Bijbelstudie "De Wederkomst"

De Wederkomst van Christus

 (In de Tessalonicenzen Brieven)

INHOUD

Inleiding over de Bijbel......................................

Deel 1

Drie groepen van zeven brieven...........................

 

De Hoop van Israël ..........................................

 

De komst des Heeren........................................

 

Teksten waar "parousia" in de grondtekst staat........

Deel 2

Onder zware verdrukking...................................

 

Tijden en gelegenheden.....................................

 

God kiest Zelf.................................................

Deel 3

Het keerpunt..................................................

 

Na twee dagen................................................

 

Heiligen.........................................................

 

De Heere Jezus Christus met al Zijn heiligen...........

Deel 4

Verschijnen in heerlijkheid.................................

 

Onze positie als "heiligen"...................................

 

Dag des Heeren...............................................

Deel 5

Verdrukkingen.................................................

 

Aarde zal wankelen..........................................

 

Anti = in plaats van...........................................

Deel 6

Mens der wetteloosheid op de heilige plaats...........

 

Kennis is broodnodig.........................................

 

Mens der wetteloosheid uit de Zee........................

 

Het tijdelijk optreden van de mens der wetteloosheid

Deel 7

Maat van de zonde moet vol worden.....................

 

Engelen en vorsten...........................................

 

Gods immitator...............................................

 

De wederhouder..............................................

 

De afgrond.....................................................

Deel 8

De Adem Zijns Monds........................................

 

Parousia en Epiphaneia......................................

 

De "pseudo" parousia van de mens der wetteloosheid

 

Behouden worden.............................................

 

Liefde tot de Waarheid......................................

 

God zendt een kracht der dwaling........................

Deel 9

De Hardheid van de zonde..................................

 

De Heere komt tot Zijn doel...............................

 

Het beest uit de zee.........................................

 

Het beest uit de aarde.......................................

 

Wie is de antichristus?.......................................

Deel 10

De valse profeet..............................................

 

Aarde of Land.................................................

 

De verborgen tussentijd.....................................

Deel 11

Positie van Christus = Positie van Lich. van Christus..

 

De eerste en de tweede "Hoop" van Paulus.............

 

Tot in de komst...............................................

Deel 12

Een Teken......................................................

 

Een Aartsengel................................................

 

De Bazuin......................................................

 

Het "tegemoet" gaan.........................................

Deel 13

Vergelijkingen met Math 24 en de Tessalonicenzen...

 

In de Wolken...................................................

 

Waar zijn de gelovige ontslapenen in de Hand per...

Deel 14

Wat was er wel bekend tot en met de Hand. Periode

 

Conclusie.......................................................

 

Wat kunnen wij nog meer verwachten?..................

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

deel 1

Inleiding

De Bijbel is het meest unieke boek wat er op de wereld bestaat. Er zijn vele schrijvers die dit unieke boek hebben geschreven. Er zit ongeveer 1600 jaar tussen de eerste en de laatste schrijver. Er was ook een groot verschil in de mensen die dit boek hebben geschreven. Zo was Mozes een geleerd man, hij was opgevoed aan het hof van de Farao. Paulus was een man, doorkneed in de schriften. Amos was een boer. David was schaapherder, en werd koning. Dit zijn maar een paar voorbeelden, en toch is de hele Bijbel in zeer grote harmonie geschreven, ondanks de grote diversiteit van schrijvers.

 

Stel dat in het jaar 400 na Chr. iemand een boek heeft geschreven, 100 jaar later schreef weer iemand anders een ander boek, en weer 200 jaar later schrijft er weer iemand een boek. Dit gaat zo door tot het jaar 2000. Gedurende al die 1600 jaar hebben zo'n 40 schrijvers 66 boeken geschreven. Het spraakgebruik was in het jaar 400 na Chr. heel anders, dan nu in het jaar 2000. De gewoonten van de mensen, waren dusdanig veranderd, zodat er eigenlijk geen vergelijk mogelijk was tussen al die schrijver van die diverse tijden. Denkt u dat het mogelijk zou zijn om al die boeken van die diverse schrijvers uit die verschillende tijden, samen te smeden tot één boek, zonder dat u in de gaten had dat er verschillende schrijvers mee waren bezig geweest? Ik weet wel zeker dat dit onmogelijk is. Dit is de situatie van het ontstaan van de Bijbel, alleen liggen dan de jaartallen iets anders!

 

Toch is de Bijbel, welk woord komt van Biblia, (= meervoud van Biblos) één boek, omdat er in wezen sprake is van één Schrijver. God is de auteur van de gehele Bijbel. God zelf heeft alles bij de diverse schrijvers ingeblazen, zodat zij opschreven wat Zijn bedoeling was. Daarom is de Bijbel één boek, ademt de Bijbel één geest, en verkondigt de Bijbel één plan, Gods plan.

Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken. (2 Petr 1:21) Hun (alle schrijvers) werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan. (1 Petr 1:12) Zó heeft God zelf ervoor gezorgd, dat Zijn Woord één Geest ademt en dé Waarheid verkondigt.

 

Het onderwerp van deze bijbelstudie is "De Wederkomst in de Tessalonicenzen Brieven". De Tessalonicenzen brieven zijn geschreven door de apostel Paulus. Het is waarschijnlijk de eerste brief, die Paulus geschreven heeft, dus een zeer vroege brief. Paulus heeft in totaal 14 brieven geschreven. Zeven vroege brieven aan verschillende gemeenten, en zeven latere brieven.

  • De eerste groep is een groep van zeven brieven aan gemeenten, namelijk: Galaten, 1 en 2 Tessalonicenzen, Hebreeën, 1 en 2 Corintiërs en de Romeinen brief. Deze brieven heeft Paulus tijdens de Handelingen periode geschreven. (Van de Hebreeën brief is geen schrijver vermeld, maar gezien de manier en de stijl van schrijven, wordt algemeen ook deze brief aan de apostel Paulus toegeschreven.)
  • De tweede groep van zeven brieven die na de Handelingen periode door Paulus zijn geschreven zijn: Efeze, Colossenzen, Filippenzen, Filemon, 1 en 2 Timoteüs en Titus. Deze brieven heeft Paulus vanuit Rome in zijn eigen gehuurde woning geschreven, waar hij twee jaar lang gevangen zat.
  • Daarnaast is er nog een derde groep van zeven algemene zendbrieven, namelijk: Jacobus, 1 en 2 Petrus, 1 en 2 en 3 Johannes en Judas. Deze brieven zijn door de desbetreffende personen geschreven. Ook deze laatste groep van zeven brieven zijn tijdens de Handelingen periode geschreven, getuige de geadresserden, en getuige de boodschap, die deze brieven verkondigen.

Bovenstaande even ter inleiding, om duidelijk te maken waar, en in welke periode we de Tessalonicenzen brieven moeten plaatsen. Bij elke bestudering van Gods Woord moeten we er rekening mee houden aan wie, voor wie, en over wie het geschrevene gaat. Dit, om misvattingen te voorkomen. We zullen in deze bijbelstudie vaak teruggrijpen naar het boek Handelingen, omdat dát de context is voor de Tessalonicenzen brieven. Alle elementen die we in Handelingen tegenkomen, komen we ook in de Thessalonicenzen brieven tegen.

Handelingen is eigenlijk het vervolg op de drie evangeliën, Mattheüs, Markus en Lukas, en samen zijn dit allemaal geschiedkundige boeken. Daarenboven is Handelingen, en hebben de brieven, die in de Handelingen periode geschreven zijn, allen een profetisch karakter. Ze gaan over Gods handelen met Zijn volk Israël. De schrijver van het boek Handelingen is Lucas. Wanneer we Lucas 1:1-3 lezen, en we leggen er Handelingen 1:1-2 naast, dan is duidelijk wie Handelingen geschreven heeft.

Dan gaan we nu naar de eerste Tessalonicenzen brief:

  • "Paulus, Silvanus en Timoteüs aan de gemeente der Tessalonicenzen in God, de Vader, en de Here Jezus Christus: genade zij u en vrede! Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden, onophoudelijk gedachtig aan het werk uws geloofs, de inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus voor het oog van onze God en Vader. Immers, dat gij, door God geliefde broeders, verkoren zijt, weten wij, omdat onze evangelieprediking niet slechts in woorden tot u gekomen is, maar ook in kracht en in de heilige Geest en in grote volheid; gij weet trouwens, hoedanigen wij bij u geweest zijn om uwentwil. En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen, zodat gij een voorbeeld geworden zijt voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaje. Want uit uw midden heeft het woord des Heren weerklonken niet alleen in Macedonië en Achaje, maar allerwegen is uw geloof, dat zich op God richt, bekend geworden, zodat wij daarvan niets behoeven te zeggen. Want zelf verhalen zij van ons, hoe wij bij u ontvangen zijn en hoe gij u van de afgoden tot God bekeerd hebt, om de levende en waarachtige God te dienen, en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft, Jezus, die ons verlost van de komende toorn." (1 Tessalonicenzen 1:1-10)

We lazen dat Paulus veelvuldig God dankt (vers 2) voor het geloofswerk, de liefdewerken, en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus (vers 3). Uit dit hele bijbelgedeelte blijkt dat Paulus dankbaar was dat de Tessalonicenzen navolgers geworden waren van Paulus en van de Here en dat zij het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes hadden aangenomen, zodat zij een voorbeeld geworden waren voor alle gelovigen in Macedonië en in Achaje. Wat opvalt is dat zij volharden in hun hoop op de Here Jezus Christus. (vers 3). Wat is nu die hoop? Let wel, het gaat hier om de Tessalonicenzen brief, die geschreven is tijdens de Handelingen periode. Wat was toen de hoop?

We lezen in Hand 3: 19 en 20:

  • “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heeren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende.”

En als we dan willen weten wie er tot berouw en bekering moesten komen, dan moeten we de verzen daarvoor lezen:

  • "En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. (Hand 3:17-18)

Hieruit leren we dat Israël als volk nog steeds de uitgestoken hand van de Heere in geloof mocht aannemen. Eigenlijk is het een herkansing voor het volk, nadat ze voor de eerste keer hun Heiland hadden verworpen. Wat was nu in de Handelingen periode de Hoop van Israël?



De Hoop van Israël

In de tijd van de Handelingen periode was de Komst van de Heere Jezus Christus als Koning in Israël een zeer actuele, levende verwachting. Men verwachtte de wederkomst zeer spoedig. Dit was de “Hoop van Israël”. De bijbel spreekt veelvuldig over deze Hoop, en om over deze Hoop een duidelijk beeld te krijgen, lezen we de volgende bijbelteksten:

We lazen reeds Hand 3: 19 en 20:

  • “Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heeren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende.”

Rom 13:11 en 12:

  • “Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts.”

1 Cor 7:29:

  • “Dit bedoel ik broeders: de tijd is kort.”

1 Cor 7:31B:

  • “Want het uiterlijk van deze wereld is bezig te verdwijnen.”

1 Cor 10:11B:

  • “Voor ons, over wie het einde der wereld gekomen is.”

1 Tess 4:15:

  • “Want dit zeggen wij u met een Woord des Heeren: wij, levenden, die achterblijven tot de Komst des Heeren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan.”

Hebr 10:37:

  • "Want nog een korte, korte tijd, en Hij, die komt, zal er zijn en niet op Zich laten wachten."

Jac 5:8:

  • "Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst des Heren is nabij."

1 Petr 4:7:

  • "Het einde aller dingen is nabijgekomen. Komt dus tot bezinning en wordt nuchter."

1 Joh 2:18:

  • "Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is."

Het moge duidelijk zijn, dat Paulus, als geïnspireerde schrijver, de wederkomst van de Heere zeer spoedig verwachtte, ja zelfs tijdens zijn leven. Palus zegt in Tess 4:15: "wij levenden......", waar hij ook zichzelf bij rekende. Het is opmerkelijk dat deze spoedige verwachting van de wederkomst alleen genoemd wordt in de eerste groep brieven, die Paulus geschreven heeft tijdens de Handelingen periode.

Nóg opmerkelijker is het dat deze verwachting, deze “Hoop van Israël”, totaal ontbreekt in de latere brieven, die Paulus in zijn gevangenschap na de Handelingen periode heeft geschreven. In deze brieven heeft Paulus een hele andere hoop, welke we lezen in Fil 1:21: "Want het leven is mij Christus en het sterven gewin", en in 2 Tim 4:6: "Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur."

De “Hoop van Israël” wordt ons in het hele bijbelboek Handelingen zeer duidelijk gepresenteerd, nog enkele voorbeelden:

  • In het eerste hoofdstuk van Handelingen lezen we: “Zij dan, die samengekomen waren, vroegen Hem, zeggende: Heere, zult Gij in deze tijd aan Israël het Koninkrijk weder oprichten?” (Staten Vertaling, Hand 1:6)
  • Speciaal tegen de mannen broeders, tegen de Joden, sprak Petrus op de Pinksterdag over de “Hoop van Israël” in Hand 3:17-26: “En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat Zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijdenvan verademing mogen komen van het aangezicht des Heeren, en Hij, de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van Zijn heilige profeten, van oudsher.”

Uit dit bijbelgedeelte blijkt dat de Heere na het kruis Zijn volk Israël volstrekt niet terzijde had gezet, maar dat de "aanbieding" van het Koninkrijk aan Israël gedurende de Handelingen periode doorging. Daarom ging de apostel Paulus ook steeds eerst naar de synagogen, om daar de boodschap te verkondigen.

  • Hand 3:26: “God heeft in de eerste plaats voor u Zijn Knecht doen opstaan en Hem tot u gezonden, om u te zegenen, door een ieder uwer af te brengen van zijn boosheden.” Paulus spreekt hier tegen de mannen broeders van Israël.
  • Aan het eind van Handelingen spreekt Paulus nog steeds over dezelfde “Hoopvan Israël”: Hand 26:6 en 7: “En nu sta ik voor het gerecht om mijn hoop op de belofte, die door God aan onze vaderen gedaan is; welke onze twaalf stammen, door voortdurend nacht en dag God te vereren, hopen te bereiken. Om deze hoop, o koning, wordt ik door Joden aangeklaagd.”
  • Hand 28:20: “Want om de “Hoop van Israël” draag ik deze keten". Dat Paulus tot dan toe aan de Joden niets nieuws (geen verborgenheden of geheimenissen) had verkondigd, blijkt uit Hand 28:23, waar Paulus de voormannen der Joden poogde te overtuigen betreffende de “Hoop van Israël”uit de wet van Mozes en uit de profeten. Ze hadden het immers moeten weten, want Paulus haalde alleen maar de “Schriften” aan: Hand 28:23: “En nadat zij (de voormannen van Israël) een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe.”

Hoe kreeg bij de Tessalonicenzen deze hoop gestalte? Door het Woord in geloof aan te nemen, en zich te bekeren, en door de levende en waarachtige God te dienen, en Hem waardig te wandelen, en uit de hemelen zijn Zoon te verwachten, die Hij uit de doden opgewekt heeft. (1 Tess 1:9-10) Dus het Woord aannemen, dienen en verwachten.

Uit bovenstaande blijkt overduidelijk dat Paulus zelf in de Handelingen periode ook dezelfde Hoop had. (zie Hand 26:6-7), maar deze hoop is totaal afwezig in zijn latere brieven. Dan is deze hoop voor Israël vervangen door een andere hogere hoop voor een andere groep gelovigen.



De Komst des Heeren = Parousia

Elk hoofdstuk in de Tessalonicenzen brief spreekt van de “Komst” des Heeren. De Hoofdstukken 1, 2, 3, 4 en 5 van de eerste Tessalonicenzen brief geven aan deze “Komst” een naam, namelijk: “de Parousia.”

De Schrift is uiterst consequent in zijn gebruik van woorden. De eerste keer dat een woord in de Schrift wordt gebruikt, levert altijd de sleutel tot zijn betekenis. Het is de Heiland zelf die dit woord “Parousia” (= komst, aanwezigheid) voor het eerst gebruikt in Math 24 vers 3, 27, 37 en vers 39. Vanuit Math 24 leren we dat de “Parousia” te maken heeft met:

  • De Dag des Heeren. (Math 24:36)
  • De grote verdrukking. (Math 24:20-22)
  • De antichrist, de diabolis, de door-de war-brenger, de satan. (Math 24:15-28)
  • De aanwezigheid op de aarde van de Heere. (Math 24:30-31)
  • Met de voleinding der ajoon (eeuw) (Math 24:3-7)

"Parousia" geeft ook een bepaalde tijdsduur aan. Deze "Parousia" komt uitsluitend voor in de brieven, die Paulus in de Handelingen periode heeft geschreven. Er is één uitzondering, die we lezen in de latere brieven, nl in Fil 2:12: "Daarom, mijn geliefden, gelijk gij te allen tijde gehoorzaam zijt geweest, blijft, niet alleen zoals in mijn tegenwoordigheid, maar nu des te meer bij mijn afwezigheid, uw behoudenis bewerken met vreze en beven." Hier is het Griekse woord "parousia" vertaald met "tegenwoordigheid". U ziet dat hier in Fil 2:12 "tegenwoordigheid" (= aanwezigheid = parousia) niets met de komst van de Heere te maken heeft.

De Heere Jezus Christus zal letterlijk uit de hemel komen bij Zijn "Parousia", en Zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg. Hij zal Zich letterlijk op aarde manifesteren als de Koning der Koningen. Het woord "parousia" komt 24 keer voor in de grondtekst. In de NBG wordt het meestal vertaald door "komst" en soms door "verschijning". De staten vertaling vertaald "parousia" vaak met "toekomst". Het woord "parousia" was in die tijd een normaal voorkomend gebruikelijk woord. Vanaf de Ptolomeïsche periode (ca. 500 v Chr) was "parousia" het woord voor de komst van de koning of de keizer. Die komst betrof dan een officieel bezoek voor een bepaalde tijd of periode.

Boven hebben we Math 24:3 reeds genoemd, maar we gaan daar toch nog even door een andere bril naar kijken. Er staat:

  • "Toen Hij op de Olijfberg gezeten was, kwamen zijn discipelen alleen tot Hem en zeiden: Zeg ons wanneer zal dat geschieden, en wat is het teken van uw komst en van de voleinding der wereld?"

Wat hier opvalt is dat "komst" en "voleinding" eigenlijk in één adem wordt genoemd. Er staat hier trouwens niet dat de wereld dan tot zijn einde zal komen, maar de juiste vertaling is: "Wat is het teken van uw komst en van de voleinding der ajoon (= eeuw)?" Dan zal de boze eeuw, waarin wij nu leven, en waarin satan de overste van deze wereld is, tot zijn einde komen. En dan zal er een nieuwe "ajoon", een nieuwe "eeuw" aanvangen. Die nieuwe eeuw zal zeker 1000 jaar duren. Dus eigenlijk vragen de discipelen aan de Heere in één adem: "Wat is het teken van uw komst bij de voleinding van de eeuw?" Met andere woorden, die "parousia" valt samen met de voleinding der huidige eeuw. Zo zegt Gods Woord deze dingen, en het is daarom belangrijk dit tot ons te nemen.

Nog een voorbeeld betreffende "ajonen": In Efeze 3:11 lezen we:

  • "Naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd"

Maar uit de grondtekst weten we dat er staat: "Naar het voornemen der ajonen (= der eeuwen) Dus de Heere heeft een voornemen der ajonen. En uit de Bijbel mogen we weten, dat er zeker nog twee "ajonen" in de toekomst liggen. De ajoon van 1000 jaar, en de ajoon daarna, wanneer God alles in allen zal zijn. Een "ajoon" is een bepaalde tijdsperiode, die de toestand weergeeft waarin de wereld/kosmos zich in die tijdsperiode bevindt.

Ook in Math 24:13-14 lezen we over het einde van de eeuw: "Maar wie volhardt tot het einde [= einde van de eeuw (= ajoon = tijdsperiode)], die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde (= van de ajoon) gekomen zijn."

Wanneer we deze tekst lezen, dan moeten we op twee dingen letten, ten eerste áán wie wordt het gezegd, en voor welke tijd geldt deze tekst? Uit Math 24:3 weten we dat de Heere tot Zijn discipelen sprak, en uit de gehele context van dit hoofdstuk weten we dat het over de eindtijd van deze "eeuw", van deze äjoon" gaat. Hierbij rekening houdende, dan nogmaals de tekst vrij vertaald:

  • "Maar wie in die tijd van het einde van de ajoon volhardt in het geloof, die zal behouden zijn om in te gaan in het Koninkrijk. En dát evangelie, van de volharding, zal dán in de gehele oikonoime verkondigd worden, tot een getuigenis voor alle volken."

En als dat gebeurd is, dan is het einde van deze boze eeuw, waarin satan de god van de eeuw was, aangebroken. Dán breekt de "parousia" des Heeren aan. Dus het einde betekent het einde van de heerschappij van satan, en tevens komt het einde ná de prediking van dát evangelie te dien tijde aan al de volkeren. en tevens zal Christus Koning over de Zijnen (Israël) worden op het einde van deze ajoon, waarna er een nieuwe ajoon zal aanbreken.

Dát evangelie van "het volharden" kwamen we v.w.b. de Tessalonicenzen brieven tegen in:

  • 1 Tess 1:3: "De inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus."
  • 2 Tess 1:4: "Zodat wij zelf over u roemen bij de gemeenten Gods, vanwege uw volharding en uw geloof onder al uw vervolgingen en de verdrukkingen, die gij doorstaat."
  • 2 Tess 3:5: "De Here neige uw harten tot de liefde Gods en tot de volharding van Christus."

Het gevolg van deze volharding is dat de Tessalonicenzers navolgers geworden zijn van Paulus en van de Here, en zij hadden het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen." (1 Tess 1:6). Vanwege hun volharding kon Paulus zeggen:

  • "Wij behoren God te allen tijde om u te danken, broeders, zoals gepast is, omdat uw geloof zeer toeneemt en uw aller liefde jegens elkander sterker wordt." (2 Tess 1:3).

Hieruit blijkt dat de volharding een "dienen" uitwerkt in de gelovigen. Deze gelovigen van Tessalonica zijn ook mensen van vlees en bloed geweest, net als u en ik. En zij hebben ook wel eens in een dal gezeten, zodat zij het moeilijk vonden om te volharden. Maar, en dit geldt voor alle tijden, God ziet het hart aan. Vallen of struikelen is niet erg. Dat overkwam hen, en dat overkomt ons ook. Maar na de val moeten wij weer opstaan, opstaan met Hem, en dan met Hem weer verheugd verder gaan. Uit geloof tot geloof!

Wie zal dan dát evangelie (Math 24:13-14) aan de volkeren verkondigen? Daartoe moeten we Openbaring 7:1-4 lezen:

  • "Daarna zag ik vier engelen staan aan de vier hoeken der aarde, die de vier winden der aarde vasthielden, opdat er geen wind zou waaien over de aarde, of over de zee, of over enige boom. En ik zag een andere engel opkomen van de opgang der zon, hebbende het zegel van de levende God; en hij riep met luider stem tot de vier engelen, aan wie gegeven was aan de aarde en de zee schade toe te brengen, en hij zeide: Brengt geen schade toe aan de aarde, noch aan de zee, noch aan de bomen, voordat wij de knechten van onze God aan hun voorhoofd verzegeld hebben. En ik hoorde het getal van hen, die verzegeld waren: honderdvierenveertigduizend waren verzegeld uit alle stammen der kinderen Israëls."


Wordt DV vervolgd in deel 2

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 2

De vorige keer zijn we geëindigd met de honderdvierenveertigduizend verzegelden uit alle stammen der kinderen Israëls, die te dien tijde het evangelie zullen verkondigen.

Uit elke stam van Israël (die er dus in de toekomst allemaal zullen zijn), zullen 12.000 verzegelden komen, die dát evangelie dán aan de volkeren zullen verkondigen. Waarom werden ze aan hun voorhoofd verzegeld? Opdat hen in de grote verdrukking geen kwaad zou kunnen geschieden. En wat was het gevolg van hun prediking? Een grote schare gelovigen:

  • "Daarna zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen." (Openb 7:9).

Waarom stond die grote schare voor de troon voor het Lam? Omdat zij vanwege hun geloof in de grote verdrukking vermoord waren:

  • "Dezen zijn het, die komen uit de grote verdrukking; en zij hebben hun gewaden gewassen en die wit gemaakt in het bloed des Lams. Daarom zijn zij voor de troon van God en zij vereren Hem dag en nacht in Zijn tempel; en Hij, die op de troon (in Jeruzalem) gezeten is, zal zijn tent over hen uitspreiden. Zij zullen niet meer hongeren en niet meer dorsten, ook zal de zon niet op hen vallen, noch enige hitte, want het Lam, dat in het midden van de troon is, zal hen weiden en hen voeren naar waterbronnen des levens; en God zal alle tranen van hun ogen afwissen." (Openbaring 7:14-17).

En reken maar dat die gelovigen honger en dorst hebben gehad in de grote verdrukking, want zij hebben het teken van de anti-christ niet aanvaard, en konden daarom niet kopen of verkopen. Dáár, voor de troon van het Lam zal God zal alle tranen van hun ogen afwissen, en zij zullen in de "parousia" (= toekomst, komst) des Heeren met Hem als koningen heersen 1000 jaren lang. (Openbaring 20:4-5)

  • "Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid (= de parousia) En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen (= Israël) verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere." (Math 24:29-31)

Ik heb in het eerste deel met nadruk de klemtoon gelegd op dát evangelie, omdat dát evangelie niet ons evangelie is. Ons evangelie is niet: volharden om behouden te worden. Ons evangelie is:

  • "Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God." (Efeze 2:8).

Door het geloof, door de geloofsgehoorzaamheid van Christus, mag ik weten behouden te zijn. Want het is: Uit Zijn geloof tot mijn geloof. Hij heeft door genade dat geloof in mij verwekt. Welk een rijkdom van genade!

Nog enkele Teksten waar "parousia" in de grondtekst staat:

Math 24:27-28

  • "Want gelijk de bliksem komt van het oosten en licht tot het westen, zo zal de komst(= parousia) van de Zoon des mensen zijn. Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen."

Math 24:37 + 39

  • "Want zoals het was in de dagen van Noach, zo zal de komst(= parousia) van de Zoon des mensen zijn. Want zoals zij in [die] dagen vóór de zondvloed waren, etende en drinkende, huwende en ten huwelijk gevende, tot op de dag, waarop Noach in de ark ging, en zij niets bemerkten, eer de zondvloed kwam en hen allen wegnam, zo zal ook de komst (= parousia) van de Zoon des mensen zijn.”

Een parallel tekst naast Math 24 is Lucas 17:26-30:

  • "En gelijk het geschiedde in de dagen van Noach, zó zal het ook zijn in de dagen van de Zoon des mensen: zij aten, zij dronken, zij huwden, en zij werden ten huwelijk genomen tot op de dag, waarop Noach in de ark ging en de zondvloed kwam en allen verdelgde. Op dezelfde wijze als het geschiedde in de dagen van Lot: zij aten, zij dronken, zij kochten, zij verkochten, zij plantten, zij bouwden. Maar op de dag, waarop Lot uit Sodom ging, regende vuur en zwavel van de hemel en verdelgde hen allen. Op dezelfde wijze zal het gaan op de dag, waarop de Zoon des mensen geopenbaard wordt."

Wat hier duidelijk naar voren komt, is dat op die dag de Zoon des mensen geopenbaard zal worden aan de wereld! Het is geen verborgen komst (parousia) in de lucht, maar geheel openbaar! Bovendien heeft de dag van de Zoon des mensen (de parousia) een veel wijdere strekking, want die dag zal zeker 1000 jaar duren.

Nog enkele teksten waarin we “parousia” tegenkomen:

1 Cor 15:23-24

  • "Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst. (= parousia)" (Zie ook Openb 20:4)

1 Tess 2:19-20

  • "Want wie is onze hoop of blijdschap of erekrans voor onze Here Jezus bij zijn komst, wie anders dan gij? Ja, gij zijt onze eer en blijdschap." Letterlijk staat hier in de grondtekst: "IN Zijn komst (= parousia)" Dus IN Zijn aanwezigheid.

1 Tess 3:13

  • "Om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst (= parousia) van onze Here Jezus met al zijn heiligen." Ook hier moet de vertaling zijn: IN Zijn komst.

1 Tess 4:15-18

  • "Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst(= parousia) des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen. Vermaant (= vertroost) elkander dus met deze woorden. " (Zie Openb 11:15)

1 Tess 5:23-24

  • "En Hij, de God des vredes, heilige u geheel en al, en geheel uw geest, ziel en lichaam moge bij de komst (= parousia) van onze Here Jezus Christus blijken in allen dele onberispelijk bewaard te zijn. Die u roept, is getrouw; Hij zal het ook doen."

2 Tess 2:1-12

  • "Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst(= parousia) van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt. Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden. En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid."

Jac 5:7-8

  • "Hebt dus geduld, broeders, tot de komst(= parousia) des Heren! Zie, de landman wacht op de kostelijke vrucht des lands en heeft geduld, totdat de vroege en late regen erop gevallen is. Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst(= parousia) des Heren is nabij."

Vroege en late regen spreekt van de zegen die er komen zal voor Israël. De vroege regen was gevallen in Hand 2 met de voor-vervulling van de profetie van Joël, (Hand 2:17-21) en de late regen zal komen als de Heere werkelijk Koning wordt over Israël. Dat betekent, dat wanneer we in Jacobus lezen: "Oefent ook gij geduld, sterkt uw harten, want de komst(= parousia) des Heren is nabij", dat de late regen zal samenvallen met de daadwerkelijke komst des Heeren op aarde.

2 Petr 1:16:

  • "Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht en de komst (= parousia) van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van zijn majesteit."

2 Petr 3:3-4

  • "Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van Zijnkomst (= parousia)?"

1 Joh 2:28

  • "En nu, kinderkens, blijft in Hem, opdat wij, als Hij zal geopenbaard worden, vrijmoedigheid hebben en voor Hem niet beschaamd staan bij Zijn komst (= parousia)."

Uit bovenstaande mag duidelijk zijn, dat de Parousia van de Heere een komst is die op de aarde zal plaatsvinden. Zijn voeten zullen te dien dage op de Olijfberg staan.

Wat bij deze bijbelgedeelten vaak opvalt, is dat er steeds verwarring is, of ontstaat, betreffende de "komst" van de Heere. Vaak moet Paulus bij herhaling vertellen, hoe het werkelijk in elkaar steekt. Er ontstaan misverstanden doordat het Gods tegenstander er zeer aan gelegen is, om de zaken door de war te gooien, en de mensen op het verkeerde been te zetten. De satan wil altijd mensen van God af leiden, en met leugen, vaak met een verdraaid Woord, de mensen op een dwaalspoor brengen. Een duidelijk voorbeeld hiervan is 2 Tess 2:1-3:

  • "Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook......."

En dit was niet de eerste keer dat Paulus op deze dingen gewezen had, want in vers 5 zegt Paulus:

  • "Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?"

Hier zit ook voor ons een les in. De satan is er alles aan gelegen, dat we Gods Woord niet lezen, dat we Zijn Woord niet tot ons nemen. Hoeveel boeken zijn er niet geschreven met als titel "God bestaat niet", en hoeveel valse berichten komen ons niet ter ore, met als doel om ongeloof in harten te zaaien.

  • Ziet toe, broeders en zusters, dat niemand u medeslepe door zijn wijsbegeerte en door ijdel bedrog in overeenstemming met de overlevering der mensen, met de wereldgeesten en niet met Christus.” (Kol 2:8)

Voor de volledigheid wil ik nu alvast even vermelden dat Paulus na de Handelingen periode begint te spreken over een nieuwe, hogere hoop, namelijk over de “Epiphaneia”, dat is “de verschijning in heerlijkheid.” In deze “verschijning in heerlijkheid”, deze “Epiphaneia” van Christus, zal het Lichaam van Christus (het samengevoegde Lichaam) op een heerlijke wijze in delen. Wij leven nu in de "apousia", dat is de afwezigheid van Christus. Hij heeft de aarde verlaten, en wij verwachten nu na ons sterven onze intrek bij Hem te krijgen, omdat wij door genade nu al burgers van een rijk in de hemelen zijn, waarna de “Epiphaneia” zal plaatsvinden:

  • Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kol 3:4)



Onder zware Verdrukking

We hebben gelezen in Tess 1:6 "En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen. Om deze tekst in de goede context te plaatsen is het goed om Handelingen 17:1-14 te lezen:

  • "En hun weg nemende over Amfipolis en Apollonia, kwamen zij te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was. En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik. En enigen van hen lieten zich overtuigen en sloten zich bij Paulus en Silas aan, en ook een grote menigte Grieken, die God vereerden, en tal van voorname vrouwen. [hieruit ontstond de gemeente van de Tessalonicenzen] Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen. Maar toen zij hen niet vonden, sleurden zij Jason en enige broeders voor de stadsbestuurders, en schreeuwden: Dezen, die de wereld in opschudding gebracht hebben, zijn ook hier gekomen, en Jason heeft hen in zijn huis opgenomen. En zij handelen allen in strijd met de geboden van de keizer door te beweren, dat er een andere koning, Jezus, is. En zij maakten de bevolking en de stadsbestuurders, die dit hoorden, ongerust. Doch toen dezen van Jason en de anderen een borgtocht hadden ontvangen, lieten zij hen vrij. Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren. Velen dan van hen kwamen tot het geloof, en van de aanzienlijke Griekse vrouwen en mannen niet weinigen. Maar toen de Joden uit Tessalonica bemerkten, dat het woord Gods ook te Berea door Paulus werd verkondigd, kwamen zij ook daar de scharen opzetten en verontrusten. Doch de broeders lieten toen terstond Paulus vertrekken in de richting van de zee, maar Silas en Timoteüs bleven daar achter." (Hand 17:1-14)

Uit bovenstaande bijbelgedeelte blijkt overduidelijk dat het voor hen, die toen in Tessalonica tot geloof kwamen, geen gemakkelijke keuze was. Zij hadden van de Joden, die toch nogal wat invloed hadden, zware verdrukkingen te verduren. Daarom is het ook zeer verheugend te bemerken, dat de Heere zelf hen, die in Tessalonica wél tot geloof gekomen waren, zeer nabij was, omdat we lezen dat Paulus in 1 Tess 1:2-3 schrijft:

  • "Wij danken God altijd om u allen, wanneer wij u gedenken bij onze gebeden, onophoudelijk gedachtig aan het werk uws geloofs, de inspanning uwer liefde en de volharding uwer hoop op onze Here Jezus Christus."

En broeders en zusters, wat heeft Paulus ontzettend veel moeten verdragen om Christus' wil. Het is werkelijk onvoorstelbaar, wat één mens om Christus' wil heeft moeten lijden:

  • Hij was in vele moeiten,
  • in gevangenschap veel vaker,
  • in slagen maar al te zeer,
  • in doodsgevaren menigmaal.
  • Van de Joden heb ik vijfmaal de veertig-min-één-slagen ontvangen,
  • driemaal ben ik met de roede gegeseld,
  • eens ben ik gestenigd,
  • driemaal heb ik schipbreuk geleden,
  • een etmaal heb ik doorgebracht in volle zee;
  • telkens op reis,
  • in gevaar door rivieren,
  • in gevaar door rovers,
  • in gevaar door volksgenoten,
  • in gevaar door heidenen,
  • in gevaar in de stad,
  • in gevaar in de woestijn,
  • in gevaar op zee,
  • in gevaar onder valse broeders;
  • in moeite en inspanning,
  • tal van nachten zonder slaap,
  • in honger en dorst,
  • tal van dagen zonder eten,
  • in koude en naaktheid.

En dan lezen we op het eind van Paulus' leven:

  • "Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad." (2 Tim 4:6-8)

En ook Stefanus, die een man vol van geloof en heilige Geest was. Stefanus was vol van genade en kracht, deed wonderen en grote tekenen onder het volk. (Hand 6:5 en 8) Hij besloot zijn getuigenis voor de Joods Hoge Raad met de woorden:

  • "Hardnekkigen en onbesnedenen van hart en oren, gij verzet u altijd tegen de heilige Geest; gelijk uw vaderen, zo ook gij. Wie van de profeten hebben uw vaderen niet vervolgd? Zelfs hebben zij hen gedood, die geprofeteerd hebben van de komst van de Rechtvaardige, van wie gij nu verraders en moordenaars geworden zijt, gij, die de wet ontvangen hebt op beschikking van engelen, doch haar niet hebt gehouden." (Handelingen 7:51-53)

Maar de Joodse Hoge Raad wilde dat niet horen, en zij stopten de vingers in hun oren, om Stefanus' woorden maar niet te horen:

  • "Toen zij dit hoorden, sneed het hun door het hart en zij knersten de tanden tegen hem. Maar hij, vol van de heilige Geest, sloeg de ogen ten hemel en zag de heerlijkheid Gods en Jezus, staande ter rechterhand Gods, En hij zeide: Zie, ik zie de hemelen geopend en de Zoon des mensen, staande ter rechterhand Gods. Maar zij begonnen luidkeels te schreeuwen, stopten hun oren toe en stormden als één man op hem los; en zij wierpen hem de stad uit en stenigden hem." (Hand 7:54-58)

Dát is de situatie en dát is de sfeer in de Handelingen periode. Verdrukking is het kenmerk voor de gelovigen in de Handelingen. Daarom zegt Paulus o.a. ook in Hand 14:22: "Dat wij door vele verdrukkingen het Koninkrijk Gods moeten binnengaan." Dat gold toen, en dat zal straks in de toekomst weer zo zijn. Want dan zal er een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. (Math 24:21)

Deze verdrukkingen waar in de gehele Handelingen periode sprake van is, en die straks in de eindtijd voor Israël tot een realistisch hoogtepunt zal komen, moeten we niet op onszelf toepassen, want die zijn niet voor ons. Er staat duidelijk in Gods Woord voor wie de grote verdrukking zal komen. Hier wordt gesproken tot een andere geloofs-groep, waarvoor een ander evangelie geldt. De gelovigen, die tot het Lichaam van Christus behoren, mogen weten door genade overgezet te zijn in de hemelse gewesten in Christus Jezus.

 

Tijden en Gelegenheden

In het begin van het boek Handelingen is de Heere Jezus nog lijfelijk aanwezig bij de 11 apostelen (Judas was afgevallen). Tot de dag dat Hij werd opgenomen heeft Hij zich na zijn lijden én opstaan met vele kentekenen levend vertoond, veertig dagen lang hun verschijnende en tot hen sprekende over al wat het Koninkrijk Gods betreft. (Hand 1:3).

Ook toen al was er de verwachting van het spoedig aanbrekende Koninkrijk. Want de apostelen, die daar met Hem bijeen waren, vroegen Hem en zeiden: "Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?" (Hand 1:6). Heel logisch deze vraag, want ze waren door de Heere zelf 40 dagen lang onderwezen aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods. Maar de Heere zei:

  • "Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde" (hier: aarde = land, het land Israël) (Hand 1:7-8).

Paulus zegt in 1 Tess 5:1 hetzelfde:

  • "Maar over de tijden en gelegenheden, broeders, is het niet nodig, dat u geschreven wordt."

Er was door Paulus al zo vaak gepraat over alle profetieën uit Mozes en de profeten, die handelden over het op te richten Koninkrijk, dát zou aanvangen, wanneer het gelovig overblijfsel van Israël tot geloof komt. Dán zal het Koninkrijk worden opgericht. Maar wanneer dát zal gebeuren, die tijd, die dag, heeft de Vader de beschikking aan Zich gehouden.

De kern van Handelingen is eigenlijk Hand 1:6

  • "Zij dan, die daar bijeengekomen waren, vroegen Hem en zeiden: "Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?"

Dit thema keert steeds weer terug. Net als in de drie evangelieën, Mattheüs, Markus en Lukas, was het Koninkrijk der hemelen, het Koninkrijk wat de Heere zelf zou oprichten, steeds zeer nabij. We lezen dat ook in Hand 15:15-16:

  • "Simeon heeft uiteengezet, hoe God van meet aan erop bedacht geweest is een volk voor zijn naam uit de heidenen te vergaderen. En hiermede stemmen overeen de woorden der profeten, gelijk geschreven staat: Daarna zal Ik wederkeren en de vervallen hut van David weder opbouwen, en wat daarvan is ingestort, zal Ik weder opbouwen, en Ik zal haar weder oprichten."

En nadat Hij dit gesproken had, (de woorden van Hand 1:7-8) werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen.

Toen de Heere opgenomen werd kwam er een wolk tussen Hem en de discipelen. Het is opmerkelijk dat altijd wanneer er sprake is van de aanwezigheid of de komst van de Heere er sprake is van een wolk, Dus broeders en zusters, zó zal de Heere terugkomen: (zie ook Zach 14)

  • De HERE ging voor hen uit, des daags in een wolkkolom om hen te leiden op de weg, en des nachts in een vuurkolom om hun voor te lichten, zodat zij dag en nacht konden voortgaan. (Ex 13:21)
  • Bij de verheerlijking van De Heere Jezus op de berg: "Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem!" (Math 17:5)
  • Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien. (Openb 1:7)



Deel 3 volgt DV.

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 3

 

God Kiest Zelf

In de Handelingen periode moest er nog een apostel in de plaats van Judas komen. Deze nieuwe apostel moet aan bepaalde voorwaarden voldoen. We lezen het "profiel" van deze nieuwe apostel in Hand 1:21-22:

  • "Er moet dan van de mannen, die zich bij ons hebben aangesloten in al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is, te beginnen met de doop van Johannes tot de dag, dat Hij van ons werd opgenomen, één van hen met ons getuige worden van zijn opstanding."

Dus deze nieuwe apostel moest zich reeds in een vroeg stadium bij de Heere Jezus en de twaalven hebben aangesloten, namelijk "in al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is, te beginnen met de doop van Johannes de Doper. Dit "in- en uitgegaan" spreekt van leven, van meebeleven met het hart. En het spreekt van een wandel in geloof. Bovendien moest de nieuwe apostel getuige geweest zijn van Zijn opstanding en van Zijn opname in heerlijkheid. Kortom hij moest getuige geweest zijn van alles wat de Heere tijdens Zijn wandel had gedaan, en had gepredikt.

De "twaalven" hadden een zeer speciale plaats. We lezen in Math 19:27-28:

  • "Daarop antwoordde Petrus en zeide tot Hem: Zie, wij hebben alles prijsgegeven en zijn U gevolgd; wat zal dan ons deel zijn? Jezus zeide tot hen: Voorwaar, Ik zeg u, gij, die Mij gevolgd zijt, zult in de wedergeboorte, wanneer de Zoon des mensen op de troon zijner heerlijkheid zal zitten, ook op twaalf tronen zitten om de twaalf stammen van Israël te richten."

De twaalf apostelen zullen als "hoofden" van Israël het volk leiden. En in het nieuwe Jeruzalem zal de muur der stad twaalf fundamenten hebben, en daarop de twaalf namen van de twaalf apostelen des Lams. (Openb 21:14).

En dan lezen we in het laatste gedeelte van Handelingen 1 dat er een nieuwe apostel wordt aangewezen door het lot. Dit wordt nog wel eens vreemd gevonden, dat een lot moest bepalen, wie de nieuwe apostel werd. In onze ogen is een loterij een kansspel. Maar laten we zien wat hier gebeurd: Er waren er twee die in aanmerking kwamen, en zij baden en vroegen de Heere:

  • "Wijs Gij, Here, die aller harten kent, die ene aan, die Gij van deze twee hebt uitgekozen."

Dus, wie koos uiteindelijk de nieuwe apostel? Niet het lot, maar de Heere zelf! De Heere bepaalde op wie het lot viel. Het was geen kansspel, maar een zuiver aanwijzen van God zelf. Hij roept altijd Zelf de Zijnen!



Het Keerpunt

Het zou de Joden eigenlijk bekend moeten zijn geweest, alles wat er met de Heere is gebeurd, want alle profeten hadden ervan getuigd, daarom staat er ook:

  • "En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Handelingen 3:17-18).

En Petrus zegt:

  • "Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. (1 Petr 1:10-11).

Daarom was er ook steeds de oproep: "Kom dan tot berouw en bekering".

Het is duidelijk tot wie deze oproep steeds in Handelingen gedaan wordt. Bij herhaling wordt heel duidelijk genoemd tot wie Petrus spreekt:

  • Hand 2:14: "Gij Joden......"
  • Hand 2:22 "Mannen van Israël, hoort deze woorden:....."
  • Hand 2:29 "Mannen broeders,......."
  • Hand 2:36 "Dus moet ook het ganse huis Israëls zeker weten,......"
  • Hand 2:39 "Want voor u is de belofte......"
  • Hand 3:17 "En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld,........"

En het moge ook duidelijk zijn waarom Petrus tot Zijn eigen volk sprak:

  • "Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende" Hand 3:19-20.

Ik ben me ervan bewust dat ik deze tekst al eerder heb aangehaald, maar hij is dan ook zeer belangrijk voor ons onderwerp, om de wederkomst in de goede context te verstaan.

Petrus, Johannes en Jacobus waren in de Handelingen tijd altijd druk doende, het volk op al deze dingen te wijzen. Ook Paulus, die, toen hij op reis naar Damascus was, door de Heere in de kraag gegrepen werd, werd speciaal een apostel voor het gebied buiten Israël. Paulus ging op al zijn reizen wel altijd eerst naar de Joden, naar de synagogen, waar hij uit Mozes en de profeten de Christus verkondigde.

Israël kreeg gedurende de gehele Handelingen nogmaals de kans om het evangelie in geloof te aanvaarden. Wanneer zij daadwerkelijk op dat evangelie zouden zijn ingegaan, dan zou het Koninkrijk inderdaad zijn aangebroken, en daarmee het herstel van Israël, wat aan de spits der volkeren zou staan. Maar we weten hoe het eindigde in Handelingen 28. Het gedeelte in Handelingen 28 is een wezenlijk belangrijk bijbelgedeelte, omdat dat een keerpunt in de geschiedenis voor Israël aankondigde. Daarom is het goed om dit in z'n geheel te lezen:

  • "En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte. En het geschiedde na drie dagen, dat Paulus de voormannen der Joden samenriep, en toen zij bijeen gekomen waren, zeide hij tot hen: Mannen broeders, ofschoon ik niets gedaan heb tegen ons volk of de voorvaderlijke gewoonten, ben ik uit Jeruzalem gevankelijk overgeleverd in de handen der Romeinen, die na onderzoek mij wilden vrijlaten, omdat er bij mij van geen halsmisdaad sprake was. Maar toen de Joden in verzet gingen, werd ik genoodzaakt mij op de keizer te beroepen; niet, dat ik mijn volk van iets wilde beschuldigen. Daarom heb ik verzocht u te zien en toe te spreken, want om de hoop van Israël draag ik deze keten. Maar zij zeiden tot hem: Wij voor ons hebben geen brieven over u uit Judea ontvangen, en ook is niemand van de broeders iets kwaads van u komen boodschappen of spreken. Maar wij stellen het wel op prijs van u te vernemen, welke uw denkbeelden zijn, want wat deze secte betreft, ons is bekend, dat zij overal tegenspraak vindt. En nadat zij een dag met hem hadden afgesproken, kwamen verscheidenen tot hem in zijn verblijf, wie hij met nadruk het Koninkrijk Gods voorstelde, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. En sommigen gaven wel gehoor aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig; en zonder het eens geworden te zijn, gingen zij uiteen, nadat Paulus dit ene woord gesproken had: Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, zeggende:

 

  • Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen! [En nadat hij dit gezegd had, gingen de Joden al redetwistende heen.] En hij bleef de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning, en ontving allen, die tot hem kwamen, predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering." (Hand 28:16-31)

 

Voor de laatste keer doet Paulus nog een poging. Hij roept de voormannen der Joden bijeen. (vers 17) En zij stellen het wel op prijs van Paulus te vernemen, welke zijn denkbeelden zijn. (vers 22) Paulus predikte met nadruk het Koninkrijk Gods, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. (vers 23) Het gevolg van Paulus' prediking is dat sommigen wel gehoor gaven aan hetgeen gezegd werd, maar anderen bleven ongelovig. (vers 25). En dan is eigenlijk de maat vol, want dan zegt Paulus van Godswege:

  • "Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen."

Paulus haalt hier de woorden van de profeet Jesaja aan. En het bijzondere is dat dezelfde woorden nu voor de derde keer gesproken worden:

  1. De eerste keer was in Jesaja 6:9-10 vanwege het ongeloof en de ongehoorzaamheid van het volk. Daar had deze profetie tot gevolg dat Juda in de Babbalonische ballingschap ging.
  2. De tweede keer sprak de Heere Jezus zelf deze woorden vanwege het ongeloof van Israël in Math 13:13-15. De Farizeeën beschuldigden de Heere Jezus ervan dat Hij de tekenen en wonderen deed door Beëlzebul, de overste der geesten. (Math 12:24) Het gevolg van deze beschuldiging, van dit bewuste ongeloof is dat de Heere vanaf die tijd in gelijkenissen sprak, die zij niet zouden verstaan: "Want wie heeft, hem zal gegeven worden en hij zal overvloedig hebben; maar wie niet heeft, ook wat hij heeft, zal hem ontnomen worden. Daarom spreek Ik tot hen in gelijkenissen, omdat zij ziende niet zien en horende niet horen of begrijpen. (Math 13:12-13)
  3. En hier in Handelingen worden deze woorden voor de derde keer door Paulus gesproken. Gods Woord zegt dat een zaak vast zal staan op de verklaring van twee of drie getuigen. (Deut 19:5 en 2 Cor 13:1) Het gevolg van deze derde keer is dat Israël voor een bepaalde tijd (nu al ongeveer 2000 jaar) terzijde werd gesteld, en dat zelfs Jeruzalem met daarin de tempel een paar jaar later door de Romeinse Keizer Titus werd verwoest. Het volk ging de diaspora in!

Maar Paulus zegt nog iets opvallends. In Hand 28:28 zegt Paulus:

  • "Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!"

Is het u opgevallen dat in vers 26 en 27 staat dat Israël had kunnen ZIEN en HOREN? En dat in vers 28 alleen sprake is van HOREN? Dit had alles te maken met het Koninkrijk, wat voor Israël had kunnen komen. En bij de verkondiging van het Koninkrijk hoorden ook de "zienlijke" tekenen en wonderen. Maar vanaf Handelingen 28:28 is het alleen nog HOREN! Dat betekent dat de wonderen en tekenen, horende bij dat Koninkrijk, en die er daarom veelvuldig waren in de Evangelieën en in de Handelingen nu terzijde zijn gezet. Daarom zegt het Woord:

  • "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, (bijbels hopen = zeker weten) en het bewijs der dingen, die men niet ziet."

Is het u ook opgevallen dat Paulus tot Handelingen 28 uitsluitend alleen heeft gepredikt wat in Mozes en de profeten stond? Dus alle toehoorders uit Israël hadden al die dingen kunnen weten, als men Mozes en de profeten hadden gelezen, en zeker de voormannen hadden het moetem weten. Dus eigenlijk is hier sprake van puur ongeloof. Paulus had eigenlijk niets nieuws verkondigd, maar uitsluiten zaken die bekend zouden moeten zijn. Maar na Handelingen 28 verkondigd Paulus in zijn brieven, die hij toen nog geschreven heeft, nieuwe dingen, die NIET na te speuren waren in de Schrift.

Dus, broeders en zusters, het Koninkrijk werd niet opgericht, en het heil Gods werd vanaf toen aan de heidenen gezonden. Vanaf die tijd begint Paulus een ander, nieuw evangelie te verkondigen, wat in zijn latere brieven tot uiting komt. Dit "heil Gods" uit Hand 28:28 betekent niets anders, dat dat vanaf die tijd "de Christus" aan de heidenen gezonden is.

  • "Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder u,de hoop der heerlijkheid." (Kol 1:27)

Dus op het eind van Handelingen weten we het voorlopige antwoord op de vraag van de dicipelen uit het eerste hoofstuk: "Here, herstelt Gij in deze tijd het koningschap voor Israël?" Het had gekund, maar door het ongeloof van het volk ging het niet door. Dit had de Heere natuurlijk nooit direct al kunnen zeggen, want dan zou iedere motivatie van de discipelen zijn verdwenen, als ze op voorhand al zouden hebben geweten dat het volk door hun ongeloof terzijde zou worden gezet.

Na de uitspraak van Paulus in Hand 28:28 stopt de bediening van Paulus niet. Maar we lezen dat hij de volle termijn van twee jaar in zijn eigen gehuurde woning bleef, en hij ontving allen, die tot hem kwamen, predikende het Koninkrijk Gods, en onderricht gevende aangaande de Here Jezus Christus met alle vrijmoedigheid, zonder enige belemmering. (Hand 28:30-31) Dit is wel bijzonder, want Paulus was een gevangene, maar toch had hij zijn eigen plekje, waar hij iedereen kon ontvangen. Na Handelingen 28 heeft Paulus de latere zeven brieven geschreven.

Is het u ook opgevallen dat Paulus na Handelingen 28:28 niet meer de Schriften bekend gemaakt "uit Mozes en de Profeten"? Hij predikte toen "De Heere Jezus Christus".



Na twee Dagen.......

  • "Komt, laat ons wederkeren tot de HERE! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht. Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit." (Hosea 6:1-3)

Dit bijbelgedeelte gaat over de terugvergadering van het volk Israël. En wanneer zal die terugverzameling gebeuren?

  • "Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere. (Mat 24:29-31)

Temidden van het huidige volk Israël zullen nog de ergste dingen plaatsvinden. Daarom zal ik ook geen enkele Jood aanraden om nú naar dit land terug te keren. Er zal een tempel worden opgericht in Jeruzalem, waar een groot deel van het volk satan zal aanbidden. Ze zullen een verbond aangaan met Gods tegenstander. Enkele gedeelten uit Gods Woord over de toekomst van Israël, en met name over de toekomst van Jeruzalem:

  • Dan zal Ik alle volken tegen Jeruzalem ten strijde vergaderen; de stad zal genomen worden, de huizen zullen worden geplunderd en de vrouwen geschonden. (Zach 14:2)
  • In het gehele land, luidt het woord des HEREN, zullen twee derden uitgeroeid worden en de geest geven, maar een derde zal daarin overblijven. Dat derde deel zal Ik in het vuur brengen, en Ik zal hen smelten, zoals men zilver smelt, ja hen louteren, zoals men goud loutert. Zij zullen mijn naam aanroepen en Ik zal hen verhoren. Ik zeg: Dat is mijn volk; en zij zullen zeggen: De HERE is mijn God. (Zach 13:8-9)
  • De lijken van dit volk zullen het gevogelte des hemels en het gedierte der aarde tot voedsel strekken, zonder dat iemand ze verjaagt. En Ik zal in de steden van Juda en op de straten van Jeruzalem doen verstommen de stem der vreugde en de stem der vrolijkheid, de stem van de bruidegom en de stem der bruid, want het land zal een verwoesting zijn. (Jer 7:34)

En zo zijn er nog vele teksten van dezelfde strekking te vinden. Het is te gruwelijk om te bevatten. Er zal te dien dage een weg ter ontkoming zijn dwars door de gespleten Olijfberg naar de woestijn toe. Het land moet totaal leeg. Daarna zal een gelovig overblijfsel uit de woestijn terugkeren, waar de schifting heeft plaatsgevonden. Al deze dingen moeten gebeuren om het land én het volk te zuiveren voor de Heere. Maar daarna zal het land Israël zijn als de Hof van Eden, en zal het land de beloofde grootte hebben, van de rivier in Egypte tot aan de Eufraat!

In dezelfde tijd moeten we ook Psalm 122 plaatsen. Boven die Psalm staat: "Vrede over Jeruzalem". Het is een profetische Psalm van David. Hij ziet op het einde, wanneer Christus het Koningschap aanvaard:

  • "Ik was verheugd, toen men mij zeide: Laten wij naar het huis des HEREN gaan. Onze voeten staan in uw poorten, o Jeruzalem. Jeruzalem is gebouwd als een stad, die wèl samengevoegd is; waarheen de stammen opgaan, de stammen des HEREN. Een voorschrift voor Israël is het de naam des HEREN te loven. Want daar staan de zetels ten gerichte, de zetels van het huis van David. Bidt Jeruzalem vrede toe: mogen wie u liefhebben, rust genieten; vrede zij binnen uw muur, rust in uw burchten. Om mijn broeders en mijn vrienden wil ik zeggen: vrede zij in u; om het huis van de HERE, onze God, wil ik het goede voor u zoeken." (Psalm 122)

Ook nu bidden vele christenen voor de "vrede van Jeruzalem", maar zonder iemand ook maar iets te kort willen doen, wil ik toch zeggen: "Hoe kunnen wij nú voor de vrede van Jeruzalem bidden, terwijl Gods Woord zegt dat het daar voorlopig geen vrede zal worden? En straks zal er voor een tijd, en tijden en een halve tijd (3 1/2 jaar) volgens Daniël en Openbaring een schijn-vrede onder het satanisch bewind van de anti-christ zijn. Daarna zal in de tijd van de grote verdrukking het gehele land, inclusief Jeruzalem in totale chaos verkeren.

Uiteindelijk zal het vrede zijn onder Koningschap van Christus Jezus, de Heere. Dáár gaat deze Psalm over. Dán zal er ware vrede in Jeruzalem zijn. We kunnen God danken dat deze vrede voor Jeruzalem zeker zal komen, want Hij zegt het in Zijn Woord, en Zijn Woord is de Waarheid!

 

Heiligen

1 Tess 3:13

  • "Om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst (parousia) van onze Here Jezus met al zijn heiligen."

Deze tekst wordt vaak gekoppeld aan 1 Tess 4, waar het over de z.g. opname gaat. Die heiligen zouden dan de gemeente zijn. Dat is een uitleg gebaseerd op een persoonlijke visie. Hier wil ik toch met nadruk de aandacht op vestigen, omdat het zo vaak gebeurd, dat men een bepaalde visie heeft over een bepaald onderwerp, en vanuit die (vaststaande) visie Gods Woord gaat lezen én uitleggen. Voor elke visie zijn altijd teksten te vinden om een visie te onderbouwen. Maar we moeten oppassen dat we dan niet aan Bijbel-inleg in plaats van aan Bijbel-uitleg doen. We moeten trachten ons eerlijk voor Gods Woord open te stellen zonder vooropgezette mening. Alleen dán kan Gods Geest in ons werkzaam zijn. Dan ontdekken we ook voortdurend nieuwe schatten, en mogen we groeien in Hem.

We gaan nu proberen te ontdekken wat Gods Woord van die "heiligen" uit 1 Tess 3:13 zegt, die "heiligen", die zullen verschijnen tezamen met de Heere in Zijn komst (= parousia).

Wat het nú voor ons, de gelovigen, die bij het Lichaam van Christus behoren, betekent, dat wij heiligen genoemd worden, laten de latere brieven die Paulus geschreven heeft, duidelijk zien. Hieronder enkele teksten die dát duidelijk aantonen:

  • "Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus, die [te Efeze] zijn." (opschrift van de Efeze brief). Eigenlijk lijkt het dubbel wat Paulus zegt, want heiligen en gelovigen zijn dezelfde personen. Heiligen betekent eigenlijk "apart gezetten". De gelovigen van Efeze waren voor het Lichaam van Christus apart gezet van de rest, die niet Paulus evangelie geloofden. Maar er wordt in Efeze 1:1 met "heiligen en gelovigen" iets gezegd over die gelovigen. Wanneer we bedenken dat geloof ook "trouw" betekent, zien we dat die gelovigen trouw waren aan het evanglie wat Paulus toen bracht, vandaar dat we lezen: "heiligen (= apart geplaatsten) en gelovigen (= getrouwen)"
  • "Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen." (Efeze 1:15) Ook hier zijn de heiligen gelovigen.
  • "Om de heiligen toe te rusten tot dienstbetoon, tot opbouw van het lichaam van Christus."(Ef 4:12)

 

Ook de gelovigen van het volk Israël worden heiligen genoemd, enkele teksten die allemaal geadresseerd zijn aan Israël, cq aan de 12 stammen in de verstrooiing:

  • "Hier blijkt de volharding der heiligen, die de geboden Gods en het geloof in Jezus bewaren." (Openb 14:12).
  • "En zij kwamen op over de breedte der aarde en omsingelden de legerplaats der heiligen en de geliefde stad; en vuur daalde neder uit de hemel en verslond hen." (Openb 20:9) Uit de context weten we dat het hier om gelovige Joden gaat, die in Jeruzalem wonen.
  • "Zij dan liepen te hoop tegen Mozes en Aäron en zeiden tot hen: Laat het u genoeg zijn, want de gehele vergadering, zij allen zijn heiligen, en de HEERE is in hun midden. Waarom verheft gij u dan boven de gemeente des HEEREN?" (Num16:3).
  • "Vreest de HEERE, gij, zijn heiligen, want wie Hem vrezen, hebben geen gebrek." (Psalm 34:10).
  • "Daarom loven de hemelen uw wondermacht, o HEERE, ook uw trouw in de gemeente der heiligen." (Psalm 89:6).
  • "Daarna zullen de heiligen des Allerhoogsten het koningschap ontvangen, en zij zullen het koningschap bezitten tot in eeuwigheid, ja, tot in eeuwigheid der eeuwigheden." (Dan 7:18).
  • "Ik zag, dat die horen strijd voerde tegen de heiligen en hen overmocht." (Dan 7:21).
  • "Totdat de Oude van dagen kwam en recht verschaft werd aan de heiligen des Allerhoogsten en de tijd naderde, dat de heiligen het koningschap in bezit kregen." (Dan 7:22).
  • "En de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt." (Math 27:52) Wonderbaarlijke dingen gebeurden er toen de Heere stierf. Ze toonden aan dat de dood was overwonnen: "En zie, het voorhangsel van de tempel scheurde van boven tot beneden in tweeën, en de aarde beefde, en de rotsen scheurden, en de graven gingen open en vele lichamen der ontslapen heiligen werden opgewekt. En zij gingen uit de graven na zijn opstanding en kwamen in de heilige stad, waar zij aan velen verschenen. De hoofdman en zij, die met hem Jezus bewaakten, zagen de aardbeving en wat er plaats had en zij werden zeer bevreesd en zeiden: Waarlijk dit was een Zoon Gods. (Math 27:51-53) Bijzonder is dat de heidense hoofdman én zijn soldaten door de gebeurtenissen de ogen geopend werden, en erkenden: Dit was Gods Zoon. Maar de geestelijke leiders van Israël, waren zó verhard, dat zij zelfs enigen van de wacht met veel geld omkochten, om de leugen te verspreidden, dat zijn discipelen in de nacht zijn gekomen om Zijn lichaam te stelen. (Math 28:11-13).
  • "En Ananias antwoordde: Heere, ik heb van velen over deze man gehoord, hoeveel kwaad hij uw heiligen te Jeruzalem aangedaan heeft." (Hand 9:13) Ananias kreeg in een gezicht van God de opdracht om naar de "vervolger" Paulus toe te gaan, maar Ananias protesteerde een weinig, maar kreeg toch de opdracht om naar Paulus toe te gaan. Want Paulus was een door God uitverkoren werktuig om Zijn naam te brengen voor heidenen en koningen en [de] kinderen Israëls. (Hand 9:10-15).
  • "Petrus, een apostel van Jezus Christus, aan de vreemdelingen, die in de verstrooiing zijn in Pontus, Galatië, Kappadocië, Asia en Bitynië, de uitverkorenen naar de voorkennis van God, de Vader, in heiliging door de Geest, tot gehoorzaamheid en besprenging met het bloed van Jezus Christus: genade en vrede worde u vermenigvuldigd." (1 Petr 1:1-3) Dit is het opschrift van de brieven van Petrus. Deze tekst heb ik aangehaald, om te laten zien aan wie de Petrus brieven geschreven zijn. Het zijn uitsluitend Joden, die in de verstrooiing zijn geraakt, en daarom moeten we gewoon vaststellen, dat Petrus aan die Joden zijn brieven heeft gericht.
  • "Hem hebt gij lief, zonder Hem gezien te hebben; in Hem gelooft gij, zonder Hem thans te zien, en gij verheugt u met een onuitsprekelijke en verheerlijkte vreugde, daar gij het einddoel des geloofs bereikt, dat is de zaligheid der zielen. Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna. Hun werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan." (1 Petr 1:8-12).

 

Deel 4 volgt DV.

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 4

We zijn de vorige keer geëindigd met het onderwerp "heiligen", waar we nu mee verder gaan:

Het woord "heilige" wordt in de Bijbel ook als bijvoeglijk naamwoord gebruikt bij bepaalde voorwerpen, zoals bijvoorbeeld de heilige ark, heilige klederen, heilige plaats, enz.

We begonnen dit gedeelte in deel 3 met de tekst: 1 Tess 3:13

  • "Om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst (parousia)van onze Here Jezus met al zijn heiligen."

Wie zijn "al zijn heiligen" in deze tekst? We gaan proberen te ontdekken wat het Woord over deze "heiligen" zegt:

De Heere Jezus Christus met al zijn heiligen.”

In het Oude Testament staat:

  • "Dit is de zegen, waarmede Mozes, de man Gods, de Israëlieten vóór zijn sterven gezegend heeft. Hij zeide: De HERE is gekomen van Sinai en over hen opgegaan uit Seïr; Hij is in lichtglans verschenen van het gebergte Paran en gekomen uit het midden van heilige tienduizenden; aan zijn rechterzijde zagen zij een brandend vuur. Ja, Hij heeft de volken lief; al zijn heiligen – in uw hand zijn zij, aan uw voeten legeren zij zich, vangen iets op van uw woorden. Mozes heeft ons de wet geboden, een bezit voor de gemeente van Jakob. Hij werd Koning in Jesurun, toen de hoofden van het volk bijeenkwamen, de stammen van Israël alle tezamen." (Deut 33:1-5)

Seïr en Paran zijn namen die beide te maken hebben met de komst van de Heere. "Opgegaan uit Seïr" betekent een vooruitblik naar de wederkomst van Christus, en net zo zeker als de opgang der zon is, zal de komst van Christus zijn. In Deut 33:1-3 lezen we over "de heilige tienduizenden" en over "al Zijn heiligen". Deze laatste "heiligen" wijst naar de volken, wat in dit verband de stammen van Israël zijn. Dat zegt de tekst ook duidelijk, "in Uw hand zijn zij, aan Uw voeten legeren zij zich" De "heilige tienduizenden" zijn de heiligen van 1 Tess 3:13, zoals later zal blijken.

Alle profeten hebben over de toekomstige zegeningen van Israël gesproken, zonder misschien ten diepste te beseffen waar het over ging, want zij " hebben gezocht en gevorst" (1 Petr 1:10). Wel werd aan die profeten bekend gemaakt, dat, wat zij door Gods Geest moesten profeteren, niet voor henzelf, of voor hun tijd was, maar bestemd was voor die Joden, waaraan Petrus zijn brieven had gestuurd. (1 Petr 1:12).

  • "Nadat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, heeft Hij nu in het laatst der dagen tot ons gesproken in de Zoon, die Hij gesteld heeft tot erfgenaam van alle dingen, door wie Hij ook de wereld geschapen heeft. Deze, de afstraling zijner heerlijkheid en de afdruk van zijn wezen, die alle dingen draagt door het woord zijner kracht, heeft, na de reiniging der zonden tot stand gebracht te hebben, Zich gezet aan de rechterhand van de majesteit in den hoge, zóveel machtiger geworden dan de engelen, als Hij uitnemender naam boven hen als erfdeel ontvangen heeft. Immers, tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Mijn Zoon zijt gij; Ik heb U heden verwekt? En wederom: Ik zal Hem tot Vader zijn, en Hij zal Mij tot Zoon zijn. En wanneer Hij wederom de eerstgeborene in de wereld brengt, spreekt Hij: En Hem moeten alle engelen Gods huldigen. En van de engelen zegt Hij: Die zijn engelen maakt tot winden en zijn dienaars tot een vuurvlam; maar van de Zoon: Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap. Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten. En: Gij, Here, hebt in den beginne de aarde gegrondvest, en de hemelen zijn het werk uwer handen; die zullen vergaan, maar Gij blijft; en zij zullen alle als een kleed verslijten, en als een mantel zult Gij ze oprollen, als een kleed zullen zij ook verwisseld worden; maar Gij zijt dezelfde en uw jaren zullen niet ophouden. En tot wie der engelen heeft Hij ooit gezegd: Zet U aan mijn rechterhand, totdat Ik uw vijanden gemaakt heb tot een voetbank voor uw voeten? Zijn zij (die engelen) niet allen dienende geesten, die uitgezonden worden ten dienste van hen, die het heil zullen beërven?" (Hebr 1:1-14)

Broeders en zusters, ook hier moeten we weer opletten aan wie deze brief is geadresseerd. Ook de Hebreeën brief is gestuurd naar de stammen in de verstrooiing. Dat blijkt overduidelijk uit de eerste verzen van het eerste hoofdstuk, waar we lezen, dat God eertijds vele malen en op vele wijzen tot de vaderen gesproken had in de profeten, en dat Hij nu in het laatst der dagen tot ons (= afstammelingen van de vaderen) gesproken heeft in de Zoon. Dit is de eerste reden dat deze brief niet aan ons is geadresseerd, de tweede reden is, dat Paulus deze brief geschreven heeft tijdens de Handelingen periode, getuige de boodschap en het toen geldende evangelie, wat duidelijk uit de brief aan de Hebreeën blijkt.

Wanneer u hier voor het eerst op gewezen wordt, dan zult u misschien denken, mooie boel is dit, zo blijft er van mijn Bijbel weinig meer over. Dat verwijt wordt namelijk nogal eens gemaakt. Maar we moeten toch eerlijk zijn, iets wat niet aan ons is geschreven, kunnen we toch niet op onszelf toepassen. Dan eigenen we ons dingen toe, die ons helemaal niet toekomen. Bovendien komen we dan hopeloos in de knoei, want er zijn zoveel verschillende aspecten in Gods Woord, verschillende "hoop", verschillende "zegeningen", verschillende toekomst verwachtingen, enz. En wat is nou voor ons en wat niet?

Wanneer u let op de geadresseerden, en op de periode waarin de brief is geschreven, dan zult u bemerken, dat veel dingen op zijn plaats vallen. Dan zult u geen kleinere Bijbel krijgen, maar een veel rijker Woord van God. Want de totale Bijbel is voor ons tot lering, tot opbouw, en tot onderwijzing, maar niet de totale Bijbel is aan ons geadresseerd.

Wanneer God handelt met Israël zijn er altijd engelen mee gemoeid. Zo was er de aartsengel Michaël, en de engel Gabrieël, die ten dienste stond van Daniël en Maria, en vele andere engelen. Engelen dienden soms als verdedigingsmacht voor Israël. Abraham ontmoette 3 mannen, waarvan één de Heere was, en de andere twee waren engelen. Bij Lot waren ook engelen, die Lot aanstuurden. Maar nu gaan we naar teksten, die ons nog meer duidelijkheid geven over 1 Tess 3:13 "Om uw harten te versterken, zodat zij onberispelijk zijn in heiligheid voor onze God en Vader bij de komst (parousia)van onze Here Jezus met al zijn heiligen."

  • "Dan zal de HEERE uittrekken om tegen die volken te strijden, zoals Hij vroeger streed, ten dage van de krijg; zijn voeten zullen te dien dage staan op de Olijfberg, die vóór Jeruzalem ligt aan de oostzijde; dan zal de Olijfberg middendoor splijten, oostwaarts en westwaarts, tot een zeer groot dal, en de ene helft van de berg zal noordwaarts wijken en de andere helft zuidwaarts; en gij zult de vlucht nemen in het dal mijner bergen, want het dal der bergen zal reiken tot Asel; ja, gij zult de vlucht nemen, zoals gij de vlucht genomen hebt voor de aardbeving in de dagen van Uzzia, de koning van Juda. En de HEERE, mijn God, zal komen, alle heiligen met Hem." (Zach 14:1-5)
  • "Want de Zoon des mensen zal komen in de heerlijkheid zijns Vaders, met zijn engelen, en dan zal Hij een ieder vergelden naar zijn daden. Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid." (Math 16:27-28)

Deze twee teksten uit Zacharia 14 en uit Matheus 16 vullen elkaar goed aan. Beide gaan over de komst in heerlijkheid van Christus. Zacharia zegt dat de Heere zal komen met alle heiligen, en Matheus zegt dat de Heerer zal komen met Zijn engelen. Mogen we dan hieruit concluderen dat de heiligen waar de Heere mee verschijnt engelen zijn?

Het valt een beetje buiten het onderwerp, maar het is bijzonder, dat in Math 16:28 staat:

  • "Voorwaar, Ik zeg u: Er zijn sommigen onder degenen, die hier staan, die de dood voorzeker niet zullen smaken, voordat zij de Zoon des mensen hebben zien komen in zijn koninklijke waardigheid."

Er zijn mensen, die deze tekst aangrijpen om aan te tonen, dat Gods Woord niet waar is, want, zeggen zij dan: "Er leeft toch niemand meer van die tijd, om Gods Zoon te zien komen?" Maar zij hebben de Schrift niet begrepen, want reeds zes dagen later gingen deze woorden van de Heiland in vervulling:

  • "En zes dagen later nam Jezus Petrus en Jakobus en zijn broeder Johannes mede en Hij leidde hen een hoge berg op, in de eenzaamheid. En Zijn gedaante veranderde voor hun ogen en zijn gelaat straalde gelijk de zon en zijn klederen werden wit als het licht. En zie, hun verschenen Mozes en Elia, die met Hem spraken. Petrus antwoordde en zeide tot Jezus: Here, het is goed, dat wij hier zijn; indien Gij het wilt, zal ik hier drie tenten opslaan, voor U een, en voor Mozes een, en voor Elia een. Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem! Toen de discipelen dit hoorden, wierpen zij zich op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd. En Jezus kwam bij hen, raakte hen aan en zeide: Staat op en weest niet bevreesd. Toen zij hun ogen opsloegen, zagen zij niemand dan Jezus alleen." (Math 17:1-8)

In deze "verheerlijking op de berg" zien we de Zoon des mensen veranderen in de Zoon van God. Zijn gelaat werd als de zon, en Zijn klederen werden wit als licht. Deze beschrijving van de Heere doet ons denken aan de beschrijving in Openbaring:

  • "En zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam; en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stem was als een geluid van vele wateren. (Openb 1:14-15).

De drie discipelen zagen het gebeuren. En toen de discipelen de stem van God hoorden, wierpen zij zich, net als Johannes in Openbaring 1, op hun aangezicht ter aarde en werden zeer bevreesd. Maar de Heere stelde hun gerust. Het is bijzonder dat de drie genoemde discipelen ooggetuigen zijn geweest van deze geweldige manifestatie van de Heerlijkheid van Christus, die dan ook opgetekend is geworden in het Woord. (Dit was even een uitstapje)

We gaan weer verder:

  • "Want wat baat het een mens, als hij de gehele wereld wint, maar zichzelf verliest of zelf schade lijdt? Want ieder, die zich voor Mij en voor mijn woorden zal schamen, voor hem zal de Zoon des mensen Zich schamen, wanneer Hij komt in zijn heerlijkheid en die van de Vader en de heilige engelen." (Lukas 9:25-26)

Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende:

  • "Zie, de Here is gekomen met zijn heilige tienduizenden, om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben." (Judas vers 14-15) Hier in Judas komen we dezelfde heilige tienduizenden uit Deut 33:2 weer tegen.
  • "En een andere engel, een derde, volgde hen, zeggende met luider stem: Indien iemand het beest en zijn beeld aanbidt en het merkteken op zijn voorhoofd of op zijn hand ontvangt, die zal ook drinken van de wijn van Gods gramschap, die ongemengd is toebereid in de beker van zijn toorn; en hij zal gepijnigd worden met vuur en zwavel ten aanschouwen van de heilige engelen en van het Lam." (Openb 14:9-10).
  • "En ik zag de hemel geopend, en zie, een wit paard; en Hij, die daarop zat, wordt genoemd Getrouw en Waarachtig, en Hij velt vonnis en voert oorlog in gerechtigheid. En zijn ogen waren een vuurvlam en op zijn hoofd waren vele kronen en Hij droeg een geschreven naam, die niemand weet dan Hijzelf. En Hij was bekleed met een kleed, dat in bloed geverfd was, en zijn naam is genoemd: het Woord Gods. En de heerscharen, die in de hemel zijn, volgden Hem op witte paarden, gehuld in wit en smetteloos fijn linnen. En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen. En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning der koningen en Here der heren." (Openb 19:11-16).
  • "Wanneer Hij komt, om op die dag verheerlijkt te worden in zijn heiligen en met verbazing aanschouwd te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn; want ons getuigenis heeft geloof gevonden bij u." (2 Tess 1:10) Hier staat dus dat de gelovigen met verbazing zullen aanschouwen de komst van Christus compleet met Zijn heiligen.

Conclusie: We hebben nu een aantal teksten gelezen over de komst van de Heere Jezus Christus met al zijn heiligen. We hebben gezien dat die heiligen ook engelen, heilige engelen, heilige tienduizenden en heerscharen worden genoemd. Daaruit mogen we opmaken dat de Heere bij Zijn komst zal verschijnen met een grote legermacht van tienduizenden heilige engelen.

U zult misschien denken waarom we dit zo uitvoerig behandelen, maar dat is om duidelijk aan te tonen, dat de heiligen uit 1 Tess 3:13 niet "de gemeente" is, wat zo vaak wordt gezegd.



Verschijnen in Heerlijkheid

Bij de komst van de Heere in heerlijkheid speelt er naast die grote legermacht van tienduizenden heilige engelen en de heiligen nog iets anders. In de brieven die Paulus na Handelingen 28 geschreven heeft, lezen we ook over de komst des Heeren:

  • "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid." (Kol 3:1-4).
  • "God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus." (Efeze 2:4-7).
  • "Ook u, die eertijds vervreemd en vijandig gezind waart blijkens uw boze werken, heeft Hij thans weder verzoend, in het lichaam zijns vlezes, door de dood, om u heilig en onbesmet en onberispelijk vóór Zich te stellen, indien gij slechts wel gegrond en standvastig blijft in het geloof en u niet laat afbrengen van de hoop van het evangelie, dat gij gehoord hebt en dat verkondigd is in de ganse schepping onder de hemel, en waarvan ik, Paulus, een dienaar geworden ben." (Kol 1:21-23)

In het voorgaande is reeds gezegd dat Paulus tot Handelingen 28 uitsluitend alleen heeft gepredikt wat in Mozes en de profeten stond. Maar na Handelingen 28 verkondigd Paulus in zijn brieven, die hij toen nog geschreven heeft nieuwe dingen, die NIET na te speuren waren in de Schrift. (Efeze 3:8).

Na Handelingen spreekt Paulus over een mede levend gemaakt, een mede opgewekt worden met Christus, en een mede gezet worden met Christus in de hemelse gewesten. Dát is de positie van de gelovige van deze rijke tijd van genade waarin wij nu leven. Dát is de positie van de gelovige, die behoort bij het Lichaam van Christus.

Efeze 1 zegt dat die “apart geplaatsten en getrouwen” IN Christus zijn:

  • "In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid. Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen (deze heiligen zijn de gelovigen van nu), en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt. (Efeze 1:13-23)



De huidige positie van de heiligen = Lichaam van Christus

Broeders en zusters, het is een geweldige positie, die die “apart geplaatsten en getrouwen” (Ef 1:1) nu door Gods rijke genade mogen innemen. We kunnen het nalezen in Gods Woord, maar kunnen we het ook begrijpen? Hij zal het vernederd lichaam veranderen, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen. (Fil 3:21) Hebben we dat verdiend? Nee, het is overweldigende genade! Allen die van Christus zijn, die tot het Lichaam van Christus behoren, zullen Hem gelijkvormig zijn. Dit zal in de toekomst realiteit worden. Maar de geestelijke realiteit is in het hier en nu!

Geestelijk zijn zij reeds mede levend gemaakt, zijn zij reeds mede gezet met Christus in de hemelse gewesten. Nog nooit is er in de gehele heilsgeschiedenis van de Bijbel zo'n glorieuze positie van gelovigen geweest. Dit evangelie wat Paulus na de Handelingen periode mocht brengen, was dan ook niet na te speuren in de Schrift. Het was een verborgenheid, die Paulus mocht openbaren, en die uniek was. Daarom zegt Paulus ook in Efeze 3:8

  • "Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen."

Het betreft het Lichaam van Christus, Hij is het Hoofd van het Lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is. (Kol 1:18). En iedere gelovige mag groeien in Hem, zich aan de waarheid houdende, in liefde in elk opzicht naar Hem toe, die het Hoofd is, Christus. (Efeze 4:15)

Daarom behoren wij, Indien wij dan met Christus opgewekt zijn, de dingen, die boven zijn te zoeken, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods, waar ook wij in dat Hoofd aan de rechterhand Gods mogen zitten, omdat wij reeds mede gezet met Christus in de hemelse gewesten. Daarom moeten we de dingen, die boven zijn zoeken, niet die op de aarde zijn. Want dan wij zijn immers gestorven in Christus, en ons leven is verborgen met Christus in God. En wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zullen ook wij met Hem verschijnen in heerlijkheid." (Kol 3:1-4 vrij vertaald).

Alles hebben we van onze hemelse Vader ontvangen, want we lezen in Kol 2:10 dat wij de volheid verkregen hebben in Hem, die het hoofd is van alle overheid en macht. En meer dan vol kan niet. Daarom staat er ook in Efeze 1:3 "Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus." (St Vert). We worden stil van zoveel rijkdom en overvloedige genade, die ons in Christus ten deel valt. We geloven het, en we aanvaarden het, maar met ons verstand kunnen we het niet bevatten of beredeneren.

We mogen deze rijke dingen uit Gods Woord overdenken, en lezen in Kol 3:4

  • "Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid."

En we mogen weten uit Gods Woord dat wij gelovigen, die samen het Samen-Lichaam vormen, het Ene geheel, wat het Lichaam van Christus zal zijn. En ook weten we uit het Woord dat iedere gelovige, die behoort bij Het Lichaam van Christus, direct naa zijn sterven bij de Heere zal zijn. (zie over de uitopstanding van tussen de doden uit de bijbelstudie “Hem Kennen II” deel 30).

Wanneer er dan staat: "Wanneer Christus verschijnt", dan geloof ik dat Christus dan het complete Lichaam omvat. De complete Man (= het Lichaam van Christus) zal verschijnen vanuit de rechterstoel des Vaders, samen met Zijn tienduizenden heilige engelen, Welk een Majestueuze verschijning (= Epiphanea) zal dat zijn, en door Gods overweldigende rijkdom van genade mogen wij daar deel van uit maken.


Volgende keer over de "Dag des Heeren".

Deel 5 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 5

Dag des Heeren

Bij het bestuderen van deze bijbelstudie over de twee Tessalonicenzen brieven zullen we, na bestudering, heel duidelijk kunnen stellen, dat de twee Tessalonicenzen brieven zijn:

  1. Onafscheidelijk

  2. Geschreven door dezelfde schrijver.

  3. Geschreven zijn in dezelfde periode.

  4. Geschreven is aan dezelfde mensen.

  5. Handelen over hetzelfde onderwerp.

Nadat de gemeente van de Tessalonicenzen de eerste brief van Paulus had ontvangen, was de gemeente verontrust geworden door het circuleren van nog een andere brief. Deze andere brief, ofschoon niet van de hand van Paulus, claimde dat wél te zijn. De brief verdraaide het onderwijs van Paulus over de Komst van Christus en de toevergadering tot Hem, daarom schrijft Paulus de Tessalonicenzen direct een tweede brief, de tweede brief aan de Thessalonicenzen, die hij persoonlijk ondertekent. (zie 2 Tess 2:17)

Paulus begint de tweede brief met zijn gebruikelijke begroeting:

  • "Paulus, Silvanus en Timoteüs aan de gemeente der Tessalonicenzen in God, onze Vader, en de Here Jezus Christus: genade zij u en vrede van God, de Vader, en van de Here Jezus Christus."

En dan begint Paulus op te sommen hoe ze er geestelijk voor staan, en wat ze om Christus' wil moeten doormaken:

  • "Wij behoren God te allen tijde om u te danken, broeders, zoals gepast is, omdat uw geloof zeer toeneemt en uw aller liefde jegens elkander sterker wordt, zodat wij zelf over u roemen bij de gemeenten Gods, vanwege uw volharding en uw geloof onder al uw vervolgingen en de verdrukkingen, die gij doorstaat." (2 Tess 1:3-4)

En broeders en zusters, die vervolgingen en verdrukkingen, die zij moeten doorstaan, zijn:

  • "Een bewijs van het rechtvaardige oordeel Gods, dat gij het Koninkrijk Gods waardig geacht zijt, voor hetwelk gij ook lijdt." (2 Tess 1:5)

En dan gaat de rest van 2 Tess 1, dus vanaf vers 6 tot 12 over de komende dag des Heeren, waarin God de verdrukkers hun loon zal geven, en aan de verdrukten verkwikking van de Heere. Dát zal gebeuren bij de openbaring van de Heere Jezus, wanneer Hij komt met de engelen Zijner kracht in vlammend vuur. Hij komt om op die dag verheerlijkt te worden in allen, die tot geloof gekomen zijn; want ons getuigenis heeft geloof gevonden bij u, zegt Paulus tegen de Tessalonicenzers. En hij bidt voor de Tessalonicenzers dat God hun waardig zal achten voor de roeping waartoe zij geroepen zijn, opdat de naam van onze Here Jezus in u (de Tessalonicenzers) verheerlijkt worde, en gij in Hem, naar de genade van onze God en van de Here Jezus Christus. (2 Tess 1:6-12)

Die openbaring van de Heere Jezus Christus, die komst "in vlammend vuur", die dag waarop Hij verheerlijkt zal worden, dáár heeft Paulus het steeds over. En hierover had Paulus hun reeds meerdere malen onderricht, en daarom schreef hij hun ter verduidelijking de tweede Tessalonicenzen brief.

Het gaat met name om: 2 Tess 2: 1-17:

  • "Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt. Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden. En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid. Maar wij behoren God te allen tijde om u te danken, door de Here geliefde broeders, dat God u als eerstelingen Zich verkoren heeft tot behoudenis, in heiliging door de Geest en geloof in de waarheid. Daartoe heeft Hij u ook door ons evangelie geroepen tot het verkrijgen van de heerlijkheid van onze Here Jezus Christus. Zo dan, broeders, staat vast en houdt u aan de overleveringen, die u door ons, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, geleerd zijn. En Hij, onze Here Jezus Christus, en God, onze Vader, die ons heeft liefgehad en ons eeuwige troost en goede hoop door zijn genade verleend heeft, trooste uw harten, en make ze sterk in alle goed werk en woord. (2 Tess 2:1-17)

Paulus waarschuwt de Tessalonicenzen, dat zij niet door allerlei wind van leer hun bezinning moeten verliezen m.b.t. de komst van de Heere Jezus Christus en hun vereniging met Hem. Wanneer we dit alles gewoon in zijn verband, in de context laten staan en lezen, dan kan het niet anders, dan dat Paulus in 2 Tessalonicenzen 2 doelt op de vereniging, die in 1 Tees 4 reeds genoemd werd. De Tessalonicenzen zouden beter moeten weten. Voordat “de Hoop van de Tessalonicenzen(= de vereniging met Hem) gerealiseerd kon worden, moesten er eerst nog belangrijke profetieën in vervulling gaan, voordat de Komst des Heeren en de toevergadering tot Hem kan aanbreken:

  1. Eerst moet de afval komen (2 Tess 2:3)

  2. Eerst moet de zoon des verderfs komen, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God, of voorwerp van verering heet, die moet zich eerst openbaren. Die tegenstander zal zich in de tempel Gods zetten, om te laten zien dat hij een god is (2 Tess 2:4).

  3. De komst van die mens der wetteloosheid zal gepaard gaan met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen. Dit zal zijn een satanisch na-apen van de pinkstergaven (2 Tess 2:9).

  4. De Heere zelf zal deze mens der wetteloosheid doden door de adem Zijns monds, en machteloos maken door Zijn verschijning (2 Tess 2:8).

Dit alles moet eerst gebeuren, voordat de dag des Heeren, de wederkomst ( = de parousia) des Heeren aanbreekt, en dit alles moet ook gebeuren voordat “de vereniging” bij die Komst zal plaatsvinden. Paulus had er bij de Tessalonicenzen meermalen op gehamerd dat deze dingen eerst moesten geschieden:

2 Tess 2:5:

  • Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb?”

Dit geld ook voor ons, die anno 2008 (en later) leven: “Mijn beste broeders en zusters, laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen, en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs.” (2 Tess 2:3).

We hebben gezien dat de "diabolis", Gods tegenstander, op drie manieren trachtte het door Paulus gebrachte Woord om te buigen, en hij doet dat zeer slim. Hij, de diabolis (= door de war brenger), zet alle zeilen bij om tot zijn verleidersdoel te komen. Letterlijk om de boel in de war te brengen:

  • hij gebruikt een openbaring van de (valse) geest,
  • hij gebruikt een valse prediking,
  • en hij gebruikt een valse brief. (2 Tess 2:2)

En de toehoorders trapten er in, want sommigen hadden hun bezinning verloren en anderen verkeerden in onrust door deze valse voorlichting. Kortom ze hadden zich laten misleiden met mooie woorden, terwijl ze beter hadden kunnen weten, want Paulus had hun meermalen gezegd, wat de toekomst zou brengen.

Hier zit ook een geweldige les in voor ons. Wij hebben het Woord, dat zeer vast is, en we moeten ons niet door allerlei wind van leer heen en weer laten bewegen. We moeten vast staan op het Woord, en ons niet door allerlei gebeurtenissen in de war laten brengen. Alles wat tot ons komt in prediking of geschreven woord moet voor 100% in overeenstemming zijn met Gods Woord. Daarvoor is het nodig om kennis te hebben van het Woord, zodat we in staat zijn om het ten gehore gebrachte aan het Woord van God te toetsen.



Verdrukkingen

Meerdere malen in Gods Woord lezen we over verdrukking of benauwdheid, die er zal komen voordat de dag des Heeren aanbreekt. En dan gaat het voornamelijk over de verdrukking die het volk Israël te verduren heeft en te verduren zal krijgen. Die verdrukkingen waren nodig om een louteringsproces in Israël aan de gang te brengen. Job wist al dat de ellendige door zijn ellende wordt gered, en dat door de verdrukking de oren van de verdrukten worden geopend. (Job 36:15).

Voordat de Heere wederkomt (de “parousia”) zal de verdrukking steeds meer toenemen. De Heere zegt dat ook in Math 24:9-14:

  • "Dan zullen zij u (Israël) overleveren aan verdrukking en zij zullen u doden, en gij zult door alle volken gehaat worden om Mijns Naams wil. En dan zullen velen ten val komen en zij zullen elkander overleveren en elkander haten. En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden. En omdat de wetsverachting toeneemt, zal de liefde van de meesten verkillen. Maar wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. En dit evangelie van het Koninkrijk zal in de gehele wereld gepredikt worden tot een getuigenis voor alle volken, en dan zal het einde gekomen zijn."
  • "Want er zal dán een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal." (Mat 24:21).
  • "Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid." (Mat 24:29-30)

Het hoort ontegenzeggelijk bij de komst van het Koninkrijk van Christus, dat de verdrukking toeneemt. Hij kwam op aarde voor de Zijnen, om voor hen het Koninkrijk op te richten, en na Hem gekruisigd te hebben kreeg Israël tijdens de gehele Handelingen periode weer een kans om Hem aan te nemen, en weer werden de tekenen en wonderen én verdrukkingen zichtbaar, die bij dat op te richten Koninkrijk hoorden.

Dát is de context van de Tessalonicenzen brieven. de gelovigen van Tessalonica verwachten het Koninkrijk. Daarom lezen we ook dat de Tessalonicenzen navolgers geworden zijn van Paulus en van de Here en dat zij het Woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes hebben aangenomen. (1 Tess1:6). En Paulus had hen ook duidelijk gemaakt waartoe deze verdrukkingen dienden:

  • "Dat niemand zou wankelen onder deze verdrukkingen. Gij weet immers zelf, dat wij daartoe bestemd zijn." (1 Tess 3:3).

En dat de Tessalonicenzen vast stonden in hun verdrukkingen blijkt uit 2 Tess 1:4:

  • "Zodat wij zelf over u roemen bij de gemeenten Gods, vanwege uw volharding en uw geloof onder al uw vervolgingen en de verdrukkingen, die gij doorstaat."

En zij wisten dat na de verdrukking, verkwikking van de Heere hen wachtte bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht (2 Tess 1:7).

In het boek Openbaring zien we de verdrukking tot een hoogtepunt komen, en we zien zien daar ook Wie een einde maakt aan die verdrukkingen voor het volk Israël:

  • "En uit zijn mond komt een scherp zwaard, om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen. En Hij heeft op zijn kleed en op zijn dij geschreven de naam: Koning der koningen en Here der heren. (Openb 19:15-16)

Ook de Psalmen getuigden reeds van deze tijd van Openbaring:

  • "Help ons, o God van ons heil, om de heerlijkheid van uw naam; red ons en doe verzoening over onze zonden om uws naams wil. Waarom zouden de heidenen zeggen: Waar is hun God? Laat voor onze ogen onder de heidenen bekend worden de wraak over het vergoten bloed van uw knechten. Het zuchten der gevangenen kome voor uw aangezicht, doe de ten dode gedoemden overblijven naar de grootheid van uw arm. Vergeld onze naburen in hun boezem zevenvoudig de smaad waarmee zij U bejegenen, o Here. Dan zullen wij, uw volk, en de schapen die Gij weidt, U voor altoos loven, van geslacht tot geslacht uw roem verkondigen." (Ps 79:10-13)

Jes 13:9-10:

  • "Zie, de dag des HEREN komt, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen. Want de sterren en de sterrenbeelden des hemels doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen." zie ook Openbaring ("aarde" kan/moet vaak met "land" worden vertaald)

Math 24:15-21:

  • Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan – wie het leest, geve er acht op – laten dan wie in Judea zijn, vluchten naar de bergen. Wie op het dak is, ga niet naar beneden om zijn huisraad mede te nemen, en wie in het veld is, kere niet terug om zijn kleed mede te nemen. Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen. Bidt, dat uw vlucht niet in de winter valle en niet op een sabbat. Want er zal dan een grote verdrukking zijn, zoals er niet geweest is van het begin der wereld tot nu toe en ook nooit meer wezen zal. (Math 24:15-21) (zie ook Openb 13 = beeld ter ere van satan.)



Aarde zal wankelen

Ja, broeders en zusters, nog eenmaal zal de aarde wankelen. Nu horen we nog wel eens van een aardbeving, maar dán zal de gehele aarde beven. Kunnen we ons daar wat bij voorstellen? Dan zullen we nog eens wat beleven. Wie houdt hier rekening mee? CO2 - uitstoot, en wat dat volgens de geleerden teweeg brengt, stelt daarbij niets voor.

Ook Job profeteerde al van het wankelen van de aarde: "Hij doet de aarde van haar plaats wankelen, zodat haar zuilen schudden." (Job 9:6) en de Psalmist schrijft: "Zij weten niets en begrijpen niets, in duisternis wandelen zij rond; alle grondvesten der aarde wankelen." (Ps 82:5) Maar....de Heere zegt: "Al mogen de aarde en al haar bewoners wankelen, Ik ben het, die haar pilaren heb vastgezet. (Psalm 75:4) Dus de bijbel leert ons dat de aarde vast gegrondvest is, en op zuilen of pilaren staat.

  • "Zie, de dag des HEREN komt, meedogenloos, met verbolgenheid en brandende toorn, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen. Want de sterren en de sterrenbeelden des hemels doen hun licht niet stralen, de zon is bij haar opgang verduisterd en de maan laat haar licht niet schijnen. Dan zal ik aan de wereld het kwaad bezoeken en aan de goddelozen hun ongerechtigheid, en Ik zal de trots der overmoedigen doen ophouden en de hoogmoed der geweldenaars vernederen. Ik zal de stervelingen zeldzamer maken dan gelouterd goud en de mensen dan fijn goud van Ofir. Daarom zal Ik de hemel doen wankelen en de aarde zal bevend van haar plaats wijken door de verbolgenheid van de HERE der heerscharen, ten dage van zijn brandende toorn." (Jes 13:9-13)

Toch is deze verbolgenheid en brandende toorn van de Heere, om de aarde tot een woestenij te maken en haar zondaars van haar te verdelgen, een daad van Zijn grote liefde. Want alleen zó kan en zál Hij tot Zijn doel komen. Daarom zegt Jesaja ook:

  • "Want bergen mogen wijken en heuvelen wankelen, maar mijn goedertierenheid zal van u niet wijken en mijn vredesverbond zal niet wankelen, zegt uw Ontfermer, de HEERE." (Jes 54:10)

Ook in Matheus 24 spreekt de Heere zelf over het wankelen van de aarde:

  • "Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen." (Mat 24:29).
  • "En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding" (Luc 21:25).
  • Ook Joël profeteerde van deze dag "Voor zijn aangezicht beven de volken; alle gezichten verbleken van angst." (Joël 2:6).
  • En de profeet Sefanja: "Die dag is een dag van verbolgenheid, een dag van benauwdheid en van angst, een dag van vernieling en van vernietiging, een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis." (Sef 1:15)

Maar....zegt Paulus tegen de Tessalonicenzers, weest niet verontrust, want jullie hebben je wat wijs laten maken, want de dag des Heeren kan niet komen, voordat er verschillende dingen eerst moeten plaatsvinden. En als al die dingen, genoemd in 2 Tess 2 plaatsvinden, dan pas kan de vereniging (St Vert: toevergadering) met Hem plaatsvinden. (2 Tess 2:1) In het Grieks staat hier voor het woord "vereniging = toevergadering = samenvergadering" het woord "episunagogè".

Deze toevergadering van 2 Tess 2:1 gaat over hetzelfde feit als wat Paulus noemt in 1 Tess 4:14, waar staat: "Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven is en opgestaan, alzo zal ook God degenen, die ontslapen zijn in Jezus, wederbrengen met Hem." Paulus zegt dit als een bemoediging aan de broeders, om hen mee te delen wat er staat te gebeuren bij de komst van de Heere in Zijn dag. En bij die gebeurtenissen, bij die Komst van de Heere, hoort ook het wankelen van de hemel, en dat de aarde bevend van haar plaats zal wijken. (Jes 13:13).

Ook zullen er in die eindtijd valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. (Math 24:24):

  • "Waar het aas is, daar zullen de gieren zich verzamelen. Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid." (Math 34:28-30)

En ook Lukas schrijft erover in Lukas 21:20-28:

  • "Zodra gij nu Jeruzalem door legerkampen omsingeld ziet, weet dan, dat zijn verwoesting nabij is. Laten dan die in Judea zijn, vluchten naar de bergen, en die binnen de stad zijn, de wijk nemen, en die op het land zijn, er niet binnengaan, want dit zijn de dagen van vergelding, waarin alles wat geschreven is, in vervulling gaat. Wee de zwangeren en de zogenden in die dagen! Want er zal grote nood zijn over het land en toorn over dit volk, en zij zullen vallen door de scherpte des zwaards en als gevangenen weggevoerd worden onder alle heidenen, en Jeruzalem zal door heidenen vertrapt worden, totdat de tijden der heidenen zullen vervuld zijn. En er zullen tekenen zijn aan zon en maan en sterren, en op de aarde radeloze angst onder de volken vanwege het bulderen van zee en branding, terwijl de mensen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. Want de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt."


Deel 6 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 6

We hebben de vorige keer gezien dat er verschillende profetieën eerst in vervulling moeten gaan alvorens de dag des Heeren en de Komst des Heeren zal plaatsvinden. En we hebben ook gezien dat bij die gebeurtenissen, bij die Komst van de Heere, hoort ook het wankelen van de hemel, en dat de aarde bevend van haar plaats zal wijken. (Jes 13:13)

En ook het boek Openbaring schrijft hierover:

  • "En ik zag, toen Hij het zesde zegel opende, en daar geschiedde een grote aardbeving en de zon werd zwart als een haren zak en de maan werd geheel als bloed. En de sterren des hemels vielen op de aarde, gelijk een vijgeboom zijn wintervijgen laat vallen, wanneer hij door een harde wind geschud wordt. En de hemel week terug als een boekrol, die wordt opgerold, en alle berg en eiland werd van zijn plaats gerukt." (Openb 6:12-14)

Maar wanneer we ons bij ons onderwerp bepalen over de wederkomst in de Tessalonicenzen brieven, komt toch steeds weer de oproep boven drijven:

  • "Laat je niet misleiden, op geen enkele wijze! " (2 Tess 2:3).

Want ook nu in de tijd waarin wij leven zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen namaak tekenen en wonderen doen. Zien we deze dingen niet alreeds om ons heen gebeuren? Gods tegenstander is hard bezig om de mensen, zelfs gelovigen van het rechte spoor af te leiden. Hij, satan wordt niet voor niks Gods tegenstander genoemd. Het woord tegenstander komt van "anti keimenos". dit betekent "in de plaats stellen van". "Anti" betekent "in de plaats van". En satan stelt heel wat in de plaats van het rechtgesneden Woord, om de goe-gemeente buiten de relatie met de Heere te plaatsen.

  • "De tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is." (2 Tess 2:4).

Niet voor niets wordt 2 Kor 4:4 satan de god dezer eeuw genoemd. Daar gaat het om ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.

Maar zijn we zo zoetjes aan ook beland in een wereld, waar zelfs vele gelovigen door de god dezer eeuw met blindheid zijn geslagen? En dat de mensen de gezonde leer niet meer verdragen, en omdat hun gehoor verwend is, zij naar hun eigen begeerte zich tal van leraars bijeenhalen, en zij daardoor het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus? (2 Tim 4:3)



Anti = in plaats van

We hebben in het voorgaande genoemd dat het woord tegenstander komt van "anti keimenos", dit betekent "in de plaats stellen van". "Anti" betekent "in de plaats van". Nog even iets over dat genoemde "anti". We lezen in Gods Woord in de grondtekst (N.T. Grieks) vaak het woordje "anti". Dit heeft bij ons vaak een negatieve betekenis. Je bent "anti", dan ben je ergens op tegen. Maar de bijbelse betekenis van "het Griekse woord "anti", is een geheel andere. Zo weten we dat satan Gods naäper is, en hij heeft zijn anti-christ, dat wil zeggen dat hij in plaats van dé Christus zijn christus heeft geplaatst. De satan is anti God, dat betekent dat hij zichzelf op de plaats van God zet. Dat begon al bij zijn opstand in den beginne tegen God, en deze opstand duurt heden ten dage nog voort, en die opstand zal zijn hoogtepunt nog bereiken, wanneer de komst van Christus aanstaande is.

Wanneer we nagaan hoe en wanneer in de grondtekst het woordje "anti" staat, dan vinden we vele teksten, die evenwel vaak anders zijn vertaald. Enkele voorbeelden:

Mat 2:22

  • "Toen hij echter hoorde, dat Archelaüs koning over Judea was in de plaats van (= Gr. anti) zijn vader Herodes, vreesde hij daarheen te gaan." Hier is het juist vertaald.

Mat 5:38

  • "Gij hebt gehoord, dat er gezegd is: Oog om (= Gr anti) oog en tand om (= Gr anti) tand." Dus eigenlijk had er moeten staan: "Oog in de plaats van een oog en een tand in de plaats van een tand".

Mat 17:27

  • "Maar opdat wij hun geen aanstoot geven, ga gij naar de zee, werp een vishaak uit en de eerste vis, die bovenkomt, grijp die. En wanneer gij zijn bek opendoet, zult gij een zilverstuk vinden. Neem dat en geeft het hun voor Mij en voor u." Het is moeilijk om in deze vertaling het woordje "anti" terug te vinden, maar het laatste deel van de tekst moet volgens de grondtekst zijn: "Neem dat en geeft het aan hun in plaats van ( = anti) aan Mij en u"

Mat 20:28

  • "Gelijk de Zoon des mensen niet gekomen is om Zich te laten dienen, maar om te dienen en zijn leven te geven als losprijs voor velen." Hier staat "anti"ook op het laatst: "als losprijs in plaats van ( = anti) velen. Dezelfde tekst komen we ook tegen in Marc 10:45

Lukas 1:20

  • "En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden, omdat gij mijn woorden niet geloofd hebt, die op hun tijd in vervulling zullen gaan." Ook hier is "anti" moeilijk in de vertaling terug te vinden. Maar de vertaling had moeten zijn: "En zie, gij zult zwijgen en niet kunnen spreken, tot de dag toe, dat deze dingen geschieden, in plaats van (= anti) gij mijn woorden niet geloofd hebt, die op hun tijd in vervulling zullen gaan." Geen mooie vertaling, maar het staat er wel.

Lukas 11:11

  • "Is er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een vis vraagt, hem voor een vis een slang zal geven? Hier is de vertaling duidelijker, want hij had moeten zijn: "Is er soms een vader onder u, die, als zijn zoon hem om een vis vraagt, hem in plaats van ( = anti) een vis een slang zal geven?

Zo zijn er nog vele teksten waar het Griekse woord "anti" in gebruikt is. Ik zal ze hier niet allemaal behandelen, maar één tekst wil ik u niet onthouden, want deze zegt heel veel, namelijk Joh 1:16:

  • "Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade".

Een prachtige tekst, die zonder de juiste vertaling toch vaak wordt misverstaan. Want hier staat vanuit de grondtekst:

  • "Dat vanuit de volheid van Hem wij allen hebben ontvangen genade in plaats van ( = anti) genade" Dus er was genade, en daarvoor in de plaats is er (andere) genade gekomen.

Wanneer we deze tekst in de context plaatsen, dan weten we dat Johannes tot de wereld over het volk Israël sprak, en wat was er in Israël aan de hand tijdens de rondwandeling van de Heere Jezus? De wet werd nog steeds nageleefd. De wet was aan Israël gegeven. In de wet had God al veel genade gelegd. God wist dat de Zijnen (= Israël) de wet niet konden naleven, en daarom had God hen ceremoniële wetten gegeven, die hun zonden konden bedekken. De offers spreken van vergeving, en zó was de wet al een toonbeeld van Gods genade.

Maar nu was de Heiland der wereld voor hen gekomen, en Hij was gekomen om de wet te vervullen, en daarom was er nú een andere, waarachtige genade in de plaats van ( = anti) de eerste genade gekomen. Een (nieuwe) genade die veel verder ging. Christus zou het volmaakte offer brengen, waardoor er geen ander offer meer nodig was. Door dat offer van Christus zou er werkelijk leven én overvloed zijn.

En nu dan? Welke genade is er voor de gelovigen van vandaag? Wij hebben in Christus de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom Zijner genade." (Efeze 1:7). En aan Paulus, verreweg de geringste van alle heiligen, is de genade te beurt gevallen, aan de heidenen, dus aan ons de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen. (Efeze 3:8). Bovendien zal in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade aan de wereld getoond worden, en dan zal de wereld zien welk een goedertierenheid ons in Christus Jezus is gegeven. (Efeze 2:7). Gelovigen zijn gezegend met alle, let wel met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus.

Voor de liefhebber nog enkele teksten waar in de grondtekst "anti = in plaats van" staat: Hand 12:33, Rom 22:17, 1 Kor 11:15, 1 Tess 5:15, 2 Tess 2:10, Hebr 12:2, Hebr 12:16, Jac 4:15 en twee keer in 1 Petr 3:9.



Mens der Wetteloosheid op De Heilige Plaats

We gaan nu proberen aan de hand van het Woord de identiteit van de mens der wetteloosheid vast te stellen, daarvoor lezen we in 2 Tess 2:3-4:

  • "Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is."

We zien hier dat deze tegenstander van God zich zal zetten in de tempel Gods. Het woord dat hier uit het Grieks voor "tempel" is vertaald, is "naos". En "naos" kan zowel door tempel, het gebouw, als door plaats (heilige plaats) worden vertaald. In de Schrift wordt ook gebruikt het woord "hyron", dit betekent "gebouw" (van steen). In Math 24:15 lezen ook over de heilige plaats: "Wanneer gij dan de gruwel der verwoesting, waarvan door de profeet Daniël gesproken is, op de heilige plaats ziet staan." Hier staat in de grondtekst inderdaad "heilige plaats", en niet "tempel".

Tevens weten we uit Daniël 8:11-12, dat er in Jeruzalem in de toekomst een dagelijks offer gebracht zal worden, want we lezen dat Hem (de Heere) het dagelijks offer ontnomen werd, en zijn heilige woning werd neergeworpen. "En een eredienst werd in overtreding ingesteld tegenover het dagelijks offer; en hij wierp de waarheid ter aarde, en wat hij ook deed, gelukte hem.” Hier zien we Gods tegenstander aan het werk.

Verder lezen we in Dan 11:31: "Dan zullen strijdmachten door hem op de been gebracht worden; zij zullen het heiligdom, de vesting, ontheiligen, het dagelijks offer doen ophouden en een gruwel oprichten, die verwoesting brengt." En in Dan 12:11 lezen we ook over het staken van het dagelijks offer in de toekomende tijd.

Dus in de laatste "jaarweek" van Daniël, dat is de laatste "jaarweek" van zeven jaar voor Israël, zal het dagelijks offer op de helft van die zeven jaar gestaakt worden door toedoen van Gods tegenstander. Dit dagelijks offer zal zeker gebracht worden op een heilige plaats. Dé plaats die daarvoor in aanmerking komt is de plaats door God zelf uitverkoren, waar nu een moskee staat. Maar of daar vóór de wederkomst van Christus ook een tempel, een gebouw zal staan, waar weer door het volk Israël geofferd zal worden, is niet in Gods Woord te vinden. Wél dat er een "heilige plaats" zal zijn waar geofferd zal worden.

Voor Israël is nu bijvoorbeeld de klaagmuur ook een heilige plaats. En misschien zal er iets over die heilige plaats geregeld worden in het verbond, dat Israël met Gods tegenstander zal aangaan in die laatste jaarweek voor de wederkomst van de Heere. Hiervan lezen we in Dan 9:27:

  • "En hij (mens der wetteloosheid) zal het verbond voor velen zwaar maken, een week lang; in de helft van de week zal hij slachtoffer en spijsoffer doen ophouden; (dan toont hij zijn ware aard) en op een vleugel van gruwelen zal een verwoester komen, en wel tot aan de voleinding toe, en waartoe vast besloten is, dat zal zich uitstorten over wat woest is."

Dit zal een verbond van een totaal andere orde zijn, dan het verbond wat door de Heere met Zijn volk gesloten zal worden, en waarvan Ezechiël spreekt:

  • "Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. (Ez 37:26)



Kennis is broodnodig

  • "Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is." (2 Tess 2:5-7)

We lezen over "het geheimenis der wetteloosheid", dat houdt in, dat deze dingen in het verborgen gebeuren. De wereld zal het niet eens in de gaten hebben, maar zij die door Gods Geest geopende ogen des harten hebben, zullen deze dingen onderscheiden. Verder lazen we dat " hij zich openbaart op zijn tijd". De mens der wetteloosheid zal zich openbaren op zijn tijd, dat wil zeggen op die tijd die daarvoor door God is bepaald. In wezen had er ook mogen staan: "totdat hij zich openbaart op Gods tijd.

Tijdens de eerste komst van de Heere Jezus herkende (bijna) niemand de Christus der Schriften. Men had geen kennis van het Woord. En de geestelijke leidslieden, die zeker die kennis gehad zouden moeten hebben, waren bang om hun aanhang en daarmee hun inkomsten te verliezen. Daarom kwamen de Farizeeën en Sadduceeën tot de Heere om Hem te verzoeken, dat Hij hun een teken uit de hemel zou tonen. Maar de Heere antwoordde hun en zeide:

  • Als het avond geworden is, zegt gij: Schoon weder; want de hemel is rood; En des morgens: "Heden onweder; want de hemel is droevig rood. Gij geveinsden! Het aanschijn des hemels weet gij wel te onderscheiden, en kunt gij de tekenen der tijden niet onderscheiden?” (Mat 16:1-3)

Johannes de Doper had wél de kennis om de dagelijkse wandel van de Heere te toetsen aan de Schriften. Hij zat in de gevangenis. En waarschijnlijk zat hij de Schrift te overdenken. Hij hoorde in de gevangenis wat zich buiten de gevangenis muren allemaal afspeelde, en kon eigenlijk maar tot één conclusie komen, dat alles wat er gebeurde in de Schriften was voorzegd. Daarom zond Johannes zijn discipen met een vraag naar Jezus:

  • "Zijt Gij het, die komen zou, of hebben wij een ander te verwachten? En Jezus antwoordde en zeide tot hen: Gaat heen en boodschapt Johannes wat gij hoort en ziet: blinden worden ziende en lammen wandelen, melaatsen worden gereinigd en doven horen en doden worden opgewekt en armen ontvangen het evangelie." (Mat 11:3-5).

En Johannes was gerust gesteld, en wist zeker, dat de Christus der Schriften onder Zijn volk wandelde.

Precies zo zal het ook met de wederkomst van Christus zijn. Er zullen vooraf tekenen zijn waaraan de Komst des Heeren is te herkennen. Leest u Matheüs 24 in zijn geheel maar eens door, en u ziet wat er allemaal aan de komst van de Heere vooraf gaat. Maar er staat ook dat het in de komende tijd zal zijn als in de dagen van Noach (Mat 24:37). En hoe was het in de dagen van Noach? Wie geloofde de prediking van Noach? De mensen vonden Noach maar een vreemd figuur, want wie bouwde er nou een groot schip op het droge? Elke hamerslag van Noach was een getuigenis van zijn geloof. Dit getuigenis van Noach duurde 120 jaar (Gen 6:3). Zo'n tijd van onverschilligheid, ongeloof en onkunde zal er dan, in de toekomst, ook zijn. Overigens zien we deze tekenen vandaag ook al ruimschoots om ons heen. Daarom, broeders en zusters, staat vast en houdt u aan de overleveringen, die u door Gods Woord, hetzij mondeling, hetzij schriftelijk, geleerd zijn. (2 Tess 2:15)

Mens der wetteloosheid uit de Zee

  • "En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering. En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht." (Open 13:1-2)

Daniël had ook een droom wat over beesten ging, die uit de zee kwamen:

  • "Daniël hief aan en zeide: Ik had in de nacht een gezicht en zie, de vier winden des hemels brachten de grote zee in beroering, en vier grote dieren stegen uit de zee op, het ene verschillend van het andere. Het eerste geleek op een leeuw, en het had adelaarsvleugels. Terwijl ik bleef toezien, werden het de vleugels uitgerukt, en werd het van de grond opgeheven en op twee voeten overeind gezet als een mens, en werd het een mensenhart gegeven. En zie, een ander dier, het tweede, geleek op een beer; het richtte zich op de ene zijde op, en drie ribben waren in zijn muil tussen zijn tanden; en men sprak tegen hem aldus: sta op, eet veel vlees. Daarna zag ik, en zie, een ander dier, gelijk een panter; het had vier vogelvleugels op zijn rug en vier koppen. En aan hem werd heerschappij gegeven. Daarna zag ik in de nachtgezichten en zie, een vierde dier, vreselijk, schrikwekkend en geweldig sterk; het had grote, ijzeren tanden: het at en vermaalde, en wat overbleef, vertrad het met zijn poten; en dit dier verschilde van alle vorige, en het had tien horens. Terwijl ik op die horens lette, zie, daartussen verhief zich een andere kleine horen, en drie van de vorige horens werden daarvoor uitgerukt; en zie, in die horen waren ogen als mensenogen en een mond vol grootspraak." (Dan 7:2-8)

Deze vier dieren stellen vier rijken voor. Het vierde dier geeft aan waar het in de eindtijd op uitloopt. (Dan 7:7-8). Het (vierde rijk) zal een vernietigende heerschappij voeren. We lezen hier ook over in Openbaring 13:1-9:

  • "En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering. En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht. En (ik zag) een van zijn koppen als ten dode gewond, en zijn dodelijke wond genas; en de gehele aarde ging het beest met verbazing achterna, en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en: Wie kan er oorlog tegen voeren? En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden lang te doen. En (het beest) opende zijn mond tot lasteringen tegen God, om zijn naam te lasteren en zijn tent en hen, die in de hemel wonen. En hem werd gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk. En allen, die op de aarde wonen, zullen het (beest) aanbidden, ieder, wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld. Indien iemand een oor heeft, hij hore."

De uitleg over het vierde dier lezen we in Dan 7:23-27:

  • "Dat vierde dier is het vierde koninkrijk, dat op aarde zal zijn, dat verschillen zal van alle (andere) koninkrijken, en dat de gehele aarde zal verslinden en haar zal vertreden en vermorzelen. En de tien horens – uit dat koninkrijk zullen tien koningen opstaan, en na hen zal een ander opstaan; die zal van de vorige verschillen en drie koningen ten val brengen. Hij zal woorden spreken tegen de Allerhoogste, en de heiligen (= in dit geval Israël) des Allerhoogsten te gronde richten; hij zal er op uit zijn tijden en wet te veranderen, en zij zullen in zijn macht gegeven worden voor een tijd en tijden en een halve tijd; dan zal de vierschaar zich nederzetten, en men zal hem de heerschappij ontnemen en hem verdelgen en vernietigen tot het einde. En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen."

We lazen in Dan 7:25 dat die mens der wetteloosheid er op uit zal zijn tijden en wet te veranderen, we kunnen dat veranderen van tijden en wet in 2 Tess 2 tussen de regels doorlezen. Ook lezen we ervan in Mat 24:12, waar de Heere zegt dat de wetsverachting zal toenemen. Bovendien zegt de naam van de mens der wetteloosheid reeds genoeg.

Ook het beeld uit Daniël 2:31-45 getuigd van het koninkrijk van de mens der wetteloosheid. Dat beeld was hoog, en de glans ervan was buitengewoon, en de aanblik ervan was schrikwekkend. De aard van de koninkrijken, die het beeld moest uitbeelden, had een neergaande lijn, en het laatste koninkrijk, was er één samengesteld uit ijzer gemengd met kleiachtig leem. Ten dele zal dat koninkrijk hard zijn, en ten dele zal het broos zijn, omdat ijzer zich niet met leem tot een homogene massa laat verwerken. Dát koninkrijk zal in de eindtijd onder leiding van de mens der wetteloosheid weer vorm krijgen in het z.g. Romeinse Rijk. Maar we weten waar het uiteindelijk op uit draait. Er zal zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraken, en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelen. Onze grote God heeft ons niet in het ongewisse gelaten over de (goede) afloop, want de God des hemels zal een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan. (Dan 2:44)

We hebben gezien, dat het beeld uit Daniël 2 uit verschillende materialen bestaat, goud, zilver, koper, ