bijbelstudie "Hem Kennen" II

Inhoud (deel 19 - 36)

 

Deel 19........

 

Deel 20........

Deel 21........

 

Deel 22........

 

Deel 23........

 

 

 

 

Deel 24........

 

 

 

 

Deel 25........

Deel 26........

 

 

 

 

Deel 27........

 

Deel 28........

Deel 29........

 

 

 

Deel 30........

Deel 31........

 

 

 

 

Deel 32........

 

Deel 33........

 

 

Deel 34........

Deel 35........

 

 

 

Deel 36........

Overvloed

Tijd van Verwarring

De Volheid der Tijden

Uitsluitend uit Zijn Woord

Het Griekse woordje “Sun”

Al het Oude schade achten

De Kracht Zijner Opstanding

“Hem te Kennen”

Nieuwe Dingen – Nieuwe Woorden

Epouraniois

En tois epouraniois

Gezegend in Christus

ApokatallassO – Verzoenen

Verzoening in het Oude Testament

Verzoening in het Nieuwe Testament

KatallassO

ApokatallassO

Verlossing

Verlossing “Soteria” en “Lutrosis”

Volkomen Verlossing “Apolutrosis”

Wat leert de Bijbel

Verlossing in de Praktijk van ons Leven

De Dag der Verlossing

Waar zijn de Doden?

O.T. graf = “sheol”

N.T. graf = “hades” = dodenrijk of hel?

De Rijke Man en de aArme Lazarus – Lukas 16

Dodenrijk in Tegenspraak met het gehele O.T

Dodenrijk in Tegenspraak met het gehele N.T

Dodenrijk in Tegenspraak met Christus' eigen Woord

De Uitopstanding uit de doden

Tot in de Dag van Christus Jezus

Persoonlijke Brief = Filippenzen

Samen met alle Heiligen

Het is staat zijn Samen te Vatten

Een Volkomen Man

De Mens heeft geen ziel, maar is een ziel

"Ziel" in het O.T. "nephesj"

"Ziel in het N.T. "psuche"

"Psuchikos" is "ziellijk"

Is er toch een aparte ziel?

"Gehenna" is "hel"

"Gehenna" is "Poel des vuurs" >> Tweede dood

Wie overwint.......

Overwinnen = Volharden tot het einde

Het Kennen (= Ginosko) van Christus

"Zijn dood gelijkvormig wordende"

Het Bezit van een Burgerschap in de hemelen

Tot Slot

 

Hem Kennen....... (deel 19)

  

Wij zeggen vaak tegen de mensen, je moet de Heere Jezus aannemen om behouden te worden, en natuurlijk is dat waar als iemand niet gelooft, maar weet u wat er in Efeze 1 staat voor de gelovigen?

  • Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.” (Ef 1:4).

 

Hier staat niet dat wij de Heere Jezus moeten aannemen, maar hier staat iets heel anders, hier staat eigenlijk het volkomen omgekeerde. Hier staat het allerbelangrijkste wat er eigenlijk bestaat: Dat God gelovigen aanneemt, dat God gelovigen, heiligen, apartgeplaatsten heeft uitgekozen, heeft aangenomen in de Geliefde, in Zijn Zoon. Want dat is toch wat, een adoptie, om zó geadopteerd te worden tot een zoon. En dat moet bij ons gaan leven, dat we dat ook werkelijk kunnen zijn. Dat we door het geloof dat feit omarmen, en dat accepteren. Dat God mij niet meer in mijn ellendige zondige toestand ziet staan, maar dat God mij nu wil accepteren in Zijn Zoon, dat ik begenadigd kan worden in de Geliefde, en dat, wie ik ook was, en wat ik ook gedaan heb, en hoe mijn verleden ook is, welke schuld er ook op mij rustte, dat God mij wil accepteren, niet in mijzelf, maar in Christus. En dat is een geweldig voorrecht. Dat is iets wat je door het geloof moet aanvaarden.

 

Hierbij moet wel worden opgemerkt, dat Paulus deze dingen schrijft aan een speciale groep gelovigen, aan wie de Efeze brief is gericht. Want wat hadden we ook alweer gelezen over de geadresseerden van de Efeze brief? De brief is geschreven aan “de heiligen, die te Éfeze zijn, en gelovigen in Christus Jezus”. Het woord “heiligen” betekent dat er een groep gelovigen door hun geloof apart is gezet, en dat er daarna nog bij wordt vermeld, dat die gelovigen “gelovigen in Christus Jezus” zijn, wijst erop dat die gelovigen getrouw zijn aan de boodschap van Paulus. Dat ze de gezindheid hebben in te gaan op de “onnaspeurlijke verborgenheid. (Ef 3:8). Overigens gelden alle heilsfeiten die Paulus in zijn latere brieven noemt, voor deze specifieke groep gelovigen. Dus ook de waarheden, die we vinden in Filippenzen, Kolossenzen, Filemon, Titus, en de twee brieven aan Timoteüs, zijn aan deze gelovigen gericht, en voor hen bestemd. Deze groep gelovigen vormt een Eenheid met Christus. Christus is het Hoofd. Deze groep vormt de derde zoon, waar we eerder over gesproken hebben. Deze groep gelovigen vormt de gemeente van de verborgenheid, dé Gemeente, Het Lichaam van Christus, welke door volwassenheid erft in Christus, als eerstgeboren zoon van de Vader, ten opzichte van tronen, overheden, machten in de hemelse gewesten, in het “epouranios”.

 

Wanneer we dan verder gaan met de Efeze brief, dan vinden we in Ef 1:15-23 een gebed. Daar gaat Paulus voor “de getrouwen” bidden, zijn gebed is een dankgebed:

  • Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is Zijner erfenis bij de heiligen, en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.” (Ef 1:15-23).

 

Paulus gaat hier bidden voor de heiligen, de door hun geloof apart geplaatsten, én getrouwen in Christus Jezus. (Ef 1:1). De bedoeling van Paulus' gebed is dat deze groep getrouwen zullen kunnen bevatten wat hij later allemaal gaat zeggen over de hoge roeping van Het Lichaam van Christus. Daarvoor is nodig dat zij van God ontvangen de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen. Ook is het nodig, om Paulus' woorden recht te verstaan, dat we verlichte ogen des harten ontvangen, zodat we weten:

  • welke hoop zijn roeping wekt,
  • hoe rijk de heerlijkheid is Zijner erfenis bij de heiligen,
  • en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht,
  • die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten,
  • boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw.
  • En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld
  • en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is,vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.” (Ef 1:18-23).

 

Zonder de Geest van wijsheid en van openbaring, en zonder de verlichte ogen des harten begrijpen we niet waar Paulus het over heeft. Want Paulus openbaart wel heel veel in het vervolg van de Efeze brief. Paulus heeft het over een plaatsing in het bovenhemelse, hij legt uit hoe die hemelse roeping in elkaar zit, en wat die roeping allemaal omvat met alle zegen, die daaraan vast zit. Daarvoor zijn die verlichte ogen des harten nodig.

 

Aan het einde van hoofdstuk 3 vinden we weer een gebed, het tweede gebed van de apostel Paulus in de Bijbel, namelijk Ef 3:14-21:

  • Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods. Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen.”

 

Na zijn tweede gebed laat Paulus in hoofdstuk 4, 5 en 6 ons zien, wat in de praktijk van ons leven de consequentie is van deze roeping, dat die gelovigen, behorende tot het Lichaam van Christus waardig die roeping behoren te gaan wandelen, als geadopteerde zonen van God, als mensen die een roeping hebben, die straks een erfdeel hebben te ontvangen, en hoe dat eigenlijk moet doorklinken in alle verhoudingen, de relaties op aarde, of het nou een verhouding is met ouders, of het nou een verhouding is met kinderen, of op het werk, of met broeders en zusters, of (het belangrijkste) met de Heere Jezus. Op al die menselijke verhoudingen gaat Paulus in, en hij laat zien dat we behoren veranderd zijn, en dat we dat moeten geloven: “Gij geheel anders.” En dat we zo ook daadwerkelijk anders door het leven gaan. Niet dat het een onbereikbaar ideaal is, dat we moeten proberen te krijgen, nee, maar omdat zij, die tot het Lichaam van Christus behoren het reeds zijn. Dáár wordt steeds zo de nadruk op gelegd. Wat we al hebben, we hebben de verlossing, enz, enz. Alle leden zijn geadopteerd tot zonen, het Lichaam van Christus heeft reedsdat zoonschap, dat behoeft niet meer verkregen te worden. Alleen om het te beërven zal een ieders loop tot het einde toe moeten worden gelopen aan de hand van Christus. Ook Paulus was er pas van verzekerd aan het einde van zijn leven.

 

Dit alles is het werk van de Zoon, de Heere Jezus Christus. Paulus zegt toch wel even heel veel in die paar verzen van Efeze 1. Hele bekende uitdrukkingen komen ons daar voorbij, dat we in Hem hebben de verlossing door Zijn bloed. Dat hebben we, dat is genade, in Hem HEBBEN we de verlossing door Zijn bloed. We hebben ook de vergeving van de overtredingen. Dat hebben we! En dat is genade, dat staat er ook achter, naar de rijkdom Zijner genade. Dat is overvloedig aan ons bewezen in alle wijsheid en verstand. (Ef 1:8).

 

Overvloed

 

Wat is overvloed? Overvloed is veel meer dan we nodig hebben. Als we overvloed hebben, als iets overvloeit, dan heb je er zoveel van, dat je er als het ware in kan zwemmen. Als een beker overvloeit, dan is er zoveel ingeschonken, dat hij meer dan vol is, en aan alle kanten overstroomt. Dat is overvloed, dat is een overvloeiende beker. En zo had Israël ook een overvloeiende beker, en op precies dezelfde manier hebben wij ook overvloed. God geeft Zijn zegeningen niet bij mate, maar in grote overvloed. Zoveel gelovigen gaan door het leven alsof het allemaal maar zo armetierig is, alsof de Heer maar zo weinig geeft, nee, het is overvloed. En daar wordt zo de nadruk op gelegd.

 

Maar nou moeten we niet denken, want zo'n evangelie wordt hier en daar ook wel gebracht, dat het ons dan naar de vleze in alles voor de wind zal gaan. Wanneer dat wel het geval is, dan is dat mooi meegenomen, en geniet daar dan maar van op de juiste manier, maar dat is niet Gods maatstaf, dát is niet de overvloed waarvan we lezen in het Woord. Die getrouwen van Ef 1:1 worden gezegend met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. En dan staat er in de grondtekst voor “in de hemel” in de “epouranios”, dat wil zeggen: in het bovenhemelse! Daar broeders en zusters, wordt het Lichaam van Christus gezegend met grote overvloed. En die overvloed is geestelijk nu reeds ons deel. Nu reeds staan we in die overvloed wanneer we als “getrouwen” willen luisteren én wandelen in die hoge roeping.

 

Wanneer we deze grote zegeningen zien en geloven, dan weten we dat we overvloed hebben ontvangen. Het is zeer bijzonder om deze rijkdom in het Woord te ontdekken. God geeft aan één stuk door van Zijn overweldigende genade. En toch zijn er zoveel gelovigen die in een soort armoe-kleed door het leven gaan, terwijl er nota bene een adoptie voor het zoonschap voor hen klaar ligt.

 

En Paulus hamert als het ware op de rijkdom, op de overvloed, waar het Woord over spreekt. En waarom wil dat er bij de mensen niet in? We hebben alles ontvangen in Gods Woord, God hoeft daar niets meer voor te doen, en in dat woord mogen we op zoek gaan om al die zegeningen één voor één te ontdekken, welke in de Heere Jezus Christus allemaal ons deel zijn geworden. Daarbij wetende, dat God een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.

 

Ik hoef niet meer te tobben, ik hoef niet meer met mijn zonde overhoop te liggen, zoals zoveel gelovigen doen. Nee, wees nou eens niet bezig met die zonde, laat die zonde nou eens liggen waar ze zijn, bemoei je er niet mee. Wees er in feite dood voor, zoals Paulus in Romeinen uitlegt. Zeg niet meer: “Ach ik arme zondaar”. Kijk er niet meer naar, wees toch bezig met Gods overvloed. Ga drinken uit die overvloeiende beker, broeders en zusters.

 

Mag ik een voorbeeld noemen? Bij u op tafel staat een beker water. Er zijn zoveel gelovigen, die dan wel zo'n beker zien staan, maar ze drinken er niet van. Maar dat moet je wel doen, en dat moet ik ook doen. Het verschil met mijn beker en Gods beker is, dat als ik uit mijn beker drink, dan raakt die beker leeg. Maar wanneer je drinkt uit Gods beker, staat als het ware de Heere naast je om die beker direct weer bij te vullen. Gods beker van overvloed raakt nooit leeg. Maar je moet wel drinken, anders valt er ook geen “nieuw water” bij te vullen. En, broeders en zusters, God houdt nooit op om onze beker vol te houden!

 

En zo is het ook als we Bijbelstudie doen, als we geïnteresseerd zijn voor die dingen van de Heere, als we onze zinnen op Hem richten, als dát onze gezindheid is, dan zijn we niet meer bezig bent met onze zonde, maar dan gaan we aan de slag met de rijkdom Zijner genade, en dan wordt het overvloed, en dan wordt het drinken uit de bron die nooit opdroogt.

 

En dan wordt Bijbelstudie niet iets wat saai is, dan gaat het Woord voor ons opeens leven, dan gaat ook zo'n Efeze brief voor ons leven, omdat het een deel wordt van onszelf. Het geloof wordt bewerkt, en verdiept, én bevestigd door het lezen van Gods Woord. Zo is de werking. Het kan zeer verhelderend zijn om allerlei bijbelstudies te lezen, maar dat moet er wel toe dienen om zelf persoonlijk de dingen die u leest te toetsen, en zelf de Bijbel ter hand te nemen. Want alleen Gods Woord is de Waarheid. De Bijbel is een rijkdom, daar kunnen we elke dag van genieten. En dat moeten we met elkaar doen. Meer en meer genieten van die overvloeiende beker. En dan ervaren we ook de overvloed die God ons gegeven heeft.

 

Tijd van Verwarring

 

Hoe kan het toch dat dit rijke evangelie zo weinig bekend is bij vele gelovigen. Wanneer we spreken over de onnaspeurlijke verborgenheid, die Paulus na de Handelingen in zijn eigen gehuurde woning in Rome bekend mocht maken, dan halen velen de schouders op, en begrijpen vaak niet eens waar het over gaat. Dit “evangelie” wordt ook bijna nergens onderwezen, en daarom is er weinig kennis over bij de gelovigen. Eeuwenlang zijn er complete “bolwerken” van religie's opgericht, waarin de menselijke vernuftig gevonden verdichtsels hoogtij vierden en nog steeds hoogtij vieren. Deze “verdichtsels” zijn meestal vastgelegd in geschriften, die toonaangevend zijn geworden, maar in werkelijk van de Waarheid afleiden, en de Waarheid bedekken. Deze christelijke “bolwerken” hebben de kennis van Christus weggenomen. Misschien vindt u dat een boute uitspraak. Maar laten we eens eerlijk naar de realiteit in de praktijk kijken. Weet u nog een geloofsgroep, of kerk of gemeente waar men onderwezen wordt in de “hoge roeping” die Paulus ons in zijn latere brieven onderwijst?

 

Leven we niet in de tijd waarvan God ons door Paulus zegt: “Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.” (2 Tim 4:3-5). Dat zegt Paulus tegen Timoteüs, maar dat zegt Paulus ook tegen ons ons als een waarschuwing.

 

Paulus was ook al bezorgd om de broeders van Korinthe. En nu weet ik wel dat de Korinthe-brief in de Handelingen is geschreven, waar een ander evangelie gold, maar de waarheid die Paulus daar schrijft, geldt ook voor ons:

  • Want met een ijver Gods waak ik over u, want ik heb u verbonden aan één man, om u als een reine maagd voor Christus te stellen. Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige [en loutere] toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden. Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel.” (2 Kor 11:2-4).

 

En dan moeten we opletten hoe de slang Eva verleidde, want daar kunnen we van leren. De slang verleidde Eva met een verdraaid Woord, en Eva legde niet Gods Woord tegen de verleiding van satan. Zij liet zich de leugen aanpraten. De satan is de diabolis, de “door-de-war-brenger”. En dat in de war brengen, daar is hij een meester in. We zien dan ook door alle tijden dat de boodschap van God er moeilijk in gaat, maar de boodschap van de diabolis gaat er in als koek. Dat verdragen ze zeer wel. (2 Kor 11:4).

 

Over de valse leraars zegt Paulus in de Galaten brief:

  • Het verbaast mij, dat gij u zo schielijk van degene, die u door de genade van Christus geroepen heeft, laat afbrengen tot een ander evangelie, en dat is geen evangelie. Er zijn echter sommigen, die u in verwarring brengen en het evangelie van Christus willen verdraaien. Maar ook al zouden wij, of een engel uit de hemel, [u] een evangelie verkondigen, afwijkend van hetgeen wij u verkondigd hebben, die zij vervloekt! Gelijk wij vroeger reeds gezegd hebben, zeg ik thans nog eens: indien iemand u een evangelie predikt, afwijkend van hetgeen gij ontvangen hebt, die zij vervloekt! Tracht ik thans mensen te winnen, of God? Of zoek ik mensen tebehagen? Indien ik nog mensen trachtte te behagen, zou ik geen dienstknecht van Christus zijn.” (Gal 1:6-10).

 

Het is nogal wat, wat Paulus hier zegt. Wanneer leraars of voorgangers de toehoorders in verwarring brengen door een ander evangelie te verkondigen, een evangelie afwijkend van hetgeen Paulus heeft verkondigd, die zijn vervloekt. Tot twee maal zegt hij dat die zijn vervloekt. (In vers 8 en 9).

 

Dit moet voor ons een ernstige waarschuwing zijn, om toch vooral dicht bij het geïnspireerde Woord van God te blijven en ons niet laten “medeslepen door (verleidende) wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met deoverlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus. (Kol 2:8).

 

Van sommige gelovigen zegt Paulus: “Maar de Geest zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten en leringen van boze geesten volgen, door de huichelarij van leugensprekers, die in hun eigen geweten gebrandmerkt zijn.” (1 Tim 4:1-2).

 

We mogen aannemen dat wij in die latere tijden zijn aangeland. Beste lezers, wanneer we deze tekst in de context plaatsen, dan zien we dat het hier gaat om gelovigen, die in hun samenkomsten dwaalgeesten volgen, en leringen van boze geesten navolgen door de huichelarij van de sprekers. Misschien vindt u dit overdreven. Maar dan moet een ieder eerlijk persoonlijk nagaan wat er in de samenkomst centraal staat. Staat de Heere Jezus Christus in het middelpunt? Wordt de Christus verhoogd? Zijn de diensten er op gericht om Hem te leren kennen vanuit het Woord?

 

Zijn de diensten erop gericht ons op te voeden tot het zoonschap? Of zoals het Woord zegt: “Tot de volmaking der heiligen, tot het werk der bediening, tot opbouwing des lichaams van Christus; Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus; Opdat wij niet meer kinderen zouden zijn, die als de vloed bewogen en omgevoerd worden met allen wind der leer, door de bedriegerij der mensen, door arglistigheid, om listiglijk tot dwaling te brengen.” (Ef 4:12-14).

 

Christus behoort in ons leven in het middelpunt te staan. Hij heeft een uitverkiezing gedaan, (Ef 1:4), en Hij roept ons met een heilige roeping, een roeping die overigens Zijn roeping is, Maar waar wij door Gods overweldigende genade in mogen delen. Toen de Heere nog onder de Zijnen was, waarschuwde hij het volk Israël al, een waarschuwing overigens, die wij ons moeten aantrekken: “En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Ziet toe, dat niemand u verleide! Want velen zullen komen onder mijn naam en zeggen: Ik ben de Christus, en zij zullen velen verleiden.” (Mat 24:4-5 = 2 Kor 11:3). Ook zegt de Heere nog: “En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden.” (Mat 24:11).

 

Over de tijd waarin wij leven schrijft Paulus aan Timoteüs:

  • Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen: want de mensen zullen zelfzuchtig zijn, geldgierig, pochers, vermetel, kwaadsprekers, aan hun ouders ongehoorzaam, ondankbaar, onheilig, liefdeloos, trouweloos, lasteraars, onmatig, onhandelbaar, afkerig van het goede, verraderlijk, roekeloos, opgeblazen, met meer liefde voor genot dan voor God, die met een schijn van godsvrucht de kracht daarvan verloochend hebben; houd ook dezen op een afstand. Want tot hen behoren zij, die zich in de huizen indringen en vrouwtjes weten in te palmen, die met zonden beladen zijn en gedreven worden door velerlei begeerten, die zich te allen tijde laten leren, zonder ooit tot erkentenis der waarheid te kunnen komen. Zoals Jannes en Jambres, de tegenstanders van Mozes, staan ook dezen de waarheid tegen; het zijn mensen, wier denken bedorven is, en wier geloof de toets niet kan doorstaan. Maar zij zullen het niet veel verder brengen, want hun onzinnigheid zal aan allen overduidelijk worden, zoals ook bij genen het geval was.” (2 Tim 3:1-9).

 

Wat hier staat geldt voor gelovigen. Want vers 5 spreekt over een “schijn van godsvrucht, die door hen verloochend wordt” Zij weten ervan, maar ze verloochenen de kracht en de Waarheid van het Woord. Om iets te kunnen verloochenen, moet je wel weten wat je verloochend. Bovendien “staan ze de Waarheid tegen.” (vers 8). En om de Waarheid tegen te staan, moet je wel weten wat de Waarheid is. Dan mogen we concluderen, dat ze willens en wetens de Waarheid tegenstaan.

 

Broeders en zusters, ik heb niemand willen krenken met al dit geschrevene, maar uit liefde en bewogenheid voor de Waarheid van het Woord mag ik deze dingen noemen. Want wanneer u om u heen kijkt, dat weet u dat we in zware tijden leven, waarin Gods Woord nauwelijks meer serieus wordt genomen, en een tijd waarin men je raar aankijkt wanneer je nog gelooft in de letterlijke Waarheid van dat Oude Boek, onze Bijbel, het geïnspireerde Woord van God.

 

Daarom: Wanneer “gij Christus Jezus, de Here, aanvaard hebt, wandelt in Hem, geworteld en dan opgebouwd wordend in Hem, bevestigd wordend in het geloof, zoals u geleerd is, overvloeiende in dankzegging.” (Kol 2:6-7).

 

Deel 20 volgt DV

Bert Boersma Juni 2010 boersmaklm@hetnet.nl

 

Hem Kennen....... (deel 20)

Beste lezer, voor we verder gaan, wil ik u vragen om toch vooral niet de NBV, de Nieuwe Bijbel Vertaling, te gebruiken als u bijbelstudie doet. Want het is werkelijk onmogelijk om achter de inhoud van Gods Woord te komen wanneer u deze vertaling gebruikt. Ik wil hier nu niet te diep op ingaan, maar u slechts één voorbeeld noemen, die voor het belang van onze bijbelstudie van belang is. Zo lezen we in Efeze 1:5:

  • In de NBG51: “In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil.”
  • In de NBV: “En hij heeft ons naar zijn wil en verlangen voorbestemd om in Jezus Christus zijn kinderen te worden.”
  • In de St. Vert: “Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen, door Jezus Christus, in Zichzelven, naar het welbehagen van Zijn wil.

 

Er zijn grote verschillen in de vertaling, en daardoor grote verschillen in het weergeven van de rijkdom die God ons wil meedelen. Altijd moeten we naar de grondtekst om te onderzoeken wat er werkelijk staat. Dat gedeelte wat in de NBG is vertaald met “als zonen van Hem te worden aangenomen”, en in de NBV met “zijn kinderen te worden”, en in de St Vert met “aanneming tot kinderen”, staat in de grondtekst het woord “huiothesia”. Het Griekse woord “huios” betekent “zoon”, en “huiothesia” betekent “geadopteerd als zonen”, het betekent ook “de plaatsing als een zoon”, in het geval van Ef 1:5, de plaatsing in de positie als een zoon van God. Dit voorbeeld laat zien, dat we beter terug kunnen vallen op de NBG, en op de Staten Vertaling, dan de NBV, die toch in een bepaalde mate een versluiering geeft van Gods Woord.

 

De Volheid der Tijden

In het voorgaande hebben we gezien wat “overvloed” inhoudt, waarvan we lezen in Efeze 1:8-9: “Welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen.” God wil ons de verborgenheid van Zijn wil doen kennen. Daarom vertelt Hij ons in Zijn Woord wat Zijn wil is:

  • In overeenstemming met het welbehagen,dat Hij zich in Hem had voorgenomen, om in de bedeling van de volheid der tijden al wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd, dat is Christus, samen te vatten.” (Ef 1:9-10).

 

Er staat inderdaad “bedeling” in het Grieks, en dat klopt ook, want het is een aparte bedeling, waarin God in Zichzelf had voorgenomen om alles, al wat in de hemelen en wat op de aarde is, onder één Hoofd te brengen. En dat Hoofd is Christus. Dat wordt in de Efeze brief allemaal geopenbaard aan de getrouwe gelovigen, aan wie Paulus de brief heeft gericht, Zijn Lichaam.

 

Het tijdstip, wánneer dat gaat gebeuren, dat alles wat in de hemelen en op aarde is, onder één Hoofd wordt samengevat, wordt ons ook meegedeeld. Nu in deze tijd, waarin wij leven, wordt alleen Zijn Lichaam onder het Hoofd van Christus gebracht, want Christus is nu het Hoofd van Zijn Gemeente. Maar in de toekomst wordt dus alles wat in de hemel en op de aarde is, onder één Hoofd, Christus gebracht. Dat zal gebeuren, zegt Paulus, in de bedeling van de volheid der tijden. Wat is dat nou, de bedeling van de volheid der tijden?

 

Wanneer we dit in goede context willen plaatsen, dan moeten we in de Bijbel naar de feesten des Heeren kijken, naar de gezette hoogtijdagen des Heeren, zoals we die omschreven vinden in Lev 23:4-44.

 

Wanneer we dat hoofdstuk in Lev. lezen, dan zien we dat die feestkalender begint met het Pascha, en dan loopt het helemaal door naar het Loofhuttenfeest, en daarna begint het opnieuw. Als we dan naar de dagen van de week kijken, dan zijn er zeven dagen van de week waarin alles moet plaatsvinden, maar dan is er opeens in de Bijbel ook sprake van de achtste dag in Lev 23:36, waar Mozes tegen Israël Zei: “Op de achtste dag zult gij een heilige samenkomst hebben.” En in Lev 23:39 lezen we: “op de achtste dag zal er rust zijn.”

 

De zegswijze “achtste dag” kennen wij in ons normaal spraakgebruik niet. Bij ons begint na de zevende dag weer de eerste dag der week, de zondag. Maar in de Bijbel is er sprake van een achtste dag. In de Bijbel is het getal acht het getal van het nieuwe begin, er begint een nieuwe reeks. De achtste dag valt namelijk gelijk met de eerste, zo we al konden lezen in Lev 23:39. Dit getal “acht” heeft te maken met de volheid der tijden, zo we zullen zien.

 

Wat is nou de bedeling van de volheid der tijden? Dan zijn de tijden helemaal vol. Die tijden lopen naar een climax. Die volheid is datgene, waar heel de schepping uiteindelijk op uitloopt. Die oude schepping loopt uit op een nieuwe schepping. De oude aarde en de oude hemelen, lopen uit op een nieuwe aarde, en nieuwe hemelen, waar Openbaring uitvoerig in twee hoofdstukken over spreekt. (Openb 21 en 22).

 

Uit deze laatste hoofdstukken van de Bijbel weten we dat het aanstaande z.g. duizendjarig vrederijk nog niet het einde is. Dat is als het ware een voorportaal naar de volgende eeuw, waarin God alles in Hemzelf zal plaatsen. In het Woord is sprake van toekomende eeuwen, (meervoud) (Ef 2:7). De eerste “toekomende eeuw” betreft het z.g. duizendjarig vrederijk, en de tweede toekomende eeuw (= periode, geen 100 jaar) betreft die achtste dag. In die achtste dag zal de verlossing in heel de schepping in de breedte bekend worden. En in die achtste dag zal alles onder één Hoofd worden geplaatst. Dat “onder één Hoofd plaatsen” vindt plaats in de nieuwe schepping op die achtste dag. Als er een nieuwe hemel is, en als er een nieuwe aarde is. Dat is de achtste dag. En we lazen in Lev 23:39 dat er op de achtste dag rust zal zijn.” Dat kan ook niet anders, wanneer we weten dat de achtste dag na de 1000 jaar zal zijn, wanneer satan en zijn volgelingen er niet meer zullen zijn.

 

Er zijn sommigen, die zeggen dat de bedeling van de volheid der tijden het duizendjarig vrederijk is, maar het duizendjarig vrederijk, dat is de zevende dag. De zevende dag volgt op de zesduizend jaar (= 6 dagen) van het bestaan van de mensheid. En wanneer we zien hoe de situatie in dat vrederijk is, dan kunnen we ontdekken, dat het vrederijk nog steeds bij het oude behoort. Het bevindt zich op de oude aarde, wel zijn er wezenlijk dingen veranderd. Want dan is er een leeuw en een lammetje, die kunnen zo maar met elkaar spelen. Dat moet je nu niet gaan proberen. Of een adder met een kind, en je hebt dan jongelingen, die worden 100 jaar, maar ze gaan wel dood. Dus de dood is er dan ook nog.

 

Ook de satan is wel gebonden in die tijd, maar hij is niet geoordeeld, maar zit wel in een vergrendelde put, maar hij wordt aan het einde van die periode van 1000 jaar losgelaten, om de geveinsden aan het licht te brengen. Losgelaten, om de volkeren opnieuw te verleiden, om te checken of de volkeren wel daadwerkelijk Christus als Messias wilden volgen als de Gezalfde des Heeren. Ze kunnen wel onder dwang Christus zijn gevolgd, omdat Christus troont in Jeruzalem, en als het ware met Zijn staf, met een ijzeren roede regeert. Dan moeten de volken van jaar tot jaar optrekken naar Jeruzalem om de Koning der Koningen eer te brengen, waar Jesaja 2 en Zach 14 over spreken:

  • En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En alle volkeren zullen derwaarts heenstromen en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen volk en volk en rechtspreken over machtige natiën. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren. Huis van Jakob, komt, laten wij wandelen in het licht des HEREN.” (Jes 2:2-5).

 

  • Allen, die zijn overgebleven van al de volken, die tegen Jeruzalem zijn opgerukt, zullen van jaar tot jaar heentrekken om zich neer te buigen voor de Koning, de HERE der heerscharen, en het Loofhuttenfeest te vieren. Maar wie uit de geslachten der aarde niet naar Jeruzalem zal heentrekken om zich voor de Koning, de HERE der heerscharen, neder te buigen, op hem zal geen regen vallen, en indien het geslacht der Egyptenaren niet zal heentrekken en komen, op wie geen (regen) valt, dan zal toch komen de plaag waarmee de HERE de volken zal treffen, die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren. Dit zal de straf zijn van de Egyptenaren en van alle volken die niet heentrekken om het Loofhuttenfeest te vieren.” (Zach 14:16-19).

 

Dus wanneer volken niet optrekken naar Jeruzalem om de Koning hulde te brengen, zit er gelijk een sanctie aan vast, dan zal er op dat land geen regen vallen, en zal er dus honger zijn. Ze moeten wel, of ze nou willen of niet. En wat denkt u, dat die volken met lege handen komen naar de Koning der Koningen? Ze zullen het niet wagen, ze brengen grote geschenken mee, zodat Israël in overvloed leeft. Hiervan spreekt o.a. Ps 68:30: “Vanwege uw tempel, ter wille van Jeruzalem bieden koningen u geschenken.”

Ook de profeet Micha spreekt hiervan:

  • En het zal geschieden in het laatste der dagen: dan zal de berg van het huis des HEREN vaststaan als de hoogste der bergen, en hij zal verheven zijn boven de heuvelen. En volkeren zullen derwaarts heenstromen, en vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem. En Hij zal richten tussen vele volkeren en rechtspreken over machtige natiën tot in verre landen. Dan zullen zij hun zwaarden tot ploegscharen omsmeden en hun speren tot snoeimessen; geen volk zal tegen een ander volk het zwaard opheffen, en zij zullen de oorlog niet meer leren.” (Micha 4:1-3)

 

En het is allemaal prachtig mooi, dat ze jaarlijks opgaan naar Jeruzalem om hun gaven af te dragen, en daar de feesten des Heeren te vieren, maar het gaat erom, doen ze dat nou onder dwang, of doen ze dat uit eigen beweging met hun hart? En om dat te toetsen, daarom wordt satan aan het einde van die periode losgelaten.

 

Die tijden zijn in de 1000 jaar nog niet vol, die komen naar een volheid toe. De tijd is pas vol, als die oude schepping vergaat, en wanneer er een aioon (eeuw) begint, die heet “de achtste dag”. Dan begint de nieuwe schepping, met een nieuwe hemel, en een nieuwe aarde. Is dan de eeuwigheid aangebroken? Bij veel gelovigen leeft dan het idee, dat als de grote witte troon komt, het laatste oordeel, enz, dan komt er een nieuwe schepping, het oude is voorbij, kortom, de eeuwigheid breekt aan. Maar dat zegt de Bijbel niet, de Bijbel spreekt over de toekomende aionen (meervoud), en ook nog die toekomende laatste aioon, die bedeling, die achtste dag, valt namelijk samen met een bediening. (Ef 1:9). Een bedeling is een bediening, een bediening van de volheid der tijden. En een bediening heeft een Bedienaar, en daarom lezen we: dan wordt alles wat in de hemelen en wat op de aarde is onder één Hoofd geplaatst, dat is Christus. (Ef 1:10). En wat wordt er dan gedaan? Dan wordt er gezorgd dat die nieuwe schepping waarin men dan wordt gezet, die schepselen, of ze nou hemelse schepselen (engelen) zijn of aardse schepselen zijn, tot verlossing worden gebracht.

En als die aioon, die bedeling van de volheid der tijden in de nieuwe schepping voorbij is, dan is Christus' werk pas klaar, en geeft Hij alles over aan de Vader. Dan zal de tijd aanbreken waarin God alles in allen zal zijn.

 

Ik hoop dat u begrijpt, dat er nog een achtste dag is, die voor ons heel moeilijk te vatten is. Want eigenlijk kunnen we wat de dagen betreft, maar tellen tot zeven, dat is dus wat hier bedoeld wordt. Op de achtste dag wordt pas alles, wat in de hemel, en wat op de aarde is, onder één Hoofd samen gevat. Zó komen deze dingen tot ons vanuit het Woord van God.

 

Wanneer we nu proberen te kijken naar de dingen betreffende de Gemeente, het Lichaam van Christus, de Gemeente der Verborgenheid, dan ontdekken we dat de zegeningen voor dat Lichaam over de achtste dag heen zijn geplaatst. Want de gemeente van de verborgenheid reikt tot het moment, dat God alles en in allen is. Want in de gemeente van Jezus Christus is God alles en in allen.

 

Ik hoop dat u, beste lezer, deze dingen begrijpt, want het geeft ten diepste de positie van het Lichaam van Christus aan. Het getuigt van de overweldigende liefde en genade van God, dat we uit het Woord mogen weten dat allen die tot het Lichaam behoren, mogen weten dat zij reeds nu zijn geplaatst in de positie van Christus, in de rechterhand van God, dat betekent dat zij reeds nu zijn geplaatst in de positie van “God alles en in allen”. Zij zijn reeds nu over de toekomende eeuwen heen geplaatst. Dit laat Gods Woord ons zien.

 

Broeders en zusters, dit alles reikt ontzettend ver. Het is werkelijk om stil van te worden, hoe God zijn Zoon, en in Zijn Zoon het Lichaam van Christus, dé Gemeente in gelijke positie heeft geplaatst in de hemel der hemelen. Gods verlossingsplan heeft zich voor het Lichaam van Christus in deze tijd al helemaal ontrold, over de tijd van de wedergeboorte op aarde heen, over het duizendjarig vrederijk heen, waarin de volkeren tot wedergeboorte komen, en zelfs over de nieuwe schepping, over de achtste dag heen.

 

In 2 Kor 5:17 lezen we:

  • Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen.”

 

Dit spreekt Paulus in de Handelingen tot de Korinthiërs. Ook zij die toen geloofden, werden door de wedergeboorte een nieuwe schepping, maar kregen deel aan de zegeningen, die toen golden.

In Efeze lezen we ook over een nieuwe schepping:

  • Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.” (Efeze 2:10)
  • Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen” (Ef 2:14-15)

 

In Efeze vertelt Paulus over een gemeente, waarbij God alles en in allen is. En daar is geloof voor nodig. Daarom eindigt hij ook met het gebed in Efeze 1:22-23:

  • En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt.” Hij heeft alles volmaakt. Alles in allen.

 

Volmaakt, zonder vlek, onberispelijk, heilig, onbesmet, enz. Daar kan je met je verstand niet bij. We kunnen alleen door het geloof aanvaarden, dat het zo is. God maakt zo woning in ons hart, en maakt ons zo één, eén in het geloof, één in de Geest. Een woonstede Gods in de Geest. Dat is het Lichaam tezamen, dat Lichaam wordt opgebouwd tot een woonstede Gods in de Geest. Dat is het Lichaam van Jezus Christus, waar Hij in woont. Onbegrijpelijk, maar toch is het zo, en door het geloof kan je het beleven, en is het niet iets theoretisch meer.

Je kan met je geloofs-oog zover zien, zelfs over de toekomst heen, over de zevende dag, de 1000 jaar, de dag des Heeren heen. Daar kijk je met je geloofsoog overheen. En over de tijden heen, dat Israël hier op aarde de volken tot geloof zal brengen. En dan kan je zelfs nog kijken over de aioon van de volheid der tijden heen, naar de nieuwe schepping, en kan je zelfs reiken met je geloof, dat je nu alreeds vat, dat God alles en in allen is, wat in de Gemeente van Jezus Christus nu reeds bewaarheid is.

 

Wanneer we zó met Gods Woord bezig zijn, en al deze dingen zelf persoonlijk onderzoeken, of ze alzo zijn, dan ontdekken we hoe belangrijk het is om Hem te kennen, dan worden we in Hem geworteld en opgebouwd. En wanneer we Zijn Woord geloven, dan zal dat geloof in onze harten worden bevestigd, en dan past ons maar één ding: overvloeien in dankzegging! (Kol 2:7).

 

Deel 21 volgt DV

Bert Boersma Juni 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 21)

We waren bezig met de bedeling van de volheid der tijden. En wat we in het voorgaande hebben onderzocht in het Woord, dat is volgens het Woord de bedeling van de volheid der tijden, en de nieuwe schepping daarna. Waar God alles en in allen zal zijn.

Misschien vraagt u zich af, waarom we dat allemaal mogen (moeten) weten. Wel, beste lezer, kunnen we zonder deze dingen tot ons te nemen, God werkelijk in zijn alles omvatttende liefde leren kennen? Dan tasten we in het duister, terwijl dat zeer beslist niet hoeft, want God heeft ons immers in Zijn Woord deze dingen geopenbaard. En Hij heeft ze niet voor niets door Zijn dienstknechten (o.a. Paulus) laten opschrijven.

 

Sommigen zeggen, ach, de Heere komt met dat plan wel klaar. En wat zullen wij ons daar druk om maken, we zullen het wel zien hoe het later allemaal komt. En je moet eigenlijk niet op die verborgen dingen allemaal ingaan, want dan krijg je alleen maar hete hoofden en koude harten.

Broeders en zusters, ik geloof dat er altijd wel excuses zijn van onze kant, om onze nalatigheid voor bijbelstudie en bijbellezen goed te praten. Maar God heeft Zijn best gedaan om het aan ons bekend te maken. We hebben niet voor niks Zijn Woord gekregen, waar we kunnen lezen over de toekomst van Israël, de toekomst van de gelovigen, de toekomst van het Lichaam van Christus, de toekomst van engelen, maar wat weten doorgaans de gelovigen daar allemaal van?

 

Er zijn ook vaak gelovigen, die zeggen, ik geloof de Bijbel van kaft tot kaft. Maar tegen die broeders en zusters zou ik zeggen: “Het is prachtig wanneer je de Bijbel van kaft tot kaft gelooft, maar je hebt helemaal niks aan dat geloof wanneer je dat Woord van God dan ook niet leest, onderzoekt en bestudeert.” Want ook in dezen geldt: “Wie zoekt zál vinden!” Immers, God heeft al het mogelijke gedaan, om ons, de gelovigen van nu, niet alleen in dat zoonsschap te roepen, maar ook om ons als zonen, Zijn zonen, te informeren, zodat we daadwerkelijk opwassen in dat zoonschap. En dat heeft Hij gedaan door met alle wijsheid en voorzichtigheid ons het geheimenis van Zijn wil bekend te maken. En het is een machtig geheim, wat Hij aan ons heeft geopenbaard, waar wij ook voorzichtig mee moeten omspringen richting anderen, dat je dat niet zo maar te grabbel gooit. Als je ergens met iemand in gesprek bent, als je iets kwijt kan, en zo iemand ook geestelijk is gegroeid, en er aan toe is, dan kan je er over beginnen. In andere gevallen zouden we de Heere alleen maar voor de voeten lopen.

 

Het is helaas zo dat er gelovigen zijn, die geen interesse hebben, die het hart van de Vader bedroeven, die alleen maar met melk willen worden gevoed, en niet willen horen over deze roeping, niet die vaste spijs tot zich nemen. Broeders en zusters, laat het dan maar zo, want je kan een baby niet met vaste spijs moedwillig gaan voeren. Dan komt dat er weer uit. Maar God heeft óns het geheim van Zijn plan bekend gemaakt. En Hij heeft ook de verborgenheid van dat plan ons bekend gemaakt.

 

UITSLUITEND UIT ZIJN WOORD!

Uit Gods Woord en daaruit alleen kunnen wij Hem leren kennen. Daardoor alleen zullen wij bijvoorbeeld kennis kunnen krijgen van de draagwijdte van het gebed van Ef. 1:17, waar Paulus bidt:

  • Opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen, en verlichte ogen [uws] harten.”

 

En dan kunnen wij weten welke zegenrijke uitwerking dit gebed volgens Kol. 1:9-10 heeft, want nadat Paulus de Waarheid van de verborgenheid heeft leren kennen, hield Paulus niet op voor de gelovigen te bidden:

  • Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God.”

 

Niemand kent deze dingen van nature. Geen enkele predikant of voorganger kan ze ons bijbrengen, behalve als hij het Woord zelf voor ons laat spreken. Eigen gedachten zijn van geen waarde. Het zou dan immers mogelijk zijn, dat er iets verkeerd begrepen is en dan zou misleiding het gevolg zijn. Een voorganger kan ons alleen helpen als hij ons helpt het Woord zelf te verstaan.

God heeft Zichzelf in het geschreven Woord, dat de Waarheid is, en in Zijn Zoon, het Levende Woord, de Here Jezus Christus, geopenbaard. En doordat dit Woord door de Heilige Geest in onze harten wordt geopenbaard, kunnen wij Hem, die het eeuwige leven is, leren kennen.

 

Dit is de reden waarom het geschreven Woord aan ons is gegeven. Het is niet bedoeld als bron van bepaalde inlichtingen, ook niet als naslagwerk, maar alleen om de onzienlijke God bekend te maken. Waarom lezen wij dit Woord? Waarom slaan wij het open? Wat is of behoort onze bedoeling daarmee te zijn? Lezen wij alleen een gedeelte, dat iemand anders voor ons heeft uitgezocht? Lezen wij een gedeelte omdat wij iemand beloofd hebben dat te zullen lezen? Of openen wij het Woord en gaan er rustig voor zitten alleen met de bedoeling om God te leren kennen en Zijn gedachten en Zijn wil te leren kennen.

 

De kennis van Hem, de ware kennis van God, is datgene waarnaar dit gebed van Paulus in de eerste plaats uitgaat. Als de Heilige Geest deze bede de voorrang geeft, dan moet dit zijn omdat de ware kennis van God voor de gelovige belangrijker is dan welke andere zaak ook. Ja, zij is zelfs belangrijker dan alle andere zaken tezamen. En wanneer wij groeien in ons geloofsleven, dan zullen wij dat ook zo ervaren.

 

Op deze kennis is het hele geloofsleven van elke gelovige gefundeerd. Deze kennis hoort de kern en het uitgangspunt van al ons bidden, denken en handelen te zijn. Deze kennis is ook de basis waarop ons volkomen vertrouwen in God rust. In het gewone leven kunnen wij iemand niet zomaar vertrouwen als wij hem niet kennen. In ieder geval is het veiliger om aan een persoon, die wij niet kennen niet ons vertrouwen te schenken, en als regel doen wij dat ook niet. Maar andersom valt het ons moeilijk om een persoon, die wij goed kennen niet te vertrouwen.

 

Waarom stellen wij ons vertrouwen niet geheel op God? Die God, die ons in Zijn Woord één grote "tentoonstelling" geeft van Zijn onophoudelijke liefde. Wanneer wij die God niet ons vertrouwen geven, is dat omdat wij Hem niet voldoende kennen. Zo ontdekken wij, dat kennis van God datgene is, wat wij als gelovigen het meeste nodig hebben. Alle stappen van onze loopbaan in geloof moeten zijn om die kennis te verwerven.

 

De mate waarin wij ons leven aan God toevertrouwen zal steeds in overeenstemming zijn met de mate waarin wij Hem kennen. Ook al zouden wij maar een klein gedeelte van Gods oneindige wijsheid kennen, dan al zouden wij zien, dat onze eigen wijsheid niet meer dan dwaasheid is. Wij zouden dan geen stap meer durven doen en ons haasten om het leren kennen van Zijn wil als eerste vereiste in ons geloofsleven voorop te stellen. Het zou dan onze grootste vreugde worden om Hem in alle zaken voor ons te laten beslissen en Hem de Leidsman van ons handelen te laten zijn.

 

Dit alles gaat veel verder dan passief "bereidwillig" zijn. Wij kunnen bereid zijn ons in een situatie te schikken omdat het nu eenmaal niet anders kan, of omdat het hoort. Dat kan een christelijk getint fatalisme zijn. Ook een Mohammedaan kan zich op deze wijze aan de wil van zijn “god” overgeven. Maar waar wij over spreken gaat veel verder dan een "zich overgeven", ook al word dit laatste vaak als een noodzaak voor het bereiken van een zekere graad van heiligheid gepredikt. Het gaat niet om "overgeven aan..", maar het gaat ten diepste altijd om het jagen naar de kennis van God. Dan alleen ontstaat er een relatie, een vertrouwensrelatie tussen God en mij. In een relatie doe je je best elkaar kennen te leren. God kent mij helemaal, Hij weet wat ik nodig heb om Hem te kennen. En omdat Hij relatie met mij wil onderhouden, geeft Hij verlichte ogen van mijn hart om Hem recht te kennen.

 

En de rechte kennis is nodig om de Heere waardig te wandelen. Efeze 2:10 zegt:

  • Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen.”

 

Hoe zouden wij waardig kunnen wandelen zonder Hem te kennen? Hoe zouden wij weten van de goede werken, die God tevoren bereid heeft, zonder Hem te kennen? Om waardig te wandelen is de voorwaarde: Hem Kennen!

Hoe zouden wij God kunnen behagen, als wij niet weten wat Hem behaagt?

De profeet Hosea zei tot Israël:

  • Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit.” (Hosea 6:3).

 

Dit is ook ons tot een les. De Heere wil gekend worden. Door het kennen volgt er een wandel in dienstbaarheid. Dus om waardig voor de Here te wandelen moet ik Hem kennen! Daarom gaan we weer lezen in het Woord.

 

In de brieven van Paulus komen we het Griekse woordje “sun” tegen. We gaan proberen te ontdekken wat dat woord ons te zeggen heeft. Het is misschien even “doorbijten”, maar het gaat er uiteindelijk om, dat we zien, welke “hoge roeping” Paulus nu voor het Lichaam van Christus verkondigt.

 

SUN”

Een Engelse bijbelleraar schrijft: sun = A primary preposition denoting union; with or together (but much closer than meta or para), i.e. By association, companionship, process, resemblance, possession, instrumentality, addition, etc. beside, with. In composition it has similar applications, including completeness.

Vrij vertaald: “Sun” is een primair voorzetsel wat aangeeft:

  • een samen gaan,
  • een verenigd zijn,
  • in gezelschap zijn van,
  • in dezelfde gelijkenis,
  • het bezitten van deze dingen,
  • met inbegrip van de volledigheid.

 

Het betreft een individuele gelijke plaatsing, een individuele positie, inclusief alles compleet hetzelfde. En alles wijst op de positie van Christus, waar Zijn Lichaam op gelijke wijze in deelt.

 

Teksten waar “sun” voorkomt in de brieven geschreven IN de Handelingen:

  • Rom 6:4: “Wij zijn dan met Hem begraven(=sunthapto, afgeleid van sun en thapto), door den doop in den dood, opdat, gelijkerwijs Christus uit de doden opgewekt is tot de heerlijkheid des Vaders, alzo ook wij in nieuwigheid des levens wandelen zouden.”
  • Rom 6:5: “Want indien wij met Hem één plant geworden zijn (= planted together = sumphutos, afgeleid van sun en phuo) in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn [in de gelijkmaking Zijner] opstanding.”
  • Rom 6:8: “Indien wij nu met (= sun) Christus gestorven zijn, zo geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven.” (= suzao, afgeleid van sun en zao).

 

Voor wat betreft “sun” in de Romeinen brief, die geschreven is tijdens de Handelingen, waar de gelovige heidenen geënt werden op Israël, en deel kregen aan de toen geldende zegeningen voor Israël, vinden we, dat de gelovigen uit die tijd, met Christus begraven zijn en met Hem zullen leven. Ook in de Handelingen tijd gold voor de gelovigen dat zij door hun geloof één zijn geworden in het sterven én opstaan van Christus. Maar ná de Handelingen, in de late brieven van Paulus, gaat de betekenis van “sun” verder. Daar krijgt “sun” zijn volle betekenis.

 

Teksten waar “sun” voorkomt in de latere brieven van Paulus, geschreven NA de Handelingen:

  • Ef 2:5: “Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft [ons] levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden)” Voor “levend gemaakt met” staat in het Grieks: συνεζωοποιησεν = suzoopoieo = (vinden we ook in Kol 2:13), dit is afgeleid van sun en zoopoieo.
  • Ef 2:6 “En heeft [ons] mede opgewekt, (= sunegeiro, afgeleid van sun and egeiro), en heeft [ons] mede gezet (= sugkathizo, afgeleid van sun and kathizo) in den hemel in Christus Jezus.”
  • Ef 2:22 “In wie ook gij mede gebouwd (= sunoikodomeo, afgeleid van sun and oikodomeo) wordt tot een woonstede Gods in de Geest.”
  • Ef 2:19 “Zo zijt gij dan niet meer vreemdelingen en bijwoners, maar medeburgers (= sumpolites, afgeleid van sun en polites) der heiligen, en huisgenoten Gods;
  • Ef 3:6 “[Namelijk] dat de heidenen zijn medeërfgenamen (= sugkleronomos, afgeleid van sun en kleronomos), en van hetzelfde lichaam (= sussomos, afgeleid van sun en soma), en mededeelgenoten (= summetochos, afgeleid van sun en metochos) Zijner belofte in Christus, door het Evangelie.”
  • De NBG heeft deze tekst als volgt vertaald: “(dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie.”
  • Ef 5:7 “Doet dan niet met hen mede.” (summetochos, afgeleid van sun and metochos).
  • Kol 2:12 “Zijnde met Hem begraven (= buried with = sunthapto) in den doop, in welken gij ook met [Hem] opgewekt (sunegeiro, afgeleid van sun en egeiro) zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft.”
  • Kol 2:13 “En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en [in] de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt (= suzoopoieo, afgeleid van sun and zoopoieo) met (= sun) Hem, al [uw] misdaden u vergevende.”
  • Kol 3:1-3 “Indien gij dan met Christus opgewekt (= sunegeiro, afgeleid van sun and egeiro) zijt, zo zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, zittende aan de rechter [hand] Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven, en uw leven is met (= sun) Christus verborgen in God.”

 

Wanneer we de teksten uit Romeinen en die uit Efeze en Kolossenzen vergelijken, dan ontdekken we wezenlijke verschillen. Wanneer we bijvoorbeeld Efeze 3:6 (zie boven) vergelijken met Rom 11:18, dan zien we het verschil in bedeling. In Romeinen is er sprake van dat de gelovige als wilde loot geënt werd op de edele olijf (Israël), en zo deel kreeg aan de saprijke wortel van de olijf. In Romeinen gaat alles nog via het Joodse kanaal van zegen. In Efeze, Filippenzen en Kolossenzen is er sprake van absolute gelijkheid, mede-, samen-, gelijk-lichaam. Christus heeft dan in Zichzelf een nieuwe orgaan, een nieuw lichaam geschapen. We moeten werkelijk onderscheiden dat God in de latere brieven van Paulus ons een Lichaam laat zien, wat absoluut onderscheiden moet worden van de “olijfboom” (= Israël) met zijn “minderwaardige” takken. Het goed verstaan van deze dingen hangt werkelijk af van het schrifttuurlijk onderscheid maken tussen de “olijfboom” van Romeinen en het “Samen-lichaam” van Efeze.

 

Nemen we de kern teksten van Romeien, waarin “sun” voorkomt, dan vinden we:

  1. met Hem begraven (Rom 6:4)
  2. met Hem één plant geworden (Rom6:5)
  3. met Christus gestorven zijn (Rom 6:8)
  4. met Hem zullen leven. (Rom 6:8)

 

Voor de duidelijkheid is het goed om het gedeelte uit Romeinen in zijn geheel te lezen:

  • Wat zullen wij dan zeggen? Mogen wij bij de zonde blijven, opdat de genade toeneme? 2 Volstrekt niet! Immers, hoe zullen wij, die der zonde gestorven zijn, daarin nog leven? 3 Of weet gij niet, dat wij allen, die in Christus Jezus gedoopt zijn, in zijn dood gedoopt zijn? 4 Wij zijn dan met Hem begraven (1) door de doop in de dood, opdat, gelijk Christus uit de doden opgewekt is door de majesteit des Vaders, zo ook wij in nieuwheid des levens zouden wandelen. 5 Want indien wij samengegroeid zijn (2) (St Vert één plant geworden) met hetgeen gelijk is aan zijn dood, zullen wij het ook zijn (met hetgeen gelijk is) aan zijn opstanding; 6 dit weten wij immers, dat onze oude mens medegekruisigd is, opdat aan het lichaam der zonde zijn kracht zou ontnomen worden en wij niet langer slaven der zonde zouden zijn; 7 want wie gestorven is, is rechtens vrij van de zonde. 8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn (3), geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven (4), 9 daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. 10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. 11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus.”

 

En in de teksten waarin “sun” voorkomt in Efeze en Kolossenzen vinden we:

  1. levend gemaakt met (Ef 2:5)
  2. mede opgewekt (Ef 2:6, Kol 2:12)
  3. mede gezet (Ef 2:6)
  4. medeburgers in het Heilige der Heiligen (Ef 2:19)
  5. mede gebouwd (Ef 2:22)
  6. mede erfgenamen (Ef 3:6)
  7. van hetzelfde lichaam (= sussomos) (Ef 3:6)
  8. mededeelgenoten Zijner belofte in Christus (Ef 3:6)
  9. met [Hem] opgewekt (Kol 2:12)
  10. mede levend gemaakt (Kol 2:13) met (= sun) Hem
  11. met Christus opgewekt (Kol 3:1)
  12. uw leven is met (= sun) Christus verborgen in God. (Kol 3:3)

 

Wanneer we deze tekstgedeelten in zijn verband lezen, dan ontdekken we dat deze dingen hier van een veel hogere roeping spreken. Dan vinden we dat we dat het Lichaam van Christus met Hem is levend gemaakt (1), dat zij vanuit hun dode positie in Christus zijn opgewekt (2 + 9), hen mede, op gelijke wijze als Christus, een plaats is gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus (3). Dit betekent dat zij geplaatst zijn in de hemel der hemelen, in de rechterhand van God. Daarom worden zij ook “medeburgers” genoemd (4).

Zij mogen opwassen tot een bouwwerk, goed ineensluitend, tot een tempel, heilig in de Here, in wie zij ook mede gebouwd worden tot een woonstede Gods in de Geest (5).

Deze verborgenheid, betreffende de “verborgenheid van Christus”, was ten tijde van vroegere geslachten niet bekend geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten, namelijk dat de heidenen mede-erfgenamen (6) zijn, medeleden (7) en medegenoten (8) van de belofte in Christus Jezus door het evangelie.

In Hem zijn zij ook mede opgewekt (9) door het geloof van de de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt.

Ook heeft Hij hen, hoewel zij dood waren door hun misdaden en onbesnedenheid naar het vlees, mede levend gemaakt met Hem (10), toen Hij hun al hun misdaden kwijtschold.

 

Indien gij dan met Christus opgewekt zijt (11), zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met (12) Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid. (Kol 3:1-4).

 

Nog heel veel is hierover te zeggen, temeer wanneer wij de betekenis van het woordje “sun”in de teksten laten spreken. Dat we ons ervan bewust worden dat het in al deze teksten gaat om een verenigd zijn in Christus, en dat alles in dezelfde gelijkenis plaatsvind als bij Christus, en dat de leden van Het Lichaam al deze dingen mogen bezitten in de volledigheid als Christus.

 

Broeders en zusters, u zult ook begrijpen dat menselijke woorden eigenlijk tekort schieten om deze geestelijke, hemelse (boven)zegeningen onder woorden te brengen. Want het is echt zó heel veel wat God ons in Christus wil schenken. Daarom kan ik me maar het beste bij Paulus woorden aansluiten”

  • Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God.”

 

Deel 22 volgt DV

Bert Boersma Juli 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 22)

"HEM TE KENNEN"

  • Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om Zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” (Fil 3:8-11)

 

Al het oude schade achten

Paulus begint te zeggen dat hij “alles schade acht”, en dat “alles” slaat hier op alles waarin hij is opgegroeid, zijn besneden worden ten achsten dage, dat hij uit Israël was, naar de wet een Farizeeër, naar zijn ijver een vervolger van de gemeente, naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. “Maar,” zegt Paulus, “alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht.” (Fil 3:5-7). In dit bijbelgedeelte zit een geweldige les voor ons. Zijn wij bereid om alles wat achter ons ligt “schade te achten”? Of menen wij dat alles wat achter ons ligt een fundament is, waarop wij moeten voortbouwen? Dan een vraag die een ieder voor zichzelf kan beantwoorden: Wat vinden wij, als wij achter ons kijken? Moeten wij daarop voortbouwen?

 

Wat zegt de Bijbel over ons vroegere leven wat achter ons ligt?

  • Gij waart dood door uw overtredingen en zonden, waarin gij vroeger gewandeld hebt overeenkomstig de loop dezer wereld, overeenkomstig de overste van de macht der lucht, van de geest, die thans werkzaam is in de kinderen der ongehoorzaamheid. Wij allen hebben vroeger daarin verkeerd, in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns.” (Ef 2:1-3).

 

Dát was onze positie. Dát vinden wij als wij achter ons kijken. Het beste is om die dingen werkelijk achter ons te laten, en ons uitstrekken naar datgene wat God ons heeft bereid.

Daarom zegt Paulus,

  • Alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht.” En “Om Zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis.”

 

Dit is absoluut noodzakelijk, want wanneer wij onze “vroegere wandel” niet voor vuilnis houden is het onmogelijk Hem te leren kennen. En dáár gaat het om. Dat is het doel, er is niets, maar dan ook helemaal niets van onszelf bij. Het gaat alleen om Hem te kennen in de kracht van Zijn opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden. De Staten Vertaling zegt het nog sterker:

  • Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.” (Fil 3:8).

 

Het gaat er niet om dat we Hem leren kennen zoals we in de Evangeliën over de Heere Jezus kunnen lezen. Daar, in de Evangeliën, leren we Hem kennen in het vlees. En het klinkt misschien vreemd, maar ook dát moeten we achter ons laten, want we lezen in 2 Kor 5:16:

  • Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer.”

 

Dus we behoren ons uit te strekken om Hem te leren kennen in geestelijk opzicht, omdat de vleselijke dingen hebben afgedaan. We leren Hem dan kennen "in de kracht van Zijn opstanding" en krijgen zo deel aan de "gemeenschap van Zijn lijden". Dit leren kennen wijst niet alleen op het feit dat we geloven dat Christus is gestorven en is opgestaan, maar dat kennen gaat erom dat wij de “kracht” onderscheiden en leren kennen die in Zijn opstanding openbaar werd. En broeders en zusters, dat is een kracht die in allen, welke in Christus zijn, werkzaam is. Dát is Gods overweldigende genade!

 

De Kracht Zijner Opstanding

Door deze kracht heeft Christus de dood overwonnen, en Zijn opstanding getuigd aan ons dat Christus Jezus, onze Heere is Gods Zoon in kracht (Rom 1:4). Deze, onze Heiland IS de kracht Gods en de Wijsheid Gods (1 Kor 1:24).

Daarom was Paulus ook voortdurend biddende, dat de gelovigen de Geest van wijsheid en van openbaring zouden ontvangen, om Hem recht te kennen, en door de verlichte ogen van het hart zouden zien wat de roeping, de erfenis, maar ook hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. (Ef 1:15-23).

 

De Vader wil ons geven van de rijkdom van Zijn heerlijkheid, om met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Hij wil dat wij geworteld en gegrond worden in de liefde. En dan zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.

Broeders en zusters, God is bij machte oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, want hij wil Zijn kracht in ons werkzaam doen zijn. (Ef 3:16-20).

 

En door deze kracht Gods, die in ieder lid van het Lichaam van Christus werkzaam wil zijn, ontleent het Lichaam de kracht om als een eenheid te fungeren, en als een welsuitend geheel te groeien in Christus, en op wassen in de liefde. (Ef 4:16).

Als burgers van rijk in de hemelen, verwachten wij de Heere Jezus Christus als Verlosser. Hij zal ons aardse lichaam veranderen, en aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig maken. Dit gebeurt door Zijn kracht waarmee Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen

 

Hoe kunnen wij deze, Zijn kracht leren kennen? Ten eerste door te gaan staan in de gezindheid welke ook in Christus Jezus was. Daartoe moeten we doen wat Paulus ons voorhield: “Alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht.” En dan komen we terecht bij de tekst uit Fil 2:

  • Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!” (Fil 2:5-11).

 

Die gezindheid van Christus, daar gaat het om, dat die gezindte in ons gestalte krijgt. Hij was in de gestalte van God, maar Hij heeft het geen schande gevonden om datgene wat Hij was én bezat volledig aan de kant te zetten. De NBG spreekt over een ontledigen, maar de St Vert Spreekt van een sterker “vernietigen”. Christus heeft werkelijk Zichzelf vernietigd, en de gestalte van een dienstknecht aangenomen, en is mens geworden. Zijn vernedering én gehoorzaamheid is de reden van Zijn verhoging. En ook daarom heeft God Hem een Naam boven alle naam gegeven. Daarom zal in de toekomst alle knie zich buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!

 

In de tweede plaats kunnen wij die kracht Gods leren kennen door gemeenschap te hebben aan Zijn lijden! In Rom 8:17 lezen we dat we

  • erfgenamen van God zijn, en medeërfgenamen van Christus; immers, indien wij delen in zijn lijden, is dat om ook te delen in zijn verheerlijking.”

En in 1 Kor 12:26 lezen we:

  • Als één lid lijdt, lijden alle leden mede, als één lid eer ontvangt, delen alle leden in de vreugde.”

 

Hieruit leren wij dat wanneer wij in die gezindheid van Christus gaan staan, dat wij dan met Hem mee lijden. De verdrukking, die Hij, het Hoofd van het Lichaam, onderging in volmaakte gehoorzaamheid, is ook het deel van alle leden van het Lichaam van Christus.

 

De apostel Paulus is ons hierin voorgegaan. Paulus heeft onder zware strijd het evangelie van de verborgenheid verkondigd, een verborgenheid, die niet na te speuren was in de Schriften. Hij deed dit ondanks zijn zware verdrukkingen, en toch zat hij zelfs met grote blijdschap zijn latere brieven te schrijven. Hij schrijft dat wij zijn blijdschap zelfs volkomen kunnen maken, door eensgezind te zijn. En dan noemt hij de zaken waarin wij eensgezind behoren te zijn: één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen. (Fil 2:2-4)

 

Deze eensgezindheid als leden van het Lichaam van Christus kunnen wij uitsluitend in de praktijk brengen als wij als geroepen heiligen (= apart geplaatsten) de vrede van Christus in onze harten laten regeren (Kol 3:15), en door die gezindheid in ons gestalte te laten krijgen, welke ook in Christus Jezus was. Dan zullen wij door de verlichte ogen van ons hart in staat zijn ons uit te strekken naar het doel, de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. Dan vergeten we datgene wat achter ons ligt, en strekken we ons uit naar hetgene wat voor ons ligt. En vóór ons ligt een niet te bevatten hemelse heerlijkheid in het bovenhemelse.

 

Door Gods overweldigende genade mogen wij delen in de verhoogde positie van Christus. Ook wij zullen die weg van "het afleggen van onze oude mens" moeten gaan, en soms snijdt dat afleggen van de oude mens heel diep in ons wezen, want bij dat "afleggen van de oude mens" behoren ook de diepgewortelde, opgelegde traditie's en leringen van mensen, die altijd een voortgaande, groeiende relatie met God en Zijn Woord in de weg staan.

 

Daarom moeten wij afleggen onze oude mens met zijn vroegere wandel, die ten verderve gaat, en aandoen de nieuwe mens, die naar (de wil van) God geschapen is in waarachtige gerechtigheid en heiligheid. Wij zijn een nieuwe mens, geschapen in Christus Jezus, om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen (Efeze 2:10). En die wandel behoort de Heere waardig te zijn, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God.

 

En wanneer we onder leiding van Gods Geest in gehoorzaamheid die weg gaan, dan volgt ook voor ons een uitermate verhoging, want dan mogen wij nu reeds door Gods rijke genade de hemelse positie van Het Lichaam van Christus innemen.

Alleen dan, wanneer die gezindheid in ons woont, is het mogelijk om in praktijk te brengen wat Paulus' blijdschap in Fil 2:2-4 volkomen maakt:

  • "Maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, maar ieder (lette) ook op dat van anderen." (Fil 2:2-4)

 

De zaken, die Paulus hier opnoemt, vloeien eigenlijk allemaal voort uit de juiste gezindheid. Want wanneer we in die juiste gezindheid staan, één van zin worden, en aldus geleid worden door Gods Geest, vloeien de vruchten van de Geest er vanzelfsprekend uit voort. We moeten ons niet voor die vruchten hoeven in te spannen, want het zijn niet onze werken, die vrucht dragen, maar de werken, die God door ons heen wil werken. Daarom vervolgt Paulus ook met te zeggen: "Blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven, want God is het, die om zijn welbehagen zowel het willen als het werken in u werkt." (Fil 2:12-13)

 

Dit betekent niet dat we moeten werken om behouden te blijven, want ons behoud ligt verankerd in het volbrachte werk van De Heere Jezus Christus. Maar we moeten wel ons behoud "uitwerken". Dat wil zeggen dat we bezig zijn te ontdekken wat God ons in Zijn Woord wil zeggen, dat we zoekende zijn, de dingen die boven zijn, dat we ontdekken wat het inhoudt, dat we gezegend kunnen worden met alle hemelse zegeningen. Dat we onze door genade verkregen positie waardig wandelen, en jagen naar de prijs der roeping Gods.

  • "Doet alles zonder morren of bedenkingen, opdat gij onberispelijk en onbesmet moogt zijn, onbesproken kinderen Gods te midden van een ontaard en verkeerd geslacht, waaronder gij schijnt als lichtende sterren in de wereld, het woord des levens vasthoudende." (Fil 2:14-16)

 

Deel 23 volgt DV

Bert Boersma juli 2010 boersmaklm@hetnet.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 23)

 

"HEM TE KENNEN"

Is dat kennen van Hem datgene, waar wij naar verlangen? Want wanneer wij ernaar jagen Hem te kennen, (Hosea 6:3) zal dat een geweldige verandering in ons leven brengen. Elk moment van ons leven, dat wij besteden om ons zelf te leren kennen is verloren tijd. Zegt de Prediker niet: “Beter is het zien der ogen dan het jagen der begeerte. Ook dit is ijdelheid en najagen van wind. Het is ijdel en leeg wanneer we met onszelf bezig zijn. Het is niet alleen ijdelheid, maar het houdt ons ook af van het bereiken van datgene, dat ons leven waarlijk inhoud zal geven. Zolang wij naar onszelf blijven zien, dan zien wij een mens die stervende aan het sterven is. Ja, dat klinkt niet erg opwekkend, maar het is wel de situatie waarin wij door de zonde zijn beland. Want ziet u maar eens in de spiegel, en neem er dan eens een foto van uzelf van 20 of 30 jaar geleden bij, en u ziet hoe u bent veranderd. Maar niet getreurd, want we lezen:

  • Daarom verliezen wij de moed niet, maar al vervalt ook onze uiterlijke mens, nochtans wordt de innerlijke van dag tot dag vernieuwd. Want de lichte last der verdrukking van een ogenblik bewerkt voor ons een alles verre te boven gaand eeuwig gewicht van heerlijkheid, daar wij niet zien op het zichtbare, maar op het onzichtbare; want het zichtbare is tijdelijk, maar het onzichtbare is eeuwig.” (2 Kor 4:16-18)

 

Wanneer wij op onszelf blijven zien zullen wij nooit Christus in Zijn heerlijkheid leren zien, en zullen we ook niet ontdekken dat wij door Gods overweldigende genade in Christus' heerlijkheid mogen delen. Daarom is zo belangrijk om met het Woord bezig te zijn, en dé Christus, de Verhoogde, te ontdekken, en op Hem onze aandacht te richten en kennis te maken met de kracht van Zijn opstanding, die onze levens veranderen kan en wil. Dat zullen wij ervaren en wel in toenemende mate, naarmate wij Christus meer leren kennen.

 

Nieuwe dingen – Nieuwe woorden

Wanneer we de brieven, die Paulus na Handelingen 28 heeft geschreven onderzoeken, dan vinden we nieuwe dingen, door Paulus in de grondtekst uitgedrukt in nieuwe woorden:

 

 

Ef 1:3

Gezegend met alle geestelijke zegeningen in het over-hemelse

 

epouraniois”

 

Ef 2:16

Volkomen verzoening

 

apokatallasso”

 

Ef 1:7

Volkomen verlossing

 

apolutrosis”

 

Ef 1:3 en 2:6

Medegezet in de overhemelse

 

sugkathizo”, wat is afgeleid van “sun en kathizo”

 

Ef 3:6

Mede-lichaam

 

sussoma”

 

Kol 2:10

De volmaaktheid

 

pleroo”

 

Kol 3:3

Christus ons leven

 

sun” Christus

 

Kol 3:

Met Hem geopenbaard in heerlijkheid.

Met Hem” staat in de grondtekst ook het woordje “sun”

 

 

Fil 3:11

De uit-opstanding uit de doden

ekanastasin tèn ek nekrôn”, afgeleid van het Griekse woord “exanistemi”, wat betekent “opstaan uit de dood).

 

We zullen proberen te ontdekken wat deze nieuwe woorden ons te zeggen hebben. Woorden, die eerder nergens in Gods Woord in verband met de persoonlijke situatie van de gelovige zó werden genoemd, maar nu door de apostel Paulus onder Gods leiding worden neergeschreven. Het is nogal een opsomming. Bijbelstudie vergt vaak enige moeite, maar dat maakt altijd wel veel duidelijk, en het brengt ons dichter bij Hem!

 

1. Epouraniois = επουρανιοις (vóór Handelingen 28)

  • John 3:12: Indien Ik ulieden de aardse dingen gezegd heb, en gij niet gelooft, hoe zult gij geloven, indien Ik ulieden de hemelse (= epouranios) zou zeggen?
  • 1 Cor 15:40: En er zijn hemelse (= epouranios) lichamen, en er zijn aardse lichamen; maar een andere is de heerlijkheid der hemelse (= epouranios), en een andere der aardse.
  • Heb 9:23: Zo was het dan noodzaak, dat wel de voorbeeldingen der dingen, die in de hemelen (= ouranois) zijn, door deze dingen gereinigd werden, maar de hemelse (= epouranios) dingen zelve door betere offeranden dan deze.

 

En dan vinden we in de grondtekst nog de afgeleide woorden van epouraniois, zoals

  • Epouranioi = επουρανιοι in 1 Cor 15:48: “Hoedanig de aardse [is], zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de hemelse (=επουρανιος) [is], zodanige zijn ook de hemelsen (=επουρανιοι)”.
  • Epouranion = επουρανιον in 2 Tim 4:18: “En de Heere zal mij verlossen van alle boos werk, en bewaren tot Zijn hemels (=επουρανιον) Koninkrijk; Denwelken zij de heerlijkheid in alle eeuwigheid. Amen.”
  • Ouranios = ουρανιος in Matt 18:35: “Alzo zal ook Mijn hemelse (= ouranios) Vader u doen, indien gij niet van harte vergeeft een iegelijk zijn broeder zijn misdaden.”
  • Epouraniou = επουρανιου in 1 Cor 15:49: “En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, [alzo] zullen wij ook het beeld des Hemelsen (=epouraniou) dragen.” Ook in Hebr 3:1, Hebr 6:4 en Hebr 11:16.
  • Epouraniwn = επουρανιων in Fil2:10:Opdat in den Naam van Jezus zich zou buigen alle knie dergenen, die in den hemel (=epouraniwn), en die op de aarde, en die onder de aarde zijn.”

 

Dit is wel het belangrijkste wat er in het Woord in de grondtekst is te vinden over het hemelse. En wanneer we verder gaan met zoeken, dan zien we dat in de brieven, die Paulus na de Handelingen heeft geschreven wordt gesproken over “en tois epouraniois”, de “bovenhemel”, waar God woont. In deze brieven wordt gesproken over de positie van de gelovigen. De plaats waar de gelovigen mogen wonen, waar hun “thuis” is. De teksten spreken over de plaats waar de gelovigen hun intrek mogen nemen, dit is nieuw in het Woord, en was daarvóór nooit verkondigd.

 

En tois epouraniois = εν τοις επουρανιοις (I)

  • Eph 1:3: Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel(= en tois epouraniois) in Christus.
  • Eph 1:20: Die Hij gewrocht heeft in Christus, als Hij Hem uit de doden heeft opgewekt; en heeft [Hem] gezet tot Zijn rechter [hand] in den hemel(= en tois epouraniois).
  • Eph 2:6: En heeft [ons] mede opgewekt, en heeft [ons] mede gezet in den hemel (= en tois epouraniois) in Christus Jezus;

 

Deze “en tois epouraniois” wordt ook wel bovenhemel genoemd, en is niet alleen de plaats waar God woont, maar is tevens de plaats waar Christus zich bevind, en is dan ook nog de plaats waar God ons al zijn rijkdom in Christus Jezus wil geven, ja sterker: Heeft gegeven!

 

Uit deze laatstgenoemde drie schriftplaatsen leren we dat het de plaats is waar we zo rijk gezegend zijn; dat het de plaats is waar Christus is gezeten, boven alle overheid en macht, aan de rechterhand Gods.

De NBG vertaalt consequent deze “bovenhemel” met “de hemelse gewesten”. De Schrift geeft duidelijk aan waar we aan moeten denken, wanneer we lezen over “en tois epouraniois”. Maar wanneer we proberen uit te zoeken wat deze uitdrukking werkelijk betekent, dan krijgen we meer inzicht in de betekenis ervan:

  • en” betekent “in”, en dan in de betekenis van het zich bevinden IN een bepaalde plaats. Het heeft niet de betekenis van het nog moeten ingaan, maar het geeft aan dat de gelovige reeds is ingegaan in die plaats (van rust). Door Gods genade is onze positie nu reeds IN Christus!
  • Tois” is het lidwoord “de” in het meervoud. Dit “tois” geeft aan dat het om een meervoudig begrip gaat.
  • Epouraniois” Zonder de twee genoemde woorden “en tois” komt dit “epouranious” vaker voor in het Nieuwe Testament, zoals we boven reeds hebben gezien. Het wordt in vrijwel al die voorgaande teksten als een bijvoeglijk naamwoord gebruikt. Een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over het zelfstandig naamwoord wat er op volgt. Maar in de Efeze brief komt dit “epouraniois” als een zelfstandig naamwoord voor. Epouranios is samengesteld uit twee andere woorden: “epi” (op, bij, boven) en “ouranios” (hemel). “Epouranios” mogen we dan ook beschouwen als een plaats boven de hemelse dingen.

 

We komen meer hemelse dingen tegen in het Woord, echter die hebben met de “en tois epouraniois” niets te maken. Zoals we weten spreekt de bijbel over een derde hemel, maar dat houdt dan in dat er ook een tweede en een eerste hemel is. Dat leren we reeds uit Gen 1:1, waar we lezen dat God “in den beginne schiep God de hemelen (meervoud, grondtekst) en de aarde. Deze schepping komen we ook tegen in Kol 1:16: “Want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen (meervoud) en die op de aarde zijn.” Deze hemelen (meervoud) zijn dus geschapen. De derde hemel, of de boven-hemel is niet geschapen, maar was altijd al de plaats waar God woonde en woont.

 

De eerste hemel is de hemel die de luchtlaag boven de aarde vormt, en waar de vogels des hemels vliegen. De Bijbel zegt: “De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen” (Luc. 9:58).

De tweede hemel is de sterrenhemel. “En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels.” (Gen. 26:4). In elke hemel bevinden zich geschapen hemelse “dingen”. In de hiervoor genoemde teksten zijn dat achtereenvolgens de vogels en de sterren.

 

Wanneer we in het Woord lezen over "de hemelse gewesten" dan moeten we dus denken aan dat gedeelte wat boven eerste hemel ligt, waar de vogels vliegen. Daarboven, dus boven de vogelen hemel bevinden zich de hemelse gewesten, oftewel de tweede en de derde hemel.

 

En tois epouraniois = εν τοις επουρανιοις (II)

Wanneer we nogmaals terug gaan naar de teksten waar we in de NBG vertaling “de hemelse gewesten” tegenkomen, dan blijkt bovenstaande te kloppen. Genoemde teksten uit Efeze 1:3, Ef 1:20 en Ef 2:6 gaan over de derde hemel, waar God woont. Maar de twee onderstaande teksten gaan bij nadere bestudering over de tweede hemel:

  • Eph 3:10: Opdat nu, door de Gemeente, bekend gemaakt worde aan de overheden en de machten in den hemel(= en tois epouraniois) (NBG: de hemelse gewesten) de veelvuldige wijsheid Gods;
  • Eph 6:12 Want wij hebben den strijd niet tegen vlees en bloed, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de geweldhebbers der wereld, der duisternis dezer eeuw, tegen de geestelijke boosheden in de lucht (= en tois epouraniois) (NBG de hemelse gewesten).

 

Nadat satan door zijn opstand tegen God uit de derde hemel is verwijdert (met zijn aanhang), kan hij en zijn aanhang (machten) vanwege hun zonde niet hoger komen dan de tweede hemel. Zij kunnen door hun zonde niet meer in dezelfde hemel aanwezig zijn waar God woont.

Dan kan de vraag zich misschien kan voordoen: Zijn wij nu met alle geestelijke zegeningen gezegend (Ef 1:3) in de tweede of in de derde hemel? Want beide hemelen worden in de vertaling “de hemelse gewesten genoemd.

 

Gezegend IN Christus

Gods Woord laat ons hierover niet in ongewisse. Want we lezen immers in Efeze 1:3:

  • Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.

 

Daar gaat het om, “IN Christus!” De plaatsbepaling voor wat betreft de leden van Het Lichaam van Christus is dáár waar Christus is. De bijbel laat ons niet in het ongewisse over de plaats waar de opgestane Christus Zich bevindt, namelijk in de rechterhand van de Vader (Ef 1:20), en we zijn in Christus opgewekt en ons is mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus (Ef 2:6).

 

Wanneer er in Ef 3:10 en Ef 6:12 gesproken wordt over “de overheden en de machten in de hemelse gewesten”, daar staat niet "in Christus". Zij zijn niet in Christus, en kunnen ook niet daar zijn waar Christus is. Hun plaats is in de tweede hemel, die ook tot de hemelse gewesten behoort. Zien we de geweldige positie van Het Lichaam van Christus? Zien we de rijkdom van genade die ons IN Christus ten deel is gevallen?

 

Deel 24 volgt DV

Bert Boersma augustus 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Hem Kennen....... (deel 24)

ApokatallassO”

Het tweede nieuwe woord wat we in de latere brieven van Paulus tegenkomen is “apokatallassO = αποκαταλλαξη”. We lezen dit in Efeze 2:16:

  • En de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.”

 

Het griekse woord “apokatallassO” is hier vertaald met “weder te verzoenen”, terwijl de St. Vert. alleen “verzoenen” heeft vertaald. Om dit alles in de juiste context te plaatsen moeten we proberen te ontdekken wat de Bijbel ons te vertellen heeft over de verzoening in het Oude Testament, in de periode voor Handelingen 28, en in de periode daarna tot heden.

 

Verzoening” in het Oude Testament

Het Hebreeuwse woord “kaphar” heeft in het Oude Testament de betekenis van “verzoenen”. We komen dit woord 102 keer tegen in het Oude Testament. En de eerste keer lezen we het woord “kaphar” in Gen 6:14, waar het al direct de goede betekenis weergeeft. We lezen:

  • Maak u een ark van goferhout; met vakken zult gij de ark maken en haar van binnen en van buiten met pek bestrijken.” De St. Vert. is nog iets duidelijker, die spreekt over: “En gij zult die bepekken van binnen en van buiten met pek. Het moge duidelijk zijn wat hier wordt bedoeld. Het hout van de ark moest geheel bedekt worden met pek.

 

In Lev 1:4 lezen we bijvoorbeeld:

  • En hij (die zonde gedaan heeft) zal zijn hand op het hoofd des brandoffers leggen, opdat het voor hem aangenaam zij, om hem (de zondaar) te verzoenen.”

 

Ook hier staat het woord “kaphar”, wat vertaald is met verzoenen. Steeds komt het woord verzoenen (“kaphar”) in het Oude Testament tot ons in de betekenis van “bedekken”. De zonden werden niet weggedaan, maar bedekt. Net zoals de planken van de ark niet waren verdwenen, maar ze waren bedekt door pek. In die zin waren de planken niet meer zichtbaar.

 

Ook vinden we het woord “kaphar” terug in de Hebreeuwse naam van de grote verzoendag, “Yom Kippoer”. Deze dag wordt “grote verzoendag” genoemd. Op die dag mocht de Hogepriester het Heilige der Heiligen binnentreden. Alleen op die dag mocht hij in het Heiligdom naar binnen om verzoening te doen voor zichzelf, voor zijn huis en voor zijn volk. We lezen hierover in Lev 16:

  • Dit zal u tot een altoosdurende inzetting zijn: in de zevende maand op de tiende der maand zult gij u verootmoedigen en generlei werk doen, zomin de geboren Israëliet als de vreemdeling, die in uw midden vertoeft. Want op deze dag zal over u verzoening (= “kaphar”) gedaan worden, om u te reinigen; van al uw zonden zult gij gereinigd worden voor het aangezicht des HEREN. Het zal u een volkomen sabbat zijn en gij zult u verootmoedigen, het is een altoosdurende inzetting. En de verzoening zal de priester doen, die men gezalfd heeft en die men gewijd heeft, om in zijns vaders plaats het priesterambt te bekleden; hij zal de linnen klederen, de heilige klederen, aantrekken; het heilige der heiligen zal hij verzoenen, ook de tent der samenkomst en het altaar zal hij verzoenen, en over de priesters en het ganse volk der gemeente verzoening doen. En dit zal u een altoosdurende inzetting zijn, ten einde verzoening te doen over de Israëlieten om al hun zonden, eenmaal in het jaar. En hij deed, zoals de HERE Mozes bevolen had.” (Lev 16:29-34)

 

Psalm 32:1 zegt:

  • Een onderwijzing van David. Welgelukzalig is hij, wiens overtreding vergeven wiens zonde bedekt is”

 

Verzoening” in het Nieuwe Testament

In het Oude Testament ging het om de verzoening der zonde van de Joden. Toen moest dat ieder jaar opnieuw gebeuren. In het Nieuwe Testament lezen we daarvan een prachtig beeld in de Hebreeën brief, daar lezen we over dé Hogepriester, Jezus Christus:

  • Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.” (Hebr 9:11-12).

 

Christus Jezus, de Heere, is eens voor altijd (hoeft niet weer) de hemel der hemelen (= “epouraniois”) binnengegaan met Zijn eigen bloed, “om de zonden van het volk te verzoenen. (= hilaskomai”) (Hebr 2:17). En dáár hebben we de tegenhanger in het Nieuwe Testament van het hebreeuwse woord “kaphar”, namelijk het woord “hilaskomai”.

 

Dit woord “hilaskomai” vinden we ook in het Grieks in Luk 18:13: “De tollenaar stond van verre en wilde zelfs zijn ogen niet opheffen naar de hemel, maar hij sloeg zich op de borst en zeide: O God, wees mij, zondaar, genadig!” “Hilaskomai” is hier vertaald door “wees genadig” Dus eigenlijk vraagt de tollenaar hier om verzoening (= bedekken) van zijn zonden.

 

Wanneer we de teksten in hun verband plaatsen, zien we dat het woord “hilaskomai” in het verlengde ligt van het Oudtestamentische “kaphar”. Vooral de tekst uit Romeinen 3:25 wijst op overduidelijke wijze naar de Here Jezus:

  • Hem heeft God voorgesteld als zoenmiddel (= hilastErion) door het geloof, in zijn bloed, om zijn rechtvaardigheid te tonen, daar Hij de zonden, die tevoren onder de verdraagzaamheid Gods gepleegd waren, had laten geworden – om zijn rechtvaardigheid te tonen, in de tegenwoordige tijd, zodat Hijzelf rechtvaardig is, ook als Hij hem rechtvaardigt, die uit het geloof in (gr tekst = van) Jezus is.” (Rom 3:25-26)

 

Een geweldige tekst. Alleen Hij, de Heere Jezus, die zonder zonde was, kon door God als
“zoenmiddel”, als offer worden aangewezen. Christus was Gode gelijk, maar heeft het geen schande gevonden om die heerlijkheid af te leggen, Hij heeft Zichzelf ontledigd, en heeft de

gestalte van een dienstknecht aangenomen, en Hij is aan de mensen gelijk geworden. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken. (Fil 2:6-9). Hij is "het Lam Gods”, het enige offer dat de zonde der wereld kon wegnemen én heeft weggenomen. (Joh. 1:29)

 

Naast het Griekse woord “hilaskomai” komen we nog twee afgeleide woorden tegen in het N.T., wanneer we zoeken in de concordantie naar zaken die met verzoenen, verzoening, enz. te maken hebben, namelijk twee Griekse woorden “hilasmos” en “hilastErion”, welke beide als grondbetekenis “bedekken” hebben.

 

Een tekst die zeker in dit verband niet mag ontbreken is 1 Joh 2:2: "Hij is een verzoening (= hilasmos) voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld." Dit betekent dat het volbrachte werk van de Heere Jezus de verzoening voor de gehele wereld betekende, voor alle mensen! Dit betekent niet dat alle mensen verlost zijn, maar het betekent wel, dat hij/zij die het Woord hoort, en wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het Water des Levens om niet." (Openb 22:17). Want de verzoening is door Christus bereid voor alle mensen, terwijl de verlossing openbaar wordt door geloof!

 

Een ander woord wat we tegenkomen voor verzoenen of verzoening in het Nieuwe Testament voor Handelingen 28, is het woord “katallassO”. De grondbetekenis van dit woord is veranderen. Zo zien we dus dat in het N.T. de woorden in de grondtekst voor verzoening worden aangegeven door middel van twee betekenissen. Het ene betekenis is bedekken in de lijn van “kaphar”, en het andere woord is “katallassO”, wat de betekenis heeft van veranderen.

 

KatallassO” = Verzoenen

De grondvorm van “katallassO” is het Griekse “allassO”. We vinden dit in Hand 6:14, Rom 1:22-23, 1 Kor 15:51-52, Gal 4:20 en Hebr 1:12.

Om de betekenis van “allassO” duidelijk te maken kiezen we Rom 1:22-23:

  • Bewerende wijs te zijn, zijn zij dwaas geworden, en zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen (= allassO) door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren.”

 

Letterlijk vertaald staat er: “En zij hebben vervangen (= allassO) de majesteit van de onvergankelijke God door hetgeen gelijkt op het vergankelijk beeld van een mens, enz.......” In zijn hoogmoed heeft de mens zijn Godsbeeld veranderd (= allassO). Uit het verband blijkt duidelijk dat deze verandering niet van tijdelijke aard is, maar dat het duidelijk om een blijvende vervanging gaat. En dan is het niet zomaar een vervanging, waarbij een oude fiets wordt ingeruild voor een nieuwere, maar hier gaat het om een totaal andere vervanging. In Rom 1:22 zet de mens zichzelf op de troon van God. Want in plaats van God te dienen, hebben zij beelden gemaakt om te dienen. Zij hebben God vervangen (= allassO) door het beeld van een mens. Totaal iets anders!

 

Dit woord “allassO” is de ene helft van dat andere Griekse woord voor verzoenen: “katalassO”, ontstaan uit “kata” en “allassO”.

Kata” is een voorzetsel, dat in een dergelijke samenvoeging van woorden een versterkende werking heeft, het geeft aan dat de “allassO” “kata” is. Met normale woorden gezegd: Het geeft aan dat de verandering heftig en compleet is. We komen dit “katallassO” zes keer tegen, uitsluitend in de brieven geschreven vóór Handelingen 28, en het wordt steeds vertaald met “verzoenen”: Rom 5:10 (2x), 1 Kor 7:11 en 2 Kor 5:18-20 (3x).

 

Het hiervan afgeleide zelfstandig naamwoord “katallagE” (= verzoening) komt voor in: Rom 5:11, Rom 11:15, 2 Kor 5:18 en in 2 Kor 5:19.

De betekenis is dezelfde als “katallassO”. KatallagE betekent een complete verandering.

 

Zoals gezegd, komen al deze tot nog toe genoemde woorden, uitsluitend voor in de brieven die vóór Handelingen 28 zijn geschreven. In de brieven die daarna zijn geschreven vinden we voor verzoenen nog een nieuw Woord:

 

2. ApokatallassO = Volkomen Verzoenen

Het tweede nieuwe woord wat we uitsluitend in de latere brieven van Paulus tegenkomen is “apokatallasso = αποκαταλλαξη”. Enkele teksten waar we dit woord in de grondtekst vinden zijn:

  • Ef 2:16: St Vert: En [opdat] Hij die beiden met God in één lichaam zou verzoenen (=apokatallassO) door het kruis, de vijandschap aan hetzelve gedood hebbende. Eigenlijk heeft de NBG het iets beter vertaald: "En de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft."
  • Kol 1:20: "en door Hem, vrede gemaakt hebbende door het bloed zijns kruises, alle dingen weder met Zich te verzoenen (=apokatallassO)door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.
  • Kol 1:21: "Ook u, die eertijds vervreemd en vijandig gezind waart blijkens uw boze werken, heeft Hij thans weder verzoend." (=apokatallassO).

 

Dit zijn de drie tekstplaatsen waar we “apokatallassO” in de grondtekst vinden. We zien dat dit woord nog een voorzetsel vóór “katallassO” heeft, namelijk “apo”.

Dit “apo” betekent “vanaf”, maar geeft in deze samengestelde vorm net als “kata” een versterkende betekenis aan het grondwoord “veranderen = “allassO”. We hadden al gezien dat “kata” aan “allassO” een heftige en complete verandering liet zien, maar door “apo” wordt de verzoening nog in een overtreffender trap geplaatst. Door het voorzetsel “apo” wordt de betekenis een totale en complete verandering in combinatie met een nieuwe positie.

 

Als voorbeeld lezen we nogmaals Efeze 2 vanaf vers 14:

  • Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen (= “apokatallassO”) door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft.” (Ef 2:14-16).

 

Tot Handelingen 28 was er tussen de gelovigen in de gemeenten een soort onzichtbare scheids-muur, die werd gevormd enerzijds door de gelovige Joden, die zich aan de wet wilden houden, en anderzijds door de gelovigen uit de heidenen die dat niet hoefden. Deze scheiding (de tussenmuur) is door Christus Jezus, door Zijn volbrachte werk, weggebroken. Deze “twee” groepen zijn door Hem tot één nieuwe mens geschapen, en die “twee” zijn door Hem tot één lichaam gemaakt, en dit éne lichaam heeft Hij volkomen, totaal en compleet (= apokatallassO) met God verzoend door het kruis, waaraan hij de vijandschap (gespletenheid) gedood heeft.

 

Maar niet alleen bovenstaand “Lichaam” is volkomen, totaal verzoend, maar, zo lezen we in Kol 1, Hij heeft vrede gemaakt “door het bloed zijns kruises, om alle dingen weder met Zich te verzoenen (=apokatallassO), door Hem, hetzij wat op de aarde, hetzij wat in de hemelen is.” (Kol 1:20).

Als leden van Het Lichaam van Christus hebben wij nu reeds deel aan die volkomen en complete verzoening in Christus Jezus, onze Heere. (Kol 1:21). En Hij wil ons om die reden heilig en onbesmet en onberispelijk vóór Zich stellen:

  • Indien gij slechts wel gegrond en standvastig blijft in het geloof en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie, dat gij gehoord hebt en dat verkondigd is in de ganse schepping onder de hemel, en waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben.” (Kol 1:22-23).

 

We zullen tot slot proberen samen te vatten, alles wat we tot dusverre gelezen hebben over “verzoening”. De offers van verzoening waarover we lezen in het Oude Testament wezen in feite allemaal heen naar het ware Offer, Christus. Die offers, het bloed van bokken en kalveren waren slechts een beeld van Christus' bloed. (Hebr 9:11-15).

Die Oud-testamentische offers konden dan ook niet de zonden wegnemen, maar slecht bedekken. Dit “bedekken” bleef tot in het Nieuwe Testament gelden voor allen die onder de wet leefden.

 

Maar na het offer van Christus aan het kruis gold voor een ieder, dat zijn/haar zonden waren weggedaan, zij waren verzoend door het bloed van het Lam (= katallassO). En een ieder die dat in geloof aanvaardde, was ook verlost door het volbrachte werk van Christus. Toen Paulus na de Handelingen periode een onnaspeurlijke verborgenheid bekend moest maken, kwamen daar ook onnaspeurlijke dingen aan het licht. Toen werd bekend dat de gelovigen volkomen, totaal verzoend waren (= apokatallassO). En deze totale verzoening hield tevens in dat de gelovigen een totaal nieuwe positie ontvangen hebben:

  • God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de “epouraniois”, in Christus Jezus.” (Ef 2:4-6).

 

Zo zien we dat het woord “apokatallassO” ten nauwste verbonden is met de positie van het Lichaam van Christus in de “epouraniois”, het bovenhemelse, wat we de vorige keer hebben behandeld. Uit dit alles leren we tevens, dat het zonder de grondtekst onmogelijk is de Bijbelse Waarheid te ontdekken, en Hem naar alle grootheid te leren kennen!

 

Deel 25 volgt DV

Bert Boersma Augustus 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 25)

Verlossing

Verlossing is één van de meest fundamentele zaken die alle mensen nodig hebben, zonder dat ze dat zelf misschien beseffen. Maar waar de mensheid in alle eeuwen naar op zoek is, naar verlangt, dat is verlossing van lijden, verlossing van vergankelijkheid, verlossing van de dood. Daarom is de wetenschap constant op zoek naar de onsterfelijkheid van de mens, in de veronderstelling dat dan het ware geluk aanbreekt, niet beseffende, dat alle mensen stervende aan het sterven zijn, en niet beseffende dat door de zonde de dood in de wereld is gekomen, en hoe diezelfde dood door Iemand, Gods Zoon, is overwonnen, die zelf dood is geweest, maar nu leeft.

 

Meestal krijgt dit verlangen van de mens gestalte in één of andere vorm van religie. Zo probeert men binnen het Boedhisme verlossing uit het lijden te verwezenlijken door verlangens uit te doven. Hindoes menen door het volbrengen van rituelen te kunnen reïncarneren naar een hogere bestaansvorm. Bij de Islam probeert men “het paradijs” te verdienen door zich te houden aan hun geloofsbelijdenis, gebed, armenbelasting, vasten en bedevaart. Joden proberen door het houden van de wet van Mozes gerechtvaardigd voor God te worden. In het Jodendom vinden we specifiek hoe het niet moet:

 

In het Jodendom is de Talmoed het belangrijkste boek. De Talmoed (תלמוד) (= mondelinge leer) is na de Tenach (Wet, Profeten en Geschriften - het "Oude Testament") het belangrijkste boek binnen het jodendom. De Talmoed bevat de commentaren (lees interpretaties) van belangrijke rabbijnen en andere schriftgeleerden op de Tenach, veelal in de vorm van discussies tussen voor- en tegenstanders van een bepaald standpunt. Door deze aanvankelijk mondelinge traditie van uitlegging en verklaring van de Wet en Profeten vanaf de tijd van Mozes is er zo een zeer uitgebreid samenstelsel van alle mogelijke uitleggingen, wetsprecedenten, anekdotes, legenden en mythen verzameld.

 

De manier waarop in de Talmoed wordt gediscussieerd is kenmerkend voor het jodendom: leren door discussie. In de synagogen en leerscholen van vooral orthodoxe joden kan men nog altijd felle discussies waarnemen over de vele mogelijke interpretaties van de Talmoed.

 

Onder orthodoxe joden wordt veel het Daf Yomi (= de dagelijkse bladzijde) leesprogramma gevolgd. Hierbij wordt iedere dag een pagina van de Talmoed gelezen zodat in 2711 dagen (7,5 jaar) de hele Talmoed wordt behandeld. En daarna beginnen ze weer van voren af aan. Het moge duidelijk zijn dat deze gang van zaken niets met Bijbelstudie te maken heeft.

 

Maar ook in de wetenschap wordt gestreefd naar verlossing. Zo offert men binnen stamcellenonderzoek de kiem van nieuw menselijk leven op, om ons een langer bestaan en misschien zelfs wel onsterfelijkheid te bieden.

Eén ding hebben deze zaken in ieder geval wel gemeen: Nog nooit is gebleken dat menselijke inzet lonend is voor het verkrijgen van verlossing. Daarom is er in wezen voor de mens maar één weg. Terug naar Gods Woord, waar over werkelijke verlossing gesproken wordt.

 

Heel vaak worden de begrippen “verzoening” en “verlossing” niet onderscheiden, en worden beide zaken door elkaar heen gebruikt, zodat er verwarring kan ontstaan doordat men verkeerde conclusies trekt. Verzoening (apokakallasso) maakt verlossing mogelijk. Een tekst waar beide begrippen in voorkomt is Rom 5:10:

  • Want als wij, toen wij vijanden waren, met God verzoend zijn door de dood zijns Zoons, zullen wij veel meer, nu wij verzoend zijn, behouden (verlost) worden, doordat Hij leeft.”

 

Deze tekst geeft feilloos het verschil aan tussen verzoening en verlossing. Verzoening is ontstaan door de dood van Christus, en de verlossing is ontstaan doordat Hij leeft, dus door Zijn opstanding. Er staat niet voor niets in de tekst het “veel meer.....”. Dat geeft aan dat de verlossing boven de verzoening uitstijgt. Eerst moest de verzoening tot stand worden gebracht. Alle mensen zijn door het offer van Christus verzoend, maar niet alle mensen zijn daardoor verlost. Om verlost te zijn is geloof nodig. Geloof in de levende Christus, en Hem aanvaarden als Heere.

 

De verzoening heeft alleen zin als men er individueel persoonlijk op in gaat, en dan door geloof persoonlijk de verlossing mag ontvangen. De verzoening is als het ware de toegangsdeur tot God, om door geloof de verlossing in ontvangst te mogen nemen. Zonder de verzoening zouden wij nooit tot God kunnen naderen, en zouden wij nooit de verlossing in ontvangst kunnen nemen. Daarom legde de Heere Zijn heerlijkheid af, en kwam naar deze aarde:

  • Want ook de Zoon des mensen is niet gekomen om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen.” (Markus 10:45).
  • Want de Zoon des mensen is gekomen om het verlorene te zoeken en te redden. (= verlossen)” (Lukas 19:10).
  • En indien iemand naar mijn woorden hoort, maar ze niet bewaart, Ik oordeel hem niet, want Ik ben niet gekomen om de wereld te oordelen, doch om de wereld te behouden. (= verlossen)” (Joh 12:47).

 

Deze verklaringen van Godswege maken heel duidelijk dat de wereld verlossing nodig heeft, en die verlossing, de losprijs kon maar door Eén worden betaald. De wereld is in slavernij, en de mens moet als een slaaf worden losgekocht. Wanneer we om ons heen kijken, dan weten we dat de mens hiervan niets wil weten, hij spreekt van vrijheid en vooruitgang. De winstcijfers en de economische groei zijn maatgevend. Het geluk van de mens schijnt samen te vallen met de materiele welvaart. Maar men beseft vaak niet dat de mensheid zich bevindt in de slavernij van de zonde, en dat alles in deze wereld is aangetast door de dood. (Luk 19:10)

Daaruit heeft de mens verlossing nodig. De mens heeft een (Ver)Losser nodig, want zichzelf verlossen kan hij niet. Hij heeft Iemand nodig die hem verlossen kan:

  1. uit de slavernij der zonde (Rom 6:6 en Rom 6:17-18)
  2. uit de slavernij van de angst voor de dood (Hebr 2:15)
  3. uit de slavernij van de loop van deze wereld (Ef 2:1-3)
  4. uit de slavernij van satan (Kol 1:13) (satan is de overste van deze wereld)
  5. uit de slavernij van onszelf (Rom 8:12-15)
  6. uit de slavernij van de traditie van menselijke leringen (1 Petr 1:18-19)

 

Wanneer we al deze dingen op ons in laten werken, dan is het een hele opsomming waaruit gelovigen door geloof door de opstanding van Christus verlost zijn. En het is tevens van belang dat we leren zien dat de Schrift ons in dezen leert, dat we ook als verlosten door het leven mogen gaan. En dat we in de praktijk al de aspecten van de verlossing in ons hart sluiten, zodat we werkelijk gaan staan in dé verlossing die in Christus Jezus, onze Heere is.

 

Een ieder die de Heere Jezus leert kennen als zijn /haar persoonlijke Verlosser ervaart in de praktijk deze enorme bevrijding en de daarmee gepaard gaande blijdschap op het moment dat je tot geloof komt in Hem. Je bent vrij, je bent van Christus, Christus heeft je vrijgemaakt.

De Heere zegt zelf: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, een ieder, die de zonde doet, is een slaaf der zonde. 35 En de slaaf blijft niet eeuwig in het huis, de zoon blijft er eeuwig. 36 Wanneer dan de Zoon u vrijgemaakt heeft, zult gij werkelijk vrij zijn.” (Joh 8:34-36)

 

We hebben reeds gezien waarvan de Heere ons allemaal heeft vrij gemaakt. We zullen zien dat dit meer inhoud dan wij vaak beseffen, en wanneer we het Woord bestuderen, zullen we ontdekken dat het leren kennen van de reikwijdte van Christus' verlossing van essentieel belang is om in de praktijk echt verlost te kunnen leven en werkelijk vrij te kunnen zijn.

 

Wanneer we ten diepste willen leren uit het Woord wat de verlossing werkelijk inhoudt, dan moeten we kijken naar het O.T., naar de uittocht van Israël uit Egypte. Daar vinden we een prachtig beeld van de verlossing die God geeft. In dat voorbeeld wordt typologisch de verlossing uitgebeeld door de verlossing van het volk Israël uit de slavernij van Egypte. Egypte is hierbij een type van de wereld, en de Farao een type van satan. We weten dat satan de overste van deze wereld is, en zo was de Farao de baas van Egypte.

 

In Exodes vinden we het volk Israël in slavernij, zoals deze wereld onder de slavernij van satan gebukt gaat. (Rom 6:6, 16-17, 20). Israël kon zichzelf niet bevrijden, ze hadden geen vakbond, ze konden niet staken, ze hadden geen enkel recht. Ze waren totaal overgeleverd aan de duistere macht van Farao. (Ex 1:8-14). Ze konden maar één ding: Tot God roepen om hulp, en God hoorde Zijn volk (Ex 2:23-25), en stuurde een “redder” in de vorm van Mozes.

  • Voorts sprak God tot Mozes en zeide tot hem: Ik ben de HERE. Ik ben aan Abraham, Isaak en Jakob verschenen als God de Almachtige, maar met mijn naam HERE ben Ik hun niet bekend geweest. Niet alleen heb Ik mijn verbond met hen opgericht om hun het land Kanaän te geven, het land hunner vreemdelingschap, waar zij als vreemdelingen vertoefd hebben; maar ook heb Ik de klacht der Israëlieten gehoord, die door de Egyptenaren tot slaven gemaakt zijn, en Ik heb gedacht aan mijn verbond. Zeg derhalve tot de Israëlieten: Ik ben de HERE, Ik zal u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleiden, u redden van hun slavernij en u verlossen door een uitgestrekte arm en onder zware gerichten. Ik zal Mij u tot een volk aannemen en Ik zal u tot een God zijn, opdat gij weet, dat Ik, de HERE, uw God, het ben, die u onder de dwangarbeid der Egyptenaren uitleid. En Ik zal u brengen naar het land, waarvan Ik gezworen heb het aan Abraham, Isaak en Jakob te zullen geven, en Ik zal het u geven tot een bezitting, Ik, de HERE. Toen sprak Mozes aldus tot de Israëlieten, maar zij luisterden niet naar Mozes uit ongeduld en wegens de harde slavernij.” (Ex 6:1-8).

 

We zien in dit voorbeeld wat verlossing voor Israël werkelijk inhoudt:

  • Ik zal u redden uit de slavernij en u verlossen (Ex 6:5)
  • Ik zal u leiden uit (Ex 6:5)
  • Ik zal u aannemen (Ex 6:6)
  • Ik zal u brengen naar (Ex 6:7)
  • Ik zal u het land tot bezitting geven (Ex 6:7)

 

Naar onze tijd vertaald wat de verlossing voor ons inhoudt:

  • het bevrijd worden uit de slavernij van de zonde
  • het geleid worden uit deze wereld
  • het door God aangenomen worden
  • het gebracht worden naar het land “Kanaän” (burgers van een rijk in de hemelen)
  • bezit geven: is een beeld van de erfenis van de verloste.

 

We kennen waarschijnlijk allemaal de geschiedenis van de uittocht uit Egypte van het volk Israël. Maar dan een vraag: Wanneer begon die uittocht? Die begon nadat het lam was geslacht en het bloed van het lam met een hysop kwastje aan de deurposten van de Joodse huizen was gestreken. Daardoor ging de verderfengel de huizen van de Joden voorbij, maar in Egypte stierven alle eerstgeborenen. Toen werd het Farao te gek, en liet hij het volk gaan.

 

Dan de volgende vraag: Wanneer begint onze uittocht uit de slavernij? Onze uittocht begon toen hét Lam werd geslacht, dat de zonde der wereld wegnam. Toen was de toegang tot God vrijgemaakt, om tot Hem te naderen. Maar er is wel geloof voor nodig in dat ene waarachtige offer van Christus. Er zijn mensen, die zeggen, moet dat nou? Al dat bloed in de bijbel? Ja, dat moet echt, omdat dat een door God ingestelde regel is, of we dat nu leuk vinden of niet, maar God heeft dat zo bepaald. (Hebr 9:22).

Dat begon al met “de eerste Adam”, toen die gezondigd had werd hij met vellen bekleed door God zelf. Om die vellen te krijgen, moest er wel een dier sterven. Dan lezen we over het offer van Abel, en het hele O.T. lezen we over de offers, die allemaal heen wijzen op “de tweede Adam”, de Zoon van God, die het ware offer heeft gebracht aan het kruis van Golgotha.

 

Zo heeft God het ingesteld, maar zeer veel mensen willen dit niet, zij willen niet de weg van Abel gaan, maar kiezen de weg van Kaïn. Men wil een eigendunkelijke godsdienst, men kiest naar eigen begeerte predikers, die hen aanstaan. Maar broeders en zusters, als wij niet in geloof naderen tot het kruis, en in dat geloof roemen in het volbrachte werk van onze Heiland, dan:

  • kan het nooit een feest worden in ons leven
  • worden we nooit bevrijd uit de slavernij van de zonde
  • worden we nooit uitgeleid uit Egypte (uit de wereld)
  • komen we nooit onder de macht van satan (Farao) vandaan
  • gaan we nooit op reis naar het hemels Kanaän
  • en ontdekken wij nooit alle zegeningen in de hemel, die daar voor ons zijn weggelegd (Ef 1).

 

Dat is de les die we mogen leren uit die oude geschiedenis van Gods volk. De uittocht begint voor ons bij het kruis. Dáár is de verzoening der gehele wereld tot stand gebracht. Vanaf dat heilsfeit mag ieder mens in geloof tot God naderen. En op grond van dat heilsfeit mag iedere gelovige gemeenschap met God hebben. Of beter gezegd: God kan gemeenschap met ons hebben zonder aan Zijn heiligheid en gerechtigheid tekort te hoeven doen, want in het Lam ontmoeten Gods heiligheid en gerechtigheid elkaar. Een wonderbaar getuigenis van Gods overvloeiende liefde.

 

Bovendien kan niemand door eigen werken of eigen verdienste iets toevoegen aan dat volbrachte werk van Christus, het is een volmaakt en volkomen compleet werk. Velen denken door van alles en nog wat te moeten doen hun “zaligheid” te moeten verdienen, maar broeders en zusters, dat is onmogelijk. Het zit zo in ons: Voor wat hoort wat. Maar zo werkt het gelukkig niet bij God. Het komt er alleen maar op aan of aan de eis van God is voldaan. (1 Joh 1:7) De zonde der wereld is weggedaan door Iemand, die zonder zonde was, en Hij heeft het offer gebracht, en met Zijn bloed is Christus de hemel (epouraniois) binnengegaan. En omdat Hij gehoorzaam is geweest, daarom is Hij ook uitermate verhoogd.

 

Nog even terug naar Egypte naar de instelling van het Pascha in Ex 12. Was alleen het offeren van dat lam genoeg om gered te worden? Ik bedoel, hoefde er verder niets met het bloed te gebeuren?

Ja, we lezen dat er nog iets met het bloed moest gebeuren. Het bloed van het lam moest genomen worden, en aan de bovendorpel en de deurposten met een bosje hysop (= beeld van geloof) worden gestreken. Wanneer dat niet gebeurde, zou de verderfengel ook bij de Joden binnen komen.

 

Ook hier zit een les in voor ons. Wat hebben wij met betrekking tot onszelf met het bloed van Christus gedaan? Zeker, door het Offer van Christus zijn alle zonden van alle mensen verzoend, maar dat betekent niet dat alle mensen ook verlost zijn. Daarom de vraag; Hoe gaan wij met het bloed van Christus om? In het gestorte bloed alleen hebben wij geen verlossing. Wanneer de Joodse vader het bloed niet nam en ermee deed wat hij doen moest, dan zou zijn gezin niet worden gered. Daarom moeten ook wij met Christus bloed iets doen, we moeten Zijn bloed als het ware aan de deurposten van ons leven strijken, en net zoals de Jood het toepaste voor zijn huis, moeten wij het toepassen voor ons eigen leven. Een ieder heeft de verantwoordelijkheid om dit door het geloof toe te passen op zijn eigen hart en leven, door te danken en te knielen voor het kruis en het Lam Gods, dat Zijn bloed voor mijn en uw zonden vergoot. Dan heeft het bloed kracht, reddende kracht, dán mogen we weten verlost te zijn.

  • Indien wij in het licht wandelen, gelijk Hij in het licht is, hebben wij gemeenschap met elkander; en het bloed van Jezus, zijn Zoon, reinigt ons van alle zonde.” (1 Joh 1:7).

 

Deel 26 volgt DV

Bert Boersma september 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

  

Hem Kennen....... (deel 26)

Verlossing

Voor wat betreft het woord “verlossing” zullen we ons beperken tot het Nieuwe Testament.

De drie belangrijkste Griekse woorden die we voor “verlossing” in het N.T. In de grondtekst tegenkomen zijn “sOtEria”, “lutrOsis” en “apolutrOsis”.

 

Soteria”

Het woord “soteria” komt 45 keer voor in het N.T., en spreekt vaak in algemene zin over de verlossing. Enkele voorbeelden: De vervulling van profetie dat er zaligheid (soteria) is beloofd voor Israël, waarvan Luk 1:69 spreekt:

  • En heeft een Hoorn der zaligheid ons opgericht, in het huis van David, Zijn knecht.”

 

Deze zaligheid heeft als uitwerking dat er “een verlossing (sOtEria) zal zijn van onze (van Israëls) vijanden, en van de hand al dergenen, die ons haten.” (Luk 1:71).

Hier spreekt Zacharias over de vervulling van profetie voor Israël. Deze “zaligheid” heeft als uitwerking dat er een verlossing zal komen “Om ons te redden (= soteria) van onze vijanden en uit de hand van allen, die ons haten.” (Luk 1:71).

 

Nog enkele voorbeelden van “soteria”:

  • Om aan zijn volk te geven kennis van heil (= soteria) in de vergeving hunner zonden. (Lukas 1:77).
  • Mannen broeders, kinderen van het geslacht Abrahams, en die onder u God vrezen, tot u is het woord dezer zaligheid (= soteria) gezonden.” (Hand 13:26).
  • Dezelve volgde Paulus en ons achterna, en riep, zeggende: Deze mensen zijn dienstknechten Gods des Allerhoogsten, die ons den weg der zaligheid (= soteria) verkondigen.” (Hand 16:17).

 

Verdere teksten waar we “soteria” vinden zijn: Luk 19:9-10, Joh 4:22, Hand 4:12, Hand 7:25, Hand 13:47, Hand 27:34, Rom 1:16, Rom 10:1, Rom 11:11, Rom 13:11, 2 Kor 1:6 (2x), 2 Kor 6:2 (2x), 2 Kor 7:10, Ef 1:13, Fil 1:19, Fil 1:28, Fil 2:12, 1 Tess 5:8, 1 Tess 5:9, 2 Tess 2:13, 2 Tim 2:10, 2 Tim 3:15, Hebr 1:14, Hebr 2:3, Hebr 2:10, Hebr 5:9, Hebr 6:9, Hebr 9:28, Hebr 11:7, 1 Petr 1:5, 1 Petr 1:9, 1 Petr 1:10, 2 Petr 3:15, Judas 1:3, Open 7:10, Open 12:10 en tot slot Open 19:1.

 

Lutrosis”

Het woord verlossing, wat vertaald is uit het Griekse woord “lutrosis” komt drie keer voor, en wordt ook meestal in algemene zin gebruikt:

  • Luk 1:68: “Geloofd zij de Here, de God van Israël, want Hij heeft omgezien naar zijn volk en heeft het verlossing (= lutrOsis) gebracht.”
  • Luk 2:38: “En zij kwam op datzelfde ogenblik daarbij staan, en zij loofde mede God en sprak over Hem tot allen, die voor Jeruzalem verlossing (= lutrOsis) verwachtten.”
  • Hebr 9:12: “En dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing (= lutrOsis) verwierf.”

 

3. Volkomen verlossing(apolutrosis)

Het derde woord wat we voornamelijk in de brieven van Paulus tegenkomen is “apolutrosis”. We komen dit woord tien keer tegen in het N. T., onder anderen in Efe. 1:7, waar het vertaald is als: “En in Hem hebben wij de verlossing (= “apolutrosis”) door zijn bloed.” In de Griekse grondtekst komen we dit woord 10 keer tegen, en dit woord spreekt van de persoonlijke volkomen verlossing in Christus Jezus.

 

Wat leert de Bijbel?

Bovenstaande teksten leren ons al heel veel over de verlossing. In Efeziërs 1:7 wordt de verlossing gerekend tot de geestelijke zegen waarmee de gelovige in Christus Jezus gezegend is. Het hier gebruikte Griekse woord 'apolutrosis' betekent zoveel als 'bevrijding, losmaking na betaling van een losprijs'. Wat deze losprijs is, staat er direct bij vermeld. Het gaat hier namelijk om 'de verlossing door Zijn bloed', het bloed van Christus. Dit maakt direct duidelijk dat het onmogelijk is dat de verlossing door menselijke inspanning kan ontstaan, maar dat het door tussenkomst van God Zelf, in Zijn Zoon is, dat gelovigen verlossing ontvangen.

 

Het is al eerder genoemd, maar voor de duidelijkheid doen we het nog maar eens, omdat verlossing zo vaak met verzoening wordt verwisseld. We lezen in Kol 1:20 dat God, door Christus “vrede gemaakt hebbende door het bloed Zijns kruises, door Hem, zeg ik, alle dingen verzoenen zou tot Zichzelven, hetzij de dingen, die op de aarde, hetzij de dingen die in de hemelen zijn.” Hieruit concluderen sommigen dan dat alles op de aarde en in de hemelen door Christus verlost is door “het bloed Zijns kruises”, maar dat staat er niet. Er staat, dat er verzoening is teweeg gebracht. Dat betekent dat de zonde niemand meer toegerekend wordt, omdat Christus ervoor heeft betaald. Dat betekent dat die verzoening voor iedereen is weggelegd. En wanneer ik in geloof aanvaard dat Christus voor mij (het is een persoonlijk aanvaarden!) aan het kruis voor mijn zonden is gestorven, dan, en niet eerder, weet ik tevens dat ik verlost ben doordat Hij leeft! (Rom 5:10). Verlossing heeft dus met geloof te maken, en zelfs dat geloof is een gave van God!

 

Wanneer we dan weten verlost te zijn, dan kan zich de vraag voordoen, waaruit zijn we dan verlost? Want wij mogen dan wel verlost zijn, op dit moment valt daar wat het vlees betreft nog weinig van te merken. Maar dan moeten we wel bedenken dat alle zegeningen waarmee we in Christus gezegend zijn van geestelijke aard zijn, want we lezen in Ef 1:3 dat we met alle geestelijke zegening in den hemel (= epouraniois) gezegend zijn (beter vertaald: gezegend worden).

 

Wij leven nog steeds in een vergankelijk menselijk lichaam en wanneer we te maken hebben met tegenslag, verdriet, ziekte en ander lijden en ook nog met de dood, dan moeten we bedenken dat wij “de verlossing hebben door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade.” (Ef 1:7). Deze verlossing hebben wij ontvangen IN HEM, dus in Christus Jezus. De verlossing hebben wij dus niet in ons vleselijke lichaam ontvangen, maar in wie wij in Christus zijn. De verlossing heeft dus betrekking op ons leven dat met Christus in God verborgen is (Kol. 3:3). Of zoals in Kolossenzen 1:13-14 staat:

  • Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde, in Wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden.”

 

In deze verzen vinden wij ook gelijk antwoord op de vraag waaruit wij verlost zijn. Dit is namelijk uit de macht van zonde, satan en dood die deze wereld regeren. Geestelijk zijn wij vrijgemaakt van hun heerschappij.

 

Bovenstaande tekst uit Kol 1 is tevens van belang dat we begrijpen hoe onze verlossing is bewerkstelligd. Er staat: “Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon Zijner liefde.” Dus Hij (God zelf) heeft ons in Christus geplaatst. God zelf heeft dat gedaan “naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd, in wie wij de vrijmoedigheid en de toegang met vertrouwen hebben door het geloof in Hem.” (Ef 3:11-12). Dus de gelovige is door God in Christus Jezus geplaatst in die geestelijke zegeningen. God heeft ons het geheimenis van zijn wil doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om in de bedeling (grondtekst) van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten. (Ef 1:9-10).

 

De Verlossing in de Praktijk van ons “Leven”

Hoe heeft de verlossing zijn uitwerking op ons leven van alledag? In Filippenzen 4:7 wordt ons geleerd:

  • "En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus."

 

In dit vleselijke lichaam kunnen we van alles meemaken, zaken als ziekte, oorlog, moeiten en pijn en verdrukking. Maar als gelovige hebben we deze belofte uit de Filippenzen brief, dat onze harten en gedachten in Christus Jezus beschermd worden. Zelfs als aan het einde van ons leven (geestelijke) aftakeling en uiteindelijk de dood volgt, blijft deze belofte overeind staan. En om daadwerkelijk in die beloften te staan, is het zó van belang dat we die beloften uit het Woord kennen!

 

Er zijn meer beloften die ons willen bemoedigen en sterk maken:

  • Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht. Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde, in wie wij de verlossing hebben, de vergeving der zonden.” Kol 1:11-14).

 

Een geweldig Woord van God. “Met alle kracht bekrachtigd...........”, dat is Zijn opstandingskracht, die in ons werkzaam wil zijn. Zo zien we dat God de getrouwen ook hier op aarde, wanneer ze nog in het vlees zijn, niet aan hun lot heeft overgelaten, maar hen alles geeft om als geroepenen stand te houden. Daarvoor is ons zelfs een complete wapenrusting gegeven (Efeze 6), om onze roeping waardig te wandelen.

 

Zo mogen we weten dat we als gelovigen in het hier en nu verlost zijn, maar de volkomen verlossing (= apolutrOsis) zal in de toekomst tot volmaking worden gebracht voor de verschillende groepen van gelovigen van verschillende tijden in Gods heilsplan. In de volgende 10 teksten waarin gesproken wordt over de “apolutrOsis” komt dit duidelijk naar voren:

 

De 10 teksten waar we apolutrOsis tegen komen in de grondtekst zijn:

  • Luk 21:28: “Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing (= apolutrOsis) genaakt.” Hier spreekt de Heere tot zijn toehoorders uit Israël over de gebeurtenissen van het einde van deze huidige aioon. En voor ieder die dán geloofd is deze tekst persoonlijk bedoeld.

 

  • Rom 3:21-24: “Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing (= apolutrOsis) in Christus Jezus.”

 

  • Rom 8:22-23: “Want wij weten, dat tot nu toe de ganse schepping in al haar delen zucht en in barensnood is. En niet alleen zij, maar ook wij zelf, [wij,] die de Geest als eerste gave ontvangen hebben, zuchten bij onszelf in de verwachting van het zoonschap: de verlossing (= apolutrOsis) van ons lichaam.”

 

  • 1 Kor 1:30-31: “Maar uit Hem is het, dat gij in Christus Jezus zijt, die ons van God is geworden: wijsheid, rechtvaardigheid, heiliging en verlossing (= apolutrOsis), opdat het zij, gelijk geschreven staat: Wie roemt, roeme in de Here.” (1 Kor 1:26-31).

 

(In de Romeinen en de Korinthe brieven schrijft Paulus aan de Joden en de heidenen in de Handelingen periode).

 

  • Ef 1:7: “En in Hem hebben wij de verlossing (= apolutrOsis) door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade,”

 

  • Ef 1:13-14: “ In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing (= apolutrOsis) van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.”

 

  • Ef 4:30: “En bedroeft de heilige Geest Gods niet, door wie gij verzegeld zijt tegen de dag der verlossing.” (= apolutrOsis).

 

  • Kol 1:14: “In wie wij de verlossing (= apolutrOsis) hebben, de vergeving der zonden.”

 

  • Hebr 9:15: “En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden (= verlossen = apolutrOsis) van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.” (Zij die een erfenis ontvangen hebben geloofd)

 

  • Hebr 11:35: “Vrouwen hebben haar doden uit de opstanding terugontvangen, anderen hebben zich laten folteren en van geen bevrijding (= verlossen = apolutrOsis) willen weten, opdat zij aan een betere opstanding deel mochten hebben.”

 

Er komt dus een dag van verlossing en de gelovigen mogen daar in delen. Het bewijs hiervan is het nu reeds geestelijk delen in de verlossing in Christus Jezus. God geeft ons zelfs een waarborg, zodat we werkelijk kunnen weten, dat deze verlossing zeer zeker zal geschieden. Want als we Efeze 1:13-14 nauwgezet lezen, dan staat er dat we in Christus geborgen zijn toen we tot geloof kwamen, en als teken van dat geloof zijn we verzegeld met de heilige Geest der belofte. En dát feit, die verzegeling met de heilige Geest is als het ware de Goddelijke waarborg, het onderpand, dat we onze erfenis in ontvangst zullen nemen. En die erfenis omvat alle geestelijke zegeningen in den hemel (epouraniois) in Christus. (Ef 1:3). Nu mogen we dat geestelijk ervaren, maar dán zullen we het aan den lijve van een verheerlijkt lichaam ervaren. Dan zal voor het Lichaam van Christus de volkomen verlossing (= apolutrOsis) een realiteit zijn, en die realiteit is tot lof van de heerlijkheid van Christus.

 

De dag der Verlossing

We kunnen ons bij lange na niet voorstellen hoe die dag der verlossing er uit zal zien, daarvoor schiet ons menselijk verstand te kort. Maar wat we wel weten uit het Woord is dat die dag van verlossing er voor de verschillende geloofsgroepen verschillend uitziet.

 

Zo verwachten zij, die uit het geloof van Christus gerechtvaardigd zijn, op te staan uit de doden bij Zijn wederkomst:

  • Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst.” (1 Kor. 15:22-23).

 

Zo lezen we over de gelovigen uit de Handelingen periode dat zij “in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. (1 Kor 15:52). Dát was de verwachting van de gelovigen in die Handelingen tijd, ook van Paulus.

 

Ook 1 Tess 4:15-17 spreekt over dezelfde opstanding:

  • Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen.”

 

Hieruit blijkt duidelijk dat men in die tijd geloofde dat de gestorven gelovigen het graf in gingen, en daar bleven tot de laatste bazuin zal klinken.

 

Voor ons als gelovigen in deze tijd, ligt de verwachting ten aanzien van onze verlossing heel anders. De “apart geplaatsten en getrouwen” (Ef 1:1) zijn niet alleen gerechtvaardigd uit het geloof van Christus, maar hebben ook de volheid in Hem ontvangen. Voor hun toekomstverwachting betekent dit dat zij niet eerst voor lange tijd in het graf hoeven te wachten voordat zij opstaan uit de doden. Een aantal verzen uit de brieven van Paulus tonen dit aan:

  • Ik verlang heen te gaan (grondtekst: Ik verlang losgemaakt te worden) en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste.” (Fil 1:23). Deze tekst verkondigd de hoop van het Lichaam van Christus, namelijk de directe vereniging met Christus na het sterven. Hiervan getuigd ook Fil 1:6: “Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot (in) de dag van Christus Jezus.” Deze tekst leert ons dat Christus Zijn werk in ons zal voortzetten na onze dood, “tot in de dag van Christus Jezus”.

 

  • Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als Verlosser verwachten, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen" (Filip. 3:20-21).

 

Het woord “waaruit” (grondtekst ex hou) slaat hier niet op “hemelen” maar op “burgerschap”. Wij verwachten als gelovigen in deze tijd niet Christus als Verlosser uit de hemelen, want onze positie is in de “epouraniois”. Zowel nu, als wij nog hier op aarde leven, als dan, wanneer wij gestorven zijn, en onze intrek bij Hem hebben genomen, in beide gevallen IS onze positie in de “epouraniois”. Vanuit dat hemels burgerschap verwachten wij dus te allen tijde de Heere Jezus als Verlosser. Dit betekent dan tevens dat met het afleggen van het aardse lichaam in de dood, de weg vrij voor ons is, om gelijk intrek te nemen in het leven dat met Christus in God verborgen is.

  • Dat ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de (uit)opstanding uit de doden (Fil 3:10-11).

 

Er wordt hier over een unieke vorm van opstanding gesproken, die alleen in het Woord wordt genoemd in verband met het Lichaam van Christus. Dit gaat verder dan de opstanding uit de doden. Wat anders kan hier bedoeld worden dan dat de gelovigen die in Christus Jezus volkomen gemaakt zijn, vrijwel direct na hun sterven met Hem verenigd worden? (hier komen in een later deel uitvoerig op terug).

 

Er zijn nog meer teksten te noemen die dit bevestigen, want broeders en zusters, wij volgen geen vernuftig gevonden verdichtsels na, maar wanneer we dieper bijbelstudie doen, bevestigd het Woord zichzelf.

  • En de vrede Gods, die alle verstand te boven gaat, zal uw harten en uw gedachten behoeden in Christus Jezus" (Fil 4:7).

 

Onze harten en gedachten zijn in Christus Jezus. Waar Christus nu is, dáár is ook ons hart, en dáár zijn ook onze gedachten. Dit betekent dat we in geestelijke zin reeds in de hemel zijn. Dat is ook wat we lezen in Kol 3:3: "Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God."

  • "Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid" (Kol. 3:4).

 

Hoe kunnen wij met Christus verschijnen als wij nog dood in het graf liggen? (hierover later meer).

 

Deel 27 volgt DV

Bert Boersma oktober 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Hem Kennen....... (deel 27)

 

De vorige keer hebben we het erover gehad dat zij, die tot het Lichaam van Christus behoren, met Hem zullen verschijnen in heerlijkheid. Daarbij hebben we de opmerking gemaakt, dat wij niet met hem kunnen verschijnen als wij dood in het graf liggen.

 

We zouden hierop terug komen, dat houden we nog tegoed, maar we gaan eerst onderzoeken waar de doden zich bevinden.

 

Waar zijn de doden?

Deze vraag anders gesteld: “Wat is het lot en de eindbestemming van de mens?” Hierover zijn zeer vele meningen van mensen in omloop, maar de enige waarheid omtrent deze materie vinden we in Gods Woord. Hierbij is het van belang dat we Het Woord correct lezen, want reeds de kleinste misstap kan tot ernstige dwaling leiden.

 

Allerlei vragen kunnen zich in dezen voordoen, zoals:

  • Heeft de mens een ziel of is hij een ziel?
  • Wat is de ziel en wat gebeurt er met de ziel bij de dood?
  • Wat is de dood?
  • Staat de mens nog op?

 

Bij de beantwoording van de vraag “waar zijn de doden”, hebben we te maken met traditionele theologische meningen die door de eeuwen heen zijn gevormd. Zo is het bijvoorbeeld voor velen een uitgemaakte zaak dat allen die niet tot de kerk, of tot de gemeente van Christus behoren, bij het laatste oordeel naar de hel zullen gaan, waar zij gepijnigd en gekweld zullen worden met een eeuwige hellestraf.

 

Zo leert bijvoorbeeld een vooraanstaande theoloog: “Positief leert de Schrift onomstotelijk dat er een eeuwige (= eindeloze) hellestraf zal zijn voor de ongelovig gestorvenen.” (citaat Prof. Dr. W. J. Ouweneel in zijn boek “Alverzoening” bladzijde 41).

 

Als dit waar is, dan zullen er miljoenen, misschien wel miljarden mensen voor eeuwig gekweld worden. Vele schilders hebben door de eeuwen heen de leer van de verdoemenis met zijn hel en zijn eeuwigdurende verdoemenis op hun doeken uitgebeeld. Menig drieluik over het laatste oordeel met de hel en de hemel daarboven komen wij in musea en kerken tegen. Als wij onszelf van de hel met zijn eindeloze hellestraf een voorstelling proberen te maken, kunnen wij ons dan voorstellen dat de gelovigen in Christus in de hemel zullen zijn, terwijl op datzelfde moment miljoenen mensen voor eeuwig worden gepijnigd in de hel? Kunnen wij ons indenken hoe Gods liefde kan toestaan dat miljoenen mensen voor eeuwig worden gekweld? Terecht dringen deze vragen zich op. Wij moeten altijd oppassen dat wij met onze theologische leerstellingen onze God niet tot een karikatuur maken.

 

Daarom is het van uitermate groot belang dat we bij het bestuderen van Gods Woord alle menselijke leringen en traditionele opvattingen overboord zetten, en ons uitsluitend laten leiden door Gods Woord, wat de enige Waarheid is. Misschien doet dit sommigen van de lezers pijn, maar werkelijk, het is de enige manier om echt achter de Waarheid van Gods Woord te komen. De Bijbel noemt deze menselijke leringen “ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus.” (Kol 2:8).

 

Wanneer we de vraag willen beantwoorden waar de doden zijn, dan komen we “de dood” voor de eerste keer tegen in Gen 2:17:

  • Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven.”

 

Letterlijk staat in de grondtekst: Gij zult stervende sterven, dit duidt op de gehele aftakeling van Lichaam en geest, wat uiteindelijk eindigt met de dood. Dit proces van sterven is doorgegaan tot alle mensen die uit Adam geboren zijn. Maar de mens wil ten diepste deze consequentie van de zonde niet aanvaarden. Hij luistert liever naar datgene wat de vader der leugen hem influistert:

  • Toen zeide de slang tot de vrouw: Gijlieden zult den dood niet sterven; Maar God weet, dat, ten dage als gij daarvan eet, zo zullen uw ogen geopend worden, en gij zult als God wezen, kennende het goed en het kwaad. ” (Gen 3:4-5).

 

Deze leugen heeft de mens op allerlei uitvluchten en ideeën gebracht, zoals:

  • De mens zou een onsterfelijke ziel hebben.
  • De mens zou na het sterven als een lichaamloze ziel naar een soort onderwereld gaan.
  • De mens zou als een geest naar de hemel gaan.
  • Het lichaam van de gestorven mens zou in het graf gaan, en de ziel naar de hemel.
  • De slechte mens zou naar de hel gaan, waar hij direct gepijnigd zou worden.

 

Op grond van het Woord moeten we zeggen: Niets van dit alles is waar. Onderzoek in Gods Woord leidt ons tot hele andere conclusies. De mens is niet onsterfelijk, de mens heeft geen ziel, en er bestaat geen ziel, er bestaat geen dodenrijk. Er bestaat geen onderwereld, verdeeld in twee delen, gescheiden door een onoverkomelijke kloof. Na het sterven komt de mens niet in een lichaamloze tussenstaat. En de mens gaat niet als een geest naar de hemel, maar wanneer de mens sterft, gaat hij in het graf en keert weder tot stof.

  • Maar een man sterft, als hij verzwakt is, en de mens geeft den geest, waar is hij dan? De wateren verlopen uit een meer, en een rivier droogt uit en verdort; Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. (Job 14:10-12).

 

Maar.... zullen sommigen zeggen: “De mens heeft toch een ziel?” Volgens de Bijbel heeft de mens geen ziel, maar IS de mens een ziel. De eerste mens Adam is een levende ziel geworden toen God de levensadem in zijn neusgaten blies. En zodra bij het sterven die levensadem, of geest des levens de mens verlaat, en hij uiteindelijk niet meer ademt, houdt de mens op “een levende ziel” te zijn. Dan valt de eenheid, ziel en geest, oftewel lichaam en levensadem, uiteen. De geest des levens keert terug tot God, en het lichaam (= de ziel) keert weder tot stof, met als gevolg dat de mens ophoudt een levend wezen te zijn.

 

Velen, ook vele gelovigen zijn van mening dat de mens een lichaan én een ziel heeft. En wanneer men sterft gaat het lichaam het graf in en de ziel gaat naar de hemel of naar een soort paradijs. Deze veronderstellingen komen voort uit de koker van de vader der leugen. We zullen dit aan de hand van de Bijbel aantonen.

 

Enkele meningen die ik zomaar van internet haalde, en helaas zijn het meningen die op grond van on-bijbelse gronden wijd verbreid ingang vinden:

  • Waar gaan we heen na onze dood? De dood is niet het einde. De dood is eigenlijk een begin, een volgende stap in het plan van onze hemelse Vader voor zijn kinderen. Op een dag komt uw leven op aarde ten einde, net als dat van alle andere mensen. Uw stoffelijke lichaam gaat dan dood. Maar uw geest sterft niet. Bij de lichamelijke dood gaat uw geest naar de geestenwereld, waar u verder blijft leren en vooruitgang maken.
  • De dood is een noodzakelijke stap in uw vooruitgang, net als uw geboorte. Op een zeker moment na uw dood worden uw geest en lichaam herenigd, om nooit meer gescheiden te worden. Dat heet de opstanding. Die is mogelijk gemaakt door de dood en de opstanding van Jezus Christus.” (Dit zegt de kerk van de heiligen der laatste dagen, een mormonenkerk).

 

Job zegt: “Wanneer een mens sterft...waar is hij gebleven?....de mens legt zich neer en staat niet weer op totdat....” De complete mens ligt neder, niet zijn ziel. Zijn ziel slaapt niet. De mens vergaat tot stof en rust in de aarde. “Zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.” Let op: De mens slaapt, niet zijn ziel. Als wij kijken naar de opwekking van Lazarus, dan legt de Heere Jezus dit ook op gelijke wijze uit aan zijn discipelen:

  • Dit sprak Hij; en daarna zeide Hij tot hen: Lázarus, onze vriend, slaapt; maar Ik ga heen, om hem uit den slaap op te wekken. Zijn discipelen dan zeiden: Heere, indien hij slaapt, zo zal hij gezond worden. Doch Jezus had gesproken van zijn dood; maar zij meenden, dat Hij sprak van de rust des slaaps. Toen zeide dan Jezus tot hen vrijuit: Lázarus is gestorven.” (Joh 11:11-14).

 

Wij zien hier dat de Heere Jezus net als Job de dood vergelijkt met een slaap, waaruit men bij de opstanding ontwaakt. Uit de woorden van de Heere wordt duidelijk dat niet slechts het lichaam van Lazarus was gestorven, nee de Heere zei duidelijk tot hen: “Lazarus is gestorven”. Toen later de Heere bij het graf stond, riep Hij met luider stem: “Lazarus, kom uit.” En de gestorvene kwam uit. (Joh 11:44-45 SV). Niet “iets van Lazarus” kwam naar buiten, wiens lichaam gestorven was, nee de complete Lazarus werd geroepen, en de complete Lazarus kwam naar buiten.

 

Probeer u eens voor te stellen: Wanneer het zo zou zijn dat bij het sterven van Lazarus zijn ziel naar de hemel was gegaan, en zijn lichaam in het graf lag, dan krijgen we hier wel een hele rare situatie. Dan moest eerst de ziel van Lazarus weer uit de hemel terugkomen, om zich bij het lichaam van Lazarus te voegen, en dan pas kon de complete Lazarus pas opstaan. U merkt wel, dit is een onzinnige on-bijbelse voorstelling van zaken. De gehele mens ligt neder in het stof.

  • Want weldra zal ik nederliggen in het stof; dan zult Gij mij zoeken, maar ik zal niet meer zijn. (Job 7:21).

 

Bij de dood houdt de mens op een levende ziel (= lichaam) te zijn. Het leven verlaat hem. Hij geeft de geest, en is dood en ligt neder in het stof, waar hij in rust. De Bijbel vergelijkt de dood met een slaap. Net zoals iemand die slaapt zich volkomen onbewust is van wat er om hem heen gebeurd, zo weet een dode ook van niets:

  • De levenden weten tenminste, dat zij sterven moeten, maar de doden weten niets.” (Pred 9:5)
  • Alles, wat uw hand vindt om te doen, doe dat met uw macht; want er is geen werk, noch verzinning, noch wetenschap, noch wijsheid in het graf, daar gij heengaat. (Pred 9:10 St Vert).

 

Als de dode daarentegen in werkelijkheid bewust in de onderwereld of in de hel zou zijn, dan zou de Bijbel voortdurend een verkeerd woord gebruiken om daarmee de toestand van de dood te vergelijken. Over Stefanus lezen wij:

  • En zij stenigden Stefanus, die de Here aanriep, zeggende: Here Jezus, ontvang mijn geest. En op de knieën vallende, riep hij met luider stem: Here, reken hun deze zonde niet toe! En met deze woorden ontsliep hij. En Saulus stemde in met zijn terechtstelling. En er ontstond te dien dage een zware vervolging tegen de gemeente te Jeruzalem; en allen werden verstrooid over de streken van Judea en Samaria, met uitzondering van de apostelen. En vrome mannen droegen Stefanus ten grave en bedreven grote rouw over hem.” (Hand 7:59 – 8:2).

 

Stefanus werd gestenigd en gaf de geest. Hij ontsliep. Laten wij er acht op geven dat de vrome mannen niet het “lichaam” (zonder een z.g. ziel) van Stefanus ten grave droegen, nee zij droegen een complete Stefanus ten grave, alleen de levensadem was naar God teruggekeerd. Dit ontslapen komen wij veelvuldig in de Schrift tegen:

  • Vervolgens is Hij verschenen aan meer dan vijfhonderd broeders tegelijk, van wie het merendeel thans nog in leven is, doch sommigen zijn ontslapen.” (1 Kor 15:6).

 

Slaap” wordt uniform door heel het Oude en Nieuwe Testament gebruikt om de toestand in de dood mee te vergelijken. Daarbij wordt de opstanding ook voortdurend vergeleken met het opgewekt worden, het ontwaken uit deze doodsslaap en het opstaan uit het graf.

  • Want al wat aan de dag komt is licht. Daarom zegt Hij: Ontwaak, gij die slaapt, en sta op uit de doden, en Christus zal over u lichten. (Ef 5:14)

 

Het is duidelijk dat “slapen”, “ontwaken” en “opstaan” belangrijke beelden zijn, waarmee de Schrift dood en opstanding vergelijkt. Het geeft ons een juist beeld van de toestand in de dood en wat er werkelijk geschiedt bij de opstanding.

  • Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.” (Dan 12:2).

 

Dergelijke teksten, waarvan er meer voorkomen in de Bijbel, zouden ons door de vertaling op het verkeerde been kunnen zetten. Want hier wordt toch gesproken van “een eeuwig afgrijzen”. Maar het Griekse woord “eeuw” is hier vertaald door eeuwig, in de betekenis van altijddurend. Maar “eeuw” heeft altijd een tijdsbeperking. Het lijkt erop dat de vertalers geen raad hebben geweten met het Hebreeuwse woord “oulm” (= eeuw) omdat ze consequent hebben vertaald met eeuwig, altoosdurend, voor alijd, enz. Terwijl dát er nooit staat. Het woord “oulm” komt in Het Oude Testament 214 keer voor, en nooit is het jammer genoeg met “eeuw” vertaald. Daarom krijgen we ook zulke vreemde uitleggingen omtrent de “eeuwigheid”.

 

Dus letterlijk vertaald staat er in Dan 12:2:

  • Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot het leven van de eeuw, en genen tot versmading, tot het afgrijzen van de eeuw.” En “de eeuw” heeft betrekking op de toekomende eeuw, waarin de opstanding zal plaatsvinden.

 

In het Nieuwe Testament vinden we precies hetzelfde. Daar is het Griekse woord “aioon” consequent vertaald met “eeuwig, of eeuwige”, terwijl aioon gewoon door “eeuw” vertaald had moeten worden. Wanneer we dat toepassen, dan vinden we bijvoorbeeld in Math 25:41 niet dat er sprake is van een “eeuwig vuur”, maar van “het vuur van de eeuw”.

 

Gramaticaal gezien is dit “eeuwig” het bijvoegelijke naamwoord dat van aioon is afgeleid en betekent daarom: gedurende “de eeuw” of gedurende “de eeuwen”.

 

Wanneer we dan Math 25:41 lezen volgens de grondtekst, dan staat er:

  • Dan zal Hij ook tot hen, die aan zijn linkerhand zijn, zeggen: Gaat weg van Mij, gij vervloekten, naar het vuur van de eeuw, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.” (Math 25:41).

 

Dan wordt ook meteen duidelijk dat dat vuur zal branden tijdens die eeuw waarin dat nodig is, namelijk in de toekomende eeuw van ongeveer 1000 jaar. Als eersten worden het beest en de valse profeet daarin gegooid, en op het einde van de 1000 jaar wanneer satan nog een korte tijd zal worden losgelaten uit de put waarin hij gedurende de 1000 zat vastgebonden, zal ook satan in dat vuur verdwijnen:

  • En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden.” (Open 20:10). Ook hier staat in de grondtekst dat zij gepijnigd zullen worden in de eeuw van de eeuwen.

 

Dit was even een uitstapje over de “eeuwen”. Maar voor de duidelijkheid moest het wel even. Maar we waren bezig met de vraag waar de doden zijn. Naar aanleiding van de teksten die we tot dusverre hebben aangehaald is het antwoord: in het graf.

 

O.T. Graf = “sheol”

Het Hebreeuwse woord voor graf is “sheol”, en we vinden dit 65 keer in de grondtekst, waarvan het in de St. Vert. 32 keer is vertaald door “graf”, en 33 keer door “hel. Het moge duidelijk zijn dat de statenvertalers onder invloed van lange traditie twee woorden hebben gebruikt met een tegengestelde betekenis. De ene betekent een plaats van dood en ontbinding, terwijl de andere een plaats aanduidt van voortgaand leven in de hel. We kunnen ons afvragen waarom de vertalers twee woorden hebben gebruikt met een tegengestelde betekenis, terwijl de Schrift duidelijk is waar het “graf” voor staat. Het lijkt erop dat de verdeeldheid bij de vertalers zó groot is geweest, dat ze als compromis hebben besloten om beide partijen hun zin te geven, en beide vertalingen eenzelfde aantal keren te gebruiken.

 

Dat “sheol” het persoonlijke graf is, blijkt duidelijk uit vele schriftplaatsen, waarvan we er enkele noemen:

  • Toen de zonen van Jacob het bebloedde kleed van Jozef brachten was Jacob ontroostbaar, we lezen dan: “En al zijn zonen, en al zijn dochteren maakten zich op, om hem te troosten; maar hij weigerde zich te laten troosten, en zeide: Want ik zal, rouw bedrijvende, tot mijn zoon in het graf (=sheol) nederdalen. Alzo beweende hem zijn vader.” (Gen 37:35 SV).
  • Zo zal het geschieden, als hij ziet, dat de jongeling er niet is, dat hij sterven zal; en uw knechten zullen de grauwe haren van uw knecht, onzen vader, met droefenis ten grave (=sheol) doen nederdalen.” (Gen 44:31 SV).
  • Alzo ligt de mens neder, en staat niet op; totdat de hemelen niet meer zijn, zullen zij niet opwaken, noch uit hun slaap opgewekt worden. Och, of Gij mij in het graf (=sheol) verstaakt, mij verborgt, totdat Uw toorn zich afkeerde; dat Gij mij een bepaling steldet, en mijner gedachtig waart! Als een man gestorven is, zal hij weder leven? Ik zou al de dagen mijns strijds hopen, totdat mijn verandering komen zou.” (Job 14:12-14)
  • Zo ik wacht, het graf (=sheol) zal mijn huis wezen; in de duisternis zal ik mijn bed spreiden. Tot de groeve roep ik: Gij zijt mijn vader! Tot het gewormte: Mijn moeder, en mijn zuster! Waar zou dan nu mijn verwachting wezen? Ja, mijn verwachting, wie zal ze aanschouwen? Zij zullen ondervaren met de handbomen des grafs (=sheol), als er rust te zamen in het stof wezen zal.” (Job 17:13-16 SV). We zien hier dat de “sheol” de plaats is waar de doden hun laatste rustplaats innemen, Job spreid hier zijn bed in de duisternis van het graf.

 

Een tekst die in de St. Vert. en de NBG verschillend is vertaald, en daardoor verwarring geeft, is Psalm 49”

  • St. Vert: “Hun binnenste gedachte is, dat hun huizen zullen zijn in eeuwigheid, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen. De mens nochtans, die in waarde is, blijft niet; hij wordt gelijk als de beesten, die vergaan. Deze hun weg is een dwaasheid van hen; nochtans hebben hun nakomelingen een welbehagen in hun woorden. Men zet hen als schapen in het graf, de dood zal hen afweiden; en de oprechten zullen over hen heersen in dien morgenstond; en het graf zal hun gedaante verslijten, elk uit zijn woning. Maar God zal mijn ziel van het geweld des grafs verlossen, want Hij zal mij opnemen. (Ps 49:12-16 NBG).
  • NBG: “Hun diepste gedachte is, dat hun huizen altoos zullen bestaan, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen. Maar de mens met al zijn praal houdt geen stand; hij is gelijk aan de beesten, die vergaan. Dit is het lot van hen die op zichzelf vertrouwen, het einde van wie behagen scheppen in hun eigen woorden. Als schapen zinken zij in het dodenrijk, de dood weidt hen; de oprechten heersen over hen in de morgenstond; hun gedaante moet in het dodenrijk vergaan, zodat zij geen woning meer heeft. Maar God zal mijn leven verlossen uit de macht van het dodenrijk, want Hij zal mij opnemen.” (Ps 49:12-16 NBG).

 

De St. Vert. geeft aan in vers 13 dat de mens net als het dier zal vergaan tot stof. Verder lezen we in vers 15, dat hun lichaam in het graf zal verteren. Maar in vers 16 lezen we dat God de mens uit zijn graf zal verlossen, en de mens zal opnemen in Zijn heerlijkheid.

 

De NBG maakt het ingewikkelder, die spreekt tot drie keer toe over “dodenrijk”, waar in de grondtekst “sheol” staat. Dit is tegenstrijdig, want wanneer men van de gedachte uitgaat dat het dodenrijk uit twee delen bestaat waar men bewust is van de dingen om zich heen, denk maar aan de rijke man die aan Lazarus vroeg om een druppel water, want hij leed pijn, dan klopt de tekst uit Ps 49 niet meer, want daar is sprake van een vergaan en verteren van het lichaam.

 

Nog enkele teksten:

  • Want het lot der mensenkinderen is gelijk het lot der dieren, ja, eenzelfde lot treft hen: gelijk dezen sterven, zo sterven genen, en allen hebben enerlei adem, waarbij de mens niets voor heeft boven de dieren; want alles is ijdelheid, 20 Zij gaan allen naar één plaats; zij zijn allen uit het stof, en zij keren allen weder tot het stof. 20 alles gaat naar één plaats, alles is geworden uit stof, en alles keert weder tot stof.” (Pred 3:20)
  • Doch Ik zal hen van het geweld der hel verlossen, Ik zal ze vrijmaken van den dood: dood! waar zijn uw pestilentiën? hel! waar is uw verderf? Berouw zal van Mijn ogen verborgen zijn.” (Hosea 13:14 SV). Dezelfde tekst in de NBG: “Zou Ik hen uit de macht van het dodenrijk bevrijden, van de dood loskopen? Dood, waar zijn uw pestziekten, dodenrijk, waar is uw verderf? Mijn oog kent geen medelijden.”

 

Wanneer we in deze tekst gewoon vertalen wat er in de grondtekst staat, namelijk “graf” in plaats van “dodenrijk”, dan is er geen verwarring over “hel” of “dodenrijk”, want dan staat er dat God Israël van de banden des doods uit het stof zal doen ontwaken, omdat de dood is overwonnen. 1 Kor 15:54-55 maakt dit ook duidelijk:

  • En wanneer dit verderfelijke zal onverderfelijkheid aangedaan hebben, en dit sterfelijke zal onsterfelijkheid aangedaan hebben, alsdan zal het woord geschieden, dat geschreven is: De dood is verslonden tot overwinning. Dood, waar is uw prikkel? Hel, waar is uw overwinning? Om hier “hel” te vertalen is ver bezijden de context, omdat de Heere Jezus niet de “hel”, maar de dood en het graf heeft overwonnen!

 

De NBG vertaling gebruikt noch “hel” noch “graf”, maar vertaald consequent overal dodenrijk. De NBG schept met de vertaling van dit woord wel het idee dat er een rijk der doden zou zijn, een soort onderwereld, waar geregeerd wordt. Maar dit zijn heidense voorstellingen, die vreemd zijn aan de Bijbel. Als wij erop vertrouwen dat een Job, Mozes, David en Salomo de waarheid over de dood hebben geschreven, dan is er geen enkele noodzaak om waar dan ook in de Schrift af te wijken van de vertaling van “sheol” met “graf”. En dit geldt ook voor het Griekse woord “hades”, zoals wij in het vervolg zullen zien.

 

Deel 28 volgt DV.

Bert Boersma Oktober 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 28)

We waren bezig met de vraag “Waar zijn de doden?” En aan de hand van teksten uit het Oude Testament hebben we gezien dat de doden in het graf (sheol) zijn. We gaan nu zien wat het Nieuwe Testament ons in dezen wil zeggen. In het N.T. vinden we in de grondtekst in het Grieks het woord “hades”, wat eigenlijk vertaald had moeten worden met “graf”, maar wat echter niet is gebeurd.

 

N.T. Het Graf

We komen in het Grieks verschillende woorden tegen die in onze bijbel door “graf worden vertaald, zo komen we de woorden “taphos” tegen, en ook “mnemeion” komen we in nogal wat teksten tegen. Wanneer we al teksten bestuderen, dan ontdekken we dat deze beide woorden steeds te maken hebben met de plaats waar de dode werd begraven. En meestal gaat het om een leeg graf. Een voorbeeld:

  • En leide dat in zijn nieuw graf (mnemeion), hetwelk hij in een steenrots uitgehouwen had; en een groten steen tegen de deur des grafs (mnemeiou) gewenteld hebbende, ging hij weg.” (Math 27:60)

 

Deze beide woorden zijn voor ons onderzoek “waar zijn de doden” van minder belang, maar voor de bijbelonderzoeker geef ik toch maar even de teksten waar we deze woorden vinden: Math 27:61, Math 27:64, Math 27:66, Math 28:1, Math 28:8, Mar 6:29, Mar 15:46, Mar 16:2, Mar 16:5, Mar 16:8, Luk 23:53, Luk 23:55, Luk 24:1, Luk 24:2, Luk 24:9, Luk 24:12 ,

Luk 24:22, Luk 24:24, Joh 11:17, Joh 11:31, Joh 11:38, Joh 12:17, Joh 19:41, Joh 19:42, Joh 20:1, Joh 20:2, Joh 20:3, Joh 20:4, Joh 20:6, Joh 20:8, Joh 20:11, Hand 2:29, Hand 7:16,

Hand 13:29, en tot slot Rom 3:13.

 

Het Graf = “Hades” = Dodenrijk of Hel?

In het Oude Testament kwamen we voor “graf” het woord “sheol” tegen. Het Griekse equivalent voor het Hebreeuwse woord “sheol” is “hades”, we vinden, ter vergelijking, onderstaande tekst in zowel het Oude als het Nieuwe Testament:

  • Oude Testament: “Want Gij zult mijn ziel in de hel (grondtekst = sheol = graf) niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.” (Ps 16:10 S.V.)
  • Nieuwe Testament: “Want Gij zult mijn ziel in de hel (grondtekst = hades = graf) niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.” (Hand 2:27 S.V.) (tekst wordt hieronder verder uitgewerkt)

 

Hades” komt 10 keer voor in het Nieuwe Testament. De Staten Vertaling vertaalt “hades” overal door hel, en de NBG overal door dodenrijk. Beide vertalingen geven niet de werkelijkheid weer, en zetten de argeloze lezer op het verkeerde been. De Staten Vertaling geeft het idee dat er een “hel” zou bestaan, en de NBG geeft “hades” helaas de betekenis van de Griekse mythologische onderwereld, het z.g. “dodenrijk”.

 

In de Griekse godenleer was de hades de onderwereld van Pluto, waar ontelbare zielen van gestorvenen in zijn rijk ronddwaalden. Als je eenmaal de Styx, een rivier tussen de onderwereld en de bovenwereld was overgezet door de veerman Charon, kon je nooit meer terug, want de hellehond Kerberos bewaakte de toegang. Dit is echter de heidense voorstelling van de “hades”, en niet de bijbelse. Daarom spreekt de Heere Jezus ook tegen de Farizeeën op een veroordelende manier in Lukas 16 over deze dingen betreffende een “dodenrijk”.

 

We zullen zien dat net bij “sheol” de “hades” het graf voorstelt, zowel in de betekenis van de letterlijke grafplaats, als in de betekenis van de verzamelnaam van alle graven. Wanneer we “hades” door graf vertalen, komen de teksten veel meer tot zijn recht, zeker als in de context over de opstanding gesproken wordt. De opstanding volgt immers op het graf. Om echt te zien of deze dingen zo zijn, is het nodig om alle teksten te bestuderen.

Hieronder volgen de 10 teksten waar in de grondtekst “hades” staat. Ter vergelijking worden de teksten zowel in de Staten Vertaling als in de NBG weergegeven:

 

De eerste tekst met “hades”:

  • Math 11:23: NBG: “En gij, Kafarnaüm, zult gij tot de hemel verheven worden? Tot het dodenrijk (grondtekst = hades = graf)) zult gij nederdalen; want indien in Sodom de krachten waren geschied, die in u geschied zijn, het zou gebleven zijn tot de dag van heden.”
  • Math 11:23: St Vert: “En gij, Kapérnaüm! die tot den hemel toe zijt verhoogd, gij zult tot de hel (grondtekst = hades = graf) toe nedergestoten worden. Want zo in Sódom die krachten waren geschied, die in u geschied zijn, zij zouden tot op den huidigen dag gebleven zijn.”

 

De stad Kafarnaüm wordt hier eigenlijk door de Heere Jezus veroordeeld, omdat haar inwoners zich niet hebben bekeerd. Hij veroordeelt hen tot het graf. Hoe zouden de inwoners van Kafarnaüm tot de “hel” of tot een z.g. “dodenrijk” veroordeeld kunnen worden zonder enig oordeel bij een toekomstige opstanding? De inwoners zijn niet naar de “hel” gegaan, want dat zou dan op de oordeelsdag nog blijken. Hun onbekeerbaarheid had echter wel grote gevolgen. We weten dat het loon der zonde de dood is, en dat wie de Zoon heeft, het leven heeft, maar wie de Zoon niet heeft, heeft het leven niet. De inwoners van Kapernaum hebben geen deel aan de opstanding ten leven, maar aan de opstanding ten oordeel. En dan pas, bij die opstanding in de toekomst volgt er een oordeel. Tot die tijd zullen de inwoners in het graf nederdalen. Maar de Heere waarschuwde hen nu al voor het oordeel, en het is dan ook niet vreemd dat de Heere hen hiervoor waarschuwde.

 

De tweede tekst met “hades”:

Hier kunnen we kort over zijn, want deze tekst, Lukas 10:15 is identiek aan voorgaande tekst. Math 11:23.

 

De derde tekst met “hades”: 

  • Math 16:18: NBG: “En Ik zeg u, dat gij Petrus zijt, en op deze petra zal Ik mijn gemeente bouwen en de poorten van het dodenrijk (grondtekst = hades = graf) zullen haar niet overweldigen.”
  • Math 16:18 St.Vert: :”En Ik zeg u ook, dat gij zijt Petrus, en op deze petra zal Ik Mijn gemeente bouwen, en de poorten der hel (grondtekst = hades = graf) zullen dezelve niet overweldigen.”

 

In deze tekst is er sprake van, dat op de “Petra”, de “rots” Petrus, de gemeente zal worden gebouwd. We weten dat dit in de Handelingen tijd is gebeurd, en dit betreft de gemeente van eerstgeborenen, die in de Handelingen tijd is gevormd doordat zij de Heere Jezus als de Christus, de opgestane, hebben aangenomen. Dat blijkt teven uit de context van Math 16, die uitgebreid handelt over de rol van Petrus in de verkondiging van het evangelie van het Koninkrijk der hemelen. Dat blijkt tevens uit het volgende vers, Math 16:19: “En Ik zal u geven de sleutelen van het Koninkrijk der hemelen; en zo wat gij zult binden op de aarde, zal in de hemelen gebonden zijn; en zo wat gij ontbinden zult op de aarde, zal in de hemelen ontbonden zijn.”

 

Petrus kreeg hier de sleutels waarmee hij kon binden en ontbinden betreffende het ingaan in het Koninkrijk. Dit heeft nauwe directe relatie met de opstandings-morgen, waarmee het Koninkrijk op aarde immers begint. Wie gebonden is, blijft in zijn graf, voor hem blijft de poort van het graf gesloten. Hij gaat het Koninkrijk der hemelen niet binnen, maar blijft achter in het graf in het stof der aarde tot het oordeel voor de grote witte troon. (Openb 20:11-15). Wie “ontbonden” is, staat op. Voor hem/haar gaat de poort van het graf open, en hij/zij komt in het Koninkrijk der hemelen.

 

In deze derde tekst, Math 16:18 spreekt de Heere Jezus de belofte uit dat de gesloten poorten van het graf Zijn gemeente (van eerstgeborenen) niet zullen kunnen tegenhouden op de opstandingsdag, en dat zij die opstaan, door de geopende poort van het graf naar buiten zullen komen. Dit op grond van het volbrachte werk van Christus, die dood en graf (hades) heeft overwonnen!

 

De Heere Jezus spreekt hier in Mat 16:18 op dezelfde wijze als Hiskia over de poorten van het graf. Wonderlijk genoeg vertaald de S.V. dáár wel met “graf”, waarom dan in Mat 16:18 met “hel”? Dit geeft eigenlijk aan dat de Statenvertalers af en toe geen raad wisten met het Hebreeuwse woord “sheol”, en in dit geval konden de vertalers het toch niet maken dat de gelovige koning Hizkia naar de poorten van de hel zou gaan.

  • In Jesaja zegt Hiskia: “Dit is het schrift van Hizkía, koning van Juda, toen hij ziek geweest en van zijn ziekte genezen was. Ik zeide: Vanwege de afsnijding mijner dagen, zal ik tot de poorten des grafs (= sheol) heengaan, ik word beroofd van het overige mijner jaren.”(Jes 38:9-10 SV).

 

Figuurlijk wordt de overweldigende macht van het graf hier uitgebeeld in de vorm van het open en dicht gaan van een poort. Maar de poorten van het graf, die zich zo stevig gesloten hebben, zullen niet voor altijd gesloten blijven. Zij zullen geopend worden door Hem, Die de banden des doods brak. Het graf kon Hem niet houden, toen God naar de werking van de sterkte Zijner macht de overweldigende grote opstandingskracht in Christus openbaarde, door Hem uit de doden op te wekken, en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten (Ef 1:19-20). Christus zelf zal, als Hij wederkomt, de poorten van het graf openen, want Hij is degene, Die in het bezit is van de sleutels. En hiermee zijn we aangekomen bij de vierde tekst:

 

De vierde tekst met “hades”:

  • Open 1:17-18 NBG: “En toen ik Hem zag, viel ik als dood voor zijn voeten; en Hij legde zijn rechterhand op mij en zeide: Wees niet bevreesd, Ik ben de eerste en de laatste, en de levende, en Ik ben dood geweest, en zie, Ik ben levend tot in alle eeuwigheden, en Ik heb de sleutels van de dood en het dodenrijk. (gr.tekst = hades = graf)”
  • Open 1:17-18 St Vert: “En toen ik Hem zag, viel ik als dood aan Zijn voeten; en Hij legde Zijn rechterhand op mij, zeggende tot mij: Vrees niet; Ik ben de Eerste en de Laatste; En Die leef, en Ik ben dood geweest; en zie, Ik ben levend in alle eeuwigheid. Amen. En Ik heb de sleutels der hel (grondtekst = hades = graf) en des doods.”

 

Wanneer we deze tekst proberen te verstaan vanuit de overgeleverde traditie, dan kan niemand dit begrijpen, want beide vertalingen getuigen van een onmiddellijk oordeel over de gestorvene, zodra hij sterft. De NBG spreekt van dood en dodenrijk, en de St.Vert. spreekt van hel en dood.

Maar Christus maakt Zich hier aan de apostel Johannes bekend als de Opgestane, maar ook spoedig wederkomende Christus. Zo begint het bijbelboek “Openbaring van Jezus Christus”, waarin Christus aan Johannes openbaart wat er in de laatste dagen zal geschieden voordat Hij wederkomt. Maar Hij verzekert Johannes van het feit, dat Hij dood is geweest, maar dat Hij nu leeft, en dat Hij de sleutels van de dood en van het graf heeft. Dit impliceert dat Hij spoedig deze sleutels zal gebruiken om Zijn belofte in te lossen, namelijk dat Hij de graven (niet het dodenrijk of de hel) zal openen, en allen van de ketenen van de dood zal bevrijden. Dan zal men gewekt worden en ontwaken. Dan zullen de gelovigen in een onvergankelijk lichaam uit het graf opstaan.

  • En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning. Dood, waar is uw prikkel? De prikkel des doods is de zonde en dekracht der zonde is de wet. Maar Gode zij dank, die ons de overwinning geeft door onze Here Jezus Christus. Daarom, mijn geliefde broeders, weest standvastig, onwankelbaar, te allen tijde overvloedig in het werk des Heren, wetende, dat uw arbeid niet vergeefs is in de Here. (1 Kor 15:54-58)

 

De opstanding in een onvergankelijk onsterfelijk lichaam (voor de gelovigen) is de grote triomph over het graf. Het is de dag waar Job al naar uitkeek:

  • Maar ik weet: mijn Losser leeft, en ten laatste zal Hij op het stof optreden. Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen. (Job 19:25-26)

 

Wanneer Christus wederkomt zal Hij “op het stof”, dat is op de aarde, optreden. De aarde waar Job in het stof ligt te rusten. Job weet dat zijn huid, zijn hele lichaam in het stof zal ontbinden, geheel zal vergaan, maar toch is hij er absoluut van overtuigd, dat hij uit zijn vlees met zijn eigen ogen met een onvergankelijk lichaam zal opstaan, en zijn God zal aanschouwen, want hij weet: “Mijn Verlosser LEEFT!”

 

De vijfde tekst met “hades”:

  • Hand 2:27 NBG: “Omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk (grondtekst = hades = graf) zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien.
  • Hand 2:27 St.Vert: “Want Gij zult mijn ziel in de hel (grondtekst = hades = graf) niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.

 

Voor de duidelijkheid het hele gedeelte uit Hand 2:

  • Omdat Gij mijn ziel niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien. Gij hebt mij wegen ten leven doen kennen; Gij zult mij vervullen met verheuging voor uw aangezicht. Mannen broeders, men mag vrijuit tot u zeggen van de aartsvader David, dat hij èn gestorven èn begraven is, en zijn graf is bij ons tot op deze dag. Daar hij nu een profeet was en wist, dat God hem onder ede gezworen had een uit de vrucht zijner lendenen op zijn troon te doen zitten, heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij (= Christus) niet aan het dodenrijk (St.Vert “hel”) is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien.” (Hand 2:27-31). Hieruit kunnen we duidelijk zien dat ook Petrus de “hades” beschouwde als het “graf”.

 

Normaal ondergaat ieder mens ontbinding in het graf, maar Petrus vestigt nu juist onze aandacht op het feit dat het lichaam van Christus geen ontbinding heeft gezien. Dit beeld gaat helemaal verloren als wij hier in de twee teksten de “hel” gaan invoeren.

Dat Christus in het graf geen ontbinding heeft gezien, onderstreept ook Paulus nog eens in Hand 13:35-38:

  • En daarom zegt Hij ook in een andere psalm: Gij zult uw Heilige geen ontbinding doen zien. Want David is, na voor zijn geslacht de raad Gods gediend te hebben, ontslapen en bij zijn vaderen bijgezet, en hij heeft wèl ontbinding gezien; maar Hij, die God heeft opgewekt, heeft geen ontbinding gezien. Zo zij u dan bekend, mannen broeders, dat door Hem u vergeving van zonden verkondigd wordt.”

 

Wanneer wij uitgaan van de vertaling van “hades” met de “hel” inplaats van met het “graf” in Hand 2:25-28, dan geeft dit voor de traditionele opvattingen grote problemen. Uit Hand 2:27 volgt dan dus dat de Heere blijkbaar niet verlaten was in de “hel”, maar David blijkt daar zelfs tot nu toe te verblijven, “Want David is niet opgevaren naar de hemelen,” zegt Petrus (Hand 2:34).

Dit is een gevoelige klap voor de traditie, want die wil dat David's ziel naar de hemel is gegaan. Volgens de christelijke dogmatiek verlaat de ziel het lichaam bij het sterven en gaat hij rechtstreeks naar de hemel. Nu is dat met David's ziel blijkbaar niet gebeurd, want David zegt: “Want Gij zult mijn ziel in de hades (St.Vert. “hel”) niet verlaten” (Ps 16:10). David ging dus naar eigen zeggen naar de hades en niet naar de hemel. Van de leer nu dat zielen juichen voor Gods troon, of dat lichaamloze zielen bevorderd zijn tot heerlijkheid, blijft dus niet veel meer over.

 

En het wordt zelfs nog pijnlijker, want het feit, dat David niet is opgevaren naar de hemel, maar dat hij ligt in zijn graf, stelde Petrus vast op de pinksterdag in Hand 2:34. In veel evangelische kringen wordt geleerd dat Christus bij zijn opstanding en hemelvaart het rechtvaardige deel uit het “dodenrijk”, uit de “hel” heeft verlost, en deze zielen heeft overgebracht naar het paradijs, cq de hemel. Maar als David niet is opgevaren, dan is zijn ziel, die men voor de eigenlijke David houdt, niet bij God. En indien zelfs ná de hemelvaart van Christus David nog niet opgevaren is, dan is dat zeker met de andere Oud- Testamentische gelovigen ook nog niet het geval. Bemerkt u, dat de leer van de traditie onhoudbaar, ja zelfs onbijbels is?

 

Zonder een opstanding én een opstandingslichaam is het ook onmogelijk om op te staan! David's ziel is inderdaad niet juichend voor Gods troon, want David heeft helemaal geen lichaamloze ziel die, óf in de hemel, óf in het dodenrijk, óf in de hel zou rondzwerven. David is een ziel, een lichaam, en dat complete lichaam rust nu in het graf, totdat de opstandingsmorgen voor David aanbreekt, en hij uit zijn graf geroepen wordt in een onvergankelijk lichaam. En zo zal het ook met al die andere gelovigen uit het Oude Testament gaan. Zij liggen te rusten in het graf (Hebreeuws = sheol of Grieks = hades), totdat de hemelen niet meer zijn. (Job 14:12). Dit was ook zo aan Daniël beloofd. (Dan 12:13).

(NB over “de ziel” volgt nog een uitvoerige uitleg in één van de volgende delen).

 

De zesde tekst met “hades”:

  • Hand 2:31 St.Vert.: “Zo heeft hij, dit voorziende, gesproken van de opstanding van Christus, dat Zijn ziel niet is verlaten in de hel (grondtekst = hades = graf), noch Zijn vlees verderving heeft gezien.”
  • Hand 2:31 NBG: “Heeft hij in de toekomst gezien en gesproken van de opstanding van de Christus, dat Hij niet aan het dodenrijk (grondtekst = hades = graf) is overgelaten, noch zijn vlees ontbinding heeft gezien.” (deze tekst is boven reeds behandeld)

 

De laatste keren dat we “hades” in het N.T. in de grondtekst tegenkomen is in Openbaring. Een van de redenen waarom het boek Openbaring niet eenvoudig is te verstaan, is dat we moeten proberen de werkelijkheid van de symboliek te scheiden, we moeten proberen door de visionaire beelden de letterlijke realiteit te zien. In deze laatste teksten treden voortdurend de “Dood” en het “Graf” als twee personen, als twee toneelspelers op.

 

De zevende tekst met “hades”:

  • Openb 6:8 NBG: “En ik zag, en zie, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was [de] dood, en het dodenrijk (grondtekst = hades = graf) volgde achter hem. En hun werd macht gegeven over het vierde deel der aarde om te doden, met het zwaard, met de honger, met de zwarte dood en door de wilde dieren der aarde.”
  • Openb 6:8 St.Vert.: “En ik zag, en ziet, een vaal paard, en die daarop zat, zijn naam was de dood; en de hel (grondtekst = hades = graf) volgde hem na. En hun werd macht gegeven om te doden tot het vierde deel der aarde, met zwaard, en met honger, en met den dood, en door de wilde beesten der aarde.”

 

De “dood” en het “graf” worden hier als personen voorgesteld. Ze zaaien dood en verderf tijdens de grote verdrukking. Het is logisch dat de dood wordt gevolgd door het graf (hades), want zodra men sterft van de honger, of door het zwaard, of door ziekte, wordt men begraven in een graf. Hier “hades” met “hel” vertalen, verstoort het hele beeld.

In Openbaring 20 zien wij de twee weer als “personen” optreden:

 

De achtste tekst met “hades”:

  • Openb 20:13 NBG: “En de zee gaf de doden, die in haar waren, en de dood en het dodenrijk (grondtekst = hades = graf) gaven de doden, die in hen waren, en zij werden geoordeeld, een ieder naar zijn werken.”
  • Openb 20:13 St.Vert.: “En de zee gaf de doden, die in haar waren; en de dood en de hel (grondtekst = hades = graf) gaven de doden, die in hen waren; en zij werden geoordeeld, een iegelijk naar hun werken.”

 

Nu is er nog een derde “persoon” bijgekomen, de Zee. Alle drie, zowel de Dood als het Graf (hades) als de Zee moeten de doden geven die in hen zijn. Deze tekst is overigens een sterk bewijs dat de doden niet in de hemel of in de hel zijn, maar dat ze zijn:

  • In de Zee, omdat ze daar verdronken zijn, of
  • In het graf omdat ze daar begraven zijn, of
  • In de dood, omdat ze geen graf of zeemansgraf hebben, maar zijn verongelukt, verbrand, vermist, enz.

 

Hierbij nog opgemerkt, dat de St. Vert. zegt dat de “hel” de doden geeft, en dat ze daarna nog zouden moeten worden geoordeeld. Wat we ons dan moeten afvragen: Hoe zijn deze mensen zonder oordeel in de “hel” gekomen? U ziet, dat “hades” door “hel” vertalen de grootste verwarring en misvatting geeft.

 

Alle doden, of ze nu in een graf, of een zeemansgraf, of vermist zijn, ze zijn allen wedergekeerd tot stof, en al deze doden staan op en worden geoordeeld. Hoe, wie en wanneer, voert nu even te ver, maar wat we wel ontdekken in het volgende vers, Openb 20:14, is, dat de twee “hoofdrolspelers, “de dood” en “het graf” voorgoed worden uitgeschakeld:

 

De negende tekst met “hades”:

  • Open 20:14 NBG: “En de dood en het dodenrijk (grondtekst = hades = graf) werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs.”
  • Openb 20:14 St.Vert.: “En de dood en de hel (grondtekst = hades = graf) werden geworpen in den poel des vuurs; dit is de tweede dood.”

 

Ook de derde hoofdrolspeler wordt uitgeschakeld, want we lezen direct daarna in Open 21:1: “En de zee was niet meer.”

 

Uiteindelijk worden hier de vijanden van de mens, de dood en het graf definitief overwonnen, en zelfs zijn weggedaan, zoals al in Hosea 13:4 en 1 Kor 15:15 voorzegd was. In de nieuwe schepping hebben zij geen enkele rol meer. In de poel des vuurs wordt de dood teniet gedaan (1 Kor 15:26), én het graf, dat hem navolgt. Dit is het permanente einde van de dood en het graf, de “sheol” of de “hades”.

 

Na het zinnebeeldig werpen van de gevolgen van de zonde, “de dood en het graf” in de poel des vuurs, zal er niemand meer sterven, en ten grave worden gedragen. Ook zal er niemand meer uit het graf opstaan, want het graf is niet meer. De opstanding(en) is (zijn) definitief voorbij, en al diegenen die bijvoorbeeld niet van Adam's geslacht zijn, zoals het geslacht van de slang, “de Rephaïm”, “de Gibbors”, zoals de engelen die hun woonstede verlaten hebben, “de nephilim” (2 Petr 2:4, en Hebr 2:16), zoals ook satan en zijn trawanten (Open 20:10), en ook allen wier naam niet gevonden werd in het boek des levens (Open 20:15), over hen allen sluiten de poorten van de tweede dood zich definitief en zij worden nooit meer gevonden.

 

Tot dusver hebben we dus gezien dat de mens bij het sterven niet naar de hel of naar een soort onderwereld gaat, maar dat de mens die sterft naar het graf gaat.Ieder mens keert weder tot het stof der aarde, waarin hij rust. We zien in het graf de afschuwelijke werkelijkheid van de dood, en hoe verschrikkelijk verwoestend het eindresultaat is van het loon der zonde: de dood. De mens verteert en vergaat tot stof.

 

Het is niet moeilijk om in te zien dat “het graf” de juiste vertaling is van alle tekstplaatsen waar in de grondtekst “sheol” of “hades” staat. Heel consequent wordt in het Woord de “sheol/hades” beschreven als het graf, waar de doden, die niets weten, vergaan tot stof.

 

De “sheol” of de “hades” is niet de hel of de onderwereld, waar miljoenen lichaamloze zielen bewust vertoeven, of waar verdoemden al reeds voor hun boosheid worden gestraft (zonder oordeel?) en gepijnigd. Deze voorstelling van de sheol, die de Joden na hun ballingschap uit Babel mee terugnamen, en waar de Farizeeën heilig in geloofden, vormt de kern van een dispuut, een parodie van de Heere Jezus in Lukas 16 tegen de Farizeeërs. Het is jammer dat zoveel christenen, net als de Farieeën deze Babylonische leugen geloven.

 

We zullen in het volgende deel (29) zien dat deze heidense onderwereld niet bestaat, en dat de “hades” net als de “sheol” het graf is, de plaats, waar de maden en het gewormte de mens tot stof laat wederkeren. En dat is dan ook de tiende tekst waar we “hades tegenkomen, in Lukas 16:23, wat handelt over de rijke man en de arme Lazarus.

 

Misschien vraagt u zich inmiddels af wat deze bijbelstudies nog te maken heeft met het onderwerp “Hem Kennen”, maar al deze studies werken mee om Hem te leren kennen, want zo ontdekken we dat de Bijbel helemaal niet spreekt over een “hel”, ja zelfs niet spreekt over het bestaan van een hel van eeuwigdurende pijniging, maar dat we een rechtvaardige God hebben, die na een opstanding uit het graf (hades) de mens rechtvaardig zal oordelen.

Dit betekent niet dat ieder mens verlost zal worden, maar daarover een volgende keer.

  • "En zoals het de mensen beschikt is, éénmaal te sterven en daarna het oordeel, zo zal ook Christus, nadat Hij Zich éénmaal geofferd heeft om veler zonden op Zich te nemen, ten tweeden male zonder zonde aanschouwd worden door hen, die Hem tot hun heil verwachten.” (Hebr 9:27-28)

 

 Deel 29 volgt DV

 Bert Boersma oktober 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 29)

De tiende tekst met “hades”:

Voor wat betreft het onderwerp “waar zijn de doden”, moesten we nog één tekst behandelen, waar we het Griekse woord “hades” in de grondtekst tegenkomen:

  • Luk 16:23 NBG: “Ook de rijke stierf en hij werd begraven. En toen hij in het dodenrijk(grondtekst = hades = graf) zijn ogen opsloeg onder de pijnigingen, zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot.”
  • Luk 16:23 St.Vert.: “En de rijke stierf ook, en werd begraven. En als hij in de hel (grondtekst = hades = graf) zijn ogen ophief, zijnde in de pijn, zag hij Abraham van verre, en Lázarus in zijn schoot.”

 

In Lukas 19-31 lezen we over de rijke man en de arme Lazarus. Om deze tekst goed te plaatsen en te begrijpen is het van belang te weten tot wie de Heere hier sprak, en waarom hij deze woorden sprak. Dit gedeelte uit het Woord wordt bijna altijd gezien als een apart verhaal van de Heere, waarin Hij ontsluiert hoe het na de dood zal zijn. Het wordt zodoende los gezien van de rest van wat er verder geschreven staat in Lukas. En dát is nou juist de fout die velen maken, want de Heere houdt hier één lange redevoering tegen verschillende groepen toehoorders. Die “rede” begint al in Lukas 14:25, en gaat door tot Lukas 17:10.

Wij hebben de Bijbel in hoofdstukken ingedeeld, en vaak boven bepaalde stukken eigen titels toegevoegd. Maar in de grondtekst is dit niet het geval, en gaat de hele tekst zonder indeling en onderbreking in één stuk door. En de sleutel tot het verstaan van Lukas 16:19-31 ligt juist in datgene wat er omheen geschreven staat. Zo zien we dat het vanaf Lukas 14:25 één rede is, waarbij de Heere niet van plaats veranderd.

 

In het eerste deel van Zijn rede richt de Heere Jezus zich tot de scharen: “Vele scharen reisden met Hem mede, en Zich omkerende zeide Hij tot hen.” (Luk 14:25-35).

 

Het tweede deel richt de Heere tot de tollenaars en zondaars, zij schijnen meer te willen horen: “Al de tollenaars nu en de zondaars plachten tot Hem te komen om naar Hem te horen. En de Farizeeën en de schriftgeleerden morden en spraken:

  • Deze ontvangt zondaars en eet met hen.” (Luk. 15:1-2).

 

En dát is de aanleiding dat de Heere begint te spreken, want in Luk 15:3 lezen we: En Hij sprak “deze gelijkenis” tot hen en zeide: En dan vertelt de Heere verschillende zaken die uiteindelijk één thema behandelen, namelijk de verhouding en de innerlijke gesteldheid van Farizeeërs en tollenaars ten opzichte van het Woord, dus eigenlijk hun innerlijke gesteldheid ten opzichte van diegene die tot hen sprak, de Heere Jezus, Christus. Het is erg belangrijk, dat we dat onderscheiden.

 

Deze gelijkenis”, die begint in Luk 15:3 omvat verschillende delen. De vertaling en toegevoegde titels van de NBG doen het voorkomen alsof het verschillende gelijkenissen zijn, maar dat zegt de Bijbel niet. In de NBG staat boven de verschillende verhalen zelf verzonnen titels, zoals “De gelijkenis van het verloren schaap en de verloren penning”, en “De gelijkenis van de verloren zoon” en “De gelijkenis van de onrechtvaardige rentmeester”. (St. Vert. zet deze titels er niet boven). En dan zouden we denken dat ze dan ook doorgaan met “de gelijkenis” van “De rijke man en de arme Lazarus), maar dat doen de vertalers dan weer niet, want dat moet blijkbaar een echte realiteit weergeven, en kan daarom geen gelijkenis worden genoemd?

Hoe het ook zij, al die opschriften zijn toegevoegd, en komen dus in de grondtekst niet voor, en uit de context blijkt, dat de Heere Jezus één gelijkenis vertelde met verschillende voorbeelden, waarbij uiteindelijk in alle voorbeelden de handel en wandel van de Farizeeën aan de kaak werd gesteld, inclusief hun valse heidense leer ten opzichte van het z.g dodenrijk.

 

Deze gelijkenis" omvat vijf delen:

  • Deel I van "deze gelijkenis" (Honderd schapen), en handelt over het verloren schaap.
  • Deel II van "deze gelijkenis" (tien schellingen), en handelt over de verloren penning.
  • Deel III van "deze gelijkenis" (De verloren zoon)
  • Deel IV van "deze gelijkenis" (de rentmeester)
  • Deel V van "deze gelijkenis", dit deel is over de rijke man en de arme Lazarus

Resultaat: De Farizeeën bleven bewust horende doof en ziende blind.

 

In Luk. 16:1 richt de Heere zich tot de discipelen maar in wezen stelt Hij indringend de handelwijze van de Farizeeën aan de kaak, die erbij stonden te luisteren, of ze Hem ook (in hun ogen) op “valse leer” konden betrappen. Vooral Luk 16:10 is zeer sprekend :

  • En Ik zeg u: Maakt u vrienden met behulp van de onrechtvaardige Mammon, opdat, wanneer deze u ontvalt, men u opneme in de eeuwige tenten.”

 

Als een aanklacht op de handelwijze zegt de Heere tegen de Farizeeën: “Maken jullie maar vriendschap met de onrechtvaardige Mammon, want wanneer het jullie niet goed meer gaat, of wanneer jullie sterven, dan zal die jullie wel opnemen in zijn “eeuwige tenten.” Zo drijft de Heere eigenlijk de spot met de opvattingen en handelwijze van de Farizeeën.

 

De Heere gaat nog even door over de valse Mammon, en dan lezen we in Luk 16:14: “Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij hoonden Hem. En Hij zeide tot hen:” En dan vervolgt de Heere zijn rede speciaal tot de Farizeeën tot aan vers 31. Dit hele gedeelte van Lukas 16, eigenlijk vanaf vers 10 tot vers 31 is als een parodie op de leer en praktijk van de Farizeeën door de Heere Jezus uitgesproken. Een “parodie” is eigenlijk spottend bedoeld, met in dit geval als doel de leer van de Farizeeën belachelijk te maken of te bekritiseren.

 

Ten slotte richt De Heere zich weer tot de discipelen in Lukas 17:1-4, waar Hij nogmaals benadrukt dat er onvermijdelijk verleidingen zullen komen,

  • maar wee hem, door wie zij komen! Het zou beter voor hem zijn, als een molensteen om zijn hals gedaan was en hij in de zee was geworpen, dan dat hij één van deze kleinen tot zonde verleidde.”

Weer worden hier indirect de Farizeeën aangesproken.

 

Zó zit “deze gelijkenis” in elkaar. We zullen nu inhoudelijk ingaan op dat gedeelte waar de leer van “het dodenrijk” zich aan ontleent, en waar zovele gelovigen, ook vandaag de dag, geloof aan hechten. We zien in deze “parodie” van de Heere naar voren komen:

  • Geen personen, maar groepen, zoals in alle delen van “deze gelijkenis”.
  • symboliseert het lot van twee gehele groepen.
  • is een leer van de Farizeeën die zijn oorsprong heeft in het heidendom
  • leer afkomstig van de vader der leugen.
  • is geen openbaring van Christus over iets wat volgt na de dood.

 

We gaan nu, kort samengevat, het hele gedeelte (Luk 16:19-31) tekst voor tekst behandelen.

En daar was een zeker rijk man” (vers 19) grondtekst: "Nu een zeker man was rijk."

  • duidt de groep der Farizeeërs aan.
  • gegoede burgers, rijk, geldgierig, gezag, macht, positie.

Gekleed in purper” (vers 19)

  • kleur van koningen
  • geeft machtspositie aan
  • plaats van de Messias (kreeg ook zo'n kleur mantel aan).
  • om te heersen uit eigen belang

En zeer fijn lijnwaad” (vers 19)

  • kleding van de priesters
  • Farizeeën hadden zich het gezag van de priesters aangematigd
  • zij zaten op de stoel van Mozes
  • zij misbruikten hun positie op alle fronten
  • "fijn linnen" kwamen we ook tegen in Openb 19 als de rechtvaardige daden der heiligen.
  • Farizeeën hadden zichzelf dat "fijn linnen" aangematigd. Het kwam hun niet toe.

Levende alle dag vrolijk en prachtig” (vers 19)

  • Materieel: Weelderige leefwijze
  • Geestelijk: het beschikken over Israëls' geestelijke goederen als kennis van Gods Woord, verbonden en wetgeving.

En daar was een zekere bedelaar” (vers 20)

  • stelt ook een groep voor
  • Zij hadden de priesterlijke barmhartigheid nodig
  • zij hadden de wederopneming in de geestelijke gemeenschap nodig

Genaamd Lazarus” (vers 20)

  • Lazarus is de Griekse naam voor Eleazar. Dit betekent: "Hulp van God."
  • De lijdende groep van tollenaars en zondaars, was een bewijs dat “de rijke” zich aan zorg voor hen onttrok.
  • De arme man heeft een naam. De rijke niet. Zal de Heere ooit niet zeggen: "Ga weg van Mij, ik heb u niet gekend?"

Vol zweren” (vers 20)

  • Wijst op lichamelijk lijden
  • hij kreeg zelfs de kruimels niet.
  • Zo ook de verloren zoon, die de schillen niet kreeg.

Welke lag voor zijn poort” S.V. (vers 21)

  • De poort is in de Schrift het teken van macht en gezag.
  • geeft macht aan om te helpen, wat echter niet gebeurde.

Die verlangde zijn honger te stillen met wat van de tafel van de rijke afviel” (vers 21)

  • Zelfs dat kreeg de arme niet
  • honger werd absoluut niet gestild
  • totaal geen voeding.
  • hij kreeg zelfs de kruimels niet.

Maar ook de honden kwamen en lekten zijn zweren” (vers 21)

  • De rijke man (Farizeeërs) deden niets
  • Het gezegde van de Farizeeën was: Wie het nu slecht heeft in zijn leven, krijgt het later goed = leer = zoethoudertje van de Farizeeën.
  • de armen kregen verlichting van de honden (Mat 15:26)
  • Zo één was Cornelius die veel aalmoezen gaf (Hand. 10:2)
  • En zo werd er onder "de honden", de heidenen een collecte door Paulus gehouden voor de gelovigen in Jeruzalem.

En het geschiedde dat de bedelaar stierf” (vers 22)

  • en werd van de engelen gedragen in Abrahams schoot.
  • wordt niet over een begraven gesproken.

 

Dit was de leer der Farizeeërs.

  • Zij geloofden dit t.o.v. de ziel zoals blijkt uit de Apocriefe boeken en geschriften van Flavius Josephus, zelf een Farizeeër.
  • Christus stelt het hier in Luk 16 echter t.o.v. de gehele persoon. Niet zijn ziel ging heen - deze had niet gedràgen behoeven te worden - neen hijzelf in zijn complete lichamelijkheid.
  • Er is geen enkele zinspeling op de ontlichaamde ziel of geest bij de Here, integendeel, het blijkt dat Lazarus een vinger had, dus een lichaam. (Men kan dit inkleding noemen, passend bij de voorstelling maar daarmee is de zelfstandig voortlevende ziel nog niet bewezen.)
  • Nergens in het Woord vinden we dat engelen "zielen" naar de hemel "dragen". Wel is dit te vinden in de Talmud en bij Flavius Josephus, dus in Joodse niet-geïnspireerde geschriften.

 

En de rijke stierf ook en werd begraven” (vers 23)

  • Vanzelf moet de begrafenis vermeld worden.
  • Met alle praal, bij zijn stand en positie passend, wordt hij ten grave gedragen.
  • Waarheen gaat hij?

En als hij zijn ogen ophief in het Dodenrijk, zijnde in de pijn” (vers 23)

  • De Farizeeën leerden: Wie het slecht gaat in dit leven kan rekenen op een goed leven hiernamaals. En omgekeerd? Dat vertelden ze niet!
  • Consequentie: de rijke komt nu in een plaats van lijden, van pijn en dorst.
  • Bijbel zegt dat de doden van niets weten en niets voelen, enz.
  • Scheiding in het dodenrijk komt voor in apocriefe boeken.

...zag hij Abraham van verre en Lazarus in zijn schoot” (vers 23)

  • Abrahams schoot was in hun leer de beste plaats die er te verkrijgen was in het hiernamaals. Terwijl we weten uit het Woord, dat Abraham in zijn graf ligt!

Vader Abraham” (vers 24)

  • was een term van de Farizeeërs
  • Joh 8:39 Zij antwoordden en zeiden tot Hem: Onze vader is Abraham. Jezus zeide tot hen: Indien gij kinderen van Abraham zijt, doet dan de werken van Abraham;
  • Joh 8:56 Uw vader Abraham heeft zich erop verheugd mijn dag te zien en hij heeft die gezien en zich verblijd.
  • Rom 9,7 "En zij zijn ook niet allen kinderen, omdat zij nageslacht van Abraham zijn, maar: Door Isaäk zal men van nageslacht van u spreken."
  • We lezen in Luk 16 niets over God of Christus. Is het oordeel aan Abraham?

 

Deze term “Vader Abraham” komt nergens anders voor dan hier in vs. 24 en 30. Het was een term van de Farizeeërs. Zijdelings wijst de Schrift daar op als ze in Mat. 3:9 en Luk. 3:8 zegt dat de Farizeeërs (en Sadduceeën) bij zichzelf zeiden Abraham tot vader te hebben. Wij wijzen er op dat we in dit “betoog” van de Heere niets horen van God of van de Heere Jezus en we zouden ons kunnen afvragen of we moeten aannemen dat aan Abraham het eindoordeel wordt overgelaten in de leer van de Farizeeën.

 

Zend Lazarus” (vers 24)

  • Nog steeds geeft de rijke bevelen!
  • op aarde gaf de rijke niets aan Lazarus, nu moet Lazarus de rijke wel helpen.
  • zend Lazarus = De naam Lazarus betekent "God helpt"

Abraham zeide tot hem: Zij hebben Mozes en de Profeten, dat zij die horen” (vers 29)

  • zij moeten zich maar wenden tot het hun geopenbaarde.
  • Abraham geeft de waarheid weer: om een zending te kunnen volbrengen moet men eerst tot geloof komen in het geopenbaarde.
  • Alle zichtbare wonderen van de Heere hebben ook niet geholpen.
  • De Farizeeërs bleven hun hart verharden
  • Het was hard dit te moeten horen uit de mond van Vader Abraham, een man die zeer rijk geweest was (Gen. 13:2).
  • de Rijke Man spreekt over het heengaan van een van de doden, waarmee hij hen bewust ziet voortleven.
  • Men lette op het "ulieden", S.V. meervoud (vers 26). Ook hieruit blijkt dat deze Rijke Man niet alleen is: het is een groep. De Heer sloot in Zijn “parodie” allen van gelijke geestesgesteldheid in.

De pijn, de kloof, de schoot

  • Nergens leert de Schrift dat zielen zonder lichaam "pijn" lijden;
  • bij dit lijden is steeds het lichaam betrokken
  • pijn betekent hier hevige lichaams-smart = knersing der tanden.

 

Teksten, die er verband mee houden:

  • Mat 22,13 "Toen zeide de koning tot de dienaars: Bindt zijn handen en voeten, neemt hem weg, en werpt hem uit in de buitenste duisternis; daar zal zijn wening en knersing der tanden."
  • Mat 24,51 "En zal hem afscheiden, en zijn deel zetten met de geveinsden; daar zal wening zijn en knersing der tanden."
  • Mat 25,30 "En werpt den onnutten dienstknecht uit in de buitenste duisternis; daar zal wening zijn en knersing der tanden."
  • De Schrift leert ook nergens dat er in het Dodenrijk een brandend vuur is
  • Ook leert de Schrift nergens dat er een hel is, een plaats van altijd durende pijniging.
  • de Rijke Man stelt de Farizeeërsgroep in de tijd van Christus voor.

 

De Heere Jezus gebruikte hun eigen leer om Zich tegen hen te keren. In die leer kwam de voorstelling voor, die we in Lukas 16 vinden. Deze werd door de toehoorders voor waar gehouden. De Here hield dit Zelf niet voor waar, evenmin als Jesaja en Ezechiël dit deden bij hun voorstelling van wat in het Dodenrijk (= het graf) geschiedde (Jes. 13, Ezech. 32), maar hun hoorders geloofden dat het zo was. En zo nu ook t.o.v. de woorden van de Here.

 

Het was hun eigen leer die de Farizeeërs hoorden en de toepassing hebben ze ten volle gevoeld. Zij spraken geen enkel woord meer, de Mond der wijsheid had hen tot zwijgen gebracht en geslagen zijn zij afgedropen. (Luk 20:26).

 

De twee Afdelingen

In de Calvinistische visie wordt geleerd dat de “zielen” der gelovigen van stonde aan bij Christus zijn.In Luk. 16 vinden we dat ze naar het Dodenrijk gaan, als we tenminste aannemen dat Lazarus een gelovige was.In dat zelfde Dodenrijk bevindt zich ook de Rijke Man die men voor type der ongelovigen houdt. Dat Dodenrijk is door een kloof in tweeën gedeeld. Nu is een kloof een diepe insnijding gelegen tussen twee aard-delen die niet al te veel in hoogte verschillen. Ze kan breed en diep zijn, maar men kan niet van een kloof spreken als de ene helft van het terrein veel hoger ligt dan het andere. Nu zegt de Traditieleer dat het ene deel dat wat Luk. 16 "Abrahams schoot" noemt het Paradijs is, het andere deel ziet ze als voorportaal der Hel.

 

Maar, en dat is het tegenstrijdige, tevens leert de Traditie dat zich het Paradijs in de Hemel bevindt, en de Hel in de afgrond, dan mogen we ons wel afvragen: Wat blijft er over van die kloof als het ene deel oneindig hoog boven het andere ligt. Of hoort dit tot de "inkleding" van de traditie? Dan is er water in de kloof, wat volgt uit het woord van de Rijke die vraagt of Lazarus zijn vinger mag gaan indopen in het water. Het klinkt ons daarom zeer vreemd in de oren dat men met deze tekst voor ogen, die spreekt van een scheiding in het Dodenrijk, waarin water is, er een aanwijzing meent te vinden voor een juichen voor de Troon of een neerzinken in het Verderf. Of is ook dit alles "inkleding"?

 

Bovendien moeten we bij dit alles goed voor ogen houden, dat er alleen in de tot ons gekomen vertalingen sprake is van een “dodentrijk” en een “hel”, maar dat deze benamingen in de grondtekst nooit voorkomen!

 

Abrahams Positie en Uitingen

  • In welke positie leeft Abraham?
  • Hij schijnt in het "Paradijs" het woord te voeren en het oordeel te vellen. Van God is geen enkel ogenblik sprake, evenmin van Christus.
  • Dan is er het gesprek tussen de Rijke Man en Abraham, het is een van de vreemdste dialogen in Gods Woord.
  • De Rijke Man roept als hij Abraham ziet terstond tot hem en spreekt hem aan als: Vader Abraham. Dan pleit hij om barmhartigheid.
  • Men kan zich afvragen: Is Abrahamde voornaamste persoon in het Dodenrijk?

 

Enige vragen

  • Waren de Farizeeërs de eerst aangewezenen om een openbaring te ontvangen aangaande de toestand tussen dood en opstanding terwijl zij bij monde van (de denkbeeldige) Abraham verwezen worden naar Mozes en de Profeten?
  • Leert de Schrift om ontbonden en bij Abraham te zijn?
  • Is Abraham de aangewezen persoon om de "zaligen" te troosten?
  • Heeft Abraham nu kennis van de aardse dingen?
  • Hebben de "verlorenen" nog zoveel kennis van, en liefde tot hun aardse betrekkingen en verwanten, dat zij deze voor de plaats der pijniging willen bewaren?
  • Indien "Abrahams schoot" het Paradijs is, is dan niet alleen de moordenaar maar ook Christus Zelf daar door Abraham ontvangen en vertroost?

 

Conclusie:

  • De leer der Farizeeërs was, en de leer der traditie van vele gemeenten is besmet geworden met de leer van het Heidendom. Al had Israël de afgoden weggedaan, de leugenleer van Satan: “Gij zult geenszins sterven” (Gen 3:4), was via de heidense leer der volken in hun visie opgenomen en omgebogen tot de onbijbelse voorstelling die we in Luk. 16 vinden.

 

Dodenrijk” in tegenspraak met het gehele Oude Testament

  • Dit leert dat de doden niets weten,
  • Er is geen kennis,
  • De liefde en de haat zijn vergaan,
  • Doden hebben geen deel meer aan alles wat onder de zon geschiedt (Pred 9:5-6).
  • De Rijke Man dacht nog na over al wat hier op aarde onder de zon geschiedde en kon geschieden t.o.v. zijns vaders huis.
  • Jes. 63:16 zegt dat Abraham niets van Israël wist; dus ook niet van de zielen in het Dodenrijk dat mede onder de zon (in de aarde) is (zou zijn).
  • De doden zijn in de stilte nedergedaald (Ps 115:17).
  • De doden liggen in het graf (Ps 88:6).
  • De Hades (het Dodenrijk = het graf) is een land der duisternis en zonder ordeningen (Job 10:22). Dus ook zonder kloof.
  • Daarin liggen door elkaar bozen en vermoeiden, kleinen en groten (Job. 3:13-15).
  • De doden "slapen", spreken dus niet met elkaar (Deut 31:16, Job 3:13, Dan 12:2).
  • Niet Vader Abraham is Israëls vader maar de Heere. (Jes. 63:16).
  • Nergens spreekt het O.T. van vreugde noch van kwelling of "pijn" vlak na de dood.
  • Men wordt eerst met Zijn Beeld vervuld bij het ontwaken. (Ps. 17:15)
  • Of bij de opstanding veroordeeld. (Dan. 12:2).

 

Dodenrijk” in tegenspraak met het Nieuwe Testament

  • Dit leert dat de doden in het graf zijn (Joh. 5:28).
  • Er zijn er ook in de zee en in de dood, (Opb. 20:12), waarmee wordt geleerd dat de Hades, het Dodenrijk, slechts een der terreinen van de dood is waarmee zijdelings de leer van het bewuste voortleven vervalt, omdat de doden in de zee toch zeker geen gesprekken zullen houden.
  • Paulus leert, dat de dood een ontkleed zijn is, dat hij liever niet wenst (2 Kor 5). Is dit dan door één van de engelen gedragen worden in Abrahams schoot?
  • Deze apostel leert mede dat de doden, willen zij bij de Here (en niet bij Abraham zijn), eerst op moeten staan (1 Thess 4:14).
  • Tevens dat de onsterfelijkheid niet eerder wordt aangedaan, dan bij de opstanding. (1 Kor. 15:51-54).
  • De Openbaring leert dat het Paradijs op aarde zal zijn (Opb 22:1-2).
  • Dat niet Abraham daar het woord zal hebben maar God en het Lam. (Opb. 22:3).

 

Dodenrijk” in tegenspraak met Christus' eigen woord:

  • Hij zegt dat de doden in de graven zijn, (Joh. 5:28), en dat zij daar uitgaan bij de opstanding. (Joh 5:29).
  • Hij leert dat de doden opgewekt moeten worden, (Luk. 20:37) en dat er een opstanding uit de doden is. (Luk 20:35).
  • Hij zegt dat de doden slapen. (Joh. 11:11).
  • Hij leerde dat Hij Zelf in het hart der aarde (graf) zou zijn. (Mat. 12:40).
  • Hij was tot na Zijn opstanding niet opgevaren. (Joh. 20:17). Worden Zijn volgelingen dan wel van de engelen in Abrahams schoot gedragen?
  • Hij leert niet dat “uit het lichaam getreden” zielen tot Hem gaan maar dat Hij eerst plaats bereidt om hen dan op te nemen met "lichaam en ziel". (Joh. 14:1 en Thess. 4).
  • Hij zegt bij monde van Paulus dat de doden eerst geoordeeld worden in Zijn verschijning en Koninkrijk, (2 Tim. 4:1), en ook door Petrus. (1 Petr. 4:5). Niet bij hun dood dus.

 

Zo is het geheel een meesterlijk betoog, om de Farizeeërs met hun eigen leer het oordeel aan te zeggen, en hun leugenachtige leer tegen het Licht van Gods Woord te veroordelen.

 

De wijze waarop er in Lucas 16 over de situatie in het dodenrijk gesproken wordt, vinden we verder niet in de Bijbel omschreven. Wat wel bekend is, is dat deze beschrijving overeenstemde met de gedachte over het dodenrijk zoals die destijds door de Farizeeën geleerd werd. Zij onderwezen dit overigens al sinds de Babylonische ballingschap. In verschillende Joodse geschriften komt dit ook naar voren. Letterlijk wordt daarin bijvoorbeeld over de 'Schoot van Abraham' gesproken of over engelen, die een dode naar het dodenrijk brengen. Deze Farizeese leer was in de tijd van de Here Jezus al tot traditie geworden. Dít was wat men geloofde; dít was herkenbaar voor de mensen.

 

Met betrekking tot deze overlevering (traditie) had de Heer al tegen de Farizeeën gezegd:

  • "... zo maakt gij het woord Gods krachteloos door uw overlevering, die gij overgeleverd hebt" (Marc. 7:13).

 

In Lucas 16 is het juist hun eigen wapen dat door de Heer gebruikt wordt om de Farizeeën (en hun volgelingen) te wijzen op hun ongeloof. Nadat Hij over de onmogelijkheid van het dienen van God én de Mammon gesproken had, staat er in vers 14: "Dit alles hoorden de Farizeeën, die geldzuchtig waren, en zij hoonden Hem". Vervolgens staat er: "En Hij zeide tot hen ..." (vs. 15). Alles wat de Heer vervolgens sprak - inclusief de woorden over de rijke man en de arme Lazarus - sprak Hij tot hén. Door daarbij de Farizeese leer over het dodenrijk te gebruiken, bepaalde Hij hen erbij dat zij in hun eigen ongeloof niet in overeenstemming leefden met hun eigen leer.

 

Gaat het echter om de werkelijke situatie in het dodenrijk, waarvan de vertaling eigenlijk “graf” had moeten zijn, dan geldt dat daar "geen werk of overleg of kennis of wijsheid" is.

 

We hebben nu vanuit het Woord gezien waar de doden zich bevinden, maar één zaak hebben we nog niet behandeld, en dat betreft de doden, die tot het Lichaam van Christus behoren, maar daarover de volgende keer.

 

Deel 30 volgt DV

Bert Boersma November 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 30)

 

De UITopstanding UIT de Doden

We hebben in het voorgaande vanuit het Woord gezien waar de doden zich bevinden, maar één zaak hebben we nog niet behandeld, en dat betreft de doden, die tot het Lichaam van Christus behoren. We hebben het mooiste voor het laatst bewaard. Het is al eerder genoemd, maar we weten dat Paulus na Handelingen 28 een nieuw evangelie met een nieuwe boodschap begon te verkondigen. Dit evangelie betreft de gelovigen, die tot het lichaam van Christus behoren, en dit betreft ook de de verblijfplaats van die gelovigen die sterven. We zullen uit het woord zien dat die doden niet in het graf liggen te rusten, en wachten op de opstanding bij de komst van Christus, zoals al de overigen, maar dat zij een andere bestemming hebben dan het graf.

 

Het nieuwe, wat nooit eerder was genoemd, en wat we verder ook niet in het Woord in de grondtekst tegenkomen is de tekst uit Fil 3:10-11:

  • NBG: “(Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.”
  • St.Vert.: “Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende; Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.”

 

Zo is deze tekst vertaald. De vertalers hebben wel ingezien dat hier wat bijzonders aan de hand was, want de St. Vert. heeft vertaald: “wederopstanding”. Dit is de enige keer dat dit woord in de St. Vert. voorkomt. De NBG vertaald: Opstanding uit de doden” Maar in beide gevallen doet de vertaling geen recht aan de grondtekst. Want de vertalingen vertellen ons eigenlijk weinig nieuws, immers we weten uit het Woord dat er een wederopstanding, cq een opstanding uit de doden zal zijn bij Christus' wederkomst. Daarom is het van belang naar de grondtekst te gaan, om te ontdekken wat er werkelijk staat.

 

Het woord wat in deze tekst met opstanding, of wederopstanding (St.Vert) is vertaald, is in de grondtekst “exanastasis”. Het is de enige keer in de grondtekst waar dit woord wordt gebruikt. Het gewone Griekse woord wat voor opstanding wordt gebruikt, is “anastasis”. Door de toevoeging “ex” wil Paulus iets bijzonders meedelen.

 

Fil. 3:11 heeft steeds moeilijkheden opgeleverd voor de bijbel vertalers. Men vertaalt het Griekse "exanastasis" (d.i. uit-opstanding) door "opstanding", evenals men dat doet met "anastasis" in andere teksten. Daarom lijkt het erop dat Paulus in deze teksten niets nieuws verteld, maar gewoon verwijst naar de opstanding waarvan hij ook reeds vroeger sprak, b.v. in 1 Kor 15:

  • Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens.” (1 Kor 15:21). (Terecht is hier vertaald “opstanding der doden”, en niet “uit de doden”).

 

Paulus getuigd er in de Korinthe brief van, zeker te zijn tot die opstanding te komen, terwijl hij in Fil. 3:11 zegt: "of ik op enigerlei wijze moge komen tot ..." wat toch wel enige onzekerheid aanduidt. Dit wijst er mede op dat Paulus het in de Korinthe brief en in Filippenzen niet over dezelfde dingen heeft.

 

Om die moeilijkheden te verklaren, spreekt men dan veelal van een opstanding, die niet letterlijk, maar geestelijk heeft plaatsgevonden. Men denkt dan b.v. aan Ef. 2:5-6:

  • Ook toen wij dood waren door de misdaden, heeft God ons levend gemaakt met Christus; (uit genade zijt gij zalig geworden) En heeft ons mede opgewekt, en heeft ons mede gezet in den hemel in Christus Jezus.”

 

De lezer, die de tekst in de juiste context weet te plaatsen, weet dat het hier gaat om de positie verandering van de gelovige, en niet om een opstanding.

 

Net zo spreekt Kol. 2:12-13 niet over een opstanding, zoals sommigen ons willen laten geloven, maar over de verwisseling van positie van de gelovigen in Christus Jezus:

  • Zijnde met Hem begraven in den doop, in welken gij ook met Hem opgewekt zijt door het geloof der werking Gods, Die Hem uit de doden opgewekt heeft. En Hij heeft u, als gij dood waart in de misdaden, en in de voorhuid uws vleses, mede levend gemaakt met Hem, al uw misdaden u vergevende.”

 

Verder wordt vaak aangevoerd dat Fil. 3:10 overeenstemt met Rom 6:5, en men wil daarmee dan aantonen dat Paulus in zijn latere brieven niets nieuws verkondigde. Maar ook in dezen zullen we aan de hand van de grondtekst aantonen, dat Paulus wel degelijk nieuwe dingen verkondigde.

  • In Rom 6:5 lezen we: “Want indien wij met Hem één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods, zo zullen wij het ook zijn in de gelijkmaking Zijner opstanding.”
  • In Fil 3:10 lezen we: “Opdat ik Hem kenne, en de kracht Zijner opstanding, en de gemeenschap Zijns lijdens, Zijn dood gelijkvormig wordende.

 

Het gaat dus om de tekstgedeelten “één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods” (Rom 6:5), en “Zijn dood gelijkvormig wordende” (Fil 3:10). Zo op het oog lijkt dit hetzelfde te zijn, en daarom moeten we naar de grondtekst:

 

Voor het gedeelte “één plant geworden zijn in de gelijkmaking Zijns doods”, (Rom 6:5) staat in de grondtekst “sumphutos ginomai ho homoioma ho thanatos”.

Voor “gelijkmaking” is hier het Griekse woord “homoioma” gebruikt. Dit “homoioma” geeft slechts aan dat er een zekere gelijkenis bestaat, zoals we bijvoorbeeld lezen in Fil 2:7:

  • "Maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk (grondtekst = “homoioma”) geworden is.”

 

Dan gaan we naar Fil 3:10. Daar vinden we in de grondtekst het Griekse woord “summorphoo”, wat vertaald is met “gelijkvormig wordende”. “Summorphoo” wijst erop dat de innerlijke vorm of het wezen, de bestaanswijze, hier exact dezelfde is.

 

Het naamwoord “summorphos” komt voor in Fil 3:21:

  • Die ons vernederd lichaam veranderen zal, opdat hetzelve gelijkvormig worde (= “summorphos”) aan Zijn heerlijk lichaam, naar de werking, waardoor Hij ook alle dingen Zichzelven kan onderwerpen.)

 

Dus ons vernederd lichaam zal na dit leven niet alleen lijken op het verheerlijkt lichaam van Christus, maar er volkomen identiek aan zijn! Dat is de betekenis van “summorphos”.

(In “summorphos” zit het woordje “sun”, zie studie over “sun” in “Hem Kennen deel 21)

 

Verder komt “summorphos” nog één keer voor in de grondtekst, en wel in Rom 8:29. Ook hier staat “summorphos” in verband met het opstandingslichaam:

  • Want die Hij te voren gekend heeft, die heeft Hij ook te voren verordineerd, den beelde Zijns Zoons gelijkvormig (= “summorphos”) te zijn, opdat Hij de Eerstgeborene zij onder vele broederen.” (Rom 8:29).

 

We zouden ons kunnen afvragen, hoe kunnen we summorphos” ook tegenkomen in de brieven die Paulus schreef vóór Handelingen 28? Krijgen die gelovigen, behorende tot de gemeente van eerstgeborenen hetzelfde opstandingslichaam als de gelovigen van nu? Uit deze tekst blijkt dus dat dit wel het geval is, alleen zijn er twee verschillen. Ten eerste het moment waarop zij en wij dat opstandingslichaam ontvangen verschilt, en ten tweede is de positie van de verschillende groepen gelovigen niet dezelfde.

 

We hebben tot dusverre gezien dat alle doden in het graf wachten op de opstanding.

We gaan nu terug naar ons uitgangspunt, Fil 3:10-11, en dan met name dat gedeelte waar Paulus zegt: “Of ik enigszins moge komen tot de wederopstanding der doden.” Twijfelde Paulus eraan dat hij deel zou hebben aan die uitopstanding?

 

In Rom. 6 spreekt Paulus over het feit dat de gelovige door het geloof in zo'n gemeenschap met Christus kan komen, dat hij geestelijk met Hem gestorven is en dus zoals Christus (Rom 6:10) der zonde gestorven is, ten opzichte van de zonde dood is, zo ook de gelovigen! (vers 11). Er is dus een zekere gelijkenis tussen Christus' dood (t.o.v. de zonde) en die van de gelovige (t.o.v. de zonde).

 

Nu was Paulus zelf zeker reeds t.ov. de zonde gestorven, en wanneer Paulus in Fil. 3:11 ook naar die dood zou verwijzen, dan is Fil 3:11 moeilijk te begrijpen, want waarom zou hij trachten nog tot die dood (ten opzichte van de zonde) te komen, terwijl dat allang achter hem lag? Want Paulus was niet alleen dood t.o.v. de zonde (de wortel), maar zelfs t.o.v. de zonden (de zondige gedachten en handelingen). Dit blijkt uit de Griekse tekst van Ef. 2 :1, 5 en Kol. 2:13, die dezelfde vorm hebben als 1 Petr. 2:24 (der zonden afgestorven), en Rom. 6:2 (der zonde gestorven) enz.

 

Wanneer men dan zou zeggen, ja, maar Paulus bedoelt in Fil. 3:10 de wandel in Christus, dat Paulus in zijn wandel trachtte der zonden dood te zijn, dan is dit nog altijd in strijd met Ef. 2:1, 5 en Kol. 2:13 waar hij zegt dat dit reeds geschied is.

 

Het is duidelijk dat Paulus hier in Filippenzen over iets totaal nieuws spreekt. En voor een goed begrijpen is het nodig om het hele hoofdstuk van Fil 3 te lezen. Hij zegt in vers 8:

  • Ja, gewisselijk, ik acht ook alle dingen schade te zijn, om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus, mijn Heere; om Wiens wil ik al die dingen schade gerekend heb, en acht die drek te zijn, opdat ik Christus moge gewinnen.”

 

Dit betekent dat Paulus alles van zichzelf, en alles waar hij voorheen op bouwde, drek achtte, en dat was nogal wat:

  • Hij was besneden ten achtsten dage, (vers 5).
  • Hij was uit het geslacht van Israël.
  • Hij was van den stam van Benjamin.
  • Hij was een Hebreeër uit de Hebreeën.
  • Hij was naar de wet een Farizeeër.
  • Hij was naar den ijver een vervolger der Gemeente. (vers 6)
  • Hij was naar de rechtvaardigheid, die in de wet is, zijnde onberispelijk.

 

Maar hetgeen mij gewin was, dat heb ik om Christus’ wil schade geacht. (vers 7). Paulus vervolgt in vers 9 te vermelden, dat hij nu op nieuwe dingen bouwt, die in de plaats zijn gekomen van al dat oude:

  • En in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof.”

 

En dan zijn we bij de tekst aangekomen van Fil 3:10-11, waar sprake is van een opstanding uit de doden. We komen de uitdrukking “uit de doden” niet vaak tegen in het Woord. De uitdrukking “uit de doden” werd ook door de discipelen al moeilijk verstaan, want toen zij na de verheerlijking van de Heere Jezus op de berg, weer naar beneden afdaalden, lezen we:

  • En terwijl zij van de berg afdaalden, verbood Hij hun, dat zij iemand zouden vertellen, hetgeen zij gezien hadden, voordat de Zoon des mensen uit de doden zou zijn opgestaan. En zij hielden dit woord vast en trachtten onder elkander te weten te komen, wat het was, uit de doden opstaan.” (Marcus 9:9-10).

 

We komen de uitdrukking “uit de doden” ook tegen in Lukas 16, waar “Abraham” tegen de rijke man zegt: “Indien zij naar Mozes en de profeten niet luisteren, zullen zij ook, indien iemand uit de doden opstaat, zich niet laten gezeggen.” (Luk 16:31). En ook over Lazarus wordt gesproken dat hij is opgestaan “uit de doden”. (Joh 12:9). Verder komt de uitdrukking “opstaan uit de doden” hoofdzakelijk voor in verband met de opstanding van Christus, die “uit de doden” (= van tussen de doden uit) is opgestaan.

 

Ook de leidslieden der Joden waren onbekend met het feit dat er Iemand “uit de doden” zou kunnen opstaan. Want we lezen in Hand 2:1-2: “En terwijl zij (de discipelen) tot het volk spraken, overvielen hen de priesters, de hoofdman van de tempel en de Sadduceeën, zeer verontwaardigd, omdat zij het volk leerden en in Jezus de opstanding uit de doden verkondigden”.

 

En misschien is het ook heden ten dage wel een onbekend iets, dat er doden “uit de doden” kunnen opstaan. Want leren we niet dat er een opstanding der doden zal komen? Er wordt in de kerken geleerd dat er een opstanding der doden (betreft alle doden) zal zijn, en dat allen bij de komst van Christus geoordeeld zullen worden. De geloofsbelijdenis zegt:

  • Die geleden heeft onder Pontius Pilatus, is gekruisigd, gestorven en begraven, nedergedaald ter helle; ten derde dage wederom opgestaan van de doden; opgevaren ten hemel, zittende ter rechterhand Gods, des almachtigen Vaders; vanwaar Hij komen zal om te oordelen de levenden en de doden.”

 

Er zijn meerdere teksten die aantonen, dat dit laatste, “dat Hij wederkomt om te oordelen de levenden en de doden”, voor wat betreft de gelovigen, die tot het Lichaam van Christus behoren, niet waar is. De geloofsbelijdenis doet het voorkomen alsof er één oordeel zal zijn bij Christus wederkomst. Dat is óók het geval, maar er is meer. Zo zal deze bijbelstudie aantonen, dat de gelovigen, die bij het Lichaam van Christus horen direct na hun sterven naar de Heere gaan, omdat bij hun leven reeds hun burgerschap in de hemel in Christus was.

En ook niet alle overige doden zullen bij Christus wederkomst worden opgewekt, want er is een deel van de doden die pas na de duizend jaar van Christus heerschappij zullen worden opgewekt en beoordeeld (Openb 20:11-15).

 

Dat de vertalers soms geen raad wisten met de uitdrukking “uit de doden” blijkt uit meerdere teksten, zoals bijvoorbeeld Hand 26:23:

  • [Namelijk] dat de Christus lijden moest, en dat Hij, de Eerste uit de opstanding der doden zijnde, een licht zou verkondigen dezen volke, en den heidenen.”

 

De King James vertaling (KJV) heeft dit letterlijker naar de Griekse grondtekst vertaald”

  • That Christ should suffer, [and] that he should be the first that should rise from thedead, and should shew light unto the people, and to the Gentiles.”

 

Wanneer men spreekt over een “opstanding der doden”, dan bedoelt men altijd die ene opstanding van iedereen bij Christus wederkomst. Deze “opstanding der doden” ligt in de toekomst bij Christus wederkomst, terwijl de opstanding van Christus uit de doden in het verleden ligt. Daarom zit in de vertaling van Hand 26:23 een tegenstrijdigheid ingesloten. Want Christus' opstanding wordt door het gebruik van de term “Opstanding der doden” in de toekomst geplaatst. Nee, er staat in de grondtekst dat Hij de Eerste was, die uit de dood opstond! Dat is heel wat anders, en dat heeft niets te maken met de toekomstige opstanding der doden. (zo zien we dat de vertalers ook hier vanuit de traditie hebben vertaald, en dat geeft verwarring).

 

In 1 Kor 15:20 en in Kol 1:18 lezen we een dergelijke tekst met dezelfde strekking, die wel goed is vertaald uit de grondtekst:

  • Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn.”
  • En Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is.”

 

En dat is ook wat er in Fil 3:11 staat, waar Paulus zegt dat hij “zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” We weten inmiddels dat dit gebrekkig is vertaald, hier is geen spraken van een opstanding (“anastasis”) waar veel over gesproken wordt in het Woord, maar hier gaat het over een exanastasis”, wat letterlijk vertaald is een uitopstanding. Letterlijk vertaald had er moeten staan, dat Paulus “zou mogen komen tot de uitopstanding van tussen de doden uit.” Dát is wat de grondtekst ons wil zeggen.

 

We weten uit de Schrift dat in de opstanding van Christus de opstanding van allen vast ligt. Zonder Christus' opstanding zou er geen leven zijn. Door Zijn opstanding heeft Hij de dood overwonnen. Maar die opstanding vindt niet voor allen op hetzelfde tijdstip plaats.

 

In de Korinthe brief, die in de Handelingen tijd is geschreven, toen er nog een ander evangelie gold, schrijft Paulus:

  • "Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden. Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden,(2 Kor. 5:1-4).

 

Paulus bedoelde hier te zeggen, dat, wanneer er aan ons verblijf in onze "aardse tent" (= ons sterfelijke lichaam) een einde komt, hebben we een gebouw van God (= een verheerlijkt lichaam) in de hemel. Dát was toen Paulus' verlangen: Paulus hoopte niet te moeten sterven, maar hij zei: "Wij begeren te meer ons verblijf in het lichaam te verlaten en bij de Here onze intrek te nemen" (2 Kor 5:8). Hij hoopte dat de Heer tijdens zijn leven terug zou komen.

 

Toch proeven we in die teksten een beetje angst in de woorden van Paulus: “Als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.....(vers 3)

Paulus verlangde er eigenlijk naar bij zijn leven mee te maken dat de Heere terug kwam, en dan zou hij “overkleed”, en niet “ontkleed” (in het graf) worden. Dat was de hoop in de Handelingen periode.

 

Na Handelingen 28 is deze hoop, deze verwachting totaal anders. Dat wordt ook zeer duidelijk in de brieven die Paulus na Hand 28 heeft geschreven, zo lezen we:

  • Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.” (Fil 1:21-24).

 

We leren uit deze tekst dat de verwachting van Paulus totaal was omgekeerd. Waar hij “vroeger” tegenop zag, ziet hij nu naar uit! Want hij weet dat wanneer hij sterft, dat hij dan bij Christus zal zijn. Dat was IN de Handelingen niet zo, daar ging een ieder die stierf in het graf, wachtende op de opstanding bij Christus' komst. Nu is die “hoop” (= zekerheid) totaal veranderd. Het sterven is niet meer “een ontkleed worden”, maar “winst”. Het verlangen van Paulus is zeer duidelijk.

 

We moeten ons in dezen niet in de war laten brengen door de St. Vert., want die heeft vertaald: “Hebbende begeerte, om ontbonden te worden en met Christus te zijn” (Fil 1:23), daar waar de NBG vertaald heeft: “Ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn.” De St. Vert. gaat hierbij iets dieper, alleen moeten we “ontbonden” niet lezen in de zin van “tot ontbinding komen”, maar in de zin van “losgemaakt worden”, losgemaakt worden van het aardse lichaam. (net zo: 2 Tim 4:6).

 

Prachtig om te zien, hoe Paulus vol vertrouwen over de dood spreekt. Hij weet dán dat hij na zijn sterven bij de Heere zal zijn. Dit “bij de Heere zijn” kan logischer wijs alleen door een directe opstanding na het sterven. En over deze opstanding heeft Paulus het in Fil 3:10-11, die uit-opstanding van tussen de doden uit. (de andere doden blijven in het graf, vandaar “er tussen uit”).

 

Dit alles kan ook moeilijk anders worden verstaan, want we lezen immers dat

  • “Wij burgers zijn van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als Verlosser verwachten”, Die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen" (Filip. 3:20-21).

 

Het woord “waaruit” slaat hier niet op “hemelen” maar op “burgerschap”. Wij moeten deze de tekst goed lezen, en er staat dat wij “burgers zijn van een rijk in de hemelen”. Wij, die tot het Lichaam van Christus behoren, zijn dat reeds nu al, en daarom kunnen wij als Lichaam van Christus in deze tijd Christus niet als Verlosser uit de hemelen verwachten, omdat wij alreeds nu (geestelijk) in de hemelen zijn. Wij worden verlost vanuit het “aardse”, om het burgerschap dat in de hemelen is daadwerkelijk in bezit te nemen. Dit betekent zoveel, dat met het afleggen van het aardse lichaam in de dood, de weg vrij voor ons is om gelijk intrek te nemen in het leven dat met Christus in God verborgen is, daar waar we ons nu reeds geestelijk mogen bevinden.

 

En daarom, broeders en zusters, staat er geschreven:

  • dat ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, hoe dan ook kom tot de uitopstanding van tussen de doden uit”.

 

Want dát staat er eigenlijk in de grondtekst (Fil 3:10b-11). Er wordt hier over een versterkte vorm van opstanding gesproken. Dit gaat verder dan alleen de opstanding uit de doden. Dit betekent dat de gelovigen, die in Christus Jezus, in Zijn Lichaam geplaatst zijn, direct na hun sterven bij Hem zullen zijn in de “epouranious” (de boven-hemel).

 

In Kol 3:3 lezen we: “Want gij zijt gestorven, en uw leven is met Christus verborgen in God.” We hebben deze tekst misschien al vaak gelezen, maar beseffen we wat hier werkelijk staat? Het leven van de gelovige, van “de apart geplaatse getrouwe” is in Christus, dus door Christus volbrachte werk, verborgen in God. Wanneer God naar ons ziet, dan ziet Hij ons in Christus. Alleen zó kan Hij ons zien. En wanneer we verder lezen in Kol 3:4, dan lezen we: “Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” Dit betekent tevens, dat we reeds bij Hem zullen zijn, als Hij verschijnt in Zijn “parousia” (= toekomst).

 

Zo zijn dus meerdere teksten, die erop wijzen dat de gelovigen, de leden van Het Lichaam van Christus, vrijwel direct na het afleggen van het aardse vlees met Christus verenigd worden in de (boven)hemel, daar waar Christus is.

Het is geweldig om zó, door bijbelstudie te doen, te ontdekken, dat we geestelijk reeds nu over de aionen (eeuwen) heen zijn geplaatst in de positie, waarin God in de toekomst al de Zijnen zal plaatsen. Dan zal God alles in allen zijn. Maar reeds nu ZIJN wij “mede opgewekt” in Christus, en reeds nu IS ons “mede” een plaats gegeven in de “epouraniois” in Christus, met als doel van God “om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar zijn goedertierenheid over ons in Christus Jezus." (Ef 2:6-7).

 

Er is nog één tekst, die ik in verband met de uitopstanding uit de doden, niet onbehandeld wil laten, namelijk Fil 1:6. Maar omdat dat een aparte studie vraagt, daarover de volgende keer.

 

Deel 31 volgt DV

Bert Boersma november 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 31)

 

Tot in de Dag van Christus Jezus

 

"Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd,

dat Hij, die in u een goed werk is begonnen,

dit ten einde toe zal voortzetten,

tot aan de dag van Christus Jezus." (Fil 1:6)

 

We zouden nog één tekst, die in verband met de uitopstanding uit de doden, nog niet genoemd was, onderzoeken, namelijk Fil 1:6.

Deze, bovenstaande tekst, was de aanleiding van een gesprek tussen twee broeders, waarvan ondergetekende er één was. De meningen over bovenstaande tekst waren verdeeld, dit was echter geen aanleiding tot "verhitte" hoofden, maar het was van beide kanten een zoeken, wat de Heere ons in Zijn Woord te zeggen heeft, en een zoeken naar de betekenis van deze tekst.

 

Ondergetekende was vanuit het Woord van mening dat zij, die tot het lichaam van Christus behoren na hun sterven in een verheerlijkt lichaam naar de Heere gaan, en dat de Heere dan in de hemel, waar Hij vertoeft, doorgaat met het "goede werk wat Hij op aarde in die gelovige is begonnen". Ik geloof, dat zolang we in dit aardse lichaam zijn, dat we dan niet in staat zijn om de hemelse dingen in al hun volmaaktheid te bevatten, en dat we na ons sterven, in de hemel verder worden opgevoed en ingeleid in de hemelse dingen, om de hemelse taak die voor ons is weggelegd ten volle te kunnen uitvoeren. Deze mening komt voort uit de tekst van Fil 1:6, dat de Heere doorgaat, zal voortzetten dat goede werk wat hij is begonnen (in ú) tót in de dag van Christus Jezus.

 

De andere broeder was van mening dat zij, die tot het Lichaam van Christus behoren, na hun sterven in een verheerlijkt lichaam naar de Heere gaan, en dat we als leden van dat Lichaam dan in één keer volmaakt, compleet met alle kennis in de hemel zijn, meteen klaar om de hemelse taak die voor hem is weggelegd naar behoren te kunnen uitvoeren. Omdat we volgens deze broeder opstaan met een volmaakt lichaam, kan het niet zo zijn om aan dat volmaakte lichaam nog iets toe te voegen. Volmaakt is volmaakt. Volgens hem is het dus niet nodig om dan in de hemel verder opgevoed, en ingeleid te worden in de hemelse dingen. Hij legt de tekst (Fil 1:6) uit alsof Paulus hier zegt dat God het goede werk wat God eenmaal op aarde is begonnen, door alle tijden heen zal blijven voortzetten, tot de dag van Christus Jezus. En dat goede werk, die evangelie prediking, gaat dan in alle tijden door voor alle mensen, tot de dag van Christus Jezus.

 

Het gaat er niet om wie van deze broeders gelijk heeft, maar het gaat er altijd om wat Gods Woord zegt, laten we daarom het gehele gedeelte uit Fil 1 eens lezen:

  • "Ik dank mijn God, zo dikwijls ik uwer gedenk; immers, in al mijn gebeden bid ik telkens voor u allen met blijdschap, wegens uw deelhebben aan de prediking van het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe. Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus. Zó van u allen te denken spreekt voor mij dan ook vanzelf, omdat ik u op het hart draag, daar gij allen, zowel bij mijn gevangenschap als bij mijn verdediging en bevestiging van het evangelie, deelgenoten zijt van de mij verleende genade. God toch is mijn getuige, hoezeer ik met de ontferming van Christus Jezus naar u allen verlang. En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God." (NBG Fil 1:3-11)

 

Paulus spreekt hier tot "al den heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn" (Fil 1:1), dit zijn de apart gezetten, de getrouwe gelovigen, die op het evangelie van Paulus zijn ingegaan, wat duidelijk blijkt uit het "deelhebben aan de prediking van het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe." (Fil 1:5). Welk evangelie hebben we het hier over? In welke tijd schrijft Paulus deze woorden? Paulus schrijft deze woorden in de periode na Handelingen 28:28, toen hij de onnaspeurlijke verborgenheid mocht en moest bekendmaken. Dááraan, aan dát evangelie hadden de apart gezette gelovigen van Filippi deel gekregen.

 

En dan spreekt Paulus verder tót die speciale apart gezette gelovigen: " Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in ueen goed werk is begonnen......". Paulus spreekt hier niet over het goede werk wat God vanaf den beginne is begonnen voor alle mensen, neen Paulus spreekt hier over een speciaal werk wat speciaalin die "apart geplaatsten" is begonnen. Een bijzonder werk van God, wat God IN die individuele mens is begonnen. En dát werk, in ieder individu, die behoort bij het Lichaam van Christus, zal ook na het sterven voortgezet worden tot in de dag van Christus Jezus. Hiervan is Paulus "ten volle overtuigd". "Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot in(grondtekst = αχρις = achri) de dag van Christus Jezus." Letterlijk vertaald volgens de grondtekst: "Dat Hij - de in u een goed werk beginnende - [dit] zal voleindigen tot in de dag van Christus Jezus. Paulus heeft het vaste vertrouwen dat deze dingen alzo zijn, getuige de Staten Vertaling. (Fil 1:6)

 

In Fil 1:6 handelt over de persoonlijke individuele situatie van de gelovige van nu én na het sterven. Vanaf vers 7 spreekt Paulus uitsluitend over de situatie tijdens hun aardse leven, wat duidelijk blijkt uit de context. Gods werk begon vanaf de eerste dag, en loopt door tot aan "nu toe" (Fil 1:5), maar dat niet alleen, het werk Gods wordt voortgezet "tot in de dag van Christus Jezus". In Paulus laatste brieven wordt het woord "αχρις = achri", wat betekent "tot in" slecht twee keer gebruikt, en wel in:

  • Fil 1:5, waar letterlijk vertaald staat: "Van de eerste dag tot in nu ("αχρις = achri")
  • Fil 1:6, waar we lazen "tot in ("αχρις = achri") de dag van Christus Jezus".

 

Het woord "αχρις = achri" komt ook voor in de volgende teksten:

Hand 7:18, Hand 11:5, Hand 20:6, Hand 20:11, Hand 28:15, Rom 11:25, 1 Cor 11:26, 1 Cor 15:25, Gal 3:19, Gal 4:19, Php 1:6, Heb 3:13, Openb 2:25, Openb 7:3.

Steeds zullen we zien dat het betekent, dat dit woord een tijdsduur aangeeft juist tot aan (tot in) het nader genoemde onderwerp. In het geval van Fil 1:6 dus tot in de dag van Christus Jezus.

 

God voleindigd Zijn werk in ons op wonderbaarlijke wijze. We lazen "God zal Zijn begonnen werk voleindigen", dit voleindigen (Grieks "epiteleo") wordt elf keer in het Nieuwe Testament gebruikt, waarvan 9 keer door Paulus, waarvan slechts één keer in Paulus' latere brieven, en wel hier in Fil 1:6. "Epiteleo" is opgebouwd uit de woorden "op" (= epi) en "doel(einde)" (= telos). Gods doel met de gelovigen IN Christus (= het Lichaam van Christus) is, om hen op de dag van Christus Jezus te laten verschijnen in heerlijkheid. (Kol 3:3-4). Om hiertoe in staat te zijn, worden wij door God toebereid. Dat is het goede werk wat Hij in ons doet. Dat werk stopt niet op de dag van ons sterven, maar pas op de dag van Christus Jezus, getuige Fil 1:6.

 

Paulus is blij, "zó" van de geheiligden te kunnen spreken, en hij draagt ze op het hart omdat omgekeerd die gelovigen ook Paulus op het hart dragen, wat duidelijk blijkt uit delen van het lijden van Paulus. (Fil 1:7). Paulus noemt hen "deelgenoten van de mij verleende genade". Paulus vond het genade dat hij om Christus' wil mocht lijden. En in die genade (verdrukking) deelden de broeders uit Filippi.

 

En Fil 1:9 gaat door over de wandel en de praktijk van de gelovigen hier op aarde. Paulus bidt voor hen "dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid." Letterlijk vertaald volgens de grondtekst: "En dit bid ik, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig zij in volledige kennis en alle begrip" (Fil 1:9)

In deze tekst staat voor "liefde" het Griekse woord "agape", dit wijst op een liefde gebaseerd op Gods genade. Hier wordt dus geen voorwaardelijke liefde bedoeld. Gods genade (liefde) zegt: "Ik heb je lief ondanks alles." Deze liefde (agape) was reeds aanwezig onder de Filippenzen, maar Paulus bidt dat deze onvoorwaardelijke liefde meer en meer overvloedig mag worden.

 

De volledige tekst van vers 9 (NBG): "En dit bid ik God, dat uw liefde nog meer en meer overvloedig worde in erkentenis en alle gevoelen." In het Grieks staat er: (rood = letterlijke vertaling): "kai touto proseuchomai (en dit bid ik) hina ho agape (dat uw liefde) humon eti mallon kai mallon (nog meer en meer) perisseuo (overvloedig zij) en epignosis kai pas aisthesis (in volledige kennis en alle begrip” (Fil 1:9).

 

Paulus plaatst in zijn gebed "de liefde" in directe relatie tot "de volledige kennis en begrip". Dit wijst er op dat de liefde, welke ook de liefde tot de Waarheid omhelst (insluit), leidt tot de volledige kennis. Deze "kennis"(epignosis) is niet het hebben van een bepaalde mate van intellectuele of verstandelijke kennis, maar "epinosis" wijst op het kennen door een innige vorm van gemeenschap, op het kennen van de Heere. Daarom zal het ook de innige wens van de gelovige zijn, ernaar te jagen om de Heere te kennen. (Fil 3:10-12).

 

Daarna volgt een gedeelte wat direct met onze wandel te maken heeft. We lezen in vers Fil 1:10-11 St Vert: "Opdat gij beproeft de verschillend zijnde dingen, opdat gij oprecht zijt, en zonder aanstoot te geven, tot in den dag van Christus; Vervuld met vruchten der gerechtigheid, die door Jezus Christus zijn tot heerlijkheid en prijs van God."

 

In de grondtekst staat hier in vers 10: "ies ho dokimazo (opdat gij beproeft) humas ho diaphero (de verschillend zijnde dingen) hina o eilikrines(Opdat gij oprecht zijt) kai aproskopos (en zonder aanstoot te geven) eis hemera Christos (tot in den dag van Christus)."

 

Door de liefde van God, die in onze harten werkzaam wil zijn, krijgen wij liefde voor Zijn Waarheid, en worden we door bezig te zijn met Zijn Woord vervuld met de volledige kennis, wat weer tot gevolg heeft dat we in staat zijn te kunnen beproeven (St Vert), ja te kunnen onderscheiden (NBG), de dingen die verschillen in de door Paulus gebrachte evangeliën, zodat we zien, waar het op aan komt, voor wat betreft de zegeningen en de positie van Het Lichaam van Christus.

 

Dit vervuld worden met de volledige kennis is volstrekt nodig om de Heere te kennen, zoals Hij gekend wil worden in deze huidige tijd, zodat we de weg kunnen gaan, die Hij aangeeft in Zijn Woord. Wanneer we de verschillen niet onderscheiden in de Schrift, in Gods plan, in de doelgroepen, en in de positie van die groepen, dan maken we één hutspot van het Woord, en gaan we als blinde wegwijzers het Woord der Waarheid van zijn kracht beroven.

 

We gaan nog even naar het woord "ειλικρινεις = eilikrines" in vers 10 kijken, dit is vertaald door "oprecht" (St Vert) en door "rein" (NBG). Behalve hier in Fil 1:10 komt dit woord alleen nog voor in de grondtekst in 2 Petr 3:1, waar het ook door "oprecht" is vertaald:

  • "Dezen tweeden zendbrief, geliefden, schrijf ik nu aan u, in welke beide ik door vermaning uw oprecht (= eilikrines) gemoed opwekke."

 

Het woord "eilikrines" komt van de woorden "heile" (= zonneschijn), wat weer komt van helios (= zon), en het woord "krino", wat betekent "afscheiden, onderscheiden, beoordelen".

 

We zien dus dat er in het woord "eilikrines" veel zit opgesloten wat speciaal gericht is aan de leden van Het Lichaam van Christus, en wat moeilijk in één woord is te vertalen. "Eilikrines" betreft een geplaatst zijn in het licht (zon = helios) waardoor we ten volle de dingen die verschillen mogen onderscheiden, ja er zelfs een oordeel (krino) over mogen hebben. Wanneer we dan nog eens proberen de tekst te vertalen met in achtneming van het woord "eilikrines", dan komen we tot: "Opdat gij beproeft de dingen, die daarvan verschillen, opdat gij "eilikrines" (= in het licht (zon) geplaatst, in staat zijt om te onderscheiden de dingen die verschillen) zijt, en zonder aanstoot te geven, tot in den dag van Christus" Dan zien we dat het woord "eilikrinos eigenlijk uitdrukt, dat we in een bepaalde positie geplaatst zijnde (in het licht), door verlichte ogen van ons hart (door Gods Geest) mogen onderscheiden waar het op aan komt.

 

Het laatste gedeelte van vers 10 is door zowel de NBG als de St. Vert. niet goed vertaald, want er staat volgens de grondtekst "eis hemera Christos". Er zijn vele teksten ter vergelijking waar we het woord "hemera" vinden, hier enkele genoemd (Matt 2:1, Matt 3:1, Matt 23:30, Matt 24:19, Matt 24:38, Matt 27:40), en allen wijzen ze erop dat de betekenis is dat het duurt "TOT IN DE DAG"

 

Fil 1:11 zegt in de grondtekst: “pleroo karpos (Vervuld zijnde met vruchten) dikaiosune (der rechtvaardigheid) ho dia Iesous Christos (die door Jezus Christus) eis doxa ([zijn] tot in heerlijkheid) kai epainos theos (en prijs (lof) van God).”

 

Persoonlijke Brief

 

Lieve lezers, we moeten goed beseffen dat het gaat in deze brief aan de Filippenzen om het persoonlijke levenVANUIT de gezindheid van Christus. Het gaat niet om onze eigen gezindheid, maar het gaat erom dat die gezindheid, welke ook in Christus Jezus was, bij ons gestalte krijgt. Het gaat om het praktische leven van de gelovige in Christus met het oog op de dag van Christus. De Filippenzen brief beschijft hoe we naar die dag toe leven, dat wil zeggen "tot in de dag". De verzen 10 en 11 geven daar een beschrijving van. Het is werkelijk overweldigend, hoe Gods liefde in deze brief openbaar wordt!

 

Het "in het licht geplaatst zijn" (vs 10), en "het zonder aanstoot zijn" (vs 10), gaat als gevolg van het meer en meer overvloedig zijn in volledige kennis en begrijpen (vs 9), gepaard met "een vervuld zijn van vruchten van rechtvaardigheid" (vs 11).

 

We gaan even naar Fil 1:11. Er staat dat de gelovigen zijn "vervuld met vruchten der rechtvaardigheid".

 

Het is geweldig te mogen constateren op grond van de grondtekst dat dit "vervullen = pleroo" in de voltooide tijd is geschreven. Het is geen zaak die nog vervuld moet worden, maar dit "vervuld met vruchten der rechtvaardigheid" is reeds voltooid, daar hebben we reeds deel aan. Het Lichaam van Christus is reeds (gezegend) vervuld met de vruchten der rechtvaardigheid. Hierin zien we dan ook een bevestiging van Efeze 1:3, waar staat: "Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus." Vanuit God gezien is dit reeds vervuld, maar vanuit onszelf gezien, mogen we deze geestelijke zegeningen door een waardige wandel één voor één nog ontwaren, door van God ontvangen verlichte ogen des harten.

 

Het "alle geestelijke zegen" betekent in wezen: "vervuld worden tot alle volheid Gods." In Christus woont al de volheid Gods lichamelijk (Kol. 2:9). Tot de rijke zegeningen in Hem behoort het vervuld worden tot alle volheid Gods. Dit is een geestelijke zaak, die dus alleen inwendig kan beleefd worden.

Er is heerlijkheid en zegen verbonden met de schepping, maar de heerlijkheid en zegen, die het Lichaam van Christus betreffen, gaan boven de schepping uit en zijn verbonden met alle volheid Gods. Het zijn werkelijk allesovertreffende geestelijke zegeningen, die ons in Christus ten deel zijn gevallen, en waarvan we de volle omvang "straks" zullen zien en kunnen bevatten.

 

Vervolgens staat er in Fil 1:11 dat de vruchten der rechtvaardigheid "zijn door Jezus Christus".

De vruchten der rechtvaardigheid zijn het gevolg van de volledige kennis, die we mochten ontvangen door de leiding van Gods Geest, door die kennis mochten we leren verstaan wat de positie van Het Lichaam van Christus is, en mochten we leren onze roeping waardig te wandelen. Maar die "vruchten der rechtvaardigheid" hebben we niet ontvangen door onze eigen inspanning, maar die vruchten der rechtvaardigheid zijn enkel en alleen door Christus ons deel geworden.

 

Nu komen we weer bij ons uitgangspunt. Mijn gesprekspartner was van mening dat zij, die tot het Lichaam van Christus behoren, na hun sterven in een verheerlijkt lichaam naar de Heere gaan, en dat we als leden van dat Lichaam dan in één keer volmaakt, compleet met alle kennis in de hemel zijn, meteen klaar om de hemelse taak die voor hem is weggelegd naar behoren te kunnen uitvoeren. Omdat we volgens hem opstaan met een volmaakt lichaam, kan het niet zo zijn om aan dat volmaakte lichaam nog iets toe te voegen. Volgens hem is het dus niet nodig om dan in de hemel verder opgevoed, en ingeleid te worden in de hemelse dingen.

 

Dit lijkt een logische gedachte van deze broeder, want we hebben gezien in Fil 1:9, dat we de volledige kennis (epignosis) hebben ontvangen. We hebben in vers 10 gezien, dat we geplaatst zijn in het licht (zon = helios) waardoor we ten volle de dingen die verschillen mogen onderscheiden, ja er zelfs een oordeel (krino) over mogen hebben. En in vers 10 hebben we gezien dat we reeds zijn vervuld met de vruchten der rechtvaardigheid. En daarenboven weten we uit Ef 1:3 dat we alreeds zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel. Wat kan hier nog aan toegevoegd worden?

 

Nee, van God af gezien is het helemaal compleet, God heeft werkelijk vanuit Zijn overstelpende liefde ons alles gegeven, daar ontbreekt niets aan. We zijn reeds burgers van een rijk in de hemelen, maar wanneer we naar onszelf kijken, dan weten we dat we nog steeds in ons "aardse pakkie" rondlopen, wat in "den beginne" goed geschapen is, maar door de zonde in een gebroken "staat" is terechtgekomen, en daardoor zeer gebrekkig is en waar heel wat aan mankeert. We kunnen ook maar ten dele bevatten wat we allemaal hebben ontvangen. We mogen ons uitstrekken naar de hemelse dingen, en daar zijn we hier ook mee bezig, maar ons denken en ons voelen, ja al onze zintuigen zijn aards gericht. We kunnen alleen maar drie dimensionale dingen bevatten (lengte, breedte en hoogte). Wat moeten we aan met de vierde dimensie (diepte)? We kunnen ons een kubus voorstellen, die heeft een breedte, een lengte en een hoogte, maar waar moeten we in die kubus de diepte plaatsen? Dit gaat ons bevattingsvermogen te boven.

 

We mogen weten dat we als leden van het Lichaam van Christus deel hebben aan de uitopstanding van tussen de doden uit. We weten dat we na ons aardse leven zullen opstaan in een verheerlijkt lichaam, een lichaam wat dán in staat zal zijn om vier-dimensionale zaken te bevatten, een lichaam wat in Christus zal zijn, en wat exact die taak zal uitvoeren, die in de hemel voor hem/haar is weggelegd.

 

Daarom kan ik van harte Paulus nazeggen:

  • "Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot in de dag van Christus Jezus." (Fil 1:6).

 

We mogen dit als een voortgaande opvoeding in geestelijke zaken zien, een opvoeding die hier op aarde reeds is begonnen, maar die vanwege onze aardse beperkingen niet volkomen kan worden, en daarom in een hogere dimensie zal worden voortgezet, tot in de dag van ChistusJezus. Ja, in Christus Zijn we nu reeds geestelijk volmaakt, maar we zullen daadwerkelijk in alle realiteit in die volmaaktheid wandelen, als we in Hem zijn thuisgehaald, en in het licht zijn geplaatst in Hem. En dán zullen we in dat nieuwe lichaam (zonderde belemmeringen van het oude lichaam) volledig de vierde dimensie kunnen leren bevatten door Gods werk, wat in ons wordt voortgezet.

Gods doel met de gelovigen IN Christus (= het Lichaam van Christus) is, om hen op de dag van Christus Jezus te laten verschijnen in heerlijkheid. (Kol 3:3-4). Om hiertoe in staat te zijn, worden wij door God toebereid. Dat is het goede werk wat Hij in ons doet en zal doen. Dat werk stopt niet op de dag van ons sterven, maar pas op de dag van Christus Jezus.

 

Samen met alle Heiligen.......

Een bijbelgedeelte wat hier heel nauw bij betrokken is, en wat we daarom ook willen noemen is Efeze 3: 14-21:

  • "Om die reden buig ik mijn knieën voor de Vader, naar wie alle geslacht in de hemelen en op de aarde genoemd wordt, opdat Hij u geve, naar de rijkdom zijner heerlijkheid, met kracht gesterkt te worden door zijn Geest in de inwendige mens, opdat Christus door het geloof in uw harten woning make. Geworteld en gegrond in de liefde, zult gij dan samen met alle heiligen, in staat zijn te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is, en te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods. Hem nu, die blijkens de kracht, welke in ons werkt, bij machte is oneindig veel meer te doen dan wij bidden of beseffen, Hem zij de heerlijkheid in de gemeente en in Christus Jezus tot in alle geslachten, van eeuwigheid tot eeuwigheid! Amen."

 

Hier staat toch dat we samen in staat zijn "te vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is". Kunnen we het dan tóch bevatten in het "hier en nu"?

 

De St. Vert. heeft dit vers zeer getrouw vertaald, en zegt in dit vers:

  • "Opdat gij ten volle kondet begrijpen met al de heiligen, welke de breedte, en lengte, en diepte, en hoogte zij."

 

In het Grieks staat: "hina exischuo katalambano (Opdat gij ten volle kondet begrijpen, bevatten) sun pas ho hagios (met al de heiligen) tis ho platos (hoe is de breedte) kai mekos (en lengte) kai hupsos (en hoogte) kai bathos (en diepte).

 

Om dit niet gemakkelijke vers te begrijpen, moeten we het wel in de context van geheel Efeze 3 plaatsen. Wanneer we dat in zijn geheel lezen, dan zien we dat Paulus de genade te beurt viel om de onnaspeurlijke rijkdom van Christus aan de heidenen te verkondigen. Deze rijkdom van Christus, dit geheimenis, was onnaspeurlijk in alle tot die tijd bekende Schrift. Van dit geheimenis is in het Oude Testament, in de Evangeliën, in de Handelingen en in alle Bijbelboeken die tijdens de Handelingen-periode geschreven zijn, geen spoor te vinden.

 

Tot op het moment dat deze niet eerder na te speuren rijkdom van Christus bekend werd, was er voor de gelovige heiden geen enkele hoop meer, toen Israël de Messias niet had te aanvaard. Waar moesten ze zich nog aan vast houden? De olijfboom, werd uitgehouwen. De wortel met zijn rijke sappen werd afgesneden en de gelovige heidenen, die als wilde loten op de olijfboom waren ingeënt (in de Handelingen periode), verloren hierdoor hun geestelijke basis. Wat een heerlijke boodschap moet het voor hen geweest zijn, toen Paulus het geheimenis aan deze gelovige heidenen bekend mocht maken en zij van deze bovenhemelse roeping hoorden:

  • Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen [wat] de bediening van het geheimenis [inhoudt], dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd.” (Efe. 3: 8-11)

 

Deze bedeling (bediening) van het geheimenis is een wezenlijk onderdeel van Gods plan der eeuwen. In de wijze raad van God was het verborgen, tot het tijdstip dat Paulus het bekend moest maken na Handelingen 28. Het is verbonden met een plaats in Gods Heiligdom aan Zijn rechterhand in de hemel, ver boven alle overheid en macht. Dáár is het ‘samen-lichaam’ van Christus met Hem gezet. Daar wandelen wij. Daar is ons hemels burgerschap. (Fil. 3:20). Dit is de positie van waaruit wij mogen leven. Wij moeten ons hart richten op de dingen die boven zijn, want ons leven is verborgen met Christus in God. (Kol. 3:1-4).

 

Het in staat zijn samen te vatten

Het samen (met alle heiligen) te vatten van de breedte en lengte en hoogte en diepte is, spreekt van een nauwe verbondenheid van de leden van het Lichaam van Christus. Ook staat er dat we samen in staat zijn om te kennen de liefde van Christus, die de kennis te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods. (Ef 3:18-19)

Tevens spreekt "het samen vatten" van een onderlinge verbondenheid tussen broeders en zusters, die samen deze dingen geloven én beleven. Deze verbondenheid en eenheid van het ‘samen-lichaam’ krijgt gestalte in het samen geloven en beleven én uitdiepen van dé verborgenheid. We hebben elkaar nodig om de grootheid van deze verborgenheid te bevatten.

 

Iets wat vier-dimensionaal is gaat ons begrip te boven. Wij kunnen ons alleen visueel voorstellen de dingen, die drie-dimensionaal zijn: lengte, breedte en hoogte. Paulus bidt hier voor ons dat Christus door het geloof in onze harten woning mag maken. Alleen in die gesteldheid (geworteld en gegrond in de liefde = agape), zullen wij in staat zijn dit te ‘vatten’, te ‘begrijpen’. Dit kunnen wij niet alleen, daar hebben wij elkaar voor nodig. Daarom staat er ook "samen met alle heiligen...." Waartoe zijn wij dan met elkaar in staat? Het geheimenis te vatten: hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is van de rijkdom der heerlijkheid van Zijn erfenis in de heiligen, ver boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij, het doel van de prijs der roeping Gods die boven is.

 

Een volkomen man

We hebben elkaar eveneens nodig om te groeien tot een volheid in Christus, dat we samen opwassen tot "een volkomen man”. Het geheimenis, de geschapen nieuwe mens in Christus, is een zeer wezenlijk onderdeel in Gods voornemen der eeuwen vanwege het doel wat God met het ‘samen-lichaam" heeft. In de bedeling (de bediening) van het geheimenis moet dit ‘samen-lichaam’ (deze nieuwe mens) tot de mannelijke rijpheid komen. “Totdat wij allen zullen komen tot de enigheid des geloofs en der kennis van den Zoon Gods, tot een volkomen man, tot de mate van de grootte der volheid van Christus.” (Efe. 4:13 SV)

 

Deze nieuwe mens (Gr. Anthropos Efe. 2:15; 4:24) moet door het werk der bediening naar het Hoofd opwassen (Efe. 4:15-16). Deze moet worden opgebouwd tot een volkomen man (Gr. Aner Efe. 4:12-13 SV), dit wil zeggen tot de mate van de wasdom der volheid van Christus.

In Efeze komt ‘aner’ (= man) zeven maal voor. Uit het gebruik van "man" in de Efeze-brief blijkt dat de gemeente van het ene lichaam opwast, wordt opgebouwd tot een volkomen man, tot een volwassen, huwbare man.

 

Het wordt door dit gegeven dan ook duidelijk dat de gemeente van het ene lichaam niet de bruid kan zijn, want het zou ongerijmd zijn om te spreken van een gemeente, die zowel de volwassen man is als de bruid. De gemeente, die Zijn Lichaam is, groeit op in de bedeling van het geheimenis naar het Hoofd (Efe. 4:15) en wordt in Christus de volkomen man, de bruidegom.

 

Geestelijk heeft God al deze dingen gereed, maar het zal volkomen realiteit worden wanneer God het "goede werk wat hij hier op aarde in ons is begonnen, straks in de hemel in ons voltooid (Fil 6:1). Dan zullen we ten diepste zien wat "de diepte" (vierde dimensie) inhoudt. Het huwelijk van de volwassen Man (= Christus én Zijn Lichaam) met zijn bruid (gemeente van eerstgeborenen) vindt niet plaats gedurende deze bedeling. Deze bruiloft wacht op de dag des Heren, waar een vergadering van gelovigen ( = de bruid) gereed zal staan om met de Man te trouwen. Dit geheimenis is groot, zegt Paulus (Efe. 5:31-32).

 

Helaas missen vele christenen in de laatste dagen van deze verborgenheid de liefde van Christus, waarin zij eigenlijk gegrond en geworteld zouden moeten zijn. Want alleen dán kunnen zij samen met alle heiligen vatten, hoe groot de breedte en lengte en hoogte en diepte is (van het Samen-Lichaam, 'de nieuwe mens') en te kennen de liefde van Christus (Efe. 3:17-19).

 

In de laatste dagen (= onze tegenwoordige tijd) staat Christus en Zijn liefde bij vele christenen niet in het middelpunt van de geloofsbeleving! De mens staat centraal met zijn eigenliefde. De gelovige van de laatste dagen wil genieten. Hij wil geestelijke entertainment. Hij wil in vervoering gebracht worden. Hij wil wonderen en tekenen zien. Hij wil ervaren. Hij wil gezichten zien. Hij wil het mysterie en de fabels, die zijn hart kunnen bevredigen. Hiermee begeeft die mens zich op het gebied van Gods tegenstander, en komt men onder invloed van de geest van Gods tegenstander.

 

Maar gij geheel anders:

"Maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt,

en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt,

jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods,

die van boven is, in Christus Jezus." (Fil 3:14)

 

 

Deel 32 volgt DV

Bert Boersma juli 2009, bijgewerkt november 2010 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 32)

 

De mens heeft geen ziel, maar is een ziel

We zouden nog aantonen aan de hand van de Bijbel dat de mens geen ziel heeft, maar een ziel is, die sterft. De mens heeft geen ziel, en al helemaal geen onsterfelijke ziel. Het woord “onsterfelijk” wordt in de Bijbel niet gevonden in verband met de ziel. De uitdrukking “onsterfelijke ziel” komt in de Bijbel niet voor, alhoewel het idee wijdverbreid is, en bijna ieder mens het wel gelooft. Voor de zeer sterke verbreiding van deze gedachte is (weer) de Griekse filosoof Plato verantwoordelijk. Later zijn de ideeën van Plato door de kerkvader Augustinus overgenomen, en aldus zijn deze ideeën in de christelijke theologie terecht gekomen.

Plato leerde dat het lichaam een kerker, een soort gevangenis, is voor de ziel, en dat de dood in werkelijkheid voor de ziel een soort bevrijding is. De onsterfelijke ziel zou eindelijk bij de dood van het lichaam uit zijn kerker worden vrijgelaten. En zo zou de ziel zijn gelukzaligheid vinden.

 

Dit is een volkomen valse voorstelling van zaken. Deze denkbeelden verheerlijken de dood en maken van de dood een verlossing, terwijl in werkelijkheid de dood geen eeuwig leven geeft, maar het loon der zonde is.

 

De Bijbel spreekt nergens over een onsterfelijke, of een eeuwige ziel, of van een eeuwigdurende ziel. Nergens beschrijven de schrijvers van de Bijbel de ziel op een wijze dat onze gedachten geleid zouden kunnen worden tot het idee van onsterfelijkheid. Voor een zo eerlijk mogelijk onderzoek naar de betekenis van het woord “ziel” is het daarom noodzakelijk dat wij ons eerst ontdoen van alle mogelijke ideeën en concepten, die wij misschien onbewust aan het woord “ziel” verbonden hebben. Alleen dan zijn wij vanuit Gods Woord in staat een verse blik op het woord “ziel” te krijgen.

 

Ziel in het O.T. “nephesj”

Het woord “ziel” is de Nederlandse vertaling van het Hebreeuwse woord “nephesj” in het Oude Testament, en van het Griekse woord “psuche” in het Nieuwe Testament. “Nephesj”, waar we het eerste naar zullen kijken, komt 751 keer voor, en het wordt op 76 verschillende manieren vertaald. Meestal wordt het in de NBG met “ziel” en “leven” vertaald. De volgende teksten zullen ons helpen de Bijbelse betekenis van “nephesj/ziel” te begrijpen door er acht op te geven onder welke omstandigheden het gebruikt wordt.

  • En God zeide: Dat de wateren overvloediglijk voortbrengen een gewemel van levende zielen (=nephesj); en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! En God schiep de grote walvissen, en alle levende wremelende ziel(=nephesj), welke de wateren overvloediglijk voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.” (Gen 1:20-21 SV)

 

Dit zijn de eerste twee keren dat “nephesj” voorkomt in de Bijbel. De NBG vertaald het met “wezen”, de St. Vert. met “ziel”. Het laat ons zien dat alle wemelende schepselen zielenzijn. Zij hebben niet een ziel, maar zij ZIJN zielen, dat is wezenlijk, fundamenteel iets anders.

  • En God zeide: De aarde brenge levende zielen (=nephesj)voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.” (Gen 1:24 SV)

 

Het is duidelijk dat “nephesj/ziel” gebruikt wordt voor alle dieren. Verder ontdekken wij dat “zielen” levende krioelende dieren zijn, die leven bezitten:

  • Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel (=nephesj)is, (NBG: “waarin leven is”) heb Ik al het groene kruid tot spijze gegeven. En het was alzo.” (Gen 1:30).

 

God gebruikt hier dit woord voor alle dieren, alle vogels, en al wat op de aarde kruipt, waarin leven (nephesj) is. In Gen 2 vinden we voor de eerste keer dat “nephesj” gebruikt wordt voor de mens.

  • En de HEERE God had den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel (=nephesj). (Gen 2:7 SV)

 

Toen de mens de adem des levens van God ontving werd hij een levende ziel. Zowel mens als dier wordt beschreven als “chaj nephesj” (levende ziel) bij de schepping, en zijn dus wat dit betreft aan elkaar gelijk. Men leert daarentegen altijd dat mens en dier van elkaar zouden verschillen. De mens zou een ziel hebben, het dier niet. Maar uit deze teksten blijkt dat dit niet waar is. Zowel mens en dier hebben geen ziel, maar zijn een ziel. De St. Vert. is hier gelukkig heel consequent in zijn vertaling, en laat deze belangrijke overeenkomst niet onopgemerkt voorbijgaan. Net zoals in het geval van het dier kunnen wij van de mens zeggen dat hij een levende ziel is. Beiden zijn een levend en krioelend schepsel. Ziel (leven) in mens en dier wordt door Job nog duidelijker naar voren gebracht:

  • Wie weet niet uit alle deze, dat de hand des HEEREN dit doet? In Wiens hand de ziel (=nephesj)is van al wat leeft, en de geest van alle vlees des mensen.” (Job 12:9-10)

 

Wanneer “ziel” wordt begrepen als “leven”, dan is er geen probleem in het verstaan, dat zowel mens als dier dit volledig bezit. De Schrift geeft duidelijk aan dat beide, levende, krioelende en ademende schepselen zijn. Beiden zijn “chaj nephesj”, en dit wijst er dus op dat beide dezelfde ziel (= hetzelfde leven) hebben.

 

Wat mens en dier tevens gemeenschappelijk hebben, is het bezit van bloed, die leven-gevende vloeistof, waar God zo'n bijzondere betekenis aan hecht. Aan Noach en zijn familie na de zondvloed, op de gereinigde aarde, werd gezegd, dat zij alles mochten eten, alles wat zich roert. “Wat leeft zal u tot spijze zijn.” Maar God gaf ten aanzien van vlees met “nephesj” erin, bijzondere instructies:

  • Al wat zich roert, dat levend is, zij u tot spijze; Ik heb het u al gegeven, gelijk het groene kruid. Doch het vlees met zijn ziel, dat is zijn bloed, zult gij niet eten.” (Gen 9:3-4)

 

God verbood Noach en zijn familie om vlees te eten met bloed er nog in. Hij stelde symbolisch bloed gelijk aan “nephesj”, omdat Hij wilde, dat zij zouden begrijpen, dat bloed, evenals ziel, het leven vertegenwoordigt. Beiden vertegenwoordigen het leven. Deze overeenkomst tussen bloed en ziel wordt in de wet nog verder benadrukt, waar het gebod om zich van bloed te onthouden, herhaald wordt. Zelfs in de Handelingen worden daartoe de heidenen, die tot geloof komen, verplicht (Hand 15:19-20).

  • Alleen houdt vast, dat gij het bloed niet eet; want het bloed is de ziel; daarom zult gij de ziel met het vlees niet eten; Gij zult dat niet eten; op de aarde zult gij het uitgieten als water; Gij zult dat niet eten; opdat het u, en uw kinderen na u, welga, als gij zult gedaan hebben, wat recht is in de ogen des HEEREN.” (Deut 12:23-25)

 

Wanneer bloed van een dier op de grond wordt uitgegoten, dan wordt figuurlijk ook zijn leven, (= zijn ziel) uitgestort. Bloed vertegenwoordigt het leven dat God aan Zijn schepselen gegeven heeft, en vanwege deze symbolische waarde mocht het niet gegeten worden. De nauwe verwantschap van bloed met “nephesj” was een belangrijke omstandigheid in de dierlijke offers onder de wet, waar dierlijk leven werd geofferd als een voorafschaduwing van het grotere offer (= Christus) dat gebracht zou worden. Net zoals bloed van een dier “leven” vertegenwoordigde, zo vertegenwoordigde het bloed van onze Heiland ook leven, toen het werd uitgestort op het kruis. Het storten van Zijn bloed betekent dat Hij Zijn leven voor ons heeft gegeven. Zonder het vergieten van Zijn bloed, en in het bijzonder de dood als resultaat daarvan, zou er geen vergeving van zonden zijn geweest voor de mensheid.

  • Maar Christus, opgetreden als hogepriester der goederen, die gekomen zijn, is door de grotere en meer volmaakte tabernakel, niet met handen gemaakt, dat is, niet van deze schepping, en dat niet met het bloed van bokken en kalveren, maar met zijn eigen bloed, eens voor altijd binnengegaan in het heiligdom, waardoor Hij een eeuwige verlossing verwierf.” (Hebr 9:11-12).

 

In hoeverre wij wel of geen bloed mogen eten, is een vraag, die we misschien het beste als volgt kunnen beantwoorden. Voor de christen van vandaag geldt er niet een wet, die zegt, dat het niet mag, maar als wij zien hoe sterk God er in Oud en Nieuw Testament er de nadruk op legt, dit niet te doen, en wij de symbolische betekenis ervan begrijpen, dan denk ik dat wij uit respect voor het “leven”, en uit respect voor de bloedstorting van Christus op het kruis, er verstandig aan doen geen bloed te eten. Toch zal dit in de praktijk moeilijk zijn, omdat in talloze producten, waarvan wij het niet verwachten, dierlijk bloed is verwerkt.

 

Sommige christenen weigeren bloedtransfusie op grond van deze teksten, die over het bloed en de ziel gaan, maar dit komt voort uit een verkeerd begrip van het woord “ziel”. Als wij bloed geven aan de ander, geven wij volgens de bijbelse betekenis “leven” aan de ander. Geen zonden, of geaardheid, of persoonlijke eigenschappen worden overgedragen bij een bloedtransfusie.

In het volgende voorbeeld wordt “nephesj” in een iets andere strekking gebruikt. Het laat ons zien dat aan mensen die leven hebben, (= ziel hebben) gewoonlijk gerefereerd wordt als aan zielen:

  • Dit waren de zonen van Lea, die zij aan Jakob gebaard heeft in Paddan-Aram, benevens zijn dochter Dina. Het gehele zielental (St.Vert.: “al de zielen = “nephesj”) van zijn zonen en dochters was drieëndertig.” (Gen 46:15).

 

Zielen zijn schepsels met leven. In Gen 46:15 zijn “zielen” dus personen, die wij kunnen tellen, die we kunnen aanraken. Zo ook Deut 10:22. “Met zeventig zielen trokken uw vaderen naar Egypte”. “Nephesj” wordt daarom ook veel gebruikt als persoonlijk voornaamwoord:

  • Gen 27:4 NBG: “ bereid mij dan een smakelijk gerecht, zoals ik het gaarne heb, en breng het mij, opdat ik ete; dan zal ik (grondtekst = “nephesj”) u zegenen, eer ik sterf.
  • Gen 27:4 SV: “En maak mij smakelijke spijzen, zo als ik die gaarne heb, en breng ze mij, dat ik ete; opdat mijn ziel (grondtekst = “nephesj”) u zegene, eer ik sterve.”

 

Mijn ziel is in deze tekst hetzelfde als “ik”. Hier belooft Izaäk zijn zoon Ezau te zullen zegenen voor zijn dood, maar het is Izaäk zelf die de zegen zal geven, niet Izaäk's “ziel”. Het gebruik in deze tekst van ziel, is een voorbeeld van de beeldspraak, die “synecdoche” wordt genoemd, waar een aspect van iets genomen wordt voor het geheel. In dit geval wordt een essentieel aspect van de mens (zijn leven, zijn ziel) genomen voor de gehele persoon. Een ander voorbeeld van “synecdoche” vinden wij bijvoorbeeld in Rom 3:15, waar we lezen: “Snel zijn hun voeten om bloed te vergieten.” Ook hier wordt een essentieel aspect van de mens, “zijn voeten”, figuurlijk gebruikt voor de gehele mens.

 

Voor de duidelijkheid om deze dingen beter te verstaan: Op internet vond ik de volgende omschrijvingen v.w.b Synecdoche: Een synecdoche is in de grammatica en de retorica een stijlfiguur waarbij een klein deel en een groter geheel met elkaar in verband worden gebracht. Synecdoche is een vorm van beeldspraak.

Een “deel” duidt in werkelijkheid een groter geheel aan. Voorbeelden:

  • Ze hadden vele monden te voeden.
  • Met een vloot van slechts twintig zeilen was hij bij voorbaat kansloos.
  • Hij was de held van het groene laken.

Met monden wordt bedoeld "mensen", met zeilen "schepen", met groene laken "biljarttafel" of zelfs "biljartspel".

 

De letterlijke vertaling van de St. Vert. in Gen 27:4, en elders, kan de lezer misschien op de gedachte brengen, alsof Izaäk een apart zieltje bezit, die buiten Izaäk om allerlei zaken doet. Maar dat is natuurlijk niet het geval. Als wij lezen: “Mijn ziel weigert...” (Ps 77:2), en “Mijn ziel haat....” (Jes 1:14), en “Mijn ziel zal wenen....” (Jer 13:17), dan is de betekenis achter deze beeldspraak dat “ik weiger”, en dat “ik haat”, en dat “ik zal wenen”. De persoon zelf verricht alle handelingen en is de bron van al deze gevoelens. Dus wanneer “nephesj” gebruikt wordt als een persoonlijk voornaamwoord, zoals in de tekst hieronder, dan begrijpen wij dat het betekent dat de psalmist zelf aan de greep van de dood is ontsnapt:

  • Indien de HEERE mijn hulp niet was geweest, mijn ziel (grondtekst = “nephesj”) zou bijna in de stilte (het graf) gewoond hebben.” (Ps 94:17)

 

Zonder de hulp van de Heere zou hij, (niet zijn eeuwige ziel), gewoond hebben in de stilte van het graf. Wanneer de lezer onbekend zou zijn met het gebruik hier van “synecdoche”, dan zouden de woorden “mijn ziel” steun lijken te geven aan de traditionele leer van de onsterfelijke ziel.

Laten wij bij de volgende tekst, Num 23:10, eens kijken hoe de vertalers van de NBG wél plotseling “ik” vertalen in plaats van “mijn ziel”, omdat deze tekst anders in strijd zou zijn met hun traditionele zienswijze.

  • St Vert: “Wie zal het stof van Jakob tellen, en het getal, ja, het vierde deel van Israël? Mijn ziel (grondtekst = “nephesj”) sterve den dood der oprechten, en mijn uiterste zij gelijk het zijne!” (Num 23:10).
  • NBG: “Wie telt het stof van Jakob en wie berekent de drommen van Israël? Sterve ik zelf (grondtekst = “nephesj”) de dood der oprechten en zij mijn einde daaraan gelijk!” (Num 23:10)

 

Het is nogal duidelijk dat de persoonlijke overtuiging van de vertalers van de NBG hen ervan heeft weerhouden om hier “mijn ziel” te gebruiken, omdat de traditie leert dat de mens een onsterfelijke ziel heeft, die na het sterven naar de hemel gaat, en deze tekst toont duidelijk aan dat de “ziel”, de mens, sterft. De meer consequente vertaling, “sterve mijn ziel de dood der oprechten”, zoals de Staten Vertalers hebben vertaald, zou ongetwijfeld tonen, dat de ziel van de oprechte onderworpen is aan de dood. Daarom werd nu in de NBG voor “ik zelf” gekozen. Het gebruik van “ik zelf” is hier taalkundig gezien niet verkeerd, want “nephesj” wordt hier gebruikt als persoonlijk voornaamwoord. Maar “ik zelf” wordt hier toegepast om het feit te verbergen, dat hier “nephesj” wordt gebruikt, en dat hier over “nephesj/ziel” wordt gezegd, dat die onmiskenbaar sterfelijk is.

De woorden van Ruben in Gen 37:21 zijn in de NBG op gelijke wijze als boven overgezet: “Laten wij hem (“nephesj”) niet doodslaan”, terwijl een consequente vertaling zou zijn geweest: “Laten wij zijn ziel (“nephesj”) niet doodslaan”.

De sterfelijkheid van de ziel “nephesj” komt ook in andere teksten onbetwistbaar naar voren.

  • En voorwaar, Ik zal uw bloed, het bloed uwer zielen (grondtekst = “nephesj”) eisen; van de hand van alle gedierte zal Ik het eisen; ook van de hand des mensen, van de hand eens iegelijken zijns broeders zal Ik de ziel (grondtekst = “nephesj”) des mensen eisen. Wie des mensen bloed vergiet, zijn bloed zal door den mens vergoten worden; want God heeft den mens naar Zijn beeld gemaakt.” ( Gen 9:5-6 St.Vert.)
  • En waarlijk, Ik zal uw eigen (grondtekst = “nephesj”) bloed eisen; van al het gedierte zal Ik het eisen en van de mensen onderling zal Ik het leven (grondtekst = “nephesj”) des mensen eisen. Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt. (Gen 9:5-6 NBG)

 

Op zich is de vertaling van de NBG niet verkeerd, want er staat wel wat er wordt bedoeld, maar ook hier verbergt de NBG door de vertaling dat de ziel sterfelijk is. In dit voorbeeld vertelt God aan Noach en zijn kinderen, dat Hij het bloed van hun ziel zal eisen, ja het bloed van hun lichaam, van hun leven, als zij het leven nemen van iemand anders. Een ziel is een leven, en dat leven kan verloren worden. In sommige gevallen kan het tot een vroegtijdig einde komen door bloedvergieten bij moord of de doodstraf.

 

Lev 24:17-18 St. Vert.:

  • “En als iemand enige ziel(“nephesj”) des mensen zal verslagen hebben, hij zal zekerlijk gedood worden. Maar wie de ziel(“nephesj”) van enig vee zal verslagen hebben, hij zal het wedergeven, ziel (“nephesj”) voor ziel (“nephesj”).”

Lev 24:17-18 NBG:

  • “Ook wanneer iemand enig mens (“nephesj”) doodslaat, zal hij zeker ter dood gebracht worden.18 Maar wie een stuk (“nephesj”) vee doodt, zal dat vergoeden: stuk (“nephesj”)voor stuk (“nephesj”).” (In de NBG is in de vertaling geen “ziel” terug te vinden).

 

Wanneer een mens de “nephesj” van een andere man doodt, dan zal hij de doodstraf krijgen. Als hij de “nephesj” van andermans beest doodt, dan zal hij het vergoeden. “Nephesj” voor “nephesj” = ziel voor ziel = leven voor leven.

  • Wanneer nu mannen kijven, en slaan een zwangere vrouw, dat haar de vrucht afgaat, doch geen dodelijk verderf zij, zo zal hij zekerlijk gestraft worden, gelijk als hem de man der vrouw oplegt, en hij zal het geven door de rechters. Maar indien er een dodelijk verderf zal zijn, zo zult gij geven ziel (“nephesj”) voor ziel (“nephesj”). Oog voor oog, tand voor tand, hand voor hand, voet voor voet. Brand voor brand, wond voor wond, buil voor buil.” (Ex 21:22-25).

 

Wij zien hier wederom dat de zielvan de mens geëist kan worden bij moord. Dit betekent dat het “leven” van die mens geëist wordt. Net zoals een hand of een voet kan worden afgenomen, kan ook het leven worden afgenomen door middel van de doodstraf.

  • Ziet, alle zielen (“nephesj”) zijn Mijne; gelijk de ziel (“nephesj”) des vaders, alzo ook de ziel (“nephesj”) des zoons, zijn Mijne; de ziel (“nephesj”), die zondigt, die zal sterven. Wanneer nu iemand rechtvaardig is, en doet recht en gerechtigheid; Niet eet op de bergen, en zijn ogen niet opheft tot de drekgoden van het huis Israëls; noch de huisvrouw zijns naasten verontreinigt, noch tot de afgezonderde vrouw nadert; En niemand verdrukt, den schuldenaar zijn pand wedergeeft, geen roof rooft, den hongerige zijn brood geeft, en den naakte met kleding bedekt; Niet geeft op woeker, noch overwinst neemt, zijn hand van onrecht afkeert, waarachtig recht tussen den een en den anderen oefent; In Mijn inzettingen wandelt, en Mijn rechten onderhoudt, om trouwelijk te handelen; die rechtvaardige zal gewisselijk leven, spreekt de Heere HEERE. Heeft hij nu een zoon gewonnen, die een inbreker is, die bloed vergiet, die zijn broeder doet een van deze dingen; En die al die dingen niet doet; maar eet ook op de bergen, en verontreinigt de huisvrouw zijns naasten; Verdrukt den ellendige en den nooddruftige, rooft veel roofs, geeft het pand niet weder, en heft zijn ogen op tot de drekgoden, doet gruwel; Geeft op woeker, en neemt overwinst; zou die leven? Hij zal niet leven, al die gruwelen heeft hij gedaan; hij zal voorzeker gedood worden; zijn bloed zal op hem zijn!” (Ez 18:4-13).

 

Israël werd door de Heere duidelijk geïnstrueerd, iedereen ter dood te brengen, die een bloedvergieter was. Men moest onmiddelllijk de doodstraf toedienen, om te voorkomen dat de maatschappij wetteloos zou worden. In Lev 20 kunnen wij nog meer lezen over de doodstraf. Steeds komen wij ook daar de zinsnede tegen: “Zijn bloedschuld rust op hem.” (Lev 20 vers 10, 11, 12, 13, 16 en 27). De bloedvergieter ontving de doodstraf door steniging. De “ziel” die zó zondigde stierf een bloedige dood door de handen van het volk, en geen geestelijke dood, zoals vaak gesuggereerd wordt.

De sterfelijkheid van de “ziel” kunnen wij ook ontdekken in de volgende tekst uit Genesis, waar Lot, de neef van Abraham, gewaarschuwd wordt door de Heere voor het komende oordeel over Sodom. Nadat de engelen en zijn gezin buiten de stad geleid hadden, raadden zij hen aan te rennen voor hen leven:

  • En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens(= “nephesj”) wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. 18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere! 19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel(= “nephesj”) te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve!” Gen 19:17-19

 

Lot was in staat zijn ziel te redden door te vluchten naar de bergen. Als hij in het gebied was gebleven, dan had hij zijn leven verloren. Het is duidelijk dat “nephesj” onderworpen is aan de dood, maar dat de vertaling dit feit vaak verdoezelt, zoals uit het volgende voorbeeld ook blijkt:

  • Richt 12:2-3 St.Vert.: “En Jeftha zeide tot hen: Ik en mijn volk waren zeer twistig met de kinderen Ammons; en ik heb ulieden geroepen, maar gij hebt mij uit hun hand niet verlost. Als ik nu zag, dat gij niet verlostet, zo stelde ik mijn ziel(= “nephesj”) in mijn hand, en toog door tot de kinderen Ammons, en de HEERE gaf hen in mijn hand; waarom zijt gij dan te dezen dage tot mij opgekomen, om tegen mij te strijden?”
  • Richt 12:2-3 NBG: “Maar Jefta zeide tot hen: Ik en mijn volk hadden een hevige twist met de Ammonieten; toen riep ik u, maar gij hebt mij niet uit hun macht gered. Toen ik zag, dat gij niet ter redding kwaamt, heb ik mijn leven(= “nephesj”) op het spel gezet en ben ik tegen de Ammonieten opgetrokken, en de HERE heeft hen in mijn macht gegeven. Waarom zijt gij dan heden tegen mij opgetrokken om mij te bestrijden?

 

Hier zegt Jefta letterlijk dat hij zijn “nephesj” op het spel heeft gezet, toen hij tegen de Ammonieten optrok. Het moge duidelijk zijn dat Jefta vreesde zijn “ziel” te verliezen in de dodelijke confrontatie met de vijand. Dat Jefta als een “chaj nephesj” (levende ziel) wilde voortleven, is heel begrijpelijk, want wanneer het leven ten einde komt sterf de mens, of anders gezegd, sterft de ziel.

 

Onderstaande drie teksten geven een indruk hoe “nephesj” in de grondtekst wordt gebruikt, en hoe de vertalers er mee zijn omgegaan. Voor de duidelijkheid zijn zowel de NBG als de Staten Vertaling weergegeven:

  • Num 19:13 NBG: “Ieder die een lijk, enig mens, die gestorven is, aanraakt, en zich niet ontzondigt, verontreinigt de tabernakel des HEREN, en hij (grondtekst = “nephesj”) zal uit Israël uitgeroeid worden; omdat het water der reiniging op hem niet gesprengd werd, zal hij onrein wezen; zijn onreinheid is nog op hem.”
  • Num 19:13 St.Vert.: “Al wie een dode, het dode lichaam eens mensen, die gestorven zal zijn, aanroert, en zich niet ontzondigd zal hebben, die verontreinigt den tabernakel des HEEREN; daarom zal die ziel (grondtekst = “nephesj”) uitgeroeid worden uit Israël; omdat het water der afzondering op hem niet gesprengd is, zal hij onrein zijn; zijn onreinigheid is nog in hem.”

 

  • Lev 21:10-11 NBG: “En de priester, die de hoogste is onder zijn broeders, op wiens hoofd de zalfolie is gegoten en die men gewijd heeft, door hem de heilige klederen aan te trekken, zal zijn hoofdhaar niet los laten hangen en zijn klederen niet scheuren. Bij geen enkele dode(grondtekst = “nephesj”) zal hij komen; aan zijn vader of moeder zal hij zich niet verontreinigen.”
  • Lev 21:10-11 St.Vert.: “En hij, die de hogepriester onder zijn broederen is, op wiens hoofd de zalfolie gegoten is, en wiens hand men gevuld heeft, om die klederen aan te trekken, zal zijn hoofd niet ontbloten, noch zijn klederen scheuren. Hij zal ook bij geen dode(grondtekst = “nephesj”) lichamen komen; zelfs over zijn vader en over zijn moeder zal hij zich niet verontreinigen."

 

  • Hag 2:14 NBG: “En Haggai zeide: Indien iemand onrein geworden door een lijk(grondtekst = “nephesj”), iets van al deze dingen aanraakt, wordt het dan onrein? De priesters antwoordden: Het wordt onrein.”
  • Hag 2:14 St.Vert.: “En Haggaï zeide: Indien iemand, die onrein is van een dood lichaam(grondtekst = “nephesj”), iets van die dingen aanroert, zal het onrein worden? En de priesters antwoordden, en zeiden: Het zal onrein worden.”

 

We zien in al deze teksten, waarin de grondtekst “ziel” staat, dat het gaat over de mens als een persoon. Conclusie tot nu toe: De mens is een ziel, en het woord “ziel” wordt ook gebruikt om het leven (door het bloed) in de mens aan te duiden. Van een vermeende apart bestaande “ziel”, die na het sterven naar de hemel gaat, vinden we niets in het Oude Testament.

 

De volgende keer over “ziel” in het N.T.

 

Deel 33 volgt DV

Bert Boersma Januari 2011 boersmabpost@kpnmail.nl

 

  

Hem Kennen....... (deel 33)

 

Ziel in het N.T. “psuche”

Zoals we hebben gezien is het woord “ziel” de Nederlandse vertaling van het Hebreeuwse woord “nephesj” in het Oude Testament, en van het Griekse woord “psuche” in het Nieuwe Testament. In het vorige deel van “Hem Kennen” hebben we onderzocht wat “de ziel” is in het O.T. We gaan ons nu richten op het N.T. Het is al eerder gezegd, maar het is echt belangrijk voor een zo eerlijk mogelijk onderzoek naar de betekenis van het woord “ziel”, dat wij ons eerst ontdoen van alle mogelijke ideeën en concepten, die wij misschien onbewust aan het woord “ziel” verbonden hebben. Alleen dán zijn wij vanuit Gods Woord in staat een verse blik op het woord “ziel” te krijgen.

 

De leer, dat de ziel blijft leven na de dood is uit de Griekse mythologie overgenomen.

Ze dachten dat de opstanding reeds had plaatsgehad in het levend maken van de ziel. Het lichaam sterft dus wel, maar de ziel leeft voort. De opstanding was dus niet nodig. Het lichaam was maar lastig en overbodig, zo leerden Plato en Aristotelos.

Maar helaas zijn er ook vandaag veel christenen, die dit geloven. Deze gedachte is afkomstig uit de heidense overlevering. Wanneer men deze dingen gelooft, dan wordt de opstanding eigenlijk overbodig, want de ziel is immers al in de hemel bij de Heere.

Wat had God ook alweer gezegd? “Ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.” (Gen 2:17). En wat zei de slang? “Gij zult geenszins sterven.” (Gen 3:4). Dit ging regelrecht in tegen wat God had gezegd. Wat geloven wij? Geloven wij God of satan? Geloven wij de leugenaar van den beginne? De Bijbel leert dat de gehele mens in het graf komt.

 

Wanneer in het N.T. een tekst uit het O.T. Wordt aangehaald, waarin “nephesj” voorkomt, gebruikt het N.T. het Griekse woord “psuche”. We kunnen dat zelf controleren in de grondtekst door bijvoorbeeld Ps 16:10 te vergelijken met Hand 2:27 in de grondtekst (= dezelfde teksten die we ook al bij het onderzoek naar “hades” hebben gebruikt).

 

Ps 16:10:

  • St Vert.: “Want Gij zult mijn ziel (nephesj) in de hel niet verlaten; Gij zult niet toelaten, dat Uw Heilige de verderving zie.”
  • NBG: “Want Gij geeft mijn ziel (nephesj) niet prijs aan het dodenrijk, noch laat Gij uw gunstgenoot de groeve zien.”

Hand 2:27:

  • St.Vert.: “Want Gij zult mijn ziel(psuche) in de hel niet verlaten, noch zult Uw Heilige overgeven, om verderving te zien.”
  • NBG: “Omdat Gij mijn ziel (psuche) niet aan het dodenrijk zult overlaten, noch uw heilige ontbinding doen zien.”

 

Psuche” komt in het N.T. 105 keer voor, en het wordt meestal vertaald door “ziel” of “leven”. De betekenis is dezelfde zoals we die gevonden hebben in het O.T. Bij “nephesj”.

 

Net zoals “nephesj” wordt ook “psuche” gebruikt in relatie tot de dieren:

  • En het derde deel der schepselen in de zee, die leven(grondtekst: psuche) hadden, is gestorven; en het derde deel der schepen is vergaan.” (Openb 8:9).

 

Net zoals “nephesj” wordt ook “psuche” gebruikt in relatie tot de dieren. Hier in Openb 8:9 zien wij dat dieren ziel hebben, oftewel leven, terwijl Openb 16:3 laat zien dat dieren zielen zijn:

Openb 16:3:

  • St.Vert.: “En de tweede engel goot zijn fiool uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode; en alle levende ziel(psuche) is gestorven in de zee.”
  • NBG: “En de tweede goot zijn schaal uit in de zee, en zij werd bloed als van een dode, en alle levende wezens(psuche), die in de zee waren, stierven.”

 

In het volgende voorbeeld, in 1 Kor 15:45, herbevestigd de apostel Paulus het onderwijs, zoals wij dat onderzocht hebben in Gen 2:7

  • Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel(psuche); de laatste Adam tot een levendmakenden Geest.” (1 Kor 15:45).

 

We zien dus wederom dat “psuche” net zoals “nephesj” wordt gebruikt om de mens in zijn schepping te beschrijven. Hieronder zien wij dat het op een gelijke wijze wordt toegepast om een persoon of personen voor te stellen: Hand 2:41:

  • Zij dan, die zijn woord aanvaardden, lieten zich dopen en op die dag werden ongeveer drieduizend zielen(psuche) toegevoegd.”

 

Net als “nephesj” wordt “psuche” gebruikt als zelfstandig voornaamwoord, zoals het volgende voorbeeld uit Mattheüs laat zien. Het wordt hier gebruikt voor God zelf.

  • Ziet, Mijn Knecht, Welken Ik verkoren heb, Mijn Beminde, in Welken Mijn Ziel(psuche) een welbehagen heeft; Ik zal Mijn Geest op Hem leggen, en Hij zal het oordeel den heidenen verkondigen.” (Math 12:18).

 

We zien hier dat God in Zijn Woord, “psuche” op dezelfde wijze gebruikt als “nephesj”, namelijk figuurlijk met behulp van de beeldspraak “synecdoche” (zie vorig schrijven): “In wie Ik een welbehagen heb” De betekenis van “ziel” blijft dus in heel Gods Woord consequent dezelfde.

In de nu volgende voorbeelden zullen we nog zien, dat net zoals bij “nephesj”, “psuche” het leven van de mens is, dat verloren kan gaan.

 

Math 20:2:

  • St.Vert.: “Zeggende: Sta op, neem het Kindeken en Zijn moeder tot u, en trek in het land Israëls; want zij zijn gestorven, die de ziel van het Kindeken zochten.
  • NBG vertaling heeft “psuche” helemaal wegvertaald: “En zegt: Sta op, neem het kind en zijn moeder en reis naar het land Israël, want zij, die het kind naar het leven stonden, zijn gestorven.”

 

Christus' kinderziel (Zijn leven) werd gezocht door Herodes, die alles in het werk stelde om Hem om te brengen (Math 2:13). Dit vers maakt duidelijk, dat wie iemands leven probeert te nemen, tracht de ziel te doden. Ook de teksten hieronder benadrukken dat “psuche” sterfelijk is.

 

Joh 15:13

  • Niemand heeft meerder liefde dan deze, dat iemand zijn leven(psuche) zette voor zijn vrienden.”

Joh 10:11

  • St.Vert.: “Ik ben de goede Herder; de goede herder stelt zijn leven (psuche) voor de schapen.”
  • NBG: “Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijnleven (psuche) in voor zijn schapen”

Math 10:39

  • St.Vert.: “Die zijn ziel (psuche) vindt, zal dezelve verliezen; en die zijn ziel (psuche) zal verloren hebben om Mijnentwil, zal dezelve vinden.”
  • NBG: “Wie zijn leven(psuche) vindt, zal het verliezen, maar wie zijn leven(psuche) verliest om Mijnentwil, zal het vinden.”

 

Zij die hun zielen (= hun leven) inzetten voor een ander, geven zichzelf over aan de dood. In het voorbeeld van Math zien we dat iemand zijn leven, zijn ziel, zijn psuche kan geven voor het evangelie als getuige van Jezus Christus. De gelovige mens kan in de tegenwoordige wereld zijn ziel (leven) “vinden”, maar hij kan die ziel, dat leven, onmogelijk in de komende “eeuw” bij de opstanding “verliezen”.

De martelaar, die terwille van zijn getuigenis is omgebracht, krijgt daarentegen de verzekering, dat hij zijn leven (psuche) in de opstanding zal vinden.

  • Legt dus af alle vuilheid en alle uitwas van boosheid en neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan, dat uw zielen(psuche) kan behouden.” (Jac 1:21).

 

Psuchikos” = “ziellijk”

Alle gelovigen zullen hun leven, (oftewel hun ziel) in de opstanding ten leven terug vinden, want zij hebben in Christus deel aan eeuwig leven. Nog een opmerking over het woord “psuche” in relatie tot 1 Kor 15 is wel op zijn plaats. De apostel Paulus gebruikt daar het woord “psuchikos” in 1 Kor 15:44. Let op het gebruik van “natuurlijk” (= “psuchikos”) en “geestelijk” (= “pneumatikos”). Paulus legt uit dat er een verschil is tussen het tegenwoordige aardse lichaam en het toekomstige geestelijke lichaam:

 

Een natuurlijk(grondtekst = “psuchikos”) lichaam wordt er gezaaid, een geestelijk(grondtekst = pneumatikos) lichaam wordt er opgewekt. Er is een natuurlijk(= “psuchikos”) lichaam, en er is een geestelijk(= pneumatikos) lichaam. Alzo is er ook geschreven: De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel (= psuche); de laatste Adam tot een levendmakenden Geest. Doch het geestelijke is niet eerst, maar het natuurlijke(= “psuchikos”), daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, aards; de tweede Mens is de Heere uit den Hemel. Hoedanig de aardse is, zodanige zijn ook de aardsen; en hoedanig de Hemelse is, zodanige zijn ook de hemelsen. En gelijkerwijs wij het beeld des aardsen gedragen hebben, alzo zullen wij ook het beeld des Hemelsen dragen.” (1 Kor 15:44-49).

 

Paulus verklaart hier, dat het eerste lichaam, het lichaam waarmee wij geboren zijn, “psuchikos” is. Voor “psuchikos” bestaat er in het Nederlands geen woord waarmee we het kunnen vertalen, maar “zielig” of “ziellijk zijn woorden, die ons helpen de betekenis te begrijpen. Dus terwijl het eerste natuurlijke lichaam “ziellijk” is, is het opstandingslichaam in tegenstelling geestelijk.

Dit is belangrijk, want wij zien hieruit, dat het lichaam wat “ziellijk” is, wat natuurlijk is, wat vlees en bloed is, wat aards is, niet bestemd is voor onsterfelijkheid of eeuwigheid. Integendeel, wij zien dat dit lichaam, dat gemaakt is uit stof, tegenover een lichaam wordt geplaatst, dat waarlijk onsterfelijk is: Het Geestelijke lichaam van de opstanding.

Dit gebruik van “psuchikos” helpt ons in het ontdekken wat de ware aard van “ziel” is.

 

[Uit deze tekst blijkt overduidelijk dat de “psuche”, de ziel onmogelijk naar de hemel kan gaan bij het sterven van de mens, zoals veelal wordt geleerd.]

 

Ziel blijkt dus niet onsterfelijk te zijn, maar vergankelijk. Alles wat “ziellijk” is, zal niet voortbestaan, of worden overgeplaatst naar een nieuw lichaam. De in leven zijnde gelovige van 1 Kor 15 zou bij Christus' wederkomst op aarde beleven, dat zijn ziellijk lichaam plotseling overbodig wordt, en overgaat in een onvergankelijk geestelijk lichaam. (Dat was toen de hoop van de gelovigen in de Handelingen tijd).

De gelovige van onze bedeling, wanneer hij/zij tot het Lichaam van Christus behoort, zal bij de uitopstanding van tussen de doden uit gelijkvormig worden aan Zijn verheerlijkt lichaam (Fil 3:11 en 21). Want gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben (is dan verleden tijd, heeft dan afgedaan), zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.

 

Totaal zijn er 856 tekstplaatsen met “nephesj/psuche/ziel, maar wij hebben er niet één gevonden die spreekt over de onsterfelijke of niet-stervende ziel. Wanneer een ziel sterft, treedt de dood in van de “ziel”, of anders gezegd: dan treedt de dood in van datgene wat de ziel in werkelijkheid is, van het lichaam. Dit zien wij niet alleen in de praktijk van ons dagelijks leven, maar ook in de dood, waar vele tekstplaatsen leren, dat er in de dood geen gedachtenis is, geen lof of prijs, maar duisternis en vergetelheid.

  • Ps 6:5-6: “Keer weder, HEERE, red mijn ziel; verlos mij, om Uwer goedertierenheid wil. Want in den dood is Uwer geen gedachtenis; wie zal U loven in het graf?”
  • Jes 38:18: “Want het graf zal U niet loven, de dood zal U niet prijzen; die in den kuil nederdalen, zullen op Uw waarheid niet hopen.”
  • Ps 88:11-13: “Zult Gij wonder doen aan de doden? Of zullen de overledenen opstaan, zullen zij U loven? Zal Uw goedertierenheid in het graf verteld worden, Uw getrouwheid in het verderf? Zullen Uw wonderen bekend worden in de duisternis, en Uw gerechtigheid in het land der vergetelheid?

 

De gehele mens ligt neder in het graf als hij gestorven is. Hij was een levende ziel (= lichaam), maar hij is dan een gestorven ziel (= lichaam). Nergens in de Schrift wordt “nephesj/psuche/ziel gebruikt, alsof de mens ergens in zichzelf, of buiten zichzelf, leven zou bezitten. De Heere Jezus zegt duidelijk in Joh 6:53 dat wij geen leven in onszelf hebben.

De leer van de onsterfelijkheid van de ziel is vreemd aan de Bijbel, hoewel die wel in menige geloofsbelijdenis voorkomt. Christus laat echter zien, dat onsterfelijkheid alleen in de opstanding verkregen kan worden, en dat van nature de mens geen onsterfelijkheid bezit.

Dan mogen we toch tot de conclusie komen dat de z.g. leer van de onsterfelijke ziel uit de koker van de vader der leugen voortkomt?

 

Teksten die op het oog lijken te zeggen dat er toch een aparte ziel is:

 

Eén van die teksten, die spreekt zowel van “geest, ziel en lichaam” is

1 Tess 5:23:

  • En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn.”

 

De Staten Vertaling zegt: “En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al; en uw geheel oprechte geest, en ziel, en lichaam worde onberispelijk bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.”

Wanneer we deze tekst met de grondtekst proberen te ontleden, dan vinden we:

  • En de God des vredes Zelf heilige u geheel en al (Grieks = holoteles, afgeleid van “holos” en “telos”, in de betekenis van compleet tot het eind, betreffende de gehele persoon); en uw geheel oprechte (Grieks = holokleros, afgeleid van “holos” en “kleros; in de betekenis van compleet in ieder deel) geest, en ziel (=psuche), en lichaam worde onberispelijk (= Bijwoord van amemptos; in de betekenis van geheel foutloos, onberispelijk) bewaard in de toekomst van onzen Heere Jezus Christus.”

 

Sommigen menen in deze tekst een bewijs te vinden dat er wel degelijk naast het lichaam een ziel bestaat. Maar dan halen we de tekst uit de context, want de tekst spreekt over de persoon in zijn geheel, en wanneer door heel Gods Woord sprake is van “ziel” als de “persoon” die het betreft, dan is dat in deze tekst niet anders. In deze tekst betreft het “geest”, het door God gegeven leven, de levensadem. En betreft het “ziel”, het innerlijk van de mens, zijn denken, de gesteldheid van zijn hart, en zijn “lichaam” als een tempel (1 Kor 6:19). Bovendien is het niet mis wat hier staat. Paulus spreekt hier tot broeders (1 Tess 5:12), dus tot gelovigen:

Zij zullen worden:

  • Compleet tot het eind worden geheiligd,
  • Compleet in ieder deel van het lichaam,
  • Compleet foutloos en onberispelijk worden bewaard.

Dat is nogal wat! Dát doet God voor de Zijnen! En in 1 Tess 5:24 staat: “Hij, Die u roept, is getrouw, Die het ook doen zal!” Dat kan alleen door het volbrachte werk van Christus Jezus, onze Heere.

 

Gen 35:18

  • St.Vert: “ En het geschiedde, als haar ziel (grondtekst = nephesj) uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.
  • NBG: “En toen haar het leven (grondtekst = nephesj) ontvlood – want zij stierf – noemde zij hem Ben-Oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin.

 

Deze tekst uit de St. Vert. lijkt te suggereren dat de ziel van Rachel het lichaam verliet bij de dood. Voorstanders van de onsterfelijke ziel, die na de dood zonder lichaam zou voortleven, zien in deze tekst het sterke bewijs om hun mening te staven. We hebben echter in het voorgaande gezien, dat ziel, bloed en leven synoniem aan elkaar zijn. Wat Rachel ontvlood, was “nephesj”, haar leven: “Want zij stierf”. De NBG vertaald dan ook terecht “leven”.

Natuurlijk kunnen wij ons afvragen, waarom Mozes niet schreef dat Rachel de geest gaf, want dat gebeurde er namelijk, en dat staat wel in datzelfde hoofstuk bij de dood van Izaäk:

  • En Isaak gaf de geest en stierf en hij werd tot zijn voorgeslacht vergaderd, oud en van het leven verzadigd, en zijn zonen Esau en Jakob begroeven hem. (Gen 35:29).

 

Dat de Bijbel bij Rachel vermeld, dat haar ziel, haar leven uitging, heeft te maken met de bijzondere omstandigheden waaronder zij stierf. In vers 16 en 17 lezen wij dat zij een zware bevalling had, en dat zij tengevolge daarvan stierf. Haar ziel, haar leven ontvlood haar:

  • En zij reisden van Beth-El; en er was nog een kleine streek lands om tot Efrath te komen; en Rachel baarde, en zij had het hard in haar baren. En het geschiedde, als zij het hard had in haar baren, zo zeide de vroedvrouw tot haar: Vrees niet; want dezen zoon zult gij ook hebben! En het geschiedde, als haar ziel uitging (want zij stierf), dat zij zijn naam noemde Ben-oni; maar zijn vader noemde hem Benjamin.” (Gen 35:16-18)

 

Wanneer wij terug zien op de teksten die erop wijzen dat de ziel, “het leven” in het bloed vertegenwoordigd is, dan is duidelijk dat de uitdrukking, “haar ziel (haar leven) ontvlood haar”, erop duidt, dat Rachel bij het baren zoveel bloed verloor, ja een bloeding kreeg, waardoor letterlijk het leven (het bloed) haar ontvlood. In de volksmond wordt dit een “storting” genoemd. Als dan niet snel bloed wordt toegediend, sterft de vrouw tijdens het baren. Dit overkwam Rachel. Daarom lezen we in de St. Vert. “dat haar ziel (haar leven, haar bloed) uitging.”

 

De volgende keer gaan we verder met teksten die op het oog lijken te zeggen dat er toch een aparte ziel is, want er zijn nog enkele op het oog moeilijke teksten. Maar wanneer we die in de juiste bijbelse context plaatsen, zal het wel duidelijk worden.

 

Deel 34 volgt

Bert Boersma Januari 2011 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 34)

 

De vorige keer hadden we het over “de ziel” in het Nieuwe Testament, en we zouden verder gaan met teksten in het N.T. te onderzoeken, die op het oog lijken te zeggen dat er toch een aparte ziel is. Daarvoor gaan we eerst naar een bijzonder geschiedenis, die ons vertelt over het einde van het leven van Saul, de eerste koning van Israël.

 

1 Sam 28:3-25

  • Toen zeide de vrouw: Wien zal ik u doen opkomen? En hij zeide: Doe mij Samuël opkomen. Toen nu de vrouw Samuël zag, zo riep zij met luider stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt gij mij bedrogen? Want gij zijt Saul. En de koning zeide tot haar: Vrees niet; maar wat ziet gij? Toen zeide de vrouw tot Saul: Ik zie goden, uit de aarde opkomende. Hij dan zeide tot haar: Hoe is zijn gedaante? En zij zeide: Er komt een oud man op, en hij is met een mantel bekleed. Toen Saul vernam, dat het Samuël was, zo neigde hij zich met het aangezicht ter aarde, en hij boog zich. En Samuël zeide tot Saul: Waarom hebt gij mij onrustig gemaakt, mij doende opkomen? Toen zeide Saul: Ik ben zeer beangstigd, want de Filistijnen krijgen tegen mij, en God is van mij geweken, en antwoordt mij niet meer, noch door den dienst der profeten, noch door dromen; daarom heb ik u geroepen, dat gij mij te kennen geeft, wat ik doen zal. Toen zeide Samuël: Waarom vraagt gij mij toch, dewijl de HEERE van u geweken en uw vijand geworden is?” (1 Sam 28:11-16)

 

De geschiedenis van de waarzegster van Endor lijkt zo op het eerste gezicht erop te wijzen dat Samuël een levende geest was, ja een lichaamloze ziel, die na zijn sterven door een spiritistisch medium wordt opgeroepen. Samuël lijkt gestoord te worden in zijn doodsslaap, en lijkt een boodschap van God door te geven. Maar wanneer we hier dieper over nadenken, en het hoofdstuk nog eens doorlezen, dan wordt dit alles steeds onwaarschijnlijker, want in vers 6 lezen we dat de Heere Saul absoluut niet meer wil antwoorden, niet door dromen, niet door de Urim, en niet door de profeten. Waarom zou God dan nu opeens wel willen antwoorden, nota bene door behulp van een waarzeggende geest?

 

Eén ding staat als een paal boven water: God antwoordt Saul niet, niet in vers 6, en ook niet in de verzen 15-20. Hier is iemand anders aan het woord, namelijk een vrouw met een waarzeggende geest:

  • Toen zeide Saul tot zijn knechten: Zoekt mij een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft, dat ik tot haar ga, en door haar onderzoeke. Zijn knechten nu zeiden tot hem: Zie, te Endor is een vrouw, die een waarzeggenden geest heeft. En Saul verstelde zich, en trok andere klederen aan, en ging heen, en twee mannen met hem, en zij kwamen des nachts tot de vrouw, en hij zeide: Voorzeg mij toch door den waarzeggenden geest, en doe mij opkomen, dien ik tot u zeggen zal.” (1 Sam 28:7-8).

 

Als laatste redmiddel wendt Saul zich niet tot de Heere, maar tot een spiritistisch medium met een waarzeggende geest, om antwoorden te krijgen. Met nadruk willen we erop wijzen dat Saul in 1 Sam 28 nooit Samuël heeft gezien. Net zoals in hedendaagse seances vertelde het “medium” aan Saul wat zij zag. Zij zegt niet dat zij Samuël zag, maar zij zei dat ze een bovennatuurlijk wezen uit de aarde ziet opkomen, die zij omschrijft als een oud man in een mantel. Het is Saul's conclusie dat dit Samuël is, omdat Saul dit verwacht. Het is overigens zeer de vraag of dit echt Samuël was.

 

Volgens de traditie is Samuëls ziel in de hemel, maar de vrouw ziet echter geen verschijning uit de hemel, maar een wezen uit de aarde opkomen. Dit wezen heeft volgens haar een mantel aan, en ziet eruit als een oude man. Dan moeten er diverse vragen bij ons opkomen áls er een lichaamloze ziel zóu bestaan:

  • Waar en hoe verkreeg Samuël als “lichaamloze ziel” een lichaam?
  • Is een lichaamloze ziel herkenbaar als een oude man?
  • Heeft God Samuël deel laten krijgen aan een opstanding?
  • Was dit dan het opstandingslichaam van Samuël, wat het medium zag?
  • Werkt God mee om dit allemaal te laten gebeuren op verzoek van een medium?
  • Had dit medium zoveel macht om doden te bevelen op aarde te verschijnen en te laten spreken?
  • Is dat “oud man” de hemelse verschijning, de hemelse gedaante van Samuël?

 

Als deze z.g. “Samuël” spreekt, dan zegt hij niet één keer dat hij door de Heere gezonden is, of dat hij met een boodschap namens de Heere tot Saul komt. Hij zegt tegen Saul dat Saul met zijn zonen morgen bij hem zullen zijn. Maar als Samuëls ziel nu in de hemel was, hoe kon Saul, die door de Heere verworpen was, ook in die hemel komen? Nee, broeders en zusters, hier is niet de echte Samuël aan het woord, maar de vrouw geïnspireerd door een (valse) waarzeggende geest. Die vrouw weet dat Saul Samuël wil spreken, en omdat Samuël in Israël tientallen jaren een bekende persoonlijkheid was geweest, beschrijft de vrouw Samuël, zoals zij hem gekend heeft.

 

Maar we zien ook dat de geesten een realiteit zijn, want terwijl Saul zich had vermomd, weet die geest wie er voor haar staat, en laat de vrouw weten dat koning Saul voor haar staat. Toen riep de vrouw “met luider stem, en de vrouw sprak tot Saul, zeggende: Waarom hebt gij mij bedrogen? Want gij zijt Saul.” (1 Sam 28:12). En als de seance wordt voortgezet, vertelt de waarzeggende geest (door de vrouw) wat Saul bezig hield, en waar Saul bang voor is. En de geest voorspelt wat er de volgende dag zal gebeuren.

 

Duidelijk is dat niet Samuël hier in deze geschiedenis aan het woord is. Dat zou ook zeer vreemd zijn, want nergens wordt in de Bijbel geleerd dat mensen doden kunnen laten verschijnen, om hen te raadplegen. Ook zou het heel vreemd zijn dat God zijn medewerking verleent aan iets wat Hij juist had verboden, en waar zelfs de doodstraf op stond:

  • Gij zult u niet wenden tot de geesten van doden of tot waarzeggende geesten, gij zult hen niet zoeken, om u met hen te verontreinigen: Ik ben de HERE, uw God.” (Lev 19:31)
  • Wanneer een man of een vrouw door zich de geest van een dode laat spreken of een waarzeggende geest bezit, zullen zij zeker ter dood gebracht worden; stenigen zal men hen, hun bloedschuld is op hen.” (Lev 20:27)

 

De echte Samuël rust in zijn graf tot op de dag van vandaag, en er is niets in 1 Sam 28 dat ons doet geloven, dat Samuël na zijn dood bewust als een onsterfelijke ziel voortleefde, en verschenen is aan Saul. Ook bevestigd 1 Sam 28 niet de leer der spiritisten, die dit bijbel gedeelte vaak heel goed kennen, en menen hieruit te kunnen concluderen dat een medium in verbinding zou kunnen treden met de doden. (de doden liggen in het graf en zij weten van niets!)

 

De volgende tekst lijkt erop te duiden dat een “eeuwige” ziel het lichaam verlaat, en bij de opstanding weer terugkeert. Echter “nephesj” wordt hier weer gebruikt in die zin dat Elia de Heere vroeg of het leven weer in het kind mocht terug keren. En dat gebeurde ook: “en de ziel (= het leven) van het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd”

 

1 Kon 17:17-23

  • Na deze gebeurtenissen werd de zoon van de vrouw des huizes ziek: ja, zijn ziekte werd zeer hevig, totdat er geen adem in hem overbleef. Toen zeide zij tot Elia: Hoe heb ik het met u, man Gods? Gij hebt bij mij intrek genomen om mijn ongerechtigheid in herinnering te brengen, en te maken, dat mijn zoon sterft. Daarop zeide hij tot haar: Geef mij uw zoon. Toen nam hij hem uit haar schoot, droeg hem naar het bovenvertrek, waar hij verblijf hield, en legde hem op zijn bed. Daarop riep hij tot de HERE en zeide: HERE, mijn God! Doet Gij zelfs de weduwe, bij wie ik als vreemdeling vertoef, het onheil aan, haar zoon te laten sterven? Toen strekte hij zich driemaal uit bovenop het kind en riep tot de HERE en zeide: HERE, mijn God! Laat toch de ziel van dit kind in hem terugkeren. En de HERE hoorde naar de stem van Elia, en de ziel van het kind keerde in hem terug, zodat het levend werd. Toen nam Elia het kind, droeg het uit het bovenvertrek naar beneden in huis en gaf het aan zijn moeder. En Elia zeide: Zie, uw zoon leeft.” (1 Kon 17:17-23)

 

Als eerste lezen we “dat er geen adem in hem overbleef”. Dit betekent dat de geest des levens, of de “adem des levens” uit die zoon was verdwenen, en dan weten we dat die persoon echt gestorven is. Vervolgens kan men zeggen, ja maar, we lezen toch letterlijk over de ziel, maar als we dan letterlijk willen lezen wat er staat, dan moeten we het gehele bijbelgedeelte letterlijk lezen, en dan zien we dat het over HET LEVEN van het kind gaat. Er staat in vers 19: “Geef mij uw zoon, toen nam hij hem uit haar schoot, droeg hem naar het bovenvertrek waar hij verblijf hield, en legde hem op zijn bed.” In vers 23 brengt Elia het kind weer terug naar zijn moeder: “Toen nam Elia het kind, droeg het uit het bovenvertrek naar beneden in huis en gaf het aan zijn moeder. En Elia zeide: “Zie uw zoon leeft.” Wij zien dat Elia eerst het (dode) kind meenam, en later hetzelfde (nu levende) kind terug brengt. Hier loopt men vast als men in een z.g. uitgaande ziel de persoon zoekt, want dan zou eerst het kind zonder ziel “kind” heten, en later met de teruggekeerde ziel ook “kind”. Men kan niet voor de ene tekst zó op de letterlijke vertaling gaan staan, en bij de andere tekst dit weer volledig verlaten. Bovendien doet Elia's woord dan vreemd aan: “Zie uw zoon leeft”. Want als men aan de “onsterfelijke ziel” wil vasthouden, dan leefde het kind toch ook al zonder lichaam als een onsterfelijke ziel.

 

Job 19:26-27

  • Nadat mijn huid aldus geschonden is, zal ik uit mijn vlees God aanschouwen, die ik zelf mij ten goede aanschouwen zal, die mijn eigen ogen zullen zien en niet een vreemde; mijn nieren in mijn binnenste versmachten van verlangen.”

 

Sommige uitleggers verklaren vers 26 op een wijze, alsof Job direct na het sterven God heeft aanschouwd, want zo zeggen zij: “Uit mijn vlees”. Maar dit is een kromme uitleg. Job bedoelt niet dat hij uit zijn vlees gekomen, God zal aanschouwen, dit zou geheel in tegenspraak zijn met Job 17:13-16, waar Job zegt dat het graf straks zijn huis zal wezen, en ook in tegenspraak met Job 14:10-15, waar Job bidt of God hem in het graf moge verbergen, totdat de hemelen niet meer zijn.

Job zegt niet dat hij direct na het sterven God aanschouwen zal, maar dat hij straks bij de opstanding, vanuit zijn eigen opstandingslichaam met zijn eigen ogen, en niet ogen van een vreemde, God zal zien. Wij mogen vers 26 niet losmaken van vers 25:

  • Maar ik weet: mijn Losser leeft en ten laatste zal Hij op het stof optreden. (Job 19:25)

 

Onze Losser, de Heere Jezus Christus zal ten laatste op het stof der aarde optreden. Als Hij wederkomt zal o.a. Job worden opgewekt en in een opstandingslichaam uit het stof verrijzen en vanuit zijn eigen vlees met zijn eigen ogen God zien. Maar dat zal niet eerder plaatsvinden, dan bij Christus' wederkomst ten laatsten dage.

 

Ps 73:24

  • Gij zult mij leiden door uw raad, en daarna mij in heerlijkheid opnemen.”

 

Naar dit vers wordt door sommigen verwezen, alsof volgens de psalmist de gelovige direct na het ontslapen wordt opgenomen in heerlijkheid. Echter de psalmist zegt in de grondtekst niet dat de gelovige in heerlijkheid wordt opgenomen, maar dat hij heerlijkheid zal ontvangen. Maar dit vindt niet eerder plaats dan bij Christus' wederkomst, als de gelovigen opstaan (Joh 14:3, Job 14:13-15). Deze tekst uit psalm 73:24 spreekt alleen maar over “daarna”, en dit “daarna” zal pas verwezenlijkt worden nadat de wederkomst van Christus, en de opstanding hebben plaatsgehad. Dit vindt niet plaats bij het sterven.

 

Math 10:28 en Luk 12:4-5

  • Math 10:28: “En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel.
  • Luk 12:4-5: “Ik zeg u, mijn vrienden, vreest hen niet, die het lichaam doden en daarna niets meer kunnen doen. 5 Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem!

 

In één van de volgende stukken zullen wij ook nog op deze tekst terugkomen in verband met het woord “gehenna” wat hier vertaald is met “hel”. Daar zullen we zien dat deze teksten niets te maken hebben met de vermeende traditionele hel, en dat men beter “gehenna” onvertaald had kunnen laten, waar dat in de grondtekst staat.

We zullen er nu alleen op in gaan dat men met deze tekst wil aanvoeren dat de ziel onsterfelijk is. De mens kan immers wel het lichaam doden, maar niet de ziel, zo lazen we in de tekst.

Toch blijkt uit deze teksten niet dat de ziel onsterfelijk is, want Christus kan beide, “ziel en lichaam” verderven, d.w.z. verwoesten, uitwissen in de gehenna. Maar hoe moeten wij nu de tekst opvatten, dat de mens wel het lichaam, maar niet de ziel kan doden? Ziel wordt hier tegenover het lichaam geplaatst. Het lichaam vertegenwoordigt de uiterlijke mens, de ziel de innerlijke mens. De gedachte is dat de mens wel een ander mens kan doden, maar aangezien ieder mens deel heeft aan één van de opstandingen, zal hij verrijzen, want het is de mens gegeven eenmaal te sterven, en daarna het oordeel (Hebr 9:27). Het is volstrekt niet aan de mens gegeven, ja het is onmogelijk voor een mens om een ander mens te verderven, uit te wissen in de gehenna, dat is iets dat volledig ligt aan Gods kant, c.q. dat ligt in de handen van Christus, aan Wie de Vader het gehele oordeel heeft gegeven. (Joh 5:22).

We zouden de tekst dan ook moeten lezen in de zin van: “En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel, dat is het wezen van de mens niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, de complete mens kan verderven in de “gehenna”.

Eigenlijk zegt de Heere hier dat men niet bang moet zijn voor het kwaad, ja zelfs de dood die anderen je kunnen toebrengen, want de dood is niet het einde, maar wees bang voor Hem die de macht heeft over de tweede dood, waaruit niemand opstaat.

 

Openbaring 6:9-11

  • En toen Hij het vijfde zegel opende, zag ik onder het altaar de zielen van hen, die geslacht waren om het woord van God en om het getuigenis, dat zij hadden. 10 En zij riepen met luider stem en zeiden: Tot hoelang, o heilige en waarachtige Heerser, oordeelt en wreekt Gij ons bloed niet aan hen, die op de aarde wonen? En aan elk hunner werd een wit gewaad gegeven, en hun werd gezegd, dat zij nog een korte tijd moesten rusten, totdat ook het getal vol zou zijn van hun mededienstknechten en hun broeders, die gedood zouden worden evenals zij.”

 

In Openbaring 6:9-11 wordt gesproken over de zielen onder het altaar. Er wordt beschreven dat deze zielen spreken, dat ze moeten rusten en dat hen een wit gewaad gegeven werd. Het is bij het boek Openbaring belangrijk te beseffen dat het een boek is met veel symboliek, waarin werkelijke gebeurtenissen op symbolische wijze verwoord zijn. Als er bijvoorbeeld gesproken wordt over de openbaring van onze Heiland in hoofdstuk 19:11-16, ziet Johannes uit Zijn mond een tweesnijdend scherp zwaard komen. Over het algemeen zal niemand dit letterlijk nemen, maar hierin een beeld zien van het Woord van God, dat Hij spreken zal (vgl. Hebr. 4:12).

Bovendien is het zo dat de in Openbaring 4-20 beschreven visioenen zich telkens afwisselend in de hemel en op de aarde afspelen. Zo behoort hoofdstuk 6 tot een gedeelte dat beschrijft wat er op aarde gebeurt. Het altaar waar het dan om gaat, bevindt zich in die zin dus ook niet in de hemel, maar op aarde. De zielen die hier beschreven worden, staan symbool voor de gedode dienstknechten van God. "Ziel" is hier een “onderdeel” van het menselijk wezen, zoals in “geest, ziel en lichaam”. Hier in Openbaring 6 staan deze zielen voor personen (zo ook in bijv. Hand. 7:14). Zo wordt het ook begrijpelijker dat Johannes hen in dit visioen hoort spreken en dat ze gewaden aan krijgen. Deze dienstknechten zijn op aarde gedood. Vanwege hun getuigenis en het Woord van God hadden ze hun leven opgeofferd (waar het "altaar" op wijst).

Dat dit alles symbolisch is, blijkt wel uit Openbaring 20 waar deze zielen "weder levend" werden (vs. 4). Tot het moment van hun opwekking vóór het begin van de duizend jaren, zijn deze getuigen van God in het graf en worden dan pas "weder levend".

Het roepen van deze getuigen in Openbaring 6 is symbolisch, te vergelijken met de roep van Abel's bloed tot God. Ook van Abel werd "getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is" (Hebr. 11:4; vgl. 12:24). De getuigen in Openbaring 6 waren ook rechtvaardig, daarom de witte gewaden (vgl. Openb. 3:4 en 5).

 

Lucas 23:43

  • En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn.”

 

In dit bijbelgedeelte komt het woord “psuche” niet voor, maar veelal wordt gedacht dat de ziel van de moordenaar met de Heere naar het paradijs zou gaan.

We lezen over de ene moordenaar aan het kruis, die tot de Heer sprak: "Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in Uw Koninkrijk komt" (vs. 42). Waarop de Heere hem antwoordde: "Voorwaar, Ik zeg u, heden zult gij met Mij in het paradijs zijn".

Met betrekking tot Lucas 23:43 moeten we ons realiseren u dat er in de grondtekst geen leestekens, punten en komma's, enz. staan. Als we bovendien de letterlijke volgorde van Griekse woorden in Lucas 23:43 weergeven, dan staat er: “Voorwaar tot u zeg Ik heden met Mij zult gij zijn in het paradijs”. Wanneer we dan voor de leesbaarheid de leestekens invullen, dan staat er: “Voorwaar, tot u zeg Ik heden, met Mij zult gij zijn in het paradijs”.

 

Dan wordt duidelijk dat de Heer niet de belofte gaf dat de moordenaar nog diezelfde dag (heden) in het paradijs zou zijn, maar dat de Heer hem op dát moment (heden) de belofte gaf dat hij niet alleen zou mogen delen in het Koninkrijk (vgl. vs. 42), maar dat hij met de Heiland in de toekomst in het paradijs zal zijn. Het paradijs, zoals dat er in de nieuwe schepping zal zijn.

 

Er zijn nog wel enkele teksten te noemen, die die op het oog lijken te zeggen dat de mens een aparte ziel zou hebben. Toch is dat nergens het geval. Steeds heeft dat dan te maken met het lichaam, of het bloed of het innerlijk van de betreffende persoon. Maar het is soms moeilijk onze denkwijze te herzien, omdat de traditie zeer diep is ingeworteld. Zelfs onze liederen zijn doordrongen van onbijbelse zienswijzen. Een voorbeeld hieronder:

 

Leer van het voortbestaan van de ziel is zeer doorgedrongen in kerk en in liederen:

Bijv: “Vaste Rots van mijn behoud”, het derde couplet:

 

Eenmaal als de stonde slaat,

Wanneer het uur is gekomen

 

dat mijn lichaam sterven gaat......

 

lichaam = ziel, en als het lichaam sterft, dan sterft de ziel

 

als mijn ziel uit d'aardse woon...

 

mijn ziel uit mijn aardse lichaam? = onbijbels

 

opklimt tot des Rechters troon...

 

klimt mijn ziel op? = onbijbels

 

Rots der eeuwen in uw schoot....

 

ligt mijn ziel dan in Gods schoot? = onbijbels

 

berg mijn ziele voor den dood....

 

dit is echt tegenstrijdig, want in de vierde regel zou mijn ziel nog opklimmen tot des Rechters troon, en nu moet mijn ziel behoed worden voor de dood? Mijn ziel hoeft niet geborgen te worden, maar het lichaam gaat compleet het graf in, tenzij we in deze genade-tijd leven, waarin de gelovigen van het Lichaam van Christus tot de uitopstanding van tussen de doden uit zullen komen.

 

Deel 35 volgt DV

Bert Boersma Februari 2011 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 35)

 

Gehenna = Hel?

We gaan aan de hand van de Bijbel onderzoeken wat er staat geschreven over de “hel”, en dan met name in verband met het Griekse woord “Gehenna”. In deel 28 hebben we uitvoerig de andere vertaling van “hel” (hades of sheol) besproken, waar we hebben gezien dat er beter “graf” vertaald had kunnen worden. Om een goed beeld te krijgen gaan we alle teksten in het N.T. onderzoeken, waar we in de grondtekst “Gehenna” vinden, en waar dit overal door “hel” is vertaald.

 

Het woord “Gehenna” komt 12 keer voor in het Nieuwe Testament en is oorspronkelijk van het Hebreeuwse afkomst, en de naam betekent (gay 'en Hinnom) = dal van (de zoon van) Hinnom; ge-henna (of Ge-Hinnom), het is een dal bij Jeruzalem. Het dal van Hinnom was oorspronkelijk een heerlijk dal ten zuiden van Jeruzalem met prachtige bomen en fonteinen van Kedron. Tijdens het koningschap van enkele koningen werd in de vallei de Moloch vereerd met het brengen van offers van kinderen onder zang en dans. Het betrof hier eerstgeboren kinderen die levend in het vuur werden geworpen. In de Bijbel wordt dit een gruwel genoemd. Een voorbeeld van deze “gruwel” lezen we in 2 Kronieken 33:1-9:

  • Manasse was twaalf jaar oud, toen hij koning werd; hij regeerde vijfenvijftig jaar te Jeruzalem. Hij deed wat kwaad is in de ogen des HEREN, in overeenstemming met de gruwelen der volken die de HERE voor de Israëlieten uit had verdreven. (onder leiding van Jozua had het volk de inwoners van Kanaän uit het land moeten verwijderen, en dat hadden ze niet gedaan) Hij herbouwde de offerhoogten die zijn vader Jechizkia (= Hiskia) had afgebroken, richtte altaren voor de Baäls op, maakte gewijde palen en boog zich neer voor het gehele heer des hemels (de afgoden, en de zon en de maan) en diende ze. Ook bouwde hij altaren in het huis des HEREN, met het oog waarop de HERE gezegd had: In Jeruzalem zal mijn naam zijn tot in eeuwigheid. Hij bouwde altaren voor het gehele heer des hemels in de beide voorhoven van het huis des HEREN. Ja, hij deed zijn zonen door het vuur gaan in het dal Ben-Hinnom en liet zich in met toekomstvoorspellingen, waarzeggerij en toverij, en stelde bezweerders van doden en van geesten aan. Hij deed veel, dat kwaad is in de ogen des HEREN en krenkte Hem daardoor. Hij plaatste ook een stenen afgodsbeeld, dat hij gemaakt had, in het huis Gods, waarvan God tot David en diens zoon Salomo gezegd had: In dit huis, hier in Jeruzalem, dat Ik verkoren heb uit al de stammen van Israël, zal Ik mijn naam vestigen tot in eeuwigheid; en Ik zal Israëls voet niet meer doen wijken van het land, dat Ik voor uw vaderen bestemd heb, indien zij slechts naarstig doen al wat Ik hun geboden heb: de gehele wet en de inzettingen en de verordeningen, gegeven door Mozes. Manasse verleidde Juda en de inwoners van Jeruzalem ertoe, meer kwaad te doen dan de volken die de HERE vóór de Israëlieten had verdelgd.” (rode tekst toegevoegd door de schrijver).

 

Om die reden werd het later de plaats waar vuilnis werd verbrand. Afval, vuil en lijken van dieren en verachte misdadigers werden geworpen in het vuur van “gehenna”, ofwel het Dal van Hinnom. Gewoonlijk werd al wat in dit dal werd geworpen door vuur vernietigd, volledig opgebrand. Het vuur werd dag en nacht brandend gehouden met behulp van fosfor en de geur was van verre te ruiken.

 

En dan de teksten waarin in de grondtekst “Gehenna” staat. Wat de vertalingen betreft eerst deze opmerking. Ik moet normaal gesproken niet veel van de Nieuwe Bijbel Vertaling hebben, omdat je daar geen bijbelstudie mee kan doen, maar hier heeft de NBV in alle teksten (behalve Math 23:15) consequent “Gehenna” onvertaald gelaten, terwijl alle andere vertalingen, de NBG, de Staten Vertaling en ook de nieuwe Herziene Staten Vertaling consequent “Gehenna” vertaald hebben met “hel” of “hellevuur”. En dat is jammer, want daardoor is men eeuwen lang opgezadeld met een ingebeelde “hel”, alsof er een plaats zou zijn waar God de ongelovigen voor eeuwig straft en pijnigt. En niet alleen dat men een verkeerd beeld van de Gehenna krijgt voorgeschoteld, maar wat misschien nog wel erger is, men kreeg door deze voorstelling van zaken een wel erg raar en onbijbels beeld van God.

 

We zullen aan de hand van het Woord proberen aan te tonen dat er geen “hel” bestaat, maar dat er in de toekomst, in de toekomende “eeuw” van 1000 jaar een “Gehenna” zal zijn. En omdat de “Gehenna” er dán zal zijn, moeten we ook al de teksten waarin “Gehenna” voorkomt in die tijd plaatsen.

 

De teksten waarin we “Gehenna” tegekomen:

Math 5:22 NBG:

  • Maar Ik zeg u: Een ieder, die in toorn leeft tegen zijn broeder, zal vervallen aan het gerecht. Wie tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal vervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal vervallen aan het hellevuur. (Grondtekst = Gehenna)

 

Wat we ons moeten afvragen is, waar gaat het hier over? Hoe moeten we deze tekst verstaan? We weten dat de Heere Jezus kwam voor de Zijnen, voor Israël, om voor hen het Koninkrijk op te richten. En wat zou dan logischer zijn dan die Zijnen de regels van dat komende Rijk te leren? En dat is dan ook wat we lezen in Math 4:23-24, voorafgaande aan Math 5:

  • En Hij trok rond in geheel Galilea en leerde in hun synagogen en verkondigde het evangelie van het Koninkrijk en genas alle ziekte en alle kwaal onder het volk. En het gerucht van Hem drong door tot in geheel Syrië; en men bracht tot Hem allen, die ernstig ongesteld waren, gekweld door allerlei ziekten en pijnen, bezetenen en maanzieken en verlamden, en Hij genas hen.”

 

We zien dus dat de Heere leerde en verkondigde de regels van het Koninkrijk der hemelen, en daar hoorden de genezingen ook bij. Dus Hij leerde niet alleen, maar voegde de praktijk bij Zijn Woord. En dát is eigenlijk de context van het gehele Matheus evangelie.

 

Ten tijde van de aanwezigheid van de Heere Jezus op aarde was er geen “Gehenna”, in die zin waar de Bijbel over spreekt. En toen kon er dus ook niemand in de “Gehenna” terecht komen. De Heere spreekt over de toekomende dingen In Math 5. en daarom moeten we ook Math 5:22 in die toekomende tijd van het Koninkrijk plaatsen:

  • Maar Ik zeg u: Een ieder, die dán, in dat Koninkrijk, in toorn leeft tegen zijn broeder, zal dán vervallen aan het gerecht. Wie dán, in die tijd tot zijn broeder zegt: Leeghoofd, zal dánvervallen aan de Hoge Raad, en wie zegt: Dwaas, zal dán vervallen aan het vuur van de Gehenna” (rode tekst ter verduidelijking toegevoegd)

 

Zo ook in de volgende twee teksten:

  • Math 5:29 NBG: “Indien dan uw rechteroog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit en werp het van u, want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam in de hel (Grondtekst = Gehenna) geworpen worde.”
  • Math 5:30 NBG: “En indien uw rechterhand u tot zonde zou verleiden, houw haar af en werp haar van u; want het is beter voor u, dat één uwer leden verloren ga en niet uw gehele lichaam ter helle (Grondtekst = Gehenna) vare.”

 

De volgende tekst hebben we ook uitvoerig behandeld in een vorig deel van”Hem Kennen”, toen we het over de “ziel” hadden. Nu we het over de “Gehenna” hebben, blijkt te meer, waar, in welke tijd we deze tekst moeten plaatsen:

  • Math 10:28 NBG: “En weest niet bevreesd voor hen, die wèl het lichaam doden, maar de ziel niet kunnen doden; weest veeleer bevreesd voor Hem, die beide, ziel en lichaam, kan verderven in de hel (Grondtekst = Gehenna).”

 

Dan, in de toekomende eeuw zal Hij, Christus, die de macht heeft, een ongelovige kunnen verderven in het vuur van de Gehenna. En in die context moeten we Mat 10:28 ook lezen.

  • Math 18:9 NBG: “En indien uw oog u tot zonde verleidt, ruk het uit en werp het van u. Het is beter voor u met één oog ten leven in te gaan, dan met twee ogen in het hellevuur (Grondtekst = Gehenna) geworpen te worden.” Dit was de vierde tekst waarin we “Gehenna” tegenkomen.

 

Ook deze tekst moeten we in de toekomstige context plaatsen. We zien in deze tekst dat “het geworpen worden in de Gehenna” alles te maken heeft met de zonde, met ongeloof. En dan in die tijd, wanneer Christus zal regeren, dus wanneer de Koning daadwerkelijk aanwezig is, telt dat ongeloof zeer zwaar, want dan is het een bewust ongeloof terwijl de Koning zichtbaar voor hun ogen aanwezig zal zijn. Heden ten dage kan ongeloof nog voortkomen uit onkunde, maar dat is dan onmogelijk, door de zichtbare aanwezigheid van Christus, Jezus, de Heere.

 

Wanneer we de volgende zeven teksten waarin “Gehenna” voorkomt in deze context plaatsen, spreken de teksten voor zich:

 

Math 23:15 NBG:

  • Wee u, schriftgeleerden en Farizeeën, gij huichelaars, want gij trekt zee en land rond, om één bekeerling te maken, en wanneer hij het wordt, maakt gij van hem een kind der hel (Grondtekst = Gehenna), tweemaal zo erg als gij het zelf zijt.”

Math 23:33 NBG:

  • Slangen, adderengebroed, hoe zult gij ontkomen aan het oordeel der hel? (Grondtekst = Gehenna)

Markus 9:43 NBG:

  • En indien uw hand u tot zonde verleidt, houw haar af. Het is beter, dat gij verminkt ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee handen ter helle (Grondtekst = Gehenna) vaart, in het onuitblusbare vuur.”

Markus 9:45-46 NBG:

  • En indien uw voet u tot zonde zou verleiden, houw hem af. Het is beter, dat gij kreupel ten leven ingaat, dan dat gij met uw twee voeten in de hel (Grondtekst = Gehenna) geworpen wordt, waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.”

 

Het vuur van de “Gehenna” zal in de toekomende eeuw (van 1000 jaar) doorlopend branden, en smeulend vuur zal rotting tegengaan. Wormen en maden zullen de onverteerde delen opeten, die niet door het vuur verteerd zullen worden. Vandaar de uitdrukking: “Waar hun worm niet sterft en het vuur niet wordt uitgeblust.”

 

Markus 9:47 NBG:

  • En indien uw oog u tot zonde zou verleiden, ruk het uit. Het is beter, dat gij met één oog het Koninkrijk Gods binnengaat, dan dat gij met twee ogen in de hel geworpen wordt.”

Lukas 12:5 NBG:

  • Ik zal u tonen, wie gij vrezen moet. Vreest Hem, die, nadat Hij gedood heeft, macht heeft om in de hel (Grondtekst = Gehenna) te werpen. Voorwaar, Ik zeg u, vreest Hem!”

Jac 3:6 NBG:

  • Ook de tong is een vuur, zij is de wereld der ongerechtigheid; de tong neemt haar plaats in onder onze leden, als iets, dat het gehele lichaam bezoedelt en het rad der geboorte in vlam zet, terwijl zij zelf in vlam gezet wordt door de hel. (Grondtekst = Gehenna).”

 

De Gehenna = Poel des Vuurs >> de tweede dood

Het geworpen worden in de “Gehenna” heeft de tweede dood tot gevolg, waaruit geen opstanding mogelijk is. Hieruit zien we dat de “Gehenna” zeer nauw met de tweede dood is verbonden. We weten wat in vuur wordt gegooid, daar blijft niets van over, zo ook met de “Gehenna, als daar een mens in het vuur wordt gegooid sterft hij onmiddellijk omdat een mens niet kan bestaan in vuur. Die mensen zijn onmiddellijk dood, en zijn voor altijd weggedaan. De Bijbel leert geen bewuste pijniging in de “Gehenna” voor mensen. Deze “Gehenna” wordt in de Bijbel ook de poel des vuurs genoemd in o.a. Openb 21:8: “ de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.”

 

Verder komen we de “poel des vuurs” nog in drie teksten tegen, waarbij we ons moeten realiseren dat die poel des vuurs zich bevindt in het dal van Hinnom, en daarom “Gehenna” wordt genoemd:

  • En het beest werd gegrepen en met hem de valse profeet, die de tekenen voor zijn ogen gedaan had, waardoor hij hen verleidde, die het merkteken van het beest ontvangen hadden en die zijn beeld aanbaden; levend werden zij beiden geworpen in de poel des vuurs, die van zwavel brandt.” (Open 19:20).
  • En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs.” (Open 20:14).
  • En wanneer iemand niet bevonden werd geschreven te zijn in het boek des levens, werd hij geworpen in de poel des vuurs.” (Open 20:15).

 

Ook de teksten aangaande de “tweede dood” moeten we in de juiste context plaatsen. Wanneer we weten dat de “Gehenna” een plaats zal zijn in de toekomende eeuw (ajoon), dan zal ook die tweede dood in die ajoon plaatsvinden. Niet eerder en niet later.

Dan moeten we ook de teksten aangaande de tweede dood in die toekomende ajoon plaatsen.

 

Er zijn vier teksten waar de “tweede dood” in voorkomt.

  • Op 2:11: “Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden.”
  • Op 20:6: “Zalig en heilig is hij, die deel heeft aan de eerste opstanding: over hen heeft de tweede dood geen macht, maar zij zullen priesters van God en van Christus zijn en zij zullen met Hem als koningen heersen, [die] duizend jaren.”
  • Op 20:14: “En de dood en het dodenrijk werden in de poel des vuurs geworpen. Dat is de tweede dood: de poel des vuurs.”
  • Op 21:8: “Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.”

Gehele tekst:

  • “Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn. Maar de lafhartigen, de ongelovigen, de verfoeilijken, de moordenaars, de hoereerders, de tovenaars, de afgodendienaars en alle leugenaars – hun deel is in de poel, die brandt van vuur en zwavel: dit is de tweede dood.”

 

Wie overwint..........

Het is opvallend hoe vaak de term “Wie overwint...” voorkomt in het boek Openbaring:

  • Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven te eten van de boom des levens, die in het paradijs Gods is.” (Open 2:7)
  • Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, zal van de tweede dood geen schade lijden.” (Open 2:11)
  • Wie een oor heeft, die hore, wat de Geest tot de gemeenten zegt. Wie overwint, hem zal Ik geven van het verborgen manna, en Ik zal hem een witte steen geven en op die steen een nieuwe naam geschreven, welke niemand weet, dan die hem ontvangt.” (Open 2:17)
  • En wie overwint en mijn werken tot het einde toe bewaart, hem zal Ik macht geven over de heidenen.” (Open 2:26)
  • Wie overwint, zal aldus bekleed worden met witte klederen; en Ik zal zijn naam geenszins uitwissen uit het boek des levens, maar Ik zal zijn naam belijden voor mijn Vader en voor zijn engelen.” (Open 3:5)
  • Wie overwint, hem zal Ik maken tot een zuil in de tempel mijns Gods en hij zal niet meer daaruit gaan; en Ik zal op hem schrijven de naam mijns Gods en de naam van de stad mijns Gods, het nieuwe Jeruzalem, dat uit de hemel nederdaalt van mijn God, en mijn nieuwe naam.” (Open 3:12)
  • Wie overwint, hem zal Ik geven met Mij te zitten op mijn troon, gelijk ook Ik heb overwonnen en gezeten ben met mijn Vader op zijn troon.” (Open 3:21)
  • Wie overwint, zal deze dingen beërven, en Ik zal hem een God zijn en hij zal Mij een zoon zijn.” (Open 21:7)

 

Deze uitdrukking “wie overwint...” moeten we in de juiste context plaatsen, en dan zien we dan het geldt voor de tijd waarin en waarvoor het is geschreven én bedoeld. Dat “overwinnen” heeft alles te maken met het “volharden” tot het einde (tot het einde van die eeuw).

 

Overwinnen = Volharden tot het einde

In het Mattheüs evangelie wordt ook op diverse plaatsen gesproken over het einde der eeuw:

  • "Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen Zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van Uw komst en van de voleinding der wereld?"

 

Hier komt o.a. de gedachte vandaan dat de wereld bij de komst van Christus zal vergaan, maar dat staat er helemaal niet. Er staat: "voleinding der ajoon (=eeuw)", d.w.z. aan het einde van die tijdsperiode. En even verder in Mattheüs lezen we welk evangelie voor die tijd gold, en ook in de toekomstige tijd van Openbaring weer zal gelden:

  • "Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden" (Matth. 24:13)

 

Zowel in de evangeliën, als in de Handelingen periode, en ook in het boek Openbaring geld ditzelfde evangelie, en dát evangelie van het Koninkrijk, dus van het volharden tot het einde, dus dat evangelie van “wie overwint....” zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken en dan zal het einde (van de ajoon) gekomen zijn. Dit is NIET ons evangelie. Dan kan het ook nooit de bedoeling zijn geweest dat deze opdracht voor ons was. Wij brengen geen evangelie, waarbij we de mensen aansporen om toch vooral te volharden, anders zijn ze niet behouden. Wij mogen het evangelie van Gods rijke genade verkondigen. Dit “volharden-evangelie” was het evangelie, wat hoorde bij het Koninkrijk wat de Heere 2000 jaar geleden had willen oprichten, maar wat door de onbekeerlijkheid van Israël toen niet doorging, maar welk Koninkrijk in de toekomst tot zijn volle ontplooiing zal komen. Want Gods beloften zijn onberouwelijk. Het gaat zeker door! En dan geldt weer hetzelfde evangelie als in Mattheüs 24:13 en 14

 

Ditzelfde evangelie om te “volharden” vinden we dan ook meerdere keren terug in het boek Openbaring:

Openb. 1:9

  • "Ik, Johannes, uw broeder en deelgenoot in de verdrukking en in het Koninkrijk en de volharding in Jezus,......"

Openb. 2:2

  • "Ik weet uw werken en inspanning en uw volharding........"

Openb. 2:3

  • "En gij hebt volharding en hebt verdragen om Mijns naams wil....."

Openb. 2:7

  • "Wie overwint, hem zal ik geven........" Dit is ook voorwaardelijk, en betekent hetzelfde als: "wie volhardt tot het einde"

Openb. 2:19

  • "Ik weet uw werken en liefde, en geloof en dienstbetoon, en uw volharding en uw laatste werken........"

Openb.13:10

  • "Hier blijkt de volharding en het geloof der heiligen"

Openb.14:12

  • "Hier blijkt de volharding der heiligen,....." Zij hebben volhardt in het weigeren van het merkteken van het beest.

Openb.14:13

  • "Dat zij rusten van hun moeiten, want hun werken volgen hen na." Zij hadden volhardt in het weigeren van het merkteken van het beest. Dat waren de werken die hen navolgden.

Openb. 20:4

  • Hier zien we dezelfde volharding als in Openb. 14:13. Ook hier hadden de gelovigen volhardt, en het merkteken van het beest niet aanvaard, en de beloning was dat ze 1000 jaar met Christus als koningen mochten heersen.

Openb. 3:8

  • "Ik weet uw werken......" Het gaat hier over dezelfde groep mensen die volharden in hun werken als in Openb. 20:4.

 

Ook in het boek Handelingen gold hetzelfde evangelie. Ook toen waren er vele verdrukkingen, en moesten de gelovigen volharden tot het einde. Volharden tot het einde is dan: Volharde tot het einde van de eeuw (ajoon) of tot de dood (wanneer de gelovige stierf).

 

Het is een grote genade dat wij als gelovigen nu, in deze tijd mogen leven, want wij mogen weten:

  • Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.” (Joh 5:24)

 

En Paulus zegt in zijn latere brieven over het Lichaam van Christus:

  • God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God; niet uit werken, opdat niemand roeme.” (Efeze 2:4-9).

 

Deel 36 volgt DV

Bert Boersma Februari 2011 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Hem Kennen....... (deel 36) Slot

 

Waar we in deze serie van “Hem Kennen” mee begonnen zijn, wil ik ook graag in dit laatste deel mee eindigen: “Het Kennen van Hem”:

In deel 1 van deze bijbelstudie “Hem Kennen” zijn we begonnen te zeggen dat de kennis van Christus, en door Christus de ware kennis van God, datgene is, wat voor de Christen belangrijker is dan welke andere zaak ook. Ja, zij is zelfs belangrijker dan alle andere zaken tezamen. Het is niet voor niets dat Paulus bidt voor de gelovigen:

  • Opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen.” (Ef 1:17)

 

De kennis van Hem, is datgene waarnaar dit gebed in de eerste plaats uitgaat. Als de Heilige Geest deze bede de voorrang geeft, moet dit zijn omdat de kennis van Christus voor de Christen belangrijker is dan welke andere zaak ook. Op deze kennis is het hele geloofsleven van elke gelovige gefundeerd. Deze kennis hoort de kern en het uitgangspunt van al zijn bidden, denken en handelen te zijn. Deze kennis is ook de basis waarop ons volkomen vertrouwen in God rust. In het gewone leven kunnen wij iemand niet zomaar vertrouwen als wij hem niet kennen. In ieder geval is het veiliger om aan een persoon, die wij niet kennen niet ons vertrouwen te schenken, en als regel doen wij dat ook niet. Maar andersom valt het ons moeilijk om een persoon, die wij goed kennen niet te vertrouwen.

En wat was nou het verlangen van de apostel Paulus?

  • (Dit alles) om Hem te kennen (1) en de kracht zijner opstanding (2) en de gemeenschap aan zijn lijden (3), of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende (4), 11 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden (5).” (Fil 3:10-11)

 

Dát alles was Paulus' verlangen. Er wordt hier in één vers ontzettend veel gezegd. Eigenlijk worden hier vijf punten genoemd, waarover eigenlijk van ieder punt wel een bijbelstudie gemaakt kan worden.

Bij het laatste punt, de “opstanding van tussen de doden uit” hebben we reeds uitvoerig stilgestaan. We willen nu nader bekijken wat het “kennen” van Christus volgens het Woord inhoudt.

 

Het Kennen (= Ginosko) van Christus

Dit alles om Hem te kennen”. Christus te kennen, daar ging Paulus' verlangen naar uit. En als het goed is broeders en zusters, gaat ons verlangen daar ook naar uit. En waar verlang je dan naar? Dan verlang je bij Christus te zijn. Paulus zegt:

  • Ik verlang heen te gaan, en bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste”.

 

Om Hem te kennen. En hoe leer ik Hem dan kennen? Kan dat zomaar? Nee, wat moet er dan gebeuren? En dat is nou juist het bijzondere wat voor hen geldt, die tot het Lichaam van Christus behoren. Dan moet er bij ons sterven gebeuren, dat wij de kracht van Zijn opstanding leren kennen, anders kan ik nooit bij Hem zijn. Want dán pas ervaren we ten volle de kracht van Christus' opstanding.

 

Dat woord “kennen” van Fil 3:10, “dit alles om Hem te kennen”, is een heel bijzonder Grieks woord. Dat is niet het woord “kennen”, zoals dat normaal wordt gebruikt, van “ik heb u leren kennen”, of dat je zegt “ik ken hem”, of “ik ken haar”, of “ik ken haar wel”, of “ik heb haar wel eens ontmoet”. Nee, dit “kennen” is een heel diep kennen.

Het is het Griekse woord “ginosko”, wat hier door Paulus voor “kennen” wordt gebruikt, en dat is wel een heel bijzonder woord.

 

In Math 1:25 komen we ditzelfde woord “ginosko” ook tegen, en daar laat het ons zien wat het ten diepste inhoudt:

  • En hij (Jozef) had geen gemeenschap (Grieks: ginosko) met haar (Maria), voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus.” (Math 1:25)

 

Gemeenschap, seksuele gemeenschap, dat staat er eigenlijk, dat is het woord “ginosko”.

In Lukas 1, in het gesprek tussen de engel Gabriël en Maria, wordt dat zelfde woord door Maria gebruikt, als ze de boodschap van de Engel hoort, dan is ze heel verwonderd, en terecht heeft ze de vraag: Lukas 1:34:

  • En Maria zeide tot de engel: Hoe zal dat geschieden, daar ik geen omgang (Grieks: ginosko) met een man heb?”

 

De St. Vert. komt dichter bij de grondtekst, daar vinden we het woord “kennen” (= “ginosko”) nog in terug. De St. Vert vertaalt deze tekst:

  • En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?”

 

Eigenlijk staat daar: “Daar ik geen seksuele omgang met een man heb”. Dát is het kennen waar Paulus over spreekt. Broeders en zusters, ziet u het verschil tussen het kennen van Christus hier en nu, én Christus (echt diep) kennen, wat voor alle gelovigen die nu nog leven, in de toekomst ligt?

En, beste lezer, we kennen Christus allemaal vandaag, maar ik ken Hem niet op een wijze, dat ik Hem echt zie, dat ik Hem echt bij me heb, bij Hem ben. Daar kan ik alleen maar naar verlangen. En dat verlangen gaat gepaard met het verlangen om heen te gaan, en met Christus te zijn, en dat het zover komt, dat ik één met Hem wordt. Dan zal ik Hem kennen, zoals de Schrift het bedoelt met “ginosko”.

 

Wat ik nu ga zeggen bedoel ik niet platvloers, maar ik bedoel het in die zin, zoals God het ons, man en vrouw, heeft gegeven. In de seksuele omgang tussen man en vrouw, worden die twee samen één, dat is éénwording, een lichamelijke éénwording. En wat gebeurd er met zo'n eenwording? Dat is een heerlijkheid, of niet? En dan bedoel ik het werkelijk zoals God het ons heeft gegeven. En dat is werkelijk gemeenschap, dat is werkelijk éénwording, en dat is misschien de hoogste verrukking die de mens kent. De natuurlijke mens maakt daar van alles en nog wat van, in deze wereld, dat weten we wel, maar als je het houdt, zoals God het gegeven heeft aan man en vrouw, dan mag het een verrukking zijn, een heerlijke verrukking. En met alle eerbied gesproken, wat zou het een heerlijke verrukking zijn, als we zó Christus leren kennen. Het is bijzonder dat Paulus juist dit woord “kennen” (= ginosko) gebruikt in Fil 3:10, wat deze gemeenschap uitdrukt.

 

Dit alles om Hem te kennen”, zó één te worden met Hem, daar verlangt Paulus naar, en daar kunnen wij ons wel in verplaatsen allemaal. We weten wat dat zeggen wil vanuit het huwelijk. Nou dáár verlangt Paulus naar, om Hem zó te kennen en de kracht van Zijn opstanding, en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de uitopstanding (letterlijk) die uit de doden is. Daar verlangt hij naar in de brief van Filippenzen, daar jaagt hij naar in deze brief.

 

Het probleem is dat deze teksten altijd worden vergeestelijkt, dat men hiervan gaat maken, dat dit een geestelijk leren kennen is van de Heere Jezus Christus, en dat het ook een geestelijk gelijkvormig zou worden aan Zijn dood, en een geestelijk gelijkvormig worden aan Zijn opstanding. En dan zegt men: Dan sta je op in een nieuw leven, en dan wandel je hier in een nieuw leven, maar daar gaat het hier niet om. Paulus doelt hier op het letterlijke leren kennen van de Heere Jezus Christus, en dat kan alleen maar boven. Als je bent gestorven, en je bent heengegaan, en je bent echt met Christus, en je wordt één met hem, één Lichaam, Het Lichaam van Christus. Dát nauwe kennen kan nu niet, maar dat zal straks realiteit worden! Gaat daar ook óns verlangen naar uit?

 

Zijn dood gelijkvormig wordende”

En het woord voor “dood” in Fil 3:10, “of ik aan Zijn dood gelijkvormig wordende” dat woord “dood”, ja dat is ook overal in de Bijbel, waar dat woord gebruikt wordt in het Grieks, een letterlijke dood. Het is nooit een geestelijke dood, het is altijd een letterlijke dood. En hier gaat het ook over Paulus zijn dood. Hij staat terecht voor de Keizer, omdat hij zich op de Keizer beroepen heeft, hij staat terecht voor de Keizer van Rome, voor Nero, en hij wordt beschuldigd van hoogverraad. Hoogverraad tegen de Keizer, verraad tegen de Keizer, daar stond maar één straf op, de doodstraf.

 

En Paulus zegt zelf in zijn brief, in Fil 1:

  • Want ik weet, dat dit mij tot behoud zal strekken door uw gebed en de bijstand des Geestes van Jezus Christus, naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. (grondtekst: “weet ik niet” = “maak ik niet bekend”). Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.” (Fil 1:19-24)

 

Paulus vertrouwt erop dat hij niet beschaamd zal staan, wanneer hij voor de Keizer moet terechtstaan, en dat hij ook dan met alle vrijmoedigheid Christus mag groot-maken in zijn lichaam. Hij wist niet de afloop van zijn rechtszaak. Hij wist niet hoe het zou aflopen. En eigenlijk, in zijn hart verlangt hij ernaar om met Christus te zijn, en hij weet dat dát het beste is, maar hij weet ook, als hij blijft leven, wanneer hij vrijgesproken wordt, dat hij dan zijn loop nog verder moet voltooien, dat hij het moet afmaken.

 

Maar hij hoopt wel zó gemeenschap te krijgen aan Christus' lijden, want hij krijgt gemeenschap aan Zijn lijden, als hij terecht staat vanwege Jezus Christus. Paulus staat hier terecht vanwege zijn prediking. Hij staat hier terecht vanwege het verzet van de Joden.

Wanneer Paulus zich niet op de Keizer had beroepen, hadden de Joden hem vanwege de prediking vermoord. (Hand 25). En Paulus hoopt dat hij zo'n gemeenschap krijgt aan Christus' lijden, in het strijden in de prediking van het evangelie, dat áls hij ter dood wordt veroordeeld, áls hij ter wille van zijn geloof de doodstraf krijgt, dat hij dan nét als Christus, die ook terwille van Zijn geloof, en de uitspraak, dat Hij de Christus was, de Messias was, ook gekruisigd werd, en ook de doodstraf ontving. En Paulus hoopt, dat áls hij gelijkvormig wordt aan Zijn dood, dus dan ook sterft net als Christus, dat ook hij ook op gelijke wijze mag komen, net als Christus, tot de uitopstanding uit de doden, dat net zo letterlijk als Christus stierf en opstond, hij ook letterlijk zal sterven en opstaan. Daar gaat het om, dat verwacht Paulus.

 

Maar eerst moest Paulus in zijn rechtszaak voor keizer Nero verschijnen, en je wist het maar nooit met Nero. Nero wordt versleten als een volslagen idioot in de wereld geschiedenis, die zomaar iets kon besluiten, uit het niets. Er is gedacht dat die man echt wel een beetje geestelijk gestoord was, een beetje krankzinnig was. Zo'n krankzinnige Keizer, waar stond die voor? Hij kon zomaar tegen Paulus zeggen, jij hebt hoogverraad gepleegd, ook al waren er helemaal geen bewijzen voor, en hem zomaar ter dood veroordelen.

Ja, Paulus die gaat er dus vanuit, dat hij best wel ter dood gebracht zou kunnen worden, en dat hij dan letterlijk, als hij dan letterlijk zou sterven, net zoals Christus stierf, dat hij dan zo gemeenschap aan Christus lijden mag krijgen, en dat is een geweldige genade, die hem dan wordt verleend. Want in Fil 1 zegt hij tegen de Filippenzen in vers 29:

  • Want aan u is de genade verleent voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden in dezelfde strijd, die gij eens van mij gezien hebt, en nu van mij hoort.”

Dat is genade, en Paulus zag het als genade, en het is ook allemaal genade.

 

Het bezit van een Burgerschap in de Hemelen

En hoe gaat dan die uitopstanding uit de doden? Het is een individuele uitopstanding, want dat geeft dat woord ook weer, het is een uitopstanding van tussen de andere doden uit, een “exanastasis ek nekron”, een uitopstanding uit de doden, tussen de doden uit, een individuele opstanding. Hoe gaat dat dan in zijn werk?

Nou, dat zegt hij ons in Fil 3:20-21:

  • Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.”

Wanneer we deze tekst, Fil 3:20-21, lezen, dan is dat door de NBG vertaald op een wijze alsof wij de Heere Jezus uit de hemel verwachten. Er staat in vers 20:

  • NBG: “Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten.”

 

Ze hebben het vertaald op een manier alsof wij dus de Heere Jezus straks bij Zijn komst uit de hemelen verwachten, en dat dan pas zal plaatsvinden, dat ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt.

 

Maar in het Grieks kan dit niet. Want “Hemelen” is meervoud. En het woordje “waaruit”, is dat enkelvoud of meervoud? Nou zegt u waarschijnlijk, dat kan ik niet zien, want dat kennen we niet in het Nederlands. Ja, inderdaad, in het Nederlands kennen we dergelijke vervoegingen niet, maar in het Grieks wel. En in het Grieks is dat “waaruit” enkelvoud, en geen meervoud, zo is de Griekse vervoeging.

Ze hebben het hier vertaald:

  • Want wij zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit...”

 

Waaruit dus? Er staat alsof wij “uit de hemelen” Christus verwachten. Maar het woordje “waaruit” kan niet slaan op het woord “hemelen”, want “waaruit” is enkelvoud, en “hemelen” is meervoud. Dus dat past niet bij elkaar, en kan niet naar elkaar verwijzen.

Vervolgens zouden we kunnen denken, dat “waaruit” slaat natuurlijk op dat “rijk”, een “rijk”, enkelvoud in de hemelen. Ja, maar dat staat niet in de grondtekst. Die woorden “van een rijk” zijn door de NBG vertaling zomaar toegevoegd, dat hebben ze maar verzonnen, om het een beetje duidelijk proberen te maken voor de lezer. Dus “van een rijk” kan je eigenlijk gewoon doorschrappen.

Hieruit blijkt weer eens hoe de vertalers, die toch, naar we mogen aannemen, kennis van het Grieks hebben gehad, meer naar de traditie-leer hebben vertaald, dan naar wat er werkelijk in de grondtekst staat.

 

Wanneer we dus “van een rijk” weglaten, dan zou er staan:

  • Want we zijn burgers in de hemelen, waaruit wij ook de Heere Jezus Christus als verlosser verwachten.”

 

Maar dan zijn we er nog niet, want waar slaat het woordje “waaruit” dan op, want, we weten inmiddels, “waaruit” is enkelvoud in het Grieks. En ze hebben vertaald “burgers” in een meervoud, en ook dit meervoud past, net als “hemelen” niet bij het enkelvoudige “waaruit”.

Maar er staat in de grondtekst helemaal geen “burgers”, er staat het Griekse woord “politeuma”, en wat is dan een “politeuma”? Je kunt het niet vertalen met “burgers”, en al helemaal niet met een “burgerschap van een rijk”, dan ga je het proberen te omschrijven. Het woord “politeuma” komen we alleen in Fil 3:20 tegen, we hebben dus verder geen vergelijkende teksten.

 

Voor de Filippenzen, aan wie Paulus dit schreef, was het volslagen helder. Waarom? Nou broeders en zusters, als wij in Filippi, naar de Filippenzen op bezoek zouden kunnen gaan, dan hadden we daar allemaal Romeinen aangetroffen, want daar in Filippi woonden allemaal Romeinen. Rijke Romeinen, die vaak allemaal hadden gediend in de legioenen van de Keizer van Rome, en die hadden allemaal een recht. Dat was het Romeins burgerrecht. Wat hield dat in? Dat hield in dat je een burger was van de stad Rome.

 

En heel bijzonder was dat Filippi een kolonie van Rome was, dat was niet zomaar een stad, nee dat was een kolonie. Dat lezen we in de Bijbel in Hand 16:12:

  • Filippi, dat de eerste stad is van dit deel van Macedonië, een (Romeinse) kolonie.”

 

Dus Filippi was een kolonie van Rome. Nu die tekst, Fil 3:20:

Want wij zijn”, en dan staat er “politeima”, dat kan je het beste vertalen door het woord “burgerschap”. Dan is er nog het woordje “zijn”, van “want wij zijn”, dat is niet het algemene Griekse woord voor “zijn”, het algemene woord is “emie”, maar hier staat niet het woord “zijn” in algemene zin, maar het woord “huparcho”, en “huparcho” dat betekent “bezitten”. Dat weten we aan de hand van Hand 3:6:

  • Maar Petrus zeide: Zilver en goud heb ik niet (= huparcho = bezitten) ik niet, maar wat ik heb geef ik u, in de naam van Jezus Christus, de Nazoreeër: Wandel!”

 

Dus eigenlijk zegt Petrus: “Zilver en goud bezit ik niet.” Het woord “bezitten” dat is hetzelfde woord als het woord “zijn” in Fil 3:20, “huparcho”. Dus wat staat er eigenlijk?

  • Want wij bezitten het hemels burgerschap”, of “het burgerschap in de hemelen, waaruit wij ook de Heere Jezus Christus als verlosser verwachten.”

 

Wij bezitten, broeders en zusters. Allen, die tot het Lichaam van Christus behoren bezitten, hebben reeds het hemelse burgerschap. Dat hemelse burgerschap, dat hoeven we ook niet meer te ontvangen, of te krijgen, nee dat bezitten we reeds, het is een bezit. Dan kan ook niet anders, want in Efeze 2:4-7 daar zegt Paulus:

  • God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus.”

 

Daarom begrepen die Romeinen die in de Romeinse kolonie, genaamd Filippi woonden, zo goed wat Paulus bedoelde, toen hij zei: “Want wij bezitten het burgerschap in de hemelen.” Immers zij woonden in Filippi, maar bezaten het Romeinse burgerschap, en waren daarom Romeinen. Hierbij moeten we ons proberen te verplaatsen in die tijd. Want wanneer je toen het Romeins burgerschap bezat, dan had je echt een bezit, en dan had je echt aanzien. Want een Romeins burger stond boven alle wetten van de landen waar ze verbleven. Ook mocht bijvoorbeeld een Romeins burger nooit zomaar gegeseld worden. Een voorval hiervan lezen we in Handelingen 16, wat zich (toevallig?) ook in Filippi afspeelde:

  • Maar Paulus zeide tot hen: Zij hebben ons, hoewel wij Romeinen zijn, zonder vorm van proces in het openbaar gegeseld en in de gevangenis gezet, en willen zij ons er nu ongemerkt uitzetten? Geen sprake van; laten zij zelf komen en ons eruit leiden. En de boden brachten deze woorden over aan de hoofdlieden. En dezen werden bevreesd, toen zij hoorden, dat het Romeinen waren.” (Hand 16:37-38)

 

Precies zó, zijn de gelovigen, behorende tot het Lichaam van Christus hoog geplaatsten, want wij wonen op de aarde, maar bezitten het hemels burgerschap, en zijn daarom hemelburgers!

 

Broeders en zusters, waar zijn wij? Wat bezitten wij? Wij zijn in, én wij bezitten de hemelse gewesten. Dat is de allesovertreffende genade en liefde van God, die Zijn Lichaam, het Lichaam van Christus, in deze tijd vorm geeft. Deze positie, deze plaats is nu reeds als een bezit gegeven aan het Lichaam van Christus.

 

De Staten Vertaling heeft Fil 3:20 iets beter vertaald:

  • Maar onze wandel is in de hemelen, waaruit wij ook den Zaligmaker verwachten, namelijk den Heere Jezus Christus.”

 

Maar ook de Staten-vertalers hebben niet geheel naar waarheid vertaald. Ook daaruit blijkt niet dat wij “ons burgerschap bezitten in de hemelen”. Natuurlijk, onze geestelijke wandel is in de hemelen. Maar onze “wandel” heeft ook alles te maken met onze aardse loopbaan. Als het goed is, zijn wij als gelovigen nu bezig met onze aardse loopbaan af te leggen in de gezindheid van Christus, met Paulus als voorbeeld.

We zijn hemel-burgers, wij hebben, wij bezitten het hemels burgerschap. En wat verwachten we dan op grond van dat bezit? Dat Christus optreed als mijn Verlosser, en dat Hij mijn vernederd lichaam veranderen zal, zodat het gelijkvormig wordt aan Zijn verheerlijkt Lichaam.

 

En dát staat er in het Grieks:

  • Want wij hebben het burgerschap in de hemelen, op grond waarvan wij ook de Heere Jezus Christus als verlosser verwachten, die ons vernederd lichaam veranderen zal, zodat het aan Zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig worde.”

 

En wanneer gebeurt dat? Bij mijn sterven, net als Paulus het verwachtte, bij zijn sterven, verwacht ik het ook bij mijn sterven, omdat ik een hemel-burger ben, dat Christus me meteen optrekt, en dat ik net zoals Christus individueel opstond ten derde dage uit het graf, ik ook opsta uit het graf, en dat ik met Christus mag zijn, wat verreweg het beste is.

 

Het Lichaam van Christus is in Christus geplaatst dáár waar Hij nu reeds is. Door het geloof mag u dat weten, Mag ik dat weten. Hier en nu bezit ik dat al. Zolang we nog in ons vlees zijn, zijn deze dingen onzichtbaar. Niet voor niets staat er geschreven:

  • Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet.”

 

We hebben het geloof = het vertrouwen, de zekerheid dat Gods Woord de Waarheid is. En in dat geloof weten wij dat deze dingen in de toekomst realiteit zullen worden!

Dat is wat hier staat. Het is jammer dat de vertalers het zo krom hebben vertaald, alsof alleen de komst van Christus maar onze hoop zou zijn. Want dat hebben de vertalers in hun hoofd gehad, toen zij dit gingen vertalen. Het is dus niet wat de vertaling ervan maakt, dat we moeten wachten op een wederkomst. De “Parousia” is niet onze verwachting, nee het verschijnen met Hem in heerlijkheid is de toekomst van het Lichaam van Christus, en dat “met Hem verschijnen in heerlijkheid” kan alleen als je al eerder bij Hem bent.

  • Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kol 3:4).

 

Tot Slot

Er zijn zeer veel bijbelse onderwerpen behandeld in deze serie van “Hem Kennen”. Steeds heb ik getracht de Bijbel te laten spreken, en zo nauw mogelijk bij de grondtekst te blijven.

We hebben kunnen constateren dat het vaak van groot belang is, om naast de vertalingen, die ons overgeleverd zijn, voortdurend de grondtekst te raadplegen.

 

Ik heb getracht bezig te zijn in die gezindheid van Paulus, waar hij over spreekt in Fil 3:

  • Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen.” (Fil 3:7-8)

 

Ik ben van mening dat dát de enige gezindheid is, van waaruit we werkelijk voorwaarts kunnen gaan, voorwaarts op de “loopbaan” van de ontdekkingsreis door Gods Woord. Het is al eerder gezegd, maar wanneer we niet, net als Paulus bereid zijn, om de “oude dingen” achter ons te laten, dan kunnen we niet opwassen in het nieuwe, waarin God ons door Zijn Woord wil opvoeden.

 

Tot slot wens ik alle lezers “genade en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus.”

 

Bert Boersma maart 2011 boersmaklm@hetnet.nl

slot

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk