Bijbelstudie "De onbegrepen Apostel 2"

De onbegrepen Apostel

I N H O U D   D E E L   2

 

Wie was Paulus?..................................................................

Paulus in de Woestijn...........................................................

De Vlucht uit Damascus.........................................................

Paulus voor de eerste keer naar Jeruzalem...............................

Paulus voor de tweede keer naar Jeruzalem..............................

Paulus voor de derde keer naar Jeruzalem................................

De Galaten Brief (eerste brief)...............................................

De 1e en 2e Thessalonicenzen Brief (tweede en derde brief)............

Paulus voor de vierde keer naar Jeruzalem...............................

Hebreeën (vierde brief)........................................................

De Wet.............................................................................

Paulus in Efeze...................................................................

De eerste Brief aan de Corinthiërs (vijfde brief)...........................

De tweede Brief aan de Corinthiërs (zesde brief)..........................

De Romeinen Brief (zevende brief)...........................................

Paulus voor de vijfde keer naar Jeruzalem................................

Verschillende Evangeliën.......................................................

De Hoop van Israël...............................................................

De Beloften aan Abraham = De Hoop van Israël.............................

Het Nieuwe Verbond = Hoop van Israël.......................................

Niet Trouwen?....................................................................

De Verwarring gedurende de eerste eeuw na Christus......................

De Boodschap van Paulus ná de Handelingen periode.......................

De Brieven die in de gevangenis geschreven werden........................

De Boodschap der Verborgenheid..............................................

Een Nieuwe Eenheid.............................................................

Een Nieuwe Verborgenheid.....................................................

De Inhoud van deze grote Verborgenheid.....................................

De Toegang tot een nieuwe sfeer van Zegening.............................

Een Nieuwe Gemeente..........................................................

Een Nieuwe Schepping...........................................................

Een Nieuwe Hoop................................................................

De drie Sferen van Zegening....................................................

De Positie van De Gemeente, Het Lichaam van Christus...................

De Verschillen vóór en ná Hand 28:28........................................

Paulus' Bezorgdheid en Waarschuwing........................................

Paulus verlaten..................................................................

"Heilige en Getrouwe"...........................................................

Hoe nu verder?...................................................................

De Geschriften der eerste Eeuwen............................................

Index gebruikte bijbelteksten..................................................

 

 

De onbegrepen Apostel

(deel 2)

 

Wie was Paulus?

Tot dusver zijn we met Paulus op reis geweest, en hebben gezien wat hij allemaal moest doorstaan omwille van het evangelie. We hebben kunnen constateren dat hij altijd en overal door de grote meerderheid niet werd begrepen. Hij was de onbegrepen apostel. In het vervolg gaan we ons bezighouden met de brieven van Paulus. Paulus heeft in de Handelingen periode zeven brieven geschreven, en na de Handelingen periode heeft hij ook zeven brieven geschreven. Maar eerst zullen wij in grote lijnen de brieven, die hij IN Handelingen heeft geschreven, in hun context én volgorde behandelen.

 

Wie was Paulus, en van wie had Paulus zijn wijsheid ontvangen? De Heere zegt van Paulus: "Want deze is Mij een uitverkoren vat, om Mijn Naam te dragen voor de heidenen, en de koningen, en de kinderen Israëls." (Hand 9:15) Dit zei de Heere in Damascus tegen Anannias om de angst voor de "vervolger" Paulus bij Ananias weg te nemen. Nadat Paulus in Damascus door tussenkomst van Annanias weer kon zien, begon hij al direct in de synagogen te prediken, dat Jezus de Zoon van God is:

  • "En toen hij voedsel genomen had, werd hij versterkt. En het geschiedde, toen Saulus enige dagen bij de discipelen te Damascus was, dat hij terstond in de synagogen verkondigde, dat Jezus de Zoon van God is. En allen, die het hoorden, stonden verbaasd en zeiden: Is dit niet de man, die te Jeruzalem uitroeide, wie deze naam aanriepen, en die hier gekomen is met het doel hen gevankelijk voor de overpriesters te brengen? Doch Saulus trad steeds krachtiger op en bracht de Joden, die te Damascus woonden, in verwarring door te bewijzen, dat deze de Christus is." (Hand 9:19-22).

 

De Joden, die hem hoorden verbaasden zich over zijn bekering. Maar Paulus trad steeds krachtiger op in het aantonen dat Jezus is de Christus (= de Gezalfde, de Messias) Heel bijzonder om te zien hoe God Paulus had afgezonderd voor de zware taak, die hem wachtte. En ook heel bijzonder om te zien hoe God mensen totaal kan omdraaien, hoe Paulus van een "hater" van het Woord, tot een bijzondere verkondiger werd van het Woord.

 

Paulus in de Woestijn

 

Paulus verbleef na zijn bekering maar enkele dagen in Damascus. Daarna vertrok hij naar de woestijn van Damascus, Gal 1:15-17:

  • "Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds vóór mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd."

 

Prachtig om te zien hoe Paulus door de Heere afgezonderd werd, om drie jaar lang (Gal 1:18) door de Heere zelf onderwezen te worden. Paulus werd door de Heere zelf geleerd, en hij had het niet nodig om door mensen geleerd te worden, hoe hij in zijn bediening moest staan. Hier zit ook voor ons een geweldige les in. Ook wij moeten ons niet laten leren door menselijke inzettingen, maar wij moeten ons uitstrekken naar het Woord, en door innige relatie, geleid door Gods Geest, in het levende Woord ontdekken wat de Heere ons wil leren. Paulus liet al zijn leerstelligheden achter zich. Paulus moest heel wat achter zich laten. Hij was een zeer geleerd man. Hij was opgegroeid, opgevoed, aan de voeten van Gamaliël, een groot schriftgeleerde, met nauwgezette inachtneming van de wet der vaderen, een ijveraar voor God evenals gij allen heden zijt. (Hand 22:3) Maar hij achtte zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, zijn Heere, dat alles te boven gaat. Om Zijnentwil heeft hij "al het oude" prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen. (Fil 3:8) Broeders en zuster, zijn wij ook bereid al "al het oude" achter ons te laten, en ons uit te strekken naar de rijke schatten in Gods Woord?

 

Paulus apostelschap verschilt niet van de andere twaalf, in die zin, dat hij het evangelie van het koninkrijk niet aan de kinderen Israëls zou hebben gebracht, want dat deed hij wel. Overal waar hij kwam, ging hij eerst naar de synagogen om de Joden de Christus te verkondigen. Maar Paulus' apostelschap verschilt hierin van de twaalf, dat hij Gods voornemen in de Handelingen periode vervulde, om nadat de Joden de boodschap hadden afgewezen, ook naar de heidenen te gaan, en aan de heidenen de Christus te verkondigen.

 

De Messias én Zijn Koninkrijk zijn niet exclusief iets voor het volk van Israël alleen, zoals de Jood vaak claimt, maar de bedoeling was dat door Israël alle volkeren van de boodschap zouden horen. Dit had de Heere al aan Abraham beloofd: "Met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden." (Gen 12:3). En ook Hand 3:25 spreekt hierover. Dit is toen niet vervult, maar in de toekomst zal ook deze belofte van God zeker vervult worden. Het is Paulus, die als Jood deze opdracht richting de heidenen, de onbesnedenen, ten uitvoer brengt als een ontijdig geborene, terwijl de 12 apostelen zich richten op het volk Israël, de besnedenen.

 

Er is nog een verschil in bediening in de Handelingen tijd. Paulus spreekt over de hemelse zijde van het Koninkrijk, de twaalf apostelen spreken over de aardse zijde. Paulus verkondigt een evangelieboodschap, die aansluit bij de hoop, zegeningen en beloften van Abraham, met als basis de verzoening der wereld en het gerechtvaardigd kunnen worden door het geloof. De belofte van de Heere aan Abraham was tweeledig. Ten eerste zou Abraham's zaad worden als het zand der zee = aardse beloften, en ten tweede zou Abraham's zaad worden als de sterren des hemels = hemelse beloften. Uit deze tweeledige belofte vloeien ook twee groepen gelovigen voort, de eerste met hemelse beloften en een hemelse bestemming, en de tweede met aardse beloften en een aardse bestemming. De twaalf apostelen hielden zich bezig met de bediening van de aardse beloften, en Paulus hield IN de Handelingen zich bezig met de bediening van de hemelse beloften.

 

Deze bediening van Paulus, welke de hemelse beloften betreft, bracht een speciale groep gelovigen voort. Dit wordt de "gemeente der rechtvaardigen" genoemd, die door Paulus' bediening gevormd werd in de Handelingen, bestaande uit zowel "jood als Griek", dit is de bruidsgemeente. Deze bruidsgemeente is verbonden met het hemels Jeruzalem (Gal 4:25-26). Zij zijn niet het aardse zaad van Abraham. Dat is het volk Israël. Maar zij zijn Abraham's hemelse zaad (Gal 3:29), en daarom zijn zij naar de belofte erfgenamen van die hemelse belofte. Zij zijn tezamen gezegend met de gelovige Abraham (Gal 3:29). Zij zijn Abrahams kinderen (Gal 3:7). Zij kijken niet uit naar het aardse Jeruzalem, maar naar het hemelse Jeruzalem, waarvan God zelf de Bouwmeester is (Hebr 11:10 en Hebr 13:16).

 

We moeten hierbij onderscheid maken tussen "de hemelen", én "de hemel der hemelen". Eigenlijk is dit een apart onderwerp, maar kort samengevat: Er zijn hemelen, en er is de hemel der hemelen, deze laatste, ook wel "boven-hemel" genoemd, is de plaats waar God woont. De hemelen zijn geschapen (Gen 1:1), maar de hemel der hemelen is er altijd geweest. In Genesis 1:1 staat in de grondtekst het meervoud voor "hemelen". De hemelse zegeningen van het hemels zaad van Abraham betreft "de hemelen", en niet de "boven-hemel", de plaats waar God woont.

 

Helaas wordt maar al te vaak deze geloofsgroep uit de Handelingen met zijn aparte hemelse roeping, zegeningen, beloften en hoop, verward met de Gemeente der verborgenheid, die pas na de Handelingen periode gestalte krijgt. Het Lichaam van Christus met zijn zegeningen, beloften en hoop was in de Handelingen periode volkomen in God verborgen. Daar was ook Abraham volslagen mee onbekend. Daar keek Abraham ook niet naar uit. Hij kende de hemelse roeping (Hebr 3:1) met zijn zegeningen, maar niet de bovenhemelse (van Het Lichaam van Christus) met zijn zegeningen van vóór de grondlegging der wereld (Ef 1:3, Ef 3:9-10, Ef 4:1 en Fil 3:14).

 

De openbaring van die verborgenheid is Paulus' tweede bediening, die hij na de Handelingen bekend maakte als een apostel in ketenen (Efeze 6:19-20). Hierover later meer in de brieven, die Paulus na de Handelingen periode geschreven heeft. Paulus kreeg in de woestijn van Arabië van de Heere niet die Verborgenheid geopenbaard! Die boodschap voor zijn tweede bediening, die zou aanvangen ná de Handelingen periode, ontving hij later, toen hij werd opgetrokken tot aan de derde hemel, de bovenhemel, de hemel der hemelen, waar hij onuitsprekelijke woorden hoorde, die hem in de Handelingen tijd nog niet geoorloofd waren, te spreken (2 Kor 12:1-4).

 

In de woestijn van Arabië ontving hij de evangelie boodschap, die Abraham reeds kende (Gal 3:7-9). Deze boodschap was de verkondiging van de Abrammitische zegeningen en de beloften, de hemelse roeping en hoop van Abraham.

 

Wij moeten niet uit het oog verliezen dat deze boodschap van Paulus, die hij in de Handelingen verkondigde, in het Oude Testament dus al bekend was: De rechtvaardigmaking uit het geloof, de hemelse stad, enz. Deze boodschap was dus niet verborgen. Tijdens zijn eerste bediening bevestigd Paulus dit ons ook meerdere malen. Hij getuigd dat hij al de raad Gods verkondigd heeft (Hand 20:27), maar dat hij nooit iets verkondigd heeft buiten hetgeen de profeten en Mozes gesproken hebben (o.a. Hand 26:22). Om zijn bijzondere bediening te onderscheiden met die van de twaalf apostelen der besnijdenis, die alleen het evangelie van het Koninkrijk brachten aan Israël, noemt Paulus zijn evangelieboodschap: "mijn evangelie". Hij zegt onder anderen:

 

  • "Want ik maak u bekend, broeders, dat het evangelie, hetwelk door mij verkondigd is, niet is naar de mens. Want ik heb het ook niet van een mens ontvangen of geleerd, maar [in de woestijn] door openbaring van Jezus Christus. Want gij hebt gehoord van mijn vroegere wandel in het Jodendom: ik heb de gemeente Gods bovenmate vervolgd en getracht haar uit te roeien, en in het Jodendom heb ik het verder gebracht dan vele van (mijn) tijdgenoten onder mijn volk, als hartstochtelijk ijveraar voor mijn voorvaderlijke overleveringen. (Galaten 1:11-12).

 

Paulus ontving deze boodschap voor zijn eerste bediening van de Heere zelf in de woestijn van Arabië. Daarom was hij na zijn bekering niet te rade gegaan bij vlees en bloed in Jeruzalem, bij hen die voor hem al apostelen waren, maar hij ging naar Arabië naar de Heere Jezus zelf. Paulus verbleef drie jaar onder de hoede van de Heere in de woestijn, waarna hij naar Damascus terugkeerde.

 

De Vlucht uit Damascus

 

Galaten 1:17-19:

  • "Ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren."

 

Het bleek dat na zijn terugkeer naar Damascus de Joden van plan waren hem te vermoorden. In Hand 9:23 leest men dat na "vele dagen" de Joden besloten hem te vermoorden. (Niet na "verscheidene dagen", zoals de NBG vertaling, maar na "vele dagen").

 

Hand 9:23-25 St Vert:

  • "En als vele dagen verlopen waren, zo hielden de Joden te zamen raad, om hem te doden. Maar hun lage werd Saulus bekend; en zij bewaarden de poorten, beide des daags en des nachts, opdat zij hem doden mochten. Doch de discipelen namen hem des nachts, en lieten hem neder door den muur, hem aflatende in een mand."

 

Paulus voor de eerste keer naar Jeruzalem.

De samenzwering in Damascus kwam uit en men liet Paulus vluchten. Men stuurde hem terug naar Jeruzalem (Hand 9:24-26 en 2 Kor 1:32-33). In Jeruzalem wil Paulus zich bij de apostelen voegen. Maar dat gaat echter niet zonder slag of stoot, omdat allen bang zijn, dat hij geen ware discipel is. Logisch immers, want hij was een vervolger van de gelovigen. Barnabas ontfermt zich dan over Paulus en brengt hem tot de apostelen (Hand 9:27). Zo heeft Paulus een ontmoeting met Petrus en Jacobus. (Galaten 1:18-19)

 

Paulus verblijft maar 15 dagen in Jeruzalem. Gedurende die korte tijd sprak Paulus vrijmoedig in de naam des Heeren en redetwistte hij met de Grieks-sprekende Joden. En weer lezen we, net zoals de Joden in Damascus, trachten deze Joden Paulus te doden. (Hand 9:28-30). Als de broeders dit te weten komen, brengen zij hem naar de haven van Caesarea en sturen hem naar Tarsus. Dit snelle optreden van de broeders zorgde ervoor, dat weinigen van de gemeenten van Christus in Judea Paulus van aangezicht had leren kennen. (Gal 1:20-24) De terugreis naar Tarsus bracht Paulus door de streken van Syrië en Cilicië.

 

Paulus voor de tweede keer naar Jeruzalem.

In Gal 2:1 lezen we over Paulus' tweede reis naar Jeruzalem, ongeveer 14 jaar later. Gedurende deze jaren groeide het geloof door Judea, Galilea én Samaria (Hand 9:31), hoewel het Woord alleen gesproken werd tot de Joden: "Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden." (Hand 11:19) Door de verdrukking werd het geloof verspreid tot buiten de landsgrenzen. Maar het bleef in eerste instantie onder de Joden.

 

Daar kwam verandering in toen Cyprische en Cyreense mannen in Antiochië het Woord spraken tot de Grieken en een groot aantal tot geloof kwamen. (Hand 11:20-21). Dit nieuws bereikte Jeruzalem en veroorzaakte er de nodige consternatie. Barnabas werd naar Antiochië gezonden om dit te onderzoeken. (Hand 11:22-24) Toen Barnabas de grote schare bekeerde heidenen zag, kwam waarschijnlijk in zijn herinnering wat de Heere van Paulus had gezegd: "Deze (Paulus) is Mij een uitverkoren werktuig om Mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls." (Hand 9:15)

 

En zo kwam het dat Barnabas naar Tarsus ging om Paulus te halen. Een heel jaar werkten zij samen in Antiochië (Hand 11:25-26), totdat Agabus profeteerde dat er een hongersnood zou komen over het gehele rijk (Hand 11:27-30). Men besloot de broeders van Judea te ondersteunen met een gift. En zo keerde Paulus met Barnabas en Titus ongeveer 14 jaar na zijn bekering weder naar Jeruzalem. (Gal 2:1 en Hand 12:30)

 

De hongersnood die door Agabus voorzegd was trof Judea toen Tiberius Alexander stadhouder was (46-48). De inzameling in Antiochië ging ongetwijfeld aan de hongersnood vooraf en werd waarschijnlijk gehouden in 45 na Chr. Paulus Barnabas en Titus brachten de gift naar Jeruzalem. Naast dat zij de gift overhandigden, bespraken zij met Petrus, Jacobus en Johannes het werk des Heeren. (Galaten 2:7-9)

 

Petrus, Jacobus en Johannes zouden hun dienst beperken tot Jeruzalem, Judea, Galilea en Samaria, het land Israël, terwijl Paulus en Barnabas zich zouden richten op het buitenland. Uit de gehele Handelingen blijkt ook dat dit precies zo gebeurde. Paulus en Barnabas brachten nét als Petrus, Jacobus en Johannes, het evangelie aan de Joden (Hand 13:5, Hand 13:14, Hand 14:1, enz.). Als de Joden er niet op in gingen, brachten Paulus en Barnabas pas de boodschap aan de heidenen om op deze wijze Israël tot jaloersheid op te wekken.

 

Paulus voor de derde keer naar Jeruzalem in 49 na Chr.

  • "En sommigen, uit Judea gekomen, leerden de broeders: Indien gij u niet besnijden laat naar het gebruik van Mozes, kunt gij niet behouden worden. En toen er van de zijde van Paulus en Barnabas geen gering verzet en tegenspraak tegen hen ontstond, droegen zij Paulus en Barnabas en nog enigen van hen op zich tot de apostelen en oudsten te Jeruzalem te begeven naar aanleiding van dit geschil." (Hand 15:1-2)

 

Vanwege dit geschil werden Paulus en Barnabas met enige anderen naar Jeruzalem gezonden voor een oplossing. Paulus had echter meer problemen aan zijn hoofd. Exact hetzelfde probleem rees op in de nieuwe gemeenten van Galatië (Gal 1:6). Ook daar kwamen de Judaïsten, die de gelovig geworden heidenen leerden dat geloof in Christus wel nodig was, maar dat dit niet voldoende was. Paulus maakt zich ernstig zorgen over de gemeenten van Galatië. Hij zou wel naar Galatië willen afreizen, maar hij moet naar Jeruzalem voor het zogenaamde "apostelconvent", waar bovengenoemd probleem zou worden besproken. (Gal 4:20)

 

De Galaten brief (eerste brief)

 

Uit dit dilemma werd de Galaten brief geboren. Het is jammer dat de brieven van Paulus niet in chronologische volgorde in de bijbel staan. Daardoor kan er verwarring ontstaan in welke volgorde we de brieven het beste kunnen lezen, en wanneer we de brieven in de juiste volgorde lezen, dan zal ook het verschil in de brieven van vóór en ná Handelingen duidelijker worden. We zullen hier trachten de brieven in de juiste volgorde te behandelen. Uit de context van de brieven is de juiste volgorde af te lezen.

 

Zoals gezegd, uit het verschil in mening over het houden van de wet, en de besnijdenis, werd de Galaten brief geboren. De brief bevat scherpe woorden, ongetwijfeld overeenkomstig aan de woorden die Paulus en Barnabas gebruikten in hun debatten tegen de "besnijdenis groep" in Antiochië. De Galaten brief is waarschijnlijk geschreven in 49 na Chr. te Antiochië, en is de eerste van de brieven van Paulus. Er zijn uitleggers, die menen dat de Galaten brief is geschreven in 57 na Chr. vanuit Korinthe tijdens Paulus derde zendingsreis. Eén en ander is afhankelijk van welke theorie men aanhangt ten aanzien van waar Galatië exact lag, en of de steden Antiochië (in Pisidië), Ikonium. Lystra en Derbe in Galatië lagen of niet. Wij gaan ervan uit de de Bijbel met Galatië bedoelt de Romeinse provincie Galatië, en tot deze provincie behoorden de steden Antiochië (in Pisidië), Ikonium. Lystra en Derbe. Dan mogen we ervan uitgaan dat Paulus in Hand 13 en 14 Galatië bezocht. Dan mogen we ook aannemen dat Paulus in 49 vanuit Antiochië zijn brief aan de Galaten schreef om de gemeenten van Galatië terecht te wijzen, en dat hij daarna naar Jeruzalem afreisde voor het apostelconvent (Hand 15). Bovendien, dat Paulus zijn brief schreef vóór het convent, blijkt uit het feit, dat hij het besluit van het apostelconvent (Hand 15:19-20) niet gebruikt als argument in zijn brief aan de Galaten.

 

Op het "apostelconvent" werd besloten dat men hen, die zich uit de heidenen tot God bekeren, niet verder moet lastig vallen, maar hun aanschrijven, dat zij zich hebben te onthouden van wat door de afgoden bezoedeld is, van hoererij, van het verstikte en van bloed. (Hand 15:19-20 en Hand 15:28)

 

De slotverklaring van dit apostelconvent (in 49 na Chr.) werd vastgelegd in een brief die Paulus Barnabas, Silas en Judas mee terug namen naar Antiochië. Hoe gemakkelijk had Paulus in zijn brief aan de Galaten niet in één keer een eind kunnen maken aan alle discussie door simpelweg hiernaar te verwijzen, áls hij zijn brief aan de Galaten ná het apostelconvent zou hebben geschreven. Maar dat kon hij niet omdat hij zijn brief schreef vóór het convent in Hand 15, en hij gebruikt de sterkste argumenten, die hij op dat tijdstip kon bedenken. Hiernaast zou de misstap van Petrus, (in Gal 2:11-14), het eten met de heidenen aan één tafel, heel moeilijk te begrijpen zijn, als dit zou hebben plaatsgehad ná het apostelconvent. Het is ondenkbaar dat Petrus zó zou handelen ná de getroffen regeling van Hand 15. Het is duidelijk dat Paulus de Galaten brief geschreven heeft vóór het apostelconvent, en niet erná.

 

1 en 2 Thessalonicenzen (tweede en derde brief)

 

Er zijn diverse aanwijzingen dat Aquila met zijn vrouw begin februari 52 in Korinthe aankwam. Hand 18:11 vertelt ons dat Paulus totaal 18 maanden in Korinthe bleef. Tijdens dit verblijf schrijft hij de eerste en na een paar maanden de tweede Tessalonicenzen brief, nadat Silas en Timoteüs uit Macedomië kwamen en hem berichten over de toestand aldaar (Hand 18:5). In zijn brieven maakt Paulus zinspelingen op de afgelopen gebeurtenissen zoals die vermeld staan in Handelingen 16 en 17. (Men vergelijkt 1 Tess1:1 met Hand 16:25, 17:1, 18:5, en 1 Tess 2:1-2 met Hand 16:22-23, en 1 Tess 3:4 met Hand 17:5-6.)

 

In de zomer van 53 keren de Joden zich massaal tegen Paulus en brengen hem voor de rechterstoel van Gallio, de landvoogd van Achaje (Hand 18:12-18). Uit de geschiedschrijving worden wij erin bevestigd dat Gallio in 53 landvoogd van Achaje was. De landvoogd verklaarde de Joodse beschuldiging aan het adres van Paulus niet als ontvankelijk. Paulus verliet Korinthe na 18 maanden in augustus 53 en zeilde via Efeze naar Syrië om te pogen nog voor het feest (Hand 18:21 SV), het Loofhuttenfeest, op 16 september 53, te Jeruzalem te zijn.

 

Paulus voor de vierde keer naar Jeruzalem.

 

Na het bezoek aan Jeruzalem, waarop gezinspeeld wordt in Hand 18:22, ging hij terug naar Antiochië, waarmee de tweede zendingreis van Paulus was beëindigd. (Hand 18:21-22 SV)

 

Hebreeën (vierde brief)

 

Het vierde bezoek van Paulus aan Jeruzalem, waar hij het loofhuttenfeest hoopte te vieren, inspireerde Paulus om de Hebreeën brief te schrijven. (Hebreeën zijn de vreemdelingen in de verstrooiing = Joden). Waarschijnlijk schreef Paulus aan het einde van zijn verblijf van 18 maanden in Korinthe na de Thessalonicenzen brieven, daar ook de Hebreeën brief. Als Paulus Korinthe verlaat, leest men dat hij zich onder een gelofte stelde en dienovereenkomstig zijn hoofdhaar in Kenchreae liet afknippen (Hand 18:18).

 

De bedoelde gelofte is de Nazireeërgelofte, zoals in Numeri 6 omschreven. Het is een voorschrift uit de wet van Mozes en specifiek voor Israël. We hebben deze gelofte reeds eerder in deze bijbelstudie onder de kop "Een Belofte" behandeld.

 

Met intens verlangen gaat hij op naar het feest in Jeruzalem en duldt geen oponthoud. In Efeze gaat hij naar de synagoge om de gelovige Joden te bezoeken. Maar ofschoon zij baden, dat hij langer bij hen zou blijven, willigde hij hun verzoek niet in, zeggende: "Ik moet ganselijk het toekomende feest te Jeruzalem houden; doch ik zal tot u wederkeren, zo God wil".

 

 

Door de Nazareeërsgelofte naar de wet af te leggen, stelde Paulus zich onder de wet, zoals zoveel gelovig geworden Joden. We lezen hierover in Handelingen 21:

 

  • "En zij loofden God, toen zij dit hoorden, en zeiden tot hem: Gij ziet, broeder, hoevele duizenden er onder de Joden gelovig zijn geworden en allen zijn zij ijveraars voor de wet; nu heeft men hun van u verteld, dat gij alle Joden onder de heidenen afval van Mozes leert, door te zeggen, dat zij hun kinderen niet behoeven te besnijden, noch naar de gebruiken te leven. Wat is dan het geval? Zij zullen stellig horen, dat gij aangekomen zijt. Doe daarom wat wij u zeggen: Er zijn vier mannen bij ons, die een gelofte op zich genomen hebben; neem hen mede, heilig u met hen en draag de kosten voor hen, opdat zij hun hoofd kunnen laten scheren; dan zullen allen bemerken, dat van alles, wat men hun van u verteld heeft, niets waar is, maar dat gij ook zelf medegaat in de onderhouding van de wet. Maar inzake de heidenen, die tot het geloof gekomen zijn, hebben wij als ons oordeel geschreven, dat zij zich hebben te wachten voor wat de afgoden geofferd is, voor bloed, voor het verstikte en voor hoererij. Toen nam Paulus die mannen mede, en hij heiligde zich de volgende dag met hen, ging in de tempel en deed aangifte, dat de dagen der heiliging zouden duren, totdat voor ieder hunner het offer gebracht was." (Hand 21:20-26).

 

Paulus had er alles aan gedaan om de Joden geen aanstoot te geven. Hij was door zijn gelofte voor de Joden een Jood geworden. Waarschijnlijk dacht hij door zó te handelen ingang bij de Joden in Jeruzalem te vinden, om zijn evangelie onder hen te verkondigen.

 

De Wet

 

Voor we verder gaan, even iets over de wet. Gods wet is goed. De wet is heilig (Rom 7:12-14), daar mankeert niets aan. Aan de mens mankeert iets door de zonde. Vaak wordt geleerd, dat Christus de wet heeft vervuld, en dat dit zeggen wil, dat na het kruis de wet geen rol meer speelde. Men stelt dan op onjuiste wijze de wet en de genade tegenover elkaar, en men gaat volkomen voorbij aan het "apostelconvent", waar toch heel duidelijk werd onderstreept dat de gelovig geworden Joden de wet moesten houden (Hand 15). Dát was de praktijk in de Handelingen, en die praktijk gold ook voor de brieven, die Paulus tijdens de Handelingen periode heeft geschreven.

 

Christus zegt in Mat 5:17-20:

  • "Meent niet dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied. Wie dan één van de kleinste dezer geboden ontbindt en de mensen zo leert, zal zeer klein heten in het Koninkrijk der hemelen; doch wie ze doet en leert, die zal groot heten in het Koninkrijk der hemelen. Want Ik zeg u: Indien uw gerechtigheid niet overvloedig is, meer dan die der schriftgeleerden en Farizeeën, zult gij het Koninkrijk der hemelen voorzeker niet binnengaan."

 

Nu moeten we dit niet op de gelovigen van nú toepassen, want wat de Heere zei in Math 5, gold specifiek voor Zijn toehoorders, het volk Israël. Aan hun was de wet gegeven, en zij moesten die wet onderhouden. Er staat: "Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied." wij weten, dat de hemel en de aarde nog steeds niet zijn vervangen door een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, dus dan zouden wij kunnen concluderen, dat dit ook voor ons geldt. Maar dan moeten we beseffen dat de Bijbel een boek is dat hoofdzakelijk voor de Joden is geschreven, en de Joodse regels en geschiedenis bevatten. En de geschiedenis voor Israël gaat vanaf de Evangeliën gewoon door in de Handelingen. Op het eind van Handelingen stopt tijdelijk de geschiedenis voor Israël, en worden de verborgenheden voor de Gemeente, Het Lichaam van Christus, bekend gemaakt in de brieven, die Paulus na de Handelingen heeft geschreven. Daarna gaat de geschiedenis van Israël weer gewoon door in het boek Openbaring, waar de eindtijd voor Israël in wordt beschreven.

 

Bovendien wordt er in Mat 5 gesproken over "het Koninkrijk binnengaan". Dat Koninkrijk is het Koninkrijk, waar Christus op de troon zal zitten in Jeruzalem. En uit de Schrift mogen we weten dat dát niet onze bestemming is. Zo zien we dat we ons geen dingen moeten toeëigenen, die niet voor ons bedoeld zijn.

 

Een duidelijk voorbeeld van de prediking van toen, laat de Heere ons zien in Lucas 4, waar Hij in de synagoge voorleest uit de profeet Jesaja:

  • "En Hij kwam te Nazaret, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens Zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is":
  • "De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen (= Israël) het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen (= Israël) loslating te verkondigen en aan blinden (= Israël) het gezicht, om verbrokenen (= Israël) heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren (voor de Zijnen = Israël). Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld." (Lucas 4:16-21).

 

Wanneer we de tekst in Jesaja opzoeken, dan ontdekken we dat de Heere Jezus midden in een zin is gestopt met het voorlezen. Dit is omdat de rest van de profetie van Jesaja dan nog toekomst is. Jesaja gaat in één adem door en vervolgt:

  • "......om te verkondigen het aangename jaar des Heren en een dag der wrake van onze God; om alle treurenden te troosten, om over de treurenden van Sion te beschikken, dat men hun geve hoofdsieraad in plaats van as, vreugdeolie in plaats van rouw, een lofgewaad in plaats van een kwijnende geest. En men zal hen noemen: Terebinten der gerechtigheid, een planting des HEREN, tot zijn verheerlijking. Zij zullen de overoude puinhopen herbouwen, het verwoeste uit vroeger tijd doen herrijzen en de steden vernieuwen, die in puin liggen, die verwoest hebben gelegen van geslacht op geslacht. Vreemden zullen gereed staan om voor u de kudden te weiden, vreemdelingen zullen uw akkerlieden en uw wijngaardeniers zijn; maar gij zult priesters des HEREN heten, dienaars van onze God genoemd worden." (Jes 61:2-6)

 

We zien hierin dat Jesaja gewoon doorgaat met de profetie vanaf de tijd waarin de Heere sprak, naar de tijd, die in de Openbaring wordt uiteengezet, en wat ook over Israël handelt. Niets over de verborgen periode waarin wij leven, dat was totaal onbekend.

 

De Heere Jezus spreekt tot de Joden alsof er helemaal geen tussenperiode bestaat, waarin wij leven. Hij kwam om het Koninkrijk voor de Zijnen op te richten. In de Handelingen verkondigden de apostelen datzelfde Koninkrijk aan de Joden:

  • "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher." (Hand 3:19-21).

 

Zo zien we dat de evangelie verkondiging aan Israël in de Handelingen periode gewoon doorgaat. Tót Handelingen 28, dan wordt Israël terzijde gezet, en mag Paulus een "hoger" evangelie verkondigen ten behoeve van Het Lichaam van Christus. (Komen we op terug).

 

Maar we hadden het over de wet: "De wet vervullen" wil zeggen: "de wet volmaken, de wet zijn volle betekenis geven, de wet volledig toepassen" onder het Nieuwe Verbond voor Israël. Het oude verbond met Israël handelde alleen over de uiterlijke daden, niet over wat men dacht. Als wij zorgvuldig Mat 5:17-48 lezen, dan ontdekken wij dat Christus de wet van God onder het nieuwe verbond zijn volle betekenis geeft, ja volledig uitlegt en toepast. Christus gaat alle onderdelen van de wet langs onder het oude verbond: "Gij hebt gehoord", vers 21, 27, 31, 33, 38 en 43, en brengt deze onderdelen van Gods wet onder het nieuwe verbond tot zijn volle betekenis: "Maar Ik zeg u", vers 22, 28, 32, 34, 39 en 44. Zo laat de Heere hen als het ware "proeven" van het Nieuwe Verbond, wat toen echter niet is ingegaan, maar in de toekomst zal dat zeker gebeuren.

 

In dit verband nog even iets over de verbonden. Geen enkel verbond, noch het oude, noch het nieuwe verbond is gesloten met de gelovigen van heden, ook niet met hen, die Het Lichaam van Christus vormen. God richtte een verbond op met Noach (Gen 6:18, Gen 9:9-12). God sloot een verbond met Abraham (Gen 15:18) God sloot een verbond met Zijn volk Israël, ook wel "het oude verbond" genoemd. (Ex 34:28) En God zal te dien dage (in de toekomst) een nieuw verbond sluiten met het huis van Israël en het huis van Juda. (Jer 31:31-33).

 

Het staat er allemaal duidelijk met wie God een verbond sloot of sluiten zal. En we moeten ons geen dingen toeëigenen, die ons niet toekomen, zoals door de eeuwen heen wel is gedaan door "de vaderen". Met als gevolg het niet verstaan van de Schrift. Want als we ons dingen toeëigenen, die ons niet toekomen, en die vastleggen in ons hart, dan krijgen we een bedekking voor het juist verstaan van de Schrift, en is er geen ruimte meer om de dingen volgens de Schrift tot ons te nemen.

 

Gods wet, Gods norm wordt niet ontbonden! Gods wet zal in de toekomst in zijn volle omvang geopenbaard worden, en beoordeeld de mens niet meer alleen op zijn uiterlijke daden, zoals onder het oude verbond, maar beoordeeld de mens dan (= toekomst) ook op zijn innerlijke daden en motieven. De zondige mens kan al niet aan Gods wet voldoen onder het oude verbond, laat staan onder het nieuwe verbond, waar de lat nog veel hoger ligt. Echter onder het nieuwe verbond, wat in de Handelingen al zichtbaar werd, werd in de Handelingen Gods wet niet geschreven op stenen tafelen, maar op de vleselijke tafelen van hun hart (Hebr 10:15-18, Jer 31:31-34 en Ez 36:24-8). Zodoende kon Paulus en alle in Christus gelovig geworden Joden zich verlustigen in de wet des Heeren (Hand 21:20 en Hand 18:18). Paulus was een Israëliet met een geweldige liefde voor zijn volk. Voortdurend keek hij vol verlangen uit naar de bekering van zijn eigen bloedverwanten.

 

Rom 9:1-5:  

  • "Ik spreek de waarheid in Christus, ik lieg niet, want mijn geweten betuigt mij dit mede door de heilige Geest: ik heb een grote smart en een voortdurend hartzeer. Want zelf zou ik wel wensen van Christus verbannen te zijn ten behoeve van mijn broeders, mijn verwanten naar het vlees; immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften: hunner zijn de vaderen en uit hen is, wat het vlees betreft, de Christus, die is boven alles, God, te prijzen tot in eeuwigheid! Amen."

 

Het is dit reikhalzend uitzien naar de aanvaarding van de Heere Jezus als hun ware Messias, door zijn bloedverwanten naar het vlees, waarmee al hun hoop vervuld zou worden, dat Paulus de Heere een gelofte aflegt. Dit smachten in Handelingen 18 heeft de apostel er ongetwijfeld toe gedreven de kinderen Israëls (de Hebreeën) een brief te schrijven. Het auteurschap van de Hebreeën brief door de apostel Paulus is door de eeuwen heen erg in twijfel getrokken. Maar een bijbel-geleerde, Stuart Allen heeft helder uiteengezet, door Schrift met Schrift te vergelijken, in een aantal artikelen van de "Berean Expositor", deel 44, dat Paulus wel degelijk de auteur van de Hebreeën brief is.

 

De Hebreeën brief is door Paulus gezonden aan de Joodse gelovigen in Jeruzalem en de omringende streken, die Christus hebben aanvaard als hun Messias. Ze zijn al geruime tijd gelovig in hun Messias (Hebr 5:11-14) Uit de brief blijkt duidelijk, dat de tempeldienst, priesterdienst en offerdienst nog volop in bedrijf zijn. (Hebr 8:4, 10:1, 10:8, 10:11 en 13:10-11). Het is dan ook niet mogelijk de brief te dateren in 80 - 90 na Chr. Het is bekend dat de verwoesting van de tempel heeft plaats gehad in 70 na Chr., en toen was het met de tempeldienst ook gedaan.

 

Vanwege het bericht in Hebr 13:23 over de vrijlating van Timoteüs plaatsen sommige uitlegers het schrijven in 68, doordat zij Timoteüs gevangenschap koppelen aan de vervolging onder Nero. Maar het is erg onwaarschijnlijk dat, wanneer Timoteüs onder Nero gevangen heeft gezeten, dat hij dan nog zou zijn vrijgekomen. Hiernaast zou ook het doel van de brief duister worden, twee jaar voor de verwoesting van de tempel, nu Israël Lo-Ammi was geworden. Het onderwerp van de brief is namelijk het aantonen, dat de Messias van het Oude Testament moest lijden; dat Jezus Christus de Messias is, en dat Hij groter, meerder is dan de engelen, Mozes, Jozua, het priesterschap van Aäron; dat nu (in de Handelingen) een nieuw verbond voor Israël de plaats van het oude verbond ging innemen (Hebr 8:8 tot 10:18). Dat het volk Israël tot de rust, de zevende dag, het Messiaanse koninkrijk, moest ingaan (Hebr 3-7 tot 4:9). Als de kinderen Israëls dat door dat ongeloof niet zouden doen in de Handelingen periode, dan zouden zij de Zoon van God opnieuw kruisigen (Hebr 10:26-29). Zij hadden de krachten van de toekomende eeuw, het Messiaanse Koninkrijk, gesmaakt. (Hebr 6:4-6).

 

De kinderen Israëls hadden in de Handelingen aan Heilige Geest deel gekregen, de hemelse gave en het goede Woord Gods gesmaakt. De Heere had met de apostelen meegewerkt door tekenen, wonderen en velerlei krachten en door heilige geest toe te delen naar Zijn wil (Hebr 2:4) Als de Hebreeën, de kinderen Israëls, dan geen ernst zouden maken met zulk een heil (Hebr 2:3), dan zijn zij niet ver van de vervloeking, die uitloopt op verbranding (Hebr 6:7-8). Zij hebben het ongeloof van hun vaders tot voorbeeld, wier lijken lagen in de woestijn (Hebr 3:17). Hoeveel zwaarder straf meent gij, zal hij verdienen, die de Zoon van God met voeten heeft getreden, het bloed des verbonds, waardoor hij geheiligd was, onrein geacht en de Geest der genade gesmaad heeft? Want wij weten wie gezegd heeft: Mij komt de wraak toe, Ik zal het vergelden! En wederom: De Heere zal Zijn volk oordelen. Vreselijk is het te vallen in de handen van de levende God! (Hebr 10:29-31).

 

Helaas is die straf over het volk Israël gekomen aan het einde van de Handelingen, toen zij weerspannig bleven en in ongeloof volhardde. In 70 na Chr werd Jeruzalem volledig verwoest. Hun land werd hun ontnomen. Priester-, offer- en tempeldienst hielden op en de Joden werden verstrooid over de regio, en later over de hele wereld.

 

 

Niemand minder dan Paulus, die opgegroeid was aan de voeten van Gamaliël, doorkneed in de Schriften, was in staat deze brief te schrijven. Het is ondenkbaar dat de apostel, wiens regel het was "eerst de Jood" (in de Handelingen periode), niet in deze periode zich rechtstreeks zou hebben gericht tot de Jood d.m.v. een brief. Het was per slot van rekening zijn opdracht (Hand 9:15).

 

Bovendien is er nog een duidelijke aanwijzing dat Paulus aan de Hebreeën schreef. Wanneer we de brieven van Petrus onderzoeken, dan zien we dat ook Petrus schreef aan dezelfde groep mensen: "Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn." (1 Petr 1:1). En wanneer we de tweede brief van Petrus lezen, dan lezen we in 2 Petr 3:1 dat hij aan dezelfde Hebreeën schrijft: "Dit is reeds de tweede brief, geliefden, die ik u schrijf." En vervolgens schrijft Petrus: "Daarom, geliefden, (dit zijn nog steeds diezelfde vreemdelingen in de verstrooiing), beijvert u in deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede, en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft. (2 Petr 3:14-15). Hierdoor bewijzen de brieven van Petrus dat Paulus de schrijver van de Hebreeën brief is.

 

Het zou ook wel eens zo kunnen zijn, dat Paulus niet direct zijn naam aan de brief verbond, om ervoor te zorgen, dat de brief gelezen zou worden, anders zou de brief direct door de Judaïsten aan de kant worden geschoven (Gal 2:11-21 en Hand 15:2 en vers 5-7). De Hebreeën brief is na de tweede Thessalonicenzen brief geschreven. Dit blijkt ook uit het feit, dat de bekendste handschriften de Hebreeën brief direct achter de tweede Thessalonicenzen brief plaatsen.

 

Paulus in Efeze

 

Nadat Paulus enige tijd in Antiochië had doorgebracht, vertrok hij vandaar uit voor zijn derde zendingsreis. Hij trok door Galatië en Frygië naar Efeze (Hand 18:23), omdat hij beloofd had, daar te zullen terugkeren na het loofhuttenfeest te Jeruzalem (Hand 18:19-21). Paulus werkte drie jaar te Efeze. (Hand 20:31). Na drie maanden in de synagoge gewerkt te hebben, zonderde Paulus zich met zijn volgelingen af in de gehoorzaal van Tyrannus, waar hij twee jaar lang dagelijks besprekingen hield (Hand 19:8-10). In die twee jaar zijn er ook vast veel mensen van buiten Efeze bij de toehoorders van Paulus geweest. Het gevolg van deze prediking was dan ook "zodat allen, die in Asia woonden, het woord des Heren hoorden, Joden zowel als Grieken." (Hand 19:10).

 

Hierdoor was daar in Efeze ook iemand die nogal veel "last" had van deze prediking. U moet zich voorstellen dat Efeze in die tijd een bruisende Romeinse stad was. De stad was vol van afgoden, en velen verdienden hun dagelijks brood door die afgodendienst. Zo woonde er iemand in Efeze,

  • "genaamd Demetrius, een zilversmid, die zilveren Artemist beelden vervaardigde, hij verschafte aan de mannen van het vak niet weinig inkomsten. Hij riep dezen bijeen, met de werklieden in dit vak, en zeide: Mannen, gij weet, dat wij aan dit werk onze welvaart danken, en gij ziet en hoort, dat deze Paulus een talrijke schare, niet alleen van Efeze, maar ook van bijna geheel Asia, overgehaald en afkerig gemaakt heeft door te zeggen, dat goden, die met handen worden gemaakt, geen goden zijn......." (Hand 19:24-26).

 

De tegenstand van deze Demetrius maakte een eind aan het werk van Paulus in Efeze, want we lezen dat "omstreeks dat tijdstip ontstond er geen geringe opschudding inzake de weg." (Hand 19:23).

 

Tijdens de gehele derde reis van Paulus was hij bezig met de voorbereidingen om geld in te zamelen onder alle gemeenten voor de heiligen te Jeruzalem. (1 Kor 16:1-4). Hij maakte plannen om vanuit Efeze door Macedonië naar Korinthe te reizen, om van daaruit de liefdegave in Jeruzalem af te dragen (1 Kor 16:4-9). Blijkbaar was de armoede onder de gelovigen in Jeruzalem toegeslagen, terwijl het daar eerst zo goed begonnen was. We lezen in Hand 2:44-47 dat

  • "allen, (en we hebben het hier over de gelovigen in Jeruzalem) die tot het geloof gekomen en bijeenvergaderd waren, hadden alles gemeenschappelijk; en telkens waren er, die hun bezittingen en have verkochten en ze uitdeelden aan allen, die er behoefte aan hadden; en voortdurend waren zij elke dag eendrachtig in de tempel, braken het brood aan huis en gebruikten hun maaltijden met blijdschap en eenvoud des harten, en zij loofden God en stonden in de gunst bij het gehele volk. En de Here voegde dagelijks toe aan de kring, die behouden werden."

 

Wij, die achter de feiten staan, weten hoe het in de Handelingen is afgelopen. Het volk kwam niet tot geloof, en het Koninkrijk werd niet opgericht. Wat we in Handelingen 2 zien, is een kleine voor-afschaduwing van dat komende Koninkrijk, maar omdat dát geen gestalte kreeg, ging het met het gemeenschappelijk bezit en met "het alles delen" ook fout, zodat uiteindelijk de armoede toesloeg.

 

Paulus zei:

  • "Wat nu de inzameling voor de heiligen betreft, doet ook gij, evenals ik het in de gemeenten van Galatië geregeld heb: elke eerste dag der week legge ieder uwer naar vermogen thuis iets weg, en hij spare dit op, opdat er niet eerst na mijn komst inzamelingen moeten gehouden worden. Wanneer ik dan aangekomen ben, zal ik hen, die gij daarvoor geschikt acht, met brieven zenden om uw liefdegave te Jeruzalem af te dragen. Mocht het echter van belang zijn, dat ik ook de reis maak, dan zullen zij met mij reizen. En ik zal tot u komen, wanneer ik Macedonië doorgereisd ben, want ik zal de reis door Macedonië doen, maar dan zal ik mij mogelijk bij u langer ophouden, misschien wel de winter doorbrengen, zodat gij mij kunt voorthelpen, wanneer ik verder reis. Want ik wil u thans niet in het voorbijgaan bezoeken, want ik hoop enige tijd bij u te blijven, als de Here het toestaat. Maar ik zal nog tot Pinksteren te Efeze blijven; want mij is een grote en machtige deur geopend en er zijn vele tegenstanders. (1 Kor 16:1-9).

 

Na zijn bezoek aan Jeruzalem was Paulus van plan naar Rome te reizen, wat blijkt uit Hand 19:21: "En toen dit alles voorbij was, nam Paulus zich voor door Macedonië en Achaje naar Jeruzalem te reizen, en hij zeide: Als ik daar geweest ben, moet ik ook Rome zien." En vanuit Rome was het Paulus' plan om naar Spanje te reizen. (Rom 15:22-29)

 

Echter, toen Paulus nog te Efeze was, maakte hij zich ernstig zorgen omtrent verschillende moeilijkheden, die zich in de gemeente van Korinthe voordeden. Hierover was Paulus geïnformeerd door onder anderen de (huisgenoten) van Chloë (1 Kor 1:11).

Waarschijnlijk is er nog een onbekende brief van Paulus, die verloren is gegaan, want in de eerste Korinthe brief schrijft hij: "Ik schreef u reeds in mijn brief, (dat was in een schrijven vóór de eerste Korinthe brief), dat gij niet moest omgaan met hoereerders; niet met de hoereerders uit deze wereld in het algemeen of met de geldgierigen en oplichters of afgodendienaars, want dan zou men wel uit de wereld moeten gaan. Nu evenwel schrijf ik u............." (1 Kor 5:10-11).

 

Waarschijnlijk had Paulus Timoteüs met deze verloren gegane brief naar de Korinthiërs gezonden (1 Kor 4:17). En Timoteüs keerde uit Korinthe terug met slecht nieuws. Ook had Timoteüs een brief meegekregen vanuit Korinthe, getuige 1 Kor 7:1: "Wat nu de punten betreft, waarover gij mij geschreven hebt..........."

 

De Eerste Brief aan de Korinthiërs (vijfde brief)

 

Deze komst van Timoteüs uit Korinthe, met een brief van die gemeente, was de aanleiding voor het schrijven van Paulus' eerste brief aan de Korinthiërs, die zo ongeveer in de lente van 57 is geschreven. Paulus behandelt in deze brief de misstanden in deze gemeente. Er waren partijschappen ontstaan:

  • "Mij is namelijk omtrent u, mijn broeders, medegedeeld door de (huisgenoten) van Chloë, dat er twisten onder u zijn. Ik bedoel dit, dat ieder uwer zijn leus heeft: Ik ben van Paulus! En ík van Apollos! En ík van Kefas! En ík van Christus! (1 Kor 1:11-12).

 

Ook grove zonden kwamen voor, er was wanorde in de diensten, en men stelde de opstanding ter discussie. Paulus gaat in zijn brief hierop in, en tracht de vragen te beantwoorden. De eerste Korinthe brief is onmiskenbaar vanuit Efeze geschreven, vermoedelijk in de tweede helft van Paulus' drie jarige bediening in die stad. Hij zegt namelijk in 1 Kor 16:8: "Maar ik zal nog tot Pinksteren te Efeze blijven."

 

Titus werd met de eerste Korinthe brief naar Korinthe gezonden met de bedoeling, dat hij daarna Paulus treffen zou in Troas om hem te berichten over de toestand in de gemeente van Korinthe. Paulus vond na zijn vertrek uit Efeze een geopende deur in Troas, maar de bezorgdheid omtrent de situatie in Korinthe, en het uitblijven van een bericht van Titus, deed Paulus naar Macedonië oversteken om Titus tegemoet te gaan:

  • "Toen ik nu te Troas was gekomen om het evangelie van Christus te prediken, en mij een deur geopend was in de Here, heb ik geen rust gehad voor mijn geest, omdat ik mijn broeder Titus niet aantrof; doch ik nam afscheid van hen en vertrok naar Macedonië." (2 Kor 2:12-13).

 

Toen Paulus Titus in Macedonië tegenkwam, vertelde Titus wat hem in Korinthe was overkomen. Het ontlastte Paulus wat van zijn bezorgdheid, ook al kreeg hij te horen dat de eerste Korinthe brief de Korinthiërs erg had bedroefd en dat zij zijn apostelschap in twijfel trokken. Het verslag van Titus werd de onmiddellijke aanleiding tot het schrijven van de tweede Korinthe brief.

 

De Tweede Brief aan de Korinthiërs (zesde brief)

 

Vermoedelijk schreef Paulus de tweede Korinthe brief in de herfst van 57 vanuit Filippi in Macedonië:

  • "Want toen wij in Macedonië kwamen, had ons vlees geen rust of duur, doch wij waren van alle kanten in de druk: van buiten strijd, van binnen vrees. Maar God, die de nederigen troost, heeft ons getroost door de komst van Titus, en niet alleen door zijn komst, maar ook door de troost, waarmede hij vertroost werd bij u, want hij deed ons verslag van uw verlangen, uw treuren, uw ijveren voor mij, zodat ik mij nog meer verblijdde. Want al heb ik u door mijn brief bedroefd, ik heb er geen spijt van. Mocht ik er spijt van gehad hebben, ik zie, dat die brief u, indien al, dan toch slechts tijdelijk bedroefd heeft; thans verblijdt het mij, niet, dat gij bedroefd zijt geworden, maar dat de droefheid u tot inkeer heeft gebracht; want gij zijt bedroefd geworden naar Gods wil, zodat gij generlei nadeel van ons hebt geleden. Want de droefheid naar Gods wil brengt onberouwelijke inkeer tot heil, maar de droefheid der wereld brengt de dood." (2 Kor 7:5-10)

 

Ook de tweede Korinthe brief werd weer door Titus naar Korinthe gebracht. (2 Kor 8:6 en 16:18). Nadat Paulus uitgebreid Macedonië had bezocht, reisde hij naar Griekenland, waar hij volgens plan in Achaje verbleef. (Hand 19:21)

De hoofdstad van de provincie Achaje in Griekenland was Korinthe. Paulus bracht drie maanden in Korinthe door, waarschijnlijk de wintermaanden van 57 naar 58. (Hand 20:2-3)

 

De Romeinen Brief (zevende brief)

 

In Korinthe schreef Paulus de Romeinen brief aan de gelovigen te Rome. Hij schreef hen onder anderen om hen voor te bereiden op zijn bezoek aan Rome, nadat hij Jeruzalem zou hebben aangedaan en om ervan verzekerd te zijn dat zij hem zouden voorthelpen als hij naar Spanje zou afreizen (Rom 15:22-29). Hij schreef dat het hem spijt dat hij nog niet de gelegenheid heeft gehad om de gelovigen in Rome te bezoeken.

 

Paulus was

  • "biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge worden om tot u te komen. Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking, dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. Doch ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen – waarin ik tot nu toe verhinderd ben – om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen." (Rom 1:10-13).

 

In Rom 15:22-23 en in Handelingen 19:21 maakt Paulus dit verlangen om de gelovigen in Rome te bezoeken ook kenbaar. Het feit dat Paulus de Romeinen brief schreef gedurende zijn drie maandelijks verblijf in Korinthe, wordt duidelijk door de aanhaling van de voorgenomen reis van de apostel naar Jeruzalem met de collecte voor de armen:

  • "Daarom werd ik dan ook herhaaldelijk verhinderd tot u te komen. Maar thans, nu mij in deze streken geen arbeidsveld meer overblijft en ik sedert tal van jaren verlangend ben tot u te komen, zodra ik naar Spanje reis – ik hoop u namelijk op mijn doorreis met eigen ogen te zien en door u voortgeholpen te worden voor mijn tocht daarheen, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb. Maar thans ben ik op reis naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen. Want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een handreiking te doen aan de armen onder de heiligen te Jeruzalem. Zij hebben het immers goedgevonden, maar zijn het ook jegens hen verplicht, want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, behoren zij ook met hun stoffelijke goederen hen te dienen. Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen." (Rom 15:23-28).

 

Aangezien deze collecte ook al was benadrukt in de eerdere brieven aan Korinthe (1 Kor 16:1-4, 2 Kor 8:1-24 en 2 Kor 9:1-15), is het duidelijk dat de Romeinen brief direct na de tweede Korinthe brief geschreven is, want de apostel staat nu gereed om vanuit Korinthe naar Jeruzalem te reizen (Rom 15:25). Vergelijk ook Rom 15:30-31 met Handelingen 21:17-30. Het feit dat Febe, een diacones van de gemeente te Kenchreeën, een dorp vlakbij Korinthe, naar Rome ging, gaf Paulus de gelegenheid de christenen van Rome een brief te zenden (= de Romeinen brief).

 

  • "Ik beveel Febe, onze zuster, [tevens] dienares der gemeente te Kenchreeën, bij u aan, dat gij haar ontvangt in de Here op een wijze, de heiligen waardig, en haar bijstaat, indien zij u in het een of ander mocht nodig hebben. Want zij zelf heeft velen, ook mij persoonlijk, bijstand verleend." (Rom 16:1-2)

 

Het plan om direct vanuit Korinthe over zee met de collecte naar Jeruzalem te reizen, kon niet worden uitgevoerd, omdat bleek dat de Joden een aanslag tegen Paulus hadden gesmeed. In plaats daarvan besloot men via Macedonië terug te keren.

 

Hand 20:3

  • "En toen hij daar drie maanden vertoefd had en de Joden een aanslag tegen hem smeedden, terwijl hij op het punt stond om over zee naar Syrië te gaan, kwam hij tot het besluit door Macedonië terug te keren".

 

De reis ging via Filippi (Hand 20:4-6). Troas (Hand 20:7-12), Milete (Hand 20:13-38), Tyrus (Hand 21:1-6) en Caesarea (Hand 21:7-14) naar Jeruzalem (Hand 21:15-26), waar Paulus nog voor de pinksterdag in 58 hoopte te zijn (Hand 20:16). Het wordt Paulus tijdens deze reis duidelijk, dat al zijn plannen om via Rome naar Spanje te gaan door de plannen van de Heere worden doorkruist.

 

Paulus voor de vijfde keer naar Jeruzalemin 58 na Chr.

 

De Heere neemt hem gevangen in de Geest (Hand 20:22-23) nog lang voordat er echte boeien om zijn polsen worden gesloten.

  • "En zie, nu reis ik, gebonden door de Geest, naar Jeruzalem, niet wetende wat mij daar overkomen zal, behalve dat de heilige Geest mij van stad tot stad betuigt en zegt, dat mij boeien en verdrukkingen te wachten staan." (Hand 20:22-23)

 

De Heere beëindigt Paulus' eerste dienst. En Paulus, als gevangene des Heeren begint zijn blik te verleggen naar de tweede bediening die hem wacht, namelijk om het evangelie van de genade Gods te betuigen (Hand 20:24 en Ef 3:1-2 en Efeze 3:8-9), de bediening der verborgenheid.

  • "Maar ik tel mijn leven niet en acht het niet kostbaar voor mijzelf, als ik slechts mijn loopbaan mag ten einde brengen en de bediening, die ik van de Here Jezus ontvangen heb om het evangelie der genade Gods te betuigen. En nu, zie, ik weet, dat gij allen, onder wie ik rondgereisd heb met de prediking van het Koninkrijk, mijn aangezicht niet meer zien zult. Daarom verklaar ik u op de dag van heden, dat ik rein ben van aller bloed; want ik heb niet nagelaten u al de raad Gods te verkondigen. " (Hand 20:24-27)

Wat opvalt is dat Paulus het hier over twee dingen heeft, ten eerste zegt hij wat zijn nieuwe bediening inhoudt, namelijk "om het evangelie der genade Gods te betuigen", en ten tweede noemt hij zijn oude bediening, namelijk " de prediking van het Koninkrijk", wat betreft het Koninkrijk voor Israël, aan wie hij "al de raad Gods" heeft verkondigd. En dat betreft alles uit Mozes en de profeten! Maar wat Paulus in zijn nieuwe bediening mocht bekendmaken, was niet na te speuren in Mozes en de profeten. (Efeze 3:8).

 

Maar wat zijn eerste bediening betreft, maakt hij allen duidelijk dat hij rein is aller bloed, en dat hij niets nagelaten heeft, maar hen al de raad Gods heeft verkondigd (Hand 20:25-26). In alle plaatsen, die hij daarna onderweg aandoet, hoort hij over de boeien en verdrukkingen die hem te wachten staan (Hand 20:23 en 21:11). Met tranen nemen de gemeenten afscheid van hem (Hand 20:37-38, Hand 21:5, 12 en 13). Voor hen is onbegrijpelijk dat Paulus naar Jeruzalem gaat (Hand 21:4 en Hand 21:12-14). Maar Paulus berust erin. Het is de wil des Heeren, dat zijn eerste bediening wordt stopgezet, en hij spoedig de bediening van de genade Gods (= de bedeling der verborgenheid) ten uitvoer moet gaan brengen, welke de Heere hem geopenbaard heeft, toen Paulus werd weggevoerd tot aan het paradijs en dat hij daar woorden hoorde die door geen mens mochten worden uitgesproken. (2 Kor 12:1-6). De Heere heeft hem gevangen genomen, waarheen zou hij kunnen vluchten of gaan?

  • "Want ik voor mij ben bereid, niet alleen gebonden te worden, maar ook te sterven te Jeruzalem voor de naam van de Here Jezus. En toen hij niet te overreden was, hielden wij ons stil en zeiden: De wil des Heren geschiede." (Hand 21:13-14)

 

Nadat Paulus de collecte in Jeruzalem afgedragen had, werd hij het voorjaar van 58 gearresteerd (Hand 21:26-40). De Joden leverden hem uit in de handen van de heidenen, zoals de profeet Agabus had voorzegd.

  • "En toen wij daar verscheidene dagen bleven, kwam uit Judea een zeker profeet, genaamd Agabus. Toen deze bij ons gekomen was, nam hij de gordel van Paulus, en zich voeten en handen bindende, zeide hij: Dit zegt de heilige Geest: De man, van wie deze gordel is, zullen de Joden te Jeruzalem zo binden en uitleveren in de handen der heidenen. Toen wij dit hoorden, verzochten zowel wij als de broeders daar ter plaatse hem, niet op te gaan naar Jeruzalem." (Hand 21:10-12)

 

De woorden van de Heilige Geest door Agabus zijn veelbetekenend. Ze luiden in: De definitieve verwerping door het volk Israël van de Christus (= Messias), het heil Gods en het Koninkrijk. De hele scene verandert vanaf dit ogenblik en verplaatst zich van Jeruzalem (Hand 21) naar Rome (Hand 28). Het Joodse toneel wordt verruild voor het heidense toneel. Het is een teken aan de wand. In Rome schort de Heere Zijn bemoeienis met Israël op en wordt het heil Gods gezonden aan de heidenen. Zij zullen dan ook horen! Wat een schrijnende tegenstelling met het hardhorend geworden Israël.

  • "Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.]" (Hand 28:28-29)

 

Met het uitleveren van Paulus in de handen van de heidenen in Jeruzalem, verwerpt Israël al in feite het heil Gods en de aanbieding van het Koninkrijk. Vanaf dat moment is het wachten dan eigenlijk alleen nog maar op het uitspreken van het oordeel van Jes 6 van Godswege, dat in Hand 28:26-27 geschiedt.

 

Tot nog toe hebben we de zeven brieven behandeld die Paulus in de Handelingen periode heeft geschreven. We hebben aangetoond dat de brieven daadwerkelijk IN de Handelingen zijn geschreven. Op de inhoud zijn we niet heel specifiek ingegaan. Hierover meer in het vervolg van deze bijbelstudie.

 

Verschillende Evangeliën

 

Als we het voorgaande, de inhoud van de brieven, die Paulus gedurende de Handelingen schreef, samenvatten, dan zien we dat Paulus gedurende de periode van de Handelingen aan verschillende groepen mensen verschillende evangeliën verkondigde. We onderscheiden toch zeker minstens drie verschillende Evangeliën:

 

  1. Hij spreekt tegen de heidenen over God als Schepper en tracht ze te bewegen zich van de ijdele dingen te keren tot de levende, doch hun onbekende, God.We lezen dat o.a. in Hand 17:22-23: "En Paulus, voor de Areopagus staande, zeide: Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt; want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbekende god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u."

  2. Hij verkondigt aan de Joden en Jodengenoten (= proselieten) de blijde boodschap van het Koninkrijk op aarde, en nodigt ze uit te komen tot geloof in Christus en tot bekering. Dit deed Paulus gedurende de gehele Handelingen periode. Eén voorbeeld: "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende." (Hand 3:19-20).

  3. Hij handelt, voor wat betreft de niet-Joden die reeds in God geloven, over Christus en hun zegeningen in verband met Israël. Voorbeeld: "Indien nu enkele van de takken (= Israël) weggebroken zijn en gij (gelovige heiden) als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen........." (Rom 11:17)

 

In verband met deze Evangeliën is het belangrijk ons de Abramitische beloften te herinneren, en onderscheid te maken tussen vier groepen mensen:

 

1. Zij die nog niet in God geloven.

 

2.Alle geslachten der aarde: "Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden." (Gen 12:2-3) Dus door Abraham, dat is door zijn nageslacht, dat is het volk Israël zal de zegen vanuit Israël tot de volkeren komen. Dit zal geschieden wanneer Christus terugkeert en Hij Koning wordt vanuit Israël, en Israël als zodanig aan de spits der volkeren zal staan.

 

3.Het aardse zaad van Abraham: "En de HERE zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn. Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven." (Gen 13:14-17) Dát land zal het land zijn waar Israël wonen zal. En dat land zal zijn vanaf de rivier in Egypte tot aan de rivier de Eufraat. Dit aardse zaad zal een aardse erfenis krijgen.

 

4.Het hemels zaad van Abraham: "Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid. (Gen 15:5-6)

Dit hemels zaad zal een hemelse erfenis krijgen.

 

Het Evangelie van de twaalf apostelen betreft de vergeving van zonden, de nieuwe geboorte en de komst van het Koninkrijk op aarde door Israëls bekering.
Ook Paulus, de apostel der volken, verkondigt deze blijde boodschap gedurende de Handelingen-tijd, als hij zich steeds eerst tot de Joden richt, want het Koninkrijk is dan nog steeds nabij. Die nabijheid kan men herkennen aan overvloedige tekenen, die specifiek bij dat Koninkrijk horen: allerlei wonderen en bijzondere gaven (talen, profetie, genezing, enz.). Tot op het einde van die Handelingen periode spreekt Paulus over de hoop van Israël: de komst van Christus om zijn Koninkrijk op te richten op aarde.
Israël blijft in de Handelingen steeds het uitverkoren volk.

 

Omdat het Koninkrijk voor Israël, en daarmee de komst van de Koning in de Handelingen zeer nabij was, begonnen deze Abrahamitische beloften zich te verwerkelijken gedurende de tijd der Handelingen. De Twaalf richten hun boodschap van bekering en wedergeboorte vooral tot Israël, en bij uitzondering tot de heidenen. Paulus spreekt tot allen. Naar gelang de boodschap van het Koninkrijk op aarde door Israël verworpen wordt en de zegeningen daarom nog niet kunnen doorgaan tot de volken door middel van Israël, begint Paulus ná de Handelingen met het verkondigen, van het Evangelie der gerechtigheid, van de hemelse positie in Christus (hierover later meer). We leren hieruit dat er niet maar één evangelie verkondiging is, maar dat we rekening moeten houden met de context waarin alles door de Heilige Geest in het Woord tot ons komt.

 

In de Bijbel vinden we twee grote lijnen:

Ten eerste de lijn van de verwezenlijking van Gods voornemen, Gods plan der eeuwen (= Gods plan der ajonen), en ten tweede de lijn van de weg der behoudenis in die verschillende ajonen. De eerste lijn in de Bijbel betreft de geschiedenis van het mensdom in het algemeen, de aionen en de bedelingen.

De tweede lijn betreft het persoonlijk, geestelijk leven van gelijk welk mens dan ook in die verschillende ajonen. Omdat alle mensen als zondaren geboren worden, moeten ze allen door geloof en rechtvaardiging komen tot de volle behoudenis, tot de volkomen gemeenschap met God, door Christus. Die mensen kunnen tot Israël of de volken behoren, en leven in verschillende ontwikkelingsstadia van het mensdom, maar de persoonlijke weg van de behoudenis blijft dezelfde. Alle elementen die voorkomen in de prediking van de verschillende Evangeliën en die het persoonlijke, geestelijke leven betreffen, zijn en blijven van toepassing op allen. Steeds moet de "natuurlijke" mens eerst in God geloven en zich tot Hem keren, en steeds moet de in-God-gelovige komen tot waarachtig geloof in de Christus der Schriften.

 

De verkondiging van de Evangeliën wordt beïnvloed door de algemene toestand, en de keuzes van het mensdom. Gods plan was (en zal zijn in de toekomst) om eerst Israël tot geloof te brengen, en het Koninkrijk voor het gelovig deel van Israël op aarde te vestigen, waar dit gelovig volk het middel zal zijn om aan de volken het evangelie te verkondigen, zodat ook die volken tot geloof zullen komen. Het Evangelie richtte zich dus eerst in het bijzonder tot de Joden. Dit werd eerst door de Heere Jezus zelf gedaan, en later in de Handelingen door de twaalf apostelen, en ook Paulus ging altijd eerst naar de Joden. Dit had een dubbel doel: Allereerst om persoonlijk geloof te bewerken, en ten tweede om tot het nationale geloof van het volk Israël te komen. Zonder dit laatste kon het Koninkrijk niet beginnen op aarde. En als de nationale wedergeboorte uitblijft, en tot later uitgesteld wordt, blijft het persoonlijke geloof nog steeds mogelijk en noodzakelijk.

 

Bovendien moeten we beseffen, dat wanneer een boodschap of een plan van God voor een bepaalde doelgroep door het ongeloof van diezelfde groep, niet doorgaat, dat dan dat plan van God niet overgaat naar een andere groep mensen. Wanneer God beloften geeft aan een zeer bepaald volk, dan zijn en blijven die beloften ook heel specifiek bestemd voor die groep mensen, of voor dat volk. Als Paulus zich, nadat Israël zijn Messias verworpen heeft in Handelingen 28, tot de volken wendt, is het volstrekt niet met het doel om door hen, door die volken nu tot dat Koninkrijk te komen. De groep gelovigen uit de volken vervangt Israël niet. De nationale bekering en wedergeboorte van het uitverkoren volk Israël blijft nog steeds een vereiste. In Handelingen 28 is dat uitgesteld, maar we lezen duidelijk in Gods Woord dat er vele beloften zijn voor Israël. En omdat Gods Woord onberouwelijk is, zullen die beloften ook zeer zeker in de toekomst vervuld worden.

 

Jammer genoeg heeft deze vervangings theologie in de praktijk wél plaats gevonden. Nadat Israël tijdelijk terzijde is gesteld, hebben de gelovigen, en daarmee de kerken de voor Israël bestemde beloften op zichzelf toegepast, wat tot op heden ten dage voor grote verwarring heeft geleid bij het verstaan en toepassen van Gods Woord. De grote meerderheid van de christenen, meende na Israëls verwerping een zichtbare organisatie te moeten vormen, een 'Kerk' die de plaats zou innemen van Gods volk, Israël. Men poogde dan de profetie, de ceremonieën, de gaven zoveel mogelijk op die Kerk toe te passen en het was pas na lange jaren bittere strijd dat er een zekere "eenheid" kwam.
Maar steeds bleven er vele andere groepen buiten die Kerk, want ze kozen ervoor vast te houden aan zekere oude tradities of uit de context gehaalde schriftuurlijke gegevens. De strijd en verdeeldheid blijft dan ook, tot heden toe, voortduren en uit die chaos werd ongeloof en schriftkritiek geboren.
Het is waar dat er steeds pogingen gedaan zijn om Paulus beter te begrijpen, maar de overlevering was reeds zo machtig (en is dat nog steeds), dat men er niet meer in slaagde aan haar slavernij te ontkomen. En daarom bleef Paulus door alle eeuwen heen
"de onbegrepen Apostel".


De enkeling kan echter steeds terug gaan naar Gods Woord, en door Gods Geest geleid, Zijn Woord in geloof lezen en begrijpen, en met Paulus een eenzame weg volgen. Want werkelijk, deze weg weg is naar de mens gesproken eenzaam, maar op deze wijze kunnen we gaan van heerlijkheid tot heerlijkheid, steeds in nauwere geestelijke gemeenschap met Christus en dan ook God bovenmate prijzen voor Zijn grote overweldigende liefde en genade.

 

Als het Koninkrijk voor Israël dus niet langer nabij is na de tijd van de Handelingen, en de boodschap van het Koninkrijk niet meer verkondigd wordt, wil dit niet zeggen dat de persoonlijke inhoud van dit Evangelie niet meer geldig is en vervangen wordt door iets anders.

 

Wel is er een verandering in de wijze waarop Gods voornemen, Gods plan der eeuwen zal verkondigd en verwezenlijkt worden, en een verandering in de algemene toestand van het mensdom, want Israël is dan verworpen en kan zijn opdracht niet vervullen. Er is echter geen verandering in de persoonlijke weg der behoudenis: allen moeten eerst tot geloof komen.

 

Paulus verkondigt wel een "ander" Evangelie, maar dit betreft een verdere, noem het maar een hogere trap in de weg der behoudenis: Die der gerechtigheid. We zullen dit in het vervolg van deze bijbelstudies nader onderzoeken, maar we willen hier reeds sterk de nadruk leggen op het feit dat Paulus, in dezelfde periode waar hij dit ander Evangelie predikt, nog steeds over geloof en bekering spreekt in verband met God als Schepper, als hij zich richt tot heidenen, die God nog niet kennen. De persoonlijke inhoud van al de Evangeliën blijft dus steeds geldig, omdat in alle tijden de mensen als zondaren geboren worden en de gehele weg van de behoudenis moeten doorlopen.

 

Bovenstaande is misschien een antwoord aan hen, die ons vaak verwijten dat we maar een klein gedeelte van Gods Woord overhouden, omdat al het overige voor de Joden zou zijn, en alleen gericht tot Joden. Maar wij geloven dat de gehele Schrift voor ons is geschreven, maar niet de gehele Schrift is aan ons geadresseerd. De gehele volledige persoonlijke en geestelijke inhoud is ook voor ons, maar voor wat betreft de bijzondere opdrachten of uiterlijke dingen, in het bijzonder de zichtbare dingen, de ceremoniën, de wonderen enz., houden we rekening met de wijze waarop God zijn voornemen uitvoert, met of zonder Israël. Dergelijke zichtbare dingen zijn slechts toepasbaar in de tijden en de context die de Schrift zelf aangeeft. Dit alles toe te passen in deze ajoon, waarin wij leven, is niet naar Gods wil en kan alleen wanorde en verdeeldheid veroorzaken. Verder blijft voor ons ook hetgeen tot Israël is gericht, zijn waarde behouden:

  • "Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden." (Rom 15:4)

 

Ook in het O.T. hebben we zoveel bewijzen van Gods liefde, lankmoedigheid en genade. Niet alleen kunnen we veel dingen op geestelijke wijze op onszelf toepassen en veel leren uit de geschiedenis van Israël, maar we kunnen ook letterlijk op onszelf toepassen wat betreft het geestelijke leven van de gelovige en gerechtvaardigde van het O.T. Daarom zijn de Psalmen vaak van zo groot belang voor ons, als ze spreken over de persoonlijke ondervinding van Salomo, David en anderen.

 

Dit alles samenvattende, mogen we zeggen dat, met duidelijk de dingen te onderscheiden, we geheel Gods Woord beter tot zijn recht laten komen en we beter God kunnen verheerlijken, omdat we dan, door rechte voren te trekken bij het brengen en verstaan van het Woord, een juistere en diepere blik krijgen in de rijkdom van Zijn genade.

 

Een laatste overtuigend woord zegt Paulus in zijn gevangenschap op het einde van Handelingen: "…want om de hoop van Israël draag ik deze keten." (Hand. 28:20) Niet de hoop van het Lichaam van Christus verkondigde hij op dat moment en ook niet de hoop van de heidenen. Hij was een dienaar van Israëls hoop. Dit bleef hij tot het gebeuren beschreven in de laatste verzen van Handelingen 28. Daar werd Israël voor een bepaalde tijd terzijde gesteld. Opnieuw, na een kans van meer dan dertig jaar, verwierpen de Joodse leiders openlijk de Messias. Toen sprak Paulus door de Geest: "Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!" (Hand. 28:28)

 

De Hoop van Israël


De
hoop van Israël is nog actueel in Handelingen 28. Als Israël op de prediking van de apostelen was ingegaan, dan was Paulus niet gebonden geworden door de Geest en droeg hij nu niet deze keten. Maar het Koninkrijk was nog steeds nabij. Op het einde van Handelingen gold nog steeds: "eerst de Jood en ook de Griek". Maar het is in Handelingen 28 wel de allerlaatste mogelijkheid voor Israël om zich te bekeren, zodat Christus kan worden gezonden om het Koninkrijk op te richten, waar al in Handelingen 3:19-21 van gesproken werd. Paulus spreekt met de voormannen der Joden een dag af en gedurende die hele dag stelde hij hen met nadruk het Koninkrijk Gods voor, (Hand 28:23). De tegenstelling tussen Handelingen 28:23 en de verzen 30,31 is heel kenmerkend!

 

De Belofte aan Abraham = De Hoop van Israël

 

De beloften die wij hebben ontvangen zijn niet dezelfde als die Abraham ontving. Tijdens de periode, beschreven in de Evangeliën was Gods roep gericht tot Israël (Luk. 1:68-79). De Here Jezus was een ‘dienaar der besnedenen’ (Rom. 15:8). Het boek Handelingen sluit hierop aan met de vraag van de discipelen: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap (of: koninkrijk) voor Israël?” (Hand. 1:6)
Dit Koninkrijk onder Koningschap van dé Koning was en is de
hoop van Israël en behoort tot de erfenis van dát volk. God beloofde dit Koninkrijk aan Abraham, Izaäk, Jakob en de twaalf stammen (Hand. 26:6-7). Als Israël het koningschap ontvangt zullen alle (heidense) volkeren tot discipelschap gebracht worden. Israël zal het ‘hoofd der volken’ zijn (Jer. 31:7). Wanneer de heidenen geloof zullen openbaren, zullen zij delen in het Koninkrijk en zijn daarin ondergeschikt aan Israël.

 

Het Nieuwe Verbond = Hoop van Israël

 

Het Oude Verbond werd destijds gesloten met Israël (Exod. 19) na de bevrijding uit Egypte. Jeremia zegt, dat er in de toekomst een nieuw Verbond zal komen met ‘het huis van Israël en het huis van Juda’ (Jer. 31:31). Dit wordt bevestigd in Hebreeën 8:8 e.v. Deze beloften zijn van toepassing op Israël volgens Romeinen 9:3-4. Het Nieuwe Verbond zal pas zijn volle ontplooiing krijgen in Het Koninkrijk. Dit is ook de Hoop van Israël.
Het Lichaam van Christus staat hier buiten. De relatie met de opgestane en verheerlijkte Heer is niet gebaseerd op een Verbond, maar vormt een wezenseenheid (één Lichaam) met Hem.

 

Naarmate het volk Israël meer had vertrouwt en geloofd in het evangelie, wat de apostelen moesten brengen, en de Here daarvoor alle dank en eer hadden gebracht, dan zou de genade in hun leven zijn gaan heersen. Dan hadden zij geleerd meer en meer te vertrouwen op God, hun hemelse Vader, Die hen in alle omstandigheden nabij wilde zijn. Maar zij wilden niet!

Hij geeft genade om te leven... om te worstelen... om ziek te zijn... om lief te hebben... om te dienen... om te bidden... om te groeien... om te helpen... om te volharden... en noem maar op.
Zij hadden, zo lezen wij in Romeinen 5, de toegang verkregen "tot deze genade, waarin zij mochten staan en roemen in de hoop op de heerlijkheid Gods,
maar zij wilden niet!

 

In de Hebreeën brief, geschreven aan de de stammen Israëls in de verstrooiing, lezen we: "Nu wasMozes wel getrouw in geheel zijn huis, als dienaar om te getuigen van hetgeen gesproken zou worden, maar Christus als Zoon over Zijn huis. Zijn huis zijn wij, indien wij (= Israël) de vrijmoedigheid en de hoop, waarin wij roemen, [tot het einde toe onverwrikt] vasthouden." (Hebr. 3:5 en 6).

 

 

Johannes had de weg van ‘minder worden om Christus meer te laten worden’ anders ingeschat. Hij liet zijn leerlingen vragen aan Jezus: “Bent U het die komen zou of hebben wij een ander te verwachten?” Het antwoord was dat Johannes opnieuw moest kijken naar Jezus (Matth.11:1-4). Niet lang daarna werd Johannes onthoofd. De weg was bereid en de wegbereider zelf kon niet meer in de weg staan. Zijn hoop was de openbaring van het Koninkrijk dat hij en Jezus predikten.En dat was (en zal zijn) ook de Hoop van Israël.

 

De enige hoop die er is, het enig licht dat schijnt temidden van de duisternis is van God afkomstig. En wij weten het ook vanuit de natuur: Als de nacht op z'n donkerst is, dan verschijnt plotseling de morgenster als voorloper van de opkomende zon. Zo zal ook straks in de donkere nacht van deze wereld dé Morgenster verschijnen tot redding, en Hij zal vervolgens als de Zon der gerechtigheid Zijn heerlijkheid openbaren. Dit is de Hoop van Israël.

 

In deze wereld is de Goede Herder gekomen. De goede Herder die Zijn schapen kent en hen meevoert naar de grazige weiden van hoop. Van deze Herder staat ook beschreven: “Hij verkwikt mijn ziel.” Want het is de God die de Zijnen leidt in de rechte sporen om de verheerlijking van Zijn naam. Maar niet voordat Hij de zielen van de Zijnen opricht, verlicht en voedt met het goede. In Psalm 107 staat beschreven over hen die een eenzame weg moesten gaan, dwars door woestijnen heen: “Dat zij de Here loven om Zijn goedertierenheid, omdat Hij de dorstende ziel heeft gelaafd en de hongerende ziel met het goede vervuld.” Dit is ook de Hoop van Israël.

 

Alles wat er gebeurde en geschreven werd in de Handelingen tijd staat in het teken van die (weder)komst, die tegelijk de bekrachtiging zou zijn van het nieuwe verbond. Van de gelovigen (uit Israël) in die dagen werd ook meteen gezegd dat ze deel hadden aan het nieuwe verbond - zie bijv. Hand 3:25-26, 2 Kor 3:1-6, Hebr 10:16 en vergelijk ook Rom 7:1-4. Dat de wederkomst snel verwacht werd, blijkt uit de brieven die in die tijd geschreven zijn. Zo zegt Paulus in 1 Tessalonicenzen 4: "Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst (= aanwezigheid) des Heren ..." (vers 15, zie ook vers 17) In dit gedeelte wijst de apostel op de hoop (in die dagen) dat de ontslapen gelovigen zouden opstaan bij de (toe)komst van de Heere. Dat zou allemaal niet meer zo lang duren, want hij verwachtte het als levende nog mee te zullen maken. In Hebreeën 10:37 lezen we "Want nog een korte, korte tijd, en Hij, Die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten ..." Jacobus schrijft in hoofdstuk 5:7 en 8: "Hebt dus geduld, broeders, tot de komst des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij." En zo zijn er meerdere teksten die wijzen op de snel te verwachten wederkomst van de Heere in die dagen. Dit is ook de Hoop van Israël.

 

Niet Trouwen?

 

Een tekst uit Korinthe die met ons onderwerp alles te maken heeft, maar die vaak moeilijk wordt verstaan, omdat men geen rekening met de context houdt, is 1 Kor 7:1-9. Maar wanneer men rekening houdt met de context, het zeer aanstaande zijn van het Koninkrijk, en de grote verdrukking die er voor Israël zou zijn voordat het Koninkrijk aanbreekt, dan wordt het heel wat makkelijker om de tekst te verstaan: "Het is goed voor een mens niet aan een vrouw verbonden te zijn. (1 Kor 7:1) En 1 Kor 7:7-9 "Ik zou wel willen, dat alle mensen waren, zoals ikzelf. ( = ongetrouwd) Doch iedereen heeft van God zijn bijzondere gave, de een deze, de ander die. Maar tot de ongehuwden en de weduwen zeg ik: Het is goed voor hen, indien zij blijven, zoals ik. Indien zij zich echter niet kunnen beheersen, laten zij dan trouwen. Want het is beter te trouwen dan van begeerte te branden." Wanneer de grote verdrukking komt, die door verschillende profeten is voorzegt, is het beter om niet de zorg voor vrouw en kinderen erbij te hebben, want het zal een zware verdrukking zijn, zoals er nooit geweest is, en ook nooit meer zal zijn. (Math 24:21) Ook dit hoort bij de hoop van Israël.

 

Zacharia spreekt over het toekomstige Jeruzalem, hoe groot het zal zijn, "En Ik Zelf, luidt het woord des HEEREN, zal haar een vurige muur zijn rondom, en heerlijkheid binnen in haar." (2:5) "Jubel en verheug u, gij dochter van Sion! want zie, Ik kom in uw midden wonen, luidt het woord des HEEREN." (2:10) Deze heerlijkheid (= Hoop van Israël) van Israël zal ongetwijfeld in de (nabije) toekomst gestalte krijgen.

 

Handelingen 1:11 geeft aan wat de hoop in die tijd was, namelijk: De (zichtbare) wederkomst van de Here Jezus op de Olijfberg. Dat is dan ook de toekomstverwachting waarvan de brieven uit de Handelingen tijd spreken (zie bijv. 1 Kor. 1:7 en 2 Tess. 1:7).

 

Hoop van Israël:"Hij zal voor eeuwig de dood vernietigen, en de Here HERE zal de tranen van alle aangezichten afwissen en de smaad van zijn volk zal Hij van de gehele aarde verwijderen, want de HEERE heeft het gesproken. En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de HEERE, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft" (Jes. 25:8-9).

 

Wanneer we bovenstaande teksten allemaal in de context lezen, dan wordt toch wel duidelijk wat de "Hoop van Israël" was en ZAL ZIJN!

 

De Verwarring gedurende de eerste eeuw na Christus

 

Het jaar 70 had dus, met de verwoesting van Jeruzalem en de verstrooiing der Joden, de (tijdelijke) nationale verwerping van Israël zichtbaar bevestigd. Gedurende bijna 2000 jaren had de Here geduld en genade betoond jegens Zijn uitverkoren, maar weerspannig volk. Steeds waren de andere volken op de achtergrond gebleven, want Israël was het centrum van het wereldgebeuren volgens Gods voornemen.

 

Al de gelovigen uit Israël en de volken, hadden gedurende de periode van Handelingen geleefd in de atmosfeer van het nabij zijnde Koninkrijk op aarde, en hadden de spoedige komst in heerlijkheid van de Messias verwacht.

 

Zelfs de verkondiging door Paulus van de hogere Abrahamitische zegeningen der volken, gedurende de Handelingen tijd, had tot doel gehad Israël door jaloersheid tot bekering te leiden en de komst van het Koninkrijk te bespoedigen.
Als men probeert zich in die tijd te verplaatsen, en zich de geestesgesteldheid van die tijd goed indenkt, kan men zich enigszins voorstellen welke donderslag Israëls verwerping was, en welke belangrijke grens het jaar 70 vormt in de heilsgeschiedenis.

 

Tot op dat ogenblik (Handelingen 28) had de Schrift en al wat door Gods boodschappers verkondigd werd, op Israël gewezen. Alle zegeningen hingen af van dit volk, of konden slechts verkregen worden in relatie met dit volk. Wat bleef er dan over nu Israël verdween? Waarop kon men nu nog steunen? Zou Gods voornemen schipbreuk geleden hebben? Hadden de profeten, de apostelen en de Heere Zelf zich vergist? De Twaalven vormden een zichtbare autoriteit in Jeruzalem, die paste bij een zichtbare gemeenschap, door Israël gevormd. Maar wat bleef er van dit alles over, nu dat volk verworpen werd (terzijde gezet werd) en Israël een tijdlang niet meer centraal zou staan in Gods handelen? Jeruzalem was verwoest, er was geen tempel en dus ook geen tempeldienst meer.

 

Sommigen hebben toen misschien weer aan Paulus gedacht, die over iets nieuws gesproken had, over een Verborgenheid, die van alle eeuwen in God verborgen was geweest, over een onzichtbare Gemeente en bovenhemelse dingen, maar wat moest men daarmee aan? Ze konden het nergens “naspeuren” in de oude bekende Schriften.
Zo vormde zich dan geleidelijk een
menselijk stelsel, waarin geen plaats was voor de leer van Paulus, en waarin men niettegenstaande alle gebeurtenissen nog steeds op de apostelen der besnijdenis dacht te kunnen steunen. Men kon natuurlijk niet meer vasthouden aan alles wat de profeten en de apostelen verkondigd hadden. Men had in het verleden te veel overgenomen van de Joodse begrippen en de profetie te letterlijk opgevat.

 

Zo ontstond de volgende oplossing: De christengemeente zou Israël nu vervangen. Sterker nog, het is die gemeente die nu het ware Israël vormde en al wat aan dat volk beloofd was bleek nu bestemd te zijn voor die gemeente. De meeste dingen moest men geestelijk verstaan, niet letterlijk en men moest nu vele zaken herzien en aanpassen aan de nieuwe toestand. Natuurlijk kon men alle Joodse inzettingen niet behouden, maar men ging ze zoveel mogelijk verchristelijken. Toen men eenmaal zo ver was, kon men geen rekening meer houden met Paulus, die in zijn laatste brieven in het geheel niet meer van een (geestelijk) volk Israël spreekt, en ook niet over inzettingen, maar over allerlei onbegrijpelijke dingen waarover tot dan toe geen mens gesproken had, en die niet waren te onderzoeken in de toen bekende Schriften. (Efeze 3:8).

 

****************************************************************************************


De Boodschap van Paulus ná de Handelingen periode

 

Paulus' leven en werk eindigde in gevangenschap te Rome. In die tijd schreef hij een aantal brieven, waarin hij o.a. het (grote) geheimenis bekend mocht maken. Hij beschouwde dat als een groot voorrecht, want het ging daarbij om de 'onnaspeurlijke rijkdom van Christus'. Wat betekent die verborgenheid en hoe is die boodschap destijds ontvangen?

 

Vanaf hier heeft schrijver dezes incidenteel gebruik gemaakt van het boekje "Het onderwijs van de apostel Paulus" van wijlen S. van Mierlo (hij leefde van 1890 – 1962). De bijbelteksten zijn geciteerd uit de Statenvertaling. Daarom spreekt hij over 'verborgenheid', hetgeen in de NBG-vertaling is weergegeven met "geheimenis". Hij vraagt aandacht voor de boodschap van deze brieven, de betekenis ervan voor de Gemeente en de reactie erop in Paulus' dagen.

 

De Brieven die in de gevangenis geschreven werden

 

Dit zijn de brieven die Paulus schreef geheel aan het einde van de tijd van Handelingen, en in het bijzonder die aan de Efeziërs, Filippensen, Kolossensen en de tweede aan Timotheüs. Eén van hun kenmerken is dat ze in de gevangenis geschreven werden.
Vóór we deze brieven nader onderzoeken, willen we de aandacht vestigen op enkele aanwijzingen, die ons laten zien dat Paulus, op het einde van Handelingen, zijn (hemelse) boodschap volledig had gebracht. Als hij te Milete afscheid neemt van de ouderlingen van Efeze (Hand. 20:17), zegt hij:

  • “Gijlieden weet ... hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen, betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Here Jezus Christus",

 

En verder: “Want ik heb niet achtergehouden dat ik u niet zou verkondigd hebben al de raad Gods." Al wat betreft de nieuwe geboorte en de rechtvaardiging, was door Paulus verkondigd, niets was verborgen. Hij herinnert er ook aan dat hij niet verder gaat dan wat Mozes en de Profeten leerden: “Betuigende beiden, klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou" (Hand. 26:22). Al wat hij dus schreef gedurende de tijd der Handelingen, in de brieven aan de Romeinen, Korinthiërs, Galaten, Tessalonicensen, valt daaronder, en was na te speuren in Mozes en de Profeten.

 

Maar hij verwijst ook naar een nieuwe boodschap: “Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijnen loop met blijdschap mag volbrengen,en de dienst, welken ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods" (Hand. 20:24). Het is pas in zijn laatste brief, namelijk 2 Timotheüs, dat hij zegt zijn loopbaan voleindigd te hebben (2 Tim. 4:7). De blijde boodschap der genade Gods, houdt nog meer in dan de nieuwe schepping, want het einddoel is de volmaaktheid, als God alles in allen zal zijn. Paulus moest die boodschap dus vervolledigen.

 

In zijn gevangenschapsbrieven lezen we dan ook van een nieuwe bedeling, die der genade Gods, een verborgenheid, die alleen aan hem was geopenbaard (Ef 3:2-3). Zo eerst kon hij het Woord Gods vervolledigen (Kol. 1:25). Paulus ontving inderdaad meerdere openbaringen. De Here is hem niet alleen verschenen op de weg naar Damascus, doch ook later (Hand. 26:12-16). Vooral vers 16 op het einde, waar de Heere reeds aan Paulus beloofde "dat Ik aan u verschijnen zal". Laten we dus die volheid van genade onderzoeken, die behoudenis van God die tot de volken gezonden werd (Hand. 28:28) nadat Israël als volk tijdelijk ter zijde was gezet.

 

De Boodschap der Verborgenheid

 

In de eerste plaats moeten we nagaan of het onderwijs dat Paulus in zijn laatste brieven geeft, slechts de uitbreiding is van zijn boodschappen in de tijd der Handelingen, of dat het een nieuwe boodschap is. Na grondig onderzoek zijn wij op grond van Gods Woord tot de overtuiging gekomen dat het werkelijk over iets nieuws gaat, over een nieuwe sfeer van zegening, over een nieuwe geestelijke positie waartoe de gelovige kan komen. In deze boodschap bereikt men de volmaaktheid, die schepping en aionen (= eeuwen) te boven gaat. Natuurlijk is dit onderwijs, in zekere zin, de voortzetting van het vroeger onderwijs. God komt tot zijn doel door de aionen heen. De ene aioon (eeuw = tijdsperiode, geen 100 jaar) volgt de andere op, en ten slotte bereikt de schepping de volmaaktheid. Er is dus in deze zin, een opvolging, een ontwikkeling. Maar we hebben ook gezien dat deze ontwikkeling niet op geleidelijke wijze plaats heeft: De ene aioon verschilt in vele opzichten van de volgende, er zijn plotselinge veranderingen.

 

Het komt er nu op aan na te gaan of Paulus in zijn laatste brieven, na Handelingen 28, nog steeds over dezelfde dingen spreekt als in de Handelingen, of dat hij ná Handelingen zijn onderwijs slechts vervolledigt door ons in kennis te stellen met nieuwe openbaringen betreffende dezelfde zaken, óf dat hij over een nieuwe dingen schrijft, die van te voren niet verkondigd waren.

 

Het onderstaande heb ik ongewijzigd overgenomen, omdat het van een woordkeuze en een diepgang getuigd, waar ik niet aan wil komen, en omdat het de bijbelse Waarheid zeer juist weergeeft. Sommige zinnen zijn misschien moeilijk in één keer te begrijpen, maar door de leiding van Gods Geest zullen deze dingen worden verstaan en in het juiste licht geplaatst kunnen worden:

 

"De boodschap die Paulus in zijn laatste brieven brengt, kan niet begrepen worden in haar eigenaardigheid en verhevenheid door gelovigen die zich nog in het begin van de weg der behoudenis bevinden. De hogere dingen zijn dan nog, als het ware, door een nevel omhuld en vele dingen die in de verte liggen schijnen samen te vallen. Men moet dus voortschrijden. Niet slechts in kennis, doch met geheel zijn geest, ziel en lichaam, met zijn gehele wezen. Men moet, door Gods genade, zijn geloof beleven om geleidelijk alles beter te zien en te onderscheiden, om God te horen spreken door middel van zijn gehele Woord. We bedoelen niet dat er veel tijd voor nodig is om hiertoe te komen. Vooral door hem/haar die niet belast is met allerlei menselijke overlevering kan die weg snel doorlopen worden, zodat hij misschien niet in volle bewustzijn de mijlpalen bemerkt die hij voorbij snelt.

 

Sommigen zullen beweren dat het niet nodig is al dergelijke onderscheidingen te maken en dat het gehele Nieuwe Testament op alle christenen toepasselijk is. Men kan vrezen dat ze dan alles naar beneden trekken wat hun standpunt overtreft. Laat ons niet vergeten dat de Here nog niet alles kon openbaren toen Hij op aarde was en dat ook Paulus niet aan allen vastespijze kon geven (1 Kor. 3:1-2). Petrus erkent dat er in de boodschappen van de Apostel der volken (Paulus) dingen zijn die zwaar zijn om te verstaan, die de ongeleerde en onvaste mensen verdraaien, gelijk ook andere Schriften, tot hun eigen verderf." (2 Petr. 3:16).

 

Gods Woord is geen chaos, waarin men naar welgevallen een tekst mag kiezen en die zo maar op zichzelf toepassen. Er is een redelijke ontwikkeling en Paulus wijst erop dat het nodig is de dingen die verschillen te onderscheiden en het woord der waarheid recht te snijden. De gelovige heeft een redelijke godsdienst (Rom. 12:1) en behoeft geen enkele kritiek te vrezen als hij slechts het gehele Woord vasthoudt en recht indeelt. Als men alles op hetzelfde niveau plaatst, het verschil in verhevenheid in de openbaringen miskent, komt men noodzakelijkerwijze tot allerlei moeilijkheden en schijnbare tegenstellingen. Dan wordt menontmoedigd, vindt men dat alles zo duister is, komt tot de afbrekende Schriftkritiek , en ten slotte tot ongeloof en een anti-christelijke houding.

 

We leggen dus steeds de nadruk op de noodzakelijkheid der bedelingen, de boodschappen der Apostelen, de posities van de gelovige, de aionen en sferen goed te onderscheiden. God heeft ons het verstand gegeven om het te gebruiken, verlicht door de inwerking van de Heilige Geest. Paulus geeft ons hier het voorbeeld. Als men zich laat leiden door overlevering en gevoel, loopt men gevaar schipbreuk te lijden. We mogen geen onzer vermogens verwaarlozen, doch moeten een goed evenwicht behouden. Er is geen ware, geestelijke kennis zonder liefde, doch ook geen ware en volle liefde zonder kennis der Schrift. Indien God ons de gehele Schrift gegeven heeft, en niet slechts enkele teksten die we met voorliefde lezen, dan is dat omdat alles nuttig is.

 

Als er werkelijke liefde tot de volle waarheid is, kunnen de meest “eenvoudige" mensen soms een verrassende kennis op doen, die moeilijk bereikt wordt door anderen die allerlei gestudeerd hebben, doch hun gedachten niet prijs geven voor Gods onderwijs. Het is ten slotte niet onze inspanning of geleerdheid die telt, doch Gods werking in ons. Doch God werkt niet op magische wijze, maar verlicht ons verstand, zodat we Hem kunnen horen spreken door middel van zijn geschreven Woord. Al wat we moeten doen is Hem - bewust of onbewust - niet weerstaan." (tot zover het geciteerde van S. van Mierlo)

 

Als we de vier brieven, die door Paulus aan het einde van de Handelingentijd geschreven zijn, onderzoeken in de grondtekst, vinden we er nieuwe dingen in, door nieuwe woorden uitgedrukt. Bijvoorbeeld:
Efe. 1:3 Gezegend met alle geestelijke zegeningen in het
over-hemelse
Efe. 2:16
Volkomen verzoening (apokatallasso)
Efe. 1:7
Volkomen verlossing (apolutrosis)
Efe. 1:3; 2:6
Medegezet in de overhemelse

Efe. 3:6 Mede-lichaam (sussoma)
Kol. 2:10 De
volmaaktheid
Kol. 3:3
Christus ons leven, verborgen in God
Kol. 3:4
Met Hem geopenbaard in heerlijkheid
Fil. 3:11 De
uit-opstanding uit de doden (ekanastasin tèn ek nekrôn)

 

Een Nieuwe Eenheid

 

Gods Woord spreekt over meerdere "eenheden". Allereerst die van Israël als Gods uitverkoren volk. Het is een aardse eenheid, die in de toekomende aioon (= eeuw) zal verwezenlijkt worden als JaHWeH-Christus 'eeuwig' in hun midden zal wonen (Ezech. 43:7; Zef. 3:15-17) en als de "naam der stad" zal zijn: de HERE is hier (Ezech. 48:35). Dan zal er geen scheiding meer zijn tussen de twaalf stammen. Er zal op aarde een eenheid bestaan, een zichtbare Gemeente (= in dit geval Israël), die de gehele aarde tot zegen zal zijn.

 

Vervolgens is er de hemelse groep, die één is in Christus (Gal. 3:28). Allen die hieraan deel hebben, hebben deel aan de Abramitische zegeningen, de gelovigen die er deel van uitmaken zijn met Hem gekruisigd en dood (Rom. 6:4-8). Allen zijn in één Geest, 'tot in' één lichaam gedoopt (1 Kor. 12:13). Dit lichaam was van Christus. Het behoorde Hem toe. Ze waren van Christus (Gal. 3:29).

 

Maar in zijn laatste brieven spreekt Paulus nog over een andere eenheid, die in volkomen gemeenschapmet Christus staat. Deze gelovigen zijn "mede-levend gemaakt met Christus", "mede-opgewekt", en God heeft ze "mede-gezet in de overhemelse in Christus-Jezus" (Efe. 2:5,6; Kol. 2:12,13). Dit gaat dus verder dan hetgeen van de hemelse groep in Handelingen gezegd wordt, en we vinden hier een volkomen eenheid, "één Lichaam" (Kol. 3:15; Efe. 3:6; 4:4), "één nieuwe mens" (Efe. 2:15), "één geest", "één doop" (Efe. 4:4, 5). Het is geen zichtbare, fysieke eenheid, doch een werkelijke, geestelijke eenheid.

 

Een Nieuwe Verborgenheid

 

In zijn gevangenschapsbrieven spreekt Paulus niet over verborgenheden, die het Koninkrijk op aarde of de hemelse positie betreffen, maar Paulus spreekt in de gevangenschapsbrieven over de grote Verborgenheid (Efe. 5:32), die gedurende de aionen in God (Efe. 3:9 "apo ton aionon") verborgen was, doch nu bekend gemaakt is - d.w.z. aan het einde van de tijd der Handelingen - aan zijn heiligen. Paulus noemt ze DE verborgenheid, in contrast met 'de verborgenheid van Christus'.

 

Gods Woord is een geleidelijke openbaring van de verborgenheid van Christus, en Paulus kon dus zeggen dat, op het ogenblik waarop hij DE Verborgenheid kenbaar maakte, de verborgenheid van Christus op een méér volledige wijze geopenbaard was dan aan de vorige geslachten. De overeenkomende tekst van Kolossenzen duidt aan dat we deze Schriftplaats inderdaad zo moeten verstaan. Er staat uitdrukkelijk: "De verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen." (Kol 1:26)

 

Ook Efeze 3:8-11 spreekt hierover:

  • "Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwige (= het voornemen der eeuwen) voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd." (NBG51).

 

Was die Verborgenheid toch niet, op bedekte wijze, in de vroegere Schriften bevat?Wijst het Oude Testament er nooit in zekere zin op? Het antwoord is wederom zeer beslist: Nee, de verborgenheid was "van de aionen verborgen in God". En hebben de engelen en andere schepselen der hemelen deze Verborgenheid niet gekend? Wederom is het antwoord zeer duidelijk: Neen, want er staat geschreven: "opdat nu aan de overheden en de machten in de overhemelse, door middel van de Gemeente, bekend gemaakt worde ..." (Efe. 3:10).

 

Om nog beter te doen uitkomen dat men die rijkdom der genade Gods niet moet zoeken in wat toen reeds geopenbaard of geschreven was, voegt de apostel er nog bij: "Mij... is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus aan de volken te verkondigen". We moeten deze Verborgenheid dus niet bij anderen, en ook niet in Paulus' vroegere geschriften zoeken. We concluderen dus uit dit alles, dat indien Paulus zo de nadruk legt op de nieuwheid en het belang van deze openbaring, men ze niet mag aanzien als een verdere ontwikkeling van iets dat reeds bekend was, als een soort aanhangsel in verband met hetgeen hij of anderen reeds vroeger hadden geleerd.

 

De Inhoud van deze grote Verborgenheid

 

De inhoud van deze grote Verborgenheid is dat gelovigen uit de volken kunnen zijn: "samen-erfgenamen en samen-lichaam en samen-genoten der belofte in Christus-Jezus" (Efe. 3:6 volgens de Griekse tekst). Het gaat hier niet meer over een Abrahamitische belofte, maar over een belofte in de verheerlijkte Christus-Jezus. Het betreft niet meer het aionische leven (= het leven van de eeuw), maar het leven in Christus, wat de "eeuwen" overstijgt (zie 2 Tim. 1:1 en Kol. 3:3-4).

 

Paulus zegt niet dat de volken nu tot de rang verheven zijn die Israël bekleedde en Paulus zegt ook niet dat de volken de gehele Israëlitische erfenis ontvangen, noch dat ze nu met Israël één lichaam vormen en deel hebben aan de beloften die aan dit volk gedaan waren. (zoals IN de Handelingen periode wél het geval was). Hier hebben gelovigen uit alle alle volken (inclusief Israël) deel aan een nieuwe erfenis; samen vormen ze een nieuw Lichaam en samen hebben ze deel aan nieuwe beloften. We herinneren aan de opdracht van Israël, wat zijn erfenis is (Kanaän), wat zijn eenheid is en wat zijn beloften zijn. De (boven)hemelse roeping gaat verder dan dit alles.

 

Als men deze dingen duidelijk inziet, hoe zou men dan nog kunnen volhouden dat er hier, in deze latere brieven, alleen sprake is van een deelname der volken aan de Joodse zegeningen? Israël is nu, als volk, verworpen. Al de profetische uitspraken aangaande dat volk zullen eens vervuld worden aan hen, doch alleen als het tot bekering zal komen én wanneer de Here zal wederkomen. Tot zo lang is dit alles uitgesteld. Hoe zouden de volken er dan nu deel aan hebben? En als we het beeld van de tamme olijfboom goed begrepen hebben, kunnen we dan aannemen dat de brief aan de Efeziërs alleen herhaalt dat groepen uit de volken op een Joodse boom geënt worden, terwijl die is omgehakt?

 

De gedachte dat de Gemeente waarvan Paulus hier spreekt, Israël vervangt en de gelovigen uit de volken deel hebben aan Israëls beloften, kan alleen aanvaard worden als men noch de profeten, noch de Here zelf, noch de apostelen gelooft in verband met hetgeen ze over Israël zeggen. Men behoudt dan slechts zeer vage 'christelijke' begrippen die zich aan alles aanpassen en men laat Gods overvloedige genade niet tot haar recht komen. En, indien zij, die de profetische uitspraken aanvaarden, nog menen dat het in deze brieven gaat over de vroegere Abrahamitische beloften aangaande de zegeningen voor alle volken, kunnen we verder erop wijzen dat deze zegeningen nog aionisch (van de eeuw) zijn, en dus nog in het onvolmaakte blijven. We zullen nu aan de hand van Gods Woord aantonen dat Paulus, in zijn laatste brieven, over nóg hogere dingen spreekt, die in verband staan met de volmaaktheid, en boven de eeuwen uitstijgen.

 

De Toegang tot een nieuwe sfeer van Zegening

 

Men stelt zich meestal tevreden met een onderscheid te maken tussen hemel en aarde. En toch wijst reeds het Oude Testament op meerdere sferen die van de aardse verschillen. 1 Koningen 8:27 is zeer kenmerkend in dit opzicht: “Maar waarlijk, zou God op de aarde wonen? Zie, de hemelen, ja de hemel der hemelen zouden u niet begrijpen".

 

We vinden hier dus:
1. aarde
2. de hemelen
3. de hemel der hemelen
4. wat deze laatste nog te boven gaat, namelijk God zelf.

 

Ook Psalm 113:4 zegt: "Boven de hemelen is Zijn heerlijkheid". Men moet inderdaad niet vergeten, dat ook de hemelen, evengoed als de aarde, geschapen werden en dat God IS vóór en boven de schepping. Het Nieuw Testament leert ons dat, na zijn hemelvaart, Christus is "opgevaren ver boven al de hemelen" (Efe. 4:10). Hij is "door de hemelen doorgegaan" (Heb. 4:14) en is dus hoger dan de hemelen geworden (Hebr. 7:26). Deze hogere sfeer wordt in de Schrift door een bijzondere naam aangeduid: 'de overhemelse'.
Men lette er echter wel op dat we niet beweren dat het bestaan van die sfeer niet gekend was vóór Paulus. Behalve wat we er hierboven reeds over gezegd hebben, kunnen we nagaan dat ook Johannes en de schrijver van de brief aan de Hebreeën het woord 'overhemelse' gebruikten.

 

In de delen der Schrift, die vóór het einde der Handelingen geschreven werden, is er sprake van:

"overhemelse dingen", "overhemelse lichamen", "overhemelse roeping", "overhemelse gave",
"overhemels vaderland", "overhemels Jeruzalem", maar het woord 'overhemelse' duidt hier steeds het karakter of de oorsprong aan. In contrast met dit alles gebruikt Paulus in de brief aan de Efeziërs vijf maal de uitdrukking: 'en tois epouraniois', d.w.z.
'in de overhemelse'. Deze uitdrukking staat hier in de dativus (i.t.t. de genitivus in de hierboven vermelde uitdrukkingen) en deze vorm duidt aan dat de personen of dingen waarover sprake is, zich in die 'overhemelse' bevinden.

 

Samengevat: De gehele Schrift kent dus de 'overhemelse', maar nooit was er de minste aanwijzing dat een mens daarin geplaatst kon worden. Het is wel degelijk een nieuwe openbaring in verband met de grote Verborgenheid en die spreekt van een toegang tot een sfeer die tot dan toe gesloten was. Het is wel degelijk iets onbekends, in God verborgen, onnaspeurlijk. Paulus leert ons, dat in deze overhemelse (sfeer):
-
we gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen (Efe. 1:3)
-
de Here gezeten is (Efe. 1:20)
-
God ons, in Christus-Jezus, kan zetten (Efe. 2:6)
-
er ook 'overheden en machten' zijn (Efe. 3:10).

De Griekse tekst zegt niet: 'overhemelse plaatsen' (of: 'hemelse gewesten', zoals de NBG-vertaling), doch eenvoudig: 'overhemelse'.

 

We kunnen hier inderdaad niet meer over plaatsen spreken. De ruimte is een begrip dat tot de schepping behoort, en de overhemelse (dingen) zijn boven de schepping, omdat ze God zelf betreffen. We hebben dus soms van een overhemelse sfeer gesproken, omdat dit minder gebonden is aan het begrip van ruimte. Onze taal is aangepast aan aardse dingen en kan de geestelijke werkelijkheden niet goed uitdrukken, en nog minder wat met God zelf in betrekking staat. Maar om er iets over te kunnen zeggen, is men wel genoodzaakt die aardse woorden te gebruiken.

 

Men begrijpt dus dat we nauwelijks durven schrijven dat er, in die overhemelse sfeer nog een bijzondere plaats is: in (of: aan) Gods rechterhand, en dat hier Christus gezeten is, en in Hem, de gelovigen waarover Paulus in zijn laatste brieven spreekt. Deze bevinden zich (reeds nu) dus, in de geest, werkelijk boven alles, zelfs boven de 'overheden en machten', die zich in de overhemelse bevinden. We moeten bij dit alles denken aan een gemeenschap met God, zonder enig begrip van ruimte. We menen dus dat het duidelijk moet zijn dat Paulus hier geen uitvoerige aanduidingen meer geeft aangaande de hemelse dingen, die nog in betrekking staan met het geschapene, of aangaande de Abrahamitische zegeningen. Het betreft een geheel nieuwe sfeer van zegening. Indien er een zeer bepaalde scheiding bestaat tussen aarde en hemel, is er een nog veel grotere tussen de hemelen en de overhemelse. In het eerste geval heeft men twee delen der schepping, in het tweede geval heeft men een sfeer, die tot de schepping behoort, en een andere,die er niet toe behoort.

In de delen der Schrift, die vóór het einde der Handelingen geschreven werden, is er sprake van:
Een Nieuwe Gemeente

 


We moeten nu nagaan of er na de Handelingen periode een nieuwe Gemeente ontstond. We hebben in het voorgaande gezien dat de Gemeente der Verborgenheid is "buiten" de tijd en de ruimte, buiten de schepping, buiten de aionen. Ze behoort nu reeds tot de positie of toestand die overeenstemt met de eind-toestand waar God alles in allen zal zijn, een toestand die voor alle gelovige schepselen pas na de aionen verwezenlijkt wordt. In de geest zijn de leden van die Gemeente uit de aionen reeds weggenomen en hebben, in Christus, de absolute volmaaktheid bereikt. (Kol. 2:16). Deze ontzagwekkende, onbevattelijke zegeningen zijn nu reeds geestelijk het eigendom van de Leden van Het Lichaam van Christus. Wat een redenen om voortdurend God de dank en de eer te brengen!

 

In Kol 2:16-20 lezen we over deze volmaaktheid: "Dat u dan niemand oordele in spijs of in drank, of in het stuk des feestdags, of der nieuwe maan, of der sabbatten; Welke zijn een schaduw der toekomende dingen, maar het lichaam is van Christus. Dat dan niemand u overheerse naar zijn wil in nederigheid en dienst der engelen, intredende in hetgeen hij niet gezien heeft, tevergeefs opgeblazen zijnde door het verstand zijns vleses; En het Hoofd niet behoudende, uit hetwelk het gehele lichaam, door de samenvoegselen en samenbindingen voorzien en samengevoegd zijnde, opwast met goddelijken wasdom. Indien gij dan met Christus de eerste beginselen der wereld zijt afgestorven, wat wordt gij, gelijk of gij in de wereld leefdet, met inzettingen belast?"

 

Voor de duidelijkheid hier nogmaals dezelfde tekst in de NBG51:

  • "Laat dan niemand u blijven oordelen inzake eten en drinken of op het stuk van een feestdag, nieuwe maan of sabbat, dingen, die slechts een schaduw zijn van hetgeen komen moest, terwijl de werkelijkheid van Christus is. Laat niemand u de prijs doen missen door gewilde nederigheid en engelenverering, als ingewijde in wat hij heeft aanschouwd, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk denken, terwijl hij zich niet houdt aan het hoofd, waaruit het gehele lichaam, door pezen en banden ondersteund en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt. Indien gij met Christus afgestorven zijt aan de wereldgeesten, waartoe laat gij u, alsof gij in de wereld leefdet, geboden opleggen." (Kol 2:16-20)

 

Dus broeders en zusters, we moeten niet net doen alsof we in de wereld leven, maar we moeten ons bewust zijn van onze over-hemelse positie, die ons in Christus deelachtig is geworden. Daarom staat er ook in Fil 3:20:  

  • "Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten", of zoals de Staten Vertaling het zegt: "Maar onze wandelis in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus."

 

Het betreft hier niet de gemeente die gedurende de toekomende aioon op aarde zal bestaan, noch de hemelse gemeente (of 'gemeente Gods'), maar het betreft hier het Lichaam van Christus, waarvan Hijzelf het Hoofd is (Efe. 1:23). Dus niet slechts een lichaam uit mensen samengesteld, dat Hem toebehoort.

De leden zijn niet slechts 'kinderen van God', of 'zonen Gods', doch ze zijn nu, naar hun geestelijke positie, gekomen tot "een volwassen man, tot de maat van de volle wasdom der volheid van Christus" (Efe. 4:13).

Paulus spreekt hier niet slechts van verlossing (lutrôsis), maar van een volkomen verlossing (apolutrôsis, Efe. 1:7); niet slechts van verzoening (katallassô), doch van een volkomen verzoening (apokatallassô, Efe. 2:16).

 

Dit zijn zeer wezenlijke verschillen in de prediking van Paulus na de Handelingen periode. Wanneer we dit niet onderscheiden, zullen de grote zegeningen voor het Samen Lichaam voor ons verborgen blijven, en zullen de geweldige overhemelse zegeningen, die Paulus ons meedeelt niet ons deel kunnen worden. Dan blijft Paulus werkelijk de onbegrepen Apostel.

 

De gemeenschap met Christus van hen die tot de hemelse sfeer (= in de Handelingen) behoren, gaat tot het met-Hem-sterven, maar nog niet tot de opwekking met Hem en ook niet tot het geplaatst zijn in de overhemelse. In de brief aan de Romeinen zegt Paulus niet dat ze reeds opgewekt of opgestaan zijn, doch wel dat ze zich moeten beschouwen “alsof uit de doden levend geworden" (Rom. 6:13), d.w.z. er kon reeds in hen een opstandingskracht werkzaam zijn.
Maar aan de leden der Gemeente der Verborgenheid (= na de Handelingen) zegt Paulus uitdrukkelijk dat ze niet alleen met Christus gestorven zijn, maar ook met Hem zijn opgewekt en nu
deel hebben aan het Christus-leven dat verder reikt dan het aionische leven. Omdat hun gemeenschap gaat tot de opwekking, is Christus werkelijk hun leven. Hier is de volheid van leven, en niet slechts een kracht die min of meer in hen werkt.

Na dit alles kan men er zich niet over verwonderen dat Paulus schreef dat hij Gods Woord vervolledigd had (Kol. 1:25). Want hij alleen handelt over die volledige openbaring Gods, over die volkomen gemeenschap. Aan hem alleen werd die Verborgenheid geopenbaard (Efe. 3:3,8) en we moeten deze dingen dan ook niet bij de apostelen der besnijdenis gaan zoeken.

 

Een Nieuwe Schepping

 

Bovendien lezen we in Efeze 2:10: "Want wij zijn Zijn maaksel, geschapen in Christus Jezus tot goede werken, welke God voorbereid heeft, opdat wij in dezelve zouden wandelen." Wanneer we deze tekst in de juiste context plaatsen, namelijk van heel Efeze 2, dan zien we dat het hier om een groep gelovigen gaat, die gezegend worden met ongekende onnaspeurlijke zegeningen. Die groep is Zijn "maaksel", Zijn nieuwe schepping, iets wat er voorheen niet was. Dát is Het Lichaam van Christus. Wanneer die nieuwe schepping dán door Paulus geopenbaard mag worden, dan kunnen we toch onmogelijk zeggen, dat "dat maaksel" er ook al was in de Handelingen periode? Kunnen we dan nog zeggen dat de gemeente, dit Lichaam van Christus met deze letterlijk ongekende, niet verkondigde bovenhemelse zegeningen in Handelingen 2 begon?

 

Bovendien waren alle zegeningen die tot het einde van Handelingen bekend waren uit Mozes en de profeten, reeds bekend vanaf de grondlegging der aarde. Maar de nieuwe zegeningen bestemd voor dat "nieuwe maaksel" waren (alleen bij God) bekend van vóór de grondlegging der aarde, getuige Efeze 1:4:"Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht." (Efeze 1:4)

 

Een Nieuwe Hoop

 

Deze nieuwe "Schepping" heeft ook een nieuwe hoop, de de vorige verre te boven gaat. Hierover is weinig geopenbaard. Als we echter goed acht geven op al het vorige, en inzien dat Paulus nu over een nieuwe sfeer spreekt, kunnen we sommige dingen, die op die hoop betrekking hebben onderscheiden van wat in verband met andere sferen van zegening gezegd wordt.

 

De leden van dé Gemeente verschijnen met Christus als Hij in heerlijkheid komt (Kol. 3:4). (Van andere gelovigen wordt gezegd dat ze, na de opname of verandering, de Here tegemoet gaan.) Wanneer dus de leden der Gemeente verschijnen met Christus in heerlijkheid, kan dat ons dus reeds doen veronderstellen dat die leden lichamelijk moeten opstaan vóór alle anderen.
Dit wordt bevestigd door
Filippenzen 3:10 en 11, waar we leren dat deze gelovigen kunnen komen tot gelijkvormigheid aan de dood des Heren en de opstanding. Deze bijzondere opstanding, wordt in vers 11 (letterlijk) genoemd: de “uit-opstanding van tussen de doden uit". Op deze wijze zijn ze dus lichamelijk "met Christus" (Fil. 1:23).

 

Die opstanding maakt hen gelijkvormig aan "Zijn verheerlijkt lichaam" (Fil. 3:21, letterlijk: lichaam der heerlijkheid), terwijl de vroeger gekende opstanding leidde tot de gelijkvormigheid aan het beeld van de Zoon (Rom. 8:29).

 

Als we goed acht slaan op alles wat Paulus in zijn laatste brieven leert, die hij na de Handelingen periode heeft geschreven, en men staat open voor het geopenbaarde Woord van God, dan kan het bijna niet anders dan dat we tot de ontdekking komen, dat het hier over een nieuwe sfeer van zegening gaat, over een nieuwe Gemeente, over het hoogste wat de genade Gods ons kan geven: de volmaaktheid in Hem.
Als we sommige delen op zichzelf beschouwen, en ze uitleggen in overeenstemming met een vage christelijke wereldbeschouwing, die men door menselijke overlevering heeft ontvangen, dan kan de diepe betekenis van die delen verborgen blijven. Of men kan er tenminste aan twijfelen of men ze wel letterlijk mag opvatten. Doch als men alles tezamen beschouwt, als een geheel op zichzelf, dan zijn er zoveel aanduidingen die alle in dezelfde richting wijzen, dat men niet meer behoeft te twijfelen aan het door Paulus geopenbaarde Woord van God.

 

Maar we moeten erop letten dat de waarheid ons nooit opgedrongen wordt. En we weten ook, dat zelfs de meest nauwkeurige en volmaakte bewijsvoering ons niet zal overtuigen als we ze, om de een of andere reden, niet wensen te aanvaarden. Mathematische bewijsvoeringen vinden we zeer overtuigend omdat ze ons gevoel niet treffen, maar alle waarheid die onze persoonlijke gevoelens aantast, blijft voor ons bedekt als we die gevoelens niet onderwerpen, onderwerpen aan Gods Woord! God spreekt ons slechts persoonlijk aan, door middel van het geschreven Woord, als we bereid zijn naar Hem te luisteren. Laten we niet vergeten wat Jesaja 6:9-10 zegt van Israël, woorden, die tweemaal door de Here en eenmaal door Paulus aangehaald worden!

 

De dingen die we hier behandelen zijn van zulk groot belang en kunnen zodanig in conflict komen met onze eigen gevoelens en opinies dat ze, zelfs al zouden we ze geheel juist voorgesteld hebben, (wat echter geen mens kan doen), het grootste gevaar lopen door de overgrote meerderheid der christenen niet te worden aanvaard. Het is dus werkelijk nodig, niet alleen wedergeboren te zijn, doch ook met Christus gestorven te zijn t.o.v. de zonde, en al onze eigen meningen en vrome gedachten die niet met de Waarheid overeenstemmen, prijs te geven. Men moet bereid zijn, steeds weer alles aan de Schrift zelf te toetsen en te luisteren naar wat God ons persoonlijk te zeggen heeft door middel van zijn Woord, en door de werking van de Heilige Geest. We moeten bereid zijn op te geven wat ons misschien tot zegen leek, of wat we ten onrechte als waardevol beschouwden. We mogen Gods volle genade aanvaarden en Hem alzo boven alles verheerlijken.

 

We denken hierbij ook aan wat Paulus in Filippenzen 3 heeft gezegd. We moeten hetgeen gewin was, als schade achten om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus. Wanneer we als einddoel beschouwen de grote zegeningen verbonden aan het kind-van-God-zijn, en aan het zoonschap, in plaats van ze als mijlpalen aan te zien in de loop naar het volmaakte, dan worden zelfs deze "mijlpalen" een hindernis, dan verheerlijken we God niet zoals het behoort en prijzen niet de volle rijkdom van zijn genade. Met andere woorden gezegd, als we blijven stilstaan, stilstaan bij wat we door genade reeds ontvangen hebben, dus niet verder op zoek gaan in Gods Woord, dan zullen we nooit de overweldigende genade ontdekken die God ons door Paulus wil verkondigen. We mogen voortgaan in het ontdekken van de rijke verkondiging, en zo groeien tot een "een volwassen man, tot de maat van de volle wasdom der volheid van Christus" (Efe. 4:13).

 

De drie Sferen van Zegening

 

Uit het vorige zien we dus dat de Schrift handelt over drie sferen van zegening, van genade, van gemeenschap met God:
1. de aardse
2. de hemelse
3. de overhemelse

 

We hebben er meermalen op gewezen, dat er een overeenkomst bestaat tussen de aionen (= eeuwen) en de sferen van zegening. In de toekomende (waarschijnlijk vierde) aioon heerst de wedergeboorte over de aarde. In de daaropvolgende aioon heeft de nieuwe schepping al het vroegere in zich opgenomen. Na de aionen volgt de volmaaktheid, waar God alles in allen is.

 

Gedurende de toekomende aioon bevinden zich:
1. op aarde: zij die tot de sfeer der nieuwe geboorte behoren;
2. in de hemelen: zij die tot de nieuwe schepping behoren;
3. in de overhemelse: zij die tot de volmaaktheid in Christus Jezus gekomen zijn.
Na de aionen (eeuwen) is God alles in allen, en de gehele schepping is dan tot de volmaaktheid gekomen.

 

Gewoonlijk vormt men zich een te simplistisch beeld van de wereldloop. In horizontale richting kent men slechts de bedelingen van Oud en Nieuw Verbond. In verticale richting slechts de aarde en de hemel, en in de toekomst alleen de hemel.

Sommigen zijn er zich van bewust dat Israël als volk nog een roeping te vervullen heeft op aarde en dat er in de toekomende aioon (= eeuw) nog twee sferen van zegening zijn: één op aarde en de andere in de hemel. Dit is alvast een belangrijke vaststelling, waardoor we op een duidelijke en eenvoudige manier een groot deel van de Schrift kunnen begrijpen. Veel moeilijkheden worden dan vermeden, en men kan de Schrift dan ook meer in haar geheel aannemen, zoals ze is, zonder ze door afbrekende kritiek tekort te doen.

 

Maar er blijven dán toch nog vele onbegrepen punten, en een deel van Gods Woord moet men geweld aandoen om het in het kader van die onjuiste opvatting te plaatsen. Men blijft bij de eerste stappen in de weg der behoudenis en ontdekt niet de volheid van Gods genade. Daarbij leeft men, door het onderhouden van menselijke inzettingen, niet geheel volgens Gods wil. Die afwijkingen van de volle waarheid hebben tot gevolg: verdeeldheid, strijd en ongeloof. De algemene toestand van het christendom, de verdeeldheid, zelfs onder hen die geloven in Israëls toekomst, tonen duidelijk aan dat men niet gekomen is tot een juiste uitlegging van Gods Woord. Allen hebben een deel van de waarheid, maar men komt er niet toe een harmonisch geheel te vormen van alles wat Gods Woord ons wil leren.

 

Sommigen blijven te veel bij de Wet staan, anderen hechten vooral waarde aan de vier Evangeliën, anderen aan wat de Pinkstertijd kenmerkte, nog anderen beroepen zich op de leer van de Twaalf Apostelen of leggen de nadruk op bepaalde ceremonieën, die nog gedurende de tijd van de Handelingen in gebruik waren voor de christen-Joden, enz. Dit alles is schriftuurlijk als het op zijn plaats blijft, als het op de juiste mensen in de juiste tijd wordt toegepast, maar komt niet overeen met Gods wil, als het zonder genoeg onderscheid op de christenen van deze bedeling wordt toegepast.

 

Men wil voorschriften volgen die gedurende andere tijden aan andere gelovigen gegeven zijn, men wil zelfs sommige nationale beloften van Israël op zichzelf toepassen. Die voorschriften kan men echter gewoonlijk niet letterlijk vervullen, omdat men geen uitvoerige aanwijzingen heeft, hoe ze vervuld zouden moeten worden, en zo komt men tot allerlei gebruiken die strijd veroorzaken.
Soms kan het zinvol zijn om bepaalde Schriftgedeelten symbolisch op te vatten. Want dat kan ertoe leiden, dat sommige waarheden beter worden verstaan. Maar men mag niet beweren dat die symboliek de plaats van de werkelijkheid inneemt. Natuurlijk is het waar, dat Israëls geschiedenis ons tot voorbeeld en onderwijs kan dienen, en soms op symbolische wijze onze geestelijke werkelijkheden voorstelt. Maar dat is juist een reden te meer om met alle kracht te protesteren tegen de gedachte dat Israël nu
voorgoed verworpen zou zijn. Als dát wel zo zou zijn, dan zou Israël een slecht voorbeeld zijn, en dat zou ervan getuigen, dat we de profetieën aangaande Israël in Gods Woord niet serieus nemen! Want als Israël niet tot Zijn doel komt en het in zekere opzichten een type der "gemeente" is, dan zouden we hieruit kunnen concluderen dat die gemeente ook niet tot haar doel zal komen.

 

We begrijpen zeer goed dat sommigen niet kunnen geloven in een Koninkrijk op aarde zoals vele Israëlieten dat hebben verwacht. De voorstelling die ze zich van dit Koninkrijk maakten was natuurlijk niet altijd juist, niet in overeenstemming met de ware strekking van de profetie. Ook in onze tijd wordt dit Koninkrijk soms op te gebrekkige wijze voorgesteld. Er is dus een soort "chiliasme" dat men niet kan aanvaarden. Maar al is die uitlegging niet aannemelijk, daarom moet men de gedachte zelf van een Koninkrijk op aarde niet verwerpen en de Schrift "vergeestelijken". Men moet tot een juiste uitleg komen.

 

Daarbij moet men inzien dat dit Koninkrijk niet de laatste aardse toestand is, en er dan ook nog een hemelse en een overhemelse sfeer bestaat. Op het Koninkrijk volgt de toestand van de nieuwe schepping en tenslotte de volmaaktheid. Wanneer men dit alles in acht neemt, vervallen allerlei tegenwerpingen die men nu soms maakt in verband met een Koninkrijk op aarde. Door de tegenwoordige wereldtoestanden zou het toch duidelijk moeten zijn dat onze bedeling niet geleidelijk tot een volmaakte toestand zal leiden. Gods Woord getuigd ervan dat de toestand van de wereld op het einde alleen maar erger zal worden. Het grootste deel van de mensheid leeft nog in een verwilderde toestand, de "beschaafde" volken bestrijden elkaar. De Schrift geeft de oplossing, hoe alle volken tot de bekering zullen komen. Maar dan moet men ook een Koninkrijk op aarde aanvaarden met al de kenmerken die Gods Woord aanduidt.

 

We moeten dus rekening houden met alle gegevens van de Schrift en ze gebruiken om een harmonisch geheel op te bouwen. Want uiteindelijk brengt alleen de volledigheid van Gods Woord een goed inzicht, en is zelfs in zekere zin eenvoudiger, omdat men dan allerlei moeilijkheden en schijnbare tegenstellingen vermijdt, en alles kan nemen zoals het ons gegeven is. Men kan dan zo letterlijk mogelijk geloven alles wat God ons wil zeggen door zijn schepping en door zijn geschreven Woord.

 

Maar, zullen sommigen zeggen, beweert u dan dit alles beter te kennen dan de gelovigen van de eerste eeuwen, dan de vaderen en al de grote mannen die na hen gekomen zijn? Zouden we 19 eeuwen hebben moeten wachten, om tot een juiste uitleg van de Schrift te komen? Moeten we ons niet juist houden aan het onderwijs der vaderen en aan onze oude overleveringen? Hierop is het antwoord zeer eenvoudig. Ik geloof in de Schrift, of beter: In Christus zoals Hij zich in de Schrift openbaart, meer dan in hetgeen mensen leren. Niemand hoefde 19 eeuwen te wachten, want God had alles reeds geopenbaard. Ook verlangen we geen geloof in wat wij schrijven, maar omdat een ieder voor zichzelf verantwoordelijk is, verwijzen we steeds naar de Schrift zelf, waarin het geschrevene te toetsen is. We moeten nooit geloven in wat mensen leren, maar het slechts als aanleiding beschouwen om, door de Geest geleid, God zelf te horen spreken door middel van het geschreven Woord. We moeten niet geloven in een zekere 'leer', maar in Christus. Dat wil zeggen, alle leer door mensen samengesteld is maar een gebrekkige uitdrukking van wat ons geloof zou moeten omvatten. We moeten steeds terug naar Gods Woord. Daarop wezen de profeten, de Here zelf, de apostelen en ook vele 'vaders' en hervormers.

 

We hebben achting voor de gelovigen die men ons als 'autoriteiten" voorstelt, en we trachten goed gebruik te maken van wat ze geleerd hebben, doch ten slotte moet Paulus ons tot voorbeeld zijn (Fil. 3:17). We menen inderdaad hier de zwakke plek van het christendom te treffen: Het christendom heeft Paulus min of meer verlaten vanaf de eerste eeuw. Hij was vanaf het begin al "de onbegrepen Apostel", waardoor men zijn onderwijs links liet liggen. Ook kunnen we de "these" niet aanvaarden, volgens welke de gelovigen van die tijd de volle waarheid hadden, en we steeds weer naar hen moeten luisteren. Alle getuigenissen van mensen kunnen middelen zijn, doch mogen geen doel of geen norm worden. Dat is Gods Woord alleen.

******************************************************************************

 

De Positie van De Gemeente, het Lichaam van Christus

 

Door genade mogen wij weten uit het Woord dat de nieuw geschapen ene Mens, het Samen-Lichaam, de toegang heeft tot het Heiligste (Efeze 2:18), ja zelfs tot het ontoegankelijk licht. Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen (Fil 3:20), medeburgers in het Heiligste en huisgenoten Gods (Efeze 2:19)

 

Voor de uitwerking van dit geweldige heilsfeit gaan we eerst naar het begin van de Bijbel, waar we in Gen 1:3 lezen: "En God zeide: Er zij licht; en er was licht." Dit was het licht wat van God kwam. Het gaat hier nog niet over de zon, die zou pas later in Gen 1:16 door de Heere gemaakt worden: "En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschappij over de dag." Hieruit leren we, dat wanneer de Heere iets schept, dat dat altijd in het licht gebeurt. Het licht is het allereerste wat God op de aarde bracht. Daarom lezen we lezen in 1 Joh 1:5 "God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis." Hij hult Zich in het licht als in een mantel, Hij spant de hemel uit als een tentkleed. (Psalm 104:2)

 

Ook Zijn uitverkorenen laat de Heere niet in donkerheid wandelen, maar hij plaatst hen in het licht. De Heere had Abraham verkoren, om uit hem een groot volk te laten ontstaan, het volk Israël.

 

Toen Mozes van de Heere de opdracht had gekregen om Zijn volk uit Egypte te leiden, wilde de Farao niet meewerken, en kwamen er 10 plagen over Egypte. De negende plaag was totale duisternis. "Toen zeide de HERE tot Mozes: Strek uw hand uit naar de hemel, opdat er duisternis zij over het land Egypte, zodat men de duisternis kan tasten. En Mozes strekte zijn hand uit naar de hemel, en er was gedurende drie dagen een dikke duisternis in het gehele land Egypte. Gedurende drie dagen kon niemand een ander zien, noch van zijn plaats opstaan; maar alle Israëlieten hadden licht, waar zij woonden." (Gen 10:21-23)

 

Ook later, wanneer het volk uit Egypte is vertrokken zorgt God voor Zijn volk. We lezen in Neh 9:19 "Gij toch, hebt in Uw grote barmhartigheid hen niet in de woestijn verlaten. De wolkkolom week niet van boven hen des daags, om hen op de weg te leiden, noch de vuurkolom des nachts, om hun op de weg die zij gingen, licht te geven." Hier spreekt ook Psalm 78:14 over: "Hij geleidde hen met een wolk des daags en met vurig licht de ganse nacht." Tevens geeft de Heere zijn volk niet alleen licht, Hij wil ook dat Israël tot een licht der natiën zal zijn: "Ik, de HERE, heb u geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën. (Jes 42:6)

 

Ook Job verlustigt zich in het licht. (Job 33:28) En David schrijft in Psalm 27:1 "De HERE is mijn licht en mijn heil, voor wie zou ik vrezen? De HEERE is mijns levens veste, voor wie zou ik vervaard zijn?" En in Psalm 36:10 "Want bij U is de bron des levens, in uw licht zien wij het licht."

 

En Psalm 119:5 mag hopelijk ook voor allen, die dit lezen, realiteit zijn: "Uw woord is een lamp voor mijn voet en een licht op mijn pad." Evenals Psalm 119:130 "Het openen van uw woorden verspreidt licht, het geeft de onverstandigen inzicht." Hieruit leren we dat het Woord licht geeft!

 

De Heere Jezus zei tegen de 12 discipelen: "Gij zijt het licht der wereld. Een stad, die op een berg ligt, kan niet verborgen blijven. Ook steekt men geen lamp aan en zet haar onder de korenmaat, maar op de standaard, en zij schijnt voor allen, die in het huis zijn. Laat zo uw licht schijnen voor de mensen, opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, die in de hemelen is, verheerlijken. (Mat 5:14-16)

 

De profeet Jesaja profeteert over de toekomst van het volk Israël: "Uw zon zal niet meer ondergaan en uw maan niet meer afnemen, want de HEERE zal u tot een eeuwig licht zijn en de dagen van uw rouw zullen ten einde wezen." (Jesaja 60:20) In al deze teksten zien wij hoe God onlosmakelijk altijd verbonden is met Licht. Hij is het Licht en is in het licht. Ook bij de verheerlijking op de berg veranderde de Heere Jezus en zelfs Zijn klederen in licht. Hij was immers het waarachtige Licht, dat ieder mens verlicht. (Joh 1:9) Het Licht was in de wereld gekomen, en de mensen hebben de duisternis liever gehad dan het Licht, want hun werken waren boos. (Joh 3:19)

 

De Heere Jezus sprak in Joh 8:12 tot de Zijnen: "Ik ben het Licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het Licht des levens hebben." En in Joh 12:46: "Ik ben als een Licht in de wereld gekomen, opdat een ieder, die in Mij gelooft, niet in de duisternis blijve."

 

Toen de Heere Paulus op weg naar Damascus als het ware bij zijn kraag greep, gebeurde het, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde. (Hand 9:3) En toen Paulus als apostel mocht optreden in de Handelingen periode zei hij tegen de Joden in Antiochië: "Want zo heeft ons de Here geboden: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij tot heil zoudt zijn tot aan het uiterste der aarde." (Hand 13:47) Dát is Gods plan, dat Israël als een licht aan de spits der volkeren zal staan. In de Handelingen periode hebben ze niet willen geloven als natie, maar de Heere zal in de toekomst zeker met een overblijfsel van dat volk tot Zijn doel komen op Zijn tijd.

 

Na de Handelingen periode, na Handelingen 28:28 begint Paulus nieuwe dingen te verkondigen, die tot die tijd nog niet bekend waren gemaakt. Paulus mocht toen de onnaspeurlijke verborgenheid bekendmaken, die al de eeuwen daarvoor verborgen waren geweest. (Efeze 3:8) Tot die tijd was het Israël, wat op de eerste plaats stond. De heidenen, die in die periode tot geloof kwamen werden als wilde loot op Israël (de edele olijf) geënt. Indien Israël in die periode tot geloof was gekomen, zou Israël als een licht der natieën zijn gaan functioneren. Maar deze periode werd in Handelingen 28 afgesloten, en daardoor kon Israël ook niet als "een licht" gaan functioneren. We weten dat in 70 na Christus de tempel werd verwoest, en dat het volk in de diaspora is gegaan. Alle brieven, die de apostel Paulus tijdens deze Handelingen periode heeft geschreven handelen over het aanstaande Koninkrijk voor Israël, dat was toen de hoop van Israël. Maar toen Paulus in Rome gevangen zat in zijn eigen gehuurde woning heeft hij zijn latere brieven geschreven, waarin deze hoop van Israël totaal afwezig is, en waar Paulus een totaal nieuwe, hogere hoop verkondigd.

 

Deze nieuwe en hogere hoop betreft de verborgenheid, die Paulus in zijn gevangenschapsbrieven mocht verkondigen (Efeze 2:14-16). En verder lezen we in Efeze 2:19: "Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods." Er is hier vertaald: "medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods", maar uit de grondtekst had dit beter vertaald kunnen worden als "medeburgers van het Heiligste", want zo staat het in de grondtekst, het staat er als een bepaling van plaats. Wanneer we de tekst goed lezen, dan is het ook logisch, want als we huisgenoten Gods zijn, dan mogen we dáár wonen, waar God ook woont. Dus, broeders en zusters, door Gods rijke genade zijn wij medeburgers van het Heiligste, of anders gezegd: medeburgers van Het Heilige der Heiligen.

 

Het Lichaam, dat één is gemaakt, die geschapen is in Christus Jezus, is zoveel genade ten deel gevallen, dat wij niet alleen deze meest heilige plaats in de hemel mogen binnengaan, maar er zelfs permanent mogen wonen. Wat een Goddelijke Liefde!

 

In Efeze 1:18-19 bidt Paulus dat de gelovigen "verlichte ogen [uws] harten mogen hebben, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen." Ook hier zou uit de grondtekst vertaald moeten zijn: Hoe rijk is Zijner erfenis in het Heiligste, oftewel in Het Heilige der Heiligen.

 

We zagen reeds dat het licht het allereerste was wat God op aarde bracht. "En God zeide: Er zij licht; en er was licht." Daarna begon God Zijn werk aan de schepping, dat Hij deed in Zijn licht. Hierdoor zagen we, dat wanneer de Heere iets schept, dat dat altijd in het licht gebeurt. Wanneer God dan in Efeze 2:15 een nieuwe mens schept, is het ook zeer logisch, dat ook die nieuwe schepping in Zijn licht plaatsvindt, en dat Hij die schepping in Zijn licht plaatst! Welk een wonderbare genade!

 

Precies hetzelfde is het geval met Kol 1:11-12: "Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht." Ook hier dus volgens de grondtekst: "die u toebereid heeft voor het erfdeel in het Heiligste in het licht". Dit is het erfdeel van Christus in het Heiligste, Het Heilige der Heiligen in het licht. Deze toevoeging "in het licht" laat ons ook denken aan 1 Tim 6:16, waar staat: "dat de Here der Heren een ontoegankelijk licht bewoont". Maar toch mogen wij weten uit het Woord dat deze nieuw geschapen ene mens, het samen-Lichaam, de toegang heeft tot het Heiligste (Efeze 2:18), ja zelfs tot het ontoegankelijk licht. Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen (Fil 3:20), medeburgers in het Heiligste en huisgenoten Gods (Efeze 2:19)

 

Bij dit alles moeten we niet vergeten dat het Christus' erfenis is. Het is niet onze erfenis, wij mogen in de erfenis van Christus delen. "Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde" (Kol 1:13) "Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente." (Kol 1:17-18)

 

  • "Hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw." (Efeze 1:19-21)

 

Broeders en zusters, zien we in dit alles welk een geweldige positie wij door genade in Christus hebben ontvangen? Zien we ook dat deze, onze positie, totaal iets nieuws is, dat tevoren nog nooit verkondigd was?

 

Zien we dat dit nieuw geschapen Lichaam iets nieuws is, wat voor Handelingen 28 nog helemaal niet bestond? Zien we ook de geweldige hoge hoop en roeping voor dit Lichaam van Christus?

 

Wanneer we dit alles zien en geloven, dan kunnen we alleen maar in grote verbazing en verwondering danken voor de grote onvoorstelbare zegeningen, die ons in Christus door genade ten deel zijn gevallen.

 

*************************************************************************************

 

 De Verschillen

 

Zoals reeds meerdere keren in de loop van deze bijbelstudie over "de onbegrepen Apostel" is gebleken, is Handeling 28: 27-28 een soort keerpunt in de evangelie verkondiging van Paulus. Om duidelijk te maken welke de verschillen zijn in die verkondiging, hebben we getracht dit in een schema te zetten, zodat nog duidelijker mag worden wat nou werkelijk die verschillen zijn. Enkele jaren geleden heeft broeder W. Rodenhuis deze verschillen al eens op papier gezet, ik heb ze op enkele punten nog wat aangevuld, en onderstaand schema is het resultaat.

 

Het is voor een goed verstaan van het Woord belangrijk welke bijbelboeken vóór, en welke ná dat keerpunt geschreven zijn, gezien het verschil in evangelie wat er gepredikt werd. De jaartallen zijn bij benadering, maar zeer duidelijk wordt uit het Woord, wanneer wij Paulus op zijn reizen volgen, welke brieven vóor en welke ná Handelingen 28 zijn geschreven. Hieronder vindt u een schema:

Vóór Handelingen 28:28

zijn geschreven:

Ná Handelingen 28:28

zijn geschreven:

De Ev.: Mattheus, Marcus, Lukas

Handelingen 29 – 62 na Chr.

Jacobus 45 na Chr.

Judas 46 na Chr.

1 Thess 53 na Chr.

2 Thess 53 na Chr.

Hebreeën 53 na Chr.

1 Johannes 56 na Chr.

2 Johannes 56 na Chr.

3 Johannes 56 na Chr.

1 Korinthe 57 na Chr.

2 Korinthe 57 na Chr.

Galaten 57 na Chr.

Romeinen 58 na Chr.

1 Petrus 60 na Chr.

2 Petrus 60 na Chr.

Het Evangelie van Johannes

Efeziërs 62 na Chr.

Kolossenzen 62 na Chr.

Filemon 62 na Chr.

Filippenzen 62 na Chr.

1 Timotheüs 67 na Chr.

Titus 67 na Chr.

2 Timotheüs 68 na Chr.

 

En tot slot nog de Openbaringen.

In het volgende schema de verschillen

van vóór en ná Handelingen

Vóór Hand 28:28

Ná Hand 28:28

Voor Handelingen 28wordt gesproken over het Koninkrijk Gods, wat bekend was vanaf de grondlegging der wereld. Matt. 25:34.

Na Handelingen 28 is de gemeente (het Lichaam van Christus) al uitverkoren van vóór de grondlegging der wereld, een wezenlijk verschil. Ef 1:4.

Voor Handelingen 28had de Here Jezus nog vele dingen te zeggen, maar dat deed Hij toen nog niet, want ze konden het nog niet dragen. Joh. 16:12.

Na Handelingen 28, wat er in vorige eeuwen nog niet bekend was gemaakt, wordt in Ef. 3:5 wel bekend gemaakt, nl. de verborgenheid van het ene samen-Lichaam (lett.) van Christus, waarvan Hij het Hoofd is. Deze verborgenheid, die verborgen was geweest van alle eeuwen en van alle geslachten,maar nu, op het moment toen Paulus dat schreef vanuit de gevangenis in Rome, werd het geopenbaard aan de heiligen. Kol. 1:26.

Voor Handelingen 28, Vele genezingen in de evangeliën, later ook in de Handelingen. Zelfs in Hand.28:8-9 nog de laatste beschreven genezing.

Na Handelingen 28 zijn er geen genezingen meer beschreven. Paulus moest zelfs de zieke Trofimus in Milete achterlaten. 2 Tim. 4:20, terwijl in Handelingen 19:12 de zweetdoeken van Paulus tot genezing waren voor de zieken.

Voor Handelingen 28 ziet Stefanus de Here Jezus STAANDE ter rechterhand Gods.(Hand. 7:55) Dat wil zeggen; Hij rustte niet , Hij stond klaar om te komen, om het Koninkrijk waar de Heer Zelf vele malen over gesproken had, te aanvaarden. Maar Israël wees het af, ze erkenden Hem niet als de beloofde Messias, als hun Priester-Koning. (Hand. 28:25)

Na Handelingen 28 schrijft Paulus, dat Christus (hier niet de naam Jezus zoals in Hand. 7:55) is ZITTENDE aan de rechterhand Gods. Dat is een omschrijving van rust. Dan te bedenken dat wij daar met Hem een plaats hebben, ook in een situatie van rust, innerlijke, geestelijke rust. Wat een genade!! (Ef. 2:6)

Voor Handelingen 28is de boodschap van het evangelie nog erg gericht op het komende Koninkrijk, let wel; het aardse Koninkrijk met Jeruzalem als het centrum, de plaats van waaruit de Here Jezus Christus zal regeren. Het ging toen in de eerste plaats nog om de Jood en daarna ook de Griek. Rom. 1:16 en Hand. 13:46. (dus ook heidenen).

Na Handelingen 28is deze hoop op het komende Koninkrijk niet meer aanwezig, omdat Israël dan terzijde is gezet, en alles wat met Israël verbonden was, zoals de tempeldienst, enz, had opgehouden te bestaan.

Voor Handelingen 28 was Israël onder de wet.

Na Handelingen 28 waren de gelovigen vrijgemaakt, van de wet der zonde en des doods.

Voor Handelingen 28 schreef Paulus aan Galatië, waar nogal wat joden hun heil uit het houden van de wet verwachtten, (Gal. 3:7,8 en 14), dat zij die uit het geloof zijn, Abrahams kinderen zijn en in Abraham zullen alle volken gezegend worden.

_____________________________

Voor Handelingen 28gaan alle gelovigen na hun sterven in het graf, totdat ze op de voor hen bestemde tijd zullen opstaan uit de dood.

Na Handelingen 28 krijgen de gelovigen niet meer deel aan de Abramitische zegeningen, maar krijgen de gelovigen deel aan alle zegeningen in het "overhemelse" in Christus.



________________________________________

Na Handelingen 28mogen de leden van Het Lichaam van Christus de positie innemen, die toebereid is in het Heiligste in het licht" (Kol 1:11-12)

Voor Handelingen 28geldt: Wat is die zegen(belofte) ? Lees Gen. 15:18, dat is het grote land Israël. Ook verwachtte Abraham de hemelse stad Jeruzalem. Hebr. 11:10 + Opb. 21:10-14. Een stad met een muur en 12 poorten met de namen van de 12 geslachten van Israël. De fundamenten van die stad, 12 in aantal, hadden de namen van de 12 apostelen, ook allen joden. Gelovigen uit de heidenen uit de periode van vóór Handelingen28 zullen dus ook met Abraham die stad erven.

Na Handelingen 28zijn de gelovigen gezet in de hemel waar Christus is. (Ef. 2:6). Zij hebben dus een (over)hemelse bestemming en geen aardse. De Gemeente van nu is Het Lichaam van Christus, en waar Hij is als het Hoofd van Het Lichaam, daar is ook de Gemeente van nú. (Ef 1:22).

Voor Handelingen 28: In Rom. 4:13 wordt Abraham erfgenaam der wereld genoemd. (lett.Kosmos dwz; al het geschapene, de aarde en de 2 hemelen, niet de 3e hemel waar God woont, want dát is de plaats van het Lichaam van Christus, de Gemeente) (Kol. 3:1)

Na Handelingen 28geldt: "In Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, 14 die een onderpand is van onze erfenis." (Efeze 1:13-14)

Voor Handelingen 28waren er nog verschillen tussen de gelovige Joden en de gelovige heidenen, (lees Hand. 15 de verzen 19,20,24,28 en 29). De Joodse gelovigen bleven nog bij hun onderhouden van de wet en lieten hun besnijden. Dit verwachten die Joden ook van hun broeders heiden-gelovigen. Dit meningsverschil liep zó hoog op, dat Paulus er zelfs een reis voor naar Jeruzalem maakte, om dit probleem met de andere apostelen te bespreken. Daar werd besloten dat men de gelovigen uit de heidenen niet lastig moest vallen met de wet, en ook niet met de besnijdenis. Maar ondanks dit genomen besluit door de apostelen in Jeruzalem, bleef de “scheiding” in de gemeenten bestaan.

Na Handelingen 28 is ook die “scheiding” weggebroken. Ef. 2:14-16: "Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft." Beide, heiden en jood zijn dan tot één Lichaam gevormd, met Christus als Het Hoofd.

Voor handelingen 28was de zichtbare positie van Israël nog steeds aan de spits der volkeren. En deze positie zou zichtbaar zijn geworden als het volk de Heere had aangenomen.

Na Handelingen 28 was de verborgen positie van Het Lichaam van Christus de hoogste, namelijk gezet in de hemel, daar waar Christus is. Israël was toen verstrooid tussen de volkeren.

Voor Handelingen 28 kon de zegen voor de volkeren uitsluitend lopen via Israël. Deze zegen voor de volkeren was reeds aan Abraham beloofd.

Na Handelingen 28tot op heden ten dage komt de zegen uitsluitend rechtstreeks naar een ieder, die gelooft in Christus als zijn persoonlijke Verlosser en Heiland Deze periode van na Handelingen 28 is de eerste en enige periode in de heilsgeschiedenis waarin het heil rechtstreeks direct naar de heidenen komt. Dit was een verborgenheid van vóór de grondlegging der aarde.

Voor Handelingen 28, toen Israël nog leefde in de verwachting van het Koninkrijk, zou het aan de spits der volkeren staan, en alle andere volkeren zoude een lagere positie innemen. Dat is toen niet gebeurd, maar zal in de toekomst zijn eind-vervulling krijgen.

Na Handelingen 28 trad er een speciale zegening in werking, die tot die tijd was verborgen in God zelf. Gelovigen hebben nu een positie boven alle overheid en macht, namelijk in Christus Jezus, en zullen zijn, daar, waar Christus is!

Voor Handelingen 28 waren de gelovigen uit de heidenen nog geënt op Israël.(Rom 11:17) Je kon in die tijd ook nog afgehouwen worden. (Rom. 11:22) Toen was het nog volharden tot het einde, nl. totdat Christus komen zou op aarde.

Na Handelingen 28 geldt: Voor eeuwig behouden. Voor de gelovige van nu geldt: Onze zonden zijn vergeven, wij hebben de verlossing, wij zijn verzegeld met de Heilige Geest, wij zijn opgewekt uit het dode bestaan zonder God, en wij zijn gezet in de hemel IN Christus. Lees Efeze hoofdstuk 1 en 2.

Voor Handelingen 28 verwachtten de gelovigen dat elk moment Christus zou terug keren op aarde. Jac. 5:8 : "Want de toekomst des Heren is nabij." (NBG) Het zelfde schrijft ook Petrus in 1 Petr. 4:7. Het woordje “komst” of “toekomst” is in het Grieks; “parousia”, dat wordt op verschillende plaatsen vertaald met; aanwezigheid of tegenwoordigheid, bv. In Filp. 1:26 en Filp. 2:12.

Na Handelingen 28 getuigt Gods Woord niet meer van die spoedige komst des Heeren.

Maar ook ná Israëls terzijde plaatsing geldt Gods genade voor dat volk, en treedt de profetie van Hosea in werking: "Hij zal ons (Israël) na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht." (Hosea 6:2) (Hierbij in acht nemende dat één dag bij de Heere is als duizend jaar).

Voor Handelingen 28: De Jacobus brief is ook geschreven aan de 12 stammen in de verstrooiing, duidelijk voor Joden bestemd. Het was ook de eerste brief die in die tijd rond ging onder de Israëlieten. Zij zagen dus echt uit naar de spoedige komst van de Heer op aarde, dat Hij zijn voeten zou zetten op de Olijfberg, maar door de afwijzing door de vertegenwoordigers van het volk Israël, werd de komst van de Heer uitgesteld. (nu al reeds ca 2000 jaar)

Na Handelingen 28, in de latere brieven van Paulus dus, is er niet meer sprake van ; “parousia”, maar van; “epifaineo” dat betekent; “verschijnen”. In Kol. 3:4 staat: Wanneer Christus verschijnt, zult ook gij, het Lichaam van Christus, met Hem verschijnen in heerlijkheid. Niet Hem tegemoet gaan, maar met Hem van boven af verschijnen, zichtbaar worden.

Voor Handelingen 28was er nog niets bekend over het lichaam van Christus, dat was verborgen, zelfs onnaspeurlijk (Ef. 3:5,6,8 en Kol. 1:26) Wat wel bekend was, dat de heidenen mede-erfgenamen zouden worden (namelijk erfgenamen van de belofte reeds aan Abraham gedaan). In Jes. 49:6 staat: Ik, God, heb Israël gegeven tot een licht der natiën. Zie ook Jes. 66:19. De heidenen zullen met Israël het loofhuttenfeest vieren.(Zach. 14:16) en zij zullen Koning Jezus aanbidden in Jeruzalem.

Na Handelingen 28zijn de gelovigen uit de heidenen niet meer geënt op Israël, maar mede erfgenamen van het Lichaam van Christus. (Ef. 3:6) Ook hier is sprake van mede-erfgenamen, maar deze erfenis van ná Handelingen 28 stijgt ver uit boven de erfenis van vóór Hand. 28:28.

Voor Handelingen 28, volharden tot het einde, die zal zalig worden en het Koninkrijk Gods ingaan.(Matt. 24:13) Wie almaar blijft zondigen in die tijd, die erft het Koninkrijk Gods niet, die komt er niet in. (Gal. 5:21) lees ook Rom. 2:3.

Na Handelingen 28, wie dan als gelovige blijft zondigen, heeft geen erfenis (loon) in het Koninkrijk Gods.(Ef. 5:5) Diegene komt wel in het Koninkrijk maar ontvangt geen erfenis. Wie eenmaal deel uitmaakt van het Lichaam van Christus, die wordt niet meer van dat Lichaam los gemaakt. De gelovige van nu is verzegeld met de Heilige Geest, dat is het onderpand der erfenis die de gelovige ontvangen heeft.(Ef. 1:14)

Voor Handelingen 28 verwacht Paulus dat hij de Heere tegemoet gaat in de lucht: “.......wij (incl. Paulus zelf) die levend overgebleven zijn, zullen tezamen met hen (nl. hen, die uit het graf zijn opgestaan) de Heere tegemoet gaan in de lucht. (1 Thess. 4:17)........en de doden zullen onverderfelijk opgewekt worden, en wij (ook Paulus) zullen veranderd worden. (1 Kor. 15:52), bij het klinken van de laatste bazuin.

Na Handelingen 28 verwacht Paulus dat hij spoedig zal sterven :”……De tijd mijner ontbinding is aanstaande. Ik heb de goede strijd gestreden. Ik heb het geloof behouden.” (2 Tim.4:6,7) Paulus verwachtte de komst van het Koninkrijk toen niet meer mee te maken. Hij wist toen dat hij na zijn sterven bij Christus zou zijn, en dat hij samen in Christus zal verschijnen in heerlijkheid bij Diens komst.

Voor Handelingen 28, staat dat de gelovigen zullen worden opgewekt, daar moet het dus nog gebeuren. Lees 2 Kor. 4:14.en 1 Kor. 6:14. Of zal levend gemaakt. Rom. 8:11.

Na Handelingen 28, in Efeze 2:6 en Kol. 2:12 wordt vermeld, dat God ons al opgewekt heeft, samen met Christus, dan is het dus al gebeurd. Of: Dan zijn we al levend gemaakt. Kol. 2:13.

Voor Handelingen 28heeft het verbonden zijn met Israël te maken met het land (Jes. 14:1) en met de tempeldienst.(Zach. 14:17)

Na Handelingen 28, 2 jaar daarna, werd de tempel verwoest en de joden weggevoerd. Er kwam een onderbreking in de relatie met God en Israël, tot op heden.

Voor Handelingen 28zijn de gelovigen uit de heidenen geënt op de edele olijf (Israël).

Na Handelingen 28 is de edele olijf omgehakt, en krijgen de gelovigen deel aan het nieuw geschapen Lichaam van Christus.(Efeze 2)


Paulus' Bezorgdheid en Waarschuwing

Petrus, Johannes en Judas hebben gewaarschuwd voor de valse leraars, de anti-christen en de spotters (zie 2 Petr.1:2; 1 Joh. 2 en 4; 2 Joh.; Judas). Zij verwachten de komst des Heren en het instellen van het Koninkrijk op aarde. Ze weten dat dit Koninkrijk niet geleidelijk zal komen, door menselijke inspanning, maar dat de tegenwoordig "boze ajoon", waarin zij leefden, (en waarin wij heden ten dage nog steeds leven) zal eindigen met verschrikkelijke gebeurtenissen. De boze krachten zullen tot volle werkzaamheid, tot volheid komen. Hun verklaringen stemmen geheel overeen met die van alle profeten. Gedurende de tijd der Handelingen bevestigt ook Paulus dit alles en spaart geen moeite om de gelovigen aan te raden zich in acht te nemen voor de geest der verleiding, hij zegt: "Zelf weet ik, dat na mijn heengaan grimmige wolven bij u zullen binnenkomen, die de kudde niet zullen sparen; en uit uw eigen midden zullen mannen opstaan, die verkeerde dingen spreken om de discipelen achter zich aan te trekken. Waakt dan en herinnert u, dat ik drie jaren lang nacht en dag niet heb opgehouden ieder afzonderlijk onder tranen terecht te wijzen. " (Hand. 20:29-31, zie ook 2 Kor. 11:13-15).

In zijn laatste brieven, die Paulus na de Handelingen heeft geschreven, spreekt hij echter niet meer over de eindtoestand en het nabij zijn van het Koninkrijk, maar wel over de tussenperiode, gelegen tussen Israëls verwerping en Israëls herstel in de toekomst.

  • "Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid. Maar vermijd de onheilige, holle klanken; want zij zullen de goddeloosheid nog verder drijven, en hun woord zal voortwoekeren als de kanker." (2 Tim. 2:15-17).
  • "En weet dit, dat in de laatste dagen ontstaan zullen zware tijden. Want de mensen zullen zijn liefhebbers van zichzelven, geldgierig, laatdunkend, hoovaardig, lasteraars, den ouderen ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, zonder natuurlijke liefde, onverzoenlijk, achterklappers, onmatig, wreed, zonder liefde tot de goeden, verraders, roekeloos, opgeblazen, meer liefhebbers der wellusten dan liefhebbers Gods; hebbende een gedaante van godzaligheid, maar die de kracht derzelve verloochend hebben" (2 Tim. 3:1-5).
  • "Doch de boze mensen en bedriegers zullen tot erger voortgaan, verleidende en wordende verleid" (2 Tim. 3:13).

En verder zegt Paulus:

  • "Want er komt een tijd, (in deze tijd leven wij ook nu) dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren." (2 Tim. 4:3-4).

Hij spreekt hier niet alleen van ongelovigen, maar vooral van gelovigen, getuige 2 Tim 2:25-26.

Maar was Paulus hoopvol dat de talrijke gemeenschappen die hij gevormd en gesterkt had, getrouw zouden blijven aan de waarheid, aan de volle waarheid? We hebben reeds hierboven gezien dat hij zich hierover geen illusies maakte, en zijn gebed, gedurende drie jaren voortdurend volgehouden, laat ons zien dat hij zich grote zorgen maakte.

 

Paulus Verlaten

Paulus' leven en werk eindigde in gevangenschap te Rome. In die tijd schreef hij een aantal brieven, waarin hij o.a. het (grote) geheimenis bekend mocht maken. Hij beschouwde dat als een groot voorrecht, want het ging daarbij om de 'onnaspeurlijke rijkdom van Christus'. Wat die verborgenheid betekent, hebben we in het voorgaande gezien, maar hoe is die boodschap destijds ontvangen?

Hoe verder hij ging in het kenbaar maken van hetgeen de Heere alleen aan Paulus geopenbaard had, (de onnaspeurlijke verborgenheden), hoe meer hij ondervond dat men zich van hem afkeerde. Aan de Filippenzen zag hij zich genoodzaakt te schrijven: "Want ik heb niemand die zó eens geestes (met u) is, om uw belangen getrouw te behartigen; want allen zoeken zij hun eigen belang, niet de zaak van Christus Jezus." (Fil 2:20-21). Nadat hij over drie van zijn medearbeiders gesproken had, schreef hij aan de Kolossensen: "Dezen alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn" (Kol. 4:11).

Het blijkt dus dat de grote meerderheid van hen die meegewerkt hadden, Paulus niet getrouw waren. We zijn overtuigd dat deze arbeiders serieuze christenen waren, maar we moeten, door het getuigenis van Paulus, aannemen dat ze zijn bijzonder onderwijs, aangaande de "onnaspeurlijke verborgenheid" niet aanvaard hebben. Ze bleven staan bij de aardse sfeer of bij de hemelse, en hebben in elk geval de volle waarheid van het "overhemelse" niet kunnen of willen aanvaarden. Op het eind van zijn leven zegt Paulus in 2 Tim 4:16: "Maar zij hebben mij allen verlaten."

En in 2 Tim 1:15 lezen we "Gij weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben".

En dit gebeurde nadat we in Handelingen 19:10 konden lezen dat hij twee jaar lang aan allen, die in Azië woonden, het evangelie heeft gebracht, "zodat allen in Azië het woord van de Here Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken".

Dat het wel degelijk om reden van zijn leer was, dat Paulus verlaten werd, blijkt ook uit het feit dat zijn onderwijs nagenoeg onbekend bleef gedurende meerdere eeuwen daarna.
Hoe weinigen waren zij, die Paulus volgden tot in de "overhemelse" sfeer. Ze werkten voor het "Koninkrijk Gods", een zeer algemene uitdrukking die veel kan omvatten, maar ze volgden Paulus niet in zijn van God ontvangen onderwijs, aangaande de Gemeente der Verborgenheid, aangaande het Lichaam van Christus, wat met Hem zal verschijnen in heerlijkheid, wanneer Christus komt.
Zeer waarschijnlijk zeiden ze toen onder elkaar, wat we vandaag ook wel horen: "Hij gaat te ver".
Ze oordeelden Paulus volgens de maatstaf van hun eigen gedachten, in plaats van Gods openbaringen te geloven, openbaringen die inderdaad veel verder gingen dan alles wat men vroeger gehoord had. Ze bleken
slachtoffers te zijn van hun eigen ik of van bedrieglijke arbeiders.

Nu zouden we kunnen denken, ja, geen wonder dat de gelovigen Paulus niet wilden of niet konden geloven, want wat Paulus in zijn latere brieven verkondigde was niet na te speuren in de toen bekende Geschriften. Moest men hem op zijn Woord geloven? Ik denk het niet, want we weten onder andere uit Efeze 1:13 dat zij in Christus zijn, nadat zij het woord der waarheid, het evangelie van hun behoudenis, hebben gehoord; in Hem zijn zij, toen zij gelovig werden, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte. En wanneer zij verzegeld zijn met de Geest van God, zou de Heere hen dan niet leiden in alle Waarheid? God zelf wilde (en wil) diegenen, die werkelijk naar de Waarheid op zoek waren, door Zijn Geest kenbaar maken dat Paulus van geweldige dingen sprak, door God zelf geopenbaard!

Bovendien, wanneer men lette op de dingen die er te dien dage gebeurden in Israël, kon men grote veranderingen waarnemen. In 70 na Christus werd Jeruzalem met daarin de tempel verwoest. Toen was de tempeldienst onmogelijk geworden. Alleen al hieruit kon men waarnemen dat er een andere, nieuwe tijd aanbrak. De Heere zelf had de "klok" voor Israël tot een bepaalde tijd stilgezet in Handelingen 28:28. Alles wat met Israël te maken had, inclusief het aanstaande Koninkrijk, werd voor een bepaalde opgeschort.

Ook de dingen die Paulus in Hand 28:26-28 had gezegd door de Heilige Geest, waren niet nieuw, want ook de profeten Jesaja (Jes 6:9) en Ezechiël (Ez 12:2) hadden hier al over gesproken. Daarenboven zegt de Heere zelf in Mat 13:14-17 woorden van gelijke strekking:

  • "Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.]" (Hand 28:26-28)

Paulus schreef zijn laatste brieven in de tijd waarin, volgens het Woord overal reeds gemeenten opgericht waren door Paulus op zijn reizen. Deze gemeenten waren zeer verbreid en in volle werking. We mogen er niet aan twijfelen dat er toen tienduizenden moedige en werkzame kinderen Gods leefden, die bereid waren hun leven te geven voor hun geloof. Ze geloofden in God, in Christus, maar ze waren nog niet gekomen tot de hogere zegeningen, en vooral niet tot de volmaakte positie in Christus, tot Gods einddoel, waarvan Paulus sprak in zijn latere brieven. Wellicht verkozen zij een "eenvoudig Evangelie" in plaats van het "moeilijke" onderwijs in Paulus' latere brieven. Hoe het ook zij, we moeten ernstig rekening houden met het onloochenbare feit dat, behalve enige weinige uitzonderingen, de meeste serieuze christenen Paulus verlaten hebben nadat hij over de grote verborgenheid gesproken had.

 

"Heilige en Getrouwe"

Sommige christenen waren echter trouw aan Paulus, en het is vooral aan deze "gelovigen en getrouwen in Christus-Jezus" dat de Apostel zijn latere brieven richt. (Ef 1:1, Kol 1:2 en 2 Tim 2:2) Het Griekse woord "pistos" kan door "gelovig" of "getrouw" vertaald worden. Als het over het werk en de dienst gaat, is "getrouw" meer het aangewezen woord. In Kol. 1:2 heeft het weinig zin te schrijven: "heilige en gelovige broeders in Christus", maar "heilige en getrouwe"krijgt een diepe betekenis als men rekening houdt met de omstandigheden van die tijd. Zo ook Ef 1:1.

De meeste vertalingen gebruiken dan ook het woord "getrouw" in die teksten. Het waren de leden van de Gemeente der Verborgenheid, van Het Lichaam waarvan Hij het Hoofd is, en die door Paulus ten volle bewust werden van hun geestelijke positie, onder leiding van Gods Geest.

In ieder geval waren het tenminste gelovigen die bereid waren het volle onderwijs van Paulus te aanvaarden. Het aantal christenen nam snel toe in die periode, maar de getrouwe heiligen bleven weinig in aantal. Dit blijkt onder meer uit de afwezigheid van geschreven documenten uit die tijd die over Paulus' bijzondere leer spreken.

 

Hoe nu verder?

Na Israëls verwerping, na de verwoesting van Jeruzalem en van de Tempel, de verstrooiing der Joden en de komst van een "tussengeschoven" bedeling, (zie de verklaring van Paulus in Hand. 28:28), was Israël tijdelijk door God terzijde geplaatst.

Dan kunnen we ons afvragen wat de houding was van de andere twaalf apostelen, de "apostelen der besnijdenis", in die de tijd van de Handelingen. De Schrift leert ons daar niets over. Uit hun brieven, die deel uitmaken van Gods Woord, blijkt niet dat ze iets kenden aangaande het grote geheimenis en de overhemelse sfeer, hetgeen Paulus later mocht bekend maken. Hun opdracht was het volk Israël er toe te brengen hun positie in de wereld in te nemen, opdat ook de volken deel zou krijgen aan Gods zegeningen. Hun aandacht was geheel gevestigd op de wedergeboorte en de toekomende ajoon (= eeuw), die zou aanvangen bij de wederkomst van Christus. Ze bleven nog geheel in de oude schepping. De twaalf apostelen hadden dus weinig gelegenheid na te denken over de nieuwe schepping en hogere zegeningen, en het was ook niet hun opdracht hierover te spreken. Alles wat men kan zeggen is, dat er in hun brieven niets staat dat in tegenstelling is met het onderwijs van Paulus, wanneer we kijken naar Paulus' brieven die hij in de Handelingen periode heeft geschreven.

Wat gebeurde er dan met de twaalf apostelen toen de komst van het Koninkrijk op aarde tot later tijdstip uitgesteld werd? Gingen ze toen met Paulus mee en hielpen ze hem in zijn onderwijs?
Paulus zegt hierover niets, en omdat we geen brieven bezitten van die apostelen, die gedateerd zijn ná de tijd van Handelingen (tenminste geen geschriften die door God ingegeven zijn), weten we niets zekers over hun houding. De Heere heeft het niet nodig gevonden ons dit mede te delen.

 

De Geschriften der eerste Eeuwen

Het blijkt duidelijk uit de vroegste geschriften uit de eerste eeuwen na Christus, dat de christenen in het algemeen (ook na het jaar 70!) nog steeds geloven in het nabij zijn van de komst des Heren en het aanbreken van het Koninkrijk op aarde. Barnabas, Clement, Hermas, Ignatius, Polycarpus en vele 'kerkvaders' spreken op duidelijke wijze over deze komst. Ze behouden dus de hoop, die gedurende Handelingen tijd gewettigd was, omdat Israël zich toen nog kon bekeren. Na Israëls verwerping (en de verwoesting van de tempel in Jeruzalem) is die hoop echter niet meer reëel. En we mogen uit Gods Woord weten dat deze hoop pas weer reëel wordt op het ogenblik van het herstel van Gods volk. In het begin werd dit Koninkrijk op aarde dus nog niet vergeestelijkt, maar hadden ze zich dezelfde hoop van Israël onterecht toegeëigend.
Als ze over de Heere spraken, noemen ze Hem meestal 'Jezus', dat wil zeggen, ze kennen Hem bijna uitsluitend in Zijn vernedering en niet als de 'Christus-Jezus' die in Gods rechterhand zit.
Dit bewijst overigens wel dat Paulus reeds gedurende zijn leven verlaten werd als gevolg van zijn bijzondere leer.

We kunnen uit de oude geschriften van die tijd leren dat een groot deel van de christenheid beweerde "apostolisch" te zijn. Maar overal stuitte men op moeilijkheden als men op zichzelf wilde toepassen wat aan Israël toebehoorde. Hoe ver mocht men gaan in het "vergeestelijken"? De ene bisschop schreef dit voor, de andere dat, en ze vervloekten elkaar. Gedurende lange jaren heerste er een volledige chaos. Slechts na honderden jaren kwam men tot een zekere rust en "eenheid". De vervolgingen tegen de christenen en de anti-christelijke invloeden werkten mee om een dergelijk front te vormen. De bekering van Constantijn, in de vierde eeuw, had een beslissende invloed. Hij meende, als pontifex maximus, het recht te hebben alle godsdienstige zaken te besturen en stichtte de katholieke kerk. Toen nu deze organisatie de macht in handen had, keerde ze zich tegen Constantijn.

Wat werd er dan van hen die getrouw waren gebleven aan Paulus? Niemand weet het. Ze vormden een uiterst kleine minderheid, die verwaarloosd of verdrukt werd. Misschien hebben ze enkele geschriften nagelaten, maar deze zijn onbekend. Wanneer ze bestaan hebben, werden ze natuurlijk niet van belang geacht door de "autoriteiten" van "de kerk", die de absolute macht in handen hadden.

Dan naar vandaag, anno 2009, hoe is het nu? Zijn door alle eeuwen heen de ogen van de gelovigen open gegaan voor de geweldige boodschap van de door God gezonden apostel Paulus? Of is hij nog steeds de onbegrepen Apostel? Worden we onderwezen in de verborgenheden, die Paulus bekend mocht maken? Weten de gelovigen dat ze door Gods overweldigende genade burgers van een rijk in de hemelen mogen zijn? Weten de gelovigen dat ze in Christus medegeplaatst zijn op die plaats waar Christus is? (Ef 2) Of houden de gelovigen zich bezig met allerlei menselijke instellingen, die hun op een dwaalspoor brengen, en die hen niet in het volle licht plaatsen?

Door alle eeuwen heen hebben de gelovigen zich bezig gehouden met leringen van mensen, om tegen die menselijke leringen op grond van uit het verband gerukte teksten weer nieuwe leringen te plaatsen. De Bijbel noemt deze menselijke leringen in Kol 2:8 "IJdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen".

De één meende het nog beter te weten dan de ander, en zo ontstonden vele groepen en richtingen. Maar nergens, in geen enkel kerkelijk geschrift wordt Paulus' evangelie uitgewerkt. En juist die boodschap, die hem toch duidelijk door de Heere is verkondigd, is voor ons van het allergrootste belang. Nergens anders wordt de positie van de gelovige van deze "tussen-periode" behandeld, dan alleen in zijn laatste brieven, die hij na de Handelingen periode schreef. Daarom zijn die brieven ook letterlijk van levensbelang.

Ook de Joden deden mee, en doen nog steeds mee aan die "ijdele bedenkingen". Wist u dat het belangrijkste boek binnen het Jodendom de Talmoed is? Het bevat de commentaren van belangrijke rabbijnen en andere schriftgeleerden op de Tenach (= Hebr. Oude Testament), veelal in de vorm van discussies tussen voor- en tegenstanders van een bepaald standpunt. Door deze aanvankelijk mondelinge traditie van uitlegging en verklaring van de wet en profeten vanaf de tijd van Mozes is er zo een zeer uitgebreid samenstelsel van alle mogelijke uitleggingen, wetsprecedenten, anekdotes, legenden en mythen verzameld. Eeuwenlang hebben de Joden aan de Talmoed gewerkt om hem te krijgen wat hij nu is, een serie boekwerken van in totaal 2711 pagina's.

De manier waarop in de Talmoed wordt gediscussieerd is kenmerkend voor het jodendom: Leren door discussie. In de synagogen en leerscholen van vooral orthodoxe joden kan men nog altijd felle discussies waarnemen over de vele mogelijke interpretaties van de Talmoed. Onder orthodoxe Joden wordt veel het Daf Yomi (= de dagelijkse bladzijde) leesprogramma gevolgd. Hierbij wordt iedere dag een pagina van de Talmoed gelezen zodat in 2711 dagen (7,5 jaar) de hele Talmoed wordt behandeld. En als ze daarmee klaar zijn, beginnen ze weer opnieuw, want die menselijke redeneringen moeten er worden ingestampt. Aldus komt men niet toe aan het bestuderen van Gods Woord.

Broeders en zusters, ik hoop dat u in deze bijbelstudie niet mijn woorden als waarheid aanvaardt, maar dat u al wat ik geschreven heb gaat toetsen aan het Woord van God, en als u denkt dat ik u ergens op het verkeerde been heb gezet, is het ook een broederlijke plicht om mij op grond van het Woord terecht te wijzen, zodat we samen mogen opwassen in de rechte kennis tot eer van God. Waar het op aan komt is, dat we het Woord openen, en vooral dat Woord wat rechtstreeks aan ons is geschreven, en dat Woord in ons werkzaam laten worden. En dan vinden wij zo'n overweldigende blijk van Gods grote liefde, die ons denken en bevatten te boven gaat. Wij zijn namelijk door genade geplaatst in dat ontoegankelijk licht, wat God zelf bewoont, en waar Christus nu is. Dáár is nu reeds geestelijk onze positie! En wanneer wij dit aardse stoffelijke lichaam afleggen, mogen wij daadwerkelijk in alle realiteit die positie bekleden. Wanneer het Woord ons deze dingen wil verkondigen, moeten wij ons er dan niet naar uitstrekken, ja, ernaar jagen om die dingen te ontdekken, en ons eigen te maken? Dan zullen wij ook in die positie gaan wandelen, tot eer en roem van onze hemelse Vader!

En dan moeten we niet denken dat die wandel ons in dank zal worden afgenomen, vooral niet door onze (vermeende) broeders en zusters. Hierin hebben we ook Paulus tot voorbeeld. Van wie had hij de meeste verdrukking te verduren? Van zijn eigen soortgenoten. Want hij kwam aan hun "leer". Hierbij lieten ze zich niet leiden door Gods Geest, maar gingen te rade bij hun eigen menselijke inzettingen. Het is onvoorstelbaar hoeveel verdrukkingen en benauwdheid Paulus heeft moeten verduren terwille van zijn verkondiging, en uiteindelijk heeft hem dat letterlijk de kop gekost, maar op het einde van zijn leven zei hij:

"Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad." (2 Tim 4:7-8)

Paulus wist aan Wie hij toebehoorde, en wat zijn eindbestemming was: "De Here zal mij beveiligen tegen alle boos opzet en behouden in zijn hemels Koninkrijk brengen. Hem zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid! Amen." (2 Tim 4:18)

  • "Laten wij daarom in het spoor des geloofs wandelen en blijven bij de genade Gods, die ons geschonken is, want juist omdat het genade is kunnen wij er zeker van zijn, dat Hij het goede werk, dat Hij in ons begonnen is te doen zal voortzetten ten einde toe, tot op de dag van Christus Jezus" (Fil.1:6).

Met de profeet Hosea mogen we zeggen: "Ja, wij willen de HEERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. (Hosea 6:3). Dit zei Hosea tegen Israël, en ons ons geval betekent dit dat wij in Gods Woord op zoek gaan naar de verborgenheden die God ons wil openbaren. En dan mogen we met Paulus zeggen: "Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben." (Fil 3:12).

"Vrede zij de broeders en liefde met geloof, van God, de Vader, en van de Here Jezus Christus.

"De genade zij met allen, die onze Here Jezus Christus onvergankelijk liefhebben (Ef 6:23-24).

 Bert Boersma  boersmaklm@hetnet.nl

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk