Bijbelstudie "Hem Kennen" I

Hem Kennen.......

 

Inhoud (deel 1-18)

 

Deel 1........

Deel 2........

 

Deel 3..........

 

Deel 4..........

 

Deel 5..........

Deel 6..........

Deel 7..........

Deel 8..........

 

Deel 9..........

 

 

Deel 10........

Deel 11........

Deel 12........

 

 

 

Deel 13........

 

Deel 14........

 

 

Deel 15........

 

 

 

 

Deel 16........

 

 

Deel 17........

 

Deel 18........

 

 

Inleiding

Uitsluitend uit Zijn Woord

Ons tot Voorbeeld

God wil gekend worden door de mens

Zij zullen Zijn stem horen

Vanaf den Beginne

Het “Kennen” van Abraham

Het “Kennen” van Israël in het O.T

Het “Kennen” van Israël in het N.T. (1)

Het “Kennen” van Israël in het N.T. (2)

De Spijziging van de VIJF duizend

De Zoon des Vaders en de zoon des vaders

Het Woord kennen = Christus kennen

Is de “Kerk” op de pinksterdag ontstaan?

Het Heil aan Israël verkondigd

Paulus' Opdracht

Petrus werkzaam onder “de heiligen”

Het Heil ook aan de Heidenen verkondigd

Verschil in Opdracht

De “Muur” tussen Joden en Heidenen

De Prediking uit Mozes en de Profeten

Paulus in de Handelingen

Artikel 52 van de Kerkorde (2007)

Welke Bijbelboeken voor en na Handelingen 28

De Brieven die in de gevangenis geschreven werden

Een nieuwe Boodschap

De Boodschap van Paulus in de Handelingen periode

Een nieuwe Eenheid

Een nieuwe Verborgenheid

Paulus verlaten

“Heilige en Getrouwe”

Gezegend met alle Zegeningen in de Hemel

Het Lichaam

Uitverkoren tot.........

In alle Wijsheid en Voorzichtigheid

Tot Lof van de Heerlijkheid

Gods Tegenstander

Drie Zonen

 

Hem Kennen....... (deel 1)

Er is één ding dat de gelovige meer nodig heeft dan welke andere zaak ook. Er is één ding, waarop alle geestelijke zegeningen berusten en waaruit alles voortkomt dat de gelovige (in Christus) bezit. Uit God's Woord en uit eigen ervaring hebben wij bijvoorbeeld geleerd dat

  • "Wij niet weten wat wij bidden zullen naar behoren",

 

maar wij hebben misschien ook reeds ervaren dat

  • "De Geest zelf voor ons pleit met onuitsprekelijke verzuchtingen" (Romeinen 8:26).

 

De Geest weet waarvoor wij behoren te bidden. Hij weet wat wij nodig hebben. Hij treedt voor ons bij God tussenbeide en helpt ons. Hij leert ons hoe we moeten bidden. Het was onder leiding van Gods Geest dat de apostel Paulus in Efeze 1:17 voor de gelovigen bad:

  • "Dat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid u geve de Geest, der wijsheid en van openbaring in de rechte kennis van Hem".

 

De kennis van Hem, de ware kennis van God, is datgene waarnaar dit gebed in de eerste plaats uitgaat. Als de Heilige Geest deze bede de voorrang geeft, moet dit zijn omdat de ware kennis van God voor de Christen belangrijker is dan welke andere zaak ook. Ja, zij is zelfs belangrijker dan alle andere zaken tezamen.

 

Op deze kennis is het hele geloofsleven van elke gelovige gefundeerd. Deze kennis hoort de kern en het uitgangspunt van al zijn bidden, denken en handelen te zijn. Deze kennis is ook de basis waarop ons volkomen vertrouwen in God rust. In het gewone leven kunnen wij iemand niet zomaar vertrouwen als wij hem niet kennen. In ieder geval is het veiliger om aan een persoon, die wij niet kennen niet ons vertrouwen te schenken, en als regel doen wij dat ook niet. Maar andersom valt het ons moeilijk om een persoon, die wij goed kennen niet te vertrouwen.

 

Waarom stellen wij ons vertrouwen niet geheel op God? Die God, die ons in Zijn Woord één grote "tentoonstelling" geeft van Zijn onophoudelijke liefde. Wanneer wij die God niet ons vertrouwen geven, is dat omdat wij Hem niet voldoende kennen. Zo ontdekken wij, dat kennis van God datgene is, wat wij als gelovigen het meeste nodig hebben. Alle stappen van onze geloofs-loopbaan moeten zijn om die kennis te verwerven.

 

De mate waarin wij ons leven aan God toevertrouwen zal steeds in overeenstemming zijn met de mate waarin wij Hem kennen. Ook al zouden wij maar een klein gedeelte van Gods oneindige wijsheid kennen, dan al zouden wij zien, dat onze eigen wijsheid niet meer dan dwaasheid is. Wij zouden dan geen stap meer durven doen en ons haasten om het leren kennen van Zijn wil als eerste vereiste in ons geloofsleven voorop te stellen. Het zou dan onze grootste vreugde worden om Hem in alle zaken voor ons te laten beslissen en Hem de Leidsman van ons handelen te laten zijn.

 

Wij zouden dan zeggen: "Heer, ik ben zo dwaas en onwetend, ik weet niets en ik kan niets, ik kan alleen maar zien wat er nu is en ik weet niets van wat er komen zal, maar U kunt het einde zien vanaf het begin. Uw wijsheid is eindeloos en Uw liefde kent geen grenzen en ik verheug mij erin, dat mijn Verlosser en mijn Heer bevestigde, dat U mij heeft liefgehad zoals U Hem liefhad" (Joh. 17:23). Daarom is "Uw wil geschiede" bovenal de wens van mijn hart.

 

Dit alles gaat veel verder dan passief "bereidwillig" zijn. Wij kunnen bereid zijn ons in een situatie te schikken omdat het nu eenmaal niet anders kan. Dat kan een christelijk getint fatalisme zijn. Een Mohammedaan kan zich op deze wijze aan de wil van zijn god overgeven. Maar waar wij over spreken gaat veel verder dan een "zich overgeven", ook al word dit laatste vaak als een noodzaak voor het bereiken van een zekere graad van heiligheid gepredikt. Het gaat niet om "overgeven aan.........", maar het gaat ten diepste altijd om het jagen naar de kennis van God.

 

Er zijn ook gelovigen, die op een nog lager geloofsniveau leven. Deze zijn nog niet "bereidwillig" om zich aan God's wil te onderwerpen, maar zij streven er nog naar om "bereid, er voor klaargemaakt" te worden. Deze mensen hebben nog niet ingezien, dat zij in deze (voor een gelovige onwaardige) positie verkeren, doordat zij God niet kennen, en niet weten hoe oneindig Zijn liefde en hoe groot Zijn wijsheid is. Zij hebben ook niet ervaren hoeveel zegen het brengt en hoe aangenaam het is om Gods wil te kennen.

 

Wanneer zij hiervan slechts een fractie zouden weten, zouden zij zich naar dit kennen van God uitstrekken. Het zou dan hun grootste en ernstigste verlangen worden om nauwkeurig te doen, wat God behaagt in ons en voor ons en door ons te doen. Omdat zij dit geheim niet kennen, blijven gelovigen er overal naar streven om door inspanning van eigen krachten aan God onderdanig te worden. Zij menen vaak, dat het volbrengen van "geloofsdaden" hen in de juiste positie tegenover God kan brengen. Zij zijn ontzettend druk met van alles en nog wat in hun plaatselijke gemeente, en menen daardoor God te kunnen behagen.

 

In plaats van zich op Zijn liefde en Zijn wijsheid te richten, houden zij steeds de aandacht op zichzelf en op hun goede daden gericht. Maar dit alles is vergeefse moeite. Zelfs als men zich door inspanning tot een staat van "overgave" zou kunnen brengen, dan zal toch blijken, dat deze toestand niet blijvend is. Het is net alsof men kunstbloemen bevestigt aan een plant. Kunstbloemen kunnen er soms natuurlijk en mooi uitzien maar zij hebben geen geur en geen leven, zij dragen geen vrucht en vormen geen zaad. Vruchten en zaden laten zich niet langs kunstmatige weg tevoorschijn brengen, doch zij komen, langs Gods weg, vanzelf en zonder inspanning tot stand.

 

Een kunstmatige ingreep zal zelfs de normale werking van Gods Geest schaden. Wanneer we alle aandacht op onszelf en onze goede daden richten, zal Gods Geest geen ruimte vinden om Zijn werk in ons te doen.

 

Het moeilijke met ons mensen is, dat wij - als wij diep in ons hart kijken - eigenlijk menen alles beter te weten. Wij zullen dit niet graag openlijk uitspreken en wij erkennen dit vaak ook niet ruiterlijk tegen onszelf. Maar deze neiging maakt het zelfs al moeilijk om "bereidwillig" te zijn. Wanneer wij Hem zouden kennen en ook zouden geloven, dat God (beter dan wij) weet wat goed voor ons is, dan zouden wij zelf geen enkele inspanning meer doen, om te weten te komen wat van ons wordt verwacht, maar dan zouden wij nog slechts een onweerstaanbaar verlangen hebben om Zijn wil te leren kennen, om daardoor juist te leren wandelen.

 

Voordat wij verder gaan om nog enkele praktische uitwerkingen van deze ware kennis te onderzoeken, is het goed om te weten dat er in de oorspronkelijke taal van het Nieuwe Testament, het Grieks, twee woorden worden gebruikt voor het begrip "kennis van God". Twee werkwoorden, welke beide "kennen" betekenen. Omdat soms beide woorden in hetzelfde vers worden gebruikt, is het erg belangrijk, dat wij nauwkeurig opletten waar de Heilige Geest, die alle woorden heeft gekozen, speciaal de aandacht op wil vestigen. Er bestaan ook nog vier andere woorden, die in de vertaling met "kennen" worden weergegeven, maar de twee eerstbedoelde komen het meeste voor:

  1. Het eerste is "oida". Het betekent "kennen zonder daar moeite voor behoeven te doen" en het verwijst naar wat wij intuïtief of als historisch feit al weten.
  2. Het tweede is "ginosko" en het betekent "leren kennen" door ervaring, door onderzoek of door een leerproces.

 

Het verschil komt duidelijk uit in de volgende teksten:

  • Joh. 13: 7, "wat Ik doe, weet gij nu niet". Hier wordt het eerste woord gebruikt en dit leert ons dat Petrus geen intuïtief inzicht had in wat de Heer deed en dat hij daar niets van kon begrijpen.

 

De Heer zegt hierna echter:

  • "maar gij zult het later verstaan".

 

Voor "verstaan" wordt het tweede woord gebruikt en dit leert ons dus dat Petrus door ervaring en openbaring en leren, later inzicht zou krijgen in wat de Heer toen deed.

  • Joh. 8:55, "En gij kent Hem niet, maar Ik ken Hem. En indien Ik zeide: Ik ken Hem niet, dan zou Ik u gelijk zijn, een leugenaar; doch Ik ken Hem en zijn woord bewaar Ik.

 

De tekst uitgelegd: Gij kent Hem niet (dat wil zeggen, gij zijt nog niet zover gekomen, dat gij Hem hebt leren kennen, dit is een leerproces, (dus tweede woord "ginosko"), maar ik ken Hem (het eerste woord "oida" = kennen van nature). En indien Ik zeide Ik ken Hem niet (het eerste woord "oida"), dan zou Ik u gelijk zijn, een leugenaar doch Ik ken Hem (eerste woord "oida")".

 

Hier spreekt de Heer erover, dat Hij de Vader van nature kent, en zegt Hij, dat degenen tot wie Hij sprak dit natuurlijke kennen niet hadden, en zelfs nog niet zover gekomen waren dat zij enige kennis van God verworven hadden.

  • 1 Joh. 5:20, "Doch wij weten (eerste woord "oida" - als historisch feit) dat de Zoon van God gekomen is en ons inzicht gegeven heeft om de Waarachtige te kennen" (tweede woord "ginosko"- te leren kennen)

 

Hier wordt geleerd dat iemand God eerst kan leren kennen als hij tevoren eerst inzicht ontvangen heeft om geestelijke zaken te kunnen waarnemen.

Hiermee stemt overeen 1 Cor. 2:14

  • "Doch een ongeestelijk mens aanvaardt niet hetgeen van de Geest Gods is, want het is hem dwaasheid en hij kan het niet verstaan, omdat het/slechts geestelijk te beoordelen is".

 

De natuurlijke mens heeft geen inzicht in geestelijke dingen en hij beschikt ook niet over een mogelijkheid om ze te leren kennen. Eerst moet hij een geestelijk onderscheidingsvermogen ontvangen. Dan kan hij ze niet alleen onderscheiden maar zal hij er vreugde in vinden en er zijn gehele hart op zetten om inzicht in geestelijke dingen te verkrijgen en om de enige waarachtige God en Jezus Christus, die hij gezonden heeft, te leren kennen. "Dit nu is het eeuwige leven" (Joh. 17:3.)

 

Op deze manier wordt opnieuw duidelijk, dat het leren kennen van God datgene is wat wij het meeste nodig hebben. Deze kennis is niet alleen de enige grond voor vertrouwen in God, niet alleen de enige grond voor het geloof, maar ook de enige grondslag voor het leven van de gelovige, in afhankelijkheid en vertrouwen op God. De praktijk van ons leven als gelovige en de manier waarop wij ons gedragen zal in direct verband staan tot de mate van onze kennis van God.

 

In Kol. 1:9-10 vinden wij de praktische uitwerking van het gebed in Efeze 1:17. Dit gebed is hiervoor reeds geciteerd. In Kol. 1:9-10 wordt het nogmaals genoemd maar nu met een toepassing voor ons praktische leven:

  • "Daarom houden ook wij... niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van Zijn wil vervult moogt worden in alle wijsheid en geestelijk inzicht om den Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God."

 

We overdenken nauwkeurig de strekking van deze woorden: "Daarom houden ook wij, sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden, en te vragen ...". Wat te vragen? "... dat gij met de rechte kennis (dit zelfstandig naamwoord is afgeleid van het 2e woord "ginosko", verkregen kennis) van Zijn wil vervuld moogt worden in alle wijsheid en geestelijk inzicht." Waarom? "Om den Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God."

 

Dus om waardig voor de Here te wandelen moet ik Hem kennen! Als ik Hem in alles wil behagen moet ik weten wat Hem behaagt. Is dat alles wat nodig is? Ja, dat is alles. Moet ik dan niet jachtig heen en weer te rennen, van bijeenkomst naar bijeenkomst? Nee, ik moet mij rustig voor Gods woord buigen en Hem leren kennen door Zijn Woord te geloven én te aanvaarden. Er is geen andere manier om Hem te leren kennen. En Hij heeft ons juist Zijn Woord gegeven en zich daarin geopenbaard, opdat wij het zouden bestuderen en erin ontdekken wat Hem behaagt, wat Hij liefheeft, wat Hij haat, wat Hij doet. Om Zijn wijsheid te leren kennen, Zijn wil, Zijn oneindige liefde, Zijn almacht, Zijn trouw, Zijn heiligheid, Zijn rechtvaardigheid, Zijn waarheid, Zijn goedheid en genade, Zijn geduld, Zijn vriendelijkheid, Zijn zorg en al de ontelbare andere zegeningen en rijkdom van genade van onze grote en heerlijke God.

 

Ontdek dat wij deze kennis absoluut moeten bezitten als wij God willen behagen. Wij kunnen iemand uit onze vriendenkring geen plezier doen als wij niet weten wat hij of zij plezierig vindt. Als wij ze een cadeau willen geven zullen we eerst proberen te ontdekken wat hij of zij nodig heeft of graag zou willen hebben. Als wij een gast ontvangen, proberen wij ons te herinneren of er achter te komen waar hij van houdt in eten en drinken en wat hem interesseert of waar hij graag heen gaat. Indien wij dat niet te weten kunnen komen zullen wij ernaar moeten gissen en zullen wij misschien wel en misschien niet erin slagen het hem naar de zin te maken. Wij zullen ons dan misschien wel erg voor hem inspannen en kosten noch moeite sparen, maar we lopen toch nog de kans, dat wij precies die dingen zullen doen waaraan hij nu juist een hekel heeft.

 

Zo staat het ook met God. Hoe kunnen wij te weten komen wat Hem behaagt? Hoe ontdekken wij welke dingen Hij op prijs stelt? Dat kunnen we uitsluitend te weten komen UIT ZIJN WOORD!

 

Daarover de volgende keer meer in deel 2

Bert Boersma september 2009 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 2)

 

De vorige keer hebben we gezien dat de ware kennis van God een absolute noodzakelijkheid is om de Heere waardig te wandelen. Misschien zegt u nu bij uzelf: Het is toch onmogelijk om onze grote God ten diepste te kennen. Maar dat is een misverstand, want Hij maakt zich in Zijn Woord aan ons bekend. We lezen toch dat "de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen." (Ef 1:17). Daarom is uitsluitend Zijn Woord het middel om God recht te leren kennen.

 

Uitsluitend uit Zijn Woord!

Daaruit en daaruit alleen kunnen wij Hem leren kennen. Daardoor alleen zullen wij kennis kunnen krijgen van de draagwijdte van het gebed van Ef. 1:15-17:

  • "Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen."

 

En alleen door Zijn Woord kunnen wij weten welke zegenrijke uitwerking dit gebed volgens Kol. 1:9-10 heeft:

  • "Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God."

 

Niemand kent deze dingen van nature. Geen enkele prediker kan ze ons bijbrengen, behalve als hij het Woord zelf laat spreken. Eigen uitleggingen en gedachten zijn niet van waarde. Het zou immers mogelijk zijn, dat er iets verkeerd begrepen is en dan zou misleiding het gevolg zijn. Een prediker kan ons alleen helpen als hij uit de grondtekst van de Bijbel ons helpt het Woord zelf te verstaan. God heeft zichzelf in het geschreven Woord, dat de Waarheid is, geopenbaard in Zijn Zoon, het Levende Woord, de Heere Jezus Christus. En doordat dit Woord door de Heilige Geest in onze harten wordt geopenbaard, kunnen wij Hem, die het eeuwige leven is, leren kennen.

 

Dit is ook de reden waarom het geschreven Woord aan ons is gegeven. Het is niet bedoeld als bron van bepaalde inlichtingen, ook niet als naslagwerk, maar alleen om de onzienlijke God bekend te maken. Waarom lezen wij dit Woord? Waarom slaan wij het open? Wat is of behoort onze bedoeling daarmee te zijn? Lezen wij alleen een gedeelte, dat iemand anders voor ons heeft uitgezocht? Lezen wij een gedeelte omdat wij iemand beloofd hebben dat te zullen lezen? Of openen wij het Woord en gaan er rustig voor zitten alleen met de bedoeling om God te leren kennen en Zijn gedachten en Zijn wil te leren kennen?

 

Allen, die niet met deze bedoeling het Woord bestuderen zijn bezig om zich uit hun eigen gedachten en uit hun eigen verbeelding hun eigen god te maken. Zij bepalen hun eigen zienswijze op het Woord, en zij vormen hun eigen mening naar aanleiding van eigen opvattingen. Zij komen niet verder dan tot wat zij menen wat hun god op prijs stelt. Duizenden maken hun goden met hun handen, van hout, van steen of zelfs van brood. Duizenden anderen denken hem zelf uit. Maar, omdat God's Woord door hen niet op de juiste wijze wordt gehanteerd blijven zij onbekend met de God, die zichzelf in Zijn onfeilbaar Woord heeft geopenbaard.

 

We zien hoe dit ook naar voren komt in wat men noemt de "openbare eredienst" of wat wordt aangeduid als "godsdienstoefening". Hierin eren velen slechts een god, die ze niet kennen, en dienen slechts zichzelf, bestuderen slechts wat hun zelf uitkomt, en doen wat goed is in hun eigen ogen. Zij besteden vaak in het geheel geen aandacht aan de fundamentele uitspraak in Johannes 4:24:

  • "God is Geest en wie Hem aanbidden MOETEN Hem aanbidden in geest en in waarheid".

 

En om te kunnen aanbidden in geest en in waarheid is het nodig om geestelijk onderscheidingsvermogen te hebben, anders kennen we de waarheid niet. Dan kunnen we ook niet in de waarheid aanbidden.

 

Veel mensen gaan naar een soort van eredienst, naar hun eigen keuze en zeggen dan "hier houd ik niet van" of "dit vind ik fijn", alsof plaatsen voor eredienst bestemd zijn voor bezoekers, die menen daar naar hun eigen inzichten te kunnen handelen en die het woord "moeten", voor de sfeer waarin de eredienst moet plaatsvinden, maar vergeten. We zitten werkelijk in de tijd waarvoor Paulus al waarschuwde:

  • "Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen." (2 Tim 4:3)

 

Elke eredienst "moet" alleen in de geest plaatsvinden. Wij kunnen God, die Geest is, niet dienen met onze ogen door te kijken naar iets dat gedaan wordt. Wij kunnen God niet dienen met onze neusorganen door geuren waar te nemen, of deze nu tot een ceremonie behoren of niet. Wij kunnen God niet dienen met onze oren door naar muziek te luisteren hoe mooi die ook ten gehore moge worden gebracht. Neen! Eredienst heeft niets met enig lichamelijk orgaan te maken, en ook niet met bepaalde gevoelens. Zij moet geestelijk zijn en niet gevoelsmatig. De aanbidders moeten geestelijke aanbidders zijn, want de Vader zoekt zulke aanbidders (Joh. 4:23).

 

Broeders en zusters, hoeveel van zulke ware aanbidders komen er in onze kerken en zalen? En hoeveel aanbidden er slechts een god die ze niet kennen? Als men de ware God zou kennen, de Grote, de Hoge en de Heilige God, die niet woont in tempels met handen gemaakt, de God, die in de eeuwigheid woont, in Wiens oog zelfs de hemelen niet zuiver zijn (denk aan de opstand van satan) en die Zijn engelen beschuldigt van dwaasheid, zou het dan mogelijk zijn, vragen wij, dat iemand, die Hem kent ook maar een ogenblik zou kunnen denken, dat Hij iets anders zou zoeken dan aanbidders in de Geest? Dat Hij gediend zou kunnen worden door een gemeente, die de Bijbel in een boek met woorden zonder onderlinge samenhang heeft veranderd? Of door een meisje, dat een solo zingt en daarbij probeert een zo hoog mogelijke noot zo lang mogelijk vast te houden? Is dát wat de grote en oneindige God zoekt? Is dát de gesteldheid die de gelovige naar Hij zegt MOET hebben? Absoluut niet. En hoe groter de onwetendheid over God, des te dieper en meer gedenigreerd zullen de zogenoemde erediensten worden.

 

Ons tot Voorbeeld

Laten we toch vooral lessen trekken uit de geschiedenis van Gods geliefde volk Israël. De Heere zegt van dat volk: "Veertig jaren heb Ik Mij geërgerd aan dat geslacht, Ik zeide: Het is een volk, dwalende van hart, en zij kennen mijn wegen niet." (Ps 95:10). En bij die veertig jaar van ongehoorzaamheid bleef het niet, want ook tijdens de tijden van de Richteren en de Koningen bleef Israël een weerspannig volk. Zo lezen we in Jer 4:22: "Want onverstandig is mijn volk, Mij kennen zij niet; dwaze kinderen zijn het, en inzicht hebben zij niet; wijs zijn zij om kwaad te doen, maar van goed doen weten zij niet."

 

Een diepe les voor ons zit ook in de tekst uit Hosea 4:6. We lezen daar:

  • "Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn."

 

Natuurlijk is dit in eerste instantie tegen Israël gezegd, maar dat betekent niet, dat wij daar geen lessen uit kunnen leren. Wij leven nu niet onder het juk van de wet, wij mogen leven in de tijd van Gods rijke genade. Een ieder die nu persoonlijk gelooft dat de Heere voor hem/haar aan het kruis gehangen heeft, en Christus als persoonlijke Verlosser heeft aanvaard, heeft het leven in Hem, en niemand zal u uit Zijn hand roven. Dan staat ons behoud vast.

 

Maar wanneer we dan als behouden mensen zonder kennis van Hem in dwaasheid wandelen, en ons er niet naar uitstrekken Hem kennen te leren, zal er wel iets te gronde gaan. Dan hebben we namelijk niet gewandeld onze roeping waardig, en dan zullen we straks, na dit leven niet de onverwelkelijke erekrans uit handen van Christus ontvangen. Dan zal toch de tekst uit Hosea 4:6 realiteit worden waar staat: "Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u." Dit verwerpen heeft dan niet betrekking op ons behoud, maar heeft het betrekking op het niet ontvangen van de prijs, ook wel de kroon, of de krans der rechtvaardigheid genoemd. Want we kunnen werkelijk de prijs missen! (Kol 2:8).

 

Broeders en zusters, vat dit niet te licht op, want die prijs heeft alles te maken met de erfenis, en die bepaalt wel de positie van de leden van het Lichaam van Christus wanneer we bij Hem mogen zijn.

 

Paulus zegt van de prijs: "maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben." (Fil 3:12) Laten we trachten onze roeping waardig te wandelen op die weg, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. (Ef 2:10). Dan zullen we niet beschaamd staan!

 

Het feit, dat God alleen aanbeden moet worden in de Geest en waarheid is ook van veel belang voor ons dagelijkse leven. Deze waarheid houdt ook in, dat wij alle pogingen opgeven om door eigen activiteiten tot God te naderen. Dit is van grote invloed op ons gebedsleven. Waarom zegt Gods Woord zo vaak dat wij moeten bidden? Ja, zelfs "bidden zonder ophouden" (1 Tess 5:17).

 

Betekent dit dat we hele dagen op onze knieën moeten liggen? Nee, het betekent dat we een leven leiden in volkomen afhankelijk en toewijding aan Hem. Dat we dagelijks een constante relatie met Hem onderhouden. Omdat gebed bedoeld is om ons nederig en afhankelijk te maken.

 

Uit het dagelijks leven weten we dat we iemand pas leren kennen, wanneer we een nauwe relatie met iemand onderhouden. Dan leren we onze naaste kennen. Dan weten we hoe we met iemand om moeten gaan. Wanneer we iemand niet kennen, kan dat lastig zijn, omdat we dan niet weten hoe hij/zij op dingen reageert, enz. Net zo werkt het ook in de relatie met onze hemelse Vader. Hoe zouden wij weten hem te behagen zonder Hem te kennen? Daarvoor is een nauwe relatie onmisbaar.

 

Wat vinden wij vaak in de plaats hiervan? Wij maken vaak wat bedoeld is om ons klein te houden tot een Troon, vanwaar wij God opdragen wat Hij voor ons moet doen en wat Hij aan de regeringen en aan de politieke ontwikkelingen in de wereld moet doen. Dit komt voort uit de hoogmoed van de "oude mens" in ons. Deze brengt ons ertoe dat wij, terwijl wij niet eens onze eigen zaken goed kunnen regelen, niet aarzelen om ons de zeggenschap over het gehele universum toe te eigenen en daarbij God maar even de weg voorschrijven. Deze houding getuigt van een niet kennen van Gods bedoelingen en het niet kennen van Gods plan. Dan dienen wij een god die we niet kennen.

 

Ook in de dagen van Paulus waren in Athene mensen, die een onbekende god vereerden:

  • "En Paulus, voor de Areopagus staande, zeide: Mannen van Athene, ik zie voor mijn ogen, dat gij in elk opzicht buitengewoon ontzag voor godheden hebt; want toen ik door uw stad liep en de voorwerpen uwer verering aanschouwde, heb ik ook een altaar gevonden met het opschrift: Aan een onbekende god. Wat gij dan, zonder het te kennen, vereert, dat verkondig ik u. De God, die de wereld gemaakt heeft en al wat daarin is, die een Heer is van hemel en aarde, woont niet in tempels met handen gemaakt, en laat Zich ook niet door mensenhanden dienen, alsof Hij nog iets nodig had, daar Hij zelf aan allen leven en adem en alles geeft." (Hand 17:22-25)

 

Een ware kennis van God zou tot een heel andere situatie leiden. Wij zouden inderdaad vaak bidden, wanneer wij een levende relatie met God onderhouden. Dan zullen we ook leren dat ons bidden wordt omgebogen tot een danken. Een danken voor alles wat we door genade reeds hebben ontvangen. Dan stoppen we met van alles en nog wat te vragen, omdat we mogen ontdekken dat we alles wat we nodig hebben om God te leren kennen van Hem zullen ontvangen. Dan danken we God dat Hij "ons met alle (St Vert) geestelijke zegen in de hemelse gewesten wil zegenen in Christus." Wat valt hier nog aan toe te voegen? Ja, een wandel in geloof, waarbij God ons geopende ogen des harten geeft om alle geestelijke zegeningen te ontdekken.

 

Een voorbeeld: Hoeveel gelovigen bidden dagelijks om de vergeving van hun zonden? Ja, ieder mens is een zondaar en ieder mens doet zonde. Maar moeten wij dagelijks bidden om de vergeving van zonden als we geloven dat Christus aan het kruis heeft gehangen voor onze zonden, en daar heeft betaald voor de zonden der gehele wereld? Vertrouwen wij God wel, als Hij in Zijn Woord tot ons zegt dat AL onze overtredingen zijn kwijtgescholden, ja zelfs zijn weggedaan?

  • "Ook u heeft Hij, hoewel gij dood waart door uw overtredingen en onbesnedenheid naar het vlees, levend gemaakt met Hem, toen Hij ons al onze overtredingen kwijtschold, door het bewijsstuk uit te wissen, dat door zijn inzettingen tegen ons getuigde en ons bedreigde. En dat heeft Hij weggedaan door het aan het kruis te nagelen." (Kol 2:13-14)

 

Gods genade is overweldigend: "God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, (Ef 2:4-5)

 

Wanneer we deze dingen weten uit het Woord, dus kennis hebben gekregen van de volkomen vergeving en verlossing, moeten we dan dagelijks nog vragen om vergeving van zonden? Een vergeving die ons allang is gegeven! Want vaak is het ook nog zo, dat we dit in zijn algemeenheid vragen. We noemen vaak niet bij name datgene wat we verkeerd hebben gedaan, en wat als zonde gezien wordt, maar vragen vaak in zijn algemeenheid om vergeving van zonden. Maken we God hier blij mee? Ik denk van niet. God zou kunnen denken (met alle eerbied bedoeld): "Wat zit je nou te zeuren om iets wat ik je allang heb gegeven!"

 

Daarom is het kennen van Het Woord, en daardoor het kennen van Hem zo belangrijk. Zonder die kennis kunnen wij immers niet Bijbels bidden. Wij moeten inderdaad in veel dingen duidelijk zijn in ons gebed, en dat kunnen we zijn, voor zover wij uit Zijn Woord weten hoe we moeten bidden.

Hoe meer we Hem leren kennen, hoe meer we zullen ondervinden dat er eigenlijk alleen maar dingen overblijven om voor te danken.

 

Natuurlijk kunnen er dingen zijn in ons leven, die ons lichamelijk terneer drukken. Dat kunnen allerlei omstandigheden zijn. Maar ook dan is het geweldig om een persoonlijke relatie te hebben met onze Hemelse Vader, die ons te allen tijde wil dragen, en onze moeilijkheden of verdriet zelfs van ons wil afnemen. Maar ook dat vraagt een volkomen vertrouwen op God. Hij zegt: "Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven." (Mat 11:28).

 

Dat "komen" tot God, betekent dat we onze moeiten aan God bekend maken, maar wat nog belangrijker is, dat we onze zorgen, moeiten en verdriet ook bij Hem laten. Hij redt er wel mee. En wij mogen dan blijmoedig voorwaarts gaan.

 

Misschien denkt u nu, ja mooi gezegd, maar de praktijk is wel anders. Beste lezer, broeder of zuster, dat ligt dan aan u. De praktijk van een levende relatie met God lezen we in Zijn Woord:

  • "Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u!" (Fil 4:4).

 

Ook teksten als Fil 2:18 en Fil 3:1 spreken over deze gezindheid. En wie zegt dát in de Filippenzen brief tot ons? Diegene die het allermeeste verdrukt is geworden in zijn leven, en dat nog wel het meeste door zijn eigen broeders. Hij, Paulus heeft in dezen wel recht van spreken. Hij weet waar hij het over heeft. Er is geen verdrukking, die Paulus in zijn leven in dienst van God niet heeft meegemaakt. En juist hij zegt:

  • "Verblijdt u in de Here te allen tijde! Wederom zal ik zeggen: Verblijdt u! Uw vriendelijkheid zij alle mensen bekend. De Here is nabij. Weest in geen ding bezorgd, maar laten bij alles uw wensen door gebed en smeking met dankzegging bekend worden bij God. En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus." (Fil 4:4-7)

 

Paulus kon dit ook alleen maar zeggen doordat hij volkomen op Zijn Heiland vertrouwde. Hij had alles wat hem winst was, om Christus’ wil schade geacht. (Fil 3:7). Paulus ging daarin zelfs zover dat hij zelfs alles schade achtte (= al de oude vroegere dingen), "omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof." (Fil 3:8-9)

 

Paulus was gericht op één ding, iets wat voor hem het belangrijkste in zijn leven was:

HEM LEREN KENNEN!

 

Deel 3 volgt

Bert Boersma Oktober 2009 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Hem Kennen....... (deel 3)

De vorige keer hebben we mogen zien hoe de apostel Paulus ons tot voorbeeld is. We hebben gezien hoe Paulus was gericht op één ding, op datgene wat voor hem het belangrijkste in zijn leven was: Christus leren kennen, en te wandelen zijn roeping waardig.

Paulus was een geleerd man. Hij was opgevoed in de Schriften aan de voeten van Gamaliël. Hij zei zelf: Ik ben "opgeleid met nauwgezette inachtneming van de wet onzer vaderen, een ijveraar voor God evenals gij allen heden zijt." (Hand 22:3).

 

Ja, hij was een ijveraar voor God, maar alhoewel hij doorkneed was in de Schriften, ijverde hij met onverstand en dwaasheid, omdat hij de Christus der Schriften niet kende. Pas toen Paulus door de Opgestane Heiland in zijn kraag werd gegrepen op de weg naar Damascus (Hand 22:6-9) ging de Schrift voor hem open. Toen verstond Paulus wat het betekende om in de schuilplaats des Allerhoogste te mogen zitten, en te vernachten in de schaduw des Almachtigen (Ps 91:1) Toen ging het Woord open voor Paulus.

 

Wat deed Paulus nadat hij uit Damascus was gevlucht? Waar werd hij toen heen geleid? Dat lezen we in Galaten 1:

  • "Maar toen het Hem, die mij van de schoot mijner moeder aan afgezonderd en door zijn genade geroepen heeft, behaagd had, zijn Zoon in mij te openbaren, opdat ik Hem onder de heidenen verkondigen zou, ben ik geen ogenblik te rade gegaan met vlees en bloed; ook ben ik niet naar Jeruzalem gereisd tot hen, die reeds vóór mij apostelen waren, maar ik ben naar Arabië vertrokken en vandaar naar Damascus teruggekeerd. Daarop ging ik drie jaar later naar Jeruzalem, om Kefas (= Petrus) te bezoeken, en ik bleef vijftien dagen bij hem; en ik zag geen ander van de apostelen dan Jakobus, de broeder des Heren. Wat ik u schrijf, zie, voor het aangezicht van God, ik lieg niet." (Gal 1:15-20).

 

Hier zit een geweldige les in voor ons allen. Toen Paulus heel speciaal door God geroepen was tot een hele speciale bediening, ging hij geen ogenblik bij mensen te rade, maar vertrok hij in alle eenzaamheid naar de woestijn van Arabië. Daar verbleef hij drie jaar, waarna hij via Damascus naar Jeruzalem ging. Wat denkt u dat Paulus daar in de woestijn deed? Paulus is daar klaargemaakt, opgevoed voor zijn moeilijke taak door de Heere zelf! Hierbij moet ik denken aan de geschiedenis van de Emmaüs-gangers, daar was het ook de Heere zelf, die naast de twee kwam lopen, "en Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had." (Lukas 24:27). Ik denk dat in de woestijn van Arabië iets vergelijkbaars is gebeurd.

 

Nadat Paulus door de Heere was stopgezet in zijn dwaze ijverige vervolgingen, werd hij door de Heere zelf geleerd omtrent alles in de schrift wat betrekking had op de Christus. Het gevolg is dat we meerdere keren lezen in de Handelingen, dat hij zijn toehoorders poogde te overtuigen uit Mozes en de profeten voor wat betreft de Christus:

  • Paulus verkondige met nadruk het Koninkrijk Gods, "pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe." (Hand 28:23).

 

Hoe zonderen wij ons af, om ons uitsluitend door de Heere, door het onfeilbaar Woord, te laten leren, zodat we Hem leren kennen? Nemen we daar de tijd voor? Of laten we ons allerlei wind van leer aanpraten? Broeders en zusters,

  • "Ziet toe, dat niemand u medeslepe door zijn (menselijke) wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus, want in Hem woont al de volheid der godheid lichamelijk; en gij hebt de volheid verkregen in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht. (Kol 2:8-10).

 

God wil geKEND worden door de mens!

In alle tijden die er vanaf den beginne zijn geweest heeft God Zich laten kennen. Altijd heeft God de mensen de mogelijkheid gegeven om Hem te leren kennen. Op allerlei manieren heeft God Zich aan de mensen geopenbaard. Hierbij moeten we wel in acht nemen dat er geschreven staat: "Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven." (Ex 23:20)

 

Dit sprak God tot Mozes op de berg Sinaï, waar Mozes aan de Heere vroeg: "Doe mij toch uw heerlijkheid zien." (Ex 23:18).

 

Door de gehele geschiedenis van het mensdom heeft God Zich op een speciale manier laten kennen. Dat gebeurde niet in alle tijden op dezelfde manier. Toch zien we een rode draad door het gehele Woord, van Gods oneindige liefde, die bleek (en blijkt) uit zijn bemoeienis met de mens. Dat begon al bij Adam in de hof van Eden.

 

Reeds de eerste mens was in staat God te leren kennen. want we weten dat Adam een relatie onderhield met God. We lezen in Gen 3 nadat Adam en Eva van de verboden vrucht hadden gegeten, en toen gebeurde dit:

  • "Toen zij het geluid van de HEERE God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HEERE God tussen het geboomte in de hof. En de HEERE God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? En hij zeide: Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij." (Gen 3:8-10)

 

Toen Adam nog alleen was, was het schijnbaar gebruikelijk in de Hof van Eden dat de Heere zeer nauwe omgang had met Adam. We lazen dat Adam het geluid van de HERE God hoorde, die in de hof wandelde in de avondkoelte. Waarschijnlijk was dat veel vaker gebeurd, anders zou er geen herkenning zijn geweest. Er is zeker door de Heere God ook heel wat besproken met Adam in de Hof, aangaande de bedoeling van God met de wereld en Adams taak in die wereld. We mogen er van uit gaan dat Adam door God zelf is onderwezen in heel veel zaken.

 

Adam kende God reeds zó goed, dat hij wist, dat hij door te eten van de verboden vrucht God verdriet had gedaan. Bovendien had hij kennis gekregen van goed en kwaad(Gen 2:9). En Adam schaamde zich, daarom verborg hij zichzelf voor de Heere.

 

Kennen wij onze God ook zo? Weten wij wanneer wij God verdriet doen? Weten wij wanneer wij ons moeten schamen? God had aan de overtreding een straf verbonden. Die is ook uitgevoerd, want God is een rechtvaardig God, Die niet liegt. Maar tegelijk was er de Liefde van God. Want daar in de Hof werd al beloofd dat er een Overwinnaar zou komen. Vanaf Adam heeft God steeds zorg gedragen voor de "bloedlijn" waaruit uiteindelijk Christus geboren zou worden.

 

"De HEERE deed Zich kennen", lezen we Psalm 9:17 (Psalm van David). De St. Vert zegt: "De HEERE is bekend geworden." En in Psalm 77:15 lezen we: "Gij zijt de God, die wonderen werkt, Gij hebt onder de volken uw macht doen kennen." In in Psalm Psalm 111:6: "Hij deed zijn volk de kracht van zijn werken kennen"

 

We weten dat De Heere doorlopend heeft getracht Zich aan het volk Israël bekend te maken, terwijl Israël meestal andere goden naliep. Maar God had (en heeft) een bedoeling met dat volkje op de navel der aarde, daarom bleef God trouw aan zijn belofte, aan Abraham gedaan.

 

Ondanks de ontrouw van Israël bleef God getrouw! Hij stuurde Zijn eigen Zoon naar deze aarde naar dat volk, dat in het Woord vaak "de Zijnen" wordt genoemd. Maar we weten dat de Zijnen Hem, de beloofde Messias, niet hebben aangenomen, maar Hem tussen de moordenaars aan het kruis hebben genageld.

 

Wij mensen zouden het allang hebben opgegeven. Er valt immers aan zo'n weerspanning volk toch geen eer te behalen. Maar God handelt niet als wij. Hij gaat door! Ondanks de verwerping van de Messias door Israël, verhoort God het gebed van Zijn Zoon aan het Kruis: "Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen." (Luc 23:34) Deze vergeving blijkt uit het vervolg van de geschiedenis:

 

Nadat de Heere Jezus aan het kruis is gestorven, stuurt God de twaalven naar de Zijnen met hetzelfde evangelie als wat daarvoor eerst door Johannes de Doper, en daarna door de Heere zelf was verkondigd, namelijk: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen." (Math 3:2 en Math 4:17). Petrus voegt hier in de Handelingen nog wat aan toe:

  • "Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen."

 

En de verkondiging betreffende het aanstaande, op te richten Koninkrijk voor Israël, was in de Handelingen hetzelfde, wat duidelijk blijkt uit Handelingen 3:19-21:

  • "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher."

 

Als Israël toen als volk tot geloof was gekomen, was het Koninkrijk voor hen toen opgericht met Christus als hun Koning.

 

Wat in verband met het kennen van Christus opvalt in Handelingen 3 is datgene wat Petrus daarvoor zegt:

  • "En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden." (Hand 3:17-18)

 

Het is eigenlijk een heel triest gegeven, dat hier staat "uit onkunde". God had gedurende het allereerste begin van het ontstaan van Israël en door alle tijden en gelegenheden heen, niets nagelaten om Zijn oneindige liefde aan dat volk te bewijzen, en God had zonder ophouden getracht om Zichzelf aan dát volk bekend te maken. Ook had God vele profetieën laten optekenen door diverse profeten over de komst van de Verlosser, de Messias voor Israël. Maar ze wisten het niet! En nog sterker, hun geestelijke leiders wisten het ook niet. Dat waren blinde wegwijzers! Zij allen kenden Hem niet!

 

Gedurende de hele Handelingen periode werd nogmaals aan Israël Gods liefdevolle hand uitgestoken. Zij konden tot geloof komen. Paulus doet op het einde van Handelingen nog een laatste poging om de Joden de ogen te openen. Daartoe riep hij de voormannen der Joden bijeen (Hand 28:17):

  • "En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig; en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen. (Hand 28:23-25).

Gods Woord zegt:

  • "Zij hebben geen kennis en geen inzicht, want hun ogen zijn dichtgestreken, zodat zij niet zien; hun harten, zodat zij niet begrijpen." (Jes 44:18)

En wat had de Heere ook alweer gezegd in Lukas 11:52?

  • "Wee u, wetgeleerden, want gij hebt de sleutel der kennis weggenomen; zelf zijt gij niet binnengegaan en hen, die trachtten binnen te gaan, hebt gij tegengehouden."

 

Toen was de tijd gekomen dat God voor een tijd Zijn naar Israël uitgestoken hand terug trok. De edele olijf, waarmee Israël vergeleken wordt in de Schrift, werd uitgehouwen. Israël als natie hield korte tijd later op te bestaan, Jeruzalem werd verwoest, de tempeldienst was onmogelijk doordat ook de tempel er verwoest bij lag, en het volk werd verstrooid. En dat allemaal omdat zij God niet kenden!Zij hadden hun Koning niet herkend en geloofd! Zoveel gevolgen had voor Israël het NIET KENNEN!

 

Maar deze terzijdestelling van het volk betekent niet dat Gods beloften niet vervuld gaan worden. Gods beloften zijn onberouwelijk. God doet zeer zeker wat Hij heeft beloofd. God had immers aan Abraham beloofd dat zijn nageslacht zou wonen in een land dat zich zou uitstrekken van de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat. (Gen 15:18). We kunnen ons dat nu bijna niet voorstellen, want dat gebied omvat delen van Egypte, Irak, Syrië, Libanon, enz. Maar God heeft het gezegd, en daarom zal het gebeuren! Wanneer? We lezen in Hosea dat de Heere Israël

  • "na twee dagen zal doen herleven, ten derden dage zal Hij ons (Israël) oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht. Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit." (Hosea 6:2-3)

 

Israël is nu zo ongeveer 2 dagen (dagen van 1000 jaar) verstrooid onder de volkeren. Ik ga geen jaartallen noemen, want de tijd en de ure is alleen bij de Vader bekend, maar de tijd is niet al te ver meer waarvan geschreven staat:

  • "Ik zal hun een hart geven om Mij te kennen, dat Ik de HERE ben, en zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn, wanneer zij zich van ganser harte tot Mij bekeren." (Jer 24:7)
  • "Daarom zal mijn volk te dien dagemijn naam kennen, dat Ik het ben, die spreek: Zie, hier ben Ik." (Jes 52:6)
  • "Dán zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken." (Jer 31:34)
  • "En niet langer zullen zij een ieder zijn medeburger, en een ieder zijn broeder leren, zeggende: Ken de Here, want allen zullen zij Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen." (Hebr 8:11)
  • "Men zal geen kwaad doen noch verderf stichten op gans mijn heilige berg, want de aarde zal vol zijn van kennis des HEREN, zoals de wateren de bodem der zee bedekken." (Jes 11:9)
  • "Want de aarde zal vol worden van de kennis van des HEREN heerlijkheid, gelijk de wateren die de bodem der zee bedekken." (Hab 2:14)

 

De tijd zal aanbreken waarvan de profeet Hosea profeteert: "Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HERE kennen (Hosea 2:19). Op vele plaatsen in de Schrift wordt Israël Gods vrouw genoemd, vaak in de zin van een ontuchtige vrouw, maar straks zal het gelovig Israël tezamen met o.a, al de geloofsgetuigen (van Hebr 11), door Gods trouw en liefde getooid worden als een prachtige Bruid van Christus, een bruid die vol zal zijn van de kennis des Heeren. Dan zal er een bruiloft worden gevierd, die 1000 jaar zal duren.

 

Zij zullen Zijn stem Kennen

Dán zal ook de tijd aanbreken, waarover Johannes 10 spreekt:

  • "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen." (Joh 10:1-5)

 

De Heere zei: "Ik ben de deur der schapen." (Joh 10:7). De deur, die hier met name wordt bedoeld is de deur, die toegang geeft het Koninkrijk binnen te gaan. Daar zullen de "schapen" in alle rust en vrede mogen nederliggen in "grazige weiden".

 

De Heere vervolgt: "Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord." (Joh 10:8). Wie verschijnt er voordat Christus verschijnt? De antichrist zal zijn verwoestende werk uitvoeren vlak voor de Heere wederkomt. De "schapen" zijn zij, die het Woord vasthouden, en geen gehoor geven aan de verleidingen van satan.

 

Vervolgens zegt de Heere:

  • "Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed." (Joh 10:9-10).

 

Christus is de deur, door het geloof in Hem is er toegang tot het Koninkrijk. Dáár in dat Koninkrijk zal de gelovige "ingaan en uitgaan en weide vinden". Hier spreekt ook Psalm 23 over: "De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren."

 

"Ik ben de goede herder en Ik ken de Mijne en de mijne kennen Mij." (Joh 10:14). Een heel bekende tekst, waarin heel veel zit opgesloten. Het gaat over het kennen! Ten eerste kent de Heere de Zijnen, omdat zij geloofd hebben in Christus, en daardoor het eigendom van Christus zijn. En ten tweede, omdat die gelovigen door het geloof omgang hebben, een relatie hebben met het levende Woord, kennen zij Christus, en herkennen zij Zijn stem, waarnaar geluisterd wordt. Het wordt zo een wederzijds kennen!

 

Kennen wij Christus? En herkennen wij Zijn stem? En worden wij door Hem gekend?

  De onverstandigen krijgen dwaasheid als hun deel,

 maar de schranderen worden gekroond met kennis.

(Spr 14:18)

Deel 4 volgt DV

Bert Boersma Oktober 2009 boersmabpost@kpnmail.nl

 

  

Hem Kennen....... (deel 4)

We hebben in de vorige drie delen kunnen lezen hoe belangrijk het is voor een gelovige om kennis te hebben en te krijgen omtrent ál het door God geschrevene in Zijn Woord. Zonder die kennis is het onmogelijk Hem te behagen. Het is onmogelijk zonder kennis "de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen" (Kol 1:10).

 

We hebben ook gezien hoe de apostel Paulus ons tot voorbeeld is geweest. Hoe Paulus was gericht op één ding, op datgene wat voor hem het belangrijkste in zijn leven was: Hem leren kennen! We willen nu proberen te ontdekken dat het kennen van Hem in de verschillende tijden van Gods Woord, bepaalde "fasen" van kennis heeft doorlopen. Ik bedoel eigenlijk te zeggen, dat de kennis in alle tijden niet dezelfde was. God heeft aan ons door Zijn voortgaande openbaring in het Woord steeds meer de mogelijkheid gegeven om Hem beter en dieper en rijker te leren kennen. Ik hoop het hier en in de volgende stukken duidelijk te maken.

 

Vanaf den Beginne

Vanaf den beginne heeft God zich door de mens laten kennen. En vanaf den beginne wilde God omgang, gemeenschap met de mens. Dat begon al met Adam. Adam wandelde met God in de avondkoelte in de Hof van Eden. Wat daar is besproken wordt ons niet vermeld. Maar zeker is dat God voor Adam geen vreemde was, en we mogen er zeker vanuit gaan, dat God door Adam gekend was.

 

Het was zo mooi begonnen, maar.........

  • "Toen de HERE zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, berouwde het de HERE, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. En de HERE zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. Maar Noach vond genade in de ogen des HEREN". (Gen 6:5-8).

 

Deze straf van God is toendertijd over de wereld gekomen omdat de mensen bewust God niet wilden kennen. De mensen hadden God, én de relatie met God bewust aan de kant gezet.

 

We maken een sprong in de geschiedenis naar Noach. We lezen dat Noach onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man was, Noach wandelde met God. (Gen 6:10).

God richtte zelfs een verbond op met Noach (Gen 6:18). Noach kreeg opdracht een ark te bouwen, en we lezen:

  • "En Noach deed het; geheel zoals God het hem geboden had, deed hij." (Gen 6:22).

 

God zegt in Zijn Woord dat Noach een rechtvaardig en onberispelijk man was. Hoe kon Noach een rechtvaardig en onberispelijk man zijn? Dat kon uitsluitend doordat aan Noach was doorgegeven via Adam en alle opeenvolgende aartsvaders, wie God was, en wat God had gezegd over het dienen en geloven in Hem. Daardoor, door het persoonlijk geloof, en door een persoonlijke omgang met God, kende Noach God. Noach wist dat het menens was met datgene wat God zei. Daarom voerde Noach getrouw zijn opdracht uit.

 

Het "kennen" van Abraham

Vervolgens maken we een sprong naar Abram, die later de naam Abraham kreeg. Een hele bijzondere geschiedenis.

  • "De HERE nu zeide tot Abram: Ga uit uw land en uit uw maagschap en uit uws vaders huis naar het land, dat Ik u wijzen zal." (Gen 12:1).

 

En de Heere voegde er meteen een geweldige belofte aan toe:

  • "Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden." (Gen 12:2-3).

 

Uit het vervolg blijkt dat Abram God kende. Hij sputtert totaal niet tegen, dat betekent dat Abram wist wie er tegen hem sprak. We lezen in vers 4: "Toen ging Abram, zoals de HERE tot hem gesproken had."

 

Hoe kende Abram de God die tot hem sprak? Dat kunnen we gewaar worden uit Gen 11, waar we lezen dat Abram een afstammeling was van Sem, één van de zonen van Noach (Gen 11:10-32). Wanneer we de genoemde jaren van de geboorten van de nakomelingen van Sem optellen, blijkt dat Abram 420 jaar na Sem werd geboren. Klaarblijkelijk hadden alle nakomelingen vanaf Sem alles doorverteld betreffende God, de Schepper van hemelen en aarde. Dat blijkt uit het feit, dat Abram zonder morren vertrok uit zijns vaders huis, naar een hem onbekend land, wat de Heere voor hem op het oog had. Hieruit blijkt geloof en een kennen van God, hetgeen een grote gehoorzaamheid, en een groot vertrouwen tot gevolg had.

 

Abraham werd de stamvader van het volk Israël. Abraham had van God een tweeledige belofte ontvangen:

  1. "En de HERE zeide tot Abram, nadat Lot zich van hem gescheiden had: Sla toch uw ogen op, en zie van de plaats, waar gij zijt, naar het noorden, zuiden, oosten en westen, want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven. En Ik zal uw nageslacht maken als het stof der aarde, zodat, indien iemand het stof der aarde zou kunnen tellen, ook uw nageslacht te tellen zou zijn. Sta op, doorwandel het land in zijn lengte en breedte, want u zal Ik het geven. Daarna sloeg Abram zijn tenten op en ging wonen bij de terebinten van Mamre, bij Hebron, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE." (Gen 13:14-18)
  2. "Toen leidde Hij hem naar buiten, en zeide: Zie toch op naar de hemel en tel de sterren, indien gij ze tellen kunt; en Hij zeide tot hem: Zo zal uw nageslacht zijn. En hij geloofde in de HERE, en Hij rekende het hem toe als gerechtigheid." (Gen 15:5-6)

 

En eigenlijk ging aan deze twee beloften nog een belofte vooraf, die de Heere aan Abram gaf, toen hij geroepen werd: "Ik zal u tot een groot volk maken, en u zegenen, en uw naam groot maken, en gij zult tot een zegen zijn. Ik zal zegenen wie u zegenen, en wie u vervloekt zal Ik vervloeken, en met u zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden." (Gen 12:2-3).

 

En wanneer we 1 en 2 vergelijken, dan zien we dat het zaad van Abraham zal zijn als:

  1. Als het stof der aarde, en

  2. Als de sterren des hemels.

Hiermee wordt aangetoond dat Abrahams zaad een tweeledige bestemming heeft.

Ten eerste zijn zaad "als het stof der aarde", wijst op een aards volk met een aardse bestemming. Een volk wat zal wonen in een land aangeduid met twee genoemde maten, de lengte en de breedte. (Gen 13:17).

 

En ten tweede een zaad wat zal zijn als "de sterren des hemels", hetgeen wijst op een hemels volk met een hemelse bestemming. Deze hemelse erfenis wordt aangeduid met drie maten. Deze hemelse erfenis zal Abraham ook deel aan krijgen, want in Hebr 11:9-10 lezen we: "Door het geloof heeft hij (Abraham) vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is. Over deze stad lezen we in Openb 21:16:

  • "En de stad lag in het vierkant en haar lengte was even groot als haar breedte; en hij mat de stad op met de stok: twaalfduizend stadiën; haar lengte en haar breedte en haar hoogte waren gelijk." Hier lezen we over drie maten: de lengte en haar breedte en haar hoogte.

 

Hier valt nog veel over te zeggen, maar daarvoor zouden we te ver van ons onderwerp afdwalen. Waarom ik dit terloops aanhaal, is omdat het kennen van God door de mens in verschillende tijden niet op dezelfde manier gebeurd. God heeft een plan, waarvoor hij mensen, en heel lang een volk (Israël) op het oog heeft. En God heeft een bestemming voor die groepen mensen, maar ook die bestemming is voor die verschillende groepen mensen niet altijd dezelfde.

 

Het is niet zo dat God bij de uitvoering van Zijn plan afhankelijk is van de mensen, want ook al is de mens nog zo wederspannig, God komt ten allen tijde klaar met Zijn gemaakt bestek! De voorwaarde van het bruikbaar zijn van de mens in Gods plan, is altijd een volledig vertrouwen (= geloof) en afhankelijkheid van de mens ten opzichte van God.

 

Abraham is hiervan een duidelijk voorbeeld. God riep Abraham, teneinde voor Zichzelf een volk te maken, het volk Israël, en door de geslachtslijn van dát volk is eenmaal de Christus geboren, en datzelfde volk zal eenmaal aan de spits der volkeren staan met Christus als Koning, die dan vanuit dat volk, vanuit Jeruzalem over de gehele aarde zal heersen met een ijzeren roede.

 

Als Abaham nu eens niet gehoorzaam aan Gods opdracht was geweest, zou dan Gods plan schipbreuk hebben geleden? Volstrekt niet! God komt altijd tot Zijn doel. Maar het vertrouwen en het geloof van Abraham laten ons zien dat, wanneer mensen in gehoorzaamheid Gods weg willen volgen, dat ze dan bruikbare instrumenten kunnen zijn in Gods plan!

 

Nog een prachtig voorbeeld wat laat zien hoe belangrijk het "kennen van God" is, lezen we in de geschiedenis betreffende Abraham, toen Abraham door een wonder van God, uit de onvruchtbare schoot van Sara, een zoon had gekregen. God zeide tegen Abraham:

  • "Neem toch uw zoon, uw enige, die gij liefhebt, Isaäk, en ga naar het land Moria, en offer hem daar tot een brandoffer op een der bergen, die Ik u noemen zal." (Gen 22:2).

 

Dit was wel een zeer heftige opdracht van God. Dan lezen we: "Toen stond Abraham des morgens vroeg op, zadelde zijn ezel, en nam twee van zijn knechten met zich, benevens zijn zoon Isaak; hij kloofde hout voor het brandoffer, begaf zich op weg en ging naar de plaats, die God hem genoemd had." (Gen 22:3).

 

Op een bepaalde plaats aangekomen zijnde, zei Abraham tot zijn knechten:

  • "Blijft gij hier met de ezel, terwijl ik en de jongen daarginds heengaan; wanneer we hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren." (Gen 22:5).

 

Hier mogen we wel even bij stilstaan, want wat een onwrikbaar geloof spreekt uit deze tekst. Hier blijkt het rotsvaste vertrouwen en het diep kennen van God door Abraham, want hij zegt: "Nadat wij hebben aangebeden, zullen wij tot u terugkeren." Abraham had het volste vertrouwen dat die God, die Zijn beloften aan Abraham had gedaan, die beloften door middel van zijn zoon (zijn zaad) ook ten uitvoer zou brengen, en dat zijn zoon gespaard zou worden, en dat ze samen bij de knechten zouden terugkeren na het gebrachte offer!

 

Ziet u die beide, Abraham en Isaäk zo samen verder lopen?

  • "Toen sprak Isaäk tot zijn vader Abraham en zeide: Mijn vader, en deze zeide: Hier ben ik, mijn zoon. En hij zeide: Hier is het vuur en het hout, maar waar is het lam ten brandoffer? En Abraham zeide: God zal Zichzelf voorzien van een lam ten brandoffer, mijn zoon. Zo gingen die beiden tezamen." (Gen 22:7-8).
  • "Toen zij aan de plaats die God hem genoemd had, gekomen waren, bouwde Abraham daar een altaar, schikte het hout, bond zijn zoon Isaak en legde hem op het altaar boven op het hout. Daarop strekte Abraham zijn hand uit en nam het mes om zijn zoon te slachten." (Gen 22:9-10).

 

En dan komt God tussenbeide. Dan wordt het geloof van Abraham bevestigd! Want we lezen verder:

  • "Maar de Engel des HEREN riep tot hem van de hemel en zeide: Abraham, Abraham! En hij zeide: Hier ben ik. En Hij zeide: Strek uw hand niet uit naar de jongen en doe hem niets, want nu weet Ik, dat gij godvrezend zijt, en uw zoon, uw enige, Mij niet hebt onthouden." (Gen 22:11-12). (Deze Engel des Heeren wijst in de Schrift altijd op de Christus der Schriften).

 

  • "Toen sloeg Abraham zijn ogen op en daar zag hij een ram achter zich, met zijn horens verward in het struikgewas. En Abraham ging en nam de ram en offerde hem ten brandoffer in plaats van zijn zoon. En Abraham noemde die plaats: De HERE zal erin voorzien; waarom nog heden gezegd wordt: Op de berg des HEREN zal erin voorzien worden." (Gen 22:13-14).

 

De Heere voorziet in een offer. Dit offer van Abraham wijst reeds op het offer wat Christus later aan het Kruis zou brengen. Ook toen voorzag God in een offer. Hij gaf wél Zijn enige Zoon, omdat dát het enige offer was, wat een werkelijke verzoening teweeg kon brengen.

  • "Toen riep de Engel des HEREN ten tweeden male van de hemel tot Abraham en zeide: Ik zweer bij Mijzelf, luidt het woord des HEREN: omdat gij dit gedaan hebt, en uw zoon, uw enige, Mij niet onthouden hebt, zal Ik u rijkelijk zegenen, en uw nageslacht zeer talrijk maken, als de sterren des hemels en als het zand aan de oever der zee, en uw nageslacht zal de poort zijner vijanden in bezit nemen. En met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden, omdat gij naar mijn stem gehoord hebt." (Gen 22:15-18).

 

Met deze woorden bevestigd God de drievoudige belofte aan Abraham. Niet zomaar had de Heere reeds eerder al tegen Abraham gezegd: "Vrees niet, Abram, Ik ben uw schild; uw loon zal zeer groot zijn." (Gen 15:1).

 

Dit is voor ons allemaal een geweldige les. Hoe groot is ons vertrouwen in God? Welke relatie hebben wij met onze hemelse Vader? Ook wij hebben geweldige beloften ontvangen (hierover later meer). Of laten wij ons door de omstandigheden terneer drukken? We moeten goed beseffen, dat wij allen in een gebroken, zondige en leugenachtige wereld leven. En dat kan ook niet anders, wanneer we beseffen dat satan de overste van deze wereld is. Hij is immers de verleider en leugenaar van den beginne. Er kunnen heel veel dingen zijn in dit leven waar we naar de mens gesproken vraagtekens bij kunnen plaatsen, maar we kunnen echt ons vertrouwen stellen in onze God, die zegt: "Komt tot Mij, allen, die vermoeid en belast zijt, en Ik zal u rust geven." (Mat 11:28). Doen we dat dan ook? Hij zegt: Ik zal het doen, Ik zal u rust geven! Kennen we Hem zo goed, dat we Hem voor 100% vertrouwen?

 

Vergeef mij mijn aandringen, maar ik merk zo vaak om mij heen dat ook broeders en zusters dagelijks hun eigen "kruis" weer meeslepen, terwijl dat echt niet hoeft! Komt dat misschien doordat onze blik teveel horizontaal gericht is? Doordat we teveel op de omstandigheden zien? We moeten leren onder alle omstandigheden onze blik verticaal te richten, dus naar boven. En dan zien we een overweldigende heerlijkheid, die voor het Lichaam van Christus door Gods grote genade openbaar is geworden: 

"In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6 tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde." (Efeze 1:5-6)

 

Volgende keer DV (deel 5) gaan we zien hoe Israël God kende.

Bert Boersma november 2009 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

  

Hem Kennen....... (deel 5)

Het "Kennen" van Israël in het O.T.

 

God heeft Zich in Israël een volk verkoren, Hem ten eigendom. "Hij heeft de vaderen liefgehad en hun nakroost heeft Hij uitverkoren, Hij zelf heeft u met zijn grote kracht uit Egypte geleid, (Deut 4:37) In Deuterononium staan meerdere teksten die aangeven hoe waardevol het volk Israël is voor God:

  • "Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is; ú heeft de HERE, uw God, uit alle volken op de aardbodem uitverkoren om zijn eigen volk te zijn." (Deut 7:6)
  • "Niet, omdat gij talrijker waart dan enig ander volk, heeft de HERE Zich aan u verbonden en u uitverkoren; veeleer zijt gij het kleinste van alle volken." (Deut 7:7)
  • "Alleen aan uw vaderen heeft de HERE Zich verbonden en alleen hen heeft Hij liefgehad, en u, hun nakroost, heeft Hij uit alle volken uitverkoren, zoals dit heden het geval is." (Deut 10:15)
  • "Want gij zijt een volk, dat de HERE, uw God, heilig is, en u heeft de HERE uitverkoren om Hem een eigen volk te zijn uit al de volken, die op de aardbodem wonen." (Deut 14:2)
  • "Ik geef water in de woestijn, rivieren in de wildernis om mijn uitverkoren volk te drenken." (Jes 43:20)
  • "Gij echter zijt een uitverkoren geslacht, een koninklijk priesterschap, een heilige natie, een volk (Gode) ten eigendom, om de grote daden te verkondigen van Hem, die u uit de duisternis geroepen heeft tot zijn wonderbaar licht." (1 Petr 2:9).

 

Op velerlei wijze heeft God Zich aan Zijn geliefde volk bekend gemaakt. Dat begon al toen het volk nog in Egypte verdrukt werd, want we lezen:

  • "En God hoorde hun klacht en God gedacht aan zijn verbond met Abraham, Isaak en Jakob." (Ex 2:24).

 

Allereerst maakte de Heere Zich aan Mozes bekend vanuit de "brandende braamstruik":

  • "Ik ben de God van uw vader, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob. Toen verborg Mozes zijn gelaat, want hij vreesde God te aanschouwen. En de HERE zeide: Ik heb terdege gezien de ellende van mijn volk, dat in Egypte is, en hun gejammer over hun drijvers gehoord, ja, Ik ken hun smarten. Daarom ben Ik nedergedaald om hen uit de macht der Egyptenaren te redden en uit dit land te voeren naar een goed en wijd land, een land vloeiende van melk en honig." (Ex 3:6-8).

 

  • "Daarop zeide Mozes tot God: Maar wanneer ik tot de Israëlieten kom en hun zeg: De God uwer vaderen heeft mij tot u gezonden, en zij mij vragen: hoe is zijn naam – wat moet ik hun dan antwoorden? Toen zeide God tot Mozes: Ik ben, die Ik ben. En Hij zeide: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: Ik ben heeft mij tot u gezonden. Voorts zeide God tot Mozes: Aldus zult gij tot de Israëlieten zeggen: De HERE, de God uwer vaderen, de God van Abraham, de God van Isaak en de God van Jakob, heeft mij tot u gezonden; dit is mijn naam voor eeuwig en zo wil Ik aangeroepen worden van geslacht tot geslacht." (Ex 3:13-15).

 

Van deze opdracht is zeer weinig terecht gekomen. De Joden spreken Gods Naam niet uit. Ze zeggen dat uit respect voor Gods Naam niet te doen, maar in wezen negeren ze een hele duidelijke opdracht van God.

 

We weten hoe de geschiedenis verder is verlopen. Het volk is onder leiding van God uit Egypte getrokken. En moet u eens kijken wat God die jaren in de woestijn allemaal deed voor Zijn volk. De Heere deed zich op vele liefdevolle manieren kennen:

  • Overdag werden ze tegen de hitte van de zon beschermd door een wolkolom,
  • 's Nachts werden ze bijgelicht door een vuurkolom.
  • God zorgde altijd voor vers drinkwater.
  • God zorgde voor genoeg eten.
  • En Hij zorgde zelfs voor vlees wat door de lucht kwam aanvliegen, en voor hun voeten neerviel.
  • Hij zorgde zelfs dat gedurende al de 40 jaren in de woestijn hun schoenen en kleren niet versleten!
  • Hij zorgde ervoor dat ze door omringende volken niet lastig gevallen werden.
  • Hij gaf hun een zeer rechtvaardige wetgeving. Kortom in alles voorzag de Heere voor de Zijnen.

 

Dit, en nog veel meer zouden allemaal redenen moeten zijn, waardoor Israël hun God hadden leren kennen en liefhebben. Maar ondanks alle goede zorgen lezen we voortdurend dat het volk murmureerde, en ontevreden was.

  • "En al de kinderen Israëls murmureerden tegen Mozes en tegen Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, of wij in Egypteland gestorven waren! of, och, of wij in deze woestijn gestorven waren!" (Num 14:12).

 

In Psalm 106:25 lezen we: "Maar zij murmureerden in hun tenten; naar de stem des HEEREN hoorden zij niet." Wanneer je niet omgang hebt met Iemand, en Zijn stem niet hoort, is het onmogelijk om die God te leren kennen!

 

Toen het volk dan ook na ongeveer twee jaar voor het beloofde land stond, en de twaalf verspieders van hun verkenning terug kwamen, geloofden ze de tien die zeiden tegen Mozes:

  • "Wij kwamen in het land, waarheen gij ons gezonden had, en ja, het vloeit van melk en honig, en dit is zijn vrucht. Het volk echter, dat in het land woont, is sterk en de steden zijn ommuurd en zeer groot, en ook de kinderen van Enak zagen wij daar; Amalek woont in het Zuiderland, de Hethieten, Jebusieten en Amorieten wonen in het bergland, de Kanaänieten aan de zee en aan de oever van de Jordaan." (Num 13:27-29)

 

Door deze woorden raakt het volk in opschudding en kwam in opstand tegen Mozes. Ze geloofden er niet meer in. Er zijn slecht twee van de twaalf verspieders die bleven geloven in de beloften van God, en één daarvan, Kaleb, neemt het woord, hierdoor "trachttende het volk tot bedaren te brengen tegenover Mozes, en zeide: Laat ons gerust optrekken en het in bezit nemen, want wij zullen het zeker kunnen vermeesteren." (Num 13:31). Maar de mannen die met hem opgetrokken waren, (die andere tien) zeiden:

  • "Wij zullen tegen dat volk niet kunnen optrekken, want het is sterker dan wij. Ook verspreidden zij onder de Israëlieten een kwaad gerucht omtrent het land dat zij verspied hadden, door te zeggen: Het land dat wij zijn doorgetrokken om het te verspieden, is een land dat zijn inwoners verslindt, en alle mensen die wij daar zagen, waren mannen van grote lengte. Ook zagen wij daar de reuzen, Enakieten, die tot de reuzen behoren, en wij waren als sprinkhanen in onze eigen ogen en ook in hun ogen. (Num 13:32-33).

 

En het gevolg was:

  • "Toen verhief de gehele vergadering (heel het volk) haar stem en het volk weende in die nacht. Al de Israëlieten morden tegen Mozes en Aäron; en de gehele vergadering zeide tot hen: Och, waren wij in het land Egypte gestorven, of waren wij in deze woestijn gestorven! Waarom toch brengt ons de HERE naar dit land, opdat wij door het zwaard vallen, onze vrouwen en kinderen ten buit worden? Zou het voor ons niet beter zijn naar Egypte terug te keren? En zij zeiden tot elkander: Laat ons een hoofd aanstellen en naar Egypte terugkeren." (Num 14:1-4)

 

We zien hier een heel bijzondere gebeurtenis, welke ons laat zien, hoever een volk van de Heere verwijderd raakt, wanneer men geen omgang heeft met Hem. We hebben boven gelezen dat zij naar de stem des Heeren niet hoorden. Dan sta je dus los van God. Dan blijft er niets anders over dan op eigen kunnen te vertrouwen, en dan komen die verspieders met een boodschap terug, waardoor het menselijker wijs onmogelijk is om het land binnen te gaan. Zij weten helemaal niet meer wie hun Leidsman is, omdat ze Hem, en Zijn Woord niet kennen. En omdat ze Zijn Woord niet kennen heeft dat geleid tot de geestelijke dood, welke hun in dit geval ook de lichamelijke dood zal brengen.

 

Ze weten ook helemaal niet meer wat God aan Abraham had beloofd: "Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven." (Gen 12:7). En om het nog duidelijker te maken zei de Heere in Gen 13:15: "Want het gehele land, dat gij ziet, zal Ik u en uw nageslacht voor altoos geven."

 

Wanneer we dan bedenken, dat "elk van God ingegeven schriftwoord is ook nuttig om te onderrichten, te weerleggen, te verbeteren en op te voeden in de gerechtigheid, opdat de mens Gods volkomen zij, tot alle goed werk volkomen toegerust," (2 Tim 3:16-17), dan moge ons de geschiedenis van Israël tot grote lering zijn. Want wanneer we al deze dingen lezen, dan kunnen we bij onszelf denken: "Hoe is het mogelijk dat Israël totaal geen rekening hield met die liefhebbende en zorgende God, die vaak zo dichtbij hen was?" Maar is het vandaag de dag anders? Wie houdt nog rekening met God? Wie is in Zijn Woord nog oprecht bezig om Zijn wil te leren verstaan? En wie onderzoekt het Woord om Gods plan der eeuwen, en daarmee Hem te leren kennen?

 

We lezen in Psalm 95:10: "Veertig jaren heb Ik Mij geërgerd aan dat geslacht, Ik zeide: Het is een volk, dwalende van hart, en zij kennen Mijn wegen niet."Het ongeloof van het volk blijft niet ongestraft. "En de HERE zeide tot Mozes: Hoelang zal dit volk Mij versmaden, en hoelang zullen zij niet op Mij vertrouwen bij al de tekenen die Ik in zijn midden gedaan heb? Ik zal het met de pest slaan en het uitroeien, en u (Mozes) tot een volk maken, groter en machtiger dan dit." (Num 14:11-12). Maar dan houdt Mozes een lang en innig, vurig pleidooi voor zijn volk, (Num 14:13-19), waarna de Heere antwoord: "Op uw bede schenk Ik vergeving." (Num 14:20).

 

Maar vergeving ontvangen betekent niet dat ze geen straf krijgen. Alle mannen ouder dan 20 jaar zullen in de woestijn sterven in de komende 38 jaren (Num 14:21-23). Alleen Jozua en Kaleb zullen het beloofde land in mogen trekken, omdat zij geloof hebben geopenbaard. Zij kenden hun God, die ze vertrouwden! En dat vertrouwen wordt beloond!

 

Maar laten we eens kijken naar een gebeurtenis, die laat zien, hoe geweldig God voor Zijn volk zorgde al de veertig jaren in de woestijn: Voordat het volk voor de eerste keer in ongeloof voor het beloofde land stond, moest het volk in opdracht van de Heere geteld worden.

  • "De HERE sprak tot Mozes in de woestijn Sinai, in de tent der samenkomst, op de eerste dag der tweede maand in het tweede jaar na hun uittocht uit het land Egypte: Neemt het aantal op van de gehele vergadering der Israëlieten naar hun geslachten en families, overeenkomstig het aantal namen, allen die van het mannelijk geslacht zijn, hoofd voor hoofd, van twintig jaar oud en daarboven." (Num 1:1-3).

 

Dus het volk moest geteld worden, dat wil zeggen, alle mannen van 20 jaar en ouder. En dan lezen we Num 1:45-46:

  • "Al de getelden der Israëlieten, naar hun families, van twintig jaar oud en daarboven, allen die in het leger uitrukten in Israël, waren zeshonderddrieduizend vijfhonderd vijftig."

 

Deze 603.550 man zijn door hun ongeloof allemaal omgekomen in de woestijn. (Num 14: 21-23 en Jozua 5:6). Alleen Jozua en Kaleb mochten door geloof het land na 40 jaar binnentrekken.

 

Toen Israël na die 40 jaar weer voor het beloofde land stond, deze keer voor de Jordaan, werd het volk in opdracht van de Here weer geteld, en weer betrof het mannen van 20 jaar oud en daarboven:

  • "Neemt het aantal der gehele vergadering der Israëlieten op, van twintig jaar oud en daarboven naar hun families, allen die in het leger uitrukken in Israël." (Num 26:2).

 

Toen waren de getelden der Israëlieten: zeshonderdéénduizend zevenhonderd dertig. (601.730). En de HERE sprak tot Mozes: Onder dezen zal het land ten erfdeel worden verdeeld." (Num 26:51-53).

 

Dus de eerste keer stonden er 603550 strijdbare mannen van 20 jaar en ouder voor het land, en de tweede keer stonden er 601730 mannen voor de Jordaan. Dit betekent dat God in Zijn grote liefde in de woestijn voor een compleet nieuw volk had gezorgd. Want de eersten waren door hun ongeloof allen gestorven. Hierin zien we Gods grote zorg voor Zijn geliefde volk. En wat ook zo mooi is te lezen, is dat het nieuwe volk, dus de laatste 601730 mannen dezelfde kleding aan hadden, en dezelfde schoenen droegen als de eerste 603550. Want God zegt in Zijn Woord:

  • "Veertig jaar liet Ik u door de woestijn trekken; de klederen die gij droegt, zijn niet versleten evenmin als de schoenen aan uw voeten." (Deut 29:5).

 

Dan is het toch een logische gedachte dat beide volkeren dezelfde kleding aan had, en dezelfde schoenen droeg. Anders gezegd: De zelfde kleding was te zien zowel de eerste als de tweede keer dat Israël voor het beloofde land stond. Moest het volk zich over al deze dingen niet uitermate hebben verwonderd?

 

Maar in plaats van dat ze er wat van hebben geleerd, gingen ze in hun eigendunkelijke wijsheden voort. Want toen ze het land binnentrokken over de Jordaan, gingen ze wél relaties aan met de heidense volken, die in het land woonden. Relaties, verbintenissen, die God had verboden. De mannen van Israël gaven hun vrouwen aan de vreemde volken, en andersom huwden zij met de heidense vrouwen, die de afgoden dienden. Hier is dan ook alleen maar ellende van gekomen.

 

Onder leiding van Jozua is het volk het land binnen getrokken. Met vallen en opstaan hebben zij in het land de Heere gediend. Wel lezen we in Richt 2:7:

  • "Het volk diende de HERE gedurende heel het leven van Jozua en van de oudsten die Jozua overleefden, en die heel het grote werk gezien hadden, dat de HERE voor Israël gedaan had."

 

Maar het lijkt er toch vaak op dat het geloof niet in de harten van de Israëlieten was doorgedrongen. Want wanneer

  • "ook dat gehele geslacht (van Jozua) tot zijn vaderen vergaderd was, kwam na hen een ander geslacht op, dat de HERE niet kende, noch het werk, dat Hij voor Israël gedaan had. Toen deden de Israëlieten wat kwaad is in de ogen des HEREN en gingen de Baäls dienen. Zij verlieten de HERE, de God hunner vaderen, die hen uit het land Egypte geleid had, liepen andere goden achterna uit de goden der volken rondom hen, bogen zich daarvoor neer en krenkten de HERE." (Richt 2:10-12).

 

  • "Wanneer zij de HERE verlieten en de Baäl en de Astartes dienden, ontbrandde de toorn des HEREN tegen Israël: Hij gaf hen in de macht van plunderaars, die hen uitplunderden, en Hij gaf hen over in de macht van hun vijanden rondom hen, zodat zij niet meer tegen dezen konden standhouden. Telkens als zij uittrokken, was de hand des HEREN tegen hen ten verderve, zoals de HERE hun onder ede aangezegd had, en zij kwamen in grote benauwdheid; dan verwekte de HERE richters, die hen verlosten uit de macht van hun plunderaars. Ook naar hun richters luisterden zij echter niet, maar liepen overspelig andere goden na en bogen zich daarvoor neder; zij haastten zich om af te wijken van de weg die hun vaderen bewandeld hadden door te luisteren naar de geboden des HEREN; zij handelden niet naar behoren. Telkens wanneer de HERE hun een richter verwekte, was de HERE met de richter en verloste hen uit de macht van hun vijanden, zolang die richter leefde; want de HERE werd bewogen door hun gekerm over hun verdrukkers en benauwers. Maar na dood van de richter begonnen zij weer verderfelijk te handelen, erger dan hun vaderen, door andere goden achterna te lopen, die te dienen en zich daarvoor neer te buigen; in niets gaven zij hun verstokte handel en wandel op." (Richt 2:13-19)

 

In totaal zijn er twaalf Richter-schappen geweest. Wanneer het door de ongehoorzaamheid van het volk weer slecht met het volk ging, riepen ze om de Heere. En dan gaf de Heere Zijn volk weer een nieuwe Richter. Maar na elk Richterschap ging het volk weer doen wat kwaad was in de ogen des Heeren. Wat een eindeloos geduld heeft God met dat volkje gehad.

 

Onder de Koningen van Israël ging het precies zo, of eigenlijk nog erger. De Richteren dienden God, en leidden het volk naar de Heere, maar van de koningen van Juda (2 stammen) en Israël (10 stammen) waren er maar zeer weinigen die de Heere dienden. Alle profeten in het Oude Testament hebben van Godswege getracht het volk terug naar de Heere te brengen, vaak met gevaar voor eigen leven! Maar Israël bleef zich verontreinigen. Hun daden gedogen niet, dat zij zich bekeren tot hun God. Want een geest van ontucht woont in hen, en de HERE kennen zij niet. (Hosea 5:3-4).

 

Maar God, die liefde is, bleef doorgaan met Zijn volk. Ondanks dat

  • de liefde van Israël is als een morgenwolk, en als een dauw die in de vroegte vergaat. Daarom heb Ik er door de profeten op ingehouwen, heb Ik hen gedood door de woorden mijns monds. De oordelen over u waren een doorbrekend licht. Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers. (Hosea 6:4-6).

 

Door de profeet Hosea liet de Heere zeggen:

  • "Hoort het woord des HEREN, gij Israëlieten, want de HERE heeft een rechtsgeding met de bewoners van het land, omdat er geen trouw, geen liefde en geen kennis Gods is in het land. (Hosea 4:1).

 

Toch zal er door Gods rijke genade ook voor Israël in de toekomst een tijd komen dat zij door geloof zullen zeggen:

  • "Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit." (Hosea 6:3).

 

Dat is de tijd waarvan Hosea zegt:

  • "Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor Zijn aangezicht."

 

Dit was slecht een beknopte samenvatting betreffende het kennen van God door Israël in het Oude Testament. Nog veel is hierover te zeggen, maar we laten het bij deze korte hoofdlijnen. Volgende keer gaan we verder over het kennen van God door Israël in het N.T.

 

Deel 6 volgt DV.

Bert Boersma, november 2009. boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

  

Hem Kennen....... (deel 6)

Het "Kennen" van Israël in het N.T.

 

Wanneer we in het Nieuwe Testament op zoek gaan naar wat er in Israël nog overgebleven was van de kennis des Heeren, dan komen we tot een zeer teleurstellende conclusie. Terwijl Israël geweldige beloften had ontvangen, aangaande hun toekomst en toekomst-verwachting, was het volk daar al helemaal niet mee bezig. Slecht de enkeling wist (en dan vaak nog in beperkte mate) van Gods beloften. Enkele van Gods beloften uit het Oude Testament die bekend gemaakt waren:

  • "Het volk dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht." (Jes 9:1)
  • "Want een Kind is ons geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid. De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen." (Jes 9:5-6)
  • "En het zal te dien dage geschieden, dat de rest van Israël en wat van Jakobs huis ontkomen is, niet langer zullen steunen op hem die ze sloeg, maar in waarheid steunen zullen op de HERE, de Heilige Israëls." (Jes 10:20)
  • "En het zal te dien dage geschieden, dat de volken de wortel van Isaï zullen zoeken, die zal staan als een banier der natiën, en zijn rustplaats zal heerlijk zijn." (Jes 11:10)
  • "En men zal te dien dage zeggen: Zie, deze is onze God, van wie wij hoopten, dat Hij ons zou verlossen; dit is de HERE, op wie wij hoopten; laten wij juichen en ons verblijden over de verlossing die Hij geeft." (Jes 25:9)
  • "Te dien dage zal Ik voor hen een verbond sluiten met het gedierte des velds, het gevogelte des hemels en het kruipend gedierte der aarde. Dan zal Ik boog en zwaard en oorlogstuig in het land verbreken, en hen veilig doen wonen." (Hosea 2:17)
  • "Te dien dage zal Ik de vervallen hut van David weder oprichten, Ik zal haar scheuren dichten en wat daarvan is ingestort, overeind zetten; Ik zal haar herbouwen als in de dagen van ouds. (Amos 9:11)
  • "Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts." (Zach 14:4)

 

Dit is slechts een kleine greep uit het Woord, aangaande Gods beloften betreffende Israël. Alle teksten wijzen op wat er met Israël zou gebeuren wanneer de beloofde Messias zou komen. Dan zou "te dien dage" aanbreken. En de Messias ís gekomen, en wie verwachtte Hem? Er waren slechts twee waarvan we met zekerheid weten dat ze de Messias van Israël verwachten. Dat waren Simeon en Hanna.

 

Van Simeon lezen we:

  • "En zie, er was een man te Jeruzalem, wiens naam was Simeon, en deze man was rechtvaardig en vroom, en hij verwachtte de Vertroosting van Israël, en de heilige Geest was op hem. En hem was door de heilige Geest een godsspraak gegeven, dat hij de dood niet zou zien, eer hij de Christus des Heren gezien had." (Lucas 2:25-26).

 

Het is ook prachtig om te lezen waar deze gelovige door de Geest naartoe werd geleid, namelijk naar de Tempel, Gods heiligdom! (Lucas 2:27). Dáár mocht hij de verwachte Zaligmaker ontmoeten.

 

En van Hanna lezen we:

  • "Ook was daar Hanna, een profetes, een dochter van Fanuël, uit de stam Aser. Zij was op hoge leeftijd gekomen, nadat zij met haar man na haar huwelijksdag zeven jaren had geleefd, en nu was zij weduwe, ongeveer vierentachtig jaar oud, en zij diende God onafgebroken in de tempel, met vasten en bidden, nacht en dag. En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing verwachtten." (Lucas 2:36-38).

 

We kunnen hieruit concluderen dat er meer waren die de Verlosser verwachten, maar hier lezen we verder niets over in het Woord.

 

Maar het wordt wel zeer duidelijk uit het Woord dat de kennis over de komst van de beloofde Messias in zeer geringe mate aanwezig was. Deze verwachting werd ook totaal niet onderwezen door de voorgangers van die tijd. Alhoewel zij wél wisten waar Hij geboren zou worden.

Want toen koning Herodes van de geboorte van een Koning hoorde,

  • "ontstelde hij en geheel Jeruzalem met hem. En hij liet al de overpriesters en schriftgeleerden van het volk vergaderen en trachtte van hen te vernemen, waar de Christus geboren zou worden. Zij zeiden tot hem: Te Betlehem in Judea, want aldus staat geschreven door de profeet." Math 2:3-5).

 

En toen citeerden zij Micha 5:1, waar we lezen:

  • "En gij, Betlehem Efrata, al zijt gij klein onder de geslachten van Juda, uit u zal Mij voortkomen die een heerser zal zijn over Israël en wiens oorsprong is van ouds, van de dagen der eeuwigheid."

 

Dus zij waren wel op de hoogte, maar hadden geen levende verwachting, getuige hun latere optreden. Wanneer we bedenken dat de overpriesters en schriftgeleerden bovenstaande tekst hebben gelezen, en geciteerd, dan wisten zij dat de geboren Koning een Heerser zal zijn over Israël, dan wisten zij dat de oorsprong van die Koning was van vóór de eeuwen. Zij hadden dus kunnen weten wie die geboren Koning was, maar ze vonden hun eigen positie en hun eigen waardigheid en aanhang belangrijker, dan te buigen voor het Woord. Ze waren aanwezig bij de vervulling van vele profetieën, maar willens en wetens kwamen ze op een satanische manier in verzet.

 

Er is nog een bewijs dat de schriftgeleerden en Farizeeën willens en wetens vals handelden. De Heere noemt de schriftgeleerden en Farizeeën huichelaars, (Math 23:27), dat betekent dat ze tegen beter weten in handelden. Een huichelaar doet zich doet zich anders voor. Een huichelaar verdraait bewust de feiten voor eigen gewin.

 

De overpriesters en schriftgeleerden hadden hun taak verzaakt voor wat betreft de onderwijzing van het volk. De Here Jezus zegt niet zonder reden tegen hen:

  • "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid." (Math 23:27).

 

En in Joh 8:44 zegt de Here tot hen:

  • "Gij hebt de duivel tot vader en wilt de begeerten van uw vader doen. Die was een mensenmoorder van den beginne en staat niet in de waarheid, want er is in hem geen waarheid. Wanneer hij de leugen spreekt, spreekt hij naar zijn aard, want hij is een leugenaar en de vader der leugen."

 

Niet voor niets noemt De Here Jezus hen tot drie keer toe "zonen van satan", en het getal drie geeft in dit geval aan dat het volkomen zeker is:

  • "Toen hij nu zag, dat vele van de Farizeeën en Sadduceeën tot de doop kwamen, zeide hij tot hen: Adderengebroed, wie heeft u een wenk gegeven om de komende toorn te ontgaan?" (Math 3:7)
  • "Adderengebroed, hoe kunt gij, die slecht zijt, iets goeds zeggen? Want uit de overvloed des harten spreekt de mond." (Math 12:34)
  • "Slangen, Adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel?" (Math 23:33)

 

Logisch, dat de Heere zegt:

  • "Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels?" (Math 7:16)

 

Een voor die tijd kenmerkend staaltje van onkunde en ongeloof lezen we In Johannes 8:12-19:

  • "Wederom dan sprak Jezus tot hen en zeide: Ik ben het licht der wereld; wie Mij volgt, zal nimmer in de duisternis wandelen, maar hij zal het licht des levens hebben. De Farizeeën dan zeiden tot Hem: Gij getuigt van Uzelf, uw getuigenis is niet waar. Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ook al getuig Ik van Mijzelf, toch is mijn getuigenis waar, want Ik weet, vanwaar Ik gekomen ben en waar Ik heenga; maar gij weet niet, vanwaar Ik kom of waar Ik heenga. Gij oordeelt naar het vlees, Ik oordeel niemand, en indien Ik al oordeel, dan is mijn oordeel waarachtig, want Ik ben niet alleen, maar Ik en die Mij gezonden heeft. En ook in uw wet staat geschreven, dat het getuigenis van twee mensen waar is; Ik ben het, die van Mijzelf getuig, en ook de Vader, die Mij gezonden heeft, getuigt van Mij. Zij dan zeiden tot Hem: Waar is uw Vader? Jezus antwoordde: Noch Mij, noch mijn Vader kent gij: Indien gij Mij kendet, zoudt gij ook mijn Vader kennen.”

 

Toen de Heere begon op te treden in Israël, probeerde Hij op alle mogelijke manieren het volk duidelijk te maken wie Hij was. Zowel door de verkondiging als door de zichtbare tekenen en wonderen was te herkennen wie er onder het volk wandelde. Reeds bij de verbonds-sluiting op de Sinaï waren de tekenen en wonderen beloofd als een zichtbaar teken van de aanwezigheid van de Heere:

  • "Zie, Ik sluit een verbond; in het bijzijn van uw gehele volk zal Ik wonderen doen, zoals niet gewrocht zijn op de gehele aarde en bij al de volken; het gehele volk, in welks midden gij zijt, zal het werk des HEREN zien, want ontzagwekkend is wat Ik met u doe. (Ex 34:10).

 

En over de tijd dat de Here terug zou komen voor de Zijnen staat geschreven:

  • "Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten. Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt. En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HERE zal roepen." (Joël 2:28-32).

 

Dit gaat natuurlijk over de tijd dat de Here wederkomt en het Koningschap daadwerkelijk op Zich zal nemen. Maar de zichtbare wonderen en tekenen waren ook aanwezig toen de Here voor de eerste keer op aarde kwam voor de Zijnen. Bij de aanwezigheid van de Koning horen ontegenzeggelijk de tekenen en de wonderen.

 

Ook de profeet Micha sprak vergelijkbare woorden tot Israël:

  • "Evenals in de dagen, toen gij uittoogt uit het land Egypte, zal Ik hem (Israël) wonderen doen zien. De volken zullen het zien en beschaamd worden, beroofd van al hun kracht; zij zullen de hand op de mond leggen, hun oren zullen doof worden. (Micha 7:15-16)

 

En verder:

  • "Wie is een God als Gij, die de ongerechtigheid vergeeft en de overtreding van het overblijfsel van zijn erfdeel voorbijgaat, die zijn toorn niet voor eeuwig behoudt, maar een welbehagen heeft in goedertierenheid! Hij zal Zich wederom over ons ontfermen, Hij zal onze ongerechtigheden vertreden. Ja, Gij zult al onze zonden werpen in de diepten der zee. Gij zult trouw bewijzen aan Jakob, goedertierenheid aan Abraham, gelijk Gij van oude dagen af aan onze vaderen hebt gezworen." (Micha 7:18-20)

 

Gedurende de gehele aanwezigheid van de Here op aarde was Hij omringd door tekenen en wonderen. Hij verkondigde het aanstaande Koninkrijk: "Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen." (Math 4:17). De gehele prediking van de Here, inclusief de gelijkenissen hadden allemaal betrekking op dat komende Koninkrijk. Maar helaas, op een uitzondering na, was het volk ziende blind en horende doof. Het volk had totaal geen kennis van de Schrift en miste daardoor ook het kennen en herkennen van de Here!

 

En dan komen we bij Math 13, waar de discipelen tot de Here kwamen en Hem vroegen:

  • "Waarom spreekt Gij tot hen (tot het volk) in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun (het volk) is dat niet gegeven. Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen." (Math 13:10-13).

 

We kunnen ons afvragen waarom het volk de woorden van de Here niet heeft begrepen. De Here had hun toch de ogen kunnen openen, zodat ze wel zouden zien wie er voor hen stond? Maar dan moeten we goed begrijpen, dat het kennen en herkennen van alle dingen die zich voor hun ogen afspeelden, alles te maken had met de gezindheid, met de gesteldheid van hun hart. Zij onderzochten de Schriften niet, en daarom kenden zij de Schriften niet. Daarom kenden en herkenden zij de Man die voor hen stond niet! Weer is de tekst uit Hosea 4:6 actueel: "Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis." Hun herders, wat blinde leidslieden waren, hadden een grote schuld op zich geladen door het volk niet te onderwijzen in de Schriften.

 

Over zulke herders, de Farizeeën en de Schriftgeleerden, die als "wachters" voor Israël zouden moeten zijn geweest, schrijft Jesaja:

  • "De wachters zijn blind, zij allen hebben geen kennis, zij zijn allen stomme honden, die niet kunnen blaffen; dromend liggen zij neer, zij hebben de sluimering lief." (Jes 56:10).

 

En in Math 23 spreekt de Heere een zevenvoudig "wee u" uit over de Farizeeën:

  1. "Maar wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij sluit het Koninkrijk der hemelen toe voor de mensen. Immers, gij gaat er niet binnen en die trachten binnen te gaan, laat gij niet toe daarin te komen." (Math 23:13).

  2. "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond, om één bekeerling te maken, en wanneer hij het wordt, maakt gij van hem een kind der hel, tweemaal zo erg als gij het zelf zijt." (Math 23:15).

  3. "Wee u, blinde wegwijzers, die zegt: Heeft iemand bij de tempel gezworen, dat betekent niets; maar heeft iemand bij het goud van de tempel gezworen, dan is hij gebonden." (Math 23:16).

  4. "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij geeft tienden van de munt, de dille en de komijn en gij hebt het gewichtigste van de wet verwaarloosd: het oordeel en de barmhartigheid en de trouw." (Math 23:23).

  5. "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij reinigt de buitenzijde van de beker en van de schotel, maar van binnen zijn zij vol roof en onmatigheid." (Math 23:25).

  6. "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij gelijkt op gewitte graven, die van buiten wel schoon schijnen, maar van binnen vol zijn van doodsbeenderen en allerlei onreinheid." (Math 23:27)

  7. "Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij bouwt de grafsteden der profeten en verfraait de gedenktekenen der rechtvaardigen." (Math 23:29)

 

Harde woorden, maar Gods Woord spreekt Waarheid! Maar tevens weten we uit het Woord dat er in de toekomst een tijd aanbreekt voor Israël waarvan Jeremia zegt:

  • "Ik zal u herders naar mijn hart geven, die u zullen weiden met kennis en verstand." (Jer 3:15)

 

En dan spreekt de Here in Math 13 voor de tweede keer de woorden uit die voor de eerste keer door Jesaja zijn uitgesproken (Jes 9:10-11):

  • "Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen." (Math 13:14-15).

 

Omdat het volk geen kennis had van de Schrift, was het spreken van de Here voor hen als in raadsels, alhoewel hij rechte woorden sprak, maar zij verstonden het niet! Daarna gaat de Here door met het onderwijzen van de discipelen. Ja, er volgde de Heere vaak een grote schare die soms wel drie dagen bij Hem bleef (Math 15:32), maar zij verstonden niet wat de Here sprak. Maar het was wel sensationeel, er was wat te beleven. Er gebeurden ongekende dingen! En toch herkenden ze in de wonderen en tekenen niet hun Messias.

 

Geloof maar gerust dat de Here vaak veel verdriet heeft gehad van de onkunde van het volk en van het verzet van de leidslieden van het volk. Zo lezen we in Math 14:14:

  • "En toen Hij uit het schip ging, zag Hij een grote schare, en Hij werd met ontferming over hen bewogen en genas hun zieken."

 

Wanneer we het woord "ontferming" inde grondtekst opzoeken, dan vinden we

"εσπλαγχνισθη" = "splagchnizomai", en dit woord vinden we vaker:

  • "En Hij, de scharen ziende, werd innerlijk met ontferming bewogen over hen, omdat zij vermoeid en verstrooid waren, gelijk schapen, die geen herder hebben." (Math 9:36)
  • "En Jezus, uitgaande, zag een grote schare, en werd innerlijk met ontferming bewogen over hen; want zij waren als schapen, die geen herder hebben; en Hij begon hun vele dingen te leren." (Mar 6:34)
  • "En de Heere, haar ziende, werd innerlijk met ontferming over haar bewogen, en zeide tot haar: Ween niet." (Lukas 7:13)

 

Ook lezen we in de Bijbel dat de Heere Jezus huilde van verdriet. We lezen dat in de kortste tekst van de hele Bijbel: "Jezus weende" (Joh 11:35). In Johannes 11 vinden wij de geschiedenis van Lazarus, die ziek was en stierf. Eigenlijk zouden we het hele hoofdstuk moeten lezen, maar we bepalen ons hier tot enkele kernpunten. In Joh 11:33-36 staat:

  • "Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar medegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en Hij zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Here, kom en zie. Jezus weende. De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had!"

 

De Joden dachten dat Jezus weende om het verlies van Lazarus, maar ze hadden het niet begrepen. Om deze tekst te verstaan, moeten we haar in de juiste context plaatsen. En de context is dat de Heere was gekomen voor de Zijnen, om voor hen het Koninkrijk op te richten. Bij dat Koninkrijk hoorde leven en geen dood. Bij dat Koninkrijk hoorde ook geen ziekte, daarom werden overal waar de Heere kwam alle zieken genezen. Alles wat de Heere predikte ging over dat Koninkrijk, maar ze verstonden het niet! Dáárom werd Hij verbolgen in de geest en diep ontroerd, en dáárom weende Hij. De omstanders snapten er werkelijk niets van. Ze dachten dat de Heere weende om Lazarus, maar de Heere weende om de grote onkunde van de omstanders! De Heere weende omdat zij Hem niet kenden!

 

Dezelfde context en gezindheid komen we tegen bij de Heere, toen Hij sprak over Jeruzalem, de stad waar Hij moest lijden en sterven. Zelfs toen was zijn eerste bewogenheid en ontfermimg voor Zijn volk. Hij zei:

  • "Jeruzalem, Jeruzalem, dat de profeten doodt, en stenigt, wie tot u gezonden zijn, hoe dikwijls heb Ik uw kinderen willen vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en gij hebt niet gewild. Zie, uw huis wordt aan u overgelaten. Want Ik zeg u, gij zult Mij van nu aan niet meer zien, totdat gij zegt: Gezegend Hij, die komt in de naam des Heren!" (Math 23:37-39). En in het jaar 70 na Christus werd de stad verwoest!

 

Hier zit, net als in de gehele Schrift, weer een geweldige les in voor ons allen. Houden wij ons bezig met de Schrift? Ontdekken wij in Gods Woord wie de Christus is? En dan vooral wie de Christus nú voor ons is? Hebben we al ontdekt dat we in Christus gezegend kunnen worden met alle geestelijke zegeningen in de hemel? Toen (in Math) sprak de Heere tot Jeruzalem, wiens kinderen Hij wilde vergaderen, gelijk een hen haar kuikens onder haar vleugels vergadert, en zij wilden niet.

 

Hoe zou de Heere nu naar de wereld kijken? Ook nu kijkt dezelfde Heere met dezelfde ogen en dezelfde gezindheid, met dezelfde liefde naar de wereld. Een wereld die zich niets van God aantrekt, een wereld zonder kennis, en een wereld die niet in de gaten heeft waar het uiteindelijk op uit loopt. God heeft Zijn grote liefde in Christus uitermate bekend gemaakt aan de wereld, maar op een enkele uitzondering na, is de wereld van nu los van God. Is er in 2000 jaar iets veranderd?

 Het hart van de verstandige zoekt kennis,

maar de mond der zotten houdt zich met dwaasheid bezig.

Spreuken 15:14

 

Deel 7 volgt DV

Bert Boersma December 2009 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 7)

 

Het "Kennen" van Israël in het N.T. (2)

Schrijver dezes wil graag iets over het Nieuwe Testament zeggen. Het Nieuwe Testament omvat een verzameling door God geïnspireerde Geschriften. Hoewel precieze datering moeilijk is, wordt algemeen aangenomen dat de Geschriften van het Nieuwe Testament dateren uit de tweede helft van de eerste tot het begin van de tweede eeuw na Christus. De naam (N.T.) is een vertaling uit het Latijn van Novum Testamentum, wat een vertaling is uit het Grieks van Η Καινη Διαθηκη, Hê Kainê Diathêkê, hetgeen "Het Nieuwe Verbond of "Het Nieuwe Testament" betekent.

 

Op internet vinden we de volgende beschrijving: “Het Nieuwe Testament beschrijft daden en woorden van Jezus die volgens het christendom en het Nieuwe Testament de Messias (de Christus) en de stichter van het christendom is. Verder staan de vroege geschiedenis van de eerste christelijke gemeenschappen en de leer en de prediking van de apostelen erin beschreven. Het Nieuwe Testament vormt daarmee de voornaamste basis van het christelijk geloof.

 

De reden waarom de tweede helft van de Bijbel het Nieuwe Testament wordt genoemd (het woord testament betekent 'verbond' of 'convenant') is omdat er volgens het christelijk geloof sprake is van een nieuw verbond: God heeft, zo zegt men, door Jezus Christus een nieuw verbond gesloten met de mensheid. Was het oude verbond uit het Oude Testament nog beperkt tot het volk van Israël, het Nieuwtestamentische verbond geldt voor iedereen die gelooft dat Jezus Christus de Messias, de Verlosser is van de zonde, de duivel en de dood. Op grond hiervan beschouwen (orthodoxe) christenen het Nieuwe Testament dan ook als het Woord van God.” (tot zover het geciteerde van internet).

 

De vraag in dezen is of deze (alom aanvaarde) mening de juiste is. In het Nieuwe Testament wordt het Oude Testament vaak en op allerlei plaatsen geciteerd, met name in de vier Evangelieën en de Handelingen, waarbij we ook de brieven door Paulus in de Handelingen periode geschreven, in dezelfde context moeten lezen. Soms wordt teruggegrepen op de Hebreeuwse tekst; soms op de tekst van de Septuaginta (= de Griekse vertaling van de Hebreuwse tekst van het O.T.); soms wordt het Oude Testament op een wat vrije wijze aangehaald. In ieder geval zijn vele schrijvers van het Nieuwe Testament van oordeel, getuige het geschrevene, dat ze voort gaan in het spoor van het Oude Testament.Vooral de taal en de gedachterijkdom van de Septuaginta heeft grote invloed op de inhoud en verwerking van motieven in het Nieuwe Testament. Reeds in het eerste boek (Mattheus) treft de onbevangen lezer talloze citaten uit het Oude Testament aan. Kennelijk wilde de schrijver van Mattheüs daarbij aanknopen.

 

Het Oude Testament handelt in zijn geheel over het door God uitverkoren volk Israël, waar God een speciale bedoeling mee had en heeft. Natuurlijk zijn er voor ons rijke lessen uit het Oude testament te halen, maar het gaat niet over ons. En dát is vaak de fout die het “christendom” heeft gemaakt, zij hebben zich wel de waarheden van het O. T. toegeëigend, met vaak grote misvattingen tot gevolg. En in het Nieuwe Testament gaat de rode draad met Israël gewoon door in de genoemde boeken.

 

Voor het christendom is het Oude Testament, het eerste gedeelte van de Bijbel, nog steeds geldig. Maar daarmee eigenen we ons dingen toe die ons niet toekomen, bovendien gaat dat helemaal niet over ons, en is ook niet aan ons geschreven. Natuurlijk geldt te allen tijde:

  • Al de Schrift is van God ingegeven, en is nuttig tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Tim 3:16-17)

 

Dit geldt ook voor het Nieuwe Testament, met name de eerste drie Evangelieën (Johannes is een verhaal apart, waar we later in de bijbelstudie “Het Lichaam van Christus” uitvoerig op terug komen), en de Handelingen, die met name tot Israël spreken. We moeten goed beseffen dat de Heere in de eerste plaats kwam voor de Zijnen, voor Zijn volk Israël. Hij verliet Zijn heerlijkheid, werd als Kindje op deze aarde geboren in eerste instantie voor dát volk. Dáár gingen ook alle profetieën over. Hij zou komen om voor de Zijnen het Koninkrijk op te richten, maar de Zijnen hebben niet gewild. Vele profetieën uit het Oude testament en vele uitspraken van de Heere zelf laten duidelijk zien dat het Oude Testament eigenlijk gewoon doorgaat in het Nieuwe Testament.

 

We hebben al gelezen dat het Nieuwe Testament eigenlijk “Het Nieuwe Verbond” betekent. Dan mogen we de vraag stellen: Waar is in het Nieuwe Testament een nieuw verbond gesloten? Waarbij we wel moeten bedenken dat alle verbonden in Gods Woord uitsluitend met Israël werden gesloten.

Nooit is er enig verbond met andere gelovigen gesloten, al denken velen dat dit wel het geval is. Maar uit het Woord is dat niet aan te tonen. Ja, ik weet dat in kerkelijke Geschriften hier wel sprake van is, maar wat is maatgevend? Door mensen opgezette documenten of Gods onfeilbaar Woord?

 

Ja, er zal met Israël een nieuw verbond worden gesloten, dat had toen, 2000 jaar geleden kunnen gebeuren áls Israël toen de Messias had aangenomen, maar Gods beloften zijn onberouwelijk, en daarom zal het geschieden wanneer de Heere als hun Koning zal wederkeren. Dát zijn de dagen waarin God met Zijn volk een nieuw Verbond zal sluiten, en waar Jeremia van profeteert:

  • Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Judaeen nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.” (Jer 31:31-34)

 

Eigenlijk gaat dan pas het Nieuwe Testament (= nieuwe verbond) voor Israël in werking. We hebben gelezen met wie het Nieuwe Verbond zal worden opgericht: met het huis van Israël en het huis van Juda, dat zijn de twaalf stammen Israëls. Voor hun gelden de beloften, en voor hun zijn de verbonden. Maar door een totaal gebrek aan kennis hebben de Joden dat toen niet, en nog steeds niet begrepen. Ook wordt er nu door bepaalde geloofs-gemeenschappen wel eens gezegd: “Wij zijn nu het geestelijk Israël”. Maar dit is Bijbels onjuist. Nergens in Gods Woord is te vinden dat de zegeningen en beloften voor Israël zijn overgegaan op andere gelovigen, en dat Gods Volk Israël nu voorgoed heeft afgedaan. Gods volk heeft niet afgedaan, maar is door hun verwerping van de blijde boodschap tijdelijk terzijde gesteld in Hand 28:28, en zal onder Koningsschap van Christus eenmaal aan de spits der volkeren staan.

 

Toen de Heere Jezus onder de Zijnen vertoefde heeft Hij niets anders gedaan dan het aanstaande Koninkrijk voor Israël verkondigen. Eerst openlijk, maar toen bleek dat zij niet wilden horen en zien, in bedekte vorm door middel van gelijkenissen, die ook allemaal toepassingen zijn op dat Koninkrijk wat zal komen.

Wanneer we alleen al kijken naar de wonderen en genezingen die de Heere door het hele land overal deed, moet wel duidelijk worden waar deze dingen naar verwezen:

  • Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik aan David (dát geslacht) een rechtvaardige Spruit zal verwekken; die zal als Koning regeren en verstandig handelen, die zal recht en gerechtigheid doen in het land. In Zijn dagen zal Juda behouden worden en Israël veilig wonen; en dit is zijn naam, waarmede men hem zal noemen: de HERE onze gerechtigheid.” (Jer 23:5-6).

 

Deze belofte werd al heel vroeg gedaan in Exodus:

  • Gij zult u niet nederbuigen voor hun goden noch hen dienen en gij zult niet doen naar hun werken, maar gij zult ze volkomen vernielen en hun gewijde stenen zult gij geheel verbrijzelen. Maar gij zult de HERE, uw God, dienen; dan zal Hij uw brood en uw water zegenen en Ik zal ziekte uit uw midden verwijderen. Geen vrouw in uw land zal een misgeboorte hebben of onvruchtbaar zijn. Het getal uwer dagen zal Ik vol maken. (Ex 23:24-26).

 

Maar Israël was niet gehoorzaam, en bleef in “geestelijke armoede” leven. Een overduidelijk voorbeeld van de ongehoorzaamheid van Israël zien we in het boek Ruth. In Ruth 1:1 lezen we:

  • In de dagen dat de richters richtten, gebeurde het, dat er een hongersnood in het land was.”

 

Wanneer het volk oprecht de Heere had gediend, was er nooit honger in het land geweest. En wat lezen we dan? In plaats dat men zich tot God bekeerde, zien we dat “een man uit Betlehem in Juda met zijn vrouw en zijn beide zonen weg trokken, om als vreemdeling te vertoeven in het veld van Moab.” Ze dachten buiten het land bij de buren in Moab hun geluk te zullen vinden. We weten hoe jammerlijk dat is afgelopen.

 

Een voorproefje van de zegeningen van het Koninkrijk liet de Heere zien toen Hij rond trok in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk. (Math 4:23).

 

Enkele teksten waaruit blijkt dat de Heere Jezus tijdens zijn rondwandeling op deze aarde sprak over de dingen aangaande Israël, en de profetieën aangaande dat volk:

  • De Heere zei: “ Meent niet, dat Ik gekomen ben om de wet of de profeten te ontbinden; Ik ben niet gekomen om te ontbinden, maar om te vervullen. Want voorwaar, Ik zeg u: Eer de hemel en de aarde vergaat, zal er niet één jota of één tittel vergaan van de wet, eer alles zal zijn geschied.” (Math 5:17-18)

 

  • Toen het nu avond werd, bracht men vele bezetenen tot Hem; en Hij dreef de geesten uit met zijn woord en die ernstig ongesteld waren genas Hij allen, opdat vervuld zou worden, hetgeen gesproken werd door de profeet Jesaja, toen hij zeide: Hij heeft onze zwakheden op Zich genomen en onze ziekten heeft Hij gedragen.” (Math 8:16-17)

 

  • Ook de onbekeerlijkheid van het volk Israël was reeds door Jesaja geprofeteerd: “En aan hen wordt de profetie van Jesaja vervuld, die zegt: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; 15 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen, en met hun oren niet horen, en met hun hart niet verstaan en zich bekeren, en Ik hen zou genezen.” (Math 13:14-15)

 

  • Toen kreeg Judas, die Hem verraden had, berouw, daar hij zag, dat Hij veroordeeld was, en hij bracht de dertig zilverlingen aan de overpriesters en oudsten terug, en hij sprak: Ik heb gezondigd, onschuldig bloed verraden! Maar zij zeiden: Wat gaat ons dit aan? Gij moet zelf maar zien wat ervan komt! En de zilverlingen in de tempel werpende, verwijderde hij zich; daarop ging hij heen en verhing zich. De overpriesters namen de zilverlingen en zeiden: Wij mogen die niet in de offerkist doen, want het is bloedgeld. En zij namen het besluit daarvoor het land van de pottenbakker te kopen als begraafplaats voor de vreemdelingen. Daarom heet dat land Bloedakker, tot heden toe. Toen werd vervuldhetgeen gesproken is door de profeet Jeremia, toen hij zeide: En zij namen de dertig zilverlingen, de geschatte waarde van de geschatte, die zij geschat hadden van de kinderen Israëls, en gaven die voor het land van de pottenbakker, gelijk de Here mij had opgedragen.” (Math 27:3-10)

 

  • En een hele duidelijke tekst: “Hij zeide tot hen: Dit zijn mijn woorden, die Ik tot u sprak, toen Ik nog bij u was, dat alles wat over Mij geschreven staat in de wet van Mozes en de profeten en de psalmen moet vervuld worden.” (Lukas 24:44).

 

De aankondiging van het van te voren geprofeteerde Koninkrijk begon met het optreden van de wegbereider, Johannes de Doper. Hij zei: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen.” De Heere herhaalt zelf deze boodschap. Het Koninkrijk wat voor Israël zal worden opgericht met Christus als hun Koning. En vanuit Israël zal dan het heil uitgaan. Dán zal Israël werkelijk het middelpunt van de gehele aarde zijn. Dán (te dien dage) zullen Jacobs woorden in vervulling gaan:

  • De scepter zal van Juda niet wijken, noch de heersersstaf tussen zijn voeten, totdat Silo komt, en Hem zullen de volken gehoorzaam zijn.

 

Samengevat hebben we zo mogen zien, dat de Heere in de Evangelieën niet tot ons spreekt, maar in eerste instantie tot de Zijnen. Johannes 1:11 zegt dat duidelijk:

  • Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”

 

Maar er staat meer, en dat laat eigenlijk ook zien, dat het Johannes Evangelie een specifiek andere plaats inneemt dan de eerste drie Evangeliën, want Johannes spreekt wel degelijk tot de gelovigen van nu:

  • Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in Zijn Naam geloven; die niet uit bloed, noch uit de wil des vlezes, noch uit de wil eens mans, doch uit God geboren zijn.” (Joh 1:12-13).

 

En dit laatste geldt wel voor ons, alhoewel we hierdoor niet alle profetieën aan Israël gedaan, ook op onszelf moeten toepassen.

Door de eeuwen heen ging men (de gelovigen) ervan uit, dat Christus op aarde is gekomen voor de gehele wereld, en dát is juist, want de Heere heeft op Golgotha voor de zonde der gehele wereld betaald. Maar velen waren en zijn ook van mening, dat alles wat de Heere Jezus verkondigd heeft, voor nu, en voor iedereen geldt, en dit laatste is niet juist!

 

Schrijver dezes heeft gemeend deze feiten op een rijtje te mogen zetten, omdat we zonder inzicht in deze dingen nooit tot een goed zicht in de Schrift kunnen komen, en Hem niet recht leren kennen. En dat “kennen van Hem” ging het om in deze bijbelstudie.

 

Natuurlijk is het een geweldige Waarheid dat De Heere Zijn heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, heeft opgegeven, en dat Hij door Zijn gehoorzaamheid alles heeft volbracht, en de zonde der gehele wereld heeft verzoend! Daarmee heeft Hij de ganse wet vervuld. Hij was het enige offer dat de prijs kon betalen voor altijd! Nooit hoeft er meer enig offer voor de zonden te worden gebracht.

HET IS VOLBRACHT!

 

Deel 8 volgt DV

Bert Boersma December 2009 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 8)

Tijdens de aanwezigheid van de Heere Jezus op aarde heeft Hij gedurende ongeveer drie jaar de Zijnen (Israël) de mogelijkheid gegeven om Hem te leren kennen. Overal waar Hij kwam, trad de Heere openlijk op. Alleen begon Hij op een gegeven moment in gelijkenissen te spreken, die gelijkenissen waren voor de meeste toehoorders niet in hun werkelijke betekenis te verstaan. Slechts enkelen konden verstaan wat de Heere werkelijk verkondigde, namelijk het komende Koninkrijk, waar Christus als Koning over de Zijnen zou heersen. (Math 13:10-16).

 

De Spijziging van de Vijfduizend

Een mooi voorbeeld van die verkondiging van de Heere zien we in de wonderbare spijziging van de vijfduizend, die we lezen o.a. in Lukas 9. Hier laat de Heere op wondermooie manier zien wat de zegeningen van het Koninkrijk Gods omvatten. De discipelen zagen dat het avond begon te worden, en zien het niet zitten dat die grote schare de avond, en misschien wel de nacht zonder eten zou moeten doorbrengen in die eenzame plaats. Daarom dringen ze er bij de Heere op aan om de schare maar weg te sturen, zodat zij ergens in de omtrek onderdak en eten zouden kunnen vinden.

 

Maar dan zegt de Heere: “Geeft gij hun te eten”. Een wonderlijk antwoord, want ja, nadat de discipelen wat hadden rond gevraagd, hadden ze vijf broden en twee vissen, amper genoeg voor de Heere en de twaalven. Zij zeggen dan ook: “Wij hebben niet meer dan vijf broden en twee vissen, of wij zouden moeten heengaan om voor al dit volk voedsel te kopen.” Er waren daar ongeveer vijfduizend man. Dan zegt de Heere: “Laat hen gaan zitten in groepen van ongeveer vijftig.” Dit gebeurde, en

  • Toen nam Hij de vijf broden en de twee vissen, en Hij zag op naar de hemel, sprak de zegen uit en brak ze, en Hij gaf ze aan de discipelen om ze aan de schare voor te zetten. En zij aten en werden allen verzadigd en het overschot werd door hen opgeraapt: twaalf manden met brokken.”

 

Een geweldig Bijbelgedeelte uit Gods Woord. Maar wat wil het nu eigenlijk zeggen, en waarvan getuigt deze geschiedenis? Er is sprake van 5 broden, 5000 man en groepen van 50. We weten dat het getal 5 het getal is wat Gods genade uitdrukt.

  • Dan zien we dat de vijf broden wijst op Gods genade,
  • 50 = 10 x 5 wijst op de overvloed van genade,
  • en 5000 = 1000 x 5 wijst op overweldigende overvloed van genade.
  • Brood wijst op Christus = genade brood = brood des levens, wat uitgedeeld wordt aan de wereld.

 

Dit vierde teken laat zien hoe het in de wereld gaat: Tijdens de bediening van Johannes in de afgelopen 2000 jaar (in DEZE DAGEN) is er ontelbaar veel genade in de wereld, (5 x 1000 = overvloed van genade) en duizenden komen tot geloof.

 

 

 

De vijfduizend worden gespijzigd met vijf broden en twee vissen. Het is prachtig om te zien hoe al die vijfduizend worden verzadigd.

 

  • Vers 12: “En toen zij verzadigd waren...”
  • Vers 11: “Ze konden krijgen zoveel zij wensten.”

 

Iedereen in de wereld kan worden verzadigd.

 

In dit verband mogen we ook de tekst gebruiken: “En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water (brood) des levens om niet.”

 

Er is in DEZE DAGEN genoeg te eten voor iedereen!

 

 

 

Het eindresultaat: als heel de wereld is verzadigd, is er nog veel over.

 

  • Er zijn 12 korven over = 12 is beeld voor Israël! En weet u wat ik zo mooi vindt? Wat er overblijft wordt verzameld!!!

 

Er wordt ons in het Woord verder niets meegedeeld over die twaalf manden met brokken brood, die overgebleven waren, maar wanneer we kennis hebben van het Woord, dan weten we dat God nog een plan heeft met Zijn volk Israël. En dan kan bijna niet anders, dat die twaalf korven, die er over zijn, en worden verzameld, zijn bestemd voor de twaalf stammen van Israël, die in de toekomst zullen mogen eten (tot geloof komen) als laatsten. (Vele eersten – het heil werd eerst aan Israël aangeboden – zullen de laatsten zijn).

 

  • Israël mag als laatste toch eten,
  • Gods genade is groot.
  • Er is een volheid van voeding over voor Israël (volheid = nieuwe verbond).
  • God zal de draad met Israël weer opnemen.
  • Maar daarvoor zal het nog stormen in hun leven. (grote verdrukking).

 

En dit alles wijst op de geweldige zegeningen die het gelovig Israël ten deel zal vallen tijdens het aanstaande Koninkrijk van Christus op deze aarde. Israël zal een volheid van zegen ontvangen. De Heere zal in alles zeer rijkelijk voorzien. Allen worden verzadigd en er blijft zelfs nog meer over dan waarmee ze begonnen uit te delen: twaalf manden met brokken! Deze twaalf manden wijzen ook weer op een volheid. (meer over de tekenen van de Heere in de bijbelstudie “Het Lichaam van Christus” deel 7 en 8).

 

Wie van de toehoorders heeft de Heere zo gekend, dat ze begrepen waar Hij over sprak? De Heere Jezus sprak over de zegeningen, en de overvloed, die hen ten deel zou vallen als het Koninkrijk aanbrak. Wie heeft deze woorden verstaan? We weten het niet, maar het zullen er zeer weinigen zijn geweest.

 

Soms lezen we dat er herkenning was bij een éénling, zoals het een keer gebeurde, nadat de Heere de woorden Gods had gesproken, en een vrouw uit de schare, haar stem verheffende, tot de Heere sprak:

  • Zalig de schoot, die U heeft gedragen, en de borsten, die Gij hebt gezogen.” Waarna de Heere zeide: “Zeker, zalig, die het woord Gods horen en het bewaren.” (Luk 11:27-28).

 

Een zeer kenmerkende gebeurtenis lezen we In Lukas 4, waaruit blijkt dat het volk geen idee had wie die zoon van Jozef en Maria was. En waaruit ook duidelijk blijkt dat men totaal niet was opgevoed in de verwachting van de Messias van Israël. We lezen:

  • En hij kwam te Nazaret, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren. Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging zitten.” (Luk 4:16-20).

 

Wat opvalt, is dat Heere midden in een zin ophoudt met lezen. Want in Jes 61:2 gaat de zin verder met “en een dag der wrake van onze God..........”

Maar dat wat er verder volgt was en is nog toekomst, en dat was niet aan de orde toen de Heere dit gedeelte voorlas. De Heere stopte op het juiste moment. Want de Heere zei, toen aller ogen op Hem waren gericht:

  • Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld.” (Luk 4:21).

 

En de toehoorders vonden het allemaal prachtig, want we lezen: “En allen betuigden hun instemming met Hem en verwonderden zich over de woorden van genade, die van zijn lippen kwamen” (Luk 4:22).

 

Maar de Heere doorgronde hun harten, en wist dat zij het alleen maar interessant vonden, en geen geloof zouden openbaren, en zei daarom even later:

  • Voorwaar, Ik zeg u, geen profeet is aangenaam in zijn vaderstad. Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta, bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was. En er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, doch wel Naäman de Syriër.” (Luk 4:24-27).

 

De Heere zegt eigenlijk tegen hen dat er niets veranderd is sinds de dagen van Elia en Elisa, want toen waren er door ontrouw en ongeloof vele weduwen in Israël hongerig door een hongersnood, en tot geen van haar werd Elia gestuurd, omdat ze in ontrouw leefden, maar Elia ging wel naar een een vrouw, een weduwe uit de heidenen, die geloof openbaarde! En hier laat de Heere het niet bij, maar Hij noemt nog een voorbeeld van de voortdurende ontrouw van het volk. Hij zegt dat onder het volk vele melaatsen waren in Israël ten tijde van Elisa, maar door hun ongeloof en ontrouw werd niemand van hen gereinigd, dan alleen een heiden, Naäman de Syriër.

 

De toehoorders in de synagoge van Nazaret verstonden wat de Heere zei, in die zin dat ze in de gaten hadden, dat Hij de tekortkomingen van het volk aan de kaak stelde. En dat willen ze niet horen!

  • En allen in de synagoge werden met toorn vervuld, toen zij dit hoorden. Zij stonden op en wierpen Hem de stad uit en voerden Hem tot aan de rand van de berg, waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok.” (Luk 4:28-30).

 

Ze kenden Hem niet! Voor hen had Hij de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, opgegeven, om in grote liefde als de Zoon des mensen naar die verlorenen te komen. Maar Hij werd niet verwacht, en niet herkend!

 

Er zijn talloze gebeurtenissen in de evangeliën op te sommen, waaruit het niet kennen van de persoon van Christus tot uiting komt. Eén voorbeeld wil ik toch nog noemen. Daaruit blijkt de onkunde en tevens de leugenachtigheid van de overpriesters en schriftgeleerden. Zij waren werkelijk alleen maar op eigen gewin uit:

  • En het geschiedde op een der dagen, waarop Hij het volk in de tempel leerde en het evangelie verkondigde, dat de overpriesters en schriftgeleerden met de oudsten daarbij kwamen staan, en zij spraken tot Hem zeggende: Zeg ons, krachtens welke bevoegdheid doet Gij deze dingen, of wie is het, die U deze bevoegdheid gegeven heeft? Hij antwoordde en zeide tot hen: Ik zal u ook een vraag stellen: Zegt Mij: De doop van Johannes, was die uit de hemel of uit de mensen? Zij overlegden samen en spraken: Indien wij zeggen: Uit de hemel, zal Hij zeggen: waarom hebt gij hem dan niet geloofd? Doch indien wij zeggen: uit de mensen, dan zal het volk als één man ons stenigen, want het is ervan overtuigd, dat Johannes een profeet was. En zij antwoordden, dat zij niet wisten, vanwaar deze was. En Jezus zeide tot hen: Dan zeg Ik u ook niet, krachtens welke bevoegdheid Ik deze dingen doe.” (Luk 20:1-8).

 

De overpriesters en de schriftgeleerden wilden de Heere een valstrik zetten, en daarom stelden zij Hem deze vraag. En de Heere stelt een tegenvraag. En dan gaan ze op arglistige wijze overleggen. Om hun eigen hachje te redden, gaan ze keihard liegen. Tegen beter weten in, willens en wetens zeggen ze het niet te weten.

 

De Zoon des Vaders en de zoon des vaders

Uiteindelijk dan werd de Heere voor de stadhouder gesteld.

  • En de stadhouder ondervroeg Hem en zeide: Zijt Gij de Koning der Joden? Jezus zeide: Gij zegt het. En op de (valse) beschuldiging, die de overpriesters en oudsten tegen Hem inbrachten, antwoordde Hij niets. Toen zeide Pilatus tot Hem: Hoort Gij niet, hoeveel zij tegen U getuigen? En Hij antwoordde hem op geen enkele vraag, zodat de stadhouder zich zeer verwonderde. Nu was de stadhouder bij elk feest gewoon een gevangene, ter keuze van de schare, los te laten. Zij hadden toen een berucht gevangene, genaamd Barabbas. Daar zij nu toch bijeen waren, zeide Pilatus tot hen: Wie wilt gij, dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt? Want hij wist, dat zij Hem uit nijd hadden overgeleverd. Terwijl hij nu op de rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem de boodschap: Bemoei u toch niet met die rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden. Maar de overpriesters en de oudsten overreedden de scharen, dat zij om Barabbas zouden vragen, maar Jezus zouden laten ter dood brengen. De stadhouder antwoordde en zeide tot hen: Wie van die twee wilt gij, dat ik u loslaat? Zij zeiden: Barabbas. Pilatus zeide tot hen: Wat moet ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt? Zij zeiden allen: Hij moet gekruisigd worden! Hij zeide: Wat heeft Hij dan toch voor kwaad gedaan? Zij schreeuwden des te meer: Hij moet gekruisigd worden! Toen Pilatus zag, dat niets baatte, maar dat er veeleer oproer ontstond, nam hij water, wies zich de handen ten aanschouwen van de schare en zeide: Ik ben onschuldig aan zijn bloed; gij moet zelf maar zien, wat ervan komt. En al het volk antwoordde en zeide: Zijn bloed kome over ons en over onze kinderen! Toen liet hij hun Barabbas los, maar Jezus geselde hij en hij gaf Hem over om gekruisigd te worden. (Math 27:11-26).

 

Bar-abbas betekent “zoon des vaders”. In wezen vroeg Pilatus aan de Joden, al had hij dat zelf niet in de gaten: “welke “zoon des vaders” zal ik loslaten? Want “Bar-abbas” betekent “zoon van de vader”. Pilatus maakte er zich wel wat al te gemakkelijk vanaf. Hij liet het volk kiezen tussen een moordenaar en Iemand die de mensheid zo intens liefhad dat Hij zichzelf ervoor opofferde. Daar stonden ze dan met z'n tweëen naast elkaar: Jezus, de Zoon van de Vader, en Bar-abbas, de zoon van een andere vader, de zoon van satan. En het opgehitste volk koos onder leiding van hun voorgangers voor de “zoon van satan”.

 

Toen de Heiland der wereld aan het kruis hing, liet Pilatus een opschrift schrijven en op het kruis plaatsen;

  • Er was geschreven: Jezus, de Nazoreeër, de Koning der Joden. Dit opschrift dan lazen vele der Joden, want de plaats, waar Jezus gekruisigd werd, was dicht bij de stad, en het was geschreven in het Hebreeuws, in het Latijn en in het Grieks.” (Joh 19:19-20). Zonder het waarschijnlijk te beseffen, had Pilatus de waarheid opgeschreven.

 

Maar dit was natuurlijk een aanfluiting voor de overpriesters en de schriftgeleerden, en zij zeiden tegen Pilatus:

  • Schrijf niet: De Koning der Joden, maar dat Hij gezegd heeft: Ik ben de Koning der Joden. Pilatus antwoordde: Wat ik geschreven heb, dat heb ik geschreven.” (Joh 19:21-22).

 

En dan volgt er een prachtig bijbelgedeelte, wat aantoont hoe God er voor zorgt dat de profetie vervuld wordt.

  • Toen dan de soldaten Jezus gekruisigd hadden, namen zij zijn klederen en maakten daarvan vier delen, voor iedere soldaat één deel, en zijn onderkleed. Dit kleed nu was zonder naad, aan één stuk geweven. Zij zeiden dan tot elkander: Laten wij dit niet scheuren, maar erom loten, voor wie het zijn zal; zodat het schriftwoord vervuld werd: Zij hebben mijn klederen onder elkander verdeeld en over mijn kleding hebben zij het lot geworpen.” (Joh 19:23-24).

 

In Psalm 22:19 staat:

  • Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad.”

 

Zouden die Romeinse soldaten geweten hebben wat er Psalm 22 stond? Ik weet bijna wel zeker dat ze dat niet wisten. Daarom is dit een getuigenis van de Waarheid van Gods Woord. God gebruikt hier heidense soldaten om de profetie in vervulling te laten gaan.

 

En we weten hoe het toen is afgelopen. De Heere stierf aan het kruis. Hij bracht het enige offer wat de zonden kon verzoenen. Hij die zonder zonde werd voor ons tot zonde gemaakt. Hij die vol van Goddelijke liefde was voor de Zijnen, werd door Zijn broeders naar het vlees aan het kruishout genageld. En zelfs toen rekende Hij het hun dat niet toe, want aan het kruis bad Hij tot de Vader:

  • Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” (Luk 23:34).

 

En dat de Vader dat gebed verhoort heeft zien we de volgende keer.

 

Bij dit alles moeten we wel bedenken, als wij toen hadden geleefd, zouden wij één haar beter zijn geweest? Ik denk het niet. Hadden de Joden thuis de boekrollen van de profeten, waaruit ze zelfstandig konden leren? Natuurlijk niet, die boekrollen lagen in de synagogen, en na op de sabbath gelezen te zijn, werden ze als heilige boeken weer weggestopt. De verantwoordelijkheid van de kennis van het volk lag bij de schriftgeleerden. Daarom past het ons ook niet om veroordelend over deze dingen te spreken, dat is ook nooit mijn bedoeling. Alleen hoop ik dat al deze dingen ons tot lering mogen zijn. Wij staan nu achter de feiten. We hebben een compleet Woord van God, waar we te allen tijde uit kunnen putten, en dan past ons maar één ding, dat ons leven één dankgebed is voor alle zegeningen waar we in Christus doot Zijn genade deel aan mogen hebben. Daarvan spreekt het Woord tot ons die geloven!

 

Deel 9 volgt DV

Bert Boersma Januari 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

  

Hem Kennen....... (deel 9)

De vorige keer zijn we geëindigd met de bede van de Heere, toen hij aan het Kruis hing:

  • Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen.” (Luk 23:34).

 

Deze bede gold allen die verantwoordelijk waren voor de kruisiging van de Heere. Zij wisten niet waar ze mee bezig waren. Het is in dit verband wel bijzonder te vermelden, dat er nóg één was, die ook niet in de gaten had wat er aan het Kruis gebeurde. Deze persoon dacht een hele slag te slaan door Christus, de Zoon van God, door Zijn broeders naar het vlees, aan het Kruis te laten nagelen. Deze persoon was satan. De satan dacht de overwinning te hebben behaald, want hij had zijn uiterste best gedaan door middel van zijn “adderengebroed” de Heere te laten sterven aan het kruis. Maar juist het tegendeel was waar. Juist door te sterven, had Hij, die zonder zonde was, de zonde der gehele wereld op Zich genomen. En juist door te sterven had de Heere de weg naar de Vader geopend toen Hij zei: “Het is volbracht!”

 

Altijd is satan bezig geweest Gods plannen te dwarsbomen. Reeds vanaf den beginne in de Hof van Eden, waar hij overigens meteen al de nederlaag leed, door Gods belofte aan het zaad van de vrouw. Door het hele Woord zien we hoe satan bezig is geweest met Gods volk Israël, van de Heere af te trekken. Maar steeds falen zijn plannen omdat hij voortdurend in de duisternis tast omtrent Gods plan der eeuwen. Hij is de vorst der duisternis, en heeft geen geestelijke ogen om te ontwaren waar het uiteindelijk op uit loopt.

 

De Farizeeën en de Schriftgeleerden dachten waarschijnlijk dat met het sterven van de Heere alles wat hun bedreigde nu mooi achter de rug was. Maar toch vertrouwden ze het nog niet, want de Heere had er ook wel eens over gesproken, dat Hij na drie dagen weer zou opstaan. Daarom gingen de overpriesters en de Farizeeën gezamenlijk naar Pilatus, en zij zeiden:

  • Heer, wij hebben ons herinnerd, dat die verleider bij zijn leven gezegd heeft: Na drie dagen word Ik opgewekt. Geef daarom bevel het graf te verzekeren tot de derde dag; anders konden zijn discipelen Hem komen stelen, en tot het volk zeggen: Hij is opgewekt uit de doden, en de laatste dwaling zou erger zijn dan de eerste.” Pilatus zeide tot hen: “Hier hebt gij een wacht, gaat heen en verzekert het naar uw beste weten.” Zij gingen heen en verzekerden het graf met de wacht, na de steen verzegeld te hebben.” (Math 27:62-66).

 

Dwazen, zij dachten de Zoon van God achter een steen gevangen te kunnen houden. Maar het word nog erger. Want toen de Heere werkelijk was opgestaan, kwamen enigen van de soldaten in de stad om de overpriesters al het gebeurde te berichten. Namelijk dat de Heere werkelijk was opgestaan, en dat het graf leeg was.

  • En in een vergadering met de oudsten kwamen zij tot een besluit en zij gaven de soldaten veel geld, en zij zeiden: “Zegt, zijn discipelen zijn des nachts gekomen en hebben Hem gestolen, terwijl wij sliepen. En indien dit de stadhouder ter ore komt, wij zullen het in orde brengen en maken, dat gij buiten moeite blijft.” En de soldaten namen het geld aan en deden zoals hun gezegd was. En dit gerucht is onder de Joden verbreid tot [de dag van] heden toe.” (Mat 28:11-15).

 

Nota bene, de geestelijke leidslieden van toen logen keihard om geen gezichtsverlies te lijden, en hadden veel geld over om de leugen onder hun aanhang te verspreiden. En het is inderdaad waar dat deze leugen heden ten dage nog wordt geloofd door de joden.

 

Het Woord kennen = Christus kennen

Voor we verder gaan eerst iets anders. Door het Woord leren we “Hem Kennen”. Hem leren kennen betekent niet meer en niet minder dan dat we het Woord leren kennen, en vooral dat we het Woord leren verstaan in de juiste context. Dat bedoelde Timoteüs ons te zeggen wanneer hij schrijft:

  • Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid.” (2 Tim 2:15).

 

In het Johannes evangelie lezen we:

  • In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God.” (Joh 1:1).

 

Anders gezegd:

  • In den beginne was Christus, en Christus was bij God, en Christus was God.”

 

Johannes 1:14 zegt:

  • Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid.”

 

Dus samengevat wil dit alles zeggen dat wanneer we Christus willen leren kennen, dat we ons dan bezig moeten houden met het Woord, want alleen uitsluitend door het Woord laat Hij Zich kennen.

 

En dan gaan we naar het boek Handelingen om te zien hoe het verder gaat met Israël. De opgestane Heiland heeft Zich ook na zijn lijden met vele kentekenen levend vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft. We mogen aannemen dat er ongeveer 120 man bijeen waren, getuige Hand 1:15.

 

Dan weten we ook meteen hoe groot de “aanhang” van de Heere te dien dage ongeveer was. Ongeveer 120 man, die zich niets aantrokken van de leugens en verdraaierijen van de overpriesters en de schriftgeleerden. Geweldig om te lezen dat zij (die 120) veertig dagen lang door de Heere zelf onderwezen werden aangaande alles wat het Koninkrijk Gods betreft. Die mensen kregen hun kennis over de toekomstige dingen rechtstreeks van de Heere zelf. Het is dan ook geen wonder, wanneer over deze dingen van het aanstaande Koninkrijk wordt gesproken, dat zij aan de Heere vragen: “Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël? (Hand 1:6).

 

Waarop de Heere antwoordde:

  • Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde.” (Hand 1:7-8).

 

In de grondtekst staat hier niet “uiterste der aarde”, maar er had vertaald moeten worden “uiterste van het land”. En die opdracht hebben de discipelen ook uitgevoerd. Ze zijn nooit tot het uiterste der aarde geweest, omdat dat hun opdracht ook niet was.

 

Nog steeds was Gods rijke genade-hand uitgestoken naar het volk Israël in de Handelingen periode. Nog steeds werd (ook na het kruis) het heil aan Israël aangeboden. Ondanks dat het volk voor Barabbas, de zoon van de verkeerde vader had gekozen, kreeg het volk een herkansing. Het hele boek Handelingen laat zien dat Israël een tweede kans kreeg. Meteen in Handelingen 2 begint het al. We lezen:

  • En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen.” (Hand 2:1).

 

We moeten ons altijd afvragen bij het lezen: Tegen wie wordt er gesproken, en over wie gaat het? Doen we dat niet dan wordt het Woord één warboel, en dan passen we alles maar lukraak toe op willekeurige personen.

 

Wie waren daar bijeen op de pinksterdag? Die 120 man, die in Jeruzalem in een bovenzaal bijeen waren gekomen. En aan hen vertoonden zich tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij (die Joden) werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. (Hand 2:2-3).

 

Is de “Kerk” op de pinksterdag ontstaan?

Men gaat er altijd van uit dat de christelijke gemeente is ontstaan op de Pinksterdag in Jeruzalem. Maar dan mijn oprechte vraag: “Waar lezen we dat in Gods Woord?” Niets in Handelingen geeft aanleiding om te veronderstellen dat de “kerk” zoals wij die nu kennen is ontstaan op de pinksterdag te Jeruzalem. Dat is ons door de eeuwen wel altijd voorgespiegeld. Alle leerstellige kerkelijke geschriften ademen ook de sfeer dat de Kerk de plaats van Israël inneemt.

Enkele voorbeelden:

De Dordtse Leerregels beginnen met:

  • Onder de zeer vele vertroostingen, dewelke onze Heere en Zaligmaker Jezus Christus aan zijn strijdende Kerk in deze ellendige pelgrimage gegeven heeft, wordt deze met recht de voornaamste geacht, die Hij haar heeft nagelaten, als Hij tot zijn Vader in het hemelse Heiligdom zoude ingaan, zeggenden: "Ik ben met u al de dagen tot aan de voleinding der wereld". De waarheid van deze vriendelijke belofte is blijkelijk in de Kerk van alle tijden.”

 

ARTIKEL 27 van de Nederlandse geloofsbelijdenis, die handelt over “de katholieke of algemene kerk”:

  • Wij geloven en belijden één katholieke of algemene kerk. Zij is een heilige vergadering van de ware gelovigen, die al hun heil verwachten van Jezus Christus, gewassen zijn door zijn bloed, geheiligd en verzegeld door de Heilige Geest. Deze kerk is er geweest vanaf het begin van de wereld en zal er zijn tot het einde toe. Want Christus is een eeuwig Koning, die niet zonder onderdanen kan zijn. Deze heilige kerk wordt door God staande gehouden tegen het woeden van de hele wereld, hoewel zij soms een tijdlang zeer klein en ogenschijnlijk verdwenen is. Zo heeft de Here gedurende de gevaarlijke tijd onder Achab zevenduizend mensen voor Zich bewaard, die hun knieën voor Baäl niet gebogen hadden. Ook is deze heilige kerk niet gevestigd in, gebonden aan, of beperkt tot een bepaalde plaats, of gebonden aan bepaalde personen, maar zij is verbreid en verstrooid over heel de wereld. Toch is zij met hart en wil samengevoegd en verenigd in eenzelfde Geest, door de kracht van het geloof.”

 

Tot zover enkele citaten uit de belijdenis geschriften. Door deze leerstellingen door te voeren, plakken we eigenmachtig een andere adres op Gods brieven, op Gods Woord! Wanneer de Heere in het Oude Testament zeer duidelijk bepaalde geadresseerden op het oog heeft, dan is toch duidelijk aan wie dat Woord is gericht. Namelijk aan hen die God uit het land Egypte heeft bevrijdt. Wanneer we naar al de beloften kijken, die God zeer specifiek aan dat volk Israël, Zijn “oogappel” geeft, dan zijn die beloften ook alleen voor dat volk bestemd! We zien dat nu niet, maar uit het Woord kunnen we weten dat Israël een geweldige toekomst heeft. Want God liegt niet, en Zijn beloften zijn werkelijk onberouwelijk.

 

Wanneer aan koning David wordt beloofd dat zijn Koninkrijk “voor altoos” zal vast staan, dan is dat zo. Dan is dat niet een ander Koninkrijk, maar dan is dat het Koninkrijk van Israël. (1 Kon 2:45,

 

1 Kron 22:10, Ps 132:11). De profeet Jesaja laat er geen twijfel over bestaan Wie er Koning zal worden op de troon van David, en wanneer dat zal geschieden:

  • Het volk (Israël) dat in donkerheid wandelt, ziet een groot licht; over hen die wonen in een land van diepe duisternis, straalt een licht. Gij hebt het volk (Israël) vermenigvuldigd, zijn vreugde groot gemaakt; het verheugt zich voor uw aangezicht als met de vreugde bij de oogst, zoals men juicht bij het verdelen van de buit. Want het juk (verdrukking) dat het drukte, en de stang op zijn schouder, de roede van zijn drijver, hebt Gij verbroken als op Midjansdag. Want elke schoen die dreunend stampt, en elke mantel, in bloed gewenteld, zal verbrand worden, een prooi van het vuur. Want een Kind is ons (Israël) geboren, een Zoon is ons gegeven, en de heerschappij rust op zijn schouder en men noemt hem Wonderbare Raadsman, Sterke God, Eeuwige Vader, Vredevorst. Groot zal de heerschappij zijn en eindeloos de vrede op de troon van David en over zijn koninkrijk, doordat hij het sticht en grondvest met recht en gerechtigheid, van nu aan tot in eeuwigheid.De ijver van de HERE der heerscharen zal dit doen. (Jes 9:1-6).

 

Wanneer we al deze teksten vergeestelijken, en net doen alsof de kerk dat volk is wat in donkerheid wandelt, dan doen we Gods profetie geen recht, en dan zien we ook de toekomst van Gods volk Israël niet. Dan zullen we Gods Woord niet verstaan, en wanneer we het Woord niet verstaan zullen we Hem nooit leren kennen!

 

Het is erg jammer dat de “kerk” bepaalde leerstellingen op dusdanige wijze heeft vastgelegd, dat deze als fundament zijn gaan gelden. Een fundament van waaruit men het Woord is gaan uitleggen. Een fundament kan goed zijn, maar als dit gegrond is op menselijke redeneringen, leidt dit tot misvattingen. Bovendien zijn vastgelegde leringen een “sta in de weg” voor een verdere groei in het Woord van God. Wanneer iets vast ligt kan dat niet meer veranderen. En dan is groei in het geloof (= verandering) onmogelijk gemaakt. En de Heere wil ons juist wel laten groeien in het geloof. Hij wil dat we “opwassen” tot zonen.

 

Met bovenstaande opvatting heb ik niemand persoonlijk willen kwetsen, maar als gelovigen hebben we de plicht om rechte voren te trekken bij het brengen van het Woord der Waarheid. Door alle eeuwen heen is er veel verwarring geweest over uitleggingen van het Woord. Om vastigheid te krijgen, heeft men eeuwen geleden gemeend zaken uit het Woord vast te moeten leggen, menende dat daarmee de zaken waren opgelost. Maar daarmee had men het leven en “het opwassen” uit het Woord gehaald, en was het een dode Letter geworden. Daarom moeten we altijd naar het levende Woord om te onderzoeken wat de Heere ons Zelf in Zijn Woord wil leren.

 

Het Heil aan Israël verkondigd

De geschiedenis betreffende Israël gaat in de Handelingen gewoon door. Het heil, in de vorm van het aanstaande Koninkrijk werd in de Handelingen nog steeds aan Israël verkondigd, zoals we zullen zien. Ook de bij het aanstaande Koninkrijk behorende wonderen en tekenen waren aanwezig, en werden nu door de apostelen zichtbaar gemaakt. Alleen de Koning zelf was niet meer onder hen.

 

We lezen verder in Hand 2:

  • Nu waren er Joden te Jeruzalem woonachtig, vrome mannen (Joden) uit alle volken onder de hemel; en toen dit geluid gekomen was, liep de menigte (diezelfde Joden) te hoop en verbaasde zich, want een ieder hoorde hen in zijn eigen taal spreken. En buiten zichzelf van verwondering zeiden zij (diezelfde Joden): Zie, zijn niet al dezen, die daar spreken, Galileeërs? En hoe horen wij hen dan een ieder in onze eigen taal, waarin wij geboren zijn? Parten, Meden, Elamieten, inwoners van Mesopotamië, Judea en Kapadocië, Pontus en Asia, Frygië en Pamfylië, Egypte en de streken van Libië bij Cyrene, en hier verblijvende Romeinen, zowel Joden als Jodengenoten, Kretenzen en Arabieren, wij (allen Joden) horen hen in onze eigen taal van de grote daden Gods spreken. En zij waren allen buiten zichzelf en geheel met de zaak verlegen, en zij zeiden de een tot de ander: Wat wil dit toch zeggen? Maar anderen zeiden spottend: Zij hebben te veel zoete wijn gehad!” (Hand 2:5-13).

 

Tot nu toe hebben wij geen andere toehoorders kunnen ontdekken dan Joden of Jodengenoten.

Dan gaat Petrus verder met spreken:

  • Gij Joden en allen, die te Jeruzalem woonachtig zijt............” (Hand 2:14)
  • Mannen van Israël, hoort deze woorden.........” (Hand 2:22)
  • Mannen broeders...........” (Hand 2:29)
  • Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten, dat God Hem èn tot Here èn tot Christus gemaakt heeft, deze Jezus, die gij gekruisigd hebt.” (hand 2:36)

 

Dit zijn enkele voorbeelden waaruit duidelijk blijkt tot wie Petrus op de Pinksterdag sprak. Maar ook uit wat er verder staat blijkt duidelijk dat het alleen maar over Joden kon gaan:

  • In Hand 2:16-21 wordt de profetie van Joël aangehaald, die in Joël uitsluitend tot Israël was gericht, en waarvan we hier op de Pinksterdag een gedeeltelijke voor-vervulling zien, ook uitsluitend bestemd voor Israël.
  • Jezus, de Nazoreeër, een man u (= Israël) van Godswege aangewezen door krachten, wonderen en tekenen, die God door Hem in uw midden (in Israël) verricht heeft, zoals gij zelf weet, deze, naar de bepaalde raad en voorkennis van God uitgeleverd, hebt gij (Israël) door de handen van wetteloze mensen aan het kruis genageld en gedood.” Hand 2:22-23)
  • Wat moeten wij doen, mannen broeders? En Petrus antwoordde hun: Bekeert u en een ieder van u late zich dopen op de naam van Jezus Christus, tot vergeving van uw zonden, en gij zult de gave des heiligen Geestes ontvangen. Want voor u (Israël) is de belofte en voor uw kinderen en voor allen, die verre (stammen in de verstrooiing) zijn, zovelen als de Here, onze God, ertoe roepen zal. (Hand 2:37-39)

 

Wanneer we dan lezen, “Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen toegevoegd”, over wie gaat het dan? Gaat het hier over het ontstaan van de “kerk”, of gaat het hier over het volk Israël? Wanneer we nauwkeurig het Woord lezen, zullen we ontdekken dat het over het volk Israël gaat. Een tekst die zeker in dit verband niet mag ontbreken, is Hand 3:17-20:

  • En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende.”

 

Deze verkondiging én verwachting voor Israël lopen als een rode draad door het gehele boek Handelingen, zoals we de volgende keer zullen zien.

 

Deel 10 volgt DV

Bert Boersma, Januari 2010, boersmabpost@kpnmail.nl

 

  

Hem Kennen....... (deel 10)

De verkondiging aan, én de verwachting voor Israël lopen als een rode draad door het gehele boek Handelingen, zoals we de vorige keer reeds hebben opgemerkt. We gaan proberen die rode draad in het boek handelingen te ontdekken.

 

We zijn de vorige keer geëindigd met de Tekst uit Hand 3:17-20, waaruit duidelijk blijkt dat Israël na het kruis opnieuw de kans krijgt om tot geloof in de Christus der Schriften te komen, de Christus die speciaal voor hen bestemd was. En wanneer Israël als volk tot bekering en geloof in de Christus zou komen, dan zouden er tijden van verademing komen.

 

En dan lezen we verder wat Petrus tot het volk spreekt:

  • Mozes toch heeft gezegd: De Here God zal u een profeet doen opstaan uit uw broeders, gelijk mij: naar hem zult gij horen in alles wat hij tot u spreken zal; en het zal geschieden, dat alle ziel, die naar deze profeet niet hoort, uit het volk zal worden uitgeroeid. En al de profeten, van Samuël af en vervolgens, zovelen er hebben gesproken, hebben ook deze dagen aangekondigd. Gij zijt de zonen van de profeten en van het verbond, dat God met uw vaderen gemaakt heeft, toen Hij tot Abraham zeide: En in uw nageslacht zullen alle stammen der aarde gezegend worden. God heeft in de eerste plaats voor u (Israël) zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.” (Hand 3:22-26).

 

Met eigen woorden uitgedrukt staat hier: Uit Israël zal een profeet opstaan net als Mozes, en naar die Profeet zult gij (Israël) horen, en wie niet horen wil, moet daar de gevolgen van ondervinden. Bovendien hebben alle profeten van Samuël af, over deze dagen gesproken. En gij Israël, zijt de zonen van de profeten, en gij zijt het nageslacht van hen, met wie God een verbond heeft gesloten. En vers 26 is heel duidelijk:

  • God heeft in de eerste plaats voor u (voor Israël) zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.” (Hand 3:22-26).

 

Deze verkondiging ging er bij de leidslieden van Israël helemaal niet in, want zij hadden juist hun best gedaan om alles wat met Jezus te maken had in de kiem te smoren, en hadden daarbij grove leugens niet geschuwd. Daarom lezen we in Handelingen 4:

  • En terwijl zij (Petrus en Johannes) tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden; en zij sloegen de handen aan hen en stelden hen in bewaring tot de volgende dag, want het was reeds avond. Maar velen van hen (Joden), die het woord gehoord hadden, werden gelovig, en het getal der mannen werd ongeveer vijfduizend.” (Hand 4:1-4). Hieruit blijkt dat deze vijfduizend allen Joden waren.

 

Omdat God nog een opdracht had voor Petrus en Johannes aangaande zijn volk, kwamen beiden weer vrij. Allen die tot geloof gekomen waren verheugden zich daarover en gaven God alle eer. (Hand 4:23-31).

 

Het kan heel goed gebeuren dat vertalingen of bepaalde opschriften in de Bijbel ons op het verkeerde been zetten. Wanneer we in Handelingen 4 de laatste alinea bekijken, dan staat daar boven in de NBG: “Het Leven der Gemeente”, en in de St, Vert. staat er boven: “Vrijwillige gemeenschap van goederen bij de eerste Christenen”. Deze “bovenschriften” zijn geen geïnspireerde teksten, en komen dus niet in de grondtekst van de Bijbel voor, maar om de Bijbel in te delen in leesbare gedeelten, zijn deze opschriften door de vertalers toegevoegd. Maar het kan wel verwarring stichten, want men zegt veelal: “Zie je wel, dat gaat over de gemeente van de eerste Christenen, en dan bedoelt men, dat de gemeente van gelovigen, zoals wij die heden ten dage kennen, daar toen reeds aanwezig was. En dat is dus niet het geval. We hebben al gezien dat het uitsluitend Joden betreft, ook in dit laatste gedeelte van Handelingen 4 betreft het bovengenoemde Joden met speciaal voor hen bestemde beloften, die niet aan de hedendaagse “gemeente” of “kerk” zijn gericht.

 

Betreft het dan geen gemeente? Ja zeker betreft het een gemeente. Maar dan een gemeente van tot geloof gekomen Joden, die hadden geluisterd naar de voor hen geldende beloften, de boodschap van Petrus, die had verkondigd, dat er voor het volk “tijden van verademing” zouden komen, als ze wilden ingaan op de boodschap. Dit betekende dat het Koninkrijk voor Israël zou aanbreken. Op die boodschap was de “gemeente” van zo'n 5000 ingegaan. (Hand 4:4).

 

In Handelingen 5 zien we dat de apostelen de bij dat aanstaande Koninkrijk behorende wonderen en tekenen onder het volk mochten verrichten:

  • En door de handen der apostelen geschiedden vele tekenen en wonderen onder het volk; en zij waren allen eendrachtig bijeen in de zuilengang van Salomo. [hier mochten geen heidenen komen] Doch van de anderen durfde niemand zich bij hen aansluiten, maar het volk stelde hen hoog. En des te meer werden er toegevoegd, die de Here geloofden, tal van mannen zowel als vrouwen, zo zelfs, dat men de zieken op straat droeg en op bedden en matrassen legde, opdat, wanneer Petrus voorbijkwam, ook maar zijn schaduw op iemand van hen zou vallen. En ook de menigte uit de steden rondom Jeruzalem stroomde toe en bracht zieken en door onreine geesten gekwelden mede. En zij werden allen genezen.” (Hand 5:12-16).

 

  • Wat we verder lezen in Handelingen 6, 7 en 8 gaat uitsluiten over gelovige Joden, over hun geschiedenis en voor hun bestemde beloften. In Hand 6 lezen we over de aanstelling van Stefanus.

 

  • En Stefanus, vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. Doch er stonden sommigen op van hen, die waren van de zogenaamde synagoge der Libertijnen, der Cyreneeërs en der Alexandrijnen en van de Joden uit Cilicië en Asia en redetwistten met Stefanus.” (Hand 6:8-9). We zien ook hier allemaal Joden, die tegen Stefanus in verzet kwamen.

 

Maar Stefanus sprak met zoveel kracht en wijsheid en overtuiging, dat zij “niet bij machte waren de wijsheid en de Geest, waardoor hij sprak, te weerstaan.” (Hand 6:10). Maar eigenlijk waren zij met zoveel haat en afkeer vervuld tegen alles wat met de leer van die Jezus te maken had, dat zij koste wat het koste een eind wilden maken aan het optreden van Stefanus. Ze vroegen valse mannen, en waarschijnlijk ook nog invloedrijke mannen, om leugens te verspreiden onder het volk:

  • Toen schoven zij mannen naar voren, die zeiden: Wij hebben hem lasterlijke woorden tegen Mozes en God horen spreken. En zij brachten zowel het volk als de oudsten en de schriftgeleerden in opschudding; en op hem aandringende, sleepten zij hem mede en leidden hem voor de Raad, en voerden valse getuigen aan, die zeiden: Deze mens spreekt onophoudelijk lasterlijke woorden tegen [deze] heilige plaats en de wet, want wij hebben hem horen zeggen, dat deze Jezus, de Nazoreeër, deze plaats zal afbreken en de zeden veranderen, die Mozes ons heeft overgeleverd. En allen, die in de Raad zitting hadden, zagen, toen zij hem aanstaarden, zijn gelaat als het gelaat van een engel.” (Hand 6:11-15)

 

We zien ook hier weer de vader der leugen (satan) bezig om door middel van valse leugenachtige mensen de boodschap van redding en verlossing te dwarsbomen. Zo op het oog lijkt dat ook te lukken, want ondanks een zeer uitvoerige gedegen verdediging (Hand 7) van Stefanus, waren de toehoorders door hun ongeloof niet te overtuigen, maar begonnen uiteindelijk

  • luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe (ze konden en wilden het niet meer aanhoren), en stormden als één man op hem los; en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem.” (Hand 7:57-58).

 

Bij deze gelegenheid maken voor het eerst kennis met Paulus, toe nog Saulus genaamd. We lezen In Hand 7:58 dat de getuigen hun mantels aflegden aan de voeten van een jonge man, Saulus genaamd.

 

De getuigen dat zijn zij, die meehielpen om Stefanus te stenigen. Zij legden hun mantels af om de handen vrij te hebben voor de steniging van Stefanus.

 

Paulus was toen nog een jonge man, hij was opgevoed in de Schriften aan de voeten van Gamaliël. (Hand 22:2). Paulus stond erbij en keek ernaar, en de steniging had zijn volle instemming. Hier zien we wat voor “product” de Schriftgeleerden afleverden in de persoon van Saulus.

 

Deze Gamaliël was een Farizeeër in de Joodse Raad, een wetgeleerde, in ere bij het gehele volk. (Hand 5:34). En de gehele Joods raad luisterde naar hem en liet zich door hem gezeggen. (Hand 5:34-39). Deze vooraanstaande Farizeeër had de jonge man, Saulus opgeleid. Hij was dus opgevoed met de leugen dat Jezus een misleider was, die een valse boodschap bracht. En ook was Paulus geleerd dat de volgelingen van die Jezus misleiders en een gevaar voor de samenleving betekenden, een gevaar dat moest worden uitgeroeid. Later zegt Paulus dat hij de volgelingen van Jezus ten dode toe vervolgd heeft, en dat hij mannen en vrouwen in de boeien heeft geslagen en gevangen heeft gezet. (Hand 22:4-5).

 

Het is heel triest om deze dingen te moeten constateren. Niet voor niets noemt de Heere de Farizeeën adderengebroed. En hoe kan een broedsel van satan, waar Gamaliël deel van uit maakte, iets goeds voortbrengen? Saulus was een product van zijn opvoeding! Hij was doorkneed in de Schriften, maar hij kende Zijn Heiland niet.

 

Maar als de mens meent zijn doel te hebben bereikt door Stefanus te stenigen en hem op die manier monddood te hebben gemaakt, gebruikt de Heere deze dingen ten goede. Want we lezen door in Hand 8, en dan lezen we:

  • En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen. En vrome mannen droegen Stefanus ten grave en bedreven grote rouw over hem. En Saulus verwoestte de gemeente, en hij ging het ene huis na het andere binnen en sleurde mannen en vrouwen mede, en hij leverde hen over in de gevangenis.” (Hand 8:1-3).

 

Voor de gelovigen die dit allemaal moesten doorstaan was het vreselijk, maar het gevolg van hun verdrukking was wel, dat ze wegvluchten naar andere veilige oorden, waar ze hun mond niet hielden, en daar het evangelie verder verkondigden, zo verbreidde zich het evangelie juist door de verdrukking!

 

In Handelingen 9 lezen we over de ommekeer van Paulus doordat hij letterlijk en figuurlijk door de opgestane Christus in zijn kraag wordt gegrepen. Paulus was op weg naar Damascus (hij was zeer fanatiek) om daar de gelovige Joden te vervolgen en hen gevankelijk naar Jeruzalem te brengen. (Hand 9:1-3)

  • En terwijl Paulus daarheen op weg was, geschiedde het, toen hij Damascus naderde, dat hem plotseling licht uit de hemel omstraalde; en ter aarde gevallen, hoorde hij een stem tot zich zeggen: Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij? En hij zeide: Wie zijt Gij, Here? En Hij zeide: Ik ben Jezus, die gij vervolgt. Maar sta op en ga de stad binnen en daar zal u gezegd worden, wat gij doen moet. En de mannen, die met hem reisden, stonden sprakeloos, daar zij wel de stem hoorden, maar niemand zagen. En Saulus stond op van de grond en hoewel hij zijn ogen open had, kon hij niets zien, en zij leidden hem bij de hand en brachten hem naar Damascus. En hij kon drie dagen lang niet zien, en hij at of dronk niet.” (Hand 9:3-9).

 

Wat een ontzagwekkende gebeurtenis. Licht uit de hemel omstraalde Paulus. Helemaal van zijn stuk valt hij ter aarde, en dan hoort hij een stem: “Saul, Saul, waarom vervolgt gij Mij?” Paulus kende de Heere niet, en vraagt dan ook: “Wie zijt Gij, Here?” En dan maakt de Heere Zich aan Paulus bekend. Wat zal dat een gewaarwording voor Paulus zijn geweest. Dat werktuig van de Farizeeën, die “dreiging en moord blaasde tegen de volgelingen des Heren” (Hand 9:1), werd nu door Degene die hij vervolgde op de weg naar Damascus tot staan gebracht.

  • Toen Paulus enige dagen bij de discipelen te Damascus was ging hij naar de synagoge der Joden, om daar aan de Joden te verkondigen dat Jezus de Zoon van God is. En allen, die het hoorden, stonden verbaasd en zeiden: Is dit niet de man, die te Jeruzalem uitroeide, wie deze Naam aanriepen, en die hier gekomen is met het doel hen gevankelijk voor de overpriesters te brengen? Doch Saulus trad steeds krachtiger op en bracht de Joden, die te Damascus woonden, in verwarring door te bewijzen, dat deze de Christus is. (Hand 9:20-22).

 

Logisch dat de Joden in Damascus er niets meer van snapten. Wat dit een valstrik? Praatte Paulus maar wat? Dit was toch die Paulus die de Joden achtervolgde en gevangen wilde nemen? Wat was er gebeurd? En we moeten ons de situatie eens voorstellen. Er is een synagoge in Damascus. Deze stond onder leiding van Schriftgeleerden en Farizeeën, die dezelfde denkbeelden hadden als hun bondgenoten in Jeruzalem. Zij zouden Paulus helpen om de “afvalligen” die in Jezus geloofden gevangen te nemen, en naar Jeruzalem te brengen. Maar wat er nu gebeurde was in hun ogen ongehoord. Deze Paulus geloofde en verkondigde nu hetzelfde als die afvalligen die hij gevangen zou nemen. Hun wereld stond werkelijk op zijn kop. Van de leer die Paulus nu verkondigde wilden ze nu net vanaf, en nu infecteerde Paulus de toehoorders in de synagoge met deze leer over Jezus, die was opgestaan. Het is dan ook niet verwonderlijk dat we lezen dat de Joden het plan beraamden om hem te vermoorden. (Hand 9:23).

 

Maar de Heere zorgde reeds voor Paulus, en zorgde ervoor dat hun moordplannen ter kennis kwamen van Saulus. De Joden hielden dag en nacht de wacht bij de poorten om hem te vermoorden; maar de volgelingen van Paulus namen hem en lieten hem des nachts in een mand over de muur zakken. (Hand 9:24-25).

 

In ditzelfde hoofdstuk (Handelingen 9) is er voor de eerste keer sprake van “heidenen”, dat wil zeggen, zij die niet tot Israël behoren, en dus geen deel hebben aan de beloften en de hoop van Israël. In Damascus was een volgeling van Christus, die Ananias heette. De Heere sprak tot hem dat hij naar Paulus moest gaan, maar om de beruchte “mare” van Paulus verzette Ananias zich een weinig.

  • Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om Mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls;want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam.” (Hand 9:15-16).

 

Tot dusver hebben we gezien dat de verkondiging uitsluitend was gericht aan de Joden, en dat de opgerichte gemeente(n) van gelovigen in de opgestane Heer ook uitsluitend uit Joden bestond. Maar wanneer de Heere tegen Annanias zegt dat Paulus als Gods uitverkoren werktuig Zijn Naam ook onder de heidenen moet brengen, zal dat ook gebeuren. We zullen de volgende keer zien hoe dat in zijn werk gaat, en wat Gods Woord ons daarin wil zeggen.

 

Deel 11 volgt DV

Bert Boersma Januari 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 11)

We hebben gezien dat in ieder geval tot Handelingen 9 uitsluitend alleen aan de Joden het evangelie werd verkondigd, en dat voor de eerste keer de “heidenen” worden genoemd in de woorden van de Heere, die Hij tegen Ananias sprak, toen Annanias in Damascus naar Paulus werd gestuurd:

  • Maar de Here zeide tot hem: Ga, want deze is Mij een uitverkoren werktuig om Mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls;want Ik zal hem tonen, hoeveel hij lijden moet ter wille van mijn naam.” (Hand 9:15-16).

 

Paulus' Opdracht

 

De eerste keer dat we over de opdracht van Paulus lezen is bovenstaande tekst uit Handelingen 9. Paulus' optreden begint in de synagoge van Damascus:

  • "En het geschiedde, toen Saulus enige dagen bij de discipelen te Damascus was, dat hij terstond in de synagogen verkondigde, dat Jezus de Zoon van God is." (Hand 9:20).

 

Wat een ommekeer in Saulus! Werkelijk een inwendige ommekeer, die was ontstaan door de aanraking van de opgestane Christus. Hij had kennis gemaakt met Diegene die hij vervolgde! Hij had de Waarheid leren kennen. En moet u eens kijken wat direct de eerste keer al het gevolg was, dat hij in gehoorzaamheid zijn van God gegeven opdracht uitvoerde:

  • "En toen er verscheidene dagen (van prediking door Paulus), verlopen waren, beraamden de Joden het plan hem te vermoorden, maar hun toeleg kwam ter kennis van Saulus. En zij hielden dag en nacht de wacht bij de poorten om hem te vermoorden; doch zijn discipelen namen hem en lieten hem des nachts in een mand over de muur zakken." (Hand 9:23-25). De Joden wilden NIET geloven!

 

De tweede keerdat Paulus zijn opdracht uitvoerde, dus in zijn bediening ging staan, was toen hij naar Jeruzalem terugkeerde:

  • "En te Jeruzalem aangekomen, trachtte hij zich bij de discipelen te voegen, maar allen schuwden hem, daar zij niet konden geloven, dat hij een discipel was. Maar Barnabas trok zich zijner aan en bracht hem bij de apostelen en verhaalde hun, hoe hij onderweg de Here had gezien, en dat deze tot hem gesproken had, en hoe hij te Damascus vrijmoedig was opgetreden in de naam van Jezus. En hij bleef met hen ingaan en uitgaan te Jeruzalem, en vrijmoedig optreden in de naam des Heren, en hij sprak en redetwistte met de Grieks-sprekende Joden; maar dezen trachtten hem om te brengen. Doch toen de broeders dit te weten kwamen, brachten zij hem naar Caesarea en lieten hem vandaar naar Tarsus vertrekken. De gemeente (nog steeds uitsluitend bestaande uit Joden) dan door geheel Judea, Galilea en Samaria had vrede; zij werd opgebouwd en wandelde in de vreze des Heren, en zij nam in aantal toe door de bijstand van de heilige Geest. (Hand 9:26-31).

 

Wanneer we de Handelingen doorlezen, dan zien we dat Paulus heel wat heeft moeten lijden omwille van de Naam van Christus. Ook het feit dat hij niet tot de twaalven behoorde, en dus volgens sommigen geen echte apostel was, heeft hem achtervolgd. Hij voldeed immers helemaal niet aan de beschrijving waaraan een apostel moest voldoen. We lezen deze omschrijving van de voorwaarden waaraan een apostel moest voldoen in Hand 1:21-22. Daar moest een nieuwe apostel gekozen worden in de plaats van Judas:

  • "Er moet dan van de mannen, die zich bij ons hebben aangesloten in al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is, te beginnen met de doop van Johannes tot de dag, dat Hij van ons werd opgenomen, één van hen met ons getuige worden van zijn opstanding."

 

Paulus voldeed niet aan deze omschrijving, en was in dat opzicht geen apostel, maar hij was zeer speciaal door Christus persoonlijk geroepen als een apostel des Heren!

 

Van alle kanten ondervond Paulus tegenstand en zonder twijfel heeft men tegen hem aangevoerd dat hij de Heere niet vergezeld had van af de doop van Johannes tot op de dag dat Hij werd opgenomen. Paulus voldeed dus niet aan de vereisten die nodig waren om Apostel te zijn. Toch zegt hij: "Ben ik niet een Apostel?" (1 Kor. 9:1).

 

Petrus werkzaam onder “de heiligen”

In het laatste gedeelte van Hand 9 gaan we nog even terug naar Petrus' werkzaamheden. We lezen:

  • En het geschiedde, toen Petrus overal rondreisde, dat hij ook bij de heiligen kwam, die te Lydda woonden. Daar vond hij een man, genaamd Eneas, een verlamde, die reeds acht jaren bedlegerig was geweest. En Petrus zeide tot hem: Eneas, Jezus Christus geneest u; sta op en maak zelf uw bed op. En hij stond onmiddellijk op. En alle bewoners van Lydda en Saron zagen hem en bekeerden zich tot de Here.” (Hand 9:32-35).

 

Deze “heiligen” betreft de Joden, die op de gepredikte boodschap waren ingegaan. Wanneer we uit het voorgaande weten dat het evangelie uitsluitend aan Joden werd gebracht, kan het niet anders, dat deze “heiligen”, wat betekent “apart gezetten”, dus ook Joden betreft.

 

Bovendien blijkt uit Handelingen 10 overduidelijk dat tot dát moment het heil uitsluitend aan Joden werd verkondigd. Handelingen 10 beschrijft de prachtige geschiedenis van Cornelius, een Romeinse hoofdman. Van deze Romein lezen we dat hij een godvruchtig man was, een vereerder van God met zijn gehele huis, die vele aalmoezen aan het volk gaf en geregeld tot God bad. (Hand 10:2).

Wel bijzonder, dat we zulke dingen lezen van een Romein. Een Romein, die toch ook het evangelie had gehoord, en daar op in was gegaan, en graag meer wilde weten van het evangelie. En God zag naar hem om, en was Cornelius ter wille. Want God stuurde een engel met de boodschap:

  • Uw gebeden en uw aalmoezen zijn voor God in gedachtenis gekomen. En nu, zend mannen naar Joppe en nodig een zekere Simon uit, die bijgenaamd wordt Petrus: deze is de gast van een Simon, een leerlooier, wiens huis bij de zee ligt.” (Hand 10:4-6)

 

Zodra de engel, die tot hem sprak, weggegaan was, riep Cornelius twee van zijn huisslaven en een godvruchtige soldaat uit degenen, die voortdurend bij hem waren; en nadat hij hun alles uitgelegd had, zond hij hen naar Joppe. (Hand 10:7-8).

 

En dan komen we weer terug bij Petrus. Petrus, die nog nooit het evangelie aan een heiden had gebracht, en dat ook helemaal niet van plan was, want hij had immers zijn opdracht van de Heere zelf gekregen, toen de Heere zei:

  • Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet.” (Math 10:6-8).

 

Deze opdracht was nog steeds actueel, en om Petrus op andere gedachten te brengen, moest er heel wat gebeuren. En er gebeurde heel wat. Petrus was te gast bij een zekere Simon, een leerlooier, en op het tijdstip dat de afgezanten van Cornelius op weg waren naar Petrus,

  • ging Petrus omstreeks het zesde uur het dak op, om te bidden. En hij werd hongerig en verlangde te eten, en terwijl men iets gereed maakte, geraakte hij in zinsverrukking, en hij zag de hemel geopend en een voorwerp nederdalen in de vorm van een groot laken, dat aan de vier hoeken nedergelaten werd op de aarde; hierin bevonden zich allerlei viervoetige en kruipende dieren der aarde en allerlei vogelen des hemels. En er kwam een stem tot hem: Sta op, Petrus, slacht en eet! Maar Petrus zeide: Geenszins, Here, want ik heb nog nooit iets gegeten, dat onheilig of onrein was. En nogmaals ten tweeden male, kwam een stem tot hem: Wat God rein verklaard heeft, moogt gij niet voor onheilig houden. En dit geschiedde tot driemaal toe, en terstond werd het voorwerp weer opgenomen in de hemel.” (Hand 10:10-16)

 

Petrus wist Wie hem dit gezicht toonde. Het moet voor hem wel bijzonder vreemd zijn geweest om de opdracht te krijgen om onreine dieren te eten, want dat was de Joden immers verboden. En terwijl Petrus nog in onzekerheid was over dit vreemde “gezicht”, kwam Gods Geest hem te hulp en zei:

  • Zie, twee mannen zoeken naar u; sta dan op, ga naar beneden en reis, zonder bezwaar te maken, met hen mede, want Ik heb hen gezonden.” (Hand 10:19-20)

 

We zien hier dat God ingreep in de opdracht van Petrus, en aan Petrus liet zien dat ook aan “het onreine”, aan de heidenen, het evangelie gepredikt moest worden. Tot drie keer toe liet God Petrus hetzelfde gezicht zien, om aan Petrus duidelijk te maken wat de bedoeling was.

 

Dan komt Petrus van het dak af en gaat naar beneden en zegt tot de mannen van Cornelius, die reeds uit Joppe waren aangekomen:

  • Zie, ik ben het, die gij zoekt; wat is de reden van uw komst? En zij zeiden: Cornelius, een hoofdman, een rechtvaardig man en vereerder van God, die goed bekend staat bij het gehele volk der Joden, heeft door een heilige engel een godsspraak ontvangen om u te zijnen huize te nodigen en te horen wat gij zeggen zult. Hij noodde hen binnen en ontving hen gastvrij.” (Hand 10:21-23)

 

Wat hier opvalt is de reden, waarom Cornelius Petrus uitnodigde om hem te bezoeken. Cornelius was niet ziek, en ook was er geen zieke huisgenoot, of iets van dien aard. Want dát waren vaak de redenen waarom de Heere zelf of de discipelen ergens naartoe geroepen werden. Nee, Cornelius wilde erg graag horen wat Petrus te zeggen had. Cornelius wilde graag dat Petrus hem het evangelie van Christus nader uitlegde. Cornelius was hongerig naar het Woord!

  • En de volgende dag stond hij (Petrus) op en vertrok met hen, en enige der broeders uit Joppe gingen met hem mede. En de volgende dag kwam hij te Caesarea aan. En Cornelius was hen wachtende, terwijl hij zijn bloedverwanten en beste vrienden had bijeengeroepen. En toen het geschiedde, dat Petrus binnentrad, kwam Cornelius hem tegemoet, viel hem te voet en bewees hem hulde. Maar Petrus richtte hem op en zeide: Sta op, ik ben zelf ook een mens. En terwijl hij zich met hem onderhield, kwam hij binnen en vond er velen bijeen; en hij sprak tot hen: Gij weet, hoe het een Jood verboden is zich te voegen bij of te gaan tot een niet-Jood; doch mij heeft God doen zien, dat ik niemand onheilig of onrein mag noemen. Daarom ben ik ook zonder tegenspreken op uw uitnodiging gekomen. Ik zou nu wel willen weten, om welke reden gij mij uitgenodigd hebt.” (Hand 10:23-29)

 

Wat zal dit een vreemde reis voor Petrus zijn geweest van Joppe naar Caesarea, vergezeld door die heidense onderdanen van een Romeinse hoofdman. Hij zou nooit gegaan zijn als God hem niet heel duidelijk had gemaakt dat dit de weg was die hij nu moest gaan. En hij was waarschijnlijk zeer benieuwd waarom die Romein speciaal naar hem had gevraagd. Wat wilde die Romein van hem? Maar ondanks dat Petrus er waarschijnlijk niet veel van begreep, ging hij in gehoorzaamheid.

 

Wanneer Petrus in Caesarea aankomt, en het huis van Cornelius binnen ging, zag hij tot zijn verbazing dat er veel mensen reeds bijeen gekomen waren “voor het aangezicht van God”, en zij waren daar bijeengekomen “om te horen al wat u door de Here opgedragen is.” (Hand 10:33). Dit getuigd ervan dat Cornelius in zijn omgeving een inspirerende getuige is geweest van het geloof in God.

 

Dan begint Petrus te spreken met de constatering dat hij nu voor eigen ogen ziet

  • dat er bij God geen aanneming des persoons is, maar onder elk volk is wie Hem vereert en gerechtigheid werkt, Hem welgevallig, naar het woord, dat Hij heeft doen brengen aan de kinderen Israëls om vrede te verkondigen door Jezus Christus. Deze is aller Heer.” (Hand 10:34-36).

 

En dan begint Petrus het evangelie uit te leggen, te beginnen met de doop van Christus door Johannes tot en met de opstanding van Christus, en Petrus eindigt zijn betoog met:

  • Van Hem getuigen alle profeten, dat een ieder, die in Hem gelooft, vergeving van zonden ontvangt door zijn naam.” (Hand 10:43).

 

En dan gebeurt er iets wat we hier voor de eerste keer lezen voor zover het de heidenen betreft. Want terwijl Petrus nog sprak,

  • viel de heilige Geest op allen, die het woord hoorden. En al de gelovigen uit de besnijdenis, die met Petrus waren medegekomen, stonden verbaasd, dat de gave van de heilige Geest ook over de heidenen was uitgestort, want zij hoorden hen spreken in tongen en God groot maken. Toen merkte Petrus op: Zou iemand het water kunnen weren, om dezen te dopen, die evenals wij de heilige Geest hebben ontvangen? En hij beval hen te dopen in de naam van Jezus Christus. Toen verzochten zij hem nog enige dagen te blijven.” (Hand 10:44-48).

 

Bijzonder te lezen in vers 44 “viel de heilige Geest op allen, die het woord hoorden.” Dit betekent dat ze tevoren al geloofden. Want de heilige Geest viel niet op ongelovigen. Dit betekent dat de velen, die bijeengekomen waren in het huis van Cornelius, reeds gelovigen waren.

 

Petrus had nogal wat teweeg gebracht in Jeruzalem met zijn reis naar Caesarea, om daar de heidenen te bezoeken en aan hen het evangelie te brengen. Hij had heel wat uit te leggen, want dit ging regelrecht in tegen Gods eerder gegeven opdracht. En Petrus legde alles uit van begin tot eind. Hij eindigde met de woorden:

  • Indien nu God hun op volkomen gelijke wijze als ons de gave heeft gegeven op het geloof in de Here Jezus Christus, hoe zou ik dan bij machte geweest zijn God tegen te houden? En toen de apostelen en de broeders in Jeruzalem al de woorden van Petrus gehoord hadden, kwamen zij tot rust en verheerlijkten God, zeggende: Zo heeft dan God ook de heidenen de bekering ten leven geschonken.” (Hand 11:17-18).

 

We hebben de geschiedenis van Cornelius hier nogal uitvoerig behandeld, de reden daarvan is dat er geweldige getuigenissen en lessen in opgesloten zitten:

  1. Ten eerste lezen we over Cornelius dat hij was: “Godzalig en vrezende God, met geheel zijn huis, en doende vele aalmoezen aan het volk, en God geduriglijk biddende.” (Hand 10:2). Wat in de tekst vertaald is door “geduriglijk”, staat in de grondtekst het woord “diapantos”, wat betekent: “de hele tijd – al zijn tijd – constant.” Dit betekent dat het gehele leven en de gehele wandel van Cornelis in verbinding stond met God. Hij had een constante relatie met de God van Israël.

 

  1. In Hand 10:4 lezen we: (St Vert) “En hij, de ogen op hem houdende, en zeer bevreesd geworden zijnde, zeide: Wat is het Heere? En hij zeide tot hem: Uw gebeden en uw aalmoezen zijn tot gedachtenis opgekomen voor God.” Wat hier in de eerste plaats opvalt is dat Cornelius zijn ogen niet neerslaat, zoals we bij verschijningen van een “engel” bijna altijd lezen, maar er staat dat Cornelius “de ogen op hem houdende”. Cornelius wist waarschijnlijk niet met wie hij sprak, en misschien wist Cornelius ook niet van de tekst in Ex 33:20, waar staat: “Gij zult mijn aangezicht niet kunnen zien, want geen mens zal Mij zien en leven.” Maar er blijkt hier wel sprake van een totale overgave en blind vertrouwen van Cornelius. Verder staat er eigenlijk dat de gebeden van Cornelius de Heere welgevallig waren, en dat zijn aalmoezen werkelijke liefdegaven waren, want anders konden ze niet “tot gedachtenis komen voor God”.

 

  1. Hand 10:6 is een bijzondere tekst. De mannen van Cornelius zouden Petrus te Joppe vinden: De Engel des Heren zei: St. Vert.: “Deze (Petrus) ligt te huis bij een Simon, lederbereider, die [zijn] huis heeft bij de zee; deze zal u zeggen, wat gij doen moet. Het laatste stuk van de zin is in de NBG onvertaald gebleven, dus weggelaten. Toch zit hierin nu juist veel opgesloten: “deze zal u zeggen, wat gij doen moet.” Blijkbaar had Cornelius God gevraagd in zij gebeden hoe hij op de beste manier God kon dienen, en hoe hij op de beste manier zijn leven in dienst van God kon stellen, en verzucht: “God, wat moet ik doen?” Daarom zegt die “Engel des Heeren tot Cornelius: “Deze (Petrus) zal u zeggen wat gij doen moet”. Hieruit blijkt een honger en verlangen om op de allerbeste manier God te KENNEN en te dienen.

 

  1. Hand 10:22 St. Vert.: “En zij zeiden (tegen Petrus): Cornelius, een hoofdman over honderd, een rechtvaardig man, en vrezende God, en die [goede] getuigenis heeft van het ganse volk der Joden, is door Goddelijke openbaring vermaand van een heiligen engel, dat hij u zou ontbieden te zijnen huize, en dat hij van u woorden der zaligheid zou horen. Hier komt een duidelijk getuigenis over Cornelius naar voren. Wanneer de onderdanen zo van hun hoofdman spreken, dan is zeer duidelijk hoe Cornelius in het leven stond.

 

  1. Hand 10:27: “En met hem sprekende, ging hij in, en vond er velen, die samengekomen waren.” Door het goede getuigenis van Cornelius was hij velen tot voorbeeld, en waren velen gelovig geworden.

 

  1. Hand 10:33: “Zo heb ik dan van stonde aan tot u gezonden, en gij hebt welgedaan, dat gij hier gekomen zijt. Wij zijn dan allen nu [hier] tegenwoordig voor God, om te horen al hetgeen u van God bevolen is. Cornelius en allen die waren samengekomen waren vol verwachting naar het getuigenis van Petrus.

 

  1. Hand 10:44: “Als Petrus nog deze woorden sprak, viel de Heilige Geest op allen, die het Woord hoorden.” Petrus was nog aan het spreken, toen, nét als in de bovenzaal in Jeruzalem, de heilige Geest op allen viel, die zaten te luisteren.

 

Een geweldig getuigenis wat we in Gods Woord mogen lezen van Cornelius. Een getuigenis wat ons tot lering mag zijn.

  • Hebben wij zo'n constante relatie met Christus Jezus, onze Heere?
  • Slaan wij onze ogen op Hem als wij Hem ontmoeten?
  • Zijn onze gebeden voor de Heere een lieflijke geur ten leven?
  • Zijn onze gaven voor Hem werkelijk liefdegaven?
  • Vragen wij de Heere om ónze plannen te zegenen, of vragen wij net als Cornelius: “Heere, wat moet ik doen?
  • Hebben we het verlangen om de “woorden der zaligheid te horen?
  • Hebben wij zo'n oprecht liefdevol getuigenis, wat anderen raakt en tot geloof brengt?
  • Hebben wij zo'n verlangen in ons hart om God de Vader en Zijn Zoon Christus Jezus echt te kennen?

 

Bij het overdenken van dit alles rest ons maar één ding: God danken voor Zijn rijke erbarming, Zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus. (Ef 2:4-6)

 

(Deel 12 volgt DV)

Bert Boersma Februari 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

  

Hem Kennen....... (deel 12)

Het Heil ook aan de Heidenen verkondigd

Het werd niet zonder meer geaccepteerd dat Petrus en later ook Paulus het heil ook aan de heidenen verkondigde. Eerst werd Petrus in Jeruzalem ter verantwoording geroepen, om daar alles aan de broeders in Jeruzalem uit te leggen. (Hand 11:1-18). Later, toen Joodse gelovigen door de verdrukking in Israël, zich naar Antiochië hadden begeven, en ook daar door de prediking een groot aantal heidenen tot geloof kwamen, werd Barnabas door de Joodse leiders uit Jeruzalem afgevaardigd, om te zien wat er toch in Antiochië gebeurde, omdat prediken aan de heidenen totaal ongebruikelijk was. (Hand 11:19-22).

 

Dat prediken aan de heidenen niet gebruikelijk was, blijkt uit Hand 11:19, waar we lezen:

  • Zij dan, die verstrooid werden door de verdrukking, welke in verband met Stefanus plaats vond, trokken verder tot Fenicië, Cyprus en Antiochië toe, zonder tot iemand het woord te spreken dan alleen tot de Joden.

 

Maar toch kwam er een ommekeer in dezen, want we lezen dat van de vervolgde Joden, die in Antiochië waren gekomen, ook tot de heidenen de Heere Jezus predikten, en dit gebeurde met goedvinden van de Heere, want we lezen

  • dat de hand des Heren met hen was, en een groot aantal kwam tot het geloof en bekeerde zich tot de Here.” (Hand 11:21).

 

Deze heidenen, die tot geloof kwamen leerden de God van Israël kennen, zij hoorden van de beloften die voor Israël bestemd waren, en kregen door hun geloof ook deel aan die beloften. Zij hoorden van de verwachting, de hoop van Israël, die we duidelijk omschreven vinden in Hand. 3:19-20:

  • Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende.”

Door het geloof werd dit ook de hoop van de heidenen in die Handelingen tijd.

 

Paulus, de door God aangestelde apostel der heidenen spreekt in de Romeinen brief speciaal tot de heidenen:

  • Ik spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening, dat ik zo mogelijk de naijver van mijn vlees (en bloed) mocht opwekken, en enigen uit hen behouden. Want, indien hun verwerping de verzoening der wereld is, wat zal hun aanneming anders wezen dan leven uit de doden? Zijn de eerstelingen heilig, dan ook het deeg, en is de wortel heilig, dan ook de takken. Indien nu enkele van de takken weggebroken zijn (Joden) en gij (heidenen) als wilde loot daartussen geënt zijt en aan de saprijke wortel van de olijf deel hebt gekregen, beroem u dan niet tegen de takken! Indien gij u ertegen beroemt – niet gíj draagt de wortel, maar de wortel ú. Gij zult dan zeggen: er zijn takken weggebroken, opdat ik als loot geënt zou worden. Goed! Zij zijn om hun ongeloof weggebroken en gij staat door het geloof. Wees niet hoogmoedig, maar vrees! Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden. Maar ook zij zullen, wanneer zij niet bij hun ongeloof blijven, weder geënt worden; God is immers bij machte hen opnieuw te enten. Want indien gij uit de wilde olijf, waartoe gij naar uw natuur behoort, weggekapt en tegen uw natuur op de edele olijf geënt zijt, hoeveel te meer zullen dezen, naar hun natuur, op hun eigen olijf geënt worden.” (Rom 11:13-24).

 

Romeinen 11 laat de positie zien die de gelovigen uit de heidenen door genade mochten innemen. Zij werden als “wilde loot” geënt tussen de takken (= Israël), en kregen door die enting deel aan “de saprijke wortel van de olijf”. (Rom 11:17). Dit betekent dat zij deel kregen aan de toen geldende zegeningen voor Israël. Dit betekent tevens dat zij hun moesten onderwerpen aan de toen geldende regels, aan het toen geldende evangelie.

 

Wat was toen het evangelie?

Het aanstaande Koninkrijk werd verkondigd, en de regels die bij dat Koninkrijk behoorden waren werkzaam in Israël, en later ook onder de gelovigen buiten Israël. Zieken werden gezond gemaakt, Kreupelen konden weer lopen, en er werden zelfs doden opgewekt.

 

Dát waren de tekenen van het Koninkrijk. Over dat Koninkrijk lezen we in Math 24, wat over de eindtijd gaat, de periode vlak voor het Koninkrijk van Christus. In deze periode, vlak voor het aanstaande Koninkrijk, leefden de gelovigen (Joden en heidenen) van de Handelingen periode. En wanneer Israël toen massaal tot geloof was gekomen, zou dat Koninkrijk daadwerkelijk zijn aangebroken.

 

Eén van de regels die golden in die Handelingen periode, en ook straks in de toekomst weer zal gelden is: “Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden.” (Math 24:13) En dit evangelie van het Koninkrijk zal (= toekomstig) in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde (van de eeuw) gekomen zijn. (Math 24:14).

 

Dezelfde regel komen we ook tegen in Rom 11, waar we gelezen hebben:

  • Want indien God de natuurlijke takken niet gespaard heeft, Hij zal ook u niet sparen. Let dan op de goedertierenheid Gods en zijn gestrengheid: over de gevallenen gestrengheid, maar over u goedertierenheid Gods, indien gij bij de goedertierenheid blijft; anders zult ook gij weggekapt worden.” (Rom 11:21-22).

 

Dus ook Paulus verkondigd in de tijd van het aanstaande Koninkrijk: “Blijf staan in de goedertierenheid Gods, of met andere woorden gezegd: “Volhardt tot het einde”. En dan wordt hier bedoeld: het einde van de eeuw.

 

Verschil in Opdracht

We hebben gezien dat de 12 apostelen een bediening van de Heere hadden gekregen voor het volk Israël. En uit het Woord weten we dat Paulus speciaal een apostel voor de heidenen was. Reeds in Damascus zei de Heere tegen Ananias wat Paulus' opdracht zou zijn: “Deze (Paulus) is Mij een uitverkoren werktuig om mijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls.” (Hand 9:15). Er zijn meerdere teksten die laten zien dat Paulus speciaal een apostel voor de heidenen was:

  • Rom 1:5 “Door Jezus Christus, onze Here hebben wij genade en het apostelschap ontvangen om gehoorzaamheid des geloofs te bewerken voor zijn naam onder al de heidenen.”
  • Rom 11:13 “Ik spreek tot u, heidenen. Juist omdat ik apostel der heidenen ben, acht ik dit de heerlijkheid van mijn bediening, prijzen.”
  • Rom 15:12 “En verder zegt Jesaja: Komen zal de wortel van Isaï, en Hij, die opstaat, om over de heidenen te regeren; op Hem zullen de heidenen hopen.
  • Gal 3:14 “Zo is de zegen van Abraham tot de heidenen gekomen in Jezus Christus, opdat wij de belofte des Geestes ontvangen zouden door het geloof.
  • Paulus zegt: "dat mij de prediking van het evangelie aan de onbesnedenen toevertrouwd was, gelijk aan Petrus die aan de besnedenen, – immers Hij, die Petrus kracht gaf om apostel te zijn voor de besnedenen, gaf die kracht ook aan mij voor de heidenen." (Gal 2:7-8)

 

Ook later, wanneer Israël als volk terzijde is gesteld door de Heere, lezen we:

  • “Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen.” (Efeze 3:8)

 

Beide boodschappen, zowel die van de twaalven als die van Paulus, waren door God zelf gegeven. Maar er was een duidelijk verschil in beide bedieningen. De twaalf apostelen hadden de bijzondere boodschap die in verband stond met het verblijf van de Here op aarde en het aanstaande Koninkrijk op aarde voor Israël, en de bijzondere boodschap van Paulus gedurende de tijd der Handelingen handelt over hemelse dingen en over de nieuwe schepping, waar hij Christus niet meer naar het vlees kent. (2 Kor. 5:16).

 

Eenvoudig gezegd prediken de 12 apostelen het evangelie aan dat Israël, wat zal zijn “als het zand der zee”, en predikte Paulus aan de gelovigen, die zullen zijn als “de sterren des hemels”. Misschien is dit enigszins moeilijk te verstaan, maar het heeft alles te maken met de tweevoudige belofte, die reeds aan Abraham was gedaan. (In “Hem Kennen deel 4” hebben we het hier ook reeds over gehad). Abraham had van de Heere een tweevoudige belofte gekregen, namelijk:

  • Als het stof der aarde (Gen 13:14-18), en
  • Als de sterren des hemels. (Gen 15:5-6).

 

Hiermee wordt aangetoond dat Abrahams zaad een tweeledige bestemming heeft.

 

Ten eerste zijn zaad "als het stof der aarde", wijst op een aards volk met een aardse bestemming. Een volk wat zal wonen in een land aangeduid met twee genoemde maten, de lengte en de breedte. (Gen 13:17).

 

En ten tweede een zaad wat zal zijn als "de sterren des hemels", hetgeen wijst op een hemels volk met een hemelse bestemming. Deze hemelse erfenis wordt aangeduid met drie maten. Deze hemelse erfenis zal Abraham ook deel aan krijgen, want in Hebr 11:9-10 lezen we:

  • "Door het geloof heeft hij (Abraham) vertoefd in het land der belofte, als in een vreemd land, waar hij in tenten woonde met Isaak en Jakob, die medeërfgenamen waren van dezelfde belofte; want hij verwachtte de stad met fundamenten, waarvan God de ontwerper en bouwmeester is.”

 

Over deze stad lezen we in Openb 21:16: "En de stad lag in het vierkant en haar lengte was even groot als haar breedte; en hij mat de stad op met de stok: twaalfduizend stadiën; haar lengte en haar breedte en haar hoogte waren gelijk." Hier lezen we over drie maten: de lengte en haar breedte en haar hoogte.

 

Wanneer we de Handelingen, en ook de brieven die Paulus in de Handelingen heeft geschreven bestuderen, dan vinden we deze twee “sporen” steeds terug. God heeft aangaande het zaad van Abraham deze beloften met verschillende dimensies gedaan, en Hij zal zeer zeker ook die beloften uitvoeren in de eindtijd.

 

Nogmaals: Wanneer Israël toen als volk tot bekering was gekomen zouden die beloften toen zijn vervulling hebben gekregen, omdat het Koninkrijk van Christus zeer aanstaande was, maar het is anders gelopen door het ongeloof van Israël.

 

Paulus richtte zich dus specifiek tot allen buiten Israël, zowel Joden en heidenen. Hierbij moet worden opgemerkt dat ook Petrus zich wel bij gelegenheid tot iemand uit de volken richt (in verband met hun zegeningen in het Koninkrijk op aarde), en dat Paulus zich ook tot de Joden richt. Het bijzonder Evangelie van Paulus reikt verder dan dat der twaalf apostelen. Hij kon dus wel over het Koninkrijk op aarde spreken, doch omgekeerd konden de twaalven niet spreken over wat hún sfeer van zegening, wat hun opdracht te boven ging. Zij moesten zich houden aan de hen gegeven opdracht.

 

De "muur" tussen de Joden en de Heidenen

In de Handelingen tijd bleef de wedergeboren Jood een Jood. Want die naam duidt aan dat hij tot het uitverkoren volk Israël behoort. De naam Jood betekent overigens: “God-lover”. Er bleef een scheiding tussen de christen-Joden én de "christenen" uit de volken. In de Handelingen gold: Eerst de Jood en dan de Griek. Dus het evangelie was in eerste instantie bestemd voor de Joden, daarom ging Paulus ook in alle plaatsen, waar hij op zijn zendingsreizen kwam, eerst altijd naar de synagoge, om daar het evangelie te brengen. Maar we lezen heel vaak (meestal), dat de Joden geen gehoor gaven aan Paulus' boodschap. Daarom ging Paulus het evangelie (van het Koninkrijk) daarna ook aan de heidenen verkondigen.

 

Die tot geloof gekomen heidenen leerden de God van Israël kennen, en wanneer ze tot geloof gekomen waren zochten ze medestanders in dat geloof, om God te leren kennen en te dienen, en waar konden ze die anders vinden da in de synagogen? Door de verstrooiing van Israël waren overal synagogen gesticht, en daar werd de God van Israël gediend. Logisch dat die heidenen dus naar de synagoge gingen. Maar die heidenen hadden totaal geen godsdienstige achtergrond, en hadden van alle regels van Israël geen besef en geen kennis. De Joden wilden die gelovige heidenen al hun wetten opleggen, maar daar wilden die heidenen weer niet aan. En daarom ontstond er in de gemeenten vóór Handelingen 28 altijd een soort tweedeling. Eigenlijk was er in iedere gemeente in de Handelingen een soort muur, met aan de ene kant Joodse gelovigen, en aan de andere kant gelovigen uit de heidenen. Er waren gelovige Joden, die zich aan de wet wilden houden, en er waren gelovige heidenen, die dat niet wilden. Er was zelfs een reis van Paulus naar Jeruzalem voor nodig om dit probleem met de andere discipelen te bespreken, om deze kwestie op te lossen. Er werden regels opgesteld, maar echt opgelost werd het niet, want de tweedeling bleef bestaan.

 

Na de Handelingen periode kwam er een heel ander soort Gemeente. De tweedeling werd opgeheven. We lezen hierover in Efeze 2:14-16: "Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee (groepen) tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft."

 

Het mag duidelijk zij dat er in Efeze, wat na Handelingen 28 is geschreven, een heel nieuw "iets" ontstaat, want er staat dat de twee tot één nieuwe mens geschapen werd. En wanneer er iets geschapen wordt, dat ontstaat er iets wat er voorheen niet was! (Hierover later meer).

 

De Prediking uit Mozes en de Profeten

De apostel Paulus predikt gedurende de gehele Handelingen periode niets anders dan uit Mozes en de Profeten. Alles wat hij verkondigde was in de Schriften na te speuren. Hij gaat echter in zijn verkondiging verder (hogere dimensie) dan de twaalf discipelen, als hij spreekt over de rechtvaardiging door het geloof, een boodschap die hij later meer in het bijzonder aan de volken zou verkondigen om de Joden tot jaloersheid te verwekken.

 

Paulus bracht zijn boodschap letterlijk op de aanwijzingen van de Heere. Hij was eerst niet met zijn boodschap naar de heidenen gegaan, maar steeds eerst tot de verloren schapen van het huis Israëls (Mat. 10:5-7). Maar de Here had er echter bijgevoegd:

  • "En zo iemand (van de Joden) u niet zal ontvangen, noch uwe woorden horen, uitgaande uit dat huis of uit die stad, schudt het stof uwer voeten af".

 

En dit gebeurde dan ook, want we lezen in Hand 13:51:

  • "Doch zij schudden het stof van hun voeten af tegen hen en gingen naar Ikonium."

 

Omdat Paulus van de Heere een opdracht ontvangen had, die verder reikte dan die der twaalf andere discipelen, kon hij zich daarna vrijelijk tot de volken richten. Zo zien we verder dat Paulus en Barnabas eerst de boodschap van "het nabij zijnde Koninkrijk" op aarde verkondigen aan de Joden in de verstrooiing.

 

Een voorbeeld hoe Paulus te werk ging: Te Ikonium kwamen ze weer in de synagoge en hun verkondiging werd, zoals het toen behoorde, begeleid door de bij het aanstaande Koninkrijk behorende tekenen en wonderen:

  • "En het geschiedde evenzo te Ikonium, dat zij in de synagoge der Joden gingen en zo spraken, dat er een grote menigte, zowel van Joden als van Grieken, tot het geloof kwam. Maar de Joden, die hun geen gehoor gaven, prikkelden en verbitterden de zielen der heidenen tegen de broeders. Zij verkeerden daar dan geruime tijd, vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Here, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade en tekenen en wonderen door hun handen deed geschieden. Maar er ontstond verdeeldheid onder het volk in de stad.” (Hand. 14:1-4)

 

De twaalf apostelen hadden van de Heere de opdracht gekregen:

  • "Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet." (Mat 10:5-8).

 

Paulus' en Barnabas' prediking ging ook over het "nabij zijn" van het Koninkrijk. En als teken daarvan konden ook zij de tekenen en wonderen doen:

  • Hand 14:3 “Zij verkeerden daar dan geruime tijd, vrijmoedig sprekende in vertrouwen op de Here, die getuigenis gaf aan het woord zijner genade en tekenen en wonderen door hun handen deed geschieden.”

 

Beste lezer(es), misschien hoort u deze dingen bij herhaling of voor het eerst, maar het doel van deze bijbelstudies is dat we leren Gods Woord recht te verstaan, en leren Zijn Woord recht in te delen, of zoals het Woord zegt:

  • Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid.” (2 Tim 2:15).

 

Dit “rechte voren trekken” heeft te maken met “recht snijden”, of “recht indelen”. Wanneer we het Woord niet recht indelen, dan zullen we nooit in staat zijn om Gods Woord recht te verstaan, en zullen we Gods plan niet leren kennen.

 

Dat is ook de reden dat Paulus voor de broeders bidt:

  • Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht.”

 

Voor alle duidelijkheid nog even vermeld, dat ál het tot nu toe geschrevene in “Hem Kennen” geen betrekking heeft op de “Gemeente van Christus Jezus” in onze tegenwoordige tijd. Die is pas ontstaan na Handelingen 28. Daar gaan we het nog over hebben.

 

Deel 13 volgt DV

Bert Boersma, Februari 2010, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 13)

Paulus in de Handelingen

 

We hebben gezien dat Paulus door de Heere was aangesteld als een apostel der heidenen. Hij mocht

de tekenen van een apostel onder hen verrichten zoals geschreven staat in 2 Kor 12:12:

  • De tekenen van een apostel zijn bij u verricht met alle volharding, door tekenen, wonderen en krachten.”

 

Maar tevens moeten we beseffen dat steeds eerst het Woord tot de Joden werd gericht, omdat in eerste instantie het heil voor de Joden was bedoeld. Maar heel vaak viel het door Paulus gebrachte Woord niet in goede aarde bij de Joden, zoals bijvoorbeeld in Perge:

  • Doch de Joden, de scharen ziende, werden met nijdigheid vervuld, en wederspraken, hetgeen van Paulus gezegd werd, wedersprekende en lasterende. Maar Paulus en Barnabas, vrijmoedigheid gebruikende, zeiden: Het was nodig, dat eerst tot u het Woord Gods gesproken zou worden; doch nademaal gij hetzelve verstoot, en uzelven des eeuwigen levens niet waardig oordeelt, ziet, wij keren ons tot de heidenen. Want alzo heeft ons de Heere geboden, zeggende: Ik heb u gesteld tot een licht der heidenen, opdat gij zoudt zijn tot zaligheid, tot aan het uiterste der aarde. Als nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich, en prezen het Woord des Heeren; en er geloofden zovelen, als er geordineerd waren tot het eeuwige leven. En het Woord des Heeren werd door het gehele land uitgebreid. (Hand 13:45-49)

 

Toen op een sabbat in Perge Paulus en Barnabas het Woord zouden brengen, “kwam bijna de gehele stad samen, om het Woord Gods te horen.” (Hand 13:44). En dát was de reden dat de Joden met nijd vervuld werden, want zij wilden niet dat heidenen onder het gehoor van het Woord kwamen, en daarom gingen zij Paulus “wederspreken en lasteren”. En dan zegt Paulus dat het nodig was dat eerst het Word Gods tot Israël gericht werd. Want God had met Israël een speciale bedoeling met een speciale positie. Die speciale positie was reeds van te voren voorzegd:

  • Ik, de HERE, heb u (= Israël) geroepen in gerechtigheid, uw hand gevat, u behoed en u gesteld tot een verbond voor het volk, tot een licht der natiën: om blinde ogen te openen, om gevangenen uit de kerker te leiden, uit de gevangenis wie in duisternis gezeten zijn.” (Jes 42:6-7)
  • Ik stel u tot een licht der volken, opdat mijn heil reike tot het einde der aarde. Zo zegt de HERE, Israëls Verlosser.” (Jes 49:6-7).

 

Daarom zei Paulus tegen de Joden in Hand 22:14:

  • De God onzer vaderen (de vaderen van Israël) heeft u (Joden) voorbestemd om zijn wil te leren kennen en de Rechtvaardige te zien en een stem uit zijn mond te horen.” Hier sprak Paulus tot het Joodse volk, getuige Hand 21:39-40.

 

Ook de Heere wordt “een Licht der volkeren” genoemd, en wel door Simeon in de tempel: “Nu laat Gij, Heere! Uw dienstknecht gaan in vrede naar Uw woord; Want mijn ogen hebben Uw zaligheid gezien, die Gij bereid hebt voor het aangezicht van al de volken: Licht tot verlichting der heidenen, en tot heerlijkheid van Uw volk Israël.” (Lukas 2:28-30).

 

Zo zien we dat de Heere zelf als een “Licht” aan het hoofd van Israël zal staan, en dat Israël ook als een licht der volkeren zal zijn. Dát is Gods bedoeling met Zijn volk, en dáárom moest het heil door Paulus eerst aan de Joden in de verstrooiing worden gebracht.

Want wanneer zij tot geloof gekomen zouden zijn, dan zouden zij inderdaad die positie “tot een licht der natiën” hebben ingenomen. Maar de Joden verstonden het niet! Over de heidenen lezen we het tegendeel:

  • Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof; en het woord des Heren verbreidde zich door het gehele land.” (Hand 13:48-49).

 

Dit was de situatie gedurende de gehele Handelingen periode. Waarbij we moeten bedenken dat de heidenen, die tot geloof kwamen, deel kregen aan de zegeningen van Israël, deel kregen aan de beloften voor Israël. Zij werden als wilde loten geënt op de saprijke edele olijf, niet meer en niet minder.

 

Op het einde van Handelingen, toen Paulus na een lange reis in Rome was aangekomen, was ook het eerste wat hij deed, om de Joodse leiders in Rome bij zich te roepen. (Hand 28:17).

  • En nadat de Joden een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig; en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen.” (Hand 28:23-25).

 

Paulus deed een hele lange dag niets anders dan voor Joden bekende dingen uit het Oude Testament betreffende de Christus uit te leggen. Dingen die ze uit de bekende Schriften konden weten. Hij verkondigde geen nieuwe dingen, maar zaken, waar misschien een sluier overheen lag, maar die reeds geschreven stonden. Ze hadden dan ook geen excuus. Enkelen gaven gehoor aan Paulus woorden, en geloofden, maar de anderen waren willens en wetens ongelovig. En dan is na zoveel “herkansing” voor Israël, voor God tijdelijk de maat vol. Dan zegt Paulus tegen Israël:

  • Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, zeggende: Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.]” (Hand 28:25-29).

 

Dit is een heel cruciaal punt in de geschiedenis voor Israël. Hier wordt een profetie vervuld, die reeds drie maal in de Schrift is uitgesproken. We vinden woorden van gelijke strekking in Jes 6:9-10, en in Ez 12:2. en in Mat 13:14-17. Met deze uitspraak van Paulus wordt Israël op een zijspoor gezet. Gods Plan met Israël, en het aanstaande Koninkrijk is voorlopig niet meer aan de orde. En het wordt nog erger voor Israël, want niet alleen dat het volk door God terzijde wordt gezet, maar ook hun stad met hun tempel wordt verwoest in het jaar 70 na Chr. De tempeldienst werd daarmee onmogelijk. De edele olijf was omgehakt! Wat nu? Niemand uit de heidenen die tot geloof kwam kon nog geënt worden op die olijfboom. God had door hun ongeloof Israël tijdelijk (nu al ca. 2000 jaar) terzijde gezet.

 

Het jaar 70 had dus, met de verwoesting van Jeruzalem en de verstrooiing der Joden, de (tijdelijke) nationale verwerping van Israël zichtbaar bevestigd. Gedurende bijna 2000 jaren had de Here geduld en genade betoond jegens Zijn uitverkoren, maar weerspannig volk. Steeds waren de andere volken op de achtergrond gebleven, want Israël was het centrum van het wereldgebeuren volgens Gods voornemen.

 

Al de gelovigen uit Israël en de volken, hadden gedurende de periode van Handelingen geleefd in de atmosfeer van het nabij zijnde Koninkrijk op aarde, en hadden de spoedige komst in heerlijkheid van de Messias verwacht. Wanneer we proberen ons in die tijd te verplaatsen, en de geestesgesteldheid van de gelovigen van die tijd proberen in te denken, dan kunnen we ons misschien voorstellen wat een donderslag de zichtbare verwerping van Israël is geweest. En dan wordt bovendien duidelijk wat een belangrijke mijlpaal het jaar 70 in de heilsgeschiedenis vormt.

 

Tot op dat ogenblik (Handelingen 28) had de Schrift en al wat door Gods boodschappers verkondigd werd, louter en alleen op Israël gewezen, wat de volkeren betreft. Alle zegeningen hingen af van dit volk, of konden slechts verkregen worden in relatie met dit volk. Wat bleef er dan over nu Israël verdween? Waarop kon men nu nog steunen? Zou Gods voornemen schipbreuk geleden hebben? Hadden de profeten, de apostelen en de Heere Zelf zich vergist? De Twaalven vormden een zichtbare autoriteit in Jeruzalem, die paste bij een zichtbare gemeenschap, door de gelovigen van Israël gevormd. Maar wat bleef er van dit alles over, nu dat volk verworpen werd (terzijde gezet werd) en Israël een tijdlang niet meer centraal zou staan in Gods handelen? Jeruzalem was verwoest, er was geen tempel en dus ook geen tempeldienst meer.

Begrijpen we de geestelijke ontreddering van die tijd? Wat bleef er over van alle beloften? In dit alles was er een lachende “derde”, die vond het prima, dat Israël, Gods oogappel, terzijde was gezet. Door alle tijden heen had hij al geprobeerd dat volk van God af te leiden, en het leek erop dat het hem nu echt gelukt was. Deze persoon is satan. Maar we zullen de volgende keer zien dat hij ook in dezen het onderspit heeft gedolven.

Het is bijzonder jammer dat deze “mijlpaal” (Hand 28:28) niet door dgelovigen van toen, en ook niet door latere gelovigen is verstaan. Een uitzondering daargelaten. Tot op de dag van vandaag heeft het christendom deze mijlpaal niet onderscheiden. En als we proberen deze mijlpaal een plaats te geven in Gods Woord, dan gebeurt het menigmaal dat we als dwaal-leraars worden weggezet, omdat het niet past in de leer der kerk, of in de mening van veel plaatselijke gemeenten.

Uit bovengeschetste voedingsbodem heeft zich dan geleidelijk een menselijk stelsel gevormd, waarin geen plaats was voor de latere leer (later meer hierover) van Paulus, en waarin men niettegenstaande alle gebeurtenissen nog steeds op de apostelen der besnijdenis dacht te kunnen steunen. Men kon natuurlijk niet meer vasthouden aan alles wat de profeten en de apostelen verkondigd hadden. Men had in het verleden te veel overgenomen van de Joodse begrippen en de profetie te letterlijk opgevat, die zouden nu moeten worden aangepast aan de nieuwe situatie.

Zo ontstond de volgende oplossing: De christengemeente zou Israënu vervangen. Sterker nog, het is die gemeente die nu het ware Israël vormde en al wat aan dat volk beloofd was bleek nu bestemd te zijn voor die gemeente. De meeste dingen moest men geestelijk verstaan, niet letterlijk en men moest nu vele zaken herzien en aanpassen aan de nieuwe toestand. Natuurlijk kon men alle Joodse inzettingen niet behouden, maar men ging ze zoveel mogelijk verchristelijken. Toen men eenmaal zo ver was, kon men geen rekening meer houden met Paulus, die in zijn laatste brieven in het geheel niet meer van een (geestelijk) volk Israël spreekt, en ook niet over inzettingen, maar over allerlei onbegrijpelijke dingen waarover tot dan toe geen mens gesproken had, en die niet waren te onderzoeken in de toen bekende Schriften. (Efeze 3:8). Zo had de mens bedacht............!

En de mens bedacht nog veel meer. Zo las ik enige tijd geledeneestukjvan de kerkorde van een niet nader te noemen kerk in Nederland. Deze kerkorde (220 pagina's) is in 2007 opnieuw herbevestigd. We noemen dit niet om ergens tegen aan te schoppen, maar om duidelijk te maken dat er door menselijk ingrijpen heel veel mis is gegaan, en nog steeds veel mis gaat omtrent de uitleg van Gods Woord. We lezen:

 

Artikel 52 van de kerkorde (2007):

De dienaren des Woords evenals de hoogleraren in de theologie en de docenten aan de Theologische Universiteit zullen hun instemming betuigen met de drie formulieren van enigheid, te weten de Nederlandse Geloofsbelijdenis, de Heidelbergse Catechismus en de Dordtse Leerregels, door ondertekening van het daarvoor bestaande ondertekeningsformulier. De dienaren die dit weigeren, zullen door de kerkenraad of de classis de facto in hun dienst worden geschorst, totdat zij na samenspreking bereid zijn tot ondertekening. Indien zij halsstarrig blijven weigeren, zullen zij geheel uit hun ambt worden ontzet.”

 

Deze “dienaren des Woords moeten hun instemming betuigen aan door mensen geïnterpreteerde geschriften, doen ze dat niet, dan worden ze uit hun ambt gezet.

Maar het gaat nog verder:

  • Art 52, 2a: “De synode spreekt uit, dat de drie formulieren van enigheid zich duidelijk uitdrukken inzake de persoonlijke wederkomst van Christus en dat het niet gereformeerd is te leren, dat Christus duizend jaar zichtbaar en lichamelijk op aarde zal regeren, aangezien dit strijdt tegen Gods Woord, zodat het niemand geoorloofd is, dit gevoelen te leren of te verbreiden. (in 1872 vastgesteld, en als laatste in 2007 bevestigd).”

 

Hier staat, dat het gereformeerde voorgangers niet geoorloofd is te leren dat Christus duizend jaar zichtbaar en lichamelijk op aarde zal regeren. Men beweert dat dit strijdt tegen Gods Woord, terwijl het zeer duidelijk in het Woord wordt aangegeven dat Christus werkelijk 1000 jaar zal regeren als Koning over Israël, en vanuit Israël met een ijzeren roede over de gehele aarde. (Openb 12:5, 19:15)

  • Art 52, 2b: “Er is geen schriftuurlijke grond voor de leer van een lichamelijke opstanding van de gelovigen vóór de algemene opstanding, noch ook van een regering van de heiligen op aarde gedurende duizend jaren, noch voor een periode van aardsgetinte christocratie. Derhalve blijven de....(naam weggelaten)....Kerken bij de bepalingen van de synoden van 1863, 1872, 1879 en 1931 en moet het iedere dienaar des Woords verboden worden, zijn persoonlijk gevoelen aangaande het duizendjarig rijk en de leer van de tweeërlei opstanding in woord en geschrift te verbreiden als de leer van de Heilige Schrift.”

 

Dit is duidelijk valse leer, en ontkrachting van Gods Woord, hetgeen wordt vastgelegd in menselijke geschriften, die bindend zijn in de verkondiging van die kerken. Dit zijn slechts enkele voorbeelden van de eigendunkelijke wijsheid van de mens. Deze dwalingen kunnen twee redenen hebben, ofwel men dacht het zelf beter te weten, ofwel men verstond niet wat in Gods Woord geschreven staat.

 

Maar wanneer we het Woord omtrent dit onderwerp bestuderen, dan vinden we volkomen duidelijkheid wanneer het gaat over de 1000 jaar, waarin Christus als Koning zal heersen in Jeruzalem. Allereerst lezen we in Openbaring 19, nadat Israël een tijd van grote verdrukking te verduren heeft gehad:

  • Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw (= gelovig deel van Israël) heeft zich gereedgemaakt.”(Open 19:6-7)

 

Vervolgens lezen we:

  • En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods. 14 En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. 15 En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen. 16 En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning der koningen en Here der heren.” (Open 19:12-16).

 

Het behoeft geen betoog, over Wie hier gesproken wordt. Het betreft hier onze Heiland, Christus Jezus, onze Heere, die het Koningschap op Zich neemt.

 

En dan komen we bij Openbaring 20, waar we lezen over de gelovigen, die in de grote verdrukking hadden stand gehouden. De Bijbel beschrijft het als volgt: Johannes zag in een gezicht:

  • de zielen van hen, die onthoofd waren om het getuigenis van Jezus en om het woord van God, en die noch het beest noch zijn beeld hadden aangebeden en die het merkteken niet op hun voorhoofd en op hun hand ontvangen hadden; en zij werden weder levend en heersten als koningen met Christus, duizend jaren lang.” (Openb 20:4).

 

Hier is toch duidelijk sprake van een heersen van 1000 jaar tezamen met de Koning der Koningen. Tevens is hier sprake van een opstanding. Er staat:

  • Dit is de eerste opstanding. Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij (die behoren tot de eerste opstanding) zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, [die] duizend jaren.” (Openb 20:5-6). De overige doden werden niet weder levend, voordat de duizend jaren voleindigd waren. (Openb 20:5).

 

Tijdens die 1000 jaar heeft satan geen macht op aarde, want hij zal door een engel uit de hemel gegrepen worden, en zal vastgebonden in een afgrond worden geworpen. Deze afgrond zal boven hem worden gesloten en verzegeld, zodat hij de volkeren in die duizend jaar niet zou kunnen verleiden. (Openb 20:1-3).

 

We weten dat de geschiedenis van de aarde ongeveer zesduizend jaar oud is. Wanneer we nu de tekst van 2 Petr 3:8 toepassen, waar staat “dat één dag bij de Here is als duizend jaar en duizend jaar als één dag”, dan mogen we die zesduizend jaren zien als zes dagen, en de voor de deur staande 1000 jaar als de zevende dag.

Wanneer we bovendien denken aan wat er in de wet was geschreven, die de Heere aan Mozes had gegeven, betreffende de zevende dag, namelijk:

  • Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt; zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de HERE, uw God; dan zult gij geen werk doen, gij noch uw zoon, noch uw dochter, noch uw dienstknecht, noch uw dienstmaagd, noch uw vee, noch de vreemdeling die in uw steden woont. Want in zes dagen heeft de HERE de hemel en de aarde gemaakt, de zee en al wat daarin is, en Hij rustte op de zevende dag; daarom zegende de HERE de sabbatdag en heiligde die.” (Ex 20:8-11).

 

Zó zal Israël onder Koningschap van Christus in de toekomst rusten op de “zevende dag van 1000 jaar. Wanneer we bij het Woord blijven, kunnen we het ook nog anders zeggen: “Dan zal de Heere hun Herder zijn, en het zal hun aan niets ontbreken, Hij laat hen rusten in grazige weiden, Hij verkwikt hun ziel, Hij leidt hen in de rechte sporen om Zijns Naams wil. Zijn stok en Zijn staf die vertroosten hen, Ja, zij zullen in het huis des Heeren verblijven tot in lengte van dagen. (Ps 23).

 

Bovendien is er ook de profetische tekst van de profeet Hosea. Wanneer de gelovigen van Israël die grote verdrukking meemaken, zullen zij roepen uit hun benauwdheid tot de Heere:

  • Komt, laat ons wederkeren tot de HERE! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht. Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit.” (Hosea 6:1-3)

 

Is het nu niet ongeveer 2000 jaar geleden gebeurd, dat Israël als volk (tijdelijk) terzijde werd gezet door God? Toen werd ook de tempel verwoest. Die 2000 jaar zijn die 2 dagen waarover Hosea spreekt. Na ongeveer 2000 jaar, of na twee dagen zal Israël (= gelovig deel) hersteld worden. Zij zullen herleven, en zij zullen leven voor het aangezicht van Christus. Dan zullen zij het verlangen hebben om de Heere te kennen. Dát zijn de dagen waarvan de profeet Jeremia zegt:

  • Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.” (Jer 31:31-33).

 

Geweldig om te zien hoe harmonieus Gods Woord in elkaar zit. Misschien denkt u, wat heeft dit alles te maken met ons onderwerp “Hem Kennen”? Maar beste lezer, wanneer we Gods Woord niet ten volle geloven, en wanneer we Gods Woord niet recht indelen, en in de juiste context lezen, is het onmogelijk om Hem recht te kennen. Dáárom zijn deze dingen van groot belang.

 

Intussen zat Paulus in Rome niet stil.

  • Hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen, predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering.” (Hand 28:30-31).

 

En wat Paulus in Rome predikte, nadat Israël terzijde was gezet, daarover de volgende keer.

 

Deel 14 volgt DV

Bert Boersma, maart 2010, boersmabpost@kpnmail.nl

 

  

Hem Kennen....... (deel 14)

De laatste keer zijn we geëindigd met Hand 28, waar we lazen dat Paulus “de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning verbleef, en ontving allen, die tot hem kwamen, predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering.” (Hand 28:30-31). En wat Paulus in Rome predikte, nadat Israël terzijde was gezet, daarover zouden we nu doorgaan.

 

Het is goed dat we in dezen beseffen, dat Paulus onmogelijk kon doorgaan met dezelfde verkondiging als in de Handelingen. Immers, Israël was door God op een zijspoor gezet. De edele olijfboom was omgehakt. Niemand kon meer geënt worden op die edele olijf, oftewel in Israël worden ingelijfd. Niemand kon nog delen in de zegeningen die voor Israël waren bestemd. De tekenen en wonderen, waardoor Israël zou mogen zien, verstomden. De tijd van de verborgenheid brak aan. Immers de tijd die toen aanbrak, en waarin wij nu nog leven wordt nergens in het Oude Testament genoemd, die was totaal verborgen.

 

Israël was geworden Lo-Ammi (= niet Mijn volk). Een beeld hiervan lezen we in Hosea, waar Gomer, de vrouw van Hosea een tweede zoon kreeg, en de Heere zei: “Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn.” (Hosea 1:9). Maar gelukkig stopt het daar niet mee, want we lezen verder:

  • Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet (= Lo-Ammi) – zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich bijeenscharen, één hoofd (Christus) over zich stellen, en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreël zijn. Zegt tot uw broeders: Ammi (= Mijn volk), en tot uw zusters: Ruchama (= ontferming).” (Hosea 1:10-12).

 

Zo zien we dat de namen van de kinderen van Hosea veel vertellen over de geschiedenis van Israël.

 

Wanneer we hoofdstuk 1 van Hosea in zijn geheel lezen, dan zien we dat na vers 9, waar Israël Lo-Ammi wordt (= verleden), de geschiedenis in vers 10 gewoon doorgaat naar het ontstaan van Ammi (= toekomst). Maar wij mogen weten dat er tussen vers 9 en vers 10 een periode zit van ongeveer 2000 jaar, die niet genoemd wordt, die verborgen is, en waarin wij nu leven. Daarom wordt het ook de tijd van de verborgenheid genoemd. Van dergelijke voorbeelden zijn er meerdere in Gods Woord terug te vinden.

 

Bovendien zijn de zegeningen die in de Handelingen voor Israël golden, ook daadwerkelijk voor Israël bestemd, en voor niemand anders. Niemand, geen groep of persoon, kan zich deze voor Israël bestemde zegeningen toeëigenen, zonder geweldige verwarring te stichten. Israël heeft toen in de Handelingen periode hun geweldige zegeningen en toekomst door geestelijke blindheid niet gezien en niet ontvangen. Maar Gods beloften zijn onberouwelijk, en blijven staan voor Israël, en ál Gods beloften zullen daarom in de toekomst in vervulling gaan voor het gelovig overblijfsel van Israël. Dát is de tijd waarvan de Heere zegt: “Dan zal Ik haar (Israël) voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ruchama, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij (Israël) zal zeggen: Mijn God!” (Hosea 2:22). Gods plannen falen niet!

 

Om de dingen die Paulus predikte vóór en ná Handelingen 28:28 goed te kunnen onderscheiden, is het van belang om de brieven die Paulus heeft geschreven in de goede context te plaatsen. Want we zullen in de brieven die Paulus IN de Handelingen heeft geschreven een ander evangelie ontdekken, dan in de brieven, die Paulus NA de Handelingen heeft geschreven. Daarom heb ik voor de duidelijkheid onderstaand schema toegevoegd:

 

Vóór Handelingen 28:28

zijn geschreven:

Ná Handelingen 28:28

zijn geschreven:

 

Jacobus.............

45 na Chr.

Efeziërs.......................

1

Judas.................

46 na Chr.

Kolossenzen................

2

1 Thess …........

53 na Chr. (1)

Filemon.......................

3

2 Thess.............

53 na Chr. (2)

Filippenzen..................

4

Hebreeën..........

53 na Chr. (3)

1 Timotheüs.................

5

1 Johannes........

56 na Chr.

Titus ….......................

6

2 Johannes........

56 na Chr.

2 Timotheüs................

7

3 Johannes .…..

56 na Chr.

 

 

1 Korinthe........

57 na Chr. (4)

En tot slot nog de

 

2 Korinthe........

57 na Chr. (5)

Openbaringen, die

 

Galaten.............

57 na Chr. (6)

handelt over de

 

Romeinen.........

58 na Chr. (7)

toekomstige

 

1 Petrus............

60 na Chr.

geschiedenis van

 

2 Petrus............

60 na Chr.

Israël.

 

 

 

(1 – 7 van Paulus)

 

 

 

 

De Brieven die in de gevangenis geschreven werden

Dit zijn de brieven die Paulus schreef geheel aan het einde, na de tijd van Handelingen, en in het bijzonder die aan de Efeziërs, Filippensen, Kolossensen en de tweede aan Timotheüs. Eén van hun kenmerken is dat ze in de gevangenis geschreven werden.
Vóór we deze brieven nader onderzoeken, willen we de aandacht vestigen op enkele aanwijzingen, die ons laten zien dat Paulus, op het einde van Handelingen, zijn (hemelse) boodschap volledig had gebracht in de Handelingen. Als hij te Milete afscheid neemt van de ouderlingen van Efeze (Hand. 20:17), zegt hij: “Gijlieden weet ... hoe ik niets achtergehouden heb van hetgeen nuttig was, dat ik u niet zou verkondigd en geleerd hebben, in het openbaar en bij de huizen, betuigende, beiden Joden en Grieken, de bekering tot God en het geloof in onze Here Jezus Christus", en verder: “Want ik heb niet achtergehouden dat ik u niet zou verkondigd hebben
al de raad Gods." Al wat betreft de nieuwe geboorte en de rechtvaardiging, was door Paulus verkondigd, niets was verborgen. Hij herinnert er ook aan dat hij niet verder gaat dan wat Mozes en de Profeten leerden: “Betuigende beiden, klein en groot, niets zeggende buiten hetgeen de Profeten en Mozes gesproken hebben, dat geschieden zou" (Hand. 26:22). Al wat hij dus schreef gedurende de tijd der Handelingen, in de brieven aan de Romeinen, Korinthiërs, Galaten, Tessalonicensen, valt daaronder, en was na te speuren in Mozes en de Profeten.

 

Maar hij verwijst ook naar een nieuwe boodschap: “Maar ik acht op geen ding, noch houd mijn leven dierbaar voor mijzelven, opdat ik mijnen loop met blijdschap mag volbrengen,en de dienst, welken ik van de Here Jezus ontvangen heb, om te betuigen het Evangelie der genade Gods" (Hand. 20:24). Het is pas in zijn laatste brief, namelijk 2 Timotheüs, dat hij zegt zijn loopbaan voleindigd te hebben (2 Tim. 4:7). De blijde boodschap der genade Gods, houdt nog meer in dan de nieuwe schepping, die hij in de Handelinge had gepredikt. Want het einddoel is de volmaaktheid, wanneer God alles in allen zal zijn. Paulus moest die boodschap dus vervolledigen.

 

In zijn gevangenschapsbrieven lezen we dan ook van een nieuwe bedeling, die der genade Gods, een verborgenheid, die alleen aan hem was geopenbaard (Ef 3:2-3). Zo eerst kon hij het Woord Godsvervolledigen (Kol. 1:25). Paulus ontving inderdaad meerdere openbaringen. De Here is hem niet alleen verschenen op de weg naar Damascus, doch ook later (Hand. 26:12-16). Vooral vers 16 op het einde, waar de Heere reeds aan Paulus beloofde "dat Ik aan u verschijnen zal". Laten we dus die volheid van genade onderzoeken, die behoudenis van God die tot de gelovigen gezonden werd (Hand. 28:28) nadat Israël als volk tijdelijk ter zijde was gezet.

 

Een nieuwe Boodschap

In de eerste plaats moeten we nu nagaan of het onderwijs dat Paulus in zijn laatste brieven geeft, slechts de uitbreiding is van zijn boodschap in de tijd van Handelingen, of dat het een nieuwe boodschap is. Na grondig onderzoek zijn wij op grond van Gods Woord tot de overtuiging gekomen dat het werkelijk over iets nieuws gaat, over een nieuwe sfeer van zegening, over een nieuwe geestelijke positie waartoe de gelovige kan komen. In deze boodschap bereikt men de volmaaktheid, die schepping en aionen (= eeuwen) te boven gaat. Natuurlijk is dit onderwijs in een bepaald opzicht de voortzetting van het vroeger onderwijs. God komt tot zijn doel door de aionen heen. De ene aioon (eeuw = tijdsperiode, geen 100 jaar) volgt de andere op, en ten slotte bereikt de schepping de volmaaktheid. Er is dus in deze zin, een opeenvolging, een ontwikkeling. Maar we hebben ook gezien dat deze ontwikkeling niet op geleidelijke wijze plaats heeft: De ene aioon verschilt in vele opzichten van de volgende, er zijn plotselinge veranderingen.

 

Het komt er nu op aan na te gaan of Paulus in zijn laatste brieven, na Handelingen 28, nog steeds over dezelfde dingen spreekt als in de Handelingen, of dat hij Handelingen zijn onderwijs slechts vervolledigt door ons in kennis te stellen met nieuwe openbaringen betreffende dezelfde zaken, óf dat hij over een nieuwe dingen schrijft, die van te voren niet verkondigd waren.

 

Het is niet gemakkelijk om de boodschap, die Paulus in zijn laatste brieven verkondigd, in één keer goed te verstaan en te begrijpen. Vooral gelovigen, die vastgeroest zitten in menselijke instellingen, (vergeef mij de uitdrukking, ik wil niemand kwetsen), zijn vaak door allerlei vastgestelde leringen en gewoonten, heel moeilijk in staat om de nieuwe voortgaande verkondiging van Paulus te onderscheiden. Want wanneer men om wat voor reden vast wil houden aan wat voor inzettingen ook, dan is er geen plaats om er iets nieuws voor in de plaats te zetten. Het “oude” legt dan als het ware een bedekking over het “nieuwe”.

 

Bovendien moet er in de gelovige een gezindheid aanwezig zijn, die Paulus duidelijk maakt in zijn brief aan de Filippenzen:

  • Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” (Fil 3:7-11)

 

Hier staat nogal wat. Er was heel veel wat in Paulus' ogen eerst winst was. Hij was een geleerd man, opgevoed aan de voeten van de wetgeleerde Gamaliël, hij was doorkneed in de Schriften. Maar hij heeft alles schade geacht, ja heeft alles prijsgegeven en hij heeft het als vuilnis gezien. De St. Vert. noemt datgene wat we moeten prijsgeven zelfs “drek”, waar de NBG het heeft vertaald door “vuilnis” in Fil 3:8.

 

Het gaat dus om een voortgaande groei, een groei in kennis van het Woord. Maar niet alleen in kennis, maar geleid door Gods Geest betreft het heel ons wezen. We moeten door Gods genade ons geloof beleven, om zo geleidelijk alles beter te zien en te leren onderscheiden, om zo God te horen spreken door Zijn gehele Woord. Hoe meer we bereid zijn toe te passen in ons leven, wat Paulus ons in bovenstaande tekst (Fil 3:7-11) voorhoudt, des te meer zal het mogelijk zijn op te wassen in de rechte kennis van het Woord.

 

Als kritiek zullen we te horen kunnen krijgen, dat het onnodig is om bepaalde dingen in Gods Woord te onderscheiden, omdat het hele Nieuwe Testament op alle christenen van toepassing is. Maar met zo'n opvatting leggen we een dikke sluier over de geweldige zegeningen die God ons in Zijn Woord wil openbaren door de verkondiging van Paulus. We moeten niet vergeten dat de Heere ook niet alles kon openbaren, toen Hij nog op aarde was. De Heere zei Zelf:

  • Nog veel heb Ik u te zeggen, maar gij kunt het thans niet dragen; doch wanneer Hij komt, de Geest der waarheid, zal Hij u de weg wijzen tot de volle waarheid; want Hij zal niet uit Zichzelf spreken, maar al wat Hij hoort, zal Hij spreken en de toekomst zal Hij u verkondigen. Hij zal Mij verheerlijken, want Hij zal het uit het mijne nemen en het u verkondigen. Al wat de Vader heeft, is het mijne; daarom zeide Ik: Hij neemt uit het mijne en zal het u verkondigen.” (Joh 16:12-15).

 

En ook Paulus kon in de Handelingen nog niet aan allen vaste spijs geven:

  • En ik, broeders, kon niet tot u spreken als tot geestelijke mensen, maar slechts als tot vleselijke, nog onmondigen in Christus. Melk heb ik u gegeven, geen vast voedsel, want dat kondt gij nog niet verdragen. Ja, dat kunt gij ook nu [nog] niet, want gij zijt nog vleselijk. Want als er onder u nijd en twist is, zijt gij dan niet vleselijk, en leeft gij niet als (onveranderde) mensen?” (1 Kor 3:1-3)

 

Petrus wist ook dat Paulus iets anders verkondigde dan het gangbare, iets wat boven de opdracht van Petrus uitging. Hij zegt dan ook:

  • Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont. Daarom, geliefden, beijvert u in deze verwachting, onbevlekt en onberispelijk te blijken voor Hem in vrede, en houdt de lankmoedigheid van onze Here voor zaligheid, zoals ook onze geliefde broeder Paulus naar de hem gegeven wijsheid u geschreven heeft, evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf verdraaien, evenals trouwens de overige schriften.” (2 Petr 3:13-16)

 

Gods Woord is geen naslagwerk, of een soort encyclopedie, waar we naar ons eigen goeddunken zomaar een willekeurige tekst uit kunnen kiezen, en die zomaar zonder context toepassen. Er zit een voortgaande ontwikkeling in het Woord, en Paulus bidt niet voor niets

  • dat onze Liefde voor het Woord steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dán zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God.” (Fil 1:9-11)

 

Graag wil ik deze zo belangrijke tekst ook nog citeren uit de St Vert, omdat het daar mijns inziens nog beter wordt uitgedrukt:

  • En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen; Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot den dag van Christus; Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God.” (Fil 1:9-11)

 

Het helder inzicht en de fijngevoeligheid om te onderscheiden heeft alles te maken met onze Liefde tot Gods Woord, met onze Liefde tot de Waarheid. En wanneer we in alle oprechtheid omgaan met het Woord, zullen we ontdekken hoe ingenieus Gods Woord in elkaar zit, en zal door geestelijk inzicht onze liefde tot dat Woord alleen maar toenemen. Dán zullen we ontdekken met welke geweldige zegeningen we in Christus Jezus, onze Heere gezegend kunnen worden.

 

Paulus zegt tegen Timoteüs dat hij aan zijn toehoorders de dingen die hij van Paulus heeft geleerd

bij de mensen in herinnering moet blijven brengen. Bovendien moet men geen woordenstrijd voeren, die tot niets nut is, (ja) verderf brengt aan wie ernaar horen. (2 Tim 2:14).

Maar..., vervolgt Paulus door de inspiratie van Gods Geest:

  • Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid.” (2 Tim 2:15).

 

Waarom ik zo indringend op al deze dingen inga? Beste lezer, het is van het allergrootste belang voor ons, in deze tijd van Gods rijke genade, om het gehele Woord vast te houden en recht in te delen. Daarbij bedenkende dat “al de Schrift van God is ingegeven, en nuttig is tot lering, tot wederlegging, tot verbetering, tot onderwijzing, die in de rechtvaardigheid is; Opdat de mens Gods volmaakt zij, tot alle goed werk volmaaktelijk toegerust.” (2 Tim 3:16-17).

 

Daarbij behoeven we voor geen enkele kritiek bang te zijn als we het gehele Woord, inclusief het onderwijs van de apostel Paulus, vasthouden en recht indelen. We hoeven ons er niets van aan te trekken “wat men er wel van denkt”, wanneer we nieuwe inzichten krijgen. Het gaat er alleen maar om wat God ons in Zijn Woord wil meedelen. Wanneer we alles op hetzelfde niveau plaatsen, dan onderscheiden we het verschil in openbaring van de verborgenheid niet, en dan komen we onontkomelijk tot allerlei moeilijkheden en schijnbare tegenstellingen. Dan worden we ontmoedigd, vinden we waarschijnlijk alles nogal moeilijk te verstaan, en het gevaar is levensgroot om dan tot afbrekende Schriftkritiek te komen, zoals zo vaak reeds is gebeurd.

 

Er is geen ware, geestelijke kennis zonder liefde, maar ook geen ware en volle liefde zonder kennis van de Schrift. Wanneer God ons de gehele Schrift gegeven heeft, en niet slechts enkele teksten die we met voorliefde lezen, dan is dat omdat alles nuttig is.

 

Als er werkelijke liefde tot de volle waarheid is, kunnen we werkelijk Gods Woord leren verstaan, en en een verrassende kennis op doen. Daarbij wel bedenkende dat het niet onze inspanning of verdienste is die telt, maar Gods werking in ons. God wil in ons werken en ons verstand verlichten, zodat we Hem kunnen horen spreken door middel van zijn geschreven Woord. Alles wat we moeten doen is Hem - bewust of onbewust - niet weerstaan."

 

Nu zijn we nog niet toegekomen om aan de hand van het Woord te zien wat Paulus predikte na de Handelingen.

Dat gaan we de volgende keer echt doen in deel 15 (DV).

Bert Boersma, maart 2010, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

 

Hem Kennen....... (deel 15)

 

De Boodschap van Paulus ná de Handelingen periode

Paulus' leven en werk eindigde in gevangenschap te Rome. In die tijd schreef hij een aantal brieven, waarin hij o.a. het (grote) geheimenis (St. Vert “verborgenheid”) bekend mocht maken. Hij beschouwde dat als een groot voorrecht, want het ging daarbij om de 'onnaspeurlijke rijkdom van Christus'. Een onnaspeurlijke verborgenheid, die in God verborgen was gebleven in alle voorgaande eeuwen. Dát mocht Paulus gaan verkondigen toen hij in Rome gevangen zat. Het was dus een niet na te speuren verborgenheid. Niemand wist er iets van tót die tijd.

  • Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd.” (Ef 3:8-11).

 

Wat betekent die verborgenheid en hoe is die boodschap destijds ontvangen? En was het echt iets nieuws, of was het een uitdieping van datgene wat reeds bekend was? Dat gaan we in deze en de komende stukken behandelen.

 

Wanneer we naar de eerste drie hoofdstukken van de Efeze brief kijken, dan kunnen we een opbouw van die hoofdstukken ontdekken. Want als we dat zien, dan kunnen we het geheel beter begrijpen. In de eerste 4 verzen van hoofdstuk 1 lezen we dat er vóór de nederwerping der kosmos een verkiezing is geweest.

  • “Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, die [te Efeze] zijn; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus. Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei (grondtekst: “alle”) geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld (Grondtekst: “nederwerping der kosmos”), opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.” (Efeze 1:1-5)

 

Dus toen al, vóór de nederwerping der kosmos, heeft God in Zichzelf een verkiezing gedaan. Die verkiezing die God heeft gedaan betreft het feit dat er gelovigen heilig en onberispelijk zouden zijn voor Zijn aangezicht. Die gelovigen worden hier in Ef 1:1 aangesproken als “heiligen en gelovigen”, beter gezegd, als “apart geplaatsten en getrouwen”. En Hij heeft die gelovigen in liefde ertoe bestemd om als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus. Eigenlijk staat er in het Grieks dat zij geadopteerd zijn, aangenomen tot zonen. Zoals er nog twee zonen zijn geadopteerd, namelijk het volk van Israël is ook geadopteerd als zoon van God. En ook nog de gemeente van eerstgeboren, van eerstelingen, is geadopteerd door God als zoon van God. God heeft eigenlijk een adoptie gedaan van drie zonen.

 

Een Nieuwe Eenheid

Gods Woord spreekt over meerdere "eenheden" of van verschillende gemeenten. Allereerst die van Israël als Gods uitverkoren volk. Het is een aardse eenheid, die in de toekomende aioon (= eeuw) zal verwezenlijkt worden als JaHWeH-Christus 'eeuwig' in hun midden zal wonen (Ezech. 43:7; Zef. 3:15-17) en als de "naam der stad" zal zijn: de HERE is hier (Ezech. 48:35). Dan zal er geen scheiding meer zijn tussen de twaalf stammen. Er zal op aarde een eenheid bestaan, een zichtbare Gemeente (= in dit geval Israël), die de gehele aarde tot zegen zal zijn.

 

Ten tweede is er de hemelse groep, die één is in Christus (Gal. 3:28). Deze boodschap werd door Paulus in de Handelingen verkondigd. Allen die hieraan deel hebben, hebben deel aan de Abramitische zegeningen. De gelovigen die er deel van uitmaken zijn met Hem gekruisigd en dood (Rom. 6:4-8). Zij behoren tot die “gemeente”, die de Heere bij Zijn komst op aarde tegemoet zullen gaan in de lucht. Allen zijn in één Geest, 'tot in' één lichaam gedoopt (1 Kor. 12:13). Dit “lichaam” was van Christus. Het behoorde Hem toe. Deze zoon is van Christus (Gal. 3:29).

 

En ten derde vinden we in het Woord die zoon, die genoemd wordt “Het Lichaam van Christus”. Deze zoon is als enige reeds uitverkoren vóór de nederwerping der kosmos, zo lazen we in Efeze 1:4. En wanneer we kijken naar die ander twee zonen, wanneer die zijn geadopteerd, dan zien we in het Woord, dat die zijn geadopteerd vanaf de nederwerping der kosmos, of zoals er staat “sinds” de grondlegging der wereld. Deze adoptie's heeft God neergelegd in een akte.

 

Zo was het ook bij de Romeinen, want als een Romeinse vader zonen wilde adopteren, die eigenlijk niet van hem waren, dan ging hij met zo'n zoon naar het stadsbestuur, en daar werd in een adoptie-akte vastgelegd, dat die persoon de zoon van die vader werd, en dan kreeg de geadopteerde de naam van de vader. Dan mocht de zoon wonen in het huis van de vader. En bovendien werd de zoon daarmee een erfgenaam van de vader. De zoon had vanaf dat tijdstip recht op een erfdeel. En dat beeld moeten we goed vasthouden, want daar gaat het om, het gaat om een erfdeel. Het gaat om een roeping, gelovigen zijn geroepen om erfgenaam te zijn, om een erfdeel te ontvangen.

En zo zijn alle drie zonen geroepen om erfgenaam te zijn. En alle drie erven een erfdeel.

 

Elk erfdeel van de verschillende zonen gaat over verschillende gedeelten van Gods schepping:

  • Het erfdeel van het Lichaam van Christus ligt in het bovenhemelse, de hemel der hemelen, of in het Woord ook wel het Heilige der Heiligen genoemd. Deze zoon is geplaatst IN Christus op dezelfde plaats als Christus.
  • Het erfdeel van de gemeente der eerstgeborenen ligt in het Heilige, in de hemel, in datgene wat wij zien, de sterrenhemel, wolkenhemel, de lucht. Deze zoon is VAN Christus.
  • En het erfdeel van de laatste zoon, het volk van Israël ligt hier op de aarde. Deze zoon regeert met Christus 1000 jaar op deze aarde.

 

Waarom heeft God nu besloten om voor de eeuwen, dus voor de tijd van “in den beginne”, dat hij naar de raad van Zijn wil besloot om een adoptie-akte te maken in aanwezigheid van getuigen, daar zijn drie zonen een erfdeel te geven, eigenlijk heel Zijn schepping te geven aan die zonen, ieder naar zijn eigen deel? Omdat God vooraf reeds wist, dat heel die schepping zou vallen in de zonde. En heel die schepping zou moeten worden verlost. En God gebruikt daarvoor drie roepingen, drie “gemeenten”, om de schepping in Christus tot de verlossing te leiden.

 

En wat Paulus in de Efeze brief begint openbaar te maken, is dátgene, wat het erfdeel is van het Lichaam van Christus, dus van de zoon die geplaatst is IN Christus. Deze openbaring van Paulus was verborgen gebleven in God. Alle roepingen zitten uiteraard vast aan Christus Jezus. Want wie is straks in staat om die akte, dat testament van God de Vader, die met zeven zegels is verzegeld, te openen? Wat zegt Openbaring 5? De leeuw uit de stam Juda, Hij opent die akte:

  • “En ik zag in de rechterhand van Hem, die op de troon zat, een boekrol, beschreven van binnen en van buiten, welverzegeld met zeven zegels. En ik zag een sterke engel, die met luider stem uitriep: Wie is waardig de boekrol te openen en haar zegels te verbreken? En niemand in de hemel, noch op de aarde, noch onder de aarde kon de boekrol openen of haar inzien. En ik weende zeer, omdat niemand waardig was gebleken de boekrol te openen of die in te zien. En een uit de oudsten zeide tot mij: Ween niet; zie, de leeuw uit de stam Juda, de wortel Davids, heeft overwonnen om de boekrol en haar zeven zegels te openen.” (Openb 5:1-5)

 

In zijn laatste brieven, geschreven na Handelingen 28:28 spreekt Paulus over die eenheid, die Gemeente, Het Lichaam wat in volkomen gemeenschapmet Christus staat. Deze gelovigen zijn "mede-levend gemaakt met Christus", "mede-opgewekt", en God heeft ze "mede-gezet in de overhemelse in Christus-Jezus" (Efe. 2:5,6; Kol. 2:12,13). Dit gaat dus verder dan hetgeen van de hemelse groep in Handelingen gezegd wordt, en we vinden hier een volkomen eenheid, "één Lichaam" (Kol. 3:15; Efe. 3:6; 4:4), "één nieuwe mens" (Efe. 2:15), "één geest", "één doop" (Efe. 4:4, 5). Het is geen zichtbare, fysieke eenheid, doch een werkelijke, geestelijke eenheid.

 

Een Nieuwe Verborgenheid

 

In zijn gevangenschapsbrieven (de laatste zeven brieven van Paulus) spreekt Paulus niet over verborgenheden, die het Koninkrijk op aarde of de hemelse positie betreffen, maar Paulus spreekt in de gevangenschapsbrieven over de grote Verborgenheid (Efe. 5:32), die gedurende de aionen in God (Efe. 3:9 "apo ton aionon") verborgen was, maar nu bekend gemaakt is - d.w.z. aan het einde van de tijd van de Handelingen - aan zijn heiligen en getrouwen.

Gods Woord toont de openbaring van de verborgenheid van Christus, en Paulus kon dus zeggen dat, op het ogenblik waarop hij DE Verborgenheid kenbaar maakte, deze verborgenheid van Christus op een ongekende wijze door hem geopenbaard werd. De vorige geslachten hadden er geen weet van, omdat deze verborgenheid in God was verborgen. Daarom lezen we in Kolossenzen uitdrukkelijk: "De verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen." (Kol 1:26).

 

Ook Efeze 3:8-11 spreekt hierover: "Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwige (= het voornemen der eeuwen) voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd." (NBG51).

 

Was die Verborgenheid toch niet, op bedekte wijze, in de vroegere Schriften genoemd?Wijst het Oude Testament er nooit in zekere zin op? Het antwoord is zeer beslist: Nee, de verborgenheid was "van de aionen verborgen in God". En hebben de engelen en andere schepselen der hemelen deze Verborgenheid niet gekend? Ook hier moet het antwoord op grond van de Schrift zeer duidelijk zijn: Neen, want er staat geschreven: "opdat nu aan de overheden en de machten in de overhemelse, door middel van de Gemeente, bekend gemaakt worde ..." (Efe. 3:10).

Om nog beter te doen uitkomen dat men die rijkdom der genade Gods niet moet zoeken in wat toen reeds geopenbaard of geschreven was, voegt de apostel er nog bij: "Mij... is deze genade gegeven om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus aan de volken te verkondigen". We moeten deze Verborgenheid dus niet bij anderen, en ook niet in Paulus' vroegere geschriften zoeken. We concluderen dus uit dit alles, dat indien Paulus zo de nadruk legt op de nieuwheid en het belang van deze openbaring, men ze niet mag zien als een verdere ontwikkeling van iets dat reeds bekend was, als een soort aanhangsel in verband met hetgeen hij of anderen reeds vroeger hadden geleerd.

Paulus Verlaten

Hoe is die ''niet na te speuren boodschap'' destijds ontvangen? Hoe verder hij ging in het kenbaar maken van hetgeen de Heere alleen aan Paulus geopenbaard had, (de onnaspeurlijke verborgenheden), hoe meer hij ondervond dat men zich van hem afkeerde. Aan de Filippenzen zag hij zich genoodzaakt te schrijven:

  • "Want ik heb niemand die zó eens geestes (met u) is, om uw belangen getrouw te behartigen; want allen zoeken zij hun eigen belang, niet de zaak van Christus Jezus." (Fil 2:20-21).

 

Nadat hij over drie van zijn medearbeiders gesproken had, schreef hij aan de Kolossensen:

  • "Dezen alleen zijn mijn medearbeiders in het Koninkrijk Gods, die mij een vertroosting geweest zijn" (Kol. 4:11).

Het blijkt dus dat de grote meerderheid van hen die meegewerkt hadden, Paulus niet getrouw waren. We zijn overtuigd dat deze arbeiders serieuze christenen waren, maar we moeten, door het getuigenis van Paulus, aannemen dat ze zijn bijzonder onderwijs, aangaande de "onnaspeurlijke verborgenheid" niet aanvaard hebben. Ze bleven staan bij de aardse sfeer (Eerste zoon) of bij de hemelse sfeer (Tweede zoon), en hebben in elk geval de volle waarheid van het "overhemelse" (Derde zoon) niet kunnen of niet willen aanvaarden.

Op het eind van zijn leven zegt Paulus in 2 Tim 4:16: "Maar zij hebben mij allen verlaten."

En in 2 Tim 1:15 lezen we "Gij weet dit, dat allen, die in Azië zijn, zich van mij afgewend hebben".

En dit gebeurde nadat we in Handelingen 19:10 konden lezen dat hij twee jaar lang aan allen, die in Azië woonden, het evangelie heeft gebracht, "zodat allen in Azië het woord van de Here Jezus hoorden, beiden Joden en Grieken".

 

Dat het wel degelijk om reden van zijn leer was, dat Paulus verlaten werd, blijkt ook uit het feit dat zijn onderwijs nagenoeg onbekend bleef gedurende meerdere eeuwen daarna.
Hoe weinigen waren zij, die Paulus volgden tot in de "overhemelse" sfeer. Ze werkten voor het "Koninkrijk Gods", een zeer algemene uitdrukking die veel kan omvatten, maar ze volgden Paulus niet in zijn van God ontvangen onderwijs, aangaande de Gemeente der Verborgenheid, aangaande het Lichaam van Christus, wat met Hem zal verschijnen in heerlijkheid, wanneer Christus komt.

Zeer waarschijnlijk zeiden ze toen onder elkaar, wat we vandaag ook wel horen: "Hij gaat te ver".
Ze oordeelden Paulus volgens de maatstaf van hun eigen gedachten, in plaats van Gods openbaringen te geloven, openbaringen die inderdaad veel verder gingen dan alles wat men vroeger gehoord had. Ze bleken
slachtoffers te zijn van hun eigen ik of van bedrieglijke arbeiders.

 

Nu zouden we kunnen denken, ja, geen wonder dat de gelovigen Paulus niet wilden of niet konden geloven, want wat Paulus in zijn latere brieven verkondigde was niet na te speuren in de toen bekende Geschriften. Moest men hem op zijn Woord geloven? Ik denk het niet, want we weten onder andere uit Efeze 1:13 dat zij in Christus zijn, nadat zij het woord der waarheid, het evangelie van hun behoudenis, hebben gehoord; in Hem zijn zij, toen zij gelovig werden, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte. En wanneer zij verzegeld zijn met de Geest van God, zou de Heere hen dan niet leiden in alle Waarheid? God zelf wilde (en wil) diegenen, die werkelijk naar de Waarheid op zoek waren (en zijn), door Zijn Geest kenbaar maken dat Paulus van geweldige dingen sprak, en spreekt door God zelf geopenbaard!

 

Bovendien, wanneer men lette op de dingen die er te dien dage gebeurden in Israël, kon men grote veranderingen waarnemen. In 70 na Christus werd Jeruzalem met daarin de tempel verwoest. Toen was de tempeldienst onmogelijk geworden. Alleen al hieruit kon men waarnemen dat er een andere, nieuwe tijd aanbrak. De Heere zelf had de "klok" voor Israël tot een bepaalde tijd stilgezet in Handelingen 28:28. Alles wat met Israël te maken had, inclusief het aanstaande Koninkrijk, werd voor een bepaalde tijd opgeschort.

 

Ook de dingen die Paulus in Hand 28:26-28 had gezegd door de Heilige Geest, waren niet nieuw, want ook de profeten Jesaja (Jes 6:9) en Ezechiël (Ez 12:2) hadden hier al over gesproken. Daarenboven zegt de Heere zelf in Mat 13:14-17 woorden van gelijke strekking.

 

Paulus schreef zijn laatste brieven in de tijd waarin, volgens het Woord overal reeds gemeenten opgericht waren door Paulus op zijn reizen. Deze gemeenten waren zeer verbreid en in volle werking. We mogen er niet aan twijfelen dat er toen tienduizenden moedige en werkzame kinderen Gods leefden, die bereid waren hun leven te geven voor hun geloof. Ze geloofden in God, in Christus, maar ze waren nog niet gekomen tot de hogere zegeningen, en vooral niet tot de volmaakte positie in Christus, tot Gods einddoel, waarvan Paulus sprak in zijn latere brieven. Wellicht verkozen zij een "eenvoudig Evangelie" in plaats van het "moeilijke" onderwijs in Paulus' latere brieven. Hoe het ook zij, we moeten ernstig rekening houden met het onloochenbare feit dat, behalve enige weinige uitzonderingen, de meeste serieuze christenen Paulus verlaten hebben nadat hij over de grote verborgenheid gesproken had.

 

"Heilige en Getrouwe"

Sommige christenen waren echter trouw aan Paulus, en het is vooral aan deze "gelovigen en getrouwen in Christus-Jezus" dat de Apostel zijn latere brieven richt. (Ef 1:1, Kol 1:2 en 2 Tim 2:2)

  • Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen (Grieks = “pistos”) in Christus Jezus, die [te Efeze] zijn.” (Efeze 1:1)

 

Het Griekse woord “pistos” kan vertaald worden door “gelovig” en door “getrouw”. Wanneer we dan de tekst uit Efeze 1:1 lezen, dan staat er dat de brief geschreven is aan: De heiligen, dit zijn de door hun geloof apart geplaatsten in Christus. Door hun geloof nemen ze reeds een “apart geplaatste” positie in. Dit woord “heiligen” omvat duidelijk het geloof van de geadresseerden. Het is daarom een beetje dubbel om te vertalen: “aan de heiligen (die geloven) en gelovigen in Christus Jezus”. Beter is: “Aan de heiligen én getrouwen in Christus Jezus. Want dát drukt namelijk uit waar het in deze brief om gaat. De geadresseerden waren getrouw aan de boodschap, die Paulus na de Handelingen verkondigde. Zij hadden deze verborgenheid die Paulus bekend moest maken aanvaard, en dan gaat Paulus aan die getrouwen in de brief uitleggen wat dit allemaal inhoudt.

 

Volgende keer gaan we Paulus volgen in het Woord, om te zien wat hij die “getrouwen” heeft geschreven. Wanneer u deze dingen voor het eerst hoort en leest in het Woord, dan kan ik begrijpen dat het niet eenvoudig is, en dan hoop en bid ik dat u door verlichte ogen des harten “licht” mag krijgen op wat God ons in Zijn Woord wil meedelen.

 

Deel 16 volgt DV

Bert Boersma, april 2010, boersmaklm@hetnet.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 16)

Wanneer we willen ontdekken, wat Paulus heeft geschreven na Handelingen 28, dan moeten we die brieven lezen, die hij in zijn gevangenschap in Rome heeft geschreven. En dan komen we eerst terecht bij de brief, die Paulus aan de Efezieërs heeft geschreven.

Efeze 1:

  • “Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, die [te Efeze] zijn; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus. Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding (grondtekst = bedeling) van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.” (Ef 1:1-14)

 

Gezegend met alle zegeningen in de Hemel

Hier staat in een paar verzen ontzettend veel. We hebben de vorige keer al gezien, dat Paulus de brief heeft gericht aan “de heiligen en getrouwen” in Christus Jezus. En dan lezen we in vers 3, dat we (die getrouwen) gezegend zijn “met allerlei geestelijke zegen in de hemelse gewesten in Christus.” tenminste zó lezen we het in de NBG, maar in de St. Vert. lezen we: “Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.”

 

En er staat ook “alle” in de grondtekst, en wat de St. Vert. heeft vertaald met “in de hemel”, daar staat in het Grieks het woord “epouranios”, wat vertaald in het Nederlands betekent “het bovenhemelse”. Dit “epouranios” is samengesteld uit de Griekse woorden “epi” en “ouranos”, en betekent letterlijk “boven-hemel”. Het gewone woord voor hemel is “ouranos”. We weten dat God in den beginne de hemelen en de aarde schiep. Deze geschapen hemelen zijn de lucht waarin de vogels vliegen, én de sterrenhemel. Deze schepping betreft dus de “ouranos”.

De hemel der hemelen, of zoals in Efeze 1:3 staat, de “epouranios”, is niet geschapen, maar er altijd geweest. Daar woont God zelf.

 

En dat is nou het zeer bijzondere, juist daar, in die “epouranios”, in dat bovenhemelse kunnen we worden gezegend met allegeestelijke zegen. De oplettende lezer ziet dat ik hier geschreven heb: “kunnen worden gezuigend”, in tegenstelling tot datgene wat in de tekst staat: “Die ons gezegend heeft.”

De reden hiervan is, dat de grondtekst ons duidelijkheid geeft. Daarom wil ik u graag iets vertellen over een bepaalde werkwwordsvormen in het Grieks: De Aoristus-vorm.

 

De Bijbel kent in zijn oorspronkelijke talen, zoals u weet, het Hebreeuws voor het Oude Testament, en het Grieks voor het Nieuwe Testament, verschillende werkwoordsvormen, meer dan er in onze eigen taal bestaan.

Zo is één van de Griekse werkwoordsvormen de Aoristus-vorm. En hiervan zijn er dan ook weer meerdere vormen. Maar we bepalen ons hier tot de Aoristus 1 (in het Latijns: perfectum historicum).

Dat is: De in het Grieks voorkomende verleden tijd, die voortduurt tot in het heden.

Ja, ik weet dat dit misschien een beetje moeilijk is, maar we kunnen en mogen hier toch niet aan voorbij gaan, want het is wel belangrijk om Gods woord op de juiste manier te verstaan.

 

Die Aoristis 1 laat zien, dat de betreffende handeling geen begrenzing aangeeft voor wat betreft het voortduren van de handeling tot in het heden. De handeling is dus bezig in vervulling te gaan, maar is nog niet ten volle vervuld.

Het duidt op een feit of toestand, zonder op de duur van het feit te letten.

De A staat voor NIET

Oristus staat voor AFGRENZEN

 

Wanneer we de Aoritus 1 dan toepassen bij het lezen van het Woord, dan komen sommige dingen er heel anders uit te zien. Ook de tekst uit Ef 1:3:

Dit wordt ook weer gesproken tegen de heiligen en gelovigen, dus tegen de “apart geplaatsten én getrouwen”, dus tegen die eerste groep, tegen die navolgers vanPaulus:

  • Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft (AORISTUS 1) met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.”

 

Vaak krijgen we te horen, en dat staat ook in de vertalingen, dat de gelovigen reeds nu gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus. Maar dat staat hier niet. Hier staat volgens de vertaling, volgens de gebruikte Griekse tijd, de Aoristus 1, dat God bezig is ons, de leden van Zijn Lichaam, die apart geplaatsten en die getrouwen te zegenen met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.

 

Dus hebben zij, die tot het Lichaam van Christus behoren, alles reeds ontvangen? Nee, volgens de grondtekst is God daar mee bezig. En wanneer we Paulus navolgen, en wandelen in dat spoor, dan krijgen we die zegeningen één voor één. En daar zitten dus voorwaarden aan vast. Want als we niet wandelen in navolging van Paulus, dan zullen we ook geen geopende ogen des harten ontvangen om al die zegeningen één voor één te ontwaren.

 

Misschien denkt u, wat is dit nou allemaal? Er is ons al zo vaak verteld dat we nu al gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus.

Maar dan wil ik u een voorbeeld noemen uit de dagelijkse praktijk:

 

Er was ooit een broeder, die tegen mij zei: Als ik aan het begin van mijn loopbaan sta, en mijn baas geeft mij dan mijn hele loon tot mijn 65 ste jaar, waarom zou ik dan nog werken? Ik heb immers alles al ontvangen?

 

Zo is het Bijbels gezien ook, en dat wil ik u ook graag laten zien, en daarvoor wil ik u graag even meenemen naar het boek Jozua, Jozua 1:2.Want we weten toch dat alles hun, Israël is overkomen, mag ons tot lering zijn:

  • Mijn knecht Mozes is gestorven; welnu, maak u gereed, trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele volk, naar het land, dat Ik hun, de Israëlieten, geven zal. 3 Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden, zoals Ik tot Mozes gesproken heb.”

 

Dat gereed maken had al heel wat voeten in de aarde, en dat doortrekken door de Jordaan spreekt van het sterven en opstaan met Christus. En aan de overkant werden ze besneden, zoals onze harten besneden dienen te worden zonder mensenhanden, door de Heere zelf, maar we hebben gelezen: “Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden.”

 

Als Israël nou eens niet was gaan wandelen, als zij daar bij die Jordaan waren gebleven, als zij rond Jericho waren blijven rondhangen, hadden ze dan ooit het land met al zijn zegeningen ontvangen? Nee,

  • ze moesten hun voeten verplaatsen,
  • ze moesten gaan lopen in dat land,
  • ze moesten strijden voor dat land,

en overal waar zij hun voeten zetten, dát land zou God hun geven!

 

Precies zo, mogen wij in een juiste gezindheid gaan wandelen. Wandelen aan Gods hand, met Gods wapenrusting gaan wandelen in dat “land”, en door van Hem ontvangen verlichte ogen des harten mogen wij dan één voor één onze voeten zetten op de zegeningen, die God voor ons in petto heeft. Dat gaat niet zonder strijd.

En wanneer u bij uzelf kijkt, dan weet u ook wel dat het zó werkt.

Nog nooit is er een gelovige geweest die in één keer alle geestelijke zegeningen heeft ontvangen. Dat zou ook niemand aankunnen.

Net zoals het bij Israël stap voor stap ging, gaat het ook bij ons stap voor stap. En dat is ook de betekenis van de gebruikte Griekse tekst in Efeze 1:3.

 

En ik denk wel eens, ons leven is te kort om al die geestelijke zegeningen te ontdekken.

En daarom is het ook mooi dat er in Fil 1:6 staat:

  • Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u (dat zijn ook weer die apart geplaatsten) een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot IN de dag van Christus Jezus.”

 

Nog nooit in heel Gods Woord is er één groep mensen geweest, tegen wie zulke geweldige dingen zijn gezegd. Bovendien is dit niet de enige keer dat Paulus over deze “bovenhemelse dingen spreekt:

  • In Efeze 1:18-19 bidt Paulus dat de getrouwen "verlichte ogen [uws] harten mogen hebben, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen." Ook hier zou uit de grondtekst vertaald moeten zijn: Hoe rijk is Zijner erfenis in het Heiligste, oftewel in Het Heilige der Heiligen. Dus ook hier in die “epouranios”.

 

  • En verder lezen we in Efeze 2:19: "Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods." Er is in bovenstaande vertaald: "medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods", maar uit de grondtekst had dit eigenlijk vertaald moeten worden als "medeburgers van het Heiligste", want zo staat het in de grondtekst, het staat er als een bepaling van plaats. Dus ook hier is sprake van een plaatsing in die “epouranios”. Wanneer we de tekst goed lezen, dan is het ook logisch, want als we huisgenoten Gods zijn, dan mogen we dáár wonen, waar God ook woont. Dus, broeders en zusters, door Gods rijke genade zijn wij medeburgers van het Heiligste, of anders gezegd: medeburgers van Het Heilige der Heiligen. Het Lichaam, dat één is gemaakt, wat geschapen is in Christus Jezus, is zoveel genade ten deel gevallen, dat zij niet alleen deze meest heilige plaats in de hemel mogen binnengaan, maar er zelfs permanent mogen wonen. Wat een Goddelijke Liefde!

 

  • Precies hetzelfde is het geval met Kol 1:11-12: "Zo wordt gij (weer diezelfde getrouwen) met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht." Ook hier dus volgens de grondtekst: "die u toebereid heeft voor het erfdeel in het Heiligste in het licht". Dit is het erfdeel van Christus in het Heiligste, Het Heilige der Heiligen in het licht, in die “epouranios”. Deze toevoeging "in het licht" laat ons ook denken aan 1 Tim 6:16, waar staat: "dat de Here der Heren een ontoegankelijk licht bewoont". Maar toch mogen wij weten uit het Woord dat deze nieuw geschapen ene mens, het samen-Lichaam, de toegang heeft tot het Heiligste (Efeze 2:18), ja zelfs tot het ontoegankelijk licht. Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen (Fil 3:20), medeburgers in het Heiligste en huisgenoten Gods (Efeze 2:19)

 

Bij dit alles moeten we niet vergeten dat het Christus' erfenis is. Het is niet onze erfenis, wij mogen als leden van het Lichaam van Christus in de erfenis van Christus delen. "Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde" (Kol 1:13) "Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente." (Kol 1:17-18)

  • "Hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw." (Efeze 1:19-21)

 

Broeders en zusters, zien we in dit alles, welk een geweldige positie wij door genade in Christus kunnen ontvangen? Zien we ook dat deze, de positie van het Lichaam Christus, totaal iets nieuws is, dat tevoren nog nooit verkondigd was?

Zien we dat dit nieuw geschapen Lichaam iets nieuws is, wat voor Handelingen 28 nog helemaal niet bestond? Zien we ook de geweldige hoge hoop en roeping voor dit Lichaam van Christus?

Wanneer we dit alles zien en geloven, dan kunnen we alleen maar in grote verbazing en verwondering danken voor de grote onvoorstelbare zegeningen, die het Lichaam van Christus in Christus door genade ten deel zijn gevallen. Wanneer we dat zien, dan gaan we het lied “Ik wandel in het licht met Jezus” op een heel ander manier zingen.

 

Bovendien zegt God zelf in Zijn Woord dat we het hier over iets volkomen nieuws hebben. Dit blijkt onder anderen uit de volgende teksten:

  • Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen.” (Ef 3:8-9).
  • Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen.” (Ef 2:14-15)

 

In deze teksten zien we, dat de rijkdom die Paulus hier mag verkondigen, niet na te speuren was in de Schriften. In de tot die tijd bekende Schriften waren deze dingen totaal onbekend. Ook zien we dat deze nieuwe mens, dit Lichaam van Christus een nieuwe schepping is. Dan kunnen we ons afvragen, was er niet eerder een lichaam van Christus? Lezen we ook in de brieven, die Paulus IN de Handelingen heeft geschreven al niet over een lichaam van Christus? Voor we verder gaan met Efeze is het goed om “het lichaam” te onderscheiden in de Bijbel. Zodat we weten waar het over gaat.

 

Het “Lichaam”

Daarvoor gaan we onderzoeken wat het “lichaam” in de grondtekst betekent. Het woord “lichaam” verwijst in het Nieuwe Testament meestal naar een fysiek lichaam. In het Grieks komen we vier verschillende woorden tegen, die allemaal “lichaam” betekenen:

 

1. SOMA = lichaam

Soma” komt 146 keer voor in het Nieuwe Testament. Het wijst op het letterlijke fysieke lichaam van een mens, dier of plant (Math 6:22, Hebr 13:11, 1 Kor 15:37-38, 1 Kor 15:40). “Soma” wordt ook figuurlijk gebruikt, om er iets mee te vergelijken:

  • In 1 Kor 12 en Rom 12 wordt een lichaam, die op te delen is in al zijn verschillende leden, zoals oog, oor, reuk, hand, voet, maag hart, enz, gebruikt als een voorbeeld ter vergelijking.
  • In Efeze en Kolossenzen (geschreven na Hand) wordt de relatie tussen een menselijk hoofd en het lichaam ook gebruikt als voorbeeld ter vergelijking.

 

Misschien is het nog nooit opgevallen, maar deze twee voorbeelden ter vergelijking komen niet met elkaar overeen. Het zijn niet dezelfde voorbeelden, en daarom komt ook datgene wat met elkaar wordt vergeleken, niet met elkaar overeen. Er worden verschillende zaken met elkaar vergeleken:

 

  • 1 Kor 12 en Romeinen 12

Hier worden alle verschillende leden van het menselijk lichaam als illustratie gebruikt (oog, voet, hand, enz), om de grote verscheidenheid van geestes uitingen, die onderling van elkaar verschillen, maar die ook met elkaar een eenheid vormen, te vergelijken met de plaatselijke gemeenten.

 

  • Efeze en Kolossenzen

Hier wordt de verhouding tussen een hoofd en een lichaam als illustratie gebruikt om ermee te vergelijken de relatie tussen Christus, het Hoofd, én de universele gemeente van het Ene Lichaam. In Efeze en Kolossenzen is Christus het Hoofd. Daar is het onmogelijk dat leden van dat lichaam oog, oor, neus, enz, kunnen zijn. Het beeld van Efeze en Kolossenzen is geheel anders dan dat van 1 Kor 12 en Rom 12. We moeten ons zelfs afvragen of wij ons in Efeze en Kolossenzen moeten beperken tot de gedachte aan een menselijk lichaam met een hoofd. “Lichaam” kan immers ook worden gebruikt om er een groot aantal mensen mee aan te duiden, die nauw met elkaar zijn verbonden, en die als een eenheid functioneren en optreden. Misschien als voorbeeld, het korps mariniers, een lichaam onder leiding van een hoofd. Dit benadert veel meer het beeld wat vanuit Efeze en Kolossenzen tot ons komt.

 

2. Chros = lichaam

Dit woord komt uitsluitend voor in Hand 19:12. Het wijst op het oppervlak, de huid van het menselijk lichaam. In Hand 19 worden zweetdoeken en gordeldoeken van het lichaam van Paulus naar de zieken gebracht.

 

3. Ptoma = lichaam

Dit komt vijf keer voor in het N.T. “Ptoma” betekent val, ongeluk of ongeval, datgene wat gevallen is, het gevallen lichaam van een dode.

 

4. Sussomos = lichaam

Dit komt maar één keer in het N.T. Voor, in Efeze 3:6, waar het in de NBG vertaald is door “medeleden”, en in de St. Vert. door “hetzelfde lichaam”. Sussomos is ontstaan uit twee Griekse woorden, het woord “sun”, wat betekent “met”, “mede”, “gelijk” of “samen”, en het woord “soma”, wat betekent “lichaam”. Wanneer we deze twee samengevoegd tegenkomen, dat krijgen we dus: “mede-lichaam, of “gelijk-lichaam” of “samen-lichaam”. In de vertaling komen we ook “mede-leden” tegen, dit is evenwel geen goede vertaling, maar eerder een interpretatie van de vertalers. Omdat er in het Grieks helemaal geen sprake is van “leden”. In de grondtekst wordt er gesproken van een “lichaam”, een “samen-lichaam”. En dát woord raakt de kern van dé Verborgenheid.

 

Tot zover de uitleg over het “samen-lichaam”. Het is van belang deze dingen te onderscheiden om tot een goed verstaan van de latere brieven van Paulus te komen, of zoals de Efeze brief ons zegt:

  • God wil “ons het geheimenis van zijn wil doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.” (Efeze 1:9-10).

 

Uitverkoren tot...........

Maar we waren bezig in Efeze 1, waar Paulus in vers 4 vervolgt:

  • Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.”

 

We lezen hier over een “uitverkoren zijn”, dat betekent dat God een uitverkiezing doet. Deze uitverkiezing heeft al plaatsgehad vóór de nederwerping der Kosmos. Dan komt de vraag op: Wie is er uitverkoren, en waartoe zijn zij uitverkoren? Dat lezen we in het volgende vers:

  • In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.” (Ef 1:5-6).

 

Dus God heeft ons uitverkoren om als zonen van Hem te worden aangenomen. Hier staat nogal wat.

Voor “zonen” staat in de grondtekst “huiothesia”, wat is afgeleid van “huios” en “tithemi”, en wil aanduiden “het plaatsen in het zoonschap”. Eigenlijk staat er dat die uitverkorenen ertoe bestemd zijn om door God te worden geadopteerd als zonen. Dat betekent heel erg veel. Deze “zoon” is dus reeds uitverkoren, geadopteerd vóór de grondlegging der wereld.

 

Deze adoptie heeft God neergelegd in een verzegelde akte. Zo was het ook bij de Romeinen, want als een Romeinse vader een zoon wilde adopteren, die eigenlijk niet van hem was, dan ging hij met zo'n zoon naar het stadsbestuur, en daar werd in een adoptie-akte vastgelegd, dat die persoon de zoon van die vader werd, en dan kreeg de geadopteerde de naam van de vader. Dan mocht de zoon wonen in het huis van de vader. En bovendien werd de zoon daarmee een erfgenaam. De zoon had vanaf dan recht op een erfdeel. En dat beeld moeten we goed vasthouden, want daar gaat het om, het gaat om een erfdeel. Het gaat om een roeping, we zijn geroepen om erfgenaam te zijn, om een erfdeel te ontvangen.

 

Het erfdeel van het Lichaam van Christus ligt in het bovenhemelse, de hemel der hemelen, of, zoals we boven gezien hebben, in het Woord ook wel het Heilige der Heiligen genoemd.

En wat Paulus in de Efeze brief begint openbaar te maken, is wat nu het erfdeel van het Lichaam van Christus is. En wat is dan dat erfdeel? Dat gelovigen een hele bijzondere plaats in gaan nemen in het bovenhemelse, en wat moeten die gelovigen daar dan doen? Daar treden zij dan op als een geadopteerde zoon van God. Het Lichaam van Christus is geadopteerd als zoon en dat Lichaam heeft het eerstgeboorterecht ten opzichte van machten, krachten en heerschappijen. En het Lichaam wordt uitdeler van de verlossing. De leden van dat Lichaam We geeft straks in de toekomst getuigenis af van die veelkleurige wijsheid Gods, van de veelkleurige rijkdom Zijner genade. Daarover vertelt dat Lichaam in de toekomende aionen, (dat wordt later uitgelegd in de Efeze 2 en 3). Die veelkleurige rijkdom Zijner genade gaat het Lichaam in de toekomst uitdelen aan krachten, machten en heerschappijen, zodat die ook worden verlost.

 

Verder vertelt Paulus wat de getrouwe gelovigen in Christus allemaal reeds hebben ontvangen.

  • En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, (hebben wij) de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand.” (Ef 1:7-8).

 

In de grondtekst staat voor wat is vertaald door “verstand” het woord “phronesis”, wat “voorzichtigheid” betekent. De St. Vert. heeft dat terecht ook zo vertaald. Dus er staat dat God Zijn uitverkorenen overvloed heeft gegeven met “alle wijsheid en voorzichtigheid”. Wanneer God dit met alle wijsheid en voorzichtigheid heeft gegeven, betekent dat zeer zeker dat ook de gelovigen met verstand en alle voorzichtigheid moeten handelen én spreken over deze, voor ons bijna niet in woorden uit te drukken, hemelse zegeningen.

 

Want God wil “ons het geheimenis van zijn wil doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen.” In de St.Vert. Staat: “Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil.” (Ef 3:9).

En God wil “allen verlichten, dat zij mogen verstaan, welke de gemeenschap der verborgenheid zij, die van alle eeuwen verborgen is geweest in God, Welke alle dingen geschapen heeft door Jezus Christus.” (Ef 3:9). “Namelijk de verborgenheid, die verborgen is geweest van alle eeuwen en van alle geslachten, maar nu geopenbaard is aan Zijn heiligen.” (Kol 1:26)

 

God heeft “ons zalig gemaakt, en geroepen met een heilige roeping; niet naar onze werken, maar naar Zijn eigen voornemen en genade, die ons gegeven is in Christus Jezus, vóór de tijden der eeuwen.” (2 Tim 1:9).

Volgende keer gaan we proberen te zien waarom we met “alle wijsheid en voorzichtigheid” moeten omgaan met de door God geopenbaarde verborgenheid.

 

Deel 17 volgt DV 

Bert Boersma, april 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Hem Kennen....... (deel 17)

In alle Wijsheid en Voorzichtigheid

De vorige keer zijn we geëindigd met de opmerking dat we zouden proberen te zien waarom we met “alle wijsheid en voorzichtigheid” moeten omgaan met de door God geopenbaarde verborgenheid. In de tekst lazen we:

  • Welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand.” (Ef 1:8). Het gaat hier om alle geestelijke zegen die we in Christus hebben ontvangen. De St Vert. Zegt: “Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid.”

 

IK zal dit misschien bij herhaling schrijven, maar wanneer we deze late brieven van Paulus lezen, dan moeten we goed beseffen, wie de geadresseerden van Paulus' late brieven zijn. Dat zijn de apart geplaatsten en getrouwen. Dus dat zijn zij, die getrouw Paulus volgen in zijn boodschap, die hij in zijn late brieven verkondigd. Dat zijn die “uitverkorenen” van Ef 1:4. En wanneer we in in die brieven lezen over “ons” of “wij”, dan worden dié geadresseerden bedoeld.

 

In Ef 1:8 staat dus eigenlijk dat God zeer overvloedig is geweest door “ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven.” Dus eigenlijk staat hier, dat God ons met overvloed iets geheims van de wil van Hemzelf heeft verteld. Wat de Vader heeft besloten vóór de grondlegging der aarde. Wat de Vader in zichzelf had voorgenomen, en wat in een geheime, verzegelde akte is vastgelegd.

 

Niemand kan die akte, dat testament lezen, en alleen Christus zal hem in de toekomst kunnen openen. (Openb 5). Maar, en dat is het heel bijzondere en geweldige van de boodschap van Paulus, aan óns heeft God door Zijn Woord via Paulus bekend gemaakt wat er in dat testament staat. Maar dat doet Hij met alle wijsheid en voorzichtigheid.

Wanneer God ons dit met alle wijsheid en voorzichtigheid heeft gegeven en ons bekend maakt, betekent dat zeer zeker ook, dat wij met alle wijsheid en alle voorzichtigheid verstandig moeten handelen én spreken over deze, voor ons bijna niet in woorden uit te drukken, hemelse zegeningen.

 

Wanneer iemand pas tot geloof gekomen is, dan moeten we niet te hard van stapel lopen, en direct de “akte” laten zien, de Bijbel openen, de akte (de verborgenheid) openen, en laten lezen in de Bijbel, om te laten zien, kijk, dat is allemaal jouw deel. Want zo werkt het niet. Dan zijn we niet wijs bezig, en dan gaan we niet “voorzichtig” om met alle geestelijke zegen, ons door God gegeven.

God is ook met ons in wijsheid bezig. Om ons in te leiden in het leren kennen van het geheimenis van Zijn wil (Ef 1:9), om ons voorzichtig te vertellen, dat we acht dienen te slaan op de roeping waarmee we geroepen zijn, wat ons erfdeel allemaal is, welke zegeningen er allemaal aan vast zitten, en welke beloften er allemaal voor ons gelden. Dat moeten wij ook met alle wijsheid en voorzichtigheid doen.

 

Want het is al zó vaak voorgekomen, dat gelovigen deze “hoge” boodschap afwijzen. Dat begon al, toen Paulus er over ging spreken. En dat gebeurd heden ten dage nog. Ik ken broeders, die het als hun roeping zien deze boodschap aan het gehoor te brengen, en dan komt het meerdere malen voor dat er op christelijke site's voor hen gewaarschuwd wordt, ja dat ze zelfs worden weggezet als dwaal-leraars. Dat is erg verdrietig en jammer. Natuurlijk is deze boodschap weinig bekend, het is dan ook een verborgenheid. Maar elke gelovige kan in het Woord onderzoek doen naar de Waarheid, en God wil geopende ogen des harten geven, en Zijn licht geven over Zijn Woord.

 

Daarom is het ook zo belangrijk om in alle wijsheid en voorzichtigheid met deze dingen om te gaan. Want je krijgt zo gemakkelijk hete hoofden en koude harten, en daar zit niemand op te wachten.

We zitten erop te wachten, dat we met elkaar, zoals Paulus zegt, dat we dan “samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.” (Ef 3:18-19). Daar gaat het om, en dat moet je met elkaar doen, en dat moet je met elkaar wel in een goede harmonie en goede geest doen.

 

Daarom moet ook de prediking in wijsheid geschieden, en die moet gepaard gaan met voorzichtigheid. Het gaat om het geheimenis van Gods wil, het gaat niet zomaar om wat. We mogen onze schoenen wel van onze voeten doen, als we daarover gaat praten, want het is heilige grond, die we betreden. We hebben het hier over een akte van God. Het betreft hier niet zomaar één of andere mededeling. Nee, we hebben het nota bene over Gods wil, over de raad van Zijn wil, die Hij in alle wijsheid en voorzichtigheid aan ons openbaart, en daar moeten we dan ook heel behoedzaam mee omgaan. Daar moeten we mee omgaan als een wijze, als een zoon. Niet als een klein kind, nee als een volwassen zoon. Aan een zoon kan God vertellen wat Hij in Zijn testament heeft staan, maar aan een onmondig kind kan God dat niet kwijt.

 

Als iemand pas tot geloof gekomen is, dan is hij/zij een geestelijke baby. Daar moeten we rekening mee houden. Als een Vader ga je ook zelf zo met je eigen kinderen om. Je gaat allerlei zaken waar een kind nog niet aan toe is, niet vertellen. Laten we maar eens kijken wat er met een mens gebeurd als hij/zij tot geloof komt. De vergelijkingen met de vleselijke geboorte en de geestelijke geboorte spreken voor zich:

  • Als pasgeboren kind leef je heerlijk blij en onbezorgd in de eerste jaren van je leven. Als geestelijk pasgeboren kind leef je ook heerlijk blij en dankbaar in de eerste jaren van je leven. Dan doe en zeg je in je spontaniteit dingen, die je later, nadat je gegroeid bent, niet meer zou doen of niet meer zou zeggen.
  • Als pasgeboren kind zorgen vader en moeder voor je, en zij denken wel voor je, zij zorgen wel dat er brood op de plank is, daar hoeft een kind zich helemaal niet druk om te maken. Als geestelijk pasgeboren kind behoren de geestelijke “oudsten” voor je te zorgen. Je hoeft je niet druk te maken, want zij zorgen wel dat er “Brood” op de plank is. Maar als je volwassen wordt moet je zelf voor brood op de plank zorgen. En als je geestelijk volwassen wordt moet je zelf de Bijbel ter hand nemen, en zorgen dat je geestelijk groeit door persoonlijke omgang met God door Zijn Woord. Dan groeit er een relatie met God.
  • Als een kind volwassen wordt, dan ga je aan een kind vertellen, hoe het leven in elkaar zit, wat er allemaal bij komt kijken, wat eigenlijk hun opdracht in hun leven is. En daar leid je ze in, in die volwassenheid. En zó moeten we ook de mensen leiden in alle wijsheid en in alle voorzichtigheid, om aan elkaar het geheimenis van Gods wil te doen kennen.

 

Tot lof van de Heerlijkheid........

Wanneer we het eerste gedeelte van Efeze 1 hebben gelezen, dan zijn we drie keer de uitdrukking “tot lof van de heerlijkheid” tegengekomen. Waar gaat het hier over? En Wiens heerlijkheid betreft dat steeds?

 

De eerste keer lezen we in vers 6 “tot lof van de heerlijkheid”. Wiens heerlijkheid betreft het hier? Dat kunnen we halen uit de tekst:

  • Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van Zijn wil, tot lof van de heerlijkheid Zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.” (Ef 1:5-6).

We zien dat het “tot lof van de heerlijkheid” hier betrekking heeft op God de Vader, Hij heeft het testament opgezet. Het is naar de raad van Zijn wil, het is naar Zijn welbehagen, het is tot lof Zijner heerlijkheid.

 

De tweede keerlezen we in vers 12 “tot lof Zijner heerlijkheid”. Ook hier lezen we de hele tekst voor het juiste verband:

  • Om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof Zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd.” (Ef 1:10-12).

Uit het verband van de tekst blijkt dat “tot lof Zijner heerlijkheid” hier wijst op de heerlijkheid van Christus. Het is alles ook tot lof Zijner heerlijkheid.

 

De derde keer lezen we in vers 14 “tot lof zijner heerlijkheid”. Het hele tekstgedeelte zegt:

  • In Hem (in Christus) zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, 14 die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof Zijner heerlijkheid.” (Ef 1:13-14).

Hieruit blijkt dat ook Gods Geest medewerkt ten goede, en de door God geopenbaarde verborgenheid is ook “tot lof en de heerlijkheid” van de heilige Geest.

 

Maar tevens zien we in de opsomming van alle drie keren, dat het uiteindelijk om de heerlijkheid en de eer van God de Vader gaat. Want:

  • Hij heeft ons gezegend met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus.
  • Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld.
  • Hij heeft in liefde ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil.
  • En Hij doet ons het geheimenis, de verborgenheid van Zijn wil kennen.

 

De Heere Jezus zei zelf toen Hij hier op aarde was:

  • Ik kan van Mijzelf niets doen; gelijk Ik hoor, oordeel Ik, en mijn oordeel is rechtvaardig, want Ik zoek niet mijn wil, doch de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.” (Joh 5:30).
  • En even verder zegt de Heere: “Want Ik ben van de hemel nedergedaald, niet om mijn wil te doen, maar de wil van Hem, die Mij gezonden heeft.” (Joh 6:38).
  • En nog verder zegt de Heere Jezus: “Mij kent gij en gij weet, vanwaar Ik ben; en Ik ben niet van Mijzelf gekomen, maar er is een Waarachtige, die Mij gezonden heeft en die gij niet kent. 29 Ik ken Hem, want Ik kom van Hem en Hij heeft Mij gezonden.” (Joh 7:28-29)

 

De heilige Geest waarover in Efeze gesproken wordt, is Gods Geest die werkzaam is in mensen:

Efeze 1:13-14

  • "In Welken ook gij zijt, nadat gij het woord der waarheid, namelijk het Evangelie uwer zaligheid gehoord hebt; in Welken gij ook, nadat gij geloofd hebt, zijt verzegeld geworden met den Heiligen Geest der belofte; Die het onderpand is van onze erfenis, tot de verkregene verlossing, tot prijs Zijner heerlijkheid."

 

Dat deze heilige geest de geest van God is tonen de volgende teksten aan:

  • Efeze 3:16 "Opdat Hij u geve, naar den rijkdom Zijner heerlijkheid, met kracht versterkt te worden door Zijn Geest in den inwendigen mens."
  • Efeze 4:30 "En bedroeft den Heiligen GeestGods niet, door Welken gij verzegeld zijt tot den dag der verlossing." Hier wordt de heilige Geest Gods Geest genoemd. En in onderstaande tekst wordt de heilige Geest “een kracht Gods genoemd.
  • 1 Kor 2:3-5 "En ik was bij ulieden in zwakheid, en in vreze, en in vele beving. En mijn rede, en mijn prediking was niet in bewegelijke woorden der menselijke wijsheid, maar in betoning des geestes en der kracht; Opdat uw geloof niet zou zijn in wijsheid der mensen, maar in de kracht Gods."

 

In Efeze 1 lezen we:

  • In overeenstemming met het welbehagen, dat Hij zich in Hem had voorgenomen om in de bedeling van de volheid der tijden al wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd, dat is Christus, samen te vatten.” (Ef 1:9-10).

Dus samen te plaatsen, al de leden van het Lichaam van Christus met elkaar te plaatsen, onder één Hoofd, Jezus Christus.

 

Wat zegt Paulus nou hier allemaal? Paulus gaat nog een stapje verder, hij vertelt wat het geheimenis van Gods wil is. Hij vertelt wat die adoptie-akte is, en wat daar allemaal aan vast zit. Hoe God dat gaat volvoeren, hoe God Zijn wil gaat uitvoeren. En zelfs wanneer God dat gaat uitvoeren. We lazen in Ef 1:9-10:

  • Dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten.”

 

Wat hier is vertaald met “voorbereiding”, is in de NBG fout vertaald, want er staat in het Grieks: “oikonomia”, wat “bedeling” of “economie” betekent. Dus er staat “dat Hij Zich in Hem had voorgenomen om in de bedeling van de volheid der tijden al wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd, dat is Christus, samen te vatten.” Dus samen te plaatsen, al de leden van het Lichaam van Christus met elkaar te plaatsen, onder één Hoofd, Jezus Christus.

 

We gaan nogmaals naar dezelfde tekst:

  • Dat Hij zich in Hem had voorgenomen om in de bedeling van de volheid der tijden al wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd, dat is Christus, samen te vatten.”

 

Dus samen te plaatsen, al de leden van het Lichaam van Christus met elkaar te plaatsen, onder één Hoofd, Jezus Christus. Dit alles kan alleen plaatsvinden omdat Christus Jezus is gehoorzaam geweest tot de dood, ja, tot de dood des kruises:

  • Want dat gevoelen zij in u, hetwelk ook in Christus Jezus was; Die in de gestaltenis Gods zijnde, geen roof geacht heeft Gode even gelijk te zijn; Maar heeft Zichzelven vernietigd, de gestaltenis eens dienstknechts aangenomen hebbende, en is den mensen gelijk geworden; En in gedaante gevonden als een mens, heeft Hij Zichzelven vernederd, gehoorzaam geworden zijnde tot den dood, ja, den dood des kruises. Daarom heeft Hem ook God uitermate verhoogd, en heeft Hem een Naam gegeven, welke boven allen naam is; Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel, en die op de aarde, en die onder de aarde zijn. En alle tong zou belijden, dat Jezus Christus de Heere zij, tot heerlijkheid Gods des Vaders.” (Fil 2:5-11)

 

Broeders en zusters, geweldige dingen staan in deze tekst. Christus was in de gestalte Gods, maar Hij heeft het geen schande gevonden om die goddelijke waardigheid af te leggen, en als een dienstknecht is Hij aan de mensen gelijk geworden. Hij heeft zich vernederd. En waar misschien vaak overheen gelezen wordt is het feit dat er staat geschreven dat Hij gehoorzaam geworden is tot de dood, de dood des kruises.

Gehoorzaam” is vertaald uit het Griekse woord “hupekoos”, wat betekent echt luisteren naar én uitvoeren van een door een hogere macht gegeven opdracht in gehoorzaamheid. En het gevolg van deze gehoorzaamheid is dat Christus door de Vader uitermate is verhoogd, en Hem een Naam gegeven heeft boven alle naam.

 

En weet u wat nou zó bijzonder is in de boodschap van Paulus? Dat het Lichaam van Christus mag delen in die verhoging van Christus. In geestelijke zin is reeds nu het Lichaam van Christus geplaatst in die hoge positie die Christus nu bekleed, aan de rechterhand des Vaders. Niet voor niets staat er in Efeze 2:

  • Maar God, Die rijk is in barmhartigheid door Zijn grote liefde, waarmede Hij ons liefgehad heeft, Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft [ons] levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden), En heeft [ons] mede (= op gelijke wijze) opgewekt, en heeft [ons] mede (= op gelijke wijze) gezet in den hemel in Christus Jezus.” (St. Vert. Ef 2:4-6).

Uiteindelijk zal het in de tijd na de toekomende eeuwen uitlopen op de tijd waarin God zal zijn alles in allen. Wanneer alles aan Christus onderworpen is, zal ook de Zoon zelf Zich aan God de Vader onderwerpen, die Hem alles onderworpen heeft, opdat God zij alles in allen. (1 Kor 15:28).

 

Deel 18 volgt DV

Bert Boersma Mei 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Hem Kennen....... (deel 18)

  

We hebben gelezen in Ef 1:4:

  • “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.”

 

Dus voor de nederwerping der kosmos (grondtekst) heeft God die uitverkiezing gedaan. Wie was daar toen in dat begin bij die wilsbeschikking van God onder meer aanwezig? Satan, hij was toen nog in de hemel der hemelen, maar hij kwam in verzet. Hij wilde dat die akte van God, waarin God Zijn voornemen had vastgelegd, nooit uitgevoerd zou worden. Hij deed een greep naar de macht, hij deed een greep naar Gods troon, hij wilde God gelijk zijn. De satan verzette zich tegen de raad van Gods wil.

 

Gods Tegenstander

 

Allereerst vond er in den beginne op de plaats waar God woont, een greep plaats naar de positie van God in het heilige der Heiligen. Deze greep naar de macht vond plaats nadat de schepping van Gen 1:1 door God was gerealiseerd, waar hij nog bij stond te juichen. (Job 38). Satan wilde zitten op de troon van God. Eigenlijk werd toen het Heilige der Heilige besmeurd door de zonde van satan. Want de zonde werd dáár geboren, werd gevonden in het bovenhemelse in het hart van die overdekkende cherub, Lucifer genaamd. De naam “Lucifer” betekent “lichtdrager”. Dat “licht dragen” was de bediening van satan voor zijn val. Hij had een lichtdrager moeten zijn. Maar in plaats van dat hij licht verspreid, verspreid hij vals licht. Hij deed een greep naar Gods troon, en verspreidde vals licht. Hij verleidde vanaf den beginne. Machten krachten en heerschappijen, die volgden hem na in zijn rebellie tegen Gods troon. Dát laat de Bijbel zien, en wat gebeurt er? De schepping wordt verwoest. De aarde nu werd woest en ledig, en er kwam duisternis over Gods schepping.

 

Dus satan kwam in verzet, daarom werd de schepping van Gen 1:1 woest en ledig. Daarna heeft God de aarde herschapen in zes dagen, en de zevende dag rustte God. De mens werd geschapen op aarde. Wie werden er geschapen in een tussenhemel? Wij kunnen nu de hemel der hemelen niet meer zien, wij kunnen nu Gods troon niet zien, maar God heeft in zijn herschepping het zo gemaakt dat er een tussenhemel is, die in de toekomst als een boekrol zal worden opgerold, of zal worden weggerold, en de mensen zullen zien het Lam en de troon van God, en zij zullen schrikken, ze zullen zich verbergen in de holen en spelonken der aarde.

 

Wie werd er in die (tussen)hemel geschapen? We weten dat op aarde de mens werd geschapen, maar in de hemelen de engelen. De mens is een weinig minder gemaakt dan de engelen. Dus zijn de engelen een beetje meer gemaakt dan de mens. En wat gebeurd er op de aarde? De mens wordt verleid, de mens valt in de zonde. De aarde, die herschapen was, valt weer ten prooi aan satan. We zien daarbij, dat ten tijde van Noach de nephilim, dat zijn die gevallen engelen, die de zijde van satan hebben gekozen, op de aarde kwamen. De satan is al vanaf den beginne bezig Gods plan door de war te brengen. Hij wordt niet voor niets de “diabolos” genoemd. En “diabolos” betekent “door de war brenger”. Dat was ook de bedoeling van de gevallen engelen. Satan wilde de geslachtslijn van Christus vermengen met vals bloed. Dit gebeurde door de volgelingen van satan, de gevallen engelen. Die gevallen engelen hadden gemeenschap met de dochters der mensen, en zo ontstonden er eigenlijk “wangedrochten”, in de Bijbel de “reuzen” genoemd. Dus de reuzen zijn voortgekomen uit de geslachtsgemeenschap van de gevallen engelen en de dochters der mensen, zoals we kunnen lezen in Gen 6:1-4:

  • Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de HERE zeide: Mijn Geest zal niet altoos in demens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods (dit zijn de gevallen engelen, die de kant van satan hebben gekozen) tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen (betekenis negatief in de zin van geweldadigen) uit de voortijd, mannen van naam.”

 

Dat er gevallen engelen op de aarde waren, lezen we in:

  • Judas 1:6-7: “dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; zoals Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, die op gelijke wijze als genen haar hoererij hebben botgevierd en ander vlees achternagelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur.”
  • 2 Petr 2:4: “Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren.”
  • 1 Petr 3:22 “Jezus Christus, die aan de rechterhand Gods is, naar de hemel gegaan, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn.”

 

Zo kunnen we allen lezen dat ook die wereld werd verleid. De engelen verlieten hun woonstede, hun opdracht lieten ze los, en ze kwamen naar de aarde om gemeenschap te hebben met de dochters der mensen. En zo zien we dat ook die tweede schepping in de zonde valt. We zien in dit alles dat satan in verzet komt, en er in feite alles aan doet om Gods adoptie-akte ten opzichte van die drie zonen tegen te werken, opdat God die niet ten uitvoer zal kunnen brengen. De satan doet door de eeuwen heen zijn uiterste best om Gods plannen te dwarsbomen. Maar satan doorziet niet Gods plan der eeuwen, omdat hij ongeestelijk is, en niet door de geest verlicht wordt. Daarom dacht hij ook de overwinning behaald te hebben, toen Christus aan het kruis stierf, maar in feite was dat de overwinning van Christus, en de nederlaag van satan.

 

Wat is er voor nodig, om die adoptie-akte, Gods raadsbesluit, ten uitvoer te brengen? Nodig is dat alle schepselen moeten worden verlost van de zonde. Dat doet de Heere Jezus, de Zoon van God! Dan krijgen we Gods verkiezing, dat konden we lezen in Ef 1:3-6, die verzen gaan over het testament van de Vader, en daarin hebben we dus de verkiezing, de adoptie van ons tot zonen. En daarna lezen we in vers 7-11, over het werk van de Zoon, het werk van de Heere Jezus Christus, die ons verlost, opdat wij zullen erven, die ook Zijn bloed geeft, en ook erflater is, die ook zorgt door de overwinning aan het kruis van Golgotha, dat Hij waardig is om die adoptie-akte te openen. Hij alleen kan die zegelen van de akte verbreken, zodat de akte dus rechtsgeldig wordt.

 

Daarna (na Ef 1:11) vinden we nog het getuigenis van de Heilige Geest. Want daarin vinden we niet alleen dat er een akte is, die verzegeld is, maar dat er nog een tweede verzegeling is, namelijk dat wijzelf verzegeld zijn op de dag dat wij tot geloof komen in de Heere Jezus Christus. Daaruit blijkt dat we met de heilige Geest verzegeld worden, wat ervoor zorgt dat we eigenlijk onaantastbaar zijn, wat ervoor zorgt dat we verzegeld zijn, dat we heilig, onberispelijk en onbesmet zullen zijn, om daadwerkelijk als zonen straks de erfenis in ontvangst te kunnen nemen. Als dat niet zou zijn geschied, als we niet verzegeld zouden zijn geweest, dan zouden we weer ten prooi vallen aan satan, weer ten prooi vallen aan de zonde. En dan zou er van Gods plan, van Gods wil, niets terecht komen. Om dat te verhoeden, zijn wij ook verzegeld.

 

Zo is de opbouw van de eerste verzen van Efeze 1. Dus zo zien we in Efeze 1 in de eerste 14 verzen dat door Paulus in het kort wordt verteld dat er een testament is van de Vader, wat Zijn wil is, wat Hij volvoert, en wat Zijn plannen zijn.

 

Daar gaat Paulus heel in het kort op in. Daarna vertelt hij wat ervoor nodig was, het werk van de Zoon, dat wij door het werk van de Zoon verlost zullen worden, en zij die tot het Lichaam van Christus behoren, ook daadwerkelijk zullen erven, en dat de Erflater, dus de Zoon zelf ook Zijn bloed heeft gegeven. En ook later, in Openb 5 lezen we dat Hij als de Leeuw van Juda, de adoptie-akte kan openen. En in vers 12-14 lezen we het getuigenis van de Heilige Geest, waaruit blijkt dat het erfdeel voor die heiligen bewaard wordt, en ook aan hen kan worden uitgereikt, en dat de Heilige Geest ons verzegeld. Daar gaat het om.

 

Het gaat dus eigenlijk hier in Efeze 1 om het bekend maken van een roeping, het bekend maken van een erfdeel, het bekend maken van wat er allemaal aan onze verlossing vastzit, dat doet Paulus hier eigenlijk in het kort.

 

En wat is dan dat erfdeel, broeders en zusters? Dat allen, die tot het Lichaam van Christus behoren een hele bijzondere plaats in gaan nemen in het bovenhemelse. En daar treden zij dan op als een geadopteerde zoon van God. Zij zijn geadopteerd als zonen en zij hebben het eerstgeboorterecht ten opzichte van machten, krachten en heerschappijen. En zij worden uitdelers van de verlossing. Zij geven straks in de toekomst getuigenis af van die veelkleurige wijsheid Gods, van de veelkleurige rijkdom Zijner genade. Daarover vertellen zij in de toekomende aionen, (dat wordt later uitgelegd in Efeze 2 en 3).

 

Zien we hoe belangrijk het is om het Woord van God recht in te delen, of zoals het Woord zegt:

  • Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woord der waarheid.” (2 Tim 2:15)

 

Drie Zonen

 

We kunnen in Gods Woord onderscheiden, dat God drie zonen adopteerd:

  • Het aardse volk Israël met een roeping op aarde. Deze zoon Israël heeft een opdracht ten opzichte van de aarde, om daar de volken te leiden in de verlossing.
  • De gemeente van eerstgeborenen heeft een hemelse roeping, die wordt opgenomen in de lucht, die krijgt ook een opdracht betreffende de vele tienduizendtallen van engelen.
  • De gemeente van de verborgenheid, dé gemeente, Het Lichaam van Christus erft in Christus als eerstgeboren zoon van de Vader, ten opzichte van tronen, overheden, machten in de hemelse gewesten. Ja, in het bovenhemelse, wat er letterlijk in het Grieks staat, in het “epouranios”.

 

Zo hebben we gezien, dat God drie zonen adopteerd. Al die drie zonen erven een erfdeel.

 

Je zou kunnen zeggen, hoe kan dat nou bijbels gezien? Want als ik naar het Woord kijk, dan erft alleen de oudste, de eerstgeborene, alleen die erft, en de andere twee niet. Dat is tegenwoordig bij ons niet zo, als wij een erf-akte, een testament opstellen, dan erven al onze kinderen gelijke delen. Maar volgens het Bijbels principe is het zo, dat alleen de oudste zal erven.

 

Dus dan zouden we kunnen zeggen, God adopteerde drie zonen, dus dan zou er dan maar één kunnen erven van de drie. Ja, dat zouden we dan zeggen volgens onze maatstaven, maar onze maatstaven zijn niet Gods maatstaven. Want volgens het Woord zijn alle drie genoemde zonen eerstgeborenen! Ze zijn niet eerstgeborene ten opzichte van elkaar, nee ze zijn de eerstgeborene ten opzichte van de groep, die zij zelf in hun erfdeel tot verlossing moeten leiden. Zij zijn van die hele groep de eerstgeborene. Laten we maar eens zien wat het Woord hierover zegt.

 

Eerste Zoon:

 

Mozes zei tegen de Farao, toen hij door God naar Egypte werd gestuurd, om de Farao te bewegen om Israël te laten gaan: “Zo zegt de HERE: Israël is mijn eerstgeboren zoon; 23 daarom zeg Ik u: laat mijn zoon gaan, opdat hij Mij diene; zoudt gij echter weigeren hem te laten gaan, dan zal Ik uw eerstgeboren zoon doden.” (Ex 4:22-23). En dat deed God ook, toen Farao weigerde het volk te laten gaan. Toen Farao die eerstgeboren zoon van God (Israël) niet liet gaan, trad God op, en werden alle eerstgeboren gedood onder de Egyptenaren.

 

Israël was dus de eerstgeboren zoon. De eerstgeboren natie onder alle natie's op aarde. Het eerstgeboren volk onder alle volken, en zij hebben ook het eerstgeboorterecht op aarde boven alle andere natie's. En daarom zullen zij ook straks als Christus wederkomt de aarde beërven, omdat zij het eerstgeboorterecht hebben. En zij zullen ook van de verlossing gaan spreken naar alle volkeren toe, om die te leiden in de verlossing, in de wedergeboorte, in de toekomende aioon.

 

Tweede Zoon:

 

Nu het geestelijk zaad van Abrahem, zoals de Bijbel dat noemt, of ook wel “het hemels zaad' genoemd. God had immers aan Abraham laten zien dat er uit hem vele volken zouden geboren worden, niet alleen een aards volk, toen God wees op het zand van de zee, maar de Heere nam hem ook een keer mee naar buiten, en liet hem de sterren des hemels zien.

 

Ook dat wees erop dat zijn volk zou worden als de sterren des hemels, zo groot. Dat wees op een hemels volk. En later komen we er ook in de Romeinen brief en de Galaten achter, als de apostel Paulus in de Handelingen een evangelie bekend maakt, want dan zegt hij “Ik vertel helemaal niks nieuws, dit wist Abraham al, dit evangelie is al aan Abraham verkondigd.”

 

En we zien, als mensen door de eeuwen heen dat geloof van Abraham volgen, of het nou heidenen zijn, of het nou Joden zijn, of dat ze nou voor de zondvloed hebben geleefd, toen er nog helemaal geen onderscheid was tussen Joden en heidenen, als zij in datzelfde geloof als een Abraham, als een Noach, en noem maar op, Abraham gevolgd zijn in het geloof, en zij worden gerechtvaardigd uit het geloof, dan behoren zij tot die gemeente van rechtvaardigen, dan zijn ze het geestelijke zaad van Abraham, die uitzien naar die hemelse stad, het hemels Jeruzalem.

 

En hoe wordt die gemeente genoemd? Het is een gemeente van eerstgeborenen. (Hebr 12:23 St. Vert). Zo worden ze door Paulus genoemd. Zo zien we, dat er naast het volk van Israël, Mijn eerstgeboren zoon, er nog een gemeente is van eerstgeborenen. En van wie zijn dat eerstgeborenen? Nou, van die vele tienduizentallen van engelen, staat er in Hebr 12:22. Een gemeente van gerechtvaardigden onder tienduizendtallen van engelen, een vergadering, een gemeente. En zij hebben het eerstgeboorterecht gekregen, en net zo als Israël hun eerstgeboorterecht hebben gekregen ten opzichte van de volkeren, heeft deze gemeente van eerstgeborenen het eerstgeboorterecht gekregen ten opzichte van de engelen. En zij zullen ook in de hemelen verblijven, daarvoor worden ze ook opgenomen in de lucht, om daar in de lucht hun hemelse roeping te kunnen uitvoeren.

 

Daarom hebben ze ook deel aan hemelse zegeningen, en zitten ze voor wat betreft hun zegeningen ook vast aan het hemelse Jeruzalem. En hebben ze straks ook de opdracht om in de hemelen de engelenwereld te verlossen van de zonde. Want ook de engelen zijn begerig om een blik te slaan in die verlossing.

 

En we zien dat er naast die twee zonen, die verkoren zijn, die geadopteerd zijn in Abraham, (want dit was een roeping in Abraham, een verkiezing in Abraham, een adoptie in Abraham, VANAF de grondlegging der wereld, of sinds de omverwerping van de kosmos), dat er nog een DERDE groep is, die niet in de Bijbel te vinden is, tot op dit moment, omdat dit in God verborgen was.

 

Derde Zoon

 

Nadat in de Handelingen aan de roeping van Israël geen gehoor gegeven werd, zien we dat Paulus openbaart, dat God nog een groep, nog een zoon heeft geadopteerd, die ook het eerstgeboorterecht heeft gekregen, niet van VANAF, maar VOOR de grondlegging der wereld. Het is een verkiezing, niet in Abraham, maar het is een verkiezing in Jezus Christus. En deze groep vormt een Eenheid met Christus. Christus is het Hoofd, en deze derde zoon is Zijn Lichaam. Deze derde zoon is één met Hem. En zij zijn ook eerstgeborenen, want de Heere is zelf de Eerstgeborene. En Paulus zegt in Kol 1:15: “Hij is de eerstgeborene der ganse schepping”. De gemeente van de verborgenheid, dé Gemeente, Het Lichaam van Christus erft in Christus als eerstgeboren zoon van de Vader, ten opzichte van tronen, overheden, machten in de hemelse gewesten. Ja, in het bovenhemelse, want dat staat er letterlijk in het Grieks, in het “epouranios”.

 

Allen, die tot het Lichaam van Christus behoren erven dus daar, in het bovenhemelse, en zij hebben dus ook daar de opdracht, wat Paulus ons in Efeze 2:6-7 laat zien: “Hij heeft ons (die heiligen) daar mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, (in dat bovenhemelse), in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus.” In die toekomende aionen is hen in Christus een plaats gegeven en zij nemen hun plaats daar dan in, om in die komende eeuwen die overweldigende rijkdom Zijner genade te tonen. Zij moeten wat laten zien, namelijk de rijkdom van Zijn genade, zij moeten daarvan vertellen. Ef 3:10-11: “Opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwige voornemen (Grieks: “het voornemen der eeuwen”), dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd.” Dus het is naar Gods plan der aionen (eeuwen) uitgevoerd.

 

Zo staat het dus Bijbels vast, dat God drie zonen heeft geadopteerd, en dat alle drie dus erven, omdat alle drie een eerstgeboorterecht hebben gekregen boven een ander:

  • Israël in de aardse sfeer boven de naties, met een opdracht voor de naties.
  • De gemeente der eerstgeborenen in de hemelse sfeer, boven de engelen, met een opdracht voor de engelen.
  • En de gemeente, Het Lichaam van Christus in de bovenhemelse sfeer, boven machten, overheden en krachten en heerschappijen met een opdracht zoals Efeze 3:10 dus zegt dat het Lichaam die veelkleurige wijsheid bekend gaat maken aan die machten, krachten en heerschappijen.

 

God heeft dus een erfenis aangewezen voor heel Zijn geadopteerde familie. Voor drie zonen. Vanaf de hoogste plaats in heerlijkheid in de bovenhemel, tot aan de laagste plaats in heerlijkheid op aarde. Voor het Lichaam van Christus heeft de Vader besloten, dat ze deel krijgen aan het Heilige der Heiligen, het hemelse, wat dus een overweldigende heerlijkheid inhoudt. Daar kan je je amper een voorstelling van maken, en de liederen, die we daarover zingen, “Wat zal dat zijn, vlekloos en rein, Eenmaal daarboven te zijn.” Het is alles verbonden aan de Heere Jezus Christus. Het is een genade te zitten met Hem in Zijn troon, te gaan aan Zijn zij, ver boven alle overheid en macht, ver boven alle naam die genoemd is. En die plaats is gereserveerd voor allen, die tot het Lichaam van Christus behoren.

 

Geen wonder dus dat Paulus laat volgen in Ef 1:5 “In liefde heeft Hij ons (de heiligen) tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil.” Dat is iets fantastisch, dat God gelovigen aanneemt in Christus als Zijn zoon naar het welbehagen van Zijn wil. Dat gelovigen zijn voorbestemd tot prijs, we zijn een prijs voor Hem, voorbestemd tot de heerlijkheid Zijner genade. Het is allemaal genade, onverdiende genade.

 

Het gaat met nadruk om de genade, en daarom gaat Paulus ook direct verder in vers 6, niet alleen “tot lof van de heerlijkheid Zijner genade”, maar ook “waarmede Hij ons begenadigd heeft in de geliefde (weer het woord genade). Wie is de Geliefde? God zei: “Gij zijt Mijn Zoon, de Geliefde, in wie Ik al Mijn welbehagen heb”, dat zegt de Vader tegen de Zoon. Het is de Zoon Zijner liefde, en God heeft gelovigen in Jezus Christus, staat hier, aangenomen. God heeft ons aanvaard.

 

Zien we broeders en zusters, hoe belangrijk het is om deze dingen te onderscheiden in het Woord? Zien we welk een geweldig plan der eeuwen God in Zichzelf had voorgenomen voor de nederwerping der Kosmos? Wanneer we deze dingen in het Woord door het licht van Gods geest mogen ontwaren, dan zien we ook de geweldige harmonie in het Woord, en dan ontdekken we ook met welke overweldigende zegeningen we in Christus gezegend kunnen worden. Dan bemerken we dat God Zich door Zijn Woord laat kennen. En dat kennen van God en Zijn Woord is volstrekt nodig om te onderscheiden waar het op aan komt, zodat we leren waardig te wandelen onze hoge roeping.

 

Deel 19 volgt DV

Bert Boersma, mei 2010, boersmaklm@hetnet.nl

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk