Bijbelstudie "De onbegrepen Apostel I"

De onbegrepen Apostel

I N H O U D D E E L 1

 

Wie was Paulus?..................................................

Verschil in Boodschap = Verschil in Evangelie...............

Nóg een ander Evangelie.......................................

Het Evangelie van Koninkrijk..................................

De "muur" tussen de Joden en de Heidenen..................

De Verkondiging door Paulus (en Barnabas)..................

De Prediking uit Mozes en de Profeten.......................

Ontstaat Het Lichaam van Christus in Handelingen 2?......

Tegen Wie spreekt de Schrift?...................................

Paulus'Opdracht....................................................

Eerste Reis van Paulus (Hand 13:4 - 14:28)..................

In Antichië ( in Pisidië)...........................................

In Ikonium en in Lystra...........................................

In Derbe.............................................................

Tweede Reis van Paulus (Hand 15:36 - 18:22)...............

In Lystra............................................................

In Filippi............................................................

Dé Weg..............................................................

In Tessalonica en in Berea.......................................

In Athene............................................................

In Korinthe.........................................................

In Efeze............................................................

Derde Reis van Paulus (Hand 18:23 - 21:26).................

In Efeze.............................................................

Van Macedonië naar Troas.......................................

"epipiptO" = eenwording.........................................

In Milete............................................................

Slot van derde Reis........en......In Jeruzalem...............

Een Gelofte........................................................

Paulus in Jeruzalem gevangen genomen.......................

Paulus' eerste Toespraak (tot de Joden).....................

Paulus' tweede Toespraak (tot de Joden)....................

Een Samenzwering der Joden....................................

Paulus naar Caesarea.....en......Paulus voor Felix...........

Paulus' derde Toespraak (voor stadhouder Felix)...........

Paulus voor Festus................................................

Paulus' vierde Toespraak (voor stadhouder Festus).........

Paulus voor Agrippa...............................................

Paulus' vijfde Toesptraak (voor koning Agrippa).............

Vierde Reis van Paulus (naar Rome) (Hand 27:1 - 28:31)..

De Schipbreuk en de Zeeschepen...............................

Paulus op Malta...................................................

Paulus te Rome....................................................

Paulus voor de laatste keer naar de Joden....................

 

 

De onbegrepen Apostel

(deel 1)

 

Wie was Paulus?

Wanneer we eens kijken naar de apostelen, die in de Bijbel voorkomen, dan weten we dat er in de eerste plaats de twaalf apostelen zijn, die door de Heere zelf zijn uitgekozen, en daarnaast vinden we ook de apostel Paulus. De apostel Paulus behoorde niet tot de twaalven, maar was door de Heere zelf op een heel bijzondere manier uitgekozen, enige tijd nadat de Heere Jezus ten hemel was opgevaren. Paulus (toen nog Saulus) was een vervolger van de gelovigen, die in Christus geloofden. Maar de Heere had juist deze vervolger op het oog, om Hem te dienen:

  • "En terwijl hij daarheen op weg was, geschiedde het, toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Heere? En Hij zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad binnen en daar zal u gezegd worden, wat gij doen moet. En de mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen." (Hand 9:3-7)

 

Toen Paulus blind in Damascus aangekomen was, vertrouwden de broeders het niet allemaal, want de "mare" van Paulus' vervolgingen was reeds bekend geworden in Damascus. Logisch dat Ananias tegensputtert, als hij van de Heere de opdracht krijgt om naar Paulus toe te gaan.

  • "Ananias antwoordde: Here, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij uw heiligen te Jeruzalem aangedaan heeft; en hier heeft hij volmacht van de overpriesters om allen, die uw naam aanroepen, gevangen te nemen. Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls; want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam." (Hand 9:13-16)

 

Paulus heeft heel wat moeten lijden omwille van de Naam van Christus. Ook het feit dat hij niet tot de twaalven behoorde, en dus volgens sommigen geen echte apostel was, heeft hem achtervolgd. Hij voldeed immers helemaal niet aan de beschrijving waaraan een apostel moest voldoen. We lezen deze omschrijving van de voorwaarden waaraan een apostel moest voldoen in Hand 1:21-22. Daar moest een nieuwe apostel gekozen worden in de plaats van Judas:

  • "Er moet dan van de mannen, die zich bij ons hebben aangesloten in al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is, te beginnen met de doop van Johannes tot de dag, dat Hij van ons werd opgenomen, één van hen met ons getuige worden van zijn opstanding."

 

Van alle kanten ondervond Paulus tegenstand en zonder twijfel heeft men tegen hem aangevoerd dat hij de Heere niet vergezeld had van af de doop van Johannes tot op de dag dat Hij werd opgenomen. Paulus voldeed dus niet aan de vereisten die nodig waren om Apostel te zijn. Toch zegt hij: "Ben ik niet een Apostel?" (1 Kor. 9:1).

 

Paulus erkent zeker dat er een verschil bestaat tussen de twaalf en hemzelf. In 1 Kor 15:3-10 zegt Paulus hierover het volgende: "Christus is gestorven voor onze zonden, naar de Schriften, en Hij is begraven en ten derden dage opgewekt, naar de Schriften, en Hij is verschenen aan Kefas, daarna aan de twaalven. Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen. Vervolgens is Hij verschenen aan Jakobus, daarna aan al de apostelen; maar het allerlaatst is Hij ook aan mij verschenen, als aan een ontijdig geborene. Want ik ben de geringste der apostelen, niet waard een apostel te heten, omdat ik de gemeente Gods vervolgd heb. Maar door de genade Gods ben ik, wat ik ben".

 

Paulus houdt vol dat hij een apostel is, en beweert dat hij zijn apostelschap rechtstreeks van de Here Jezus Christus ontvangen heeft (Rom. 1:1 en 5) en werkelijk prediker en apostel is (1 Tim. 2:7). Het is vooral in de brief aan de Galaten, dat hij de nadruk legt op zijn titel:

  • "Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden....". (Gal 1:1)

 

Waarom moest Paulus zo nadrukkelijk de nadruk leggen op zijn apostelschap? Het apostelschap gaf hem recht van spreken, en men had natuurlijk onmiddellijk bemerkt dat zijn boodschap voor de volken niet dezelfde was als die der twaalf voor Israël, en dit was een reden te meer om zijn autoriteit in twijfel te trekken. Logisch dat Paulus verzet kreeg te verduren, en hij erkent ook een ander Evangelie te verkondigen, hij zegt:

  • "Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar door openbaring van Jezus Christus." (Gal 1:11-12)

 

Voor het woord "openbaring" wordt hier het Griekse woord "apokalupsis" gebruikt, en altijd wanneer het woord "apokalupsis" wordt gebruikt, betekent dit, dat het een mededeling betreft, die rechtstreeks van God komt. Dit was alleen het geval bij de profeten en apostelen.

 

Hij ging niet te rade "met vlees en bloed", en ging ook niet óp naar Jeruzalem tot hen, die vóór hem Apostelen waren. Pas na drie jaar maakte hij kennis met Petrus. Na verloop van veertien jaar stelde hij aan de Apostelen het evangelie voor dat hij onder de volken predikte, en Jakobus, Kefas en Johannes (Apostelen der besnijdenis) gaven hem en Barnabas de "rechterhand der gemeenschap", toen zij de genade zagen, die hem gegeven was. (Gal 2:9)

 

Hieruit leren we dat het belangrijk is om te onderscheiden dat er verschillende apostelen zijn met verschillende bedieningen. Tevens leren we hier ook uit dat er verschil is in de boodschap van de twaalven én de boodschap van Paulus.

 

Verschil in Boodschap = Verschil in Evangelie

 

Beide boodschappen, zowel die van de twaalven als die van Paulus, waren door God zelf gegeven. Maar er was een duidelijk verschil in beide bedieningen. De twaalf apostelen hadden de bijzondere boodschap die in verband stond met het verblijf van de Here op aarde en het aanstaande Koninkrijk op aarde voor Israël, en de bijzondere boodschap van Paulus gedurende de tijd der Handelingen handelt over hemelse dingen en over de nieuwe schepping, waar hij Christus niet meer naar het vlees kent. (2 Kor. 5:16). Waarbij Paulus zich specifiek richt tot allen buiten Israël, zowel Joden en heidenen. Hierbij moet worden opgemerkt dat ook Petrus zich wel bij gelegenheid tot iemand uit de volken richt (in verband met hun zegeningen in het Koninkrijk op aarde), en dat Paulus zich ook tot de Joden richt. We zullen verder zien dat het bijzonder Evangelie van Paulus verder reikt dan dat der twaalf apostelen. Hij kon dus wel over het Koninkrijk op aarde spreken, doch omgekeerd konden de twaalven niet spreken over wat hún sfeer van zegening, wat hun opdracht te boven ging. Zij moesten zich houden aan de hen gegeven opdracht.

 

Paulus zegt:

  • "Dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen, – immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen." (Gal 2:7-8)

 

De Schrift spreekt inderdaad over meerdere "Evangeliën", d.w.z. blijde boodschappen. Hoe komt het dan, zal men misschien zeggen, dat Paulus zelf uitdrukkelijk beweert dat er "geen ander" Evangelie is? (Gal. 1: 7). De Griekse tekst maakt onderscheid tussen "ander" en "andersoortig".

 

Voor ‘ander’ wordt in Gal 1:7 het Griekse woord ‘allos’ in de grondtekst gebruikt, wat duidt op ‘een ander van een dezelfde soort’. Had ‘ander evangelie’ betrekking gehad op een werkelijk andersoortig evangelie, dus met een ander fundament, dan was gebruik gemaakt van het Griekse woord ‘heteros’, wat duidt op ‘een ander van een ander soort’. Maar hier is het een gelijksoortig evangelie, gegrond op hetzelfde fundament, namelijk Christus Jezus, en dien gekruisigd.

(dus allos = een ander van hetzelfde soort, en heteros = een ander van een andere soort.)

 

Al de blijde boodschappen, door God ingegeven, zijn van dezelfde goddelijke soort, dus niet "andersoortig". Zodra het "evangelie" wat verkondigd wordt, niet zijn oorsprong in Gods Woord heeft, dan is dat een eigendunkelijke godsdienst, en is dat evangelie van menselijke of demonische oorsprong, dus "andersoortig".

 

Gods genade is zo veelomvattend, dat er plaats is voor vele blijde boodschappen, doch deze vormen een harmonisch geheel betreffende de (voortschrijdende) weg der behoudenis. Zo is er een bijzonder Evangelie voor de Joden (= de besnedenen), en een ander (doch van dezelfde soort) voor de heidenen (= onbesnedenen). Deze laatste boodschap noemt Paulus ook "mijn Evangelie" en hij verkondigt ze gedurende de tijd der Handelingen. Daarna volgt nóg een ander Evangelie dat Gods genade meer overvloedig, volledig bekend maakt.

 

Nóg een ander Evangelie

 

Allen, die de brieven van Paulus met aandacht, en nauwgezet onderzocht hebben, zullen tot de ontdekking moeten zijn gekomen, dat er opvallende, treffende verschillen in voorkomen. Zij die niet geloven in de eenheid en de inspiratie van de Schrift, menen in deze verschillen een duidelijk bewijs te vinden, dat de Bijbel niet geheel door God ingegeven kan zijn. Men spreekt dan van een "gedurige vooruitgang" van het denken van Paulus en men meent dat hij zich ten slotte heeft vrijgemaakt van de "banden der Joodse eschatologie".

 

Maar dan is het naar alle waarschijnlijkheid, dat het gebrek aan een diepgaand onderzoek van deze schijnbare tegenstellingen, er toe bijgedragen heeft, dat er meer en meer afbrekende kritiek is ontstaan, omdat men de indruk kreeg dat deze "veranderingen" van Paulus niet goed uitgelegd konden worden. Ook zijn door een gebrek aan onderzoek, menselijke leerstellingen ontstaan, die door de tijd heen een eigen leven zijn gaan leiden, waardoor foute, onbijbelse leringen vaste grond hebben gevonden in het denken van velen.

 

De lezer, die het Woord der Waarheid liefheeft, en de zeggenschap van Gods Woord boven alles stelt, zal evenwel bemerken dat de oplossing van dit vraagstuk heel eenvoudig is. Dergelijke schijnbare moeilijkheden komen voort uit een verkeerde opvatting van Gods plan der eeuwen, wat De Heere ons in Zijn Woord wil duidelijk maken. Want om dat te leren begrijpen, heeft Hij Zijn Woord ook aan ons gegeven. In plaats van zich steeds bezig te houden met ogenschijnlijke, onoplosbare problemen, zou men moeten nagaan, waar men in zijn algemene, vastgelegde opvattingen van de waarheid is afgeweken, waardoor een "schijn"probleem is ontstaan.

 

Naar aanleiding van bovenstaande moet men, vóór alles, leren inzien dat Israël een zeer bepaalde opdracht had, als Gods bijzonder uitverkoren volk, en men moet vooral niet menen dat "Jezus" een nieuwe godsdienst heeft gesticht, die de "Joodse godsdienst" moest vervangen, en dat er met Pinksteren, in Handelingen 2, een "nieuwe kerk" gevormd werd die de plaats van Israël innam.

 

Door dit feit van Handelingen 2 als een vaststaand feit te aanvaarden, is het fundament gelegd, waardoor vele misvattingen in de loop der tijd zijn ontstaan, en het zou wel eens zo kunnen zijn, dat men door die aanname (het ontstaan van de kerk in Hand 2) een bedekking krijgt voor het voortschrijdend inzicht en het verdere juiste verstaan van de Schrift. Men moet leren inzien dat er een weg der behoudenis is, die meerdere, voortschrijdende stappen van zegening omvat. Paulus doorliep die weg, en hij verkondigde de daarmee overeenstemmende blijde boodschappen. Niet zijn religieuze opvattingen veranderden, hij bleef volkomen staan op hetzelfde fundament wat er lag, daarom zegt hij ook in 1 Cor 3:11, geschreven tijdens de Handelingen periode: "Want een ander fundament, dan dat er ligt, namelijk Jezus Christus, kan niemand leggen." En ook in Paulus' voortschrijdende verkondiging blijkt duidelijk dat hij op hetzelfde fundament blijft bouwen. Want in Efeze 2:19-20, geschreven na de Handelingen periode, schrijft hij:

  • "Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods, gebouwd op het fundament van de apostelen en profeten, terwijl Christus Jezus zelf de hoeksteen is."

 

Wat Paulus zegt is steeds absoluut juist en blijft geldig voor de tijd waarvoor en waarin hij schrijft, en blijft geldig voor de "sfeer" van zegening waarover hij handelt. Wanneer er dan een verschil bestaat tussen zijn evangeliën, betekent dit alleen dat er verschil is tussen "de trappen" van de weg der waarheid. Er is een voortgang in hetgeen door God geopenbaard wordt, en wat Paulus mag doorgeven.

 

Wat zei de Heere Jezus?

  • "Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen." (Joh 16:12-14)

 

En wat zei Paulus op een later tijdstip?

  • "Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; – gij hebt immers gehoord van de bediening door Gods genade mij met het oog op u gegeven: dat mij door openbaring het geheimenis bekendgemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef. Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking zijner kracht. Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem. Daarom verzoek ik u met aandrang, de moed niet op te geven bij mijn verdrukkingen om uwentwil, want die zijn een eer voor u." (Efeze 3:1-13)

 

Hebt u het verschil opgemerkt? In de Efeze brief, geschreven na de Handelingen periode, verkondigt Paulus een evangelie, wat niet na te speuren was in de Schrift. En dat was heel bijzonder, want we lezen dat hij tot Handelingen 28 niets anders had gedaan dan verkondigen uit Mozes en de profeten. Tot Handelingen 28 was alles wat Paulus verkondigde wel na te speuren in de Schrift. (o.a. Hand 28:23)

 

En wat de "Joodse eschatologie" (= volgens van Dale: leer van het einde van de wereld en het laatste oordeel) betreft, indien er verandering is in de verkondiging van Paulus, spruit dit niet voort uit het feit dat Paulus zich vroeger heeft vergist (noch uit het feit dat de Profeten en de Heere zelf zich zouden vergist hebben!). De Here zal werkelijk wederkomen om zijn Koninkrijk op aarde op te richten voor Zijn volk Israël. De verandering die er plaats heeft na de tijd der Handelingen periode, werd veroorzaakt door de tijdelijke verwerping van Israël en bestond in het feit dat het Koninkrijk toen niet meer "nabij" was. Er begon toen een onderbreking in de normale verwezenlijking van Gods voornemen, door middel van Israël. In de Brieven van Paulus, die op die verwerping volgen, verwacht hij dus niet meer dat Koninkrijk en spreekt niet meer over de bijzondere kenmerken die met dat Koninkrijk in verband staan.

 

Het Evangelie van het Koninkrijk

 

Het evangelie wat door de Heere Jezus en door de discipelen verkondigd werd aan Israël, is ook het evangelie van het toekomstig Koninkrijk op aarde. Het wordt drie maal vermeld:

  • Mat 4:23: "En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun (Israël) synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk."
  • Mat 9:35: "En Jezus ging alle steden en dorpen langs (in Israël) en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal."
  • Mat 24:13-14: "Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn."

 

Uit bovenstaande mogen we conclusies trekken. Dit evangelie werd door de Heere Jezus verkondigd aan het volk Israël. Bij dat evangelie hoorden de zichtbare tekenen en wonderen. Dat evangelie was een kwestie van volharden in het geloof tot het einde. En dan wordt het einde van die periode (= eeuw = ajoon) bedoeld. En wie zal volharden tot dat einde, mocht behouden het koninkrijk binnengaan.

 

We weten uit het Woord dat vele profeten reeds hadden gesproken over het Koninkrijk dat voor Israël opgericht zou worden, en dat dit evangelie aan Israël aankondigde dat het Koninkrijk op aarde, waarvan de Profeten steeds gesproken hadden, nu nabij was. Alleen de bekering van het wederspannige volk was nodig. Na Johannes de Doper was de Koning zelf die blijde boodschap, "het aangename jaar des Heeren", komen aankondigen:

  • "En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren." (Luk. 4:17-20).

 

Nadat Hij deze woorden uit het boek Jesaja gelezen had, deed Hij het boek dicht en zei: "Heden is deze Schrift in uw oren vervuld". En moet u eens opletten hoe het volk reageert op de woorden van de Heere: "En allen betuigden hun instemming met Hem en verwonderden zich over de woorden van genade, die van zijn lippen kwamen. (Lukas 4:22)

 

Maar toen de Heere hen op het ongeloof van het volk Israël wees, veranderde de situatie helemaal: Want de Heere vervolgde: "Doch Hij zeide: Voorwaar, Ik zeg u, geen profeet is aangenaam in zijn vaderstad. Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta, bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was." (Lukas 4:24-26) Dit is een beeld van het ongeloof is Israël. De Heere bracht wél overvloed naar een gelovige weduwe BUITEN Israël.

 

En de Heere gaat verder: "En er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, doch wel Naäman de Syriër." (Lukas 4:27) Ook hier het beeld van ongeloof in Israël. Geen van de Joodse zieken werd toen genezen, maar wel Naäman, die van BUITEN Israël kwam. Dit pikte de schare toehoorders niet, en nadat ze eerst hun instemming en verwondering met de woorden van de Heere hadden betuigd, draaide de stemming nu totaal om, en poogden Hem te vermoorden: "En allen in de synagoge werden met toorn vervuld, toen zij dit hoorden. Zij stonden op en wierpen Hem de stad uit en voerden Hem tot aan de rand van de berg, waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok." (Lukas 4:28-30)

 

Bij het lezen van Jesaja is de Heere dus midden in een zin opgehouden, omdat de rest van de profetie nog vervuld moest worden. De gehele tekst luidt:

  • "De Geest des Heren HEREN is op mij, omdat de HERE mij gezalfd heeft; Hij heeft mij gezonden om een blijde boodschap te brengen aan ootmoedigen, om te verbinden gebrokenen van hart, om voor gevangenen vrijlating uit te roepen en voor gebondenen opening der gevangenis; om uit te roepen een jaar van het welbehagen des HEREN (tot zover las de Heere) en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting des HEREN, tot zijn verheerlijking. Zij zullen de overoude puinhopen herbouwen, het verwoeste uit vroeger tijd doen herrijzen en de steden vernieuwen, die in puin liggen, die verwoest hebben gelegen van geslacht op geslacht. Vreemden zullen gereed staan om voor u de kudden te weiden, vreemdelingen zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn; maar gij zult priesters des HEREN heten, dienaars van onze God genoemd worden." (Jesaja 61:1-6)

 

Het overige, wat de Heere in Lukas niet las, zal later pas verwezenlijkt worden, namelijk bij de daadwerkelijke oprichting van het Koninkrijk. Dit evangelie had Israël toen tot berouw, bekering en wedergeboorte moeten brengen. Maar de "vrucht" van dit Evangelie was, dat Israël, de misprezen "Jezus", welke de Christus was, de Gezalfde, de Messias, de Zoon van God, aan het kruis nagelde. Het mag duidelijk zijn, dat de Heere dit evangelie alleen uitsluitend tot Israël sprak. Het betrof uitsluitend een profetie over dát volk. De andere volken zullen pas ná Israëls bekering, door middel van Israël gezegend worden. Israël moet zich dus eerst bekeren en zal dan de positie innemen die God in Zijn grote liefde voor hen heeft bereid. Dit evangelie van het Koninkrijk, wat toen verkondigd werd, zegt niets over het kruis. Wanneer de Heere aan zijn discipelen over zijn dood spreekt (Mat 16:21), begrijpen ze hem niet en bestraffen ze Hem zelfs!

 

En zo lezen we ook, dat Paulus vanaf zijn bekering diezelfde boodschap bracht. Na enkele dagen predikte hij in de synagoge, dat Jezus de Zoon van God is: "En het geschiedde, toen Saulus enige dagen bij de discipelen te Damascus was, dat hij terstond in de synagogen (let op: hij gaat naar de Joden) verkondigde, dat Jezus de Zoon van God is. En allen, die het hoorden, stonden verbaasd en zeiden: Is dit niet de man, die te Jeruzalem uitroeide, wie deze naam aanriepen, en die hier gekomen is met het doel hen gevankelijk voor de overpriesters te brengen? Doch Saulus trad steeds krachtiger op en bracht de Joden, die te Damascus woonden, in verwarring door te bewijzen, dat deze de Christus is." (Hand 9:19-22)

 

Het is een diepgeworteld gegeven in de Schrift, dat het evangelie in eerste instantie alleen voor de joden was bestemd. Niet alleen hadden de discipelen de duidelijke opdracht van de Heere ontvangen, om niet naar de heidenen te gaan, maar ook na het sterven van de Heere, lezen we Handelingen 11 dat de gelovige Joden, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaatsvond, in de plaatsen waar ze terecht kwamen, het Woord alleen tot de Joden spraken. (Hand 11:19) Tot die tijd was het de enkeling uit de heidenen, die onder het gehoor van het Woord kwam. Toen er dan ook in Antiochië enigen tot de Grieken de Heere Jezus Christus verkondigden, en die Grieken ook tot geloof kwamen, was dat zo bijzonder, dat de gemeente van gelovigen in Jeruzalem het om die reden nodig vond, om maar eens polshoogte te nemen van dit "verschijnsel". (Hand 11:20-21)

 

Daartoe werd Barnabas als afgevaardigde naar Antiochië gestuurd om te kijken, wat daar aan de hand was. (Hand 11:22) Toen hij daar aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Here trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Here toegevoegd. (Hand 11:23-24) En Barnabas vond dit alles zo bijzonder, dat hij dit meteen aan Paulus wilde vertellen, die in Tarsus was. En nadat hij Paulus had gevonden, vertrokken beiden terug naar Antiochië, want beiden wisten heel goed, dat zij, die pas tot geloof gekomen waren, onderwezen moesten worden. En daartoe kregen ze ruimschoots de gelegenheid, want we lezen dat zij een vol jaar gastvrij ontvangen werden in de gemeente, en zij hadden de gelegenheid om een grote schare te leren. (Hand 11:25-26) In Antiochië werden de gelovigen voor het eerst "christenen" genoemd. (Hand 11:26)

 

De "muur" tussen de Joden en de Heidenen

 

In de Handelingen tijd bleef de wedergeboren Jood een Jood. Want die naam duidt aan dat hij tot het uitverkoren volk Israël behoort. Er bleef een scheiding tussen de christen-Joden én de "christenen" uit de volken. In de Handelingen gold: Eerst de Jood en dan de Griek. Dus het evangelie was in eerste instantie bestemd voor de Joden, daarom ging Paulus ook in alle plaatsen, waar hij op zijn zendingsreizen kwam, eerst altijd naar de synagoge, om daar het evangelie te brengen. Maar we lezen heel vaak, dat de Joden geen gehoor gaven aan Paulus' boodschap. Daarom ging Paulus het evangelie (van het koninkrijk) daarna ook aan de heidenen verkondigen. En daarom ontstond er in de gemeenten voor Handelingen 28 altijd een soort tweedeling. Eigenlijk was er in iedere gemeente in de Handelingen een soort muur, met aan de ene kant Joodse gelovigen, en aan de andere kant gelovigen uit de heidenen. Er waren gelovige Joden, die zich aan de wet wilden houden, en er waren gelovige heidenen, die dat niet wilden. Er was zelfs een reis van Paulus naar Jeruzalem voor nodig om dit probleem met de andere discipelen te bespreken, om deze kwestie op te lossen. Er werden regels opgesteld, maar echt opgelost werd het niet, want de tweedeling bleef bestaan.

 

Na de Handelingen periode kwam er een heel ander soort gemeente. De tweedeling werd opgeheven. We lezen hierover in Efeze 2:14-16: "Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee (groepen) tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft."

 

Het mag duidelijk zij dat er in Efeze, wat na Handelingen 28 is geschreven, een heel nieuw "iets" ontstaat, want er staat dat de twee tot één nieuwe mens geschapen werd. En wanneer er iets geschapen wordt, dat ontstaat er iets wat er voorheen niet was!

 

De Verkondiging door Paulus (en Barnabas)

 

Door de Heilige Geest uitgezonden, kwamen Barnabas en Paulus (die nog Saulus genaamd werd) te Salamis en verkondigden er het Woord Gods in de synagogen der Joden. In Antiochië (in Pisidië) gekomen, gingen ze in de synagoge op de dag der sabbatten (volgens de Griekse tekst) en, na het lezen van de Wet en de Profeten, vroeg de overste der synagoge hun een woord van vertroosting te spreken tot het volk (Hand 13:14-15), namelijk tot de Joden die in de synagoge waren.

 

Er waren ook niet-Joden, die "God vreesden". Dit was de gebruikelijke uitdrukking voor proselieten of Jodengenoten, namelijk heidenen die, besneden of niet, in JHWH geloofden en deelnamen aan de vergaderingen in de synagoge. Ze waren afgescheiden van de Joden, getuige ook Hand 13:42-43 waar ze met name genoemd worden: "En toen zij vertrokken, verzochten zij hun tegen de eerstvolgende sabbat weder deze woorden te spreken. En na het uitgaan van de synagoge, volgden vele van de Joden en de vereerders van God, die Jodengenoten waren, Paulus en Barnabas, die dan ook tot hen spraken en bij hen aandrongen om te blijven bij de genade Gods." Op meerdere plaatsen in de Handelingen komen we deze gelovige heidenen tegen:

  • "En er was te Caesarea iemand, genaamd Cornelius, een hoofdman van de zogenaamde Italiaanse afdeling, een godvruchtig man, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad." (Hand 10:1-2) En ook de volgende verzen gaan over dezelfde Cornelius: "Cornelius, een hoofdman, een rechtvaardig man en vereerder van God, die goed bekend staat bij het gehele volk der Joden, heeft door een heilige engel een godsspraak ontvangen om u te zijnen huize te nodigen en te horen wat gij zeggen zult. 23 Hij noodde hen binnen en ontving hen gastvrij." (Hand 10:22-23)

 

  • "Mannen broeders, zonen van het geslacht van Abraham, en vereerders van God onder u, tot ons is deze heilsboodschap gezonden." (Hand 13:26)

 

  • "En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster uit de stad Tyatira, die God vereerde, hoorde toe, en de Here opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd. En toen zij gedoopt was en haar huis, nodigde zij ons, zeggende: Indien gij van oordeel zijt, dat ik de Here getrouw ben, neemt dan uw intrek in mijn huis. En zij drong ons ertoe." (Hand 16:14-15)

 

  • "En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik. En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen. Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen." (Hand 17:1-5)

 

  • In Athene: "Hij hield daarom in de synagoge samensprekingen met de Joden en met hen, die God vereerden, en op de markt dagelijks met hen, die hij er aantrof." (Hand 17:17)

 

  • In Korinthe: "Paulus wijdde zich geheel aan de prediking, waarin hij de Joden betuigde, dat Jezus de Christus is. Maar toen dezen zich verzetten en lasterden, schudde hij zijn kleren uit en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben er rein van, voortaan zal ik mij tot de heidenen wenden. En hij vertrok vandaar en kwam in het huis van iemand, genaamd Titius Justus, die God vereerde, wiens huis naast de synagoge stond. En Crispus, de overste der synagoge, kwam tot geloof in de Here met zijn gehele huis, en vele van de Korintiërs, die hem hoorden, geloofden en lieten zich dopen." (Hand 18:5-8)

 

Paulus gaf in zijn verkondiging een korte samenvatting van Israëls geschiedenis, en sprak dan van Jezus de Behouder en nodigde de toehoorders (Joden én heidenen) uit tot bekering:

  • "Mannen broeders, zonen van het geslacht van Abraham, en vereerders van God onder u, tot ons is deze heilsboodschap gezonden. Want die te Jeruzalem wonen en hun oversten hebben Hem niet erkend en zij hebben de uitspraken der profeten, die elke sabbat worden voorgelezen, door hun oordeel vervuld, en hoewel zij geen grond voor doodstraf konden vinden, hebben zij Pilatus gevraagd Hem ter dood te brengen; en toen zij alles volbracht hadden, wat van Hem geschreven stond, namen zij Hem af van het hout en legden Hem in een graf. Maar God heeft Hem uit de doden opgewekt; en Hij is gedurende vele dagen verschenen aan hen, die met Hem van Galilea naar Jeruzalem opgegaan waren, die [thans] getuigen van Hem zijn bij het volk. En wij verkondigen u, dat God de belofte, die aan de vaderen geschied is, aan ons, hun kinderen, vervuld heeft door Jezus op te wekken, gelijk in de tweede psalm geschreven staat: Mijn zoon zijt Gij; Ik heb U heden verwekt. En dat Hij Hem uit de doden heeft opgewekt, zonder dat Hij weer tot ontbinding zal wederkeren, heeft Hij aldus gezegd: Ik zal U het heilige van David geven, dat betrouwbaar is; en daarom zegt Hij ook in een andere psalm: Gij zult uw Heilige geen ontbinding doen zien. Want David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet, en hij heeft wèl ontbinding gezien; maar Hij, die God heeft opgewekt, heeft geen ontbinding gezien. Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Hem u vergeving van zonden verkondigd wordt; ook van alles, waarvan gij niet gerechtvaardigd kondt worden door de wet van Mozes, wordt ieder, die gelooft, gerechtvaardigd door Hem. Ziet dan toe, dat u niet overkome, wat in de profeten gezegd is: Ziet, verachters, en verwondert u en verdwijnt; want Ik werk een werk in uw dagen, een werk, dat gij voorzeker niet zult geloven, als iemand het u verhaalt."

 

  • "En toen zij vertrokken, verzochten zij hun tegen de eerstvolgende sabbat weder deze woorden te spreken. En na het uitgaan van de synagoge, volgden vele van de Joden en de vereerders van God, die Jodengenoten waren, Paulus en Barnabas, die dan ook tot hen spraken en bij hen aandrongen om te blijven bij de genade Gods. En de volgende sabbat kwam bijna de gehele stad bijeen om het woord Gods te horen. Doch toen de Joden de scharen zagen, werden zij vervuld met nijd en spraken, lasterende, tegen hetgeen door Paulus gezegd werd. Maar Paulus en Barnabas zeiden vrijmoedig: Het was nodig, dat eerst tot u het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde. Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof; en het woord des Heren verbreidde zich door het gehele land." (Hand 13:26-49)

 

Zo ging het bijna overal waar Paulus op zijn reizen kwam. Altijd wanneer de Joden bemerkten dat ook de heidenen erbij betrokken werden, werden ze afgunstig en lasterden Paulus.

 

Op de volgende sabbat waren er niet alleen Joden en proselieten, doch bijna de gehele stad. Nu begonnen de Joden Paulus tegen te spreken en te lasteren. Voor het eerst richtte de apostel Paulus zich in Antiochië tot de volken. Het gevolg was dat hij met Barnabas, uit het gebied, wat tot Antiochië behoorde, werd geworpen: "Maar de Joden stookten de aanzienlijke vrouwen, die God vereerden, en de voornaamsten der stad op, en zij verwekten een vervolging tegen Paulus en Barnabas en dreven hen uit hun gebied. Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen en gingen naar Ikonium; en de discipelen werden vervuld met blijdschap en met de heilige Geest." (Hand 13:50-52)

 

De Prediking uit Mozes en de Profeten

 

De apostel Paulus predikt gedurende de gehele Handelingen periode niets anders dan uit Mozes en de Profeten. Alles wat hij verkondigde was in de Schriften na te speuren.. Hij gaat echter in zijn verkondiging verder dan de twaalf discipelen, als hij spreekt over de rechtvaardiging door het geloof, een boodschap die hij later meer in het bijzonder aan de volken zou verkondigen om de Joden tot jaloersheid te verwekken.

 

Paulus bracht zijn boodschap letterlijk op de aanwijzingen van de Heere. Hij was eerst niet met zijn boodschap naar de heidenen gegaan, maar steeds eerst tot de verloren schapen van het huis Israëls (Mat. 10:5-7). Maar de Here had er echter bijgevoegd: "En zo iemand (van de Joden) u niet zal ontvangen, noch uwe woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uwer voeten af". En dit gebeurde dan ook, want we lezen in Hand 13:51: "Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen en gingen naar Ikonium."

 

Omdat Paulus van de Heere een opdracht ontvangen had, die verder reikte dan die der twaalf andere discipelen, kon hij zich daarna vrijelijk tot de volken richten. Zo zien we verder dat Paulus en Barnabas eerst de boodschap van "het nabij zijnde Koninkrijk" op aarde verkondigen aan de Joden in de verstrooiing. Te Ikonium kwamen ze weer in de synagoge en hun verkondiging werd, zoals het toen behoorde, begeleid door de bij het aanstaande Koninkrijk behorende tekenen en wonderen:

  • "En het geschiedde evenzo te Ikonium, dat zij in de synagoge der Joden gingen en zo spraken, dat er een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken, tot het geloof kwam. Maar de Joden, die hun geen gehoor gaven, prikkelden en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. Zij verkeerden daar dan geruime tijd, vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Here, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade en tekenen en wonderen door hun handen deed geschieden. Maar er ontstond verdeeldheid onder het volk in de stad (Hand. 14:1-4)

 

De twaalf apostelen hadden van de Heere de opdracht gekregen:

  • "Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet." (Mat 10:5-8)

 

Ook toen was het Koninkrijk zeer nabij. Paulus en Barnabas prediking ging ook over het "nabij zijn" van het Koninkrijk. En als teken daarvan konden ook zij de tekenen en wonderen doen.

 

De "Grieken", die vermeld worden in Handelingen 14:1, zijn proselieten, vermits ze zich in de synagoge bevinden. De Joden hitsten deze op om zich te verzetten tegen Paulus en Barnabas. Zij vluchten dan naar Lystre en Derbe, waar ze ook het Evangelie verkondigen. Paulus geneest er een kreupele, en de schare houdt hen voor goden. Maar Paulus verzet zich hiertegen, en omdat hij zich hier te midden van heidenen bevindt, die de levende God van Israël niet kennen, spreekt hij niet over de Christus, over een Koning of een Koninkrijk, maar nodigt hij ze uit zich tot de Schepper te keren. Dit is dus een ander Evangelie, aangepast aan deze mensen. De weg van behoud begint inderdaad met het vrezen van God in de hoedanigheid van de Schepper. Dat bedoelde Paulus in Hand 14:27, toen hij verslag deed, en zei dat Hij ook voor de heidenen een deur des geloofs had geopend.

 

Als ze teruggekeerd zijn in Lystre, Ikonium en Antiochië, wijst hij de gelovigen er op dat ze door vele verdrukkingen zullen moeten gaan voor de komst van het Koninkrijk. Zo bevestigt hij slechts wat de profeten, de Heere en de twaalf discipelen reeds verkondigd hadden. Wij weten uit Gods Woord dat er in de toekomst een grote verdrukking voor Israël zal plaatshebben, voordat het Koninkrijk zal aanbreken. En bij het "nabij-zijnde Koninkrijk" behoorden ontegenzeggelijk ook deze vele verdrukkingen. Toen Paulus op zijn reizen rond ging heeft hij dit daadwerkelijk ondervonden. En als er één is die de verdrukkingen toen aan den lijve heeft ervaren, dan is dat wel Paulus!

 

We zien dus, hoe Israël in de voornaamste steden in de verstrooiing "officieel" de boodschap van het Koninkrijk verwerpt, en hoe daarentegen, de heidenen uit die volken zich tot God beginnen te keren. De tijd van Handelingen is een overgangsperiode. Ze had moeten leiden tot het Koninkrijk voor Israël op aarde, maar door de ongehoorzaamheid van het uitverkoren volk, wordt het Woord Gods tot de volken gericht. Maar de boodschap van het Koninkrijk werd toch nog steeds verkondigd tot de Joden in de verstrooiing in de steden waar de Messias nog niet verworpen was.

 

Als Paulus zich tot de volken richt, is het ofwel een uitnodiging zich te keren tot God als Schepper, ofwel, voor hen die (door hun aanwezig zijn in de synago) reeds meer gevorderd zijn, in Christus te geloven als Behouder en door het geloof te komen tot de rechtvaardiging. Dit blijkt duidelijk uit de brieven die hij gedurende die Handelingen tijd schreef. Barnabas heeft hierin Paulus blijkbaar niet gevolgd, zoals we uit Hand. 15:39 en Gal. 2:13 kunnen afleiden. Toch is het Koninkrijk nog steeds nabij en de tekenen en wonderen van die "nabijheid" blijven tot Handelingen 28. Paulus wordt b.v. uit de gevangenis verlost door een aardbeving (Hand. 16:24-26).

 

In Thessalonica gaat Paulus, naar zijn gewoonte, in de synagoge, en verkondigt er dat Jezus de Christus is (Hand. 17: 1-3). Sommige Joden en een grote menigte proselieten geloven. Te Beréa geloven er vele Joden, want ze ontvangen het Woord met alle toegenegenheid, onderzoekende dagelijks de Schriften of deze dingen alzo waren. Dit onderzoeken betreft natuurlijk het O.T., wat bewijst dat Paulus niet verder ging dan wat reeds geschreven stond. Hij sprak nog niet over verborgenheden, maar uitsluitend uit Mozes en de Profeten.

 

In Athéne, predikte hij in de synagoge aan Joden en proselieten, en op de markt aan de heidenen die daar samengekomen waren. Tot deze laatste sprak hij weer alleen zoals te Lystre, over God als Schepper, en nodigt ze uit zich tot Hem te keren. In Korinthe spreekt Paulus elke sabbat in de synagoge, en betuigt de Joden dat Jezus de Christus is (Hand. 8:1-5). Als ze wederstaan en lasteren, richt hij zich tot de heidenen. Later vinden we Paulus in de synagoge van Efeze (Hand. 18:19 en 19:8) en hij spreekt daar drie maanden lang over het Koninkrijk Gods:

  • "En Paulus ging naar de synagoge en trad drie maanden lang vrijmoedig op, om hen door besprekingen te overtuigen aangaande het Koninkrijk Gods. Maar toen sommigen verhard en ongehoorzaam bleven en ten aanhoren van de menigte kwaad bleven spreken van de weg, maakte hij zich van hen los en zonderde zijn discipelen af, terwijl hij dagelijks besprekingen hield in de gehoorzaal van Tyrannus. En dit ging twee jaar lang zo voort, zodat allen, die in Asia woonden, het woord des Heren hoorden, Joden zowel als Grieken. En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus." (Hand 19:8-11)

 

In het 26e hoofdstuk van Handelingen, staat Paulus voor Agrippa, aan wie hij is overgeleverd door de Joden, en spreekt Paulus ter verdediging als volgt:

  • "En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, word ik door Joden aangeklaagd." (Hand. 26:6-8).

Paulus had niets anders gedaan dan de Hoop van Israël verkondigen aan de Joden in de verstrooiing, maar zij wilden (op enkelen na) niet luisteren, en wilden van hem af.

 

Zelfs tot in Handelingen 28 trachtte Paulus de Joden tot inkeer te brengen. Paulus riep de voormannen der Joden bijeen.

  • "En toen zij bijeen gekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoonten, ben ik uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen der Romeinen, die na onderzoek mij wilden vrijlaten, omdat er bij mij van geen halsmisdaad sprake was. Maar toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet, dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen. Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken, want om de hoop van Israël draag ik deze keten. Maar zij zeiden tot hem: Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen, en ook is niemand van de broeders iets kwaads van u komen boodschappen of spreken. Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze secte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt."

 

  • En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig; en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, zeggende:

 

  • Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.]" (Hand 28:17-29)

 

De profetie van Jesaja, door Paulus aangehaald in Hand 28:26-28, gaat hier volledig in vervulling. Israël heeft zowel te Jeruzalem als in de verstrooiing de ogen en oren toegedaan en zijn hart verhard. De zaligheid Gods wordt nu naar de heidenen gezonden.

 

Van dan af, spreekt Paulus niet meer over "Jezus", maar over de Here Jezus Christus; hij kent Hem niet meer naar het vlees, maar als de Verheerlijkte, geplaatst in Gods rechterhand. Hij predikt het Koninkrijk Gods in bredere zin, hij predikt nu niet meer het Koninkrijk, van hemelse oorsprong, dat op aarde zou komen. Gods uitverkoren volk is nu als zodanig voor een tijd verworpen, het Koninkrijk op aarde is niet meer nabij. Even later, in 70 na Chr. zou de tempel te Jeruzalem worden verwoest.

 

In de gehele Handelingen periode ging Paulus naar de Joden om het evangelie van het Koninkrijk te prediken, wat ze uit Mozes en de Profeten konden weten. Hierboven in Hand 28 doet Paulus nog een laatste poging om de Joden te bereiken. Maar het bleef zonder de bekering van het volk. Moeten we dan constateren dat Gods plan om Zijn koninkrijk op te richten heeft gefaald? Nee, volstrekt niet, want er waren wel velen uit het volk en uit de heidenen tot geloof gekomen, en daar had God Zijn bedoeling mee.

 

Ontstaat Het Lichaam van Christus in Handelingen 2?

 

Wanneer we letten aan wie de Heere Jezus predikte, en vervolgens zien aan wie de 12 discipelen en Paulus predikte, dan moeten we tot de conclusie komen, dat steeds het evangelie in eerste instantie bestemd was voor het volk Israël, zowel in het land als daarbuiten. Dan moeten we tevens tot de conclusie komen, dat zowel in de Evangelieën, als in Handelingen, het doel van de prediking is, dat Israël bereikt wordt met het evangelie, dat Israël tot berouw en bekering moet komen. Heel vaak wordt dit niet verstaan, en zegt men, dat toen Israël haar Heiland aan het kruis had genageld, dat daarna de "draad" met Israël doorgesneden was, en dat daarna in Handelingen 2 de gemeente van Christus begint. En alles wat er in Handelingen staat wordt opeens op de gelovigen van nu toegepast.

 

Zegt men niet heel vaak: "Handelingen 2 is de geboorte van de kerk." Ik ben ervan overtuigd, dat daardoor een grote spraakverwarring ontstaat. Want dan gaan we dingen op onszelf toepassen, die ons helemaal niet toekomen, en dan laten we een evangelie voor ons spreken, wat helemaal niet voor ons is, en ook niet voor deze tijd geldt. Dan wordt het ontzettend moeilijk om de voortschijdende verkondiging van Paulus te verstaan, die hij in zijn latere brieven na de Handelingen periode heeft bekend gemaakt. Want als we de prediking van de Handelingen voor onszelf vastleggen, dan krijgen we als het ware een bedekking voor het overige wat de Schrift ons wil meedelen. (hierover verder in deze studie meer)

 

Onze God en Vader is een geweldig liefdevolle God. Hij sluit niet zomaar de deur voor Zijn geliefde volk. Hij sluit zelfs niet de deur voor Zijn volk, toen dat volk een moordenaar koos, en Zijn eigen Zoon verwierp. Toen de Heere aan het kruis hing, bad hij: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." (Luk 23:34). En dat de Heere het vergeven had blijkt in Handelingen, waar we lezen: "Gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde." (Hand 1:8) Dit zei de Heere tegen de discipelen, nadat Hij was opgestaan. Dus na Zijn opstanding ging de evangelie-verkondiging aan Israël gewoon door. Want er is vertaald, dat de discipelen moesten "getuigen tot het einde der aarde", maar in de grondtekst staat voor "aarde", het woordje "Ge", en dat betekent: "land". Dus de discipelen moesten getuigen van de dood en opstanding van Christus tot de grenzen van het land.

 

Wanneer Israël na de kruisiging van de Heere aan de kant was gezet, dan was deze opdracht totaal overbodig. Bovendien lezen we in Hand 3:17-20: "En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende."

 

Hieruit blijkt overduidelijk, dat de opdracht van de Heere aan de twaalf apostelen betreffende Israël in de Handelingen nog onverminderd van kracht was: "Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet." (Mat 10:5-8). Er was sinds Mat 10 slecht één wijziging: In de Handelingen gebood de Heere hen om ook naar Samaria te gaan volgens Hand 1:8.

 

 Tegen wie spreekt de Schrift?

 

We gaan proberen te ontdekken tot wie Gods Woord spreekt in de Handelingen, want dat is van groot belang voor het verstaan van de Schrift. Het kan toch niet zo zijn, dat we niet aan ons geadresseerde waarheden wel op onszelf toepassen. Daarom laten we het Woord zelf spreken. We gaan door de hele Handelingen om te ontdekken tot wie de apostelen, en ook Paulus in eerste instantie sprak. En ook gaan we zien welk evangelie er in die tijd gepredikt werd.

 

Handelingen 1 handelt over de discipelen die 40 dagen lang onderwijs krijgen van de opgestane Heer over het Koninkrijk. En de ontbrekende twaalfde apostel wordt onder Gods leiding weer toegevoegd. En dan lezen we in Handelingen 2: "En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. (Hand 2:1-4)

 

Wie waren daar tezamen bijeen in de bovenzaal in Jeruzalem? Waarschijnlijk die 120 personen uit Hand 1:15, tot wie Petrus sprak, en die er met z'n allen onder leiding van de Heere voor zorgden dat de twaalven weer compleet werden. Is er enige twijfel dat deze allen Joden zijn? Dan kunnen we aannemen dat de Geest op deze Joden viel. Wanneer we verder Hand 2:5-13 lezen, dan wordt duidelijk dat er Joden én Jodengenoten vanuit de hele verstrooiing in Jeruzalem waren samengekomen voor het feest der Joden. Allen hoorden spreken over de daden Gods in de taal van hun land. Om duidelijkheid te brengen over wat dit te betekenen had, neemt Petrus het woord, en zegt: "Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt, dit zij u bekend en neemt mijn woorden ter ore. Want deze mensen zijn niet dronken, zoals gij veronderstelt, want het is het derde uur van de dag; maar dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden." (Hand 2:14-21)

 

Dit is er aan de hand, zegt Petrus, alleen weten wij, die achter de feiten staan, dat het een gedeeltelijke vervulling van de profetie van Joël was. Petrus spreekt vervolgens tegen:

  • "Mannen van Israël, hoort deze woorden..............." (Hand 2:22)
  • "Mannen broeders,........................................" (Hand 2:29)
  • "Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten,...." (Hand 2:36)

 

  • "Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. Want voor u (Joden) is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal." Het gevolg van de prediking van Petrus is: "Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd." (Hand 2:41)

 

Voor alle duidelijkheid moeten we nog even door naar Handeling 3, waar we lezen, nadat Petrus en Johannes een verlamde had opgericht:

  • "En toen hij (die verlamde) Petrus en Johannes vasthield, liep al het volk rondom hen te hoop in de zogenaamde zuilengang van Salomo, vol verbazing. En Petrus zag het en antwoordde het volk: Mannen van Israël, wat verwondert gij u hierover, of wat staart gij ons aan, alsof wij door eigen kracht of godsvrucht deze hadden doen lopen? De God van Abraham en Isaak en Jakob, de God onzer vaderen,......." (Hand 3:11-13)

 

We lazen, dat "al het volk" te hoop liep in de tempel. Wie mochten in de tempel komen? Zeker geen heidenen! Een sterk bewijs, dat God Zijn relatie met Israël niet had verbroken, en dat God hun hun schuld niet toerekende is de tekst uit Hand 3:17-20:

  • "En nu, broeders ( = Joden), ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende."

 

En Handelingen 3 eindigt met:

  • "Gij (Israël) zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden. God heeft in de eerste plaats voor u zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden." (Hand 3:25-26)

 

Toen Paulus in Handelingen 4 voor de oversten en hun oudsten en hun schriftgeleerden stonden om zichzelf te verdedigen, zei Petrus:

  • "......dan moet aan u allen en het ganse volk van Israël bekend zijn, dat door de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër, die gij gekruisigd hebt, maar die God heeft opgewekt uit de doden,........" (Hand 4:10)

 

De tekenen en wonderen hoorde bij de prediking van het aanstaande Koninkrijk, en er gebeurden ook vaak wonderen in de tempel: "En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mede. En zij werden allen genezen. (Hand 5:12-16)

 

Voor wie was de Heere Jezus in eerste instantie gestorven, en voor wie was de opgestane Christus verhoogd tot de positie in de rechterhand des Vaders? Het antwoord lezen we in Hand 5:31: "Hem heeft God door zijn rechterhand verhoogd, tot een Leidsman en Heiland om Israël bekering en vergeving van zonden te schenken.

 

En daarom waren de apostelen bezig, vervullende hun opdracht in Israël:

  • "En zonder ophouden, iedere dag, leerden zij in de tempel en aan huis, en verkondigden het evangelie, dat de Christus Jezus is." (Hand 5:42)

 

Toen Stefanus na een valse aanklacht voor het Joodse Sanhedrin stond, begon hij tot zijn verdediging de complete geschiedenis van Israël te vertellen, en hij eindigt zijn betoog met:

  • "Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij. Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de Rechtvaardige, van wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt, gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden." (Hand 7:51-53)

 

Stefanus sprak niemand naar de mond, en was zeer recht in zijn woorden, en dat kon ook niet anders, want hij sprak vol van Heilige Geest. Hij moet geweten hebben, wat het gevolg van zijn woorden zou zijn, want hij beschuldigde de Joodse leiders van "onbesnedenen, van verraders en van moordenaars", dat kon niet zonder gevolgen blijven. Daarom lezen we dan ook:

  • "Toen zij (de Joodse leiders) dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem. Maar hij, vol van de heilige Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods, En hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods. Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem los; en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem. En de getuigen legden hun mantels af aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd. En zij stenigden Stefanus, die de Here aanriep, zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest. En op de knieën vallende, riep hij met luider stem: Here, reken hun deze zonde niet toe! En met deze woorden ontsliep hij. En Saulus stemde in met zijn terechtstelling." (Hand 7:54-60)

 

Hier kwam voor het eerst Paulus ten tonele, toen nog Saulus genoemd. Het waren in die tijd zware tijden voor hen die tot geloof in Christus kwamen, want "Er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen. En vrome mannen droegen Stefanus ten grave en bedreven grote rouw over hem. En Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis." (Hand 8:1-3) Deze vervolging speelde zich af onder Joden, die in Jeruzalem IN HET LAND woonden.

 

We lazen over de gemeente in Jeruzalem. Deze gemeente bestond louter en alleen uit Joden en eventuele Jodengenoten. Nog niemand van de apostelen was tot die tijd naar de heidenen gegaan, het was hun zelfs verboden. De opdracht uit Mat 10:5 van de Heere zelf om niet op een weg naar de heidenen te gaan gold nog steeds. Dit gold ook in het begin van de Handelingen periode nog steeds, want er was zelfs een gezicht van de Heere voor nodig om Petrus op andere gedachten te brengen, toen de tijd daar rijp voor was. En wat zei Petrus toen tegen Cornelius tot wie hij door de Heere gezonden werd? Petrus zei: "Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen. Daarom ben ik ook zonder tegenspreken op uw uitnodiging gekomen." (Hand 10:28-29)

 

Tot drie keer toe had de Heere aan Petrus door middel van het teken van "het laken uit de hemel" laten zien, dat hij toen wel naar de heidenen mocht gaan.

 

Misschien is het u ook opgevallen in Handelingen 8:1-3, waar we lezen dat de vervolgden werden verstrooid over de streken van Judea én Samaria, dat was bijzonder, want normaal gingen de Joden dus niet naar Samaria. Maar juist omdat de Joden normaal gesproken niet naar Samaria gingen waren de vervolgden daar veilig voor de achtervolgers. Het gevolg van de verdrukking is: "Zij dan, die verstrooid werden, trokken het land door, het evangelie verkondigende." De verdrukking had tot gevolg dat het evangelie werd verspreid. Ook Filippus daalde af naar de stad van Samaria en predikte hun de Christus. En toen de scharen Filippus (in Samaria) hoorden en tekenen zagen, die hij deed, hielden zij zich eenparig aan hetgeen door hem gezegd werd. (Hand 8:4-6)

 

Een bijzondere geschiedenis lezen we in het vervolg van Handelingen 8, waar Filippus opdracht krijgt op de weg naar Gaza te gaan, en daar ontmoet hij een Ethiopiër, die hij de profetie van Jesaja uitlegt: "En een engel des Heren sprak tot Filippus en zeide: Sta op en ga tegen de middag de weg op, die van Jeruzalem afdaalt naar Gaza. Deze is eenzaam. En hij stond op en ging. En zie, een Ethiopiër, een kamerling, een rijksgrote van Kandake, de koningin der Ethiopiërs, haar opperschatbewaarder, was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden; en hij was op de terugweg en las, in zijn wagen gezeten, de profeet Jesaja. En de Geest zeide tot Filippus: Treed toe en voeg u bij deze wagen. En Filippus liep snel erheen en hoorde hem de profeet Jesaja lezen en zeide: Verstaat gij wat gij leest? En hij zeide: Hoe zou ik dit kunnen, als niet iemand mij de weg wijst? (Hand 8:26-30)

 

Deze Ethiopiër was een gelovige, want hij was naar Jeruzalem gegaan om te aanbidden. En aanbidden doe je in de tempel, of in de nabijheid daarvan. Hij had waarschijnlijk in Jeruzalem een boekrol van Jesaja gekocht, en las daarin, zonder te begrijpen wat hij las. Hij was zoekende, en we weten, wie zoekt zal vinden. En hij vond! God zelf stuurde Filippus op zijn weg om hem het Woord uit te leggen.

 

In Handelingen 9 zien we het wonder, hoe de vervolger Paulus als het ware door de Heere in de kraag gegrepen werd, en totaal werd omgekeerd door de Heere. Van een vervolger werd hij een volgeling, en wel een heel bijzondere uitverkoren volgeling, hij werd een dienstknecht der heidenen. Hij blies dreiging en moord tegen de volgelingen des Heren, en had van de hogepriester brieven gekregen, om aan de leiders van de synagogen in Damascus te geven, die hem volmacht gaven om de gelovigen van "die weg" gevangen te nemen, en naar Jeruzalem te brengen. (Hand 9:1-2) Maar Christus greep hoogstpersoonlijk zelf in. Paulus was een man die was opgegegroeid met de Schriften. Hij had veel kennis, maar geen kennis van de Christus der Schriften, daartoe moest hij eerst door Christus zelf in zijn kraag gevat worden. Christus heeft eigenlijk van een dood mens een levend mens gemaakt, daarom lezen we ook in Galaten 1:1:

  • "Paulus, een apostel, niet vanwege mensen, noch door een mens, maar door Jezus Christus, en God, de Vader, die Hem opgewekt heeft uit de doden."

 

Paulus' Opdracht

 

De eerste keer dat we over de opdracht van Paulus lezen is Hand 9:15: "Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls". Paulus' optreden begint in de synagoge van Damascus: "En het geschiedde, toen Saulus enige dagen bij de discipelen te Damascus was, dat hij terstond in de synagogen verkondigde, dat Jezus de Zoon van God is." (Hand 9:20) En moet u eens kijken wat direct de eerste keer al het gevolg was, dat hij zijn van God gegeven opdracht uitvoerde: "En toen er verscheidene dagen (van prediking door Paulus), verlopen waren, beraamden de Joden het plan hem te vermoorden, maar hun toeleg kwam ter kennis van Saulus. En zij hielden dag en nacht de wacht bij de poorten om hem te vermoorden; doch zijn discipelen namen hem en lieten hem des nachts in een mand over de muur zakken." (Hand 9:23-25) De Joden wilden NIET geloven!

 

De tweede keerdat Paulus zijn opdracht uitvoerde, dus in zijn bediening ging staan, was toen hij naar Jeruzalem terugkeerde: "En te Jeruzalem aangekomen, trachtte hij zich bij de discipelen te voegen, maar allen schuwden hem, daar zij niet konden geloven, dat hij een discipel was. Maar Barnabas trok zich zijner aan en bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Here had gezien, en dat deze tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrijmoedig was opgetreden in de naam van Jezus. En hij bleef met hen ingaan en uitgaan te Jeruzalem, en vrijmoedig optreden in de naam des Heren, en hij sprak en redetwistte met de Grieks-sprekende Joden; maar dezen trachtten hem om te brengen. Doch toen de broeders dit te weten kwamen, brachten zij hem naar Caesarea en lieten hem vandaar naar Tarsus vertrekken.

De gemeente dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en zij nam in aantal toe door de bijstand van de heilige Geest. (Hand 9:26-31)

 

Door de verdrukking werden de gelovigen in de hele regio verstrooid. Eigenlijk is dat een positief effect van de verdrukking. Zij die de gelovigen vervolgden meenden door hun verdrukking het geloof in de opgestane Heere te kunnen uitroeien, maar de vervolgers bewerkten het tegendeel. Door de vervolging werd het geloof in de hele regio verspreid. We lezen dan ook dat "zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden." (Hand 11:19) Ook in de verstrooiing werd in eerste instantie alleen tot de Joden gesproken.

 

"Doch er waren onder hen (= onder de verstrooide Joden) enige Cyprische en Cyreense mannen, die, te Antiochië gekomen, ook tot de Grieken spraken en hun de Here Jezus predikten. En de hand des Heren was met hen, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Here.

En het bericht daarvan kwam de gemeente van Jeruzalem ter ore en zij vaardigden Barnabas af naar Antiochië." (Hand 11:20-22)

 

In Jeruzalem verwonderden ze zich over de berichten dat er heidenen tot geloof kwamen in Antiochië, want dat was zeer ongebruikelijk, en Barnabas moest maar eens polshoogte nemen:

"Toen deze (in Antiochië) aankwam en de genade Gods zag, verheugde hij zich en wekte allen op om naar het voornemen van hun hart de Heere trouw te blijven; want hij was een goed man, vol van de heilige Geest en van geloof. En een brede schare werd de Here toegevoegd. En hij vertrok naar Tarsus om Saulus te zoeken; en toen hij hem gevonden had, bracht hij hem naar Antiochië. En het geschiedde, dat zij een vol jaar in de gemeente gastvrij ontvangen werden en een brede schare leerden en dat de discipelen het eerst te Antiochië Christenen genoemd werden." (Hand 11:23-26)

 

Een prachtige geschiedenis, die laat zien dat er iets aan het veranderen was, voor wat betreft de voortgang en het bereik van het evangelie.

 

Eerste Reis van Paulus (Hand 13:4 - 14:28)

zie onderstaande kaart

 

NB. Er is een Antiochië in Syrië, en er is een Antiochië in Pisidië. Paulus' eerste reis begon in Antiochië in Syrië.

 

Wanneer we Paulus op zijn reizen volgen door het boek Handelingen heen, dan wordt duidelijk tot wie hij zijn woorden richtte, en dan wordt ook duidelijk welk evangelie hij verkondigde. Dan wordt ook duidelijk dat hij geen verborgenheden openbaarde, maar altijd het evangelie uitlegde aan de hand van wat reeds geschreven stond in de Schriften. Dan wordt ook duidelijk dat de afwijzing van de boodschap te maken had met puur ongeloof van Israël. Dan zien we dat hij overal "de onbegrepen apostel" was. Dan zien we ook dat Israël gedurende de hele Handelingen periode voor wat betreft de verkondiging op de eerste plaats stond. Dat Gods hand nog steeds in alle liefde naar Zijn geliefd volk Israël was uitgestoken. En wanneer we in alle liefde Gods Woord bestuderen, en ons uitstrekken om te verstaan wat de Bijbel ons wil leren, dan zullen we de Schrift steeds weer als een levend Woord ervaren, wat ons nieuwe dingen laat zien, waardoor we groeien naar Hem, die ons Hoofd is.

 

Barnabas en Saulus werden afgezonderd voor het werk, waartoe de Heere hen geroepen had. (Hand 13:2) Deze twee, vergezeld door Johannes, trokken naar Seleucië en voeren vandaar naar Cyprus; en te Salamis gekomen, verkondigden zij het woord Gods in de synagogen der Joden. (Hand 13:4-5)

 

In Antiochië (in Pisidië)

 

Met zijn drieën trokken zij het hele eiland Cyprus door van Salamis naar Paphos. (Hand 13:6)

  • "Paulus en die met hem waren, voeren af van Paphos en kwamen te Perge in Pamfylië; maar Johannes scheidde zich van hen af en keerde weder naar Jeruzalem. Doch zelf gingen zij van Perge verder en kwamen te Antiochië in Pisidië, en op de sabbatdag in de synagogegegaan zijnde, namen zij plaats. En na de voorlezing van de wet en de profeten lieten de oversten der synagoge hun vragen: Mannen broeders, indien gij een woord van opwekking voor het volk hebt, spreekt het dan. En Paulus stond op, wenkte met zijn hand en zeide: Mannen van Israël en vereerders van God, luistert." (Hand 13:13-16)

 

Ook hier in Antiochië is het eerste wat we lezen over de bediening van Paulus, dat hij naar de synagoge gaat, en daar tot de broeders, tot de Joden en de Jodengenoten spreekt. En die Jodengenoten waren zeker besneden, alvorens ze tot de synagoge toegelaten werden. Daarom werden ze tot de Joden gerekend. Paulus noemt deze Jodengenoten, deze proselieten "vereerders van God".

Paulus legt aan de toehoorders hun eigen geschiedenis uit, beginnende met de uittocht uit Egypte, en uitkomende bij de Christus der Schriften, die God uit de doden heeft opgewekt. (Hand 13:17-31)

 

En dan zegt hij:

  • "Mannen broeders, zonen van het geslacht van Abraham, en vereerders van God onder u, tot ons is deze heilsboodschap gezonden." (Hand 13:26)

En even verder:

  • "Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Hem u vergeving van zonden verkondigd wordt; ook van alles, waarvan gij niet gerechtvaardigd kondt worden door de wet van Mozes. (Hand 13:38-39)

 

Het is volkomen duidelijk tot wie Paulus hier spreekt, tot de mannen broeders van Israël. Het is opvallend, dat wanneer Paulus na de eerste verkondiging op die eerste sabbath, door de mannen broeders wordt uitgenodigd om de volgende sabbath weer terug te komen, om "weder deze woorden te spreken". Na het uitgaan van de synagoge volgden zelfs vele van de Joden en de vereerders van God, die Jodengenoten waren, Paulus en Barnabas, die dan ook tot hen spraken en bij hen aandrongen om te blijven bij de genade Gods. (Hand 13:42-43)

 

In de dagen die daarop volgden, is er het één en ander gebeurd in Antiochië, er is in de stad waarschijnlijk nogal wat gesproken over de boodschap van Paulus. Want we lezen verder dat "op de volgende sabbat bijna de gehele stad bijeen kwam, om het woord Gods te horen. Doch toen de Joden de scharen zagen, werden zij vervuld met nijd en spraken, lasterende, tegen hetgeen door Paulus gezegd werd." (Hand 13:44-45) Wij zouden misschien gezegd hebben: "Prachtig toch, wanneer de hele stad wil luisteren naar de boodschap van Paulus."

Maar we moeten eens proberen ons in die tijd te verplaatsen. Daar woonden Joden en Jodengenoten tot wie Paulus het Woord had gericht. Voor wie was de boodschap, betreffende het Woord van God, altijd alleen bestemd in de ogen van de Joden? Het was immers altijd al zo, dat men de bijbelse boodschap niet aan heidenen verkondigde. En nu liep bijna de hele stad uit om het Woord Gods te horen. Dat was in Joodse ogen onmogelijk!

 

Maar Paulus en Barnabas trekken zich niets aan van de kritiek, en zeggen vrijmoedig: "Het was nodig, dat eerst tot u (Joden) het woord Gods werd gesproken, doch nu gij het verstoot en u het eeuwige leven niet waardig keurt, zie, nu wenden wij ons tot de heidenen. Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde." (Hand 13:46-47).

Hieruit blijkt niet alleen dat de Joden er niets van snapten, maar tevens blijkt uit hun houding hun ongeloof, wat Paulus hun dan ook duidelijk aanzegt. Het was toen de bedoeling, dat er voor Israël "tijden van verademing zouden aanbreken, en dat God hun de Christus zou zenden." (Hand 3:19-20) Dan zou het Koninkrijk voor Israël aanbreken, en dan zou Israël gesteld worden als een licht der heidenen.

 

Toen nu de heidenen hoorden, dat het heil ook voor hen bestemd was, "verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof; en het woord des Heren verbreidde zich door het gehele land." (Hand 13:48-49)

 

Maar de Joden uit Antiochië lieten het er niet bij zitten, zij zetten hun boosheid en hun lastering om in daden, en begonnen het volk op te stoken. Zo zien we dat hun daden een overtuigend bewijs zijn van hun ongeloof, en het niet willen luisteren naar de boodschap van Paulus, terwijl hij niets anders deed dan hun Mozes en de Profeten uitleggen. Want we lezen dat de Joden de aanzienlijke vrouwen, die God vereerden, en de voornaamsten der stad opstookten. (Hand 13:50) En daar bleef het niet bij, want ze wilden helemaal van hen (Paulus en Barnabas) af, daarom verwekten de Joden een vervolging tegen Paulus en Barnabas en dreven hen uit hun gebied. Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen en gingen naar Ikonium. (Hand 13:51) Hier deden Paulus en Barnabas wat de Heere zelf Zijn discipelen had opgedragen:

  • "En indien iemand u niet ontvangt of uw woorden niet hoort, verlaat dat huis of die stad en schudt het stof uwer voeten af." (Mat 10:14)

 

In Ikonium

 

En het geschiedde evenzo te Ikonium, dat zij (Paulus en Barnabas) in de synagoge der Joden gingen en zo spraken, dat er een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken, tot het geloof kwam. Maar de Joden, die hun geen gehoor gaven, prikkelden en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. Zij verkeerden daar dan geruime tijd, vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Here, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade en tekenen en wonderen door hun handen deed geschieden. Maar er ontstond verdeeldheid onder het volk in de stad: sommigen waren voor de Joden, anderen voor de apostelen. En toen er een oploop kwam, zowel van heidenen als van Joden met hun oversten, om hen te mishandelen en te stenigen, namen zij, de toestand overzien hebbende, de wijk naar de steden van Lykaonië, Lystra en Derbe en omgeving, en verkondigden daar een tijd lang het evangelie. (Hand 14:1-7) Dus ook in Ikonium moesten Paulus en Barnabas vluchten om hun leven te redden, terwijl ze een boodschap van leven en overvloed brachten, kozen de Joden voor de dode letter der wet met de daarbij behorende armoede.

 

In Lystra

 

In Lystra gingen Paulus en Barnabas "gewoon" door met hun bediening. Hun bediening was het aanstaande Koninkrijk te prediken, en zij hadden de macht om de bij het Koninkrijk behorende wonderen en tekenen te doen. Daarvan lezen we dat dat ook gebeurde in Lystra:

  • "En er woonde te Lystra een man, die geen macht had over zijn voeten, verlamd van de schoot zijner moeder aan, die nooit had kunnen lopen. Deze man luisterde naar Paulus, wanneer hij sprak, en Paulus keek hem scherp aan en zag, dat hij geloof had om genezing te vinden, en hij zeide met luider stem: Ga recht op uw voeten staan! En hij sprong overeind en liep heen en weer. En toen de scharen zagen, wat Paulus gedaan had, verhieven zij hun stem en zeiden in het Lykaonisch: De goden zijn, in mensengedaante, tot ons neergedaald; en zij noemden Barnabas Zeus en Paulus Hermes, omdat hij het was, die het woord voerde. En de priester van Zeus-voor-de-stad bracht stieren en kransen aan bij het poortgebouw en wilde met de scharen offeren. Maar toen de apostelen Barnabas en Paulus dat hoorden, scheurden zij hun mantels en sprongen naar voren onder de schare, uitroepende: Mannen, wat doet gij daar? Ook wij zijn maar zwakke mensen zoals gij en verkondigen u, dat gij u van dit ijdel bedrijf moet bekeren tot de levende God, die de hemel, de aarde, de zee en al wat erin is gemaakt heeft. Hij heeft ten tijde der geslachten, die achter ons liggen, alle volken op hun eigen wegen laten gaan, en toch heeft Hij Zich niet onbetuigd gelaten door wel te doen, door u van de hemel regen en vruchtbare tijden te geven en aan uw harten overvloed van spijs en vrolijkheid te schenken. En hoewel zij zo spraken, konden zij ternauwernood de scharen weerhouden hun te offeren." (Hand 14:8-18)

 

Maar weer werd door Joden roet in het eten gegooid. Hoe het kwam, staat niet beschreven, maar in ieder geval is het de opstandige Joden uit Antiochië en Ikonium ter ore gekomen, dat die Paulus weer bezig was in Lystra, en hun haat en afgunst ging zo ver, dat zij zelfs niet wilden dat Paulus in een andere stad dan de hunne, het evangelie verkondigde, en wilden voorgoed met Paulus afrekenen. Want we lezen dat er Joden kwamen van Antiochië en Ikonium en zij praatten de scharen in Lystra om, en stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, menende, dat hij dood was. Doch toen de discipelen hem omringd hadden, stond hij op en ging de stad binnen. En de volgende dag vertrok hij met Barnabas naar Derbe. (Hand 14:19-20)

 

In Derbe

 

En toen zij aan die stad het evangelie verkondigd en er verscheidene discipelen gemaakt hadden, keerden zij terug naar Lystra, Ikonium en Antiochië. (Hand 14:21) Het getuigd van veel moed en vertrouwen om terug te keren naar die plaatsen, waar men je liever ziet gaan dan komen, ja sterker, waar men erop uit is je te vermoorden. Maar Paulus en Barnabas hadden een opdracht uit te voeren, en wisten ten volste van Wie ze hun opdracht hadden ontvangen. En ze wisten dat ze vele verdrukkingen moesten doorstaan. En ze wisten dat ze hun opdracht mochten uitvoeren in de Kracht Gods. Ze wisten zich gedragen door hun Opdrachtgever.

 

En om terug te keren naar de plaatsen waar ze geweest waren was nodig "om de zielen der discipelen te versterken en hen te vermanen om te blijven bij het geloof, en dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan. En nadat zij voor hen in elke gemeente oudsten hadden aangewezen, droegen zij hen onder bidden en vasten de Here op, in wie zij geloofd hadden." (Hand 14:22-23)

 

Na een tocht door Pisidië kwamen Paulus en Barnabas in Pamfylië; "en zij spraken het woord te Perge en trokken naar Attalia; en vandaar voeren zij naar Antiochië, waar zij aan de genade Gods waren opgedragen voor het werk, dat zij volbracht hadden. En daar aangekomen, riepen zij de gemeente bijeen en gaven verslag van al wat God met hen gedaan had (op deze eerste reis), en dat Hij ook voor de heidenen een deur des geloofs had geopend. En zij vertoefden daar geruime tijd met de discipelen." (Hand 14:24-28)

 

Paulus' eerste reis is op het oog geen zegetocht voor het evangelie. In Antiochië werden de Joden vervuld met nijd en spraken, lasterende, tegen hetgeen door Paulus gezegd werd. In Ikonium probeerden Joden met hun oversten hen te mishandelen en te stenigen. In Lystra kwamen de Joden van Antiochië en Ikonium en zij praatten de scharen in Lystra om, en stenigden Paulus en sleepten hem de stad uit, menende, dat hij dood was. Paulus werd als oud vuil (voor dood) buiten de stad gegooid. Toch mocht Paulus weten, dat het evangelie was verspreid, en dat er mensen tot geloof gekomen waren. En wetende dat Gods Woord niet ledig terugkeert, had de reis zijn vrucht reeds gebaard.

 

Voordat Paulus met zijn tweede reis kon aanvangen, moesten er nog enkele zaken geregeld worden. Want er waren sommigen, uit Judea in Antiochië gekomen, die de broeders leerden: "Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden." (Hand 15:1) Maar van de kant van Paulus en Barnabas kwam daar verzet tegen. En omdat ze er samen niet uit kwamen, besloten ze naar Jeruzalem te gaan om daar met de apostelen en oudsten over dit meningsverschil te praten. (Hand 15:2)

 

In Jeruzalem aangekomen vertelden Paulus en Barnabas dat op hun reis ook heidenen, die niet besneden waren, en de wet niet hielden, toch tot geloof waren gekomen. Zij vertelden hun verhaal van de bekering der heidenen aan de broeders in Jeruzalem. Maar er stonden uit de partij der Farizeeën enigen op, die gelovig geworden waren, en zeiden, dat men de heidenen moest besnijden en gebieden de wet van Mozes te houden.

  • "En de apostelen en de oudsten vergaderden om deze aangelegenheid te overwegen. En toen daarover veel verschil van mening rees, stond Petrus op en zeide tot hen: Mannen broeders, gij weet, dat God van de aanvang af mij onder u heeft verkoren, opdat door mijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. En God, die de harten kent, heeft getuigd door hun de heilige Geest te geven evenals ook aan ons, zonder enig onderscheid te maken tussen ons en hen, door het geloof hun hart reinigende. Nu dan, wat stelt gij God op de proef door een juk op de hals der discipelen (= gelovige heidenen) te leggen, dat noch onze vaderen, noch wij hebben kunnen dragen? Maar door de genade van de Here Jezus geloven wij behouden te worden op dezelfde wijze als zij. En de gehele vergadering werd stil en zij hoorden Barnabas en Paulus verhalen wat al tekenen en wonderen God door hen onder de heidenen gedaan had." (Hand 15:3-12)

 

Uiteindelijk werd besloten, dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moest lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. (Hand 15:19-20)

Toen besloten de apostelen en de oudsten met de gehele gemeente in Jeruzalem mannen uit hun midden te kiezen en metPaulus en Barnabas naar Antiochië te zenden: Judas, genaamd Barsabbas, en Silas, mannen van aanzien onder de broeders. En zij kregen van de broeders uit Jeruzalem een schrijven mee voor de broeders uit de heidenen in Antiochië, Syrië en Cilicië. En Judas en Silas zouden mondeling het beslotene overbrengen aan de broeders uit de heidenen: Want het heeft de heilige Geest en ons goed gedacht, u verder geen last op te leggen dan dit noodzakelijke: onthouding van hetgeen de afgoden geofferd is, van bloed, van het verstikte en van hoererij; indien gij u hier voor wacht, zult gij wèl doen. Vaart wel! (Hand 15:22-29)

 

Toen men afscheid van Paulus, Barnabas, Judas en Silas, genomen had, vertrokken zij naar Antiochië, riepen daar de vergadering bijeen en legden de brief van de broeders uit Jeruzalem over. En toen zij die gelezen hadden, verblijdden zij zich over de bemoediging. Judas en Silas, die zelf ook profeten waren, bemoedigden en versterkten de broeders in Antiochië met vele woorden. En toen zij daar een tijd lang geweest waren, werden zij door de broeders met de vredegroet gezonden tot degenen, die hen hadden afgevaardigd. [Maar Silas besloot op hen te wachten.] (Hand 15:30-33)

 

Paulus en Barnabas bleven te Antiochië en leerden en verkondigden met vele anderen het woord des Heren. Maar na enige dagen zeide Paulus tot Barnabas: Laten wij toch terugkeren tot onze broeders in iedere stad, waar wij het woord des Heren verkondigd hebben, om te zien, hoe het hun gaat. (Hand 15:35-36) Paulus had zijn opdracht van de Heere werkelijk in zijn hart gesloten, en verlangde de broeders weer te zien in de plaatsen waar hij op zijn eerste reis was geweest.

 

Barnabas wilde ook Johannes, genaamd Marcus, meenemen maar Paulus bleef van oordeel, dat men niet iemand bij zich moest hebben, die hen na Pamfylië had verlaten en zich niet met hen tot het werk had begeven. En er ontstond een verbittering tussen Paulus en Barnabas, zodat zij uiteengingen, en Barnabas met Marcus naar Cyprus voer. (Hand 15:37-39)

Tot zover de eerste reis van Paulus

 

******************************************************************

 

Tweede Reis van Paulus (Hand 15:36 - 18:22)

Zie onderstaande kaart

Maar Paulus koos zich Silas en vertrok, door de broeders aan de genade des Heren opgedragen; en hij ging door Syrië en Cilicië en versterkte de gemeenten. (Hand 15:40-41)

 

 

In Lystra

 

En hij kwam ook te Derbe en te Lystra, waar ze Paulus hadden gestenigd. "En zie, er was daar een zeker discipel, genaamd Timoteüs, de zoon van een gelovige Joodse vrouw, maar van een Griekse vader, en hij stond goed bekend bij de broeders van Lystra en Ikonium. Paulus wilde, dat deze met hem zou gaan en hij nam hem tot zich en besneed hem ter wille van de Joden in die plaatsen, want iedereen wist, dat zijn vader een Griek was." (Hand 16:1-3)

 

Een bijzonder verhaal, want even tevoren waren de broeders in Jeruzalem gezamenlijk tot het besluit gekomen, dat men de gelovigen uit de heidenen niet lastig moest vallen met de voorschriften der Joden, en nu liet Paulus Timoteüs besnijden. Het hoefde helemaal niet, en toch deed Paulus het wel. Want Paulus wist hoe moeilijk het was om de Joden met de boodschap te bereiken, en Paulus wilde iedere belemmering van zijn kant wegnemen, en voorkwam, door Timoteüs te besnijden, dat de Joden aanleiding zouden hebben aan hun woorden te twijfelen. Hier past Paulus toe, datgene wat hij later in de Korinthe brief schreef, namelijk: "Ik ben voor de Joden geworden als een Jood, om Joden te winnen; hun, die onder de wet staan, als onder de wet – hoewel persoonlijk niet onder de wet – om hen, die onder de wet staan, te winnen." (1 Kor 9:20)

 

  • "En toen zij de steden langs reisden, gaven zij aan de gelovigen hun de beslissingen door, die door de apostelen en de oudsten te Jeruzalem genomen waren, om die te onderhouden. De gemeenten dan werden bevestigd in het geloof en namen dagelijks in zielental toe. (Hand 16:4-5)

 

In Filippi

 

De route van de verdere reis van Paulus en Silas lezen we in Hand 16:6-12. waar ze aankomen in

Filippi, dat is de eerste stad is van dit deel van Macedonië. Filippi was een (Romeinse) kolonie. En zij vertoefden enkele dagen in die stad. "En op de sabbatdag gingen wij de poort uit, de rivier langs, waar wij verwachtten, dat er een gebedsplaats zou zijn; en nedergezeten, spraken wij tot de vrouwen, die samengekomen waren. En een zekere vrouw, met name Lydia, een purperverkoopster uit de stad Tyatira, die God vereerde, hoorde toe, en de Heere opende haar hart, zodat zij aandacht schonk aan hetgeen door Paulus gezegd werd. En toen zij gedoopt was en haar huis, nodigde zij ons, zeggende: Indien gij van oordeel zijt, dat ik de Here getrouw ben, neemt dan uw intrek in mijn huis. En zij drong ons ertoe." (Hand 16:13-15)

 

We lazen van de vrouw Lydia, dat zij God vereerde. Dit betekent, dat zij waarschijnlijk van Joden die door de verstrooiing daar terecht waren gekomen, van God had gehoord. Zij had God lief, en zij had Zijn Woord lief. Want toen Paulus haar het Woord Gods verkondigde, opende de Heere haar hart, zodat zij het kon verstaan, en kon aanvaarden. Hoogst waarschijnlijk is er in Filippi geen synagoge geweest, want anders zou het Woord dat zeker hebben vermeld, maar we lezen dat Paulus op de sabbatdag naar een "gebedsplaats" ging.

 

  • "En het geschiedde, toen wij naar de gebedsplaats gingen, dat een zekere slavin, die een waarzeggende geest had, ons tegenkwam, welke aan haar eigenaars met waarzeggen veel voordeel aanbracht. Deze liep Paulus en ons achterna, luid roepende: Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen. En dit deed zij vele dagen lang. Maar toen dit Paulus verdroot, wendde hij zich tot de geest en zeide: Ik gelast u in de naam van Jezus Christus van haar uit te gaan. En hij ging uit op datzelfde uur." (Hand 16:16-18)

 

Dé Weg

 

In bovenstaande tekst is iets niet goed gegaan in de vertaling. Want in de vertaling staat (zowel in de NBG51 als in de St. Vert.): "Deze mensen zijn dienstknechten van de allerhoogste God, die u de weg tot behoudenis boodschappen." Wanneer de vertaling juist zou zijn, dan spreekt deze geest de volkomen waarheid. En dan mogen we ons afvragen of een waarzeggende geest, welke van oorsprong uit de vader der leugen is, zo'n waarheid zal verkondigen? Gelukkig brengt de grondtekst opheldering. Want in de grondtekst staat voor "weg" helemaal geen lidwoord. Dus die waarzeggende geest sprak, dat Paulus (een) weg tot behoudenis boodschapte, en dan wordt ook duidelijk waarom Paulus geen zin meer had om het aan te horen, want Paulus verkondigde niet "(een) weg", maar "DE WEG", de enige weg tot behoud. Paulus had genoeg van de leugen!

 

Wat we hieruit kunnen leren is, dat die waarzeggende geest, die in dienst van satan stond, heel goed op de hoogte was van de bediening van Paulus, maar die geest liet die slavin een halve waarheid zeggen, die op de Waarheid lijkt, maar het niet is. Zo werkt satan altijd!

 

  • "Toen nu haar eigenaars zagen, dat hun kans op voordeel verdwenen was, grepen zij Paulus en Silas en sleurden hen naar de markt voor de overheid, en toen zij hen bij de hoofdlieden gebracht hadden, zeiden zij: Deze mensen brengen onze stad in rep en roer, daar zij Joden zijn, en zij verkondigen zeden, die wij als Romeinen niet mogen aanvaarden of volgen." (Hand 16:19-21)

 

We kunnen lezen hoe het verder ging. Paulus en Silas werden gegeseld en in de gevangenis gegooid. Maar door een wonder van God, door een aardbeving, gingen de deuren van de gevangenis weer open. De gevangenis bewaarder wilde zich van het leven beroven, wat door Paulus werd verijdeld. Deze man, ziende, dat dit een wonder van God was, kwam met zijn gehele huis ter plaatse tot geloof, nadat Paulus het Woord Gods tot hen gesproken had. (Hand 16:22-34)

En uit de gevangenis gekomen, gingen Paulus en Silas naar Lydia, en zij zagen de broeders en spraken hen bemoedigend toe en vertrokken. (Hand 16:40)

 

In Tessalonica

 

  • "En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik. En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen." (Hand 17:1-4)

 

Weer gaat Paulus eerst naar de Joden in de synagoge, dat was zijn gewoonte, en óók zijn opdracht. Hij krijgt zelfs de kans om in Tessalonica drie sabbatten achtereen het Woord te brengen. Hij verteld absoluut geen verborgenheden, want er staat: "door aanhalingen uitleggende", dus hij haalde alles uit reeds bekende geschreven Schriften, oftewel uit Mozes en de Profeten. Maar weer werden de Joden jaloers, omdat het gevolg van Paulus' prediking was, dat ook heidenen tot geloof kwamen.

Bovendien verzonnen ze allerlei valse leugens om maar van Paulus en zijn volgelingen af te komen. Ze wilden de Waarheid niet horen!

  • "Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen. Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige broeders voor de stadsbestuurders, en schreeuwden: Dezen, die de wereld in opschudding gebracht hebben, zijn ook hier gekomen, en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij handelen allen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren, dat er een andere koning, Jezus, is. En zij maakten de bevolking en de stadsbestuurders, die dit hoorden, ongerust. Doch toen dezen van Jason en de anderen een borgtocht hadden ontvangen, lieten zij hen vrij." (Hand 17:5-9)

 

In Berea

 

  • "Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren. Velen dan van hen kwamen tot het geloof, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen." (Hand 17:10-12)

Er zal grote blijdschap geweest zijn bij Paulus en Silas, want dit was het omgekeerde van wat ze normaal meemaakten. We lezen dat er velen van hen (= van de Joden uit de synagoge) tot het geloof kwamen, en van de Grieken (heidenen) niet weinigen. Maar de vreugde was van korte duur, want net als Paulus eerder op zijn eerste reis had meegemaakt, hielden de Joden uit zijn vorige verblijfplaats (Tessalonica) hem nauwlettend in de gaten:

  •  "Maar toen de Joden uit Tessalonica bemerkten, dat het woord Gods ook te Berea door Paulus werd verkondigd, kwamen zij ook daar de scharen opzetten en verontrusten. Doch de broeders lieten toen terstond Paulus vertrekken in de richting van de zee, maar Silas en Timoteüs bleven daar achter." (Hand 17:13-14)

Hieruit blijkt dat de Joden het speciaal op Paulus hadden gemunt, want anders waren Silas en Timoteüs daar niet gebleven.

 

In Athene

 

  • "En Paulus’ geleiders brachten hem te Athene en vertrokken met de opdracht aan Silas en Timoteüs om zo spoedig mogelijk bij hem te komen." (Hand 17:15).

Waarschijnlijk had Paulus bij aankomst in Athene gezien dat er ontzettend veel werk gedaan moest worden, wat hij moeilijk alleen aan kon, en daarom verzocht hij zo spoedig mogelijk Silas en Timoteüs tot hem te sturen.

 

  • "En terwijl Paulus te Athene op hen wachtte, werd zijn geest in hem geprikkeld, toen hij zag, dat de stad zo vol afgodsbeelden was. Hij hield daarom in de synagoge samensprekingen met de Jodenen met hen, die God vereerden, en op de markt dagelijks met hen, die hij er aantrof." (Hand 17:16-17) Dus ook hier eerst naar de Joden!

 

Door de wijsgeren van Athene werd Paulus voor een betweter gehouden. De Atheners waren echter ook nieuwsgierige mensen, en hadden voor niets anders tijd over dan over iets nieuws te praten of daarnaar te luisteren. (Hand 17:21) En voor de Atheners was Paulus de verkondiger van vreemde goden, Hij bracht het evangelie van Jezus en van een opstanding. Paulus, rondgaande door Athene, had gezien hoeveel afgoden er in de hele stad waren opgesteld. En daarom zei hij:

  • "Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt; want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbekende god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u. De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde." (Hand 17:22-24)

 

Paulus verkondigde hun de raad Gods, voor zover zij die konden verstaan, en eindigde met de woorden: "God dan verkondigt, met voorbijzien van de tijden der onwetendheid, heden aan de mensen, dat zij allen overal tot bekering moeten komen; omdat Hij een dag heeft bepaald, waarop Hij de aardbodem rechtvaardig zal oordelen door een man, die Hij aangewezen heeft, waarvan Hij voor allen het bewijs geleverd heeft door Hem uit de doden op te wekken." (Hand 17:30-31)

 

  • "Toen zij nu van een opstanding van doden hoorden, spotten sommigen, maar anderen zeiden: Wij zullen u hierover nog wel eens horen. Aldus vertrok Paulus uit hun midden. Doch enige mannen sloten zich bij hem aan, en kwamen tot geloof, onder wie ook Dionysius, de Areopagiet, en een vrouw, genaamd Damaris, en anderen met hen." (Hand 17:32-34)

We mogen aannemen dat Paulus geheel alleen in Athene zijn werk heeft gedaan, omdat we nergens lezen dat Timoteüs en Silas zich daar bij hem voegden. In Korinthe (Hand 18:5) zouden deze twee zich weer bij Paulus voegen, ter ondersteuning van het werk.

 

In Korinthe

 

Daarna verliet Paulus Athene, stak de zee over, en kwam in het huidige Griekenland, te Korinthe. En hij vond daar een Jood, genaamd Aquila, van geboorte uit Pontus (Pontus is een gebied, en ligt aan de noordkant van het huidige Turkije aan de Zwarte Zee) Deze Aquila was juist uit Italië gekomen met Priscilla, zijn vrouw, omdat Claudius bevolen had, dat alle Joden Rome zouden verlaten; en hij kwam bij hen. (Hand 18:1-2) Hieruit mogen we opmaken, dat de verstrooide Joden verdrukking hadden te verduren in Rome. Zij moesten de stad verlaten.

 

Is het door alle eeuwen niet zo geweest dat Israël geen rust onder de volkeren heeft gekend? "Gij zult onder die volken geen rust vinden noch een rustplaats voor uw voetzool; de HEERE zal u daar een bevend hart geven, ogen vol heimwee en een kwijnende ziel." (Deut 28:65) Dát is de situatie van Israël altijd geweest, en dat zal de situatie van Israël blijven, totdat de maat van de zonde in het land vol is, en dan zal de Heere zelf ingrijpen, en Hij zal Koning over hen zijn. Dan zal Israël veilig en gerust én in overvloed in het land wonen. Dán zal Israël een licht der natiën zijn.

 

Paulus trof het, want hij had in Aquila een collega gevonden. Paulus was immers van beroep tentenmaker, en dat was Aquila ook. Zo konden ze mooi samen hun beroep uitoefenen. Ziet u ze samen al bezig? Ze hadden geen bandjes of CD's met bijbelstudies, maar wat zullen ze, Paulus kennende, tijdens hun werkzaamheden samen vaak over de blijde boodschap hebben gepraat. Bovendien hoefde Paulus zo niemand lastig te vallen voor zijn onderhoud, waar hij op deze manier zelf in kon voorzien. (Hand 18:3)

 

  • "En hij hield elke sabbat besprekingen in de synagoge (te Korinthe) en trachtte Joden en Grieken te overtuigen. En toen Silas en Timoteüs uit Macedonië kwamen, wijdde Paulus zich geheel aan de prediking, waarin hij de Joden betuigde, dat Jezus de Christus is. Maar toen dezen zich verzetten en lasterden, schudde hij zijn kleren uit en zeide tot hen: Uw bloed zij op uw hoofd; ik ben er rein van, voortaan zal ik mij tot de heidenen wenden. En hij vertrok vandaar en kwam in het huis van iemand, genaamd Titius Justus, die God vereerde, wiens huis naast de synagoge stond. En Crispus, de overste der synagoge, kwam tot geloof in de Here met zijn gehele huis, en vele van de Korintiërs, die hem hoorden, geloofden en lieten zich dopen." (Hand 18:4-8)

 

Paulus "betuigde" de Joden dat Jezus de Christus was. Waarschijnlijk hadden de Joden in de verstrooiing wel van Jezus gehoord. Maar dat deze Jezus de Christus, de Gezalfde, de Messias, de Opgestane Heiland was, de Christus, die zat aan de rechterhand des Vaders, nee dat wilde er bij de Joden van Korinthe niet in. En reken maar dat Paulus met alle mogelijke bijbelgedeelten, die over de Messias van Israël spraken, geprobeerd heeft de Joden te overtuigen uit de Schriften, maar zij verzetten zich en lasterden het door Paulus gesprokene. Zij wilden niet geloven!

 

Het bijzondere in deze geschiedenis is eigenlijk dat Paulus de synagoge de rug toekeert, omdat hij daar niet meer welkom is. Maar tegelijk staat er een andere deur open, en nog wel naast de synagoge. Daar woonde de Romein Titius Justus, die God vereerde. En Crispus, de overste der synagoge, kwam tot geloof met zijn gehele huis, terwijl de Joden Paulus juist de rug hadden toegekeerd. Gods wegen zijn wonderlijk!

 

Paulus zal best wel eens ontmoedigd en teleurgesteld zijn geweest. Hij zat vol van het Evangelie, en bracht met alle blijdschap en hartstocht zijn boodschap. Maar keer op keer kreeg hij van de Joden heftig verzet. Ze zullen hem best wel vaak voor leugenaar hebben uitgemaakt. En waarschijnlijk is hij ook wel eens bang geweest. Daarom krijgt Paulus op zekere nacht een gezicht van de Heere: "Wees niet bevreesd, maar spreek en zwijg niet; want Ik ben met u en niemand zal het op u toeleggen om u kwaad te doen, want Ik heb veel volk in deze stad." (Hand 18:9-10) Eigenlijk staat hier in de grondtekst: "want Ik heb van Mij veel in deze stad."

 

Wat een geweldige bemoediging ontvangt Paulus hier van de Heere. Zo zien we dat Hij de Zijnen kent, en weet wat ze doormaken, en weet wat ze nodig hebben. Altijd mogen ook wij erop vertrouwen dat God kracht naar kruis geeft. Na deze bemoediging lezen we dan ook: "En hij woonde daar een jaar en zes maanden en leerde onder hen het woord Gods." (Hand 18:11)

Maar na anderhalf jaar ging het ook in Korinthe weer mis, want we lezen dat de Joden zich als één man tegen Paulus keerden, en ze brachten hem voor de rechterstoel van de Romeinse landvoogd Gallio, en zeiden: Deze tracht de mensen te overreden om God op onwettige wijze te vereren. En toen Paulus op het punt stond zijn mond te openen, zeide Gallio tot de Joden: Indien er sprake was van enige onrechtmatigheid of misdrijf, zou ik u, o Joden, uit de aard der zaak ontvankelijk verklaard hebben; maar nu het geschillen zijn over een woord en namen en de wet, die bij u geldt, moet gij het zelf maar uitmaken; hierover wil ik geen rechter zijn. En hij joeg hen van zijn rechterstoel weg. (Hand 18:12-16).

 

De Joden werden toen zo kwaad op hun voorman Sostenes, de overste der synagoge, dat zij hem sloegen vóór de rechterstoel; maar Gallio trok er zich niets van aan. (Hand 18:17) Waarschijnlijk had Sostenes de leiding gehad van de aanklacht tegen Paulus, en nu de Joden hun woede niet op Paulus konden botvieren, moest Sostenes het ontgelden.

 

In Efeze

 

  • "En nadat Paulus daar (in Korinthe) nog verscheidene dagen was gebleven, nam hij afscheid van de broeders en voer weg naar Syrië, vergezeld door Priscilla en Aquila, zijn gelovige collega, nadat hij te Kenchreeën zijn hoofdhaar had laten afknippen, want hij stond onder een gelofte. En zij kwamen te Efeze aan en hen daar achterlatende, ging hij zelf naar de synagoge en hield besprekingen met de Joden. Hun verzoek echter om langer te blijven willigde hij niet in, maar hij nam afscheid en zeide: Zo God wil, kom ik bij u terug. En hij vertrok over zee van Efeze. En hij kwam te Caesarea, ging aan land en groette de gemeente en ging naar Antiochië." (Hand 18:18-22)

 

Tot zover de tweede reis van Paulus

 

****************************************************************************************

 

Derde Reis van Paulus (Hand 18:23 - 21:26)

zie onderstaande kaart

Toen Paulus een tijd lang in Antichië was geweest, ging hij voor de derde keer op reis, en trok achtereenvolgens door het land van Galatië en Frygië om al de discipelen te versterken. (Hand 18:23)

 

  • "En een zekere Jood, genaamd Apollos, geboortig uit Alexandrië, een geleerd man, doorkneed in de Schriften, kwam te Efeze. Deze was ingelicht omtrent de weg des Heren en, vurig van geest, sprak en leerde hij nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, ofschoon hij alleen wist van de doop van Johannes. En deze (Apollos) begon vrijmoedig op te treden in de synagoge. En toen Priscilla en Aquila hem hoorden, namen zij hem tot zich en legden hem de weg Gods nauwkeuriger uit. En toen hij naar Achaje (= Zuid Griekenland) wilde oversteken, moedigden de broeders hem daartoe aan en schreven aan de discipelen, dat zij hem vriendelijk moesten ontvangen. Deze, daar aangekomen (in Korinthe volgens Hand 19:1), was door (Gods) genade van veel nut voor hen, die geloofden. Want onvermoeid bestreed hij de Joden in het openbaar en bewees uit de Schriften, dat Jezus de Christus is." (Hand 18:24-28)

 

Prachtig om te lezen, hoe deze Jood Apollos, vurig van geest sprak en leerde. Maar hij had ook de juiste gezindheid, want hij was bereid om te luisteren en te leren. Hebt u het verschil in zijn prediking opgemerkt? Voordat Apollos met Priscilla en Aquila had gesproken, leerde hij nauwkeurig hetgeen op Jezus betrekking had, ofschoon hij alleen wist van de doop van Johannes. En nadat Priscilla en Aquila hem de weg nauwkeuriger hadden uitgelegd, "bestreed hij onvermoeid de Joden in het openbaar en bewees uit de Schriften, dat Jezus de Christus is." Eerst sprak hij over Jezus, en alles wat Jezus had gedaan en gezegd. Later sprak hij over de opgestane Heiland, de Christus der Schriften, de Messias, die door Zijn lijden en sterven verzoening had teweeg gebracht. Dát is groeien! Hij liet de oude dingen achter zich, en ging voorwaarts in de nieuwe dingen!

 

In Efeze

 

  • "En terwijl Apollos te Korinte was, geschiedde het, dat Paulus, na door de bovenlanden gereisd te zijn, te Efeze kwam, en daar enige discipelen (= volgelingen) vond. En hij zeide tot hen: Hebt gij de heilige Geest ontvangen, toen gij tot het geloof kwaamt? Doch zij zeiden tot hem: Wij hebben zelfs niet gehoord, dat er een heilige Geest is. En hij zeide tot hen: Waarin zijt gij dan gedoopt? En zij zeiden: In de doop van Johannes. Maar Paulus zeide: Johannes doopte een doop van bekering en zeide tot het volk, dat zij moesten geloven in Hem, die na hem kwam, dat is in Jezus. En toen zij dit hoorden, lieten zij zich dopen in de naam van de Here Jezus. En toen Paulus hun de handen oplegde, kwam de heilige Geest over hen, en zij spraken in tongen en profeteerden. En het waren in het geheel ongeveer twaalf mannen." (Hand 19:1-7)

 

We leren hieruit, dat de situatie voor en na het kruis totaal verschillend was. Voor het kruis predikte Johannes de Doper in de woestijn van Judea, en zeide: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen." (Mat 3:1-2) "Toen liep Jeruzalem en heel Judea en de gehele Jordaanstreek tot hem uit, en zij lieten zich in de rivier, de Jordaan, door hem dopen, onder belijdenis van hun zonden. (Mat 3:5-6)

 

Situatie voor het kruis:

  1. Bekeren
  2. Dopen in de naam van Jezus
  3. Zonden belijden.

 

Na het kruis predikte Petrus: "Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt. Toen zij dit hoorden, werden zij diep in hun hart getroffen, en zij zeiden tot Petrus en de andere apostelen: Wat moeten wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen." (Hand 2:36-38)

 

Situatie na het Kruis:

  1. Bekeren
  2. Dopen op de naam van de Heere Jezus Christus
  3. Zonden worden vergeven
  4. Ontvangen van de Gave des Heiligen Geestes.

 

Voor de volledigheid kunnen we er ook nog bij vermelden, dat het Nu voor Het Lichaam van Christus (later meer over dit Lichaam), nog weer anders is geregeld in Gods Woord. Dat lezen we in Efeze 1: "In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid." (Efeze 1:13-14) Het betreft hier de gelovigen aan wie Paulus deze rondzendbrief heeft gericht, "de heiligen en gelovigen in Christus Jezus."

 

Situatie na Handelingen 28:

  1. Onder het gehoor komen van het Woord der Waarheid.
  2. In Christus geplaatst worden, door dat Woord in geloof te aanvaarden.
  3. Dan verzegeld worden met de Heilige Geest.

 

Paulus was in Efeze:

  • "En Paulus ging naar de synagoge en trad drie maanden lang vrijmoedig op, om hen door besprekingen te overtuigen aangaande het Koninkrijk Gods. Maar toen sommigen verhard en ongehoorzaam bleven en ten aanhoren van de menigte kwaad bleven spreken van de weg, maakte hij zich van hen los en zonderde zijn discipelen af, terwijl hij dagelijks besprekingen hield in de gehoorzaal van Tyrannus. En dit ging twee jaar lang zo voort, zodat allen, die in Asia woonden, het woord des Heren hoorden, Joden zowel als Grieken. (Hand 19:8-10)

 

Drie maanden lang trad Paulus met alle vrijmoedigheid op, dat wil zeggen dat er geen belemmering was in wat hij wilde zeggen, en reken maar dat Paulus alles gedaan heeft wat in zijn vermogen lag om de Joden te overtuigen alles aangaande de Christus. Wanneer we in de grondtekst het woord opzoeken, wat hier door "overtuigen" is vertaald, dan kunnen we ontdekken, door datzelfde Griekse woord in andere teksten te vergelijken, dat het elders ook wordt vertaald met gehoorzaamheid, en met overreden en overhalen. Dan kunnen we gerust stellen, dat Paulus met alles wat hij in zich had getracht heeft de Joden te overreden, over te halen, tot gehoorzaamheid aan het Evangelie. Maar zij wilden niet geloven! Daarom keerde Paulus zich van de Joden af, en hield nog twee jaar lang bijbelstudie uit Mozes en de profeten, aantonende dat Jezus de Christus is. En ALLEN in Asia hoorden het Woord des Heeren!

 

  • "En God deed buitengewone krachten door de handen van Paulus, zodat ook zweetdoeken of gordeldoeken van zijn lichaam aan de zieken gebracht werden en hun kwalen van hen weken en de boze geesten uitvoeren." (Hand 19:11-12)

 

Het was nog steeds de tijd dat het Koninkrijk voor Israël zeer nabij was, en bij dat nabij zijnde Koninkrijk hoorden de zichtbare tekenen en wonderen. Ik herhaal het nog maar eens, om misverstanden te voorkomen. Want men kan er zo gemakkelijk uit halen, dat ook nu anno 2009 die wonderen en tekenen gedaan zouden moeten worden, net als toen. Maar lieve broeders en zusters, dat was een geheel andere tijd. Toen mocht Israël ZIEN, daardoor wetende dat het Koninkrijk nabij was. Maar door hun ongeloof kregen ze een bedekking op, waardoor ze helemaal niets meer zagen. Het Koninkrijk was op grond van de gehele Schrift, toen zeker opgericht, wanneer Israël toen als volk tot geloof was gekomen. Het was de tijd van: "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende." (Hand 3:19-20)

 

Onder enkelen was ook jaloezie en afgunst om wat Paulus deed. Sommigen probeerden zelfs Paulus na te bootsen. Want "enige van de rondreizende Joodse geestenbezweerders waagden het over hen, die boze geesten hadden, de naam van de Here Jezus te noemen met de woorden: Ik bezweer u bij de Jezus, die Paulus predikt. Het waren nu zeven zonen van een zekere Skevas, een Joodse overpriester, die dit deden." (Hand 19:13-14) Maar zelfs de boze geest trapte niet in hun bedrog, want die geest zei tot hen: "Jezus ken ik en van Paulus weet ik, maar wie zijt gij? En de mens, in wie de boze geest was, sprong op hen af, overweldigde hen tezamen en bleek zoveel sterker dan zij, dat zij zonder kleren en gewond uit dat huis moesten vluchten." (Hand 19:15-16)

Dit gebeuren had grote impact, zodat door dit voorval de naam van de Here Jezus werd grootgemaakt; en velen van hen, die gelovig geworden waren, kwamen hun schuld belijden en uitspreken wat zij bedreven hadden. En enigen van degenen, die toverkunsten hadden uitgeoefend, brachten hun boeken bijeen en verbrandden ze ten aanschouwen van allen. En men berekende de waarde ervan en stelde die vast op vijftigduizend zilverstukken. Zo wies het woord des Heren krachtig en het werd sterker. (Hand 19:17-20)

 

Verder lezen we in Handelingen 19 nog over de opstand in Athene, veroorzaakt door Demetrius, een zilversmid, die zilveren Artemistempels vervaardigde. Hij was bang dat door de prediking van Paulus zijn inkomsten zouden verdwijnen, en veroorzaakte uit broodnijd een grote opschudding tegen de weg die Paulus predikte. Uiteindelijk wisten de leiders van Efeze het oproer te sussen. (Hand 19:21-40)

 

Van Macedonië naar Troas

 

Nadat nu de opschudding in Efeze was bedaard, riep Paulus zijn volgelingen tot zich en sprak hen bemoedigend toe. Daarop nam hij afscheid en begaf zich op reis naar Macedonië. En nadat hij die streken doorreisd en hen uitvoerig toegesproken had, kwam hij in Griekenland. En toen hij daar drie maanden vertoefd had en de Joden een aanslag tegen hem smeedden, terwijl hij op het punt stond om over zee naar Syrië te gaan, kwam hij tot het besluit door Macedonië terug te keren (via Filippi in Macedonië) naar Troas. Troas was gelegen op het uiterste noord-westelijk punt van het huidige Turkije. (Hand 20:1-3)

 

In Troas waren reeds enkele volgelingen, die Paulus opwachten: "Ene Sopater, de zoon van Pyrrus, uit Berea, en van de Tessalonicenzen Aristarchus en Secundus, en Gajus uit Derbe en Timoteüs, en uit Asia Tychikus en Trofimus. zij waren echter Paulus vooruitgereisd. Maar wij voeren na de dagen der ongezuurde broden van Filippi af en kwamen binnen vijf dagen bij hen te Troas aan, waar wij zeven dagen doorbrachten. (Hand 20:4-6)

 

  • "En toen wij te Troas op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht. En er waren verscheidene lampen in de bovenzaal, waar wij vergaderd waren. En een zekere jonge man, genaamd Eutychus, zat in de vensterbank, en door een diepe slaap bevangen, viel hij, toen Paulus zo lang sprak, door de slaap overmand, van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen. Doch Paulus kwam naar beneden, wierp zich op hem, en sloeg de armen om hem heen, en zeide: Maakt geen misbaar, want er is leven in hem. En bovengekomen, brak hij brood en at, en hij sprak nog lang met hen, tot de morgenstond, en zo vertrok hij. En zij brachten de jongen levend weg, en werden buitengewoon bemoedigd." (Hand 20:7-12)

 

Een bijzondere geschiedenis, die aan Elisa doet denken, ook daar was een jongen gestorven: "Daarna kwam Elisa het huis binnen en zie, daar lag de jongen dood op zijn bed. Toen Elisa binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de HEERE. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Daarop werd het lichaam van de knaap warm. Daarna keerde hij terug en ging eenmaal het huis op en neer; dan ging hij naar boven en boog zich over hem heen. Toen niesde de jongen zevenmaal en opende zijn ogen. En hij riep Gechazi en zeide: Roep deze Sunamitische. En toen deze haar geroepen had, kwam zij tot hem, en hij zeide: Neem uw zoon op. Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en boog zich ter aarde neder. Daarop nam zij haar zoon en ging heen." (2 Kon 4:32-37)

In 2 Kon 4:34 lezen we dat Elisa boven op de knaap ging liggen, zijn mond op diens mond, en zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Hiermee vereenzelvigde Elisa zichzelf met de jongen. Dit is een beeld van hoe de Heere Jezus Christus zich compleet vereenzelvigde met de (dode) mens. Christus ging tot in de dood, daarmee de wereld met Zichzelf verzoenende, alleen zó kon onze Heiland compleet één worden met de mens, en die complete éénwording bracht veel leven voort. Daarom moest Elisa ook eerst bidden voor hij handelde, God liet hem zien wat hij doen moest. Wat Elisa deed wees in het verborgen reeds op Christus Jezus, onze Heere. Alleen via dood en opstanding komt God de Vader tot zijn grote doel.

"EpipiptO" = eenwording.Paulus, geleid door Gods Geest, doet in Troas iets vergelijkbaars met die jonge man, genaamd Eutychus. Wanneer we het Griekse woord "epipiptO" wat in de grondtekst staat, en wat in Hand 20:10 door "wierp zich op hem" is vertaald, verder onderzoeken, en kijken hoe dat elders is vertaald, dan vinden we het volgende:

  1. Lukas 1:12 En Zacharias ontroerde bij dat gezicht, en vrees beving (= "epipiptO") hem.

  2. Lukas 15:20 En hij stond op en keerde naar zijn vader terug. En toen hij nog veraf was, zag zijn vader hem en werd met ontferming bewogen. En hij liep hem tegemoet, viel hem (= "epipiptO") om de hals en kuste hem.

  3. Hand 8:16 Want deze was nog over niemand van hen gekomen (= "epipiptO"), maar zij waren alleen gedoopt in de naam van de Here Jezus.

  4. Hand 10:44 Terwijl Petrus deze woorden nog sprak, viel de heilige Geest op (="epipiptO") allen, die het woord hoorden.

  5. Hand 11:15 En toen ik begonnen was te spreken, viel de heilige Geest op (= "epipiptO") hen, evenals in het begin ook op ons.

  6. Hand 19:17 En dit werd bekend aan allen, Joden en Grieken, die te Efeze woonden, en vrees overviel (= "epipiptO") hen allen, en de naam van de Here Jezus werd grootgemaakt;

  7. Hand 20:37 En zij barstten allen in groot geween uit en vielen Paulus om de hals (= "epipiptO") en kusten hem herhaaldelijk,

  8. Rom 15:3 want ook Christus heeft Zichzelf niet behaagd, maar, gelijk geschreven staat: De smaadwoorden van hen, die U smaden, kwamen op Mij neder (= "epipiptO").

  9. Open 11:11 En na [die] drie en een halve dag voer een levensgeest uit God in hen, en zij gingen op hun voeten staan en grote vrees viel op (= "epipiptO") (allen), die hen aanschouwden.

 

In al deze teksten kunnen we opmerken, dat "epipiptO" duidelijk wil maken dat het met éénwording, met vereenzelvigen te maken heeft. Bijvoorbeeld "viel de heilige Geest op (= epipiptO) allen", wil dan zeggen, dat zij één werden met de Heilige Geest. Wanneer we deze dingen doorvorsen, dan wordt nog duidelijker dat Paulus' handelen te vergelijken was met dat van Elisa.

 

In Milete

 

Maar Paulus vervolgde zijn reis via Assus, waar hij aan boord ging om naar Mitylene te varen. En vandaar per boot via Chios en Samos naar Milete. Omdat Paulus op de pinksterdag te Jeruzalem wilde zijn, was hij Efeze voorbijgevaren. (Hand 20:16) Maar hij wilde toch graag de broeders van Efeze ter bemoediging een hart onder de riem steken, en daarom zond hij iemand van Milete naar Efeze en ontbood de oudsten der gemeente van Efeze. (Hand 20:17) Paulus houdt nogal een bewogen betoog aan de oudsten van Efeze, wat we lezen in Hand 20:18-38. Kernpunten hiervan zijn:

  • Paulus heeft volhard in zijn opdracht ondanks de aanslagen der Joden (vers 19)
  • Paulus weet dat hem op zijn verdere reis boeien en verdrukkingen te wachten staan. (vers 23)
  • Paulus heeft slecht één doel: "mijn loopbaan mag ten einde brengen en de bediening, die ik van de Here Jezus ontvangen heb om het evangelie der genade Gods te betuigen." (vers 24)
  • Hij weet dat hij de Efezieërs niet meer zal zien (vers 25)
  • Hij verklaard zich rein van aller bloed (vers 26)
  • Er zullen grimmige wolven bij de gemeente binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen. (vers 29)
  • Paulus zegt dat hij voor zijn dagelijks onderhoud niemand heeft lastig gevallen. (vers 33-35)

De Efezieërs waren zeer bedroefd, omdat zij de gemeenschap met Paulus voorgoed zouden moeten missen. (vers 38)

 

Na de bemoedigende woorden van Paulus aan de Efezieërs, moest Paulus zich van hen losscheuren. (Hand 21:1) Dit wil zeggen, dat de Efezieërs veel moeite hadden om Paulus te laten gaan. Paulus had zich met moeite van hen losgemaakt.

  

Slot van de derde Reis

 

Vanuit Milete gingen ze rechtstreeks naar Kos, en via Rodos en Patara, een stadje op het zuidelijkste puntje van het huidige Turkije, koersten ze langs de zuidkant van Cyprus naar Tyrus. (Hand 21:1-3)

 

In Tyrus bleef Paulus zeven dagen bij de daar aanwezige discipelen. Dezen zeiden Paulus door de Geest, dat hij zich niet naar Jeruzalem moest inschepen. Toch ging Paulus na die zeven dagen per schip naar Ptolemaïs, begroette daar de broeders en bleef één dag bij hen. En de volgende dag ging hij vandaar en kwam te Caesarea, waar hij logeerde in het huis van Filippus, de evangelist. (Hand 21:4-9) En toen Paulus daar verscheidene dagen was, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen. Toen allen die daar bij Paulus waren, dit hoorden, verzochten allen hem, niet op te gaan naar Jeruzalem. Toen antwoordde Paulus: Wat doet gij, dat gij weent en mijn hart week maakt? Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de naam van de Here Jezus. En toen hij niet te overreden was, hielden allen zich stil en zeiden: De wil des Heren geschiede. (Hand 21:10-14) En na die dagen maakte Paulus zich reisvaardig en ging op naar Jeruzalem. (Hand 21:15)

(Einde derde reis van Paulus)

 

*******************************************************************************

 

In Jeruzalem

 

Wanneer Paulus en zijn reisgenoten na de derde reis in Jeruzalem zijn aangekomen zijn we eigenlijk geneigd te denken dat Paulus van een welverdiende rust onder broeders kan genieten. Maar Gods Woord laat zien dat het tegendeel waar is. Hij komt meteen al weer voor problemen te staan. Ja, hij werd te Jeruzalem door de broeders van harte welkom geheten. De dag na aankomst ging Paulus Jakobus bezoeken, en alle oudsten waren daarbij aanwezig. En toen hij hen begroet had, verhaalde Paulus in bijzonderheden, wat God onder de heidenen door zijn dienst had verricht. En zij loofden God, toen zij dit hoorden. (Hand 21:17-20)

 

Uit wat nu volgt, blijkt, dat de broeders in Jeruzalem zich maar moeizaam konden handhaven tussen alle andere Joden, die ook gelovig waren geworden, maar die nog steeds ijverig de wet meenden te moeten houden. Er was een klein groepje broeders, die Paulus hartelijk ontving, en God loofden om het werk wat God onder de heidenen had gedaan, én er was een menigte andere gelovigen, die erop stond de wet te onderhouden, en ook wilden dat de gelovige heidenen zich moesten laten besnijden, en de wet onderhouden.

 

Dit gegeven is wel opvallend, omdat Paulus eerder een reis vanuit Azië naar Jeruzalem had gemaakt om over dit probleem met de oudsten in Jeruzalem te spreken. En toen was er duidelijk overeen gekomen, dat men de gelovige heidenen niet lastig moest vallen met de wet, maar dat zij zich dienden te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. (Hand 15:20) En toch is dat blijkbaar door een menigte Joden niet geaccepteerd. Want nadat het kleine groepje broeders Paulus hadden aangehoord over alles wat hij op zijn reizen had beleefd, zeiden zei tegen Paulus:

 

  • "Gij ziet, broeder, hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet; nu heeft men hun van u verteld, dat gij alle Joden onder de heidenen afval van Mozes leert, door te zeggen, dat zij hun kinderen niet behoeven te besnijden, noch naar de gebruiken te leven. Wat is dan het geval? Zij zullen stellig horen, dat gij aangekomen zijt. Doe daarom wat wij u zeggen: Er zijn vier mannen bij ons, die een gelofte op zich genomen hebben; neem hen mede, heilig u met hen en draag de kosten voor hen, opdat zij hun hoofd kunnen laten scheren; dan zullen allen bemerken, dat van alles, wat men hun van u verteld heeft, niets waar is, maar dat gij ook zelf medegaat in de onderhouding van de wet. Maar inzake de heidenen, die tot het geloof gekomen zijn, hebben wij als ons oordeel geschreven, dat zij zich hebben te wachten voor wat de afgoden geofferd is, voor bloed, voor het verstikte en voor hoererij. Toen nam Paulus die mannen mede, en hij heiligde zich de volgende dag met hen, ging in de tempel en deed aangifte, dat de dagen der heiliging zouden duren, totdat voor ieder hunner het offer gebracht was." (Hand 21:20-26)

 

Wat betekende dit alles? Nog steeds was er in Jeruzalem verzet tegen wat Paulus leerde aan de heidenen, en nog steeds wilde het merendeel van de Joden dat ook de heidenen besneden werden, en naar de eisen der wet gingen leven. Om geaccepteerd te worden moest Paulus voor de Joden een Jood worden, een Jood die toonde dat hij de wet naleefde.

 

Een Gelofte

 

De bedoelde gelofte (Hand 21:23) is de Nazireeër-gelofte, zoals in Numeri 6 omschreven. Het is een voorschrift uit de wet van Mozes en specifiek voor Israël. Ook de in Israël ingelijfde, gezegende heidenen (van de Handelingen periode) hoefden aan dit voorschrift niet te voldoen. Zij moesten zich enkel onthouden van hoererij, het verstikte, bloed en van wat door de afgoden bezoedeld was (zie Hand 15).

Door de Nazireeërgelofte, wat letterlijk 'toewijdingsgelofte' betekent, plaatste de gelovige Jood zich onder bepaalde omstandigheden voor een bepaalde tijd onder deze bepaling. Dit deed hij bijvoorbeeld als hij een bijzondere taak voor de Heere moest verrichten of wanneer hij gezegend was door middel van een priester, profeet of oudste. Denk aan Simson (Richt. 13:5). Hij die de gelofte aflegde, de Nazireeër, nam tijdens de duur van de gelofte geen sterke drank of vrucht van de wijnstok. Ook werd zijn haar niet geknipt en hij mocht niet in de buurt van een dode komen, ook al was het zijn familie. Aan het einde van zijn Nazireeërschap moest de hij in de tempel offeren. Hij diende zowel een zondoffer, brandoffer, vredeoffer, en spijsoffer als plengoffer te brengen. Zijn hoofdhaar moest hij na het brengen van zond- en brandoffer afknippen en in het vuur van het vredeoffer werpen. Daarna werd nog een beweegoffer gebracht. Pas wanneer dat alles was gebeurd, was de gelofte ingelost en mocht de gelovige weer wijn drinken.

 

Paulus in Jeruzalem gevangen genomen

 

Uit Hand 21:27 leren we dat de duur van de "gelofte" zeven dagen was: "Toen nu de zeven dagen nagenoeg om waren, zagen de Joden uit Asia hem in de tempel, en brachten al het volk in opschudding en zij sloegen de handen aan hem, al schreeuwende: Help, mannen van Israël! Dit is de mens, die tegen het volk, de wet en deze plaats overal allen leert, en nu heeft hij ook nog Grieken in de tempel gebracht en deze heilige plaats ontwijd! Want zij hadden al eerder Trofimus uit Efeze met hem in de stad gezien, en zij meenden, dat Paulus hem in de tempel had gebracht. En de gehele stad kwam in rep en roer, het volk liep te hoop en zij grepen Paulus en sleurden hem de tempel uit; en terstond werden de poorten gesloten. ( Hand 21:28-30)

 

In vers 27 lazen we dat "de Joden uit Asia" in Jeruzalem waren, en juist die Joden, die toen in Asia al zo'n gruwelijke hekel hadden aan Paulus' evangelie, zetten nu ook in Jeruzalem de boel op stelten. Juist die Joden, die Paulus al zoveel leed hadden bezorgd door hun afgunst en haat tegen de boodschap die Paulus moest brengen, brachten door hun valse beschuldigingen al het volk in opschudding en zij sloegen de handen aan hem, al schreeuwende: Help, mannen van Israël!

 

Opvallend, dat hier in Hand 21:30 als laatste staat: "en terstond werden de poorten gesloten." Om te begrijpen waarom de poorten meteen gesloten werden, moeten we ons in die tijd verplaatsen. Toen was Israël bezet gebied van het Romeinse Rijk. En de overste van de Romeinen te Jeruzalem, wilde voorkomen dat een oproer zich naar buiten de stad verplaatste. Hij wilde als het ware alles binnen de eigen deuren houden. Want als zo'n oproer uitlekte, en het kwam de keizer in Rome ten gehore, dan zou deze troepen sturen om de rust te herstellen, maar dat zou voor de overste van de Romeinen te Jeruzalem een slechte beurt zijn, en die zou om die reden wel eens overgeplaatst kunnen worden. Daarom snel de poorten dicht, en zonder dat het bekend werd, zelf de problemen oplossen!

 

  • "En terwijl zij ( de Joden) hem poogden te vermoorden, kwam bericht in bij de overste der bezetting, dat geheel Jeruzalem in opschudding was; deze nam onmiddellijk soldaten en hoofdlieden, en trok op hen af. Toen zij nu de overste en de soldaten zagen, hielden zij op Paulus te slaan. Toen naderde de overste, liet hem grijpen, en met twee ketenen boeien, en deed er onderzoek naar, wie hij was en wat hij gedaan had. En uit de schare riep de één dit, de ander dat hem toe; en toen hij door het rumoer de ware toedracht niet kon te weten komen, liet hij hem naar de kazerne brengen. En toen hij bij de trappen gekomen was, geschiedde het, dat hij door de soldaten moest gedragen worden wegens het opdringen van de schare; want de volksmenigte volgde, al schreeuwende: Weg met hem! (Hand 21:31-36) (Hadden de Joden enkele jaren terug niet net zo tegen de Heere Jezus geroepen?)

 

  • En toen Paulus de kazerne zou worden binnengedragen, zeide hij tot de overste: Mag ik u iets zeggen? En hij zeide: Kent gij dan Grieks? Zijt gij dan niet de Egyptenaar, die dezer dagen oproer maakte en de vierduizend bandieten deed uittrekken naar de woestijn? Maar Paulus zeide: Ik ben een Jood uit Tarsus, burger van een welbekende stad in Cilicië; ik vraag u verlof tot het volk te mogen spreken." (Hand 21:37-39)

 

Paulus' eerste toespraak (tot de Joden in Jeruzalem)

 

In totaal heeft Paulus vijf toespraken tot zijn verdeding tegen de valse beschuldigingen van de Joden gehouden. Voor de duidelijkheid zijn de toespraken van Paulus volledig in deze bijbelstudie opgenomen. De toespraken laten zien, dat Paulus werkelijk slechts alleen zijn opdracht uitvoerde, die hij van de Heere ontvangen had.

 

De overste van de Romeinen zag in het spreken van Paulus een mogelijkheid om de opstand tot bedaren te brengen, en gaf Paulus toestemming de Joden toe te spreken. Paulus, boven aan de trappen staande, wenkte het volk met zijn hand; en toen het geheel stil geworden was, sprak hij hen in de Hebreeuwse taal toe en zeide:

 

  • "Mannen broeders en vaders, luistert naar hetgeen ik thans ter verdediging tot u ga zeggen. Toen zij nu hoorden, dat hij hen in de Hebreeuwse taal (het betrof Joden) toesprak, hielden zij zich te meer stil. En hij zeide: Ik ben een Jood, te Tarsus in Cilicië geboren, doch in deze stad opgevoed, aan de voeten van Gamaliël opgeleid met nauwgezette inachtneming van de wet onzer vaderen, een ijveraar voor God evenals gij allen heden zijt. En ik heb deze weg (= de weg van Jezus) ten dode toe vervolgd door mannen en vrouwen in boeien te slaan en gevangen te zetten, gelijk ook de hogepriester van mij getuigen kan en de gehele Raad der oudsten, van wie ik ook met brieven aan de broeders naar Damascus gereisd ben, om ook hen, die daar waren, geboeid naar Jeruzalem te brengen, opdat zij gestraft zouden worden."

 

  • "Maar het gebeurde mij, toen ik op mijn reis dicht bij Damascus gekomen was, dat plotseling omstreeks de middag uit de hemel een fel licht mij omstraalde, en ik viel op de grond en hoorde een stem tot mij zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En ik antwoordde: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide tot mij: Ik ben Jezus, de Nazoreeër, die gij vervolgt. En zij, die met mij waren, zagen wèl het licht, maar de stem van Hem, die tot mij sprak, hoorden zij niet. En ik zeide: Here, wat moet ik doen? En de Here zeide tot mij: Sta op en reis naar Damascus, en daar zal u gezegd worden al hetgeen u opgelegd is om te doen. En daar ik vanwege de glans van dat licht niet meer kon zien, werd ik bij de hand geleid door hen, die met mij waren, en ik kwam te Damascus. En een zekere Ananias, een godvruchtig man naar de wet, van wie alle Joden, die daar woonden, een goed getuigenis gaven, kwam tot mij, ging bij mij staan en zeide tot mij: Saul, broeder, word weer ziende! En op hetzelfde ogenblik werd ik weer ziende en zag hem. En hij zeide: De God onzer vaderen heeft u voorbestemd om zijn wil te leren kennen en de Rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te horen; want gij moet getuige voor Hem zijn bij alle mensen, van hetgeen gij gezien en gehoord hebt. En nu, wat aarzelt gij nog? Sta op, laat u dopen en uw zonden afwassen, onder aanroeping van zijn naam. En het overkwam mij, toen ik te Jeruzalem was teruggekeerd en in de tempel aanbad, dat ik in zinsverrukking geraakte, en dat ik Hem zag, die tot mij zeide: Haast u en vertrek spoedig uit Jeruzalem, want zij zullen van u geen getuigenis over Mij aannemen. En ik zeide: Here, zij weten zelf, dat ik het was, die hen, die in U geloofden, liet gevangen zetten en in de synagogen geselen; en toen het bloed van uw getuige Stefanus vergoten werd, werkte ik daaraan met volle instemming mede en bewaarde de kleren van hen, die hem doodden. En Hij zeide tot mij: Ga heen, want Ik zal u uitzenden, ver weg, naar de heidenen."
  • "Zij hoorden hem aan tot dit woord toe; maar toen verhieven zij hun stem en riepen: Weg van de aarde met zo iemand: want hij behoort niet te blijven leven!" (Hand 22:1-22)

 

Dit was een duidelijke toespraak van Paulus, waarin hij trachtte de Joden te overtuigen van zijn bediening, die hij in opdracht van God moest uitvoeren. Maar Paulus had in Jeruzalem te maken met Joden, die totaal verblind waren door de leer der "ouden", en door die valse leer een bedekking hadden voor de Waarheid. In hun ogen was het godslasterlijk dat het evangelie aan de heidenen gebracht werd door Paulus.

 

  • "Daarom begonnen de Joden te schreeuwen, en met hun kleren te zwaaien, en stof in de lucht te werpen, wat voor de overste van de Romeinen aanleiding was om Paulus in de kazerne te brengen, en hem onder geseling in verhoor te nemen, ten einde zich ervan te vergewissen, om welke reden zij zo tegen hem tierden. En toen men hem met de riemen in de houding strekte, zeide Paulus tot de hoofdman, die erbij stond: Moogt gij een Romein, en dat zonder dat hij een vonnis heeft, geselen? Toen de hoofdman dit hoorde, ging hij naar de overste, berichtte het hem en zeide: Wat gaat gij doen? Want deze man is een Romein. En de overste ging erheen en zeide tot hem: Zeg mij, zijt gij een Romein? En hij zeide: Ja. En de overste antwoordde: Ik heb dit burgerrecht voor een grote som verkregen. Maar Paulus zeide: Doch ik bezit het door geboorte. Dadelijk hielden dan zij, die hem gerechtelijk moesten onderzoeken, op; en ook de overste werd bevreesd, nu hij bemerkte, dat hij een Romein was en hij hem had laten binden." (Hand 22:23-29)

 

Paulus' tweede toespraak (tot de Joden in Jeruzalem)

 

Omdat de overste van de Romeinen nauwkeurig wilde weten, waarvan Paulus door de Joden beschuldigd werd, liet hij hem de boeien afnemen, en hij beval de overpriesters en de gehele Joodse Raad bijeen te komen. En hij bracht Paulus uit de kazerne en stelde hem voor hen. (Hand 22:30)

 

  • "En Paulus, de ogen op de Raad gericht, zeide: Mannen broeders, ik voor mij heb een volkomen zuiver geweten voor God over mijn gedrag in het openbaar tot op deze dag. Maar de hogepriester Ananias beval hun, die naast hem stonden, hem op de mond te slaan. Toen zeide Paulus tot hem: God moge u slaan, gij gewitte wand! En gij, zit gij over mij recht te spreken naar de wet en beveelt gij tegen de wet mij te slaan? Maar de omstanders zeiden: Scheldt gij de hogepriester Gods uit? En Paulus zeide: Ik wist niet, broeders, dat het de hogepriester was, want er staat geschreven: Van een overste uws volks zult gij geen kwaad spreken. En daar Paulus wist, dat het ene deel behoorde tot de Sadduceeën en het andere tot de Farizeeën, riep hij in de Raad: Mannen broeders, ik ben een Farizeeër, een zoon van Farizeeën, ik sta terecht om de hoop en de opstanding der doden. En toen hij dit zeide, kwam er tweedracht tussen de Farizeeën en de Sadduceeën en de menigte werd verdeeld. Want de Sadduceeën zeggen, dat er geen opstanding is, noch engel of geest, maar de Farizeeën belijden zowel het een als het ander. En er ontstond groot geschreeuw, en sommige van de schriftgeleerden van de groep der Farizeeën stonden op en streden heftig en zeiden: Wij vinden generlei kwaad in deze mens! En indien nu eens een geest tot hem heeft gesproken, of een engel! En toen er grote tweedracht ontstond, vreesde de overste, dat Paulus door hen zou worden verscheurd, en hij liet de soldaten komen om hem uit hun midden weg te halen en naar de kazerne te brengen." (Hand 23:1-10)

En de volgende nacht stond de Here bij hem en zeide: Houd moed, want zoals gij te Jeruzalem van Mij getuigd hebt, moet gij ook te Rome getuigen. (Hand 23:11)

 

Een Samenzwering der Joden

 

  • "En toen het dag was geworden, maakten de Joden een komplot en vervloekten zichzelf met de gelofte, dat zij niet zouden eten of drinken, voordat zij Paulus hadden gedood. En het waren er meer dan veertig, die deze samenzwering maakten; dezen gingen naar de overpriesters en de oudsten en zeiden: Wij hebben onszelf met een vloek verbonden om niets te nuttigen, voordat wij Paulus gedood hebben. Geeft gij nu de overste, met de Raad, duidelijk te verstaan, dat hij hem voor u moet brengen, alsof gij nauwkeuriger van zijn zaak op de hoogte wildet komen; dan nemen wij op ons hem uit de weg te ruimen, eer hij nog dichtbij is." (Hand 23:12-15)

 

"Maar de zoon van Paulus’ zuster hoorde van deze hinderlaag en hij was Paulus goed gezind, en ging daarom naar de kazerne, en vertelde daar aan Paulus wat hij gehoord had. En Paulus riep een van de hoofdlieden en zei:

  • "Breng deze jongeman naar de overste, want hij heeft hem iets te melden." De jongeman werd naar de overste van de Romeinen gebracht, en daar deed hij zijn verhaal. Hij vertelde van het complot wat de Joden tegen Paulus hadden gesmeed. De jongeman vond gehoor bij de overste, welke zijn maatregelen nam om Paulus te beschermen. (Hand 23:16-22)

 

Nadat de zoon van Paulus’ zuster van de hinderlaag, die de Joden voor Paulus hadden opgezet, had gehoord, was hij naar de kazerne van de Romeinen gegaan, om daar alles te vertellen wat hij had vernomen. En de overste van de Romeinen in Jeruzalem nam naar aanleiding van zijn verhaal de nodige maatregelen om Paulus te beschermen. (Hand 23:16-22)

 

Paulus naar Caesarea

 

En hij riep een tweetal hoofdlieden bij zich en zeide: Laat tweehonderd soldaten zich gereed houden om naar Caesarea te trekken en zeventig ruiters en tweehonderd lansdragers omtrent het derde uur van de nacht; en laat men rijdieren voorbrengen om Paulus daarop te zetten en veilig over te brengen naar stadhouder Felix. En de overste van de Romeinen te Jeruzalem, Claudius Lysias, schreef een brief aan stadhouder Felix te Caesarea, waarin Claudius Lysias uitlegde wat er allemaal in Jeruzalem was gebeurd, en waarom hij Paulus in veiligheid had gebracht. (Hand 23:23-35)

 

Paulus voor Felix (52-60 na Chr)

 

  • "En vijf dagen daarna kwam de hogepriester Ananias met enige oudsten en een advocaat, Tertullus, om tegen Paulus bij de stadhouder Felix hun klachten in te dienen." (Hand 24:1)

 

Deze tekst getuigd van een "bewijs van onvermogen" van de hogepriester en de oudsten van Israël. Zij konden het alleen niet af, maar hadden een sluwe advocaat nodig om Paulus aan te klagen. De hogepriester en de oudsten konden uit de Schriften weten, dat Paulus de waarheid sprak, zeker voor wat betreft zijn verkondiging aangaande de Christus. En Paulus had niets anders verkondigd, dan wat in "Mozes en de Profeten" was na te speuren! Bovendien hadden zij, wanneer zij werkelijk in dienst van God hadden gestaan, en zo in nauwe relatie met God hadden gewandeld, ook van God op de één of andere manier te kennen gekregen, dat Paulus slechts Gods opdracht uitvoerde.

Maar zij gingen bij hun eigendunkelijke verderfelijke godsdienst te rade, menende daaruit wijsheid te ontvangen, en menende daardoor met Paulus te kunnen afrekenen.

 

  • "En toen Paulus voorgeroepen was, begon de advocaat Tertullus zijn beschuldiging met te zeggen: Dat wij door uw (= Felix) toedoen grote vrede genieten en dat er verbeteringen voor dit volk tot stand komen door uw beleid, hoogedele Felix, erkennen wij alleszins en overal met grote erkentelijkheid. Maar om u niet te lang op te houden, verzoek ik u, met uw bekende welwillendheid ons een ogenblik te willen aanhoren. Want wij hebben gevonden, dat deze man een pest is, iemand, die opstanden verwekt onder alle Joden over de ganse wereld, een eerste voorstander van de secte der Nazoreeërs; die ook een poging heeft gewaagd om de tempel te ontwijden, en die wij in hechtenis hebben genomen, [en naar onze wet wilden oordelen. Maar de overste Lysias is tussenbeide gekomen en heeft hem met groot geweld buiten ons bereik gebracht, en bevolen, dat de aanklagers zich tot u zouden wenden]. Gij zult zelf, wanneer gij hem in verhoor neemt over al deze dingen, wel van hem kunnen te weten komen, waarvan wij hem beschuldigen. En ook de Joden sloten zich bij de beschuldiging aan, door te bevestigen, dat dit alles zo was." (Hand 24:2-9).

 

Met holle, schoonklinkende, overdreven gedienstige woorden, probeert de advocaat Tertullis in een goed blaadje te komen bij Felix. En dan houdt hij een wanstaltig betoog wat één en al leugen bevat.

Zo werkt Gods tegenstander, ook hij probeert met schoonklinkende, leugenachtige woorden mensen te verleiden, en van de Waarheid af te houden.

 

Paulus' derde Toespraak (voor stadhouder Felix)

 

  • "Maar Paulus antwoordde, toen de stadhouder hem een wenk gaf om te spreken: Daar ik weet, dat gij sedert vele jaren rechter over dit volk zijt, verdedig ik mijn zaak met goede moed. Gij kunt u immers ervan vergewissen, dat het niet langer dan twaalf dagen geleden is, dat ik naar Jeruzalem ben gegaan om te aanbidden. En zij hebben mij noch in de tempel aangetroffen, terwijl ik met iemand sprak of een volksoploop veroorzaakte, noch in de synagogen, noch ergens in de stad; en zij kunnen niets, waarvan zij mij nu beschuldigen, voor u bewijzen. Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij een secte noemen, inderdaad de God der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat, terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn. En hierin oefen ik mijzelf, altijd een onergerlijk geweten te hebben voor God en de mensen. En na verloop van vele jaren ben ik gekomen om aalmoezen voor mijn volk te brengen en offeranden, waarmede men mij, geheiligd zijnde, [hij had immers de gelofte afgelegd] in de tempel bezig vond, zonder volksoploop of opschudding. Maar enige Joden uit Asia – die moesten hier voor u staan en hun aanklacht indienen, indien zij iets tegen mij hebben. Of laten dezen hier zelf zeggen, wat voor misdrijf zij hebben gevonden, toen ik voor de Raad stond, of het moest zijn dit ene woord, dat ik, in hun midden staande, uitriep: Ter zake van de opstanding van doden sta ik heden voor u terecht!" (Hand 24:10-21)

 

  • "Maar Felix, die zeer goed van de wegop de hoogte was, verdaagde hun zaak en zeide: Zodra de overste Lysias (uit Jeruzalem) komt, zal ik in uw zaak een beslissing nemen; en hij beval de hoofdman hem in bewaring te houden, maar minder streng, en niemand van de zijnen te beletten hem van dienst te zijn."
  • "En na enige dagen kwam Felix daar met Drusilla, zijn vrouw, die een Jodin was, en hij liet Paulus roepen en hoorde hem over het geloof in Christus Jezus. Maar toen hij sprak over rechtvaardigheid en ingetogenheid en het toekomstig oordeel, werd Felix bevreesd en antwoordde: Ga voor heden heen; wanneer ik nog eens gelegenheid heb, zal ik u wel weder ontbieden; en tegelijkertijd hoopte hij, dat hem door Paulus geld zou worden aangeboden. Dit was ook de reden, dat hij hem telkens weer liet komen en zich met hem onderhield."
  • "Maar toen de termijn van twee jaar voorbij was, kreeg Felix tot opvolger Porcius Festus; en daar Felix de Joden een gunst wilde bewijzen, liet hij Paulus in gevangenschap achter." (Hand 24:22-27)

 

Dus Paulus zat daar in Caesarea twee jaar gevangen. We lazen dat Felix "zeer goed van de wegop de hoogte was". Ook lazen we dat hij getrouwd was met een Joodse vrouw. Dit samengevat, dan zou het heel goed zo kunnen zijn, dat Felix door zijn vrouw op de hoogte was gebracht van de weg.

 

Maar we lezen niet dat Felix een gelovige was. Ergens van op de hoogte zijn is iets anders dan ergens in geloven. Bovendien was hij niet aangeraakt in zijn binnenste door de prediking van Paulus, want wanneer Paulus sprak over rechtvaardigheid en het toekomstig oordeel, werd Felix bevreesd en antwoordde: "Ga voor heden heen; wanneer ik nog eens gelegenheid heb, zal ik u wel weder ontbieden." Hij maakte zich ervan af. Heel iets anders lezen we toen de mannen broeders van Israël de boodschap op de pinksterdag van Petrus hoorden. Toen die hoorden over de Christus, werden zij diep in hun hart getroffen, en zeiden: "Wat moeten wij doen, mannen broeders?" Zij beseften hun zondige toestand. Maar Felix stuurde Paulus weg.

 

Paulus voor Festus (60-62 na Chr)

 

  • "Festus (de opvolger van Felix) hield dan zijn intocht in zijn provincie en ging drie dagen later van Caesarea naar Jeruzalem. En de overpriesters en de voornaamsten der Joden dienden klachten tegen Paulus bij hem in, en verwachtten van hem een gunst ten nadele van Paulus, verlangende, dat hij hem naar Jeruzalem zou laten komen, daar zij een aanslag smeedden om hem onderweg om te brengen. Doch Festus antwoordde, dat Paulus te Caesarea in bewaring bleef en dat hij zelf binnenkort (daarheen) zou vertrekken. Laten dan, zeide hij, zij, die onder u bevoegd zijn, medereizen en, als er iets onbehoorlijks in deze man is, hem beschuldigen." (Hand 25:1-5)

 

  • "En na een verblijf bij hen van niet meer dan acht of tien dagen vertrok hij naar Caesarea, zette zich de volgende dag op de rechterstoel en beval Paulus vóór te brengen. En toen hij vóórkwam, omringden hem de Joden, die uit Jeruzalem gekomen waren, en brachten vele zware beschuldigingen in, die zij niet konden bewijzen, terwijl Paulus zich aldus verdedigde: (Hand 25:6-8)

 

Paulus' vierde Toespraak (voor stadhouder Festus)

 

Paulus zei:

  • "Ik heb noch tegen de wet der Joden noch tegen de tempel, noch tegen de keizer iets misdreven. Maar Festus, die de Joden een gunst wilde bewijzen, antwoordde en zeide tot Paulus: Wilt gij naar Jeruzalem gaan en dáár in mijn bijzijn terechtstaan in deze zaak? En Paulus zeide: Ik sta voor de keizerlijke rechtbank, en dáár moet ik terechtstaan. Tegen de Joden heb ik niets misdreven, gelijk ook gij zeer wel inziet. Indien ik echter schuldig ben en een halsmisdaad gepleegd heb, verzet ik mij niet tegen een doodvonnis; maar indien er niets waar is van datgene, waarvan dezen mij betichten, dan kan niemand mij bij wijze van gunst aan hen uitleveren: ik beroep mij op de keizer! Toen antwoordde Festus, na overleg met zijn Raad: Op de keizer hebt gij u beroepen, naar de keizer zult gij gaan!" (Hand 25:8-12)

 

Aangezien de beschuldigingen tegen Paulus betrekking hebben op de Joodse godsdienst en tradities roept Festus voor een tweede verhoor de hulp in van Herodes Agrippa II, die zich laat vergezellen van zijn zus Berenice. Festus en Agrippa komen tot de conclusie dat de aanklachten tegen Paulus ongegrond zijn, maar Paulus heeft zich dan al beroepen op de keizer, dat recht had ieder Romeins staatsburger. Daarom stuurt Festus hem naar Rome om voor keizer Nero zijn zaak te bepleiten:

 

Paulus voor Agrippa

 

  • "En toen enige dagen verlopen waren, kwamen koning Agrippa en Bernice te Caesarea om Festus te begroeten." (Hand 25:13).

Wie is deze koning Agrippa? Het blijkt dat hij uit de Herodessen-familie afstamt. Koning Agrippa II, van Handelingen 25 en 26 is de laatste telg uit een "vermaarde" dynastie van Herodessen. In de Bijbel komen we er vier tegen. In de eerste plaats is daar Herodes de Grote. Hij is de man van de kindermoord te Bethlehem. Eén van diens zonen is Herodes Antipas. Dat was de man die Johannes de Doper gevangen liet nemen en later betrokken is in het proces tegen de Heere Jezus. De derde Herodes is een oomzegger van laatstgenoemde: Agrippa I. Hij is de Herodes die Jacobus laat doden en trouwens zelf voor de ogen van het publiek gruwelijk aan z'n einde komt. De zoon van deze Agrippa I is Agrippa II van Handelingen 25 en 26.

 

Paulus is het mikpunt van een enorme hetze onder zijn orthodoxe volksgenoten. Paulus kwam nergens zoveel verzet tegen als juist temidden van de orthodoxie van zijn dagen. Zien we dat vandaag de dag ook niet? Nergens is de weerstand tegen Paulus' boodschap zó groot, als juist temidden van degenen die als 'orthodox' of zelfs als 'bijbelgetrouw' te boek staan. De boodschap van het Evangelie van Paulus blijkt altijd haaks te staan op de (vooral godsdienstige) overleveringen van mensen. Juist in deze kringen is Paulus de onbegrepen Apostel.

 

Wanneer Paulus reeds geruime tijd gevangen zit in de kustplaats Caesarea verantwoord hij zich achtereenvolgens voor de Romeinse stadhouder Felix en diens opvolger Festus. Omdat Festus verlegen is met de zaak "Paulus", besluit hij het koning Agrippa II voor te leggen, als die de nieuwe stadhouder in Caesarea komt begroeten. Agrippa wordt geacht een expert te zijn aangaande interne Joodse aangelegenheden en dus krijgt Paulus de gelegenheid zich in het bijzijn van Festus en Agrippa te verdedigen.

 

  • "En toen enige dagen verlopen waren, kwamen koning Agrippa en Bernice te Caesarea om Festus te begroeten. En gedurende de vele dagen, die zij daar doorbrachten, legde Festus aan de koning de zaak van Paulus voor, en zeide: Er is door Felix een man gevangen achtergelaten, tegen wie de overpriesters en de oudsten der Joden, toen ik te Jeruzalem was, klachten ingediend hebben en wiens veroordeling zij verzochten. Ik antwoordde hun, dat Romeinen niet de gewoonte hebben, een mens bij wijze van gunst uit te leveren; de beschuldigde moet eerst zijn aanklagers tegenover zich zien en de gelegenheid krijgen zich tegen de aanklacht te verdedigen. Daar zij nu hierheen medegekomen waren, heb ik zonder uitstel de dag daarop mij op de rechterstoel gezet en bevolen de man vóór te brengen. En de aanklagers, die rondom hem stonden, brachten geen enkele beschuldiging in over de boze dingen, die ik vermoedde, doch zij hadden met hem enige twistpunten over hun eigen godsdienst en over een zekere Jezus, die dood is, van wie Paulus beweerde, dat Hij leeft. En daar ik met het onderzoek hiervan verlegen was, vroeg ik, of hij naar Jeruzalem wilde gaan, om daar over deze dingen terecht te staan. Maar toen Paulus in hoger beroep kwam, om tot de beslissing van Zijne Majesteit [= de keizer] in bewaring te worden gehouden, beval ik, dat hij zou worden bewaard, totdat ik hem naar de keizer kon opzenden. En Agrippa zeide tot Festus: Ik zou zelf die man ook wel willen horen. En hij zeide: Morgen zult gij hem horen." (Hand 25:13-22)

 

  • "Toen dan de volgende dag Agrippa en Bernice gekomen waren met grote praal en de gehoorzaal waren binnengegaan met de oversten en de mannen, die de voornaamsten der stad waren, werd Paulus op bevel van Festus vóórgebracht. En Festus zeide: Koning Agrippa en gij allen, die met ons hier aanwezig zijt, gij ziet hier iemand, terzake van wie de gehele menigte der Joden zich te Jeruzalem en hier tot mij gewend heeft, roepende, dat hij niet langer moest blijven leven. Maar het bleek mij, dat hij geen halsmisdaad had gepleegd, en daar hij zelf zich op Zijne Majesteit beriep, besloot ik hem op te zenden. Maar ik heb niets stelligs over hem aan mijn heer te schrijven; daarom heb ik hem vóór u laten komen, en voornamelijk vóór ú, koning Agrippa, om, nadat het onderzoek heeft plaats gehad, iets te kunnen schrijven; want het dunkt mij ongerijmd, als men een gevangene opzendt, ook niet de punten van beschuldiging tegen hem kenbaar te maken." (Hand 25:23-27)

 

Paulus' vijfde Toespraak (voor koning Agrippa)

 

  • "En Agrippa zeide tot Paulus: Het is u vergund voor u zelf te spreken. Toen strekte Paulus zijn hand uit en verantwoordde zich: Ik heb mijzelf gelukkig geacht, koning Agrippa, dat ik mij heden voor u zal mogen verantwoorden over alle punten, waarop ik door de Joden word beschuldigd, daar gij vooral een kenner zijt van alle gewoonten en twistpunten bij de Joden; daarom verzoek ik u mij geduldig te willen aanhoren."

 

  • "Mijn leven dan van jongsaf, dat ik van den beginne aan geleid heb onder mijn volk en te Jeruzalem, kennen alle Joden, daar zij sedert lange tijd van mij weten, indien zij het slechts willen getuigen, dat ik naar de meest nauwgezette partij van onze godsdienst, als Farizeeër, geleefd heb. En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, word ik door Joden aangeklaagd."

 

  • "Waarom wordt het bij u ongelofelijk geacht, als God doden opwekt? Ik voor mij was tot de slotsom gekomen, dat ik tegen de naam van Jezus, de Nazoreeër, fel moest optreden, wat ik dan ook gedaan heb te Jeruzalem; en ik heb vele van de heiligen in gevangenissen opgesloten, waartoe ik de macht van de overpriesters ontvangen had; en als zij zouden omgebracht worden, heb ik mijn stem eraan gegeven. En in alle synagogen trachtte ik hen dikwijls door toepassing van straffen tot lastering te dwingen en in tomeloze woede tegen hen heb ik hen vervolgd, tot zelfs in de buitenlandse steden."

 

  • "En toen ik onder die omstandigheden naar Damascus reisde met volmacht en opdracht der overpriesters, zag ik, o koning, midden op de dag onderweg een licht, schitterender dan de glans der zon, van de hemel mij en hen, die met mij reisden, omstralen; en toen wij allen ter aarde vielen, hoorde ik een stem tot mij spreken in de Hebreeuwse taal: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? Het valt u zwaar tegen de prikkels achteruit te slaan. En ik zeide: Wie zijt Gij, Here? En de Here zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar richt u op en sta op uw voeten; want hiertoe ben Ik u verschenen om u aan te wijzen als dienaar en getuige daarvan, dat gij Mij gezien hebt en dat Ik aan u verschijnen zal, u verkiezende uit dit volk en de heidenen, waarheen Ik u zend, om hun ogen te openen ter bekering uit de duisternis tot het licht en van de macht van de satan tot God, opdat zij vergeving van zonden en een erfdeel onder de geheiligden zouden ontvangen door het geloof in Mij."

 

  • "Daarom, koning Agrippa, ben ik dat hemelse gezicht niet ongehoorzaam geweest, maar ik heb eerst hun, die te Damascus waren, en te Jeruzalem en in het gehele Joodse land en de heidenen verkondigd, dat zij met berouw zich zouden bekeren tot God en werken doen, met hun berouw in overeenstemming. Hierom hebben de Joden mij in de tempel gegrepen en getracht mij om te brengen. Als een getuige, die hulp van God heeft ontvangen tot op deze dag, sta ik dus hier voor klein en groot, zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou, namelijk, dat de Christus zou lijden, en dat Hij als eerste uit de opstanding der doden het licht zou aankondigen en aan het volk en aan de heidenen."

 

  • "En terwijl hij dit tot zijn verdediging aanvoerde, zeide Festus met luider stem: Gij spreekt wartaal, Paulus, uw vele studie brengt u in de war. Maar Paulus zeide: Hoogedele Festus, ik spreek geen wartaal, maar nuchtere waarheid. Want de koning weet van deze dingen en tot hem spreek ik vrijmoedig, want ik kan niet geloven, dat hem iets van deze dingen onbekend is; dit is immers niet in een uithoek geschied. Koning Agrippa, gelooft gij de profeten? Ik weet, dat gij ze gelooft! Maar Agrippa zeide tot Paulus: Gij wilt mij wel spoedig als Christen laten optreden! En Paulus zeide: Ik zou God wel willen bidden, dat èn spoedig èn voorgoed, niet alleen gij, maar ook allen, die mij heden horen, ook zo werden als ik, uitgezonderd deze boeien."

 

  • "En de koning stond op en de stadhouder en Bernice en die met hen hadden plaats genomen; en ter zijde gegaan, spraken zij onder elkander: Deze man is aan niets schuldig, waarop dood of gevangenschap staat. En Agrippa zeide tot Festus: Deze mens had vrij kunnen zijn, als hij zich niet op de keizer had beroepen." (Hand 26:1-32)

 

 

Vierde Reis van Paulus (naar Rome) (Hand 27:1 - 28:31)

zie kaart hieronder

Paulus' Reis naar Rome

 

Toen door koning Agrippa en Festus beslist was, dat Paulus als Romeins staatsburger zijn recht zou krijgen om naar de keizer te gaan, werd besloten naar Italië af te varen. Paulus en enige andere gevangenen werden aan een hoofdman, genaamd Julius, van de keizerlijke afdeling, toevertrouwd.

 

  • "En op een schip uit Adramyttium, dat naar de kustplaatsen van Asia zou varen, kozen wij zee, met Aristarchus, een Macedoniër uit Tessalonica, bij ons. En de volgende dag gingen wij te Sidon aan land en Julius behandelde Paulus vriendelijk en vergunde hem naar zijn vrienden te gaan om zich te laten verzorgen. En vandaar afgevaren, voeren wij onder Cyprus langs, omdat de winden tegen waren; wij staken de volle zee bij Cilicië en Pamfylië over en kwamen te Myra in Lycië aan."
  • "En daar vond de hoofdman een schip uit Alexandrië, dat naar Italië voer, en hij liet ons daarop overgaan. En daar wij verscheidene dagen lang weinig vorderden en met moeite ter hoogte van Knidus konden komen, daar de wind ons niet gunstig was, voeren wij onder Kreta langs ter hoogte van Salmone; en daar met moeite voorbijkomende, bereikten wij een plaats, Goede Rede geheten, waar de stad Lasea dichtbij lag." (Hand 27:2-8)

 

Waarschijnlijk was het eerste schip uit Adramyttium, niet groot en robuust genoeg om de Middellandse zee te bevaren. We lazen dat het een schip was "dat naar de kustplaatsen van Asia zou varen." Het was dus een kustvaarder. Daarom koos de hoofdman Julius in Myra een ander zeewaardig schip uit Alexandrië, dat naar Italië voer.

  • "En toen door het vele tijdverlies de vaart reeds bedenkelijk werd, daar ook de vasten reeds achter de rug was, waarschuwde Paulus hen met deze woorden: Mannen, ik zie, dat de vaart met ongerief en grote averij gepaard zal gaan, niet alleen wat lading en schip, maar ook wat ons leven aangaat. Maar de hoofdman stelde meer vertrouwen in de stuurman en de schipper dan in de woorden van Paulus. En daar de haven niet geschikt was om te overwinteren, ried het merendeel aan, vandaar zee te kiezen om zo mogelijk Phoeniks, een haven op Kreta, beschermd liggende naar het zuidwesten en het noordwesten, te bereiken, ten einde daar te overwinteren. En toen er een zachte zuidenwind opstak en zij meenden hun oogmerk te hebben bereikt, lichtten zij het anker en hielden zo dicht mogelijk langs de kust van Kreta." (Hand 27:9-13)

 

  • "Maar kort daarop sloeg vandaar een stormwind neer, de zogenaamde Eurakylon; en toen het schip werd meegesleurd en de kop niet in de wind kon houden, moesten wij het opgeven en dreven weg." (Hand 27:14-15)

 

De Eurakylon is een wind die plotseling opkomt, die plotseling op je neerslaat. Mensen in nood hoor je wel vaker zeggen: het is me overkomen, of het is me overvallen. Kenmerk van de Eurakylon is dat het een aflandige wind is: Hij overvalt je, en je komst steeds dieper op zee, ofwel: steeds dieper in de problemen.

 

  • "Maar wij schoten in de luwte van een eilandje, Klauda geheten, waar wij nog moeite hadden de sloep meester te worden; nadat ze haar opgehesen hadden, namen zij hulpmiddelen te baat door het schip te ondergorden; en daar zij bang waren op de Syrte te worden geworpen, haalden zij het tuig neer en lieten zich zo drijven. En daar wij vreselijk noodweer hadden, wierpen zij de volgende dag lading over boord, en de derde dag gaven zij eigenhandig het scheepstuig prijs. En toen zich verscheidene dagen zon noch sterren vertoonden, en zwaar noodweer ons bedreigde, werd ons tenslotte alle hoop op redding benomen." (Hand 27:16-20)

De storm treft schip en alle opvarenden, inclusief Paulus. Als gelovigen lijden wij met de wereld mee… Zitten in ’t zelfde schuitje. Ons overkomt het zelfde, maar juist in zo'n situatie wil God Paulus en óns gebruiken ten gunste van hen die er dan écht slecht en alleen voor staan.

We lezen dat de bemanning al hun kennis en kracht inzet om er goed van af te komen. Het één na het ander laten ze los. Eerst de scheepslading, daarna het scheepstuig, maar het helpt niet. Mensen kunnen zichzelf niet redden. We lazen in vers 11 dat de hoofdman meer vertrouwen stelde in de stuurman en de schipper dan in de woorden van Paulus. Ze vertrouwen op "eigen kunnen", en raken "in dat eigen kunnen" hun positie en koers steeds verder kwijt. Ze weten niet meer waar ze zitten. Ze zien het - letterlijk – niet meer zitten en hebben geen hoop meer. Maar......wanneer de nood op het hoogst is..............gaat God door de mond van Paulus spreken:

  • "En nadat zij lang zonder eten waren gebleven, ging Paulus in hun midden staan en zeide: Mannen, had men maar naar mij geluisterd om niet van Kreta weg te varen en zich dit ongerief en deze averij te besparen! Maar ook nu wek ik u op moed te houden, want het leven van niemand uwer zal verloren gaan, alleen maar het schip. Want deze nacht heeft een engel van de God, wie ik toebehoor en die ik vereer, bij mij gestaan, en hij heeft gezegd: Wees niet bevreesd, Paulus, want gij moet voor de keizer staan; en zie, allen, die met u varen, heeft God u geschonken. Daarom, mannen, houdt moed, want dit vertrouwen heb ik op God, dat het zo zal gaan, als mij gezegd is. Maar wij moeten op een of ander eiland stranden." (Hand 27:21-26).

 

Toen pas, wanneer mensen door de nood gedreven, wel moeten zwijgen, kan Paulus spreken. Paulus had al eerder gewaarschuwd, maar ze waren eigenwijs, en hadden niet naar hem geluisterd. Paulus spreekt maar één keer heel kort veroordelend. Achterom kijken lost immers niks op. En ondanks dat ze eerder niet wilden luisteren, had Paulus toch een hoopvolle en bemoedigende boodschap! Alle 276 opvarende zullen het er levend afbrengen. God wil niet dat er sommigen verloren gaan (2 Petr 3:9), voor Hem telt élk leven. Bij Hem is iedereen kóstbaar.

 

Paulus spreekt moed in met het volste vertrouwen op God. En tegelijk zijn zijn woorden een lichtend voorbeeld van een onwankelbaar geloof. “Het zál gaan zoals God mij heeft gezegd”. Paulus behoort een God toe die de andere opvarenden niet kennen. Maar wat hen echt aangesproken zal hebben, is dat hij die God niet alleen toebehoort, maar ook dient! Dat zijn twee verschillende dingen. Iedereen (zeker zeelieden!) hoorde wel bij een god. Dat zagen we ook toen Jona in een hevige storm op zee was, en de zee zó wild werd, dat het schip dreigde te breken. Ook toen werden de zeelieden bang, en ieder riep tot zijn eigen god om hulp. (Jona 1:4-5) Maar bijna niemand was zo fanatiek om die God ook écht te dienen. De relatie ontbrak. Het was alleen religie. Maar hier zien 275 niet-christenen een man die een ware relatie had met zijn God. Die daarom vertrouwen had in zijn God. Religie schept geen vertrouwen. Maar tonen dat je een persoonlijke relatie hebt met God, schept wel vertrouwen en het wekt op tot geloof en navolging.

 

  • "Toen nu de veertiende nacht was aangebroken, dat wij in de Adriatische Zee rondzwalkten, vermoedde het scheepsvolk midden in de nacht, dat er land naderde. En zij peilden met het lood twintig vadem en iets verder peilden zij vijftien vadem, en uit vrees van tegen de klippen geslagen te worden, wierpen zij vier ankers van het achterschip uit en baden, dat het dag mocht worden."
  • "Doch toen het scheepsvolk uit het schip trachtte weg te komen en de sloep te water liet onder voorwendsel dat zij van het voorschip ankers wilden uitbrengen, zeide Paulus tot de hoofdman en zijn soldaten: Indien zij niet aan boord blijven, kunt gij niet gered worden. Toen kapten de soldaten de touwen van de sloep en lieten haar in zee vallen." (Hand 27:27-32)

 

De hoop gloort. Er komt land dichterbij. Wat gebeurt er? Enkele bemanningsleden willen er met de sloep vandoor. Zij zijn alleen gericht op hun eígen redding, zij vertrouwen nog steeds op eigen kunnen. Maar de Romeinse hoofdman had vertrouwen gekregen in Paulus. Zelfs de sloep, een soort reddingsboot werd op Paulus' bevel losgekapt, zodat hun laatste "strohalm" in de golven verdween, en zij enkel en alleen nog maar op Paulus en op de God die Paulus vereerde, konden vertrouwen.

 

  • "En tegen dat het dag zou worden, spoorde Paulus hen allen aan voedsel te nemen en zeide: Het duurt nu reeds veertien dagen, dat gij maar blijft afwachten zonder eten en niets genuttigd hebt. Daarom spoor ik u aan voedsel te nemen, want dit is goed voor uw redding; want niemand uwer zal ook maar een haar van zijn hoofd gekrenkt worden. En terwijl hij dit zeide, nam hij brood, dankte God in aller tegenwoordigheid, brak het en begon te eten. En allen werden goedsmoeds en nuttigden eveneens voedsel. (Hand 27:33-36)

 

Paulus wist dat de redding nabij was, en omdat de bemanning waarschijnlijk verzwakt was doordat ze al veertien dagen zo goed als niets hadden gegeten, spoorde hij ze aan om te gaan eten. Daardoor zouden ze op krachten komen. Want die krachten zouden ze nodig hebben, om zwemmende, of hangende aan een of ander stuk hout aan land te komen. En Paulus gaf zelf het goede voorbeeld. Hij nam brood, en hij dankte God waar iedereen bij was, en wat iedereen kon horen. Let wel: er staat dat hij God dankte! Paulus vroeg niet om gered te worden. Hij dankte al voor de redding voordat zij gered waren. Paulus was volkomen overtuigd dat allen gered zouden worden. Hieruit kunnen we leren dat we God niet moeten vragen om dingen die we al hebben ontvangen. Ons gebed behoort een dankgebed te zijn.

  • "Wij waren nu in het geheel aan boord met tweehonderd zesenzeventig man. En toen zij van voedsel verzadigd waren, maakten zij het schip lichter door het graan in zee te werpen. En toen het dag werd, herkenden zij het land niet, maar zij bemerkten een inham, die een strand had, en zij overlegden, zo mogelijk het schip daarop te doen lopen. En zij haalden de ankers op en lieten zich voor de zee wegdrijven, terwijl zij meteen de roerbanden losmaakten, het voorzeil voor de wind hesen en op het strand aanhielden." (Hand 27:37-40)

 

In vers 40 komt het besluit om álles prijs te geven wat ze nog vast wilden houden. Volkomen overgave komt meestal pas op het moment als de crisis het hoogst is. Gods Geest overtuigd op zijn tijd. Allen die dan alles overgeven in Zijn hand worden behouden.

 

  • "Maar zij kwamen terecht op een uitstekende bank en raakten met het schip aan de grond. En het voorschip bleef onwrikbaar vastzitten, maar het achterschip brak af door het geweld (der golven). De soldaten nu waren van plan de gevangenen te doden, opdat niet iemand met zwemmen zou ontsnappen; maar de hoofdman, die Paulus wilde sparen, verijdelde hun voornemen en beval, dat wie zwemmen konden, het eerst over boord zouden springen om aan land te komen; en de overigen deels op planken, deels op wrakhout. En zo geschiedde het, dat allen behouden aan land kwamen." (Hand 27:41-44)

 

De Schipbreuk

 

Dat het schip waarmee Paulus als gevangene naar Rome werd gebracht, schipbreuk leed op Malta, was te wijten aan het roekeloze besluit van de hoofdman niet te overwinteren op Kreta. Tussen november en maart liep je als stuurman het risico overvallen te worden door de beruchte noordwesterstorm, de Eurakylon. (Hand. 27:14) In Hand 27:9 wordt vrij nauwkeurig aangegeven in welke periode van het jaar het schip, dat Paulus naar Rome moest brengen, in moeilijkheden kwam; de periode van de vasten was al voorbij. Hiermee heeft Lucas (die Handelingen heeft geschreven) op het oog het vasten op grote Verzoendag, op de tiende Tisri, dat is in de maand oktober. In november was het eigenlijk niet meer verantwoord uit te varen. De nachten werden langer en de stormen kwamen vaker voor. Daarom reisde men op zee slechts van maart tot november. Dat was het : "open seizoen". Het "gesloten seizoen" begon dus al in november.

 

Zeeschepen

 

Behalve kustvaartuigen waren er ook zeewaardige schepen. Toen Paulus als gevangene naar Rome werd gebracht, voer hij op een kustvaarder die uit Adramyttium kwam. Daar was zijn thuishaven. In Myra ging hij aan boord van een groot Alexandrijns korenschip. Dergelijke schepen hadden een zeer goede naam. Het waren grote, zeewaardige schepen waarmee men met het minste risico de grote oversteek over volle zee naar Rome kon wagen. Het is zo'n schip geweest waarmee Paulus op Malta schipbreuk heeft geleden.

 

In het voorafgaande hebben we gelezen hoe Paulus door de Heere vergezeld werd op zijn reis naar Rome. Hij was in alle gevaren op het schip "gezeten in de schuilplaats des Allerhoogsten", en in de zwaarste stormen "vernachtte hij in de schaduw des Almachtigen". Paulus' toevlucht en vesting was de Heere. Het was God op wie hij volkomen vertrouwde. (Psalm 91:1-2) En zo geschiedde het, dat allen behouden aan land kwamen." (Hand 27:44). 

Alexandrijns graansschip met roeiers en zeilen.

   Paulus op Malta

 

  • "En eerst toen wij in veiligheid waren, vernamen wij, dat het eiland Malta heette. En de inlanders bewezen ons buitengewone menslievendheid, want zij staken een groot vuur aan en haalden er ons allen bij om de dreigende regen en om de koude. En toen Paulus een bos dor hout bijeengehaald had en op het vuur legde, kwam er door de hitte een adder uit en beet zich vast aan zijn hand. En toen de inlanders het dier aan zijn hand zagen hangen, zeiden zij tot elkaar: Deze man is zeker een moordenaar, die de wraakgodin niet wil laten leven, nu hij aan de zee ontkomen is. Maar hij schudde het dier af in het vuur, zonder enig letsel te ondervinden; zij echter verwachtten, dat hij zou opzwellen of plotseling dood neervallen. Doch toen zij na lang wachten zagen, dat zich niets ongewoons bij hem voordeed, sloeg hun mening om en zeiden zij, dat hij een god was." (Hand 28:1-6)

 

Een bijzonder verhaal, en toch ook weer niet, gezien de context waarin dit gebeurde. Want Paulus bezat tot zijn aankomst in Rome bijzondere, van God ontvangen krachten. Dit hoorde bij de bediening van Paulus, die een verkondiger was van het aanstaande Koninkrijk voor Israël, waar onlosmakelijk de "zienlijke" wonderen en tekenen bij hoorden. En voor de omstanders was dit zeker een wonder, wat ze toen mochten zien.

 

  • "En in de omgeving (op Malta) van die plaats lag een landgoed van de bestuurder van het eiland, Publius genaamd, die ons opnam en ons drie dagen vriendelijk gastvrijheid verleende. Nu geschiedde het, dat de vader van Publius met ingewandskoortsen te bed lag; en Paulus ging tot hem en deed een gebed, en hij legde hem de handen op en genas hem. En toen dit geschied was, kwamen ook de anderen op het eiland, die ziekten hadden, en werden genezen; en zij vereerden ons ook met vele eerbewijzen en toen wij weer uitzeilden, voorzagen zij nog in hetgeen wij nodig hadden." (Hand 28:7-10)

 

We lezen helemaal niet dat de zieke eilandbewoners tot geloof kwamen, en daarom door hun geloof werden genezen. Nee, we hebben juist gelezen dat ze in andere goden, onder anderen de wraak- godin, geloofden. Maar omdat het bij de prediking van het Koninkrijk hoorde, werden de vader van Publius en alle zieke eilandbewoners door Paulus genezen. Na hun genezing gaven zij zelfs niet God de eer, maar we lezen dat zij Paulus vereerden, en van het nodige voorzagen. Toch mogen we in dit gebeuren een beeld zien van het komende Koninkrijk. Want ook dan (te dien dage) zal vanuit  

Jeruzalem, waar Christus dan op de troon zal zitten, de macht uitgaan. En de macht en de heerlijkheden zullen vanuit Jeruzalem eerst naar de gehele regio uitstralen, en vandaar over de gehele aarde. Ook dan zullen niet alleen in Israël, maar overal waar Christus heerst, wonderen en tekenen plaatsvinden. En een kleine "voor-vervulling" zien we hier op Malta. Want we lazen dat "ook de anderen op het eiland, die ziekten hadden, werden genezen."

 

 

Zo zien we dat vlak vóór de terzijdestelling van Israël in Hand 28:26 de wonderen en tekenen nog aanwezig waren. Met het uitstel van Israëls Koninkrijk, werd ook de zegen van genezing, behorende bij de prediking van dat Koninkrijk, door God zelf weggenomen. Wanneer we kijken naar de gebeurtenissen na Handelingen dan merken we dat Paulus helemaal niet meer in staat was om te genezen. Toen was Israël, en daarmee het Koninkrijk, tijdelijk (nu al 2000 jaar) terzijde gesteld door de Heere.

 

 

Gebeurtenissen die Paulus meemaakte na Handelingen 28, en waar geen genezing optrad:

  

  • Epafroditus was zo ziek dat hij de dood nabij was: "Hij is ook ziek geweest, de dood nabij." (Fil. 2:26-27)

  • Timoteüs had ook bepaalde kwalen, en in ieder geval last van zijn maag, maar Paulus maakte hem niet beter: "Drink voortaan niet alleen water, maar gebruik een weinig wijn voor uw maag en voor uw gedurige ongesteldheden.” (1 Tim. 5:23)

  • Paulus moest Trofimus ziek achter laten: "Trofimus heb ik ziek achtergelaten te Milete." (2 Tim. 4:20)

 

 

De gave van genezing door handoplegging en oprichting was niet meer aanwezig. Paulus had deze voor hem zo belangrijke dienaren daarvóór wel kunnen genezen. Epafroditus en Trofimus had hij simpelweg kunnen aanraken en Timoteüs had hij een gordeldoek of zweetdoek kunnen zenden. Genezing was dan een feit geweest. Toch gebeurde dit niet, want het was een zegen behorend bij Israëls Koninkrijk. En na Handelingen 28:28 kon dat Koninkrijk (tijdelijk) niet meer opgericht worden, en waren de daarbij behorende zegeningen niet meer aanwezig.

 

 

 Paulus te Rome

 

 

  • "Na drie maanden nu zeilden wij uit met een schip uit Alexandrië, dat op het eiland overwinterd had, en de Dioskuren als kenteken voerde. En te Syracuse aangekomen, bleven wij daar drie dagen, vanwaar wij, na langs het eiland te zijn gevaren, te Regium aankwamen; en toen na één dag de wind zuid werd, kwamen wij reeds de tweede te Puteoli aan. Hier vonden wij broeders en wij werden uitgenodigd zeven dagen bij hen te blijven. En zo gingen wij naar Rome. En vandaar kwamen de broeders, die van onze aangelegenheden gehoord hadden, ons tot Forum Appii en Tres Tabernae tegemoet, en toen Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed." (Hand 28:11-15)

 

 

Einde vierde reis van Paulus

 

 

 **********************************************************

 

 

 

Voor de laatste keer naar de Joden

 

 

  • "En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte. En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus de voormannen der Joden samenriep, en toen zij bijeen gekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoonten, ben ik uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen der Romeinen, die na onderzoek mij wilden vrijlaten, omdat er bij mij van geen halsmisdaad sprake was. Maar toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet, dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen. Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken, want om de hoop van Israël draag ik deze keten. Maar zij zeiden tot hem: Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen, en ook is niemand van de broeders iets kwaads van u komen boodschappen of spreken. Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze secte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt. En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf,wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe." (Hand 28:16-23)

 

 

Voor de laatste keer doet Paulus nog een poging om de Joden te overtuigen ten opzichte van Jezus uit de wet van Mozes en de profeten. Weer gaat Paulus in Rome eerst de Joden aanspreken. En het is opvallend, dat er staat dat hij hen probeerde te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten. Paulus legde hun niet "de Christus" uit, maar hij hield het heel eenvoudig, hij probeerde hun alleen maar uit de bekende Schriften "Jezus" uit te leggen, en zelfs dat wilden ze niet begrijpen, want de Joden gingen al redetwistende heen.

 

 

  • "En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig; en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had" (Hand 28:24-25):

 

 

En dan volgen er woorden, die voor de derde keer worden uitgesproken. En Gods Woord zegt dat op de verklaring van twee getuigen of van drie elke zaak vaststaat. (Mat 18:16) En ook Joh 8:17 zegt dat het getuigenis van twee mensen waar is.

 

Het betreft de profetie van Jesaja, die we vinden in Jes 6:9-10:

  • "Toen zeide Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor – maar verstaat niet, en ziet aldoor – maar merkt niet op. Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde."

 

 

Voorts zegt de Heere Jezus dezelfde woorden in Mat 13:14-15:

  • "Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen."

 

 

En voor de derde keer zegt Paulus in Hand 28:25-27:

  • "Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, zeggende: Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen."

 

 

We hebben hier te maken met drie getuigen, Jesaja, de Heere Jezus, en Paulus. Dan moeten we op grond van dit drievoudig getuigenis aannemen dat dit waarheid is. Broeders en zusters, hier moeten we niet te licht over denken. Niet voor niets staat dit driemaal uitvoerig in Gods Woord. Meteen na deze woorden van Paulus maakt de Heere iets nieuws bekend: "Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!" (Hand 28:28) Duidelijk komt uit deze tekst naar voren, dat Israël mocht horen én zien, maar dat de heidenen alleen horen. Hier blijkt uit dat de "zienlijke dingen" zijn voorbij gegaan.

 

 

Met deze woorden heeft God in Zijn Woord iets volkomen nieuws geopenbaard, wat tot op dat moment onbekend was. Het was alleen bij God bekend van vóór de nederwerping der aarde. Paulus gaat zich dan vanaf dat moment rechtstreeks tot de heidenen richten. Israël is vanaf dat moment Lo-Ammi (= niet Mijn volk). Daarmee is Israël een volk onder de volken geworden. Israël had aan de spits der volkeren kunnen staan als Zij Christus als hun Koning hadden aanvaard.

 

Vanaf dat ogenblik gaat Paulus een nieuwe verborgenheid openbaren, die we vinden in de brieven die hij hierna heeft geschreven.

 

 

  • "En hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen, predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering." (Hand 28:30-31)

 

 

Paulus ging nu niet meer eerst naar de Joden, maar hij ontving allen die tot hem kwamen. Er was geen voorrang meer voor de Joden. En Paulus predikte niet meer dat het (zichtbare) Koninkrijk aanstaande was, maar hij predikte het (verborgen) Koninkrijk Gods. En Paulus predikt niet meer uit Mozes en de profeten over "Jezus", maar hij verkondigt een niet na te speuren verborgenheid aangaande de Heere Jezus Christus, de opgestane verhoogde Christus, die het Hoofd is van Het Lichaam van Christus. (Efeze 3:8)

 

 

N.B. Men heeft wel eens uitgerekend hoeveel de apostel Paulus gereisd heeft en men kwam toen op grond van de gegevens in Handelingen tot de conclusie dat hij te land ongeveer 7800 km en ter zee ongeveer 9000 km heeft afgelegd. Paulus heeft veel gereisd in zijn leven, zowel over land als over zee. Veel bijbelse plaatsen lagen in landen aan de Middellandse Zee.

Einde deel 1

Bert Boersma, boersmaklm@hetnet.nl

 

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk