Bijbelstudie "Broodnodig"

Broodnodig

Inhoud

 

Deel 1.................

 

 

Wakker blijven

Verleiding neemt toe

De meerderheid heeft gelijk! Of niet?

 

Deel 2 en 3...........

Oude en Nieuwe Testament

 

Deel 4.................

Wakker blijven

 

Deel 5.................

Wonderen en Tekenen

 

 

 

Broodnodig (Deel 1)

 

Iedere dag hebben we ons eten en drinken nodig om in leven te blijven. Wanneer we stoppen met eten zal het snel met ons gebeurd zijn. Dan sterven wij. Zo is het met ons vleselijke lichaam gesteld. Geestelijk gezien is het niet anders. Ook dan moeten we eten en drinken om in leven te blijven. In dit laatste geval moeten we eten en drinken uit de Fontein des Levens:

  • "Want wie gedronken heeft van het water, dat Ik hem zal geven, zal geen dorst krijgen in eeuwigheid, maar het water, dat Ik hem zal geven, zal in hem worden tot een fontein van water, dat springt ten eeuwigen leven."

Wanneer wij dit geestelijk eten en drinken nalaten, dan zal onze geestelijke mens zeker sterven.

 

Om in deze "kwade dagen", waarin wij leven, geestelijk in leven te blijven, is het van levensbelang om Gods Woord persoonlijk tot ons te nemen. Het Woord, waarin Hij Zijn gedachten en plannen en rijkdom van genade aan ons openbaart. Wij moeten niet trachten het Woord naar onze eigendunkelijke wijsheid uit te leggen, maar we moeten gewoon lezen wat er staat, en dan zal best het één en ander moeilijk te verstaan zijn, maar wanneer u het gelezene in geloof aanvaard, komt er een dag dat u door de leiding van Gods Geest het gelezene verstaat. Want de Bijbel verkondigt Goddelijke waarheden en zegeningen, die door ieder mens verstaan kunnen worden. Dingen die geen oog heeft gezien, geen oor heeft gehoord en in geen mensenhart zijn opgekomen, wil God ons door Zijn Woord openbaren.

 

Wakker blijven

Als gelovigen moeten we ook zorg dragen dat we door allerlei omstandigheden niet in slaap sukkelen. We moeten niet verslappen in het omgaan met Gods Woord. Er kunnen allerlei redenen en excuses zijn om niet met het Woord bezig te zijn, maar we vergeten ons dagelijks eten toch ook niet?

Daarom zegt Petrus in 2 Petr 1:13

  • "Daarom zal het steeds mijn voornemen zijn u hieraan te herinneren, hoewel gij het weet en in de waarheid, die bij u is, versterkt zijt. Ik acht het mijn plicht, zolang ik in deze tent ben, u door herinnering wakker te houden..."

En daar laat Petrus het niet bij, want even verder in het derde hoofdstuk herhaald Petrus deze woorden (het is blijkbaar nodig om nogmaals duidelijk te zijn): "Dit is reeds de tweede brief, geliefden, die ik u schrijf; in beide tracht ik uw zuiver besef door herinnering wakker te houden. (2 Petr 3:1) Ook in de Tessalonicenzen brief wordt opgeroepen om wakker en nuchter te zijn. (1 Tess 5:6).

 

Voor een ieder van ons is het belangrijk dat we van tijd tot tijd herinnerd worden aan de waarheden, die Gods Woord ons te vertellen heeft. Dit zal dan ook tot een beter begrijpen van Gods Woord leiden, en tevens zullen we beter in staat zijn allerlei wind van leer die er in de tegenwoordige tijd meer en meer op ons af komt te onderscheiden en te toetsen.

 

Verleiding neemt toe

Voor een gelovige is het onmogelijk om zonder Gods Woord recht te staan in de leer. De verwarring is uitermate groot. Ook onder gelovigen. In de ene groep gelovigen wordt dit geleerd, en in een andere groep het tegenovergestelde, terwijl ze allemaal pretenderen de waarheid te verkondigen. Daarmee wordt de verwarring compleet. Dit is een geweldige voedingsbodem voor Gods tegenstander om zijn zaad (lees: zijn vergif) te strooien. De satan vindt het ook helemaal niet erg om met bijbelteksten de gelovigen op het verkeerde spoor te zetten. Er zijn jammer genoeg veel voorgangers die met de Bijbel in de hand én in de mond, toch hun gemeente op een dwaalspoor zetten.

 

Er is maar één manier om uit deze brij van tegenstellingen te ontsnappen, en dat is terug te keren naar de Bron van Leven. Hij verkondigd in Zijn Woord de enige gezonde leer, al het andere is ijdel gepraat (1 Tim 1:6). We leven in een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars bijeenhalen. (2 Tim 4:3). Maar broeders en zusters we moeten ons houden aan het betrouwbare Woord, zodat wij ook in staat zijn te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers weten te weerleggen. (Titus 1:9)

 

Kent u nog van deze broeders en zusters, die in alle eerlijkheid pogen het Woord de Waarheid recht te snijden? Want ik kan u uit ervaring verzekeren dat dit recht snijden van het Woord u meestal niet in dank wordt afgenomen door velen die zich christen noemen, want juist uit die hoek komt het meeste verzet, omdat door "het recht snijden" van het Woord meestal aan eigen "fundamentjes" wordt gerammeld. Maar durven we ons in alle oprechtheid af te vragen wie of wat we nou eigenlijk navolgen: Het Woord, of leringen en tradities van mensen? Weten we door de hutspot van leringen nog waar we aan toe zijn? Hebben we ons oor wel bij de goede Bron te luisteren gelegd? Is bijbelstudie voor u een ontdekken wat God u te zeggen heeft, of zoekt in in de Bijbel naar teksten, die uw eigen gelijk onderstrepen?

 

De meerderheid heeft gelijk! Of niet?

Het gevaar is levensgroot dat we achter de mening van de meerderheid aan "hobbelen". Dat is de makkelijkste weg, waarmee u veel "vrienden" kunt maken. Maar het is niet de meerderheid, die de dienst uitmaakt in het aangeven van de juiste weg, al menen velen dat dit wel het geval is.

Wanneer u op grond van het Woord een afwijkende mening ventileert, zal u dat vaak niet in dank worden afgenomen. Ook wordt dat vaak als lastig, en als een bedreiging voor de heersende vastgelegde leer gezien, en de kans is groot, dat men u dan liever ziet vertrekken. Er zijn tegenwoordig nogal wat gemeenten, die iemand, die kritiek heeft, zien als een werktuig van de satan. Dit staat letterlijk in het boek "Doelgericht Leven" van Rick Warren, welk boek inmiddels in veel gemeenten zijn verleidende werk heeft gedaan. Wanneer u dit overkomt, dan mag u concluderen dat men de vastgelegde gemeentelijke regels belangrijker vindt, dan "vernieuwd" te worden door de levende werking van Gods Woord. Want waar leven in zit, dat is aan verandering onderhevig.

 

Hebt u ooit wel eens een plant gezien, waarvan de knop op uitbarsten stond? En was u toen ook zo nieuwsgierig of hij de volgende dag al uitgekomen was? Stel dat dat niet gebeurd, en na een week staat nog steeds dezelfde knop op die bloem, en stel dat die knop de hele zomer niet uitkomt. Die op barsten staande bloemknop blijft de hele zomer alleen maar knop. U bent hevig teleurgesteld. Want die plant heeft niet aan de verwachtingen, die u ervan had, beantwoordt. Bent u zo'n knop, die maar niet uit wil komen? Of gaat u groeien en bloeien doordat u het Woord der Waarheid tot u neemt?

 

Groeien in het Woord is geen massaal gebeuren, maar een zeer persoonlijke zaak. De ene verdraagt nou eenmaal zwaardere kost dan de andere. Maar de Heere wil met een ieder van u tot wasdom komen. Bovendien, weet wel dat u zich in goed gezelschap bevind, als u zich ooit een eenling in het geloof voelt. In de Bijbel zijn er vele voorbeelden van mensen, die dicht bij de Heere wandelden, en daardoor als "vreemdelingen" werden gezien:

  •  Wat denkt u van de apostel Paulus? Moet u eens kijken wat deze Paulus om Christus' wil heeft moeten ondergaan, omdat hij niet de mening van de meerderheid verkondigde: "Als dienaar Gods: in veel dulden, in verdrukkingen, in noden, in benauwdheden, in slagen, in gevangenschappen, in oproeren, in moeiten, in nachten zonder slaap, in dagen zonder eten, in reinheid, in kennis, in lankmoedigheid, in rechtschapenheid, in de heilige Geest, in ongeveinsde liefde, in de prediking van de waarheid, in de kracht Gods; met de wapenen der gerechtigheid in de rechterhand en in de linkerhand; onder eer en smaad, in kwaad gerucht en goed gerucht; als verleiders en toch betrouwbaar; als niet bekend en toch wèl bekend; als stervend en zie, wij leven; als getuchtigd, maar niet ten dode; als bedroefd, maar altijd blijde; als arm, maar velen rijk makend; als niets hebbend en toch alles bezittend. (2 Kor 6:4-10).
  • En wat zei Paulus op het eind van zijn bediening? "Maar allen hebben mij in de steek gelaten – het worde hun niet toegerekend. (2 Tim 4:16).
  • De profeet Elia: "Ik heb zeer geijverd voor de HEERE, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen." (1 Kon 19:14) Maar de Heere zei in 18: "Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft."
  • En wat denkt u van Noach? Noach bouwde de ark in opdracht van de Heere op het droge. Ik denk dat iedereen hem voor gek versleten heeft. Want wie bouwde er nou zo'n groot schip op het droge? Ik geloof dat alleen al het maken van dat schip één getuigenis van het geloof van Noach is geweest. We lezen in Gen 7:23 "Zo verdelgde Hij alles wat bestond, wat op de aardbodem was, mensen zowel als vee en kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, zodat zij verdelgd werden van de aarde; Noach alleen bleef over en wat met hem in de ark was."
  • Hoe vaak zal Mozes zich niet alleen hebben gevoeld, wanneer het hele volk Israël in opstand kwam tegen de Heere? We lezen in Num 11:14-15 "Ik alleen kan de zorg voor dit gehele volk niet dragen: dat is mij te zwaar. 15 Wilt Gij zó met mij handelen, dood mij dan liever, indien ik genade heb gevonden in uw ogen, opdat ik mijn ongeluk niet behoef aan te zien."
  • Twaalf verspieders werden erop uitgestuurd om het land Kanaän te verkennen, hoeveel kwamen in geloof terug? "Na verloop van veertig dagen keerden zij terug van het verspieden van het land; zij gingen op weg en kwamen tot Mozes en Aäron en de gehele vergadering der Israëlieten in Kades, in de woestijn Paran, en brachten hun en de gehele vergadering bericht en toonden hun de vrucht van het land. Zij verhaalden hem dan en zeiden: Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden hadt, en ja, het vloeit van melk en honig, en dit is zijn vrucht. Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland, de Kanaänieten aan de zee en aan de oever van de Jordaan. Daarop trachtte Kaleb het volk tot bedaren te brengen tegenover Mozes en zeide: Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren. Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, zeiden: Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. Ook verspreidden zij onder de Israëlieten een kwaad gerucht omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte. Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen." (Num 13:25-33).
  • In deze geschiedenis leren we ook dat de meerderheid niet gelijk had. De Heere had immers gezegd, dat Hij hun het land zou geven? Slechts twee geloofden, en die twee hadden gelijk!
  • Zo zijn er vele voorbeelden van meerdere profeten, die stonden tegenover een grote meerderheid van goddeloosheid, eigenlijk tegenover een grote meerderheid van andere meningen, die niet van God waren. Vaak stonden zij alleen. Voor hen bleef niets anders over dan in Gods Woord geloven. En daar volharden zij ook in, ondanks alle tegenwerpingen.
  • Hoe vaak was de Heere Jezus niet alleen? Terwijl Hij Gods Zoon was, hebben de Zijnen hem niet als zodanig erkend. De Heere zocht vaak de eenzaamheid: "En toen Hij de scharen weggezonden had, ging Hij de berg op om in de eenzaamheid te bidden. Bij het vallen van de avond was Hij daar alleen."
  • Hoe vaak probeerden de godgeleerden (de Farizeërs en de Schriftgeleerden) van die tijd de Heere Jezus een valstrik te spannen? Zij die het hadden kunnen weten uit de Schriften, geloofden niet in Hem. De Heere noemde hen zelfs "adderengebroed".
  • Toen de Romeinse soldaten de Heere gevangen namen sprak Jezus tot de scharen: Als tegen een rover zijt gij uitgetrokken met zwaarden en stokken om Mij gevangen te nemen? Dagelijks zat Ik in de tempel te leren, maar gij hebt Mij niet gegrepen. Doch dit alles is geschied, opdat de schriften der profeten in vervulling zouden gaan. Toen lieten al de discipelen Hem alleen en vluchtten. (Matth 26:55-56).
  • En wie kan beseffen hoe groot de worsteling van de Heere is geweest, toen Hij alleen in de Hof van Gethsemane was? En wie kan bevatten hoe groot de smart van de Heere is geweest, toen hij beschimpt en bespuugd werd door de mensen? en wie kan bevatten wat de Heere doorleefde toen Hij aan het Kruis riep: "Mijn God, Mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten? Broeders en zusters, terwijl Hij het gelijk volkomen aan Zijn kant had, stond Hij totaal alleen!

 

Al deze voorbeelden laten ons zien, dat wie de Waarheid spreekt, zelden of nooit op een meerderheid moet rekenen. Sterker, als er hele grote groepen gelovigen bij elkaar zijn, en het roerend met elkaar eens zijn, moeten we ons ernstig afvragen of alles wel naar Gods Woord is. We moeten altijd en overal nuchter en waakzaam zijn, want ook vandaag heeft men vaak een bedekking voor de bedoeling van Gods Woord, doordat men wil vasthouden aan allerlei tradities en overleveringen. En voor elke traditie of overlevering zijn wel uit zijn verband gerukte bijbelteksten te vinden.

 

Ik noem al deze dingen, oom aan te tonen dat wij ons aan De Waarheid moeten houden, ook al wordt ons dat door de meerderheid niet in dank afgenomen. En wanneer wij ons aan de Waarheid houden, dan zullen wij nooit beschaamd staan.

 

Deel 2 volgt

Bert Boersma juli 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Broodnodig (Deel 2)

 

Oude en Nieuwe Testament

Door mensen is de Bijbel verdeeld in een Oud, en een Nieuw Testament. Maar eigenlijk is dat een rare onlogische verdeling. Want wanneer gaat voor onze begrippen een testament in werking? Als er iemand overleden is. Wanneer we dan het overlijden van iemand als maatstaf voor het openen (of het beginnen) van een testament zouden hanteren, dan moeten we op zoek naar iemand, die in die in die tijd is gestorven, en die van belang is geweest in die tijd. Er is maar Eén die daarvoor in aanmerking komt, en dat is de Heere Jezus Christus.

 

Wanneer we dan bij het sterven van de Heere het Nieuwe Testament zouden laten beginnen, dan horen in ieder geval de Evangeliën Matheüs, Markus en Lukas bij het Oude Testament.

(Het evangelie van Johannes is een apart verhaal, en laten dat in deze bijbelstudie buiten beschouwing. We zullen dat op een later tijdstip in de bijbelstudie “Het Lichaam van Christus” uitvoerig behandelen), waar we in een later tijdstip op terug zullen komen). De drie genoemde Evangeliën handelen over het leven van de Heere Jezus. En de indeling van die Evangeliën bij het Oude Testament is ook logischer, omdat deze Evangeliën louter en alleen over Israël handelen, en aan Israël geschreven zijn. Eigenlijk gaat de geschiedenis van Israël na het laatste Bijbel boek van het Oude Testament (Maleachi) gewoon door in Mattheüs.

 

Oké, er zit zo'n 400 jaar tussen Maleachi en Mattheüs, maar het gaat over hetzelfde volk. Heel vaak, te vaak worden deze Evangeliën direct toegepast op de gemeenten van nu, wat allerlei misstanden en misverstaan tot gevolg heeft. Want het is ten enenmale onmogelijk een brief, die niet aan ons is geadresseerd, wel op onszelf toe te passen. Dat doen we toch in het normale leven ook niet? Waarom in het geval van de Bijbel dan wel? Natuurlijk is het wel zo, dat we erg veel kunnen leren van de Evangeliën, dat staat buiten kijf, maar we moeten niet net doen alsof deze Evangeliën aan ons geadresseerd zijn.

 

Ik ben me er terdege van bewust, dat deze onterechte toepassing door de eeuwen heen zo door de kerken is geleerd. Maar wat eeuwenlang plaats heeft gevonden, hoeft daarom nog niet goed te zijn.

 

We hebben ons verstand gekregen om logisch te denken. Ook ben ik mij ervan bewust, dat het moed vraagt van iemand, die jarenlang met een bepaalde "leer" is opgegroeid, om deze "leer" nu opeens door een andere (Bijbelse) bril te gaan bekijken. Maar wie het Woord liefheeft, stelt het volgen van dat Woord boven de menselijke instellingen en tradities.

 

Ik zal trachten bovenstaande met een voorbeeld duidelijk te maken. We lezen in Math 24:3-4

  • "dat de Heere Jezus op de Olijfberg gezeten was, daar kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons (de discipelen) wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld? En Jezus antwoordde en zeide tot hen.........''

 

En dan komt het hele relaas wat er in de toekomst nog staat te gebeuren. Let wel: De Heere spreekt hier tot de 12 discipelen, en niet tot ons!

Dan komt vers 13 en 14 (van Math 24):

  • "Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn."

 

Broeders en zusters, altijd wanneer we Gods Woord lezen moeten we goed in de gaten aan wie en voor wie iets is geschreven, en dit geval waar we in Mattheus lezen, is dit geschreven voor het volk Israël. Dan een vraag over de laatste tekst: Welk evangelie zal in de gehele wereld gepredikt worden? Dat staat er vlak voor: "Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden."

 

Dát is het evangelie, wat hoorde bij de prediking van de Heere Jezus, en dát evangelie zal horen bij het toekomstige Koninkrijk, wat in de toekomst voor Israël zal worden opgericht.

 

Dán (in de toekomst) zal dát evangelie door het volk Israël, doo 12.000 x 12.000 = 144.000 verzegelden, (zie Openbaring 7:4) onder alle volkeren verkondigd worden. Gebeurt dat nu? Kennen wij zoveel joden, die dát evangelie nu onder de volkeren verkondigen? Geldt dat evangelie nu, anno 2007? Gelukkig niet, want dan zou ons behoud afhangen van ons volharden. Wat is dan nog de waarde van het volbracht werk van de Heere Jezus Christus? Hij heeft uitgeroepen: "Het is volbracht". Alles? Ja alles! Kunnen wij aan dat volbrachte werk nog iets toevoegen? Nee, absoluut niets! Moeten wij dan niet volharden tot het einde, om behouden te worden? Het staat toch in de Bijbel? En de Bijbel is toch Gods Woord?

 

Ja, het staat in de Bijbel, maar we zouden proberen de Bijbel in de context te lezen. Dit voorbeeld laat zien, dat we ons geen dingen moeten toeëigenen, die niet aan ons geschreven zijn. Want dat geeft grote verwarring. Dit voorbeeld laat duidelijk zien, dat voor Israël andere regels golden, en in de toekomst zullen gelden, dan wat nu voor ons geldt. Zo heeft God het kennelijk in Zijn wijsheid besloten. En wie zijn wij om daaraan te tornen? Gods Woord openbaart ons Zijn voortschrijdende heilsplan, en daarbij gelden voor ons andere regels, dan voor het volk Israël.

 

Ja maar, zeggen anderen dan, we moeten toch wel een leven van Godsvrucht en geloof openbaren, om ooit in de hemel te komen. Maar ook dán wil diegene die zo denkt, door eigen toedoen en eigen goeddoen de hemel verdienen. We hebben er vaak grote moeite mee om in geloof te aanvaarden, dat ons behoud louter en alleen gebaseerd is op het volbrachte werk van Christus. Wij zijn zo vaak geneigd te denken, dat we ook ons best ervoor moeten doen. Maar we staan echt helemaal met lege handen, en hoeven alleen te zeggen: Dank u wel, Heere Jezus, voor uw grote daad van Liefde! Het is een Goddelijke daad van Liefde geweest, volbracht door Hem, die zonder zonde was. En als wij menen aan die Goddelijke daad nog iets van onszelf te moeten toevoegen, dan wordt het mensenwerk. En mensenwerk is met zonde besmet!

 

Daarom staat er ook in de Efeze brief (één van de latere brieven van Paulus, die wel heel speciaal aan ons is geschreven:

  • "In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand." (Efeze 1:5-8).
  • "In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid." (Efeze 1:13-14).
  • "God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus." (Efeze 2:4-6).
  • "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme." (Efeze 2:8-9).

