brieven over schrijft. Paulus zegt in Hand 28:20, toen hij de voormannen der Joden bijeengeroepen had:

  • Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken, want om de hoop van Israël draag ik deze keten.”

 

Dát was toen Paulus' hoop. Paulus verwachtte toen het zeer nabij zijnde Koninkrijk wat voor Israël opgericht zou worden, dat was Israëls hoop. Maar toen Israël in Hand 28:28 tijdelijk terzijde was gesteld had Paulus een andere, veel hogere “hoop”. En daarom lezen we bijvoorbeeld in Kolossenzen over “de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen.” (Kol 1:5). Dat is de zekerheid, die voor de geadresseerden van Paulus late brieven in de hemel is vastgelegd in Christus Jezus, onze Heere.

 

En daarom schrijft Paulus ook :

  • Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.” (Fil 1:21-23).

 

Wanneer we beseffen, dat de “apartgeplaatsten” het hemels burgerschap bezitten, dan kan het bijna niet anders, dat ons verlangen daar ook naartoe gaat. Want wanneer we geestelijk bezig zijn met de hemelse dingen, dan ontstaat dat verlangen, en dan is er geen betere plek waar ons verlangen naar uit kan gaan. Ja, ik weet, dat zolang we hier op aarde ons in het vlees bevinden, dan zijn we eigenlijk gespleten persoonlijkheden. Ons vlees verlangt hier te blijven. En wanneer we afscheid moeten nemen, dan laten we geliefden achter, en dat doet het vlees pijn. Maar wanneer we in alle realiteit Paulus kunnen nazeggen, dat ons leven is Christus, dan weten we dat ons sterven winst is. Want dan mogen we als apart geplaatsten de “zoon-plaats” innemen. Dan komen we erachter wat het betekent, met alle geestelijke zegeningen in de hemel gezegend te zijn.

 

Dan “hopen” we niet in de betekenis van het wereldse “hopen”, maar dan weten we met absolute zekerheid dat we in Christus in Zijn positie geplaatst zullen worden:

  • In de hoop (= zekerheid) des eeuwigen levens, dat God, die niet liegt, vóór eeuwige tijden beloofd heeft, terwijl Hij te zijner tijd zijn woord heeft openbaar gemaakt in de verkondiging.” (Titus 1:2).

 

Maar.., ja bij deze dingen moeten we toch een “maar” plaatsen. Want broeders en zusters, deze dingen, die tot ons komen in Paulus' late brieven zijn de volkomen waarheid, maar zij gelden voor hen die getrouw in navolging van Paulus hun roeping (= de roeping van Christus) waardig wandelen. Dat moeten we steeds in gedachten houden bij het lezen van Paulus' brieven die hij na de Handelingen heeft geschreven, en waarin hij die hoge roeping bekend moest maken. En jammer genoeg wordt dit zo vaak vergeten, of over het hoofd gezien. Altijd wanneer we in Paulus' late brieven lezen over “ons”, over “u”, of over “gij”, dan moeten we steeds terug naar de geadresseerden, want aan hén zijn die brieven geschreven, en voor hén gelden de daar omschreven waarheden.

 

En wanneer we dat doen, dan zien we dat de drie belangrijkste brieven, die Paulus na de Handelingen heeft geschreven, zijn gericht aan de “heiligen”. Dat woord “heiligen” heeft altijd de betekenis dat het iets bijzonders betreft, iets wat door God apart is geplaatst. In het Grieks vinden we voor het Woord “heiligen” het woord “hagois”, en wanneer we zouden onderzoeken, waar en hoedanig dat in de Schrift wordt gebruikt, dan zullen we ontdekken dat we dan altijd zaken of personen tegenkomen, die door de Heere voor Zijn dienst én voor Zijn plan der aionen heeft apart geplaatst, en dat ze om die reden “heilig” worden genoemd. Zo komen we o.a. tegen in het N.T.: Heilige Schriften, heilige stad, heilige wandel, een Gode welbehagelijk heilig offer, Gods heilig verbond, het heilig land, Gods heilige wet, een heilige gemeente, een heilige roeping, het Heilige (tabernakel), het Heilige der Heiligen, het heiligdom, enz.

 

Wanneer we dit alles echt zouden bestuderen, dan zien we dat dit allemaal heel bijzondere zaken zijn, door God in Zijn voornemen zijn opgenomen, en die volkomen passen in Zijn gemaakt bestek. En al die heilige zaken of personen heeft God heel speciaal afgezonderd van de rest, voor Zijn speciaal doel. En in die speciale betekenis richt Paulus zijn late brieven aan een heel speciale door God verkozen groep gelovigen (Ef 1:4), namelijk aan de “apart geplaatsten én getrouwen”. Zij zijn door de Heere zelf apart geplaatst, voor het doel wat Hij met hen op het oog heeft. En Paulus heeft dit begrepen, en doet voortdurend zijn best om het aan ons duidelijk te maken. Hij spoort die heiligen dan ook voortdurend aan om hun hoge roeping waardig te wandelen.

 

Heel bijzonder is in dit verband ook de aanhef van Paulus brief aan Timoteüs:

  • NBG: “Paulus, een dienstknecht van God, een apostel van Jezus Christus, naar het geloof der uitverkorenen Gods en de erkentenis van de waarheid, die naar de godsvrucht (= groei) is.”

 

Ook hier wordt over die uitverkorenen van God gesproken. En ook hier gaat het over het aanvaarden van de waarheid die Paulus in zijn late brieven bekend moest maken, en dat de gelovigen daarin tot wasdom komen.

 

Want broeders en zusters, het niet wandelen de roeping waarmee je geroepen bent heeft gevolgen. En daar waarschuwt Paulus meerdere malen voor. Zo ook bijvoorbeeld in Kol 2:18, waar Hij zegt: “Laat niemand u de prijs doen missen!”

Het is dus geen automatisme, dat een ieder die tot het Lichaam van Christus behoort, daar ook te allen tijde bij blijft behoren. Het hangt af van iemands gezindheid, of hij/zij wil laten leren door Gods Woord, het hangt af van iemands wandel. Ook was Paulus soms tot tranen toe bewogen, wanneer broeders en zusters (gelovigen) niet wandelden in navolging van hem, en hun heil zochten in aardse zaken. Paulus wist dat zij niet de prijs in Christus zouden ontvangen (Fil 3:18-19). En wat de prijs is, dat weten we door de uitvoerige behandeling in de bijbelstudie “het Lichaam van Christus” deel 15.

 

Maar God is een beloner voor wie Hem ernstig zoeken.” (Hebr 11:6). Nog nooit heeft God één zoekende met lege handen laten staan. Dat God vragende, zoekende mensen altijd te hulp komt (op Zijn tijd), daar zijn legio voorbeelden van in de Bijbel. Maar één wil ik toch graag noemen. En dat bijbelgedeelte wil ik graag samen met u lezen:

  • En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de vertroosting van Israël, en de heilige Geest was op hem. En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had. En hij kwam door de Geest in de tempel. En toen de ouders het kind Jezus binnen brachten om met Hem te doen overeenkomstig de gewoonte der wet, nam ook hij het in zijn armen en hij loofde God en zeide: Nu laat Gij, Here, uw dienstknecht gaan in vrede, naar uw woord, want mijn ogen hebben uw heil gezien, dat Gij bereid hebt voor het aangezicht van alle volken: licht tot openbaring voor de heidenen en heerlijkheid voor uw volk Israël. En zijn vader en zijn moeder stonden verwonderd over hetgeen van Hem gezegd werd. En Simeon zegende hen en zeide tot Maria, zijn moeder: Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt – en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan –, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.” (Luc 2:25-35).

 

We lezen maar heel weinig over Joden, die de Heere verwachten. Toen de wijzen uit het oosten bij de schriftgeleerden kwamen om hen te vragen, waar de koning geboren was, hadden ze die kennis niet paraat. Ze moesten het opzoeken, en vonden in Micha dat de koning in Bethlehem geboren zou worden. Maar de Farizeeën verwachten de Messias niet. Want ze gingen niet met de wijzen mee. Ze vonden het wel best. Maar Simeon wordt heel speciaal wel vermeld. Simeon had een hoop, een zekerheid. Aan hem was door de heilige Geest een Godsspraak gegeven, dat hij niet zou sterven voordat hij de Messias had gezien. We kunnen hieruit rustig concluderen, dat Simeon kennis had van de Schriften, kennis had van de profetieën aangaande de komst van de Messias voor Israël. En vanuit die kennis ging hij bidden, dat hij de komst van de Messias mocht meemaken. Het vaste vertrouwen van Simeon werd beloond.

Prachtig te lezen dat Simeon door de Geest in de tempel kwam. En daar gaat Simeon profeteren. Hij dankt God dat zijn ogen Gods heil mogen zien, en dat de Messias zal zijn: Licht tot openbaring voor de heidenen en Heerlijkheid voor het volk Israël. En tegen Maria zei hij heel speciaal:

  • Zie, deze is gesteld tot een val en opstanding van velen in Israël en tot een teken, dat weersproken wordt – en door uw eigen ziel zal een zwaard gaan –, opdat de overleggingen uit vele harten openbaar worden.”

 

Simeon had het helemaal begrepen. Hoe kwam dat? Omdat hij omgang had met de Schriften, en omdat hij zich de Schriften eigen had gemaakt. En hierdoor een nauwe omgang met God zelf had gekregen, en daarom werd hij door Gods Geest geleid in Zijn wegen en Zijn uitspraken.

 

Hebben wij het ook begrepen? Hebben wij ook omgang met de Schriften? Hebben wij ons de Schriften eigen gemaakt? En hebben wij daardoor ook een nauwe relatie in Christus gekregen? En kennen wij onze hoop? Dan mogen wij, net als Simeon uitzag naar zijn hoop, mogen wij uitzien naar de hoop van het Lichaam van Christus:

  • Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.”

 

We waren begonnen met de tekst: “Christus in u, de Hoop der heerlijkheid”. (Kol 1:27). En in die “Hoop der Heerlijkheid” mogen wij, de apart geplaatsten, nu geestelijk al deel hebben. En in die “Hoop der Heerlijkheid” zullen de leden van Zijn Lichaam na het sterven worden geplaatst. En in die Heerlijkheid zullen zij in de toekomst met Hem verschijnen in heerlijkheid:

  • Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.”

 

Deel 30 volgt DV Bert Boersma november 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Waardig Wandelen (deel 30)

 

We zijn de vorige keer geëindigd met de tekst:

  • Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kol 3:1-4).

 

Broeders en zusters, wie zullen met Christus verschijnen in Zijn heerlijkheid, wanneer Hij terug keert naar de aarde om Zijn Koningschap op zich te nemen? Deze tekst kunnen en mogen we niet één op één toepassen op alle gelovigen, want we weten wie de geadresseerden zijn van de brief aan de Kolossenzen, dat zijn "de heilige en gelovige broeders in Christus" Er staat niet aan alle gelovigen. En wat de Heere door de hand van Paulus in Zijn woord ons wil meedelen, moeten we serieus nemen. En daarom wil ik graag met u samen onderzoeken in de Schrift wat het woord "heilig" (en/of heiligen) voor ons betekent.

 

Heilig

 

De vorige keer hebben we kort stilgestaan bij het woord "heilig", maar om daar een goed zicht op te krijgen, is het goed om dat vanuit de Schrift toch wat nader te bekijken. In de NBG komt het woord "heilig" 147 keer voor, waarvan 31 keer in het N.T. U kunt voor uzelf heel makkelijk op internet deze dingen opzoeken. Wanneer u op google de site "Biblija.net/bijbel online" intoetst, dan krijgt u een scherm, waarin u de gewenste bijbelvertaling kunt selecteren. En wanneer u op die site in het witte vakje onder "woorden zoeken" onder "woorden" een woord in toetst, (bijv heilig) en daarna op "zoek op" klikt, en vervolgens in het gele scherm onderaan op "klik hier" klikt, dan verschijnen in een hele opsomming alle teksten waarin het woord "heilig" voorkomt. Dat is een hele mooie concordantie, om zelf bijbelstudie te doen. U kunt op die site ook meerdere bijbelvertalingen aanklikken, die dan naast elkaar op het scherm verschijnen. Dan kunt u eventueeel vertalingen vergelijken.

 

In ons taalgebruik heeft het woord "heilig" vaak een betekenis gekregen, die niet met de bijbelse betekenis overeen komt. Zo heeft "heilig" in ons begrip vaak de betekenis gekregen van "smetteloos, rein". En in de katholieke kerk worden mensen soms "heilig" verklaard, omdat ze zulke goede daden hebben verricht, en zich zo onzelfzuchtig voor de naaste hebben opgesteld. Maar de bijbelse betekenis van "heilig" is een volstrekt andere.

 

We gaan enkele teksten waarin "heilig" voorkomt in het N.T, nader bekijken, als erste lezen we:

  • "Want Herodes had ontzag voor Johannes, daar hij wist, dat hij een rechtvaardig en heilig man was; en hij beschermde hem en als hij hem gehoord had, was hij in grote verlegenheid, maar hij hoorde hem gaarne." (Mar 6:20).

 

Het Griekse woord voor "heilig" is "hagios". In deze tekst wordt Johannes de doper een "heilig" man genoemd. Om meer over Johannes te leren, gaan we naar Lucas 1:

  • "Er was in de dagen van Herodes, de koning van Judea, een priester, genaamd Zacharias, behorende tot de afdeling van Abia, en zijn vrouw was uit de dochters van Aäron en haar naam was Elisabet. Zij waren beiden rechtvaardig voor God en leefden naar alle geboden en eisen des Heren, onberispelijk. En zij waren kinderloos, omdat Elisabet onvruchtbaar was, en zij waren beiden op hoge leeftijd gekomen." (Luc 1:5-7).

 

Ja, Elisabeth was onvruchtbaar, en zij hadden gebeden om een kind te krijgen, en dat gebed wordt verhoord, want er kwam een engel naar Zacharias, toen hij met zijn tempeldienst bezig was, en die engel zei:

  • "Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de heilige Geest zal hij vervuld (grondtekst = pletho = vervuld) worden, reeds van de schoot zijner moeder aan." (Luc 1:13-15).

 

Hier wordt nogal wat gezegd over het kind dat nog geboren moet worden:

  • Hij zal groot zijn voor de Here,
  • Geen wijn en sterke dran zal hij drinken,
  • Hij zal vol worden van de heilige Geest,
  • En dit alles van de schoot zijner moeder aan.

 

Verschillende dingen vallen hier op. De zoon, die geboren zal worden, "zal geen wijn en sterke drank drinken". Dit doet sterk denken aan de "nazireeërgelofte", waarmee iemand zich aan de Heere kon wijden. Hierover lezen we in Num 6:2-8. Zo iemand legde een bijzondere gelofte afl, de nazireeërgelofte, om zich aan de Heere te wijden, en ook die persoon moest zich van wijn en bedwelmende drank onthouden. Al de tijd van zijn nazireeërgelofte, voor welke tijd die persoon zich aan de Heere gewijd had, zal hij heilig zijn. (Num 2:5). Ook hier betekent "heilig zijn", dat die persoon in die periode zich apart geplaatst had voor de Heere. De tekst van Luc 1:15 lijkt te zeggen, dat Johannes de doper tijdens zijn gehele bediening op die manier heeft gewandeld, volledig toegewijd aan de Heere.

 

Het tweede wat opvalt is dat er staat "hij zal vol worden van de heilige Geest". Dit betekent dat Johannes de doper de heilige geest inwonend binnen in zich krijgt. Tot die tijd kwam de heilige Geest "op" gelovigen, wanneer de Heere iets wilde laten zien, of wanneer bijvoorbeeld profeten moesten spreken namens de Heere. Maar Johannes werd echt van binnen gevuld, vol van Gods Geest. Dat zit in dat Griekse woord "pletho" (= vervuld) ingesloten.

 

En het derde bijzondere is, dat de Heere het aangekondigde kind voor Hemzelf had afgezonderd in de schoot van de moeder. Dit lezen we wel van meer personen, maar dus ook van Johannes. Bovendien, omdat Johannes de eerste zoon was van Zacharias, en omdat we lezen dat Elizabet onvruchtbaar was, was Johannes zijn eerstgeborene, en omdat alle eerstgeborenen het eigendom van de Heere waren onder het oude verbond, was Johannes ook de Heere heilig. En om al deze redenen wordt Johannes een "heilig" man genoemd. Een man, heel speciaal door God afgezonderd van de rest, speciaal bestemd voor het plan wat God met hem op het oog had. En hieruit leren we dat iets, of een persoon, of een groep, die de Heere "heilig" noemt, door Hem heel speciaal apart is geplaatst, afgezonderd van de rest.

 

En wanneer de mond van Zacharias, de vader van Johannes de doper weer geopend wordt, en hij zijn lofzang uitspreekt in Luc 1:67-79, dan komen we voor de tweede keer in het N.T. Het woord "heilig" tegen, dan zegt Zacharias op een gegeven moment:

  • "Dat de Heere barmhartigheid betoont aan onze vaderen en zijn heilig verbond te gedenken, de eed, die Hij zwoer aan Abraham, onze vader." (Luc 1:72-73).

 

Ook dát verbond met Abraham noemt God in Zijn Woord een "heilig" verbond. Dat verbond is heel speciaal alleen aan Abraham gegeven, zodat de Heere via Abraham voor Zijn doel een volk kon bereiden, wat uiteindelijk in de toekomst tot heil van alle volkeren zal zijn. En wat in de toekomst aan de spits der volkeren zal staan. Dus hierin zien we dat dit een heilig verbond is, dat door de Heere speciaal gegeven is om uiteindelijk tot de voltooiing van Zijn plan der eeuwen te komen.

 

De derde tekst die we tegenkomen in het N.T. waar "heilig" in staat is:

  • "Gelijk geschreven staat in de wet des Heren: Al het eerstgeborene van het mannelijke geslacht zal heilig heten voor de Here." (Luc 2:23).

 

Hierover lezen we in Num 3:13, en in Exodus:

  • "De HERE sprak tot Mozes: Heilig Mij alle eerstgeborenen, die onder de Israëlieten het eerst uit een moederschoot voortkomen, zowel van mens als van dier; zij zijn mijn eigendom." (Ex 13:2).

 

Dan kunnen we ons afvragen waarom de Heere alle eerstgeborenen uit Israël voor Zichzelf apart had geplaatst. Ik denk dat we het antwoord daarop vinden in Num 8:

  • "Aldus zult gij de Levieten uit de Israëlieten afzonderen, opdat de Levieten mijn eigendom zijn. Eerst daarna zullen de Levieten naar binnen gaan om bij de tent der samenkomst dienst te doen; gij zult hen reinigen en hen als een beweegoffer bewegen. Want zij zullen uit de Israëlieten Mij onvoorwaardelijk geschonken zijn; Ik heb hen voor Mij genomen in de plaats van alles wat het eerst uit de moederschoot voortkomt, van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten. Want alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, zowel van mens als van dier, zijn mijn eigendom; op de dag dat Ik alle eerstgeborenen in het land Egypte sloeg, heb Ik hen Mij geheiligd, en Ik nam de Levieten in de plaats van alle eerstgeborenen onder de Israëlieten, en Ik gaf de Levieten uit de Israëlieten als geschonkenen aan Aäron en zijn zonen, om de dienst der Israëlieten bij de tent der samenkomst te verrichten, en om verzoening te doen over de Israëlieten, opdat er geen plaag zij onder de Israëlieten, wanneer de Israëlieten tot het heilige zouden naderen." (Num 8:14-19).

 

Hier zien we dat de Heere de Levieten plaatst in de speciale positie van de eerstgeborenen. En ook de taak van de Levieten wordt duidelijk omschreven. Zij waren door God apart geplaatst (heilig) om de dienst der Israëlieten bij de tent der samenkomst te verrichten, en om verzoening te doen over de Israëlieten, opdat er geen plaag zou komen onder de Israëlieten, wanneer de Israëlieten tot het heilige zouden naderen. Hier zien we welk doel de Heere had met de eerstgeborenen, die door Hem waren "heilig" verklaard. Bovendien zouden we ook een lijn in de Bijbel kunnen ontdekken, dat de gemeente der eerstgeborenen hier ook mee te maken heeft.

 

Vervolgens gaan we naar het Evangelie van Johannes, het Evangelie wat voor de wereld is geschreven:

  • "Heilig hen in uw waarheid; uw woord is de waarheid." (Joh 17:17), en
  • "En Ik heilig Mijzelf voor hen, opdat ook zij geheiligd mogen zijn in waarheid." (Joh 17:19).

 

Deze twee verzen staan in het z.g. Hogepriesterlijk gebed, wat de Heere bidt in Joh 17 tot de Vader. Daar zegt de Heere ook in vers 6:

  • "Ik heb Uw naam geopenbaard aan de mensen, die Gij Mij uit de wereld gegeven hebt. Zij behoorden U toe en Gij hebt hen Mij gegeven en zij hebben Uw woord bewaard."

 

Wie zijn aan de Heere gegeven tijdend de drie jaren van zijn rondwandeling op deze aarde? Dat waren allen die geloofden dat Hij de Christus der Schriften was. We weten niet hoeveel dat waren, maar wat we wel weten, dat het in ieder geval de discipelen waren, en die 120 die in de bovenzaal bijeen waren in Hand 1, want het grootste gedeelte van het volk heeft nooit begrepen wie Hij was en wat hij predikte, want de Heere sprak vanwege hun ongeloof in gelijkenissen tot hen, opdat zij het niet zouden verstaan.

Wanneer we dan Joh 17 lezen, dan mogen we vooral door vers 17 en 19 weten, dat ook hen, die de Heere gegeven waren door Hemzelf geheiligd, apart geplaatst zijn van de rest, voor Zijn doel. En dat doel werd toen zeer spoedig duidelijk. Zij gingen in de Handelingen door met het Evangelie aan Israël te verkondigen.

 

En ook de apostel Paulus doet in Rom oproep/vermaning aan zijn broeders naar het vlees:

  • Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst." (Rom 12:1).

 

Paulus roept zijn broeders hier op om hun lichamen, en dat omvat hun ogen, hun oren, hun verstand, hun hart en hun wandel, zó op te stellen, dat hun lichamen worden voor de Heere een heilig welgevallig offer. Dit betekent dat ze hun ogen moesten richten op de opgestane Christus, dat ze hun oren meosten richten op de hemelse zaken, dat ze hun hart moesten richten op Christus, die hen geopende ogen des harten wilde geven voor Zijn Woord, zodat ze hun roeping (in de Handelingen) waardig konden wandelen.

Wanneer zij zo op die manier hun lichamen stelden tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer, dan omderscheidden zij zich van de overigen, dan werden zij op die manier door God zelf apart geplaatst, dan waren zij in Gods ogen heilig, omdat hun wandel "heilig" was. En ook hier wil "heilig" dan ook zeggen, apart geplaatst van de wereld zodat de Heere door hen heen tot Zijn doel kon komen.

 

Paulus doet deze oproep aan de broeders in de Handelingen periode, maar deze oproep geldt ook de gelovigen van vandaag, zij het met een andere, hogere roeping. En wat Paulus die gelovigen, behorende tot het Lichaam van Christus te zeggen heeft over "heilig" en "heiligen", daar gaan we het de volgende keer over hebben.

 

Deel 31 volgt DV

Bert Boersma december 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 31)

De vorige keer hebben we gezien dat Paulus in de Handelingen periode de broeders en zusters opriep hun lichamen te stellen tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer. Zij onderscheidden zich dan van de overigen, en zij werden op die manier door God zelf apart geplaatst. Zij dan waren in Gods ogen heilig, omdat hun wandel "heilig" was. En ook hier (in de Handelingen) wil "heilig" dan ook zeggen, apart geplaatst van de wereld zodat de Heere door hen heen tot Zijn doel kon komen.

 

Heilig – Heiligen in Paulus late brieven

Paulus doet bovenstaande oproep aan de broeders in de Handelingen, maar deze oproep geldt ook de gelovigen van vandaag, zij het met een andere, hogere roeping. En wat Paulus die gelovigen, behorende tot het Lichaam van Christus te zeggen heeft over "heilig" (= hagios) en "heiligen" (= hagios), gaan we nu proberen te onderzoeken. (In het Grieks vinden we hetzelfde woord: "hagios") .

In Paulus laatste brieven komen we 4 keer het woord "heilig" tegen. En 20 keer het woord "heiligen".

Als eerste lezen we dat in Efeze 1:1, een hele bekende tekst, waar we al vaak iets over hebben gezegd. Maar omdat hierover toch vaak vragen zijn, wil ik dit graag nogmaals proberen uit te leggen. Maar heel weinig wordt erop gewezen, wat dit nou werkelijk betekent, en wordt het woord "heiligen" niet in de juiste context geplaatst, en wordt er vaak geen rekening gehouden met de geadresseerden van al Paulus' late brieven. Men leest deze brieven meestal alsof ze voor alle gelovigen gelden. Maar dat kan niet de bedoeling zijn als de Heere laat opschrijven: "Aan de heiligen (= hagios) en gelovigen in Christus Jezus." De Here wil daarmee duidelijk maken dat de inhoud van deze brieven is bestemd voor de voor Zijn doel apart geplaatste én getrouwe gelovigen. Dan moeten wij het niet beter willen weten, en zeggen: "Nee hoor, ze gelden voor alle gelovigen."

 

Ja, ik weet dat dit misschien wel wat ongenuanceerd overkomt. Mogen alle gelovigen het dan niet horen? Ja, alle gelovigen mogen het horen. Maar wie willen het horen? Wie wil horen dat Paulus in zijn late brieven een veel hogere weg met veel hogere zegeningen aanwijst die gelovigen mogen gaan? Het is maar een klein groepje die wil horen en ook gaat staan in die hoge roepeing. Niemand van ons bepaald wie tot het Lichaam van Christus, de heiligen in Christus Jezus, behoort. Het is God zelf die kiest. En de Heere ziet het hart van de mens aan. Hij weet wie hem ernstig zoeken. En Hij is een beloner voor wie Hem ernstig zoeken. (Hebr 11:6). Hij weet wie in de juiste gezindheid het Woord in alle geloof en vertrouwen tot zich willen nemen. Hij weet ook wie deze prachtige boodschap van Paulus bewust afwijzen. Gelukkig maar dat Hij kiest.

  • "Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld." (Ef 1:4).

 

En nu moeten we eens goed kijken wat er aan die uitverkiezing vast zit, want dat staat er achter:

Als eerste: (dit betreft de uitverkorenen):

  • "Opdat wijheilig (= hagios) en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht." (Ef 1:4)

 

Als tweede: (dit betreft de uitverkorenen):

  • "In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil." (Ef 1:5).

 

Hij wil die "heiligen" plaatsen in het zoonschap, dat betekent dat zij deel krijgen aan de erfenis, dat betekent dat zij tot volwassenen in het geloof zijn gegroeid. (nergens in de Bijbel erven kinderen of baby's in het geloof).

 

Als derde: (dit betreft alle gelovigen):

  • "En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen." (Ef 1:7-8a).

 

Als vierde: (dit betreft de uitverkorenen):

Dit vierde daarop volgende geldt weer voor de "heilige en getrouwen", omdat dat wijst op de erfenis in Christus, die voor de volwassen geldt:

  • "En in alle wijsheid en voorzichtigheid (St. Vert.) heeft Hij ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om in de bedeling (St. Vert.) van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd." (Ef 1:8b-12).

 

Als vijfde: (dit geldt voor alle gelovigen):

  • "In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte." (Ef 1:13).

 

En als zesde: (dit geldt voor de uitverkorenen):

lezen we wat er speciaal aan de "heiligen en getrouwen is gegeven:

  • "De heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid." (Ef 1:14).

 

U bemerkt dus dat we goed moeten opletten wat er staat geschreven. Er zijn zegeningen, die voor alle gelovigen gelden. Dat heeft met het behoud te maken. Alle gelovigen hebben de verlossing door Zijn bloed, en alle gelovigen zijn verzegeld met de heilige Geest der belofte, zodat zij de hoge boodschap van Paulus zouden kunnen begrijpen en aanvaarden als zij willen, en als zij in die gezindheid staan. God geeft hen de mogelijkheid. Daarvoor heeft hij hun Zijn Geest gegeven. Dát is de basis om te onderscheiden. Want alleen geestelijk zijn Gods waarheden en verborgenheden te verstaan.

Maar, zoals we hebben gezien, worden in hetzelfde hoofdstuk ook zegeningen voor de "heiligen" genoemd, en ze staan doorelkaar heen. Bovenop die "basis-zegeningen" plaatst God voor de heiligen en getrouwen nog hogere zegeningen. Hij wil genade geven op genade, dat betekent dat er een nog hogere genade in plaats van de gegeven genade komt.

 

We hebben nu in Efeze 1 één tekst gehad waarin we “heilig” tegen kwamen, namelijk Ef 1:4, en één keer “heiligen” in Efeze 1:1.

 

Vervolgens komen we het woord “heiligen” weer tegen in Ef 1:15:

  • "Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, (= hagios) niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden"

 

Paulus is dankbaar dat de de "heiligen" onderling in zo'n relatie staan, en hij dankt de Heere ervoor dat er liefde voor elkaar is. Dit is heel belangrijk, broeders en zusters, want Paulus weet drommels goed, als die liefde er is, dan worden de heiligen:

  • "geworteld en gegrond in de liefde, en dan zullen zij samen met alle heiligen (= hagios), in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods." (Ef 3:18:19).

 

Waar gaat dit over? Het samen in staat zijn te vatten? Ik zal een voorbeeld noemen. Stel u hebt het op uw hart om een bepaald onderwerp uit de Bijbel te bestuderen, u werkt dat voor uzelf uit, en u ontdekt prachtige dingen, want u mag ervan verzekerd zijn, dat de Heere de oprechte zoeker niet met lege handen laat staan. Tegelijk is een andere broeder bezig met een ander onderwerp, en ook hij ontdekt prachtige dingen. Beide broeders zijn verheugd over de schattten die ze in het Woord hebben ontdekt, en geven dat aan elkaar door. En vaak is het dan ook nog zo, dat beide elkaar aanvullen, en van elkaar kunnen leren. En zo ontstaat er door samen bezig te zijn een diepgang in het verstaan en begrijpen van Gods Woord.

 

En alzo in de liefde bezig zijnde, ontstaan de zaken die we in de volgende tekst lezen, waar we "heiligen" in tegenkomen:

  • "Opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: 18 verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij (= in) de heiligen (= hagios), 19 en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht." (Ef 1:17-19).

 

Ontzettend veel en ontzettend rijk zijn de zaken, die hier in deze tekst genoemd worden. Maar we moeten ons in alle ernst afvragen:

  • Geeft de Vader der heerlijkheid aan alle gelovigen de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen?
  • Geeft de Heere aan alle gelovigen verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt?
  • Geeft de Heere aan alle gelovigen het inzicht hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen?
  • Geeft de Heere aan alle gelovigen geopende ogen om te zien hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht?

 

Ja, Hij geeft dat aan Zijn uitverkorenen, aan Zijn apart geplaatsten. Aan hen die getrouw ingaan op de boodschap van Paulus, die bereid zijn het "oude" achter zich te laten, en voort te gaan in de nieuwe onnaspeurlijke dingen die Paulus verkondigd in zijn late brieven. Maar Hij geeft dat niet aan die gelovigen, die na het gehoord te hebben, er niet van willen weten, en vast willen houden aan het "oude, of vast willen houden aan het z.g. "eenvoudig evangelie". Maar bedenk altijd, het oordeel hierover is aan de Heere. Wij mogen indien de gelegenheid zich voordoet, vrijmoedig onze mond openen, en over deze geweldige dingen spreken, maar de Heere ziet het hart aan van de toehoorders.

 

En dan zijn we aangekomen in Efeze 2, waar we in vers 19 weer het woord "heiligen" tegenkomen:

  • "Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen (= hagios) en huisgenoten Gods." (Ef 2:19).

 

In het gedeelte daarvoor (Ef 2:11-18) spreekt Paulus tot de “heiligen” uit de heidenen. Hij zegt:

  • Jullie waren vroeger onbesneden heidenen, en jullie waren toen zonder Christus, en uitgesloten van het burgerrecht Israëls, en jullie waren zonder hoop en zonder God in de wereld. Maar nu zijn jullie in Christus Jezus door het bloed van Christus.”

 

En dan spreekt Paulus verder erover dat de tussenmuur, die scheiding maakte tussen Joden en heidenen, weggebroken is. Die tussenmuur, die letterlijk in de synagogen aanwezig was tussen Joden van geboorte en de z.g. proselieten. Paulus verkondigd dat er van dat ogenblik af eigenlijk één Lichaam wordt gevormd, één nieuwe mens wordt gevormd, en door één Geest heeft dat nieuwe Lichaam van Christus de toegang tot de Vader. Er is geen onderscheid meer tussen Jood en heiden.

En om die reden zegt Paulus:

  • "Zo zijt gij (dat éne Lichaam) dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen (= hagios) en huisgenoten Gods." (Ef 2:19).

 

Wanneer we deze tekst goed lezen, dan staat er dat de "heiligen" tezamen huisgenoten Gods zijn. Dat betekent, dat zij daar mogen wonen waar God woont. Nu is dat een geestelijke waarheid, maar bij het heengaan van die gelovigen zal dat realiteit worden. Zij zullen als erfgenamen die positie in Christus mogen innemen, welke ook Christus nu reeds heeft.

 

En vervolgens komen we terecht in Ef 2:21:

  • "In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here."

 

Dat nieuw gevormde lichaam wast op. Dat betekent dat er groei in zit, niet alleen in kwantiteit, maar ook in kwaliteit. En dan bedoel in dit. Er staat "goed ineensluitend", en wanneer we weten hoe een bouwerk in de oudheid werd gebouwd, dan werden er stenen bijeengezocht uit de rotsen uitgehouwen, en vervolgens bijgekapt, zodat die stenen goed aan elkaar en in elkaar pasten, anders werd het nooit één stabiel geheel. Om goed te passen werden die stenen bekapt, en behouwen om te voldoen aan hun vorm om er een goed ineensluitend geheel van te maken. En precies zo worden de leden van het Lichaam van Christus gekneed en bekapt om hen passend te maken in dat bouwwerk, een tempel, heilig in de Heere.

En dat gaat vaak niet zonder slag of stoot, dat ging ook niet zonder slag of stoot toen Salomo het huis Gods mocht bouwen:

  • "En de koning gebood, dat men grote, kostbare stenen zou uitbreken om het huis op gehouwen stenen te grondvesten. De bouwlieden van Salomo en van Chiram en de Giblieten behieuwen de boomstammen en de stenen, en maakten ze pasklaar voor de bouw van het huis." (1 Kon 5:17-18).

 

Net zo als de stenen voor Gods huis werden uitgebroken, behouwen en pasklaar gemaakt werden, zo worden de apart geplaatste gelovigen pasklaar gemaakt voor een bouwwerk, een tempel, heilig in de Heere. En dan komt het erop aan, dat wij ons laten vormen, zodanig dat wij pasklaar zijn, goed ineensluitend tot één geheel. En dan kunnen wij "goed ineensluitend" onze roeping waardig wandelen.

Deel 32 volgt DV.

Bert Boersma december 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 32)

 

Naar aanleiding van vragen, die ik de afgelopen week kreeg wil ik graag nogmaals ingaan op de vorige bijbelstudie. Ik heb toen gezegd dat er bijvoorbeeld in Efeze 1 zegeningen voorkomen die voor alle gelovigen gelden, en dat soms in dezelfde tekst ook zegeningen voorkomen die uitsluitend voor de apart-geplaatste (heiligen) gelovigen gelden.

 

Dit is misschien moeilijk in één keer te vatten, en daarom wil ik dit proberen te verduidelijken, want het is belangrijk deze dingen te onderscheiden.

Wanneer een mens tot geloof komt, dan wordt hij op dat moment wedergeboren, dan is die mens het eigendom van Christus geworden, en dan wordt die mens ook verzegeld met Gods heilige Geest. Vanaf dat moment kan die pas-gelovige ook met andere ogen (een geestelijke bril) de “melk” in het Woord ontdekken. Want een baby in het geloof moet van melk groot worden. Zo begint het. Deze fase hebben alle gelovigen meegemaakt en doorleeft. De volgende fases zijn groeifases, die beleeft een gelovige wanneer er vervolgstappen in het geloof worden gedaan. En wanneer je je steeds verder laat leiden door de Heere aan Zijn hand in geloof en afhankelijkheid. Dan ontstaat er een levende relatie in Christus, en Hij laat je stapje voor stapje steeds meer zien, je mag steeds meer ontdekken, en er wordt je steeds meer geopenbaard, en daardoor ontvang je steeds meer zegeningen. Maar bedenk wel, alle zegeningen vanaf het eerste begin blijven ook je deel. Het stapelt zich als het ware op, genade op genade!

 

En wanneer Paulus dan in Efeze 1 deze dingen op een rijtje zet, dan gaat dat over de apart geplaatste en getrouwe gelovigen, die bezig zijn al die fases in hun leven te doorlopen. Dus zij krijgen deel aan de erfenis, en wanneer het over een erfenis gaat, dan gaat het over die getrouwen; die erfenis betreft niet alle gelovigen, die erfenis betreft geen baby's. Nogmaals: Wanneer er staat in Ef 1:7: “de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen”, dan betreft dat alle gelovigen.

Maar juist doordat er staat “de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade”, (wat voor alle gelovigen geldt), leest men in één adem door en plaatst men alles wat er staat, alsof het geldt voor alle gelovigen. En wanneer men dan bij vers 11 aankomt waar staat de gelovigen in Christus het erfdeel ontvangen hebben, zegt men meestal: “Zie je wel, dat geldt voor alle gelovigen". We moeten onderscheid maken in de zegeningen waar over gespro-ken wordt, en we weten dat baby's in het geloof niet erven, en dan moeten we consequent zijn, dan is de erfenis voor de apart geplaatsten, voor de volwassenen in het geloof. Men leest vaak in één keer door, zonder onderscheid te maken, het hele hoofdstuk en alle late brieven van Paulus als zijnde voor alle gelovigen, en dat is niet juist.

 

Natuurlijk horen bij alles wat Paulus voor de apart geplaatsten noemt, ook de allereerste zegeningen van verlossing, die voor alle gelovigen gelden, maar men maakt geen onderscheid in de verschillende fases van geloof waaraan steeds hogere zegeningen vastzitten, en die door Paulus in één adem worden genoemd in Efeze 1.

Daarom heb ik getracht duidelijk te maken, dat Paulus in Efeze 1 over verschillende dingen spreekt op grond van heel de Schrift. Dus nogmaals: Wanneer Paulus spreekt in Efeze 1 (en ook later wel in Paulus’ late brieven) tegen de apart geplaatsten, dan zitten daar tussen al die hoge zegeningen ook de eerste zegeningen van verlossing, die voor alle gelovigen gelden. Daar is het mee begonnen.

 

Ik zal nog een voorbeeld noemen. In Efeze 2:5b staat: “Door genade zijt gij behouden.” Dit wordt hier gesproken tot de apart geplaatsten, maar we weten dat dit voor alle gelovigen ook geldt. Dan gaat het verder in Ef 2:6, en daar lezen we over een hemelse plaatsing van de getrouwen, dát geldt niet voor alle gelovigen, maar door bijna iedereen worden vers 5 en 6 in één adem gelezen alsof het wel voor alle gelovigen geldt. Zo worden dingen soms in één tekst genoemd, terwijl het verschillende groepen gelovigen betreft. Het heeft te maken met de voortgaande geloofsgroei in Christus. Dat lezen met onderscheid moeten we leren. We moeten nieuw leren denken. Tegelijkertijd moeten we met alle voorzichtigheid met deze dingen omgaan. We hebben zo gauw een oordeel, maar dit oordeel berust bij de Heere.

 

We waren bezig met het onderzoeken van het woord "heilig" in de Schrift, en de laatste tekst die we de vorige keer behandeld hebben was Ef 2:21:

  • "In Hem wast elk bouwwerk, goed ineensluitend, op tot een tempel, heilig in de Here."

 

We hebben toen gezien dat de apart geplaatste gelovigen pasklaar gemaakt worden voor een bouwwerk, een tempel, heilig in de Heere. En dan komt het erop aan, dat wij ons laten vormen, zodanig dat wij pasklaar zijn, goed ineensluitend tot één geheel. En dan kunnen wij "goed ineensluitend" onze roeping waardig wandelen.

 

Thamim - Onberispelijk

En de laatste twee teksten waar we “heilig” tegenkomen in de late brieven van Paulus zijn:

  • Ef 5:27 "En zo zelf de gemeente voor Zich te plaatsen, stralend, zonder vlek of rimpel of iets dergelijks, zó dat zij heilig is en onbesmet."
  • Kol 1:22 "In het lichaam zijns vlezes, door de dood, om u heilig en onbesmet en onberispelijk (amomos) vóór Zich te stellen."

 

Om deze teksten goed te begrijpen, moeten we eigenlijk terug naar de eerste keer, dat we het woord "onberispelijk" in de Bijbel tegenkomen. En dan komen we terecht in Genesis 6, waarbij eigenlijk de NBG het beste is vertaald. We lezen daar:

  • "Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God."

 

We bepalen ons in dezen tot het woord "onberispelijk". In de grondtekst vinden we in het O.T. het Hebreeuwse woord "thmim", uitgesproken "thamim". Om te begrijpen wat dit woord betekent, moeten we verder onderzoeken, waar we dit tegenkomen, en dan ontdekken we dat het voordurend in Leviticus wordt gebruikt voor de offerdieren, die voor de Heere werden geofferd, zij moesten zijn "gaaf, zonder vlek of rimpel", en daartoe voor de Heere afgezonderd. Wat betekent het dat Noach ook "onberispelijk" wordt genoemd? Daartoe moeten we de tekst in de gehele context van Gen 6 lezen, en dan zien we dat het satan in die voortijd aardig gelukt was om het menselijk geslacht dusdanig te vervuilen door de gemeenschap die de "zonen Gods", dat zijn de gevallen engelen, met de dochters der mensen hadden.

 

Wat was er ook al weer gebeurd? De Heere had gezegd in Gen 3:15, dat het zaad der vrouw de kop van satan zou vermorzelen, en sinds die tijd had satan maar één doel: Dat zaad der vrouw in de gaten houden, en proberen dat zaad der vrouw te vernielen, te bevuilen, of te vernietigen, dan zou satan er geen last van hebben. En dat lukte ogenschijnlijk heel aardig. We zien dat meteen in de eerste kinderen van Adam en Eva. Waarom werd Abel door zijn broer vermoord? Omdat Abel het zaad van de vrouw was, en dat werd door het zaad van de slang (Kaïn) vermoord. Door heel de Bijbel heen zien we steeds in de nabijheid van het zaad der vrouw ook het zaad van de slang, steeds trachtende het zaad van de vrouw teniet te doen, of onvruchtbaar te maken.

 

En dat was ook de situatie in de dagen van Noach. En daarom staat er dat Noach "onberispelijk" was. Was Noach zonder zonde? Nee, Noach was net als alle mensen na Adam een zondig mens, maar Noach was in Gods ogen "onberispelijk", dat betenkende dat Noach zich niet verontreinigd had met een satanische gemeenschap, hij was als mens nog van een zuiver geslacht. Noach en de zijnen waren door God apart geplaatst voor het doel wat God met hen had. Noach, zijn vrouw en drie zonen en hun vrouwen waren de enigen van die tijd, die zich niet hadden verontreinigd met de valse gemeenschap der gevallen engelen. En daarom kon God verder met het geslacht van Noach, om tot Gods gesteld doel te komen. Want God had immers aan Adam en Eva beloofd dat er een Overwinnaar zou komen, en daartoe hield de Heere doorlopend een geslachtlijn zuiver voor Hemzelf.

 

Uit de zonen van Noach koos God Sem, om in het geslacht van Sem de geslachtslijn, het zaad der vrouw zuiver (thamim) te houden. En in Gen 11:10-26 lezen we hoe uiteindelijk Abraham geboren werd uit het geslacht van Sem. En dan lezen we vervolgens over Abraham dat hij "thamin", onberispelijk was, en dat in opdracht van de Heere ook moest blijven:

  • "Toen Abram negenennegentig jaar oud was, verscheen de HERE aan Abram en zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wandel voor mijn aangezicht, en wees onberispelijk." (Gen 17:1).

 

Ook weten we dat uit Jacob, de kleinzoon van Abraham, Juda geboren werd, en dat uit Juda voortgekomen is "de Leeuw" uit de stam van Juda. En wanneer we de geslachtslijn van Christus ( de bloedlijn van het zaad der vrouw) door de Bijbel heen volgen, dan zullen we steeds ontdekken, dat de Heere zelf die geslachtslijn "thamin", onberispelijk hield. Ondanks dat we weten dat de betreffende personen niet zonder zonde waren, maar gerechtvaardigd werden door hun geloof.

Wanneer we deze dingen onderzoeken, dan vinden we geweldige dingen in Gods woord, dan ontdekken we bijvoorbeeld waarom Tamar, de schoondochter van Juda in het geslachtregister van Mattheüs 1 voorkomt. Tamar moest de hoer spelen om het haar wettig toekomende te verkrijgen, namelijk nakomelingschap, iets wat Juda door zijn nalatigheid haar had onthouden. Wanneer we de naam Tamar in het Hebreeuws opzoeken, dan blijkt haar naam "thmr" te zijn, en dat is zeer nauw verwant aan "thmim", wat onberispelijk betekent. Hieruit leren we dat Tamar een gelovige vrouw was, ja zelfs onberispelijk, zij had zich niet ingelaten met de afgoden uit het land, zij was rein in haar geslacht. Heel bijzonder, en daarom had God haar uitgekozen om een schakel te zijn in het voortbrengen van de Messias.

 

Ditzelfde "thm" komen we ook tegen bij Job. Van Job lezen we:

  • "Er was in het land Us een man, wiens naam was Job, en die man was vroom en oprecht, godvrezend en wijkende van het kwaad." (Job 1:1).

 

Voor "vroom" vinden we in de grondtekst het Hebreeuwse woord "thm", uitgesproken "tham". Dit is ook zeer verbonden met bovenstaande "thamin". Hierdoor weten we dat ook Job voor God een "onberispelijk" mens is geweest, voor God apart geplaatst voor Zijn doel. (zie ook Job 1:8 en Job 2:3).

 

In het N.T. vinden we dezelfde dingen ook terug. De Griekse tegenhanger van het Hebreeuwse "thamin" is het Griekse woord "amomos", wat we terug vinden in o.a. Efeze 1:4:

  • "Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk (= amomos) zouden zijn voor zijn aangezicht. 5 In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil."

 

Het is eigenlijk heel mooi dat we dit ontdekken mogen in deze tekst, die we al zo vaak behandeld hebben, maar die hierdoor nog een diepere betekenis krijgt. Want net zoals God Noach onberispelijk voor Zich apart geplaatst had, om uit Noach het zaad der vrouw voortgang te doen vinden, zo heeft God de apart geplaatsten onberispelijk voor Zichzelf apart geplaatst om tot Zijn doel te komen. Dit betekent dat zoals God Noach en zijn gezin rein had gehouden, afgezonderd had van de valse vermenging van satan's zaad, ook Christus Zijn Lichaam rein wilde houden, afgezonderd van de wereld en van de wereldse invloeden. Dat zit allemaal opgesloten in het woord "onberispelijk".

 

Ook in Kolossenzen komen we dit tegen. Eigenlijk zegt de Heere daar door de mond van Paulus in Kol 1:21-22a tegen de apart geplaatsten:

  • "Ook u, die eertijds vervreemd en vijandig gezind waart blijkens uw boze werken, heeft Hij thans weder verzoend (apokatallasso), in het lichaam zijns vlezes, door de dood."

 

Eigenlijk zegt De Heere: "Jullie hadden vroeger geen deel aan het heil, en toen waren jullie vijandig gezind, maar Ik heb voor jullie aan het kruis gehangen om de verzoening teweeg te brengen." Dit had tot doel om de zonde der gehele wereld te verzoenen, maar dit had ook ten doel om een verkozen groep gelovigen "heilig en onbesmet en onberispelijk (= amomos) vóór Zich te stellen." (Kol 1:22b).

Broeders en zusters, dit is een zeer dringende oproep van de apstel Paulus aan de gelovigen, die tot het Lichaam van Christus behoren, om de roeping waarmee wij geroepen zijn waardig te wandelen. Heilig en onbesmet en onberispelijk! Als apart geplaatsten, zonder vlek of rimpel, amomos!

 

En Paulus zegt eigenlijk dat die gelovigen dit zullen bereiken, maar hij laat dat wel afhangen van de wandel van de gelovigen, want hij zegt er meteen achter:

  • "Indien gij slechts wel gegrond en standvastig blijft in het geloof en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie, dat gij gehoord hebt en dat verkondigd is in de ganse schepping onder de hemel, en waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben." (Kol 1:23).

 

Dus eigenlijk zegt Paulus: Je moet wel je loopbaan in Christus blijven lopen, je moet wel standvastig blijven staan in de hoop en gegrond blijven in het geloof dat ik jullie heb verkondigd, en dan worden jullie "heilig en onbesmet en onberispelijk" voor de Heiland geplaatst. Kunnen wij dat? Nee, dat kunnen wij van ons zelf niet.

Dat kunnen wij uitsluitend door in die gezindheid te gaan staan welke ook in Christus Jezus was ( Fil 2:5), in de bereidheid om het roer uit handen te geven. Willen we dat?

Want broeders en zusters, de Heere wil ons leiden. Net zoals Hij Israël door de woestijn leidde, zo wil hij ons door de woestijn van het leven leiden

Jes 40:11 zegt het prachtig:

  • Hij zal als een herder zijn kudde weiden, in zijn arm de lammeren vergaderen en ze in zijn schoot dragen; de zogenden zal Hij zachtkens leiden.”

 

Zijn wij zulke “zogenden”? Want dan ontvangen wij het zuivere Woord van God, dan laten wij ons voeden door de bron die ons Leven is. Dan blijven we “thamim” door Zijn volbrachte werk in ons, en door de wandel, die Hij in ons wil bewerken.

 

Deel 33 volgt

Bert Boersma Januari 2014 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Waardig Wandelen (deel 33)

 

Onberispelijk

Graag wil ik verder gaan met het onderzoeken in het Woord waar we “onberispelijk” (“tham” of “thamin”) tegenkomen. We hebben in het voorgaande al gezien dat Abraham van de Heere opdracht had gekregen om onberispelijk (thamin) te wandelen. Vervolgens lezen we in Deuteronomium:

  • Wanneer gij gekomen zijt in het land dat de HERE, uw God, u geven zal, dan zult gij niet leren doen naar de gruwelen van die volken. Onder u zal er niemand worden aangetroffen, die zijn zoon of zijn dochter door het vuur doet gaan, die waarzeggerij pleegt, geen wichelaar, uitlegger van voortekenen, of tovenaar, geen bezweerder, niemand, die de geest van een dode of een waarzeggende geest ondervraagt of die de doden raadpleegt. Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg. Gij zult onberispelijk (“thamin”)staan tegenover de HERE, uw God; want deze volken, die gij verdrijven zult, luisteren naar wichelaars en waarzeggers, maar u heeft de HERE, uw God, dit niet toegelaten.” (Deut 18:9-14).

 

Wat moest Israël doen? Zij moesten niet doen de gruwelen van de volkeren die in het land Kanaän woonden, dat wil zeggen, dat zij niet de afgoden moesten dienen, en zich niet bezig moesten houden met alles wat met die afgoderij te maken had. En wat dat zoal is, dat lezen we in bovenstaande tekst.

En dan staat er:

  • "Want ieder die deze dingen doet, is de HERE een gruwel, en ter wille van deze gruwelen drijft de HERE, uw God, hen voor u weg."

 

God is licht, en in Hem is totaal geen duisternis, en God kan geen afgoderij, en die gruwelen niet verdragen. Dat is verre van Hem. De Heere heeft dát volk uitgekozen om Zijn volk te zijn, en Hij wil de Zijnen onberispelijk voor Zich plaatsen. God weet wel dat er geen enkel mens uit Zijn volk zonder zonde is, in die zin moeten we dat "onberispelijk" ook niet lezen. Uit de gehele context van de tekst blijkt duidelijk, dat Hij niet wil dat zijn volk zich bezig houdt met de gruwelen van de volken in het land Kanaän, dáár moeten zij zich verre van houden. Hij wil dat zij Hem dienen. En wanneer ze dát doen, en hun oog gericht houden op de God des hemels, die hen zovele beloften heeft gegeven, dán wandelen ze in Zijn ogen als onberispelijk! Dan zijn zij een rein geslacht.

 

Precies hetzelfde geldt ook voor de gelovigen, die tot het Lichaam van Christus behoren. Ook hen heeft God uitverkoren om hen rein en onberispelijk voor Zich te plaatsen, ook voor hen geldt, dat zij zich niet bezig moeten houden met wat voor wereldse dingen ook, die zo'n binding kunnen geven, dat ze de gelovigen helemaal van God aftrekken. Zij moeten zich bezig houden met de dingen die boven zijn, en niet met die op de aarde zijn. En wanneer we dat doen in die gezindheid, die ons geleerd wordt in Paulus late brieven, dan mogen ook wij weten onberispelijk voor de Heere te wandelen, zoekende de dingen die boven zijn!

Broeders en zusters, precies zoals de Heere Israël had uitgekozen uit alle volken om hen onberispelijk voor zich te plaatsen, zo heeft Hij Zijn Lichaam (de apart geplaatsten) in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk voor zijn aangezicht zouden zijn (Ef 1:4).

 

En wanneer Israël dat niet deed, dan ondervonden zij schade, dan ondervonden zij door eigen toedoen vervolgingen, of honger in het land, en uiteindelijk werd het volk zelfs door hun ongehoorzaamheid in ballingschap in den vreemde gebracht. En wanneer de uitverkorenen van het Lichaam van Christus niet hun roeping waardig wandelen, dan lijden zij op een vergelijkbare manier schade, want ook zij worden verbannen (= uitgesloten) van de positie die zij hadden kunnen innemen. En dáár huilt Paulus om in Fil 3:18, omdat die gelovigen de wereld lief krijgen, en zij daardoor schade ondervinden in het mislopen van de erfenis (Fil 3:17-19 en Kol 2:18), waar Paulus de gelovigen ernstig voor waarschuwt.

 

In 2 Sam 22 lezen we dat David van zichzelf zegt:

  • "Want al zijn verordeningen stonden mij voor ogen, en van zijn inzettingen week ik niet af, maar ik was onberispelijk(“thamin”) voor Hem. (2 Sam 22:23-24).

 

En even verder in de tekst:

  • "Jegens de getrouwe toont Gij U getrouw, jegens de Onberispelijke (grondtekst = de Getrouwe) toont Gij U onberispelijk (“thamin”), jegens de Reine toont Gij U rein (2 Sam 22:26-27).

 

Ook hier heeft "onberispelijk" de betekenis van het doen wat de Heere heeft bevolen, en het leven dicht bij Hem, en zich afhouden van de invloeden van de boze. Want we weten ook dat David net als alle mensen, niet zonder zonde was, en David moest in zijn leven ook de gevolgen van zijn zonde ondergaan. Maar omdat hij toch steeds weer zijn heil bij God zocht, en vertrouwde op de liefde van God, en zich niet inliet met de afgoderij, wordt hij toch een man naar Gods hart genoemd (1 Sam 13:14), en werd David door God gebruikt, om uit zijn geslacht uiteindelijk de Messias geboren te laten worden.

 

Ook in de Psalmen komen we dit "onberispelijk" verschillende keren tegen:

  • "HERE, wie mag verkeren in uw tent? Wie mag wonen op uw heilige berg? Hij, die onberispelijk(“thamin”) wandelt en doet wat recht is, en waarheid spreekt in zijn hart." (Ps 15:1-2).

 

Een prachtige tekst, die eigenlijk een geweldige belofte inhoudt. Dus wie mag wonen bij de Heere? Ooit, in den beginne was satan als een beschuttende cherub op die heilige berg (Ez 28:14), waarvan hij door God verbannen is (Ez 28:14). <