 

Ziet u, broeders en zusters, welk een geweldige boodschap de apostel Paulus door de leiding van Gods Heilige Geest aan ons door mag geven? Reeds "tevoren", d.w.z. van vóór de grondlegging der kosmos, waren wij ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen. En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, wanneer wij het woord der waarheid, het evangelie van onze behoudenis, in geloof hebben aanvaard. Dan zijn wij ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, die Hij voor ons heeft weggelegd. En vooral Efeze 2:8-9 spreekt duidelijke taal: "Door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme."

 

Bovendien was het evangelie wat Paulus schreef aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, die [te Efeze] zijn (dat zijn de geadresseerden). Dat is een evangelie, wat van te voren NIET na te speuren was in de Schriften. Het was dus iets nieuws, wat er van tevoren niet was. Daarom lezen we in Efeze 3:8: "Mij (Paulus), verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen."

 

Ziet u dat God aan ons een heel ander evangelie verkondigd, dan aan Israël? Hieruit kunnen we leren dat God op verschillende tijden op verschillende manieren tot Zijn doel komt. En hebt u in dit voorbeeld ook gezien, hoe belangrijk het is om te letten op wie de geadresseerden zijn?

 

Ik ga nog een stapje verder. Na de drie Evangeliën, Mattheüs, Marcus en Lukas komt het Boek der Handelingen van de apostelen. Laten we eens kijken of Handelingen wel aan ons geadresseerd is. Alle kerken menen van wel, want in Handelingen wordt heilige Geest uitgestort, en dat is toch de geboorte van de kerk? Maar laten we eens kijken wat Gods Woord daarover zegt, en wat er werkelijk gebeurde.

 

We hebben gezien dat de Evangeliën over Israël gingen. In Handelingen gaat de geschiedenis voor (en aan) Israël gewoon verder. We lezen in Handelingen 1 over de Hemelvaart van de Heere Jezus Christus, en over het invullen van de lege plaats van Judas. Heeft alles met Israël te maken.

In Handelingen 2 zien we ook heel duidelijk tot wie er gesproken wordt:

  • "Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen uit alle volken onder de hemel; en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij: Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs? En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? (Handelingen 2:5-8).

 

We lezen hier dat er vrome Joden uit alle volken onder de hemel te Jeruzalem bijeen waren. Dit waren Joden, die kwamen uit de landen, waarheen ze "verstrooid" waren, en die nu voor het Pascha opgetrokken waren naar Jeruzalem. En tot hun verbazing hoorden zij eenvoudige Galileeërs in hun eigen taal spreken. En daar begint Petrus te spreken tot de Joden:

  • "Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt," (Handelingen 2:14).
  • "Mannen van Israël, hoort deze woorden" (Handelingen 2:22).
  • "Mannen broeders," (Handelingen 2:29).
  • "Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt." (Handelingen 2:36).
  • "Bekeert u ( = Israël) en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. 39 Want voor u is de belofte." (Handelingen 2:38).

 

Het moge duidelijk zijn tot wie hier in hoofdstuk twee gesproken wordt. Spreekt Petrus hier tot de heidenen? De heidenen (wij dus) waren nog helemaal niet in tel, want Petrus had eerder de opdracht van de Heere zelf ontvangen om niet naar de heidenen toe te gaan, omdat de boodschap speciaal gold voor Israël, hoe zou hij dan nu opeens tot heidenen spreken?

 

We lezen in Mattheüs 10:5-8

  • "Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet." Deze opdracht heeft de Heere aan zijn discipelen gegeven en aan niemand anders.

 

Er was zelfs later een gezicht van de Heere voor nodig om Petrus aan het verstand te brengen, dat de boodschap ook aan heidenen gebracht mocht worden. Dat lezen we pas in Handelingen 10:

  • "En hij (Petrus) zag de hemel geopend en een voorwerp nederdalen in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken nedergelaten werd op de aarde; hierin bevonden zich allerlei viervoetige en kruipende dieren der aarde en allerlei vogelen des hemels. En er kwam een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet! Maar Petrus zeide: Geenszins, Here, want ik heb nog nooit iets gegeten, dat onheilig of onrein was. En nogmaals ten tweeden male, kwam een stem tot hem: Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden. En dit geschiedde tot driemaal toe, en terstond werd het voorwerp weer opgenomen in de hemel. Terwijl Petrus bij zichzelf in onzekerheid was, wat het gezicht, dat hij gezien had, betekenen mocht, zie, daar waren de mannen, die door Cornelius afgezonden waren, bij hun navraag naar het huis van Simon aan het voorportaal gekomen, en zij trachtten na geroepen te hebben te weten te komen, of Simon, bijgenaamd Petrus, daar verblijf hield. En terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zeide de Geest: Zie, twee mannen zoeken naar u; sta dan op, ga naar beneden en reis, zonder bezwaar te maken, met hen mede, want Ik heb hen gezonden." (Hand 10:11-20).

 

In eerste instantie werd het heil alleen aan de Joden verkondigd. Maar vanaf de tijd dat de Heere zelf aan Petrus liet zien dat hij ook aan de heidenen het evangelie mocht verkondigen, gebeurde dat ook, maar wel met dien verstande, dat hetzelfde evangelie wat toen voor Israël gold, nu ook voor die heidenen gold. En dat bleef gedurende de gehele Handelingen periode zo. Wat was het geldende evangelie ook alweer? "Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden." en in de Romeinen brief (ook tijdens de Handelingen periode geschreven) lezen we in hoofdstuk 11:22:

  • "Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden."

 

Hieruit blijkt dat de tot geloof gekomen heidenen werden geënt op de edele olijf (Israël), en dat deze enting voorwaardelijk was, want wanneer zij niet bleven bij de goedertierenheid Gods, niet bleven staan op het toen gelegde fundament, dus niet volharden in het geloof, dan zouden zij weer weggekapt worden. Dus dan hoorden ze er niet meer bij. Zij moesten net als de joden volharden om behouden te blijven. Wij weten inmiddels dat evangelie niet aan ons is gericht.

 

Deel 3 volgt DV

Bert Boersma Juli 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Broodnodig (Deel 3)

 

Misschien vraagt u zich af: Maar de Romeinen brief is toch ook aan ons gericht? Dan moeten we wel beseffen, dat de evangelie-verkondiging na het kruis voor het volk Israël gewoon doorging. God had Zijn volk na het kruis niet terzijde gezet, nee, Hij ging na het kruis gewoon door met hen nogmaals de gelegenheid te geven om Christus aan te nemen, die dan Koning over hen zou worden.

 

Want wat was namelijk het geval? We weten allemaal wat er gebeurde, toen de Heere Jezus aan het kruis hing. Op een gegeven ogenblik, toen hij door de omstanders werd bespot en beschimpt, dat er staat:

  • En Jezus zeide: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” (Luk 23:34).

 

En dat gebed van de Heere Jezus is door de Vader verhoord. Dat leren we uit de Handelingen. En daarom lezen we in Handelingen 3:17-20:

  • "En nu, broeders (= Joden), ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u (= voor Israël) tevoren bestemd was, Jezus, zende."

 

Dus nogmaals kreeg het volk Israël de kans om Christus aan te nemen. Deze boodschap heeft de hele Handelingen periode door geklonken, en alle brieven die gedurende die Handelingen periode geschreven zijn door de apostel Paulus, ademen diezelfde sfeer, en verkondigen hetzelfde evangelie, want Gods Woord is niet verdeeld.

 

Israël werd pas aan het eind van Handelingen door God zelf terzijde gezet, toen Paulus, geïnspireerd door de Heilige Geest onderstaande woorden neerschreef, nadat hij voor de laatste maal de voormannen der Joden (Hand 28:17) bijeen had geroepen, om hen alsnog te bewegen het evangelie (uit Mozes en de profeten, dit was overigens dus wel na te speuren in de Schriften) aan te nemen, maar zij wilden niet (Hand 28:25). Toen werd voor de derde keer verkondigd:

  • "Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! (Hand 28:26-28)

 

Zowel in de Evangeliën, als in de Handelingen periode, en ook in het boek Openbaring geld ditzelfde evangelie, en dát evangelie van het Koninkrijk, dus van het volharden tot het einde, zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde (van de ajoon) gekomen zijn. Dit is NIET ons evangelie. Dan kan het ook nooit de bedoeling zijn geweest dat deze opdracht voor ons was. Wij brengen geen evangelie, waarbij we de mensen aansporen om toch vooral te volharden, anders zijn ze niet behouden. Wij mogen het evangelie van Gods rijke genade verkondigen. Dit "volharden-evangelie" was het evangelie, wat hoorde bij het Koninkrijk wat de Heere 2000 jaar geleden had willen oprichten, maar wat door de onbekeerlijkheid van Israël toen niet doorging, maar welk Koninkrijk in de toekomst tot zijn volle ontplooiing zal komen. Want Gods beloften zijn onberouwelijk. Het gaat zeker door! En dán geldt weer hetzelfde evangelie als in Mattheüs 24:13 en 14

 

Ditzelfde evangelie vinden we dan ook meerdere keren terug in het boek Openbaring:

  • Openb. 1:9 "Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus,......"
  • Openb. 2:2 "Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding........"
  • Openb. 2:3 "En gij hebt volharding en hebt verdragen om Mijns naams wil....."
  • Openb. 2:7 "Wie overwint, hem zal ik geven........" Dit is ook voorwaardelijk, en betekent hetzelfde als: "wie volhardt tot het einde"
  • Openb. 2:11 "Wie overwint,........"
  • Openb. 2:17 "Wie overwint,........"
  • Openb. 2:19 "Ik weet uw werken en liefde, en geloof en dienstbetoon, en uw volharding en uw laatste werken........"
  • Openb. 2:26 "En wie overwint,...."
  • Openb. 3: 5 "Wie overwint,........"
  • Openb. 3:12 "Wie overwint,........"
  • Openb. 3:21 "Wie overwint,.... "
  • Openb.13:10 "Hier blijkt de volharding en het geloof der heiligen"
  • Openb.14:12 "Hier blijkt de volharding der heiligen,....." Zij hebben volhardt in het weigeren van het merkteken van het beest.
  • Openb.14:13 "Dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na." Zij hadden volhardt in het weigeren van het merkteken van het beest. Dat waren de werken die hen navolgden.
  • Openb. 20:4 Hier zien we dezelfde volharding als in Openb. 14:13. Ook hier hadden de gelovigen volhardt, en het merkteken van het beest niet aanvaard, en de beloning was dat ze 1000 jaar met Christus als koningen mochten heersen.
  • Openb. 3 : 8 "Ik weet uw werken......" Het gaat hier over dezelfde groep mensen die volharden in hun werken als in Openb. 20:4.

 

Ook in het boek Handelingen gold dus hetzelfde evangelie. Ook toen waren er vele verdrukkingen, en moesten de gelovigen volharden tot het einde. Volharden tot het einde het is dan: Volharden tot het einde van de eeuw (ajoon) of tot de dood (wanneer de gelovige stierf).

 

Gedurende de hele Handelingen periode had Paulus niets anders gedaan, dan de joden en de heidenen te verkondigen uit Mozes en de profeten. Dit evangelie was na te speuren in de Schriften:

  • En al de profeten, van Samuël af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd. (Handelingen 3:24).
  • Gij (Israël) zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen (met Israël) gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden. Handelingen 3:25).
  • Van Hem getuigen alle profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam. (Handelingen 10:43).
  • Als een getuige, die hulp van God heeft ontvangen tot op deze dag, sta ik dus hier voor klein en groot, zonder iets anders te zeggen dan wat de profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou. (Handelingen 26:22).
  • En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. (Handelingen 28:23).
  • Paulus, een dienstknecht van Christus Jezus, een geroepen apostel, afgezonderd tot verkondiging van het evangelie van God, dat Hij tevoren door zijn profeten beloofd had in de heilige Schriften, aangaande zijn Zoon. (Rom 1:1-3b).
  • Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen. (Rom 3:21).
  • Dit is reeds de tweede brief, geliefden, die ik u schrijf; in beide tracht ik uw zuiver besef door herinnering wakker te houden, om aan de woorden te denken, die door de heilige profeten tevoren gesproken zijn, en aan het gebod uwer apostelen van de Here en Heiland. (2 Petr 3:1-2)

 

Wanneer we de Handelingen en de brieven, die Paulus in de Handelingen periode heeft geschreven, bestuderen, zullen we tot de conclusie moeten komen, dat al deze brieven dezelfde sfeer ademen, hetzelfde evangelie verkondigen, dezelfde hoop op de toekomst hebben, en dezelfde volharding moeten betonen in hun geloof. Al deze dingen waren na te speuren in Mozes en de profeten, maar wanneer Paulus na Handelingen 28 een ander evangelie gaat verkondigen, is dat niet na te speuren in de Schriften.

 

Voor alle duidelijkheid: Toen, in de Handelingen periode, predikte Paulus, wat er in verband met Gods beloften, gegeven aan Israël, en het spoedig komende Koninkrijk, aanstaande was. En dat geloofde Paulus ook. Het was Paulus niet toegestaan om in de Handelingen tijd méér te openbaren. Paulus predikte in de Handelingen periode uitsluitend: Mozes en de profeten! Alles wat Paulus in de Handelingen tijd verkondigde was na te speuren in de Schriften. Geen andere “Hoop”was er openbaar gemaakt in het Oude Testament of tijdens de rondwandeling van de Heere Jezus op aarde, en ook in de Handelingen tijd was alles na te speuren in de toen bestaande Schriften.

 

De apostel Paulus blijft in alle brieven, die voor Handelingen 28 zijn geschreven, volledig in lijn met het onderwijs van de Heere Jezus Christus. Daarom kan hij ook met recht tot bijvoorbeeld de Tessalonicenzen spreken met “een Woord des Heeren.” (1 Tess 4:15). Paulus vertroost de gelovigen van de Handelingen tijd met de Hoop op de opstanding bij de Komst des Heeren, als de laatste bazuin klinkt. En tot die tijd liggen de ontslapen gelovigen van de Handelingen periode in het stof der aarde.

 

Nadat de Heere zelf Israël, en daarmee de “Hoop van Israël” terzijde had gezet (dus na Handelingen 28), schrijft Paulus door de openbaring en inspiratie van God zelf nog zeven brieven vanuit zijn gevangenis, waar Paulus zeker twee jaar verbleef (Hand 28:30). In deze laatste zeven brieven mag Paulus aan ons nieuwe verborgenheden (geheimenissen) bekendmaken, die eeuwen her verborgen zijn gebleven in God. Dus deze verborgenheden waren aan niemand bekend, en waren nergens na te speuren, maar waren alleen bekend bij God zelf.

 

Efeze 3:8-10:

  • Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden.”

Deze latere zeven brieven (Efeze, Kolossenzen, Filippenzen, Filemon, 1 en 2 Timoteüs en Titus) verkondigen ons een Hoop, die de Hoop van de brieven van vóór Handelingen 28 (Galaten, 1 en 2 Tessalonicenzen, Hebreeën, 1 en 2 Corintiërs en de Romeinen brief) verreweg overstijgt.

De bijzondere Hoop van de leden van de Gemeente der verborgenheid is, dat wij nu alreeds zijn mede-opgewekt met Christus, mede zijn opgestaan en mede zijn gezet met Christus in de hemelse gewesten. Deze Gemeente van Jezus Christus, het Lichaam van Christus, de complete Man, bezit de Hoop van Fil 3:10-14:

  • (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. Niet dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ik ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.”

 

In het vetgedrukte staat: “tot de opstanding uit de doden”, maar eigenlijk zou er moeten staan volgens de grondtekst: “De uitopstanding van tussen de doden uit”. Dit is de uitopstanding van tussen de overige doden uit, een individuele opstanding, die plaats heeft nadat de gelovige is gestorven, nadat hij de goede strijd heeft gestreden en de loopbaan heeft gelopen (Fil 1:20-24 en 2 Tim 4:6-8).

 

Deel 4 volgt DV

Bert Boersma Juli 2007  boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Broodnodig (Deel 4)

 

De Hoop van Het Lichaam van Christus.

Direct na de terzijde zetting door de Heere van het volk Israël, begint de apostel Paulus deze nieuwe boodschap bekend te maken, namelijk de verborgenheid (of het geheimenis) van De Gemeente van Het Lichaam van Christus. Deze nieuwe boodschap spreekt helemaal niet meer over een spoedige verwachting van Zijn Komst, zoals Paulus daarvoor wel deed. Dit “spoedig verwachten” uit de brieven vóór Handelingen 28 is volledig afwezig in de zeven brieven die Paulus na Handelingen 28 schreef.

 

Paulus, die eerst heel veel over de Komst, over de “Parousia” schreef, neemt dan het woord “Parousia” geen enkele keer meer in zijn mond. Hij zwijgt er in deze zeven latere brieven totaal over.

 

Daarentegen begint Paulus vanaf die tijd over een nieuwe, hogere Hoop te spreken, namelijk over “Epiphaneia”, dat is “de verschijning in heerlijkheid.” In deze “verschijning in heerlijkheid”, deze “Epiphaneia” van Christus, zal het Lichaam van Christus (het samengevoegde Lichaam) op een heerlijke wijze in delen.

 

Paulus spreekt in deze brieven over een individuele opstanding van de gelovigen direct na het sterven: De uitopstanding, die van tussen de doden uit is. Allen die hier deel aan hebben hebben ook deel aan de “verschijning in heerlijkheid” bij Zijn Komst!

 

Het was in Gods raadsbesluit opgenomen, dat Hij een groep gelovigen, die IN Christus zijn, reeds vóór de grondlegging der wereld uitverkoren had (Efeze 1:4). Dit was een verborgenheid. En deze verborgenheid was tot na Handelingen 28 totaal onbekend gebleven, en met een goede reden. Want als de profeten en/of Paulus dit geheimenis bekend hadden gemaakt, dan zou Israël een goede reden (excuus) hebben gehad om zich niet te bekeren.

 

Want dan had het volk Israël (in de Handelingen periode) kunnen zeggen: “Wat heeft het voor zin om nú de Heere te volgen, en om nú deel te krijgen aan Zijn Verbond, als de Heere toch binnenkort Zijn plan een andere wending geeft, en wij (Israël) naar de achtergrond verdwijnen?”

 

Daarom was de uitroeping van Het Lichaam van Christus tot het einde van Handelingen een geheimenis.Het geheimenis van Zijn wil (Efeze 1:9). Eeuwen en geslachten lang verborgen (Kol 1:26).

 

Sommige gelovigen, die gedurende de Handelingen periode leefden kregen deel aan Het Lichaam van Christus. Hierbij kunnen we bijvoorbeeld denken aan Paulus, aan Timoteüs en de Filippenzen. Anderen bleven tot de “Handelingen groep” behoren, denk daarbij aan de Twaalven, de twaalf dicipelen, die als toekomstige taak onder meer over al de twaalf stammen Israëls zullen regeren, een taak die niet tot Het Lichaam behoort.

 

Na de Handelingen tijd waren er drie groepen gelovigen:

  1. De eerste groep gelovigen (geënt op de edele olijf, op Israël) stierf na een poosje uit, en wachten in het graf op hun “Hoop”. Deze groep had een collectieve “Hoop”. Zij verwachten een opstandingslichaam te ontvangen bij de “Parousia”, bij de Komst van de Here in de lucht.

  2. De tweede groep gelovigen zijn zij, die door het Johannes-evangelie tot geloof gekomen zijn, en die geloven in het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus. Zij zijn behouden, maar hebben geen weet, of willen niet weten, van de hoge roeping, die Paulus na Handelingen 28 bekend mocht maken. Deze groep heeft ook een collectieve “Hoop”. Ook zij mogen weten, een opstandingslichaam te ontvangen bij de “parousia” van de Heere, en zullen als gasten mogen aanzitten aan de feest-tafel in de 1000 jaren.

  3. De andere groep gelovigen zijn zij, die door Gods rijke genade wel zijn ingegaan op het Evangelie, wat Paulus in zijn late brieven moest verkondigen. Zij behoren tot de apart geplaatste gelovigen, die behoren tot het Lichaam van Christus. (Hierover veel meer in de bijbelstudie “Het Lichaam van Christus). De gestorvenen van deze laatste groep gelovigen hebben hun “Hoop” reeds ontvangen. Voor deze groep geldt dat ze een heel persoonlijke, individuele “Hoop” hebben. Zij mogen weten dat elke gelovige, die behoort tot het Lichaam van Christus, die in de afgelopen 2000 jaar is gestorven, individueel direct na zijn of haar sterven het opstandingslichaam heeft ontvangen en naar de Heere is gegaan.

 

Toch heeft deze derde groep gelovigen naast de “individuele Hoop” ook nog een “collectieve Hoop”, want eenmaal, wanneer Christus Zich bij Zijn Komst in al Zijn Heerlijkheid openbaart, zullen deze gelovigen collectief zichtbaar zijn in Het complete Lichaam van Christus.

 

Paulus schrijft hierover het volgende: “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, Zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid”. Om zo met Hem te kunnen verschijnen, is het nodig dat wij reeds bij Hem zijn. Met Paulus mogen wij deze “Epiphaneia”, deze verschijning, liefhebben.

 

De twee laatste groepen hebben gemeen, dat ze beide geloofden in het verzoenend offer van de Heere Jezus Christus, en dat ze in Christus nieuw leven hadden ontvangen.

 

Paulus spreekt na Handelingen 28 over een mede opgewekt worden met Christus, en een mede gezet worden met Christus in de hemelse gewesten. Ook hier spreekt Paulus over een zalige Hoop, maar dan een Hoop, die de “Hoop van Israël” op een de Heere tegemoet gaan in de lucht, verre weg overtreft. Kennen wij deze, onze Hoop?

 

Er zijn drie groepen brieven in het nieuwe Testament:

  • De eerste groep is een groep van zeven brieven aan gemeenten, namelijk: Galaten, 1 en 2 Tessalonicenzen, Hebreeën, 1 en 2 Corintiërs en de Romeinen brief. Deze groepen werden tijdens de Handelingen periode geschreven.
  • De tweede groep is een groep van zeven algemene zendbrieven, namelijk:Jacobus, 1 en 2 Petrus, 1 en 2 en 3 Johannes en Judas. Ook deze brieven werden tijdens de Handeleingen periode geschreven.

 

In bovenstaande twee groepen brieven was de verwachting, de “Hoop van Israël”, steeds nadrukkelijk wel aanwezig, maar deze "Hoop van Israël" ontbreekt totaal in de derde groep van zeven brieven:

  • Deze derde groep van zeven brieven die na de Handelingen periode door Paulus zijn geschreven zijn: Efeze, Kolossenzen, Filippenzen, Filemon, 1 en 2 Timoteüs en Titus.



Eigenlijk is Handelingen 28:27-28 een keerpunt in de evangelie verkondiging, omdat daar voor de laatste keer de hoogste vertegenwoordigers van Israël, voor de laatse keer nog een kans krijgen, om te geloven, en het Koninkrijk Gods te aanvaarden. Maar zij wilden niet en keerden zich in ongeloof van Paulus af, terwijl Paulus niets vreemds, maar uitsluiten hun de zaken uit Mozes en de profeten verkondigde, die voor hen allen na te speuren waren in de hun bekende geschriften. Het is mede vanwege dit keerpunt in de verkondiging belangrijk te weten welke bijbelboeken vóór, en welke ná dat keerpunt geschreven zijn.

 

Deel 5 volgt

Bert Boersma juli 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Broodnodig (Deel 5)

 

Wonderen en Tekenen

Vele christenen willen in onze tijd de Handelingen tijd voor de gemeente weer invoeren met genezingen en wonderen. Deze zichtbare tekenen hebben te maken met het zichtbare volk Israël en niet met de onzichtbare gemeente, het Lichaam van Christus, want dat is verborgen in God (3:1) Wanneer wij in Gods Woord zouden onderzoeken waar en voor wie de tekenen, de wonderen en genezingen bestemd zijn, dan kan het niet anders dan dat we op grond van het Woord tot de conclusie moeten komen dat al de wonderen en tekenen zijn gedaan voor het volk Israël.

 

Hiermee wil ik niet beweren dat er vandaag geen wonder of genezing kan plaatsvinden. Maar niet op die manier van grote genezings-manifestaties, die vandaag steeds vaker plaatsvinden, en die steeds meer geproclameerd worden. Die zijn in deze tijd onbijbels en onwaar.

 

Alle teksten die in de bijbel voorkomen, en waar het over wonderen en tekenen gaat, gaan deze wonderen en tekenen van de Heere zelf uit. Het zijn de wonderen en tekenen van de Heere zelf, het zijn ZIJN wonderen en tekenen. Behalve als de na-aper van God ook wonderen en tekenen doet, maar dezen zijn vals, en alleen bedoeld om de mensen te verleiden.

 

Alle beschreven wonderen en tekenen werden gedaan in verband met het volk Israël. Anders gezegd, de wonderen en teken hoorden bij dat volk. De Heere zei: "Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe."

 

De Heere maakte zich aan Zijn volk bekend door tekenen en wonderen. En hij verzamelde voor Zich een volk door teken en wonderen: "Om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, .........”

 

Alle in de bijbel beschreven tekenen en wonderen zijn ten dienste van Israël, of speciaal voor Israël. Altijd wanneer de Heere de Zijnen iets wilde meedelen of kenbaar maken, ging dat gepaard met tekenen en wonderen. Dit was heel speciaal het geval toen de Heere Jezus op aarde was temidden van Zijn volk, want toen wilde de Heere echt iets vertellen aan Zijn volk. En de boodschap was, dat het Koninkrijk aanstaande was. Het bestond niet, dat daar geen tekenen en wonderen bij hoorden. En dat werd door de enkeling toen ook wel verstaan. Zolang het Koninkrijk aangeboden werd, dus tot Handelingen 28:28, golden diezelfde regels.

 

Daarom zijn er heden ten dage NIET van de openlijke manifestaties van tekenen en wonderen. Omdat Gods volk nu terzijde is gezet. De Heere openbaart zich alleen op bovengenoemde wijze aan Zijn volk. Het volk Israël, dat eens aan de spits der volkeren zal staan, en dan zullen alle volkeren zien wie hun God is.

 

Onderstaande is een opsomming van allerlei zaken uit de bijbel waar het gaat over tekenen en wonderen

  • "Want indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de HERE, en door hen die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, terwijl God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de Heilige Geest toe te delen naar Zijn wil." (Hebr. 2:2 en 3)

 

De Handelingen periode ging gepaard met tekenen en wonderen en krachten, om de boodschap van het Koninkrijk te bekrachtigen. Het Koninkrijk brak toen niet aan wegens de verharding van Israël. Voorafgaande aan de tweede komst van Christus zal de geschiedenis zich herhalen.

 

Als God klaar is met Zijn plan voor deze tegenwoordige tijd, dan zal de Gemeente geopenbaard worden in Zijn hemelse heerlijkheid. De Here zal dan verder gaan met de uitvoering van Zijn plan: het herstel van land en volk van Israël en de (zichtbare) oprichting van Zijn Koninkrijk op aarde. Hij neemt eigenlijk de draad van de geschiedenis der volkeren weer op, waar die bijna 2000 jaar (oftewel: twee dagen!) geleden is blijven liggen. Als het zover is, zullen ook Israël en de volkeren de Here God roemen om Zijn grote daden:

  • O HEERE, Gij zijt mijn God, U zal ik verheffen, uw naam loven, want Gij hebt wonderen gedaan, raadsbesluiten uit een ver verleden in waarheid en trouw volvoerd.” (Jes. 25:1).

 

Petrus haalt woorden van Joël aan waarin het gaat om het werk van de Heilige Geest en om de zevenjarige periode voorafgaand aan de openbaring van Christus. Daarbij noemt hij wonderen in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm.

 

De concordantie leert ons dat wonderen en tekenen uitsluitend te maken hebben met Gods handelen met Israël. Momenten in de heils-geschiedenis waarop Hij Zijn koninkrijk aan Israël wil bevestigen, gaan gepaard met tekenen en wonderen.

 

Zegenende en oordelende tekenen en wonderen

Je kunt de tekenen en wonderen in de Bijbel op verschillende manieren indelen. In de eerste plaats kun je spreken van positieve en negatieve tekenen en wonderen. Positief zijn: genezingen, tongen, profetieën, water dat in wijn wordt veranderd, etc. Negatief zijn de oordelen zoals ze in Handelingen 2:19 worden genoemd. Positief of negatief, in beide gevallen komen ze van Godswege en dienen ze om de boodschap aangaande het Koninkrijk kracht bij te zetten.

 

In het voorgaande hebben we kunnen constateren dat de eerste maal dat we over 'tekenen en wonderen' lezen (Exod. 7:3), ons bepaalt bij het volk Israël aan het einde van de tijd van verdrukking in Egypte. In Deuteronomium 4:34 zegt Mozes dat God Zich een volk nam "uit het midden van een ander volk, door beproevingen, door tekenen, door wonderen." In het daaropvolgende vers zien we het doel hiervan:

  • "Gij (= het volk Israël!) hebt het te zien gekregen, opdat gij zoudt weten, dat de HERE de enige God is, er is geen ander behalve Hij."

 

De bevrijding van Israël uit Egypte resulteerde in de verbond-sluiting. Wanneer de HERE Zijn volk in de band van het (oude, dan wel nieuwe) verbond brengt, gaat dat gepaard met tekenen en wonderen. Is Israël daadwerkelijk door middel van het verbond aan de Here verbonden, dan is er sprake van een aan Israël bevestigd Koninkrijk. Dit geldt door heel de Bijbel heen. Niet alleen bij het oude verbond, maar ook als de tijd van het nieuwe verbond aanbreekt, zien we hetzelfde terug. De Here Jezus deed tekenen en wonderen. Zie bijvoorbeeld Johannes 20:

  • "... deze (tekenen) zijn beschreven opdat gij gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn Naam" (vs. 31; vgl. Deut. 4:35).

 

Niet alleen de Here Jezus Zelf, maar ook Zijn apostelen predikten het Koninkrijk Gods en dus ging ook hun boodschap gepaard met tekenen, wonderen en krachten. In de brief aan de Hebreeën (het Hebreeuwse volk) staat:

  • "... hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten ..." (Hebr. 2:3 en 4).

 

Van God en van de satan

De hiervoor beschreven verdeling in positieve en negatieve tekenen, zijn beide van God afkomstig. De positieve tekenen zijn zegenend van aard en de negatieve hebben een oordelend karakter.

 

Er is ook nog een andere verdeling mogelijk van tekenen en wonderen: Er zijn er die van God afkomstig zijn en er zijn er die van Zijn tegenstander afkomstig zijn. Het is opvallend dat op de een of andere manier de duivel altijd probeert de Heer te imiteren.

 

Door de hele Bijbel (en daarmee door de geschiedenis) heen, zien we dat hij op diverse manieren tracht zich als god op te werpen, die dingen bedenkt en doet. God heeft Zijn plan waarin alle dingen Christus zullen worden onderworpen; satan heeft zijn plan waarin de dingen aan de mens der wetteloosheid worden onderworpen. Voor God is Jeruzalem de stad van de grote koning; satan stelt daar Babel tegenover. De Here heeft Zijn Christus, Zijn Gezalfde; satan heeft zijn anti-christus (zijn in-de-plaats-van-Christus). God heeft engelen die Hem dienen in de uitvoering van Zijn plan (met Israël); satan heeft ook zijn engelen, overheden en machten, die hem ten dienste staan.

 

Johannes de Heer noemde in dit verband de duivel 'de aap van God'. Het verwarrende is echter dat hij in veel gevallen het plan van God 'na-aapt', maar de uitvoering van dat plan dikwijls laat plaatsvinden vóór de Heer Zijn plan ten uitvoer brengt. Zo verwacht Israël de Messias van God, maar eerst zal satan zijn eigen messias brengen, waardoor velen verleid zullen worden.

 

'Wonderen en tekenen' in de profetie van Joël

De wonderen en tekenen in Handelingen 2 moeten we onder de eerste verdeling ‘positief en negatief’” scharen. Het gaat hier om wonderen en tekenen, oordelend van aard en van God afkomstig. Dit zien we duidelijk in vers 19 als we letten op de cursieve woorden: "En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm." Petrus haalt deze woorden van Joël natuurlijk niet zomaar aan; hier speelt niet de voorkeur van Petrus mee. Hij doet dat vol van heilige Geest die immers net was uitgestort. Het waren juist deze woorden die uitgesproken moestenworden daar en op dat bijzondere moment, op de Pinksterdag in Jeruzalem ten overstaan van de mannen van Israël.

 

De Joden die te Jeruzalem woonachtig waren, vrome mannen uit alle stammen uit de verstrooiing (Hand. 2:5), hoorden de grote daden Gods verkondigen in de taal waarin ze geboren waren (Hand. 2:8 en 11). Dat betekent dat deze Joodse toehoorders buiten het beloofde land waren geboren en inmiddels in het land waren (om het Pascha te vieren) en daar de boodschap aanhoorden. Deze situatie lijkt veel op de huidige situatie in Israël, waar ook vele Joden wonen, die niet in Israël zelf geboren zijn. Enerzijds waren er onder de toehoorders mensen die zich afvroegen wat hier nu eigenlijk aan de hand was; anderzijds waren er ook spotters die zeiden: "Zij hebben te veel zoete wijn gehad!" (Hand. 2:13).
En dan staat Petrus op met de elven en spreekt zijn toehoorders aan. De wijze waarop hij ze benoemt, laat ons geen twijfel dat deze woorden (en ook het teken van de tongen) bestemd zijn voor Israël, of ze nu in Arabië, Asia of Judea geboren waren of niet, want voor hen waren de tekenen en wonderen:

  • Hand. 2:14 “Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt”
  • Hand. 2:22 “mannen van Israël”
  • Hand. 2:29 “mannen broeders”
  • Hand. 2:36 “het ganse huis Israëls”

 

Zo zijn er nog vele bijbelse voorbeelden te noemen die aantonen, dat de tekenen en wonderen niet gelden voor de tijd waarin wij leven. Wij moeten het niet verwachten van het zichtbare, van het "zien". Wij zien niet op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig. (2 Kor 4:18). En het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet. (Hebr 11:1)

 

De grote misvatting van vandaag, dat men wil "zien" is de voedingsbodem geworden van veruit de meeste "christelijke" dwalingen van onze tijd. Sinds het ontstaan van deze foute onbijbelse denkwijze, sinds het begin van onze jaartelling, heeft deze dwaling miljoenen slachtoffers gemaakt. En in recente jaren is haar invloed zo groot geworden dat haar zuurdeeg in bijna alle kringen is doorgetrokken. Het christelijke getuigenis op aarde is daardoor tot een wanstaltig gedrocht van allerlei pseudo-geestelijkheid geworden. Niet de vermeende Heilige Geest maar de duivel, die zich voordoet als de engel des lichts (2 Kor 11:14), samen met zijn afvallige engelen, hebben de tongenbrabbelende, tekenen en wonderen zoekende menigte in vervoering gebracht met het opium uit de duisternis. Daardoor leeft niet langer het geloof in de kerk, maar het zien.

 

Slot

Bert Boersma juli 2007  boersmaklm@hetnet.nl

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.

T.Westerkamp | Antwoord 04.10.2013 13.46

Heel duidelijk

Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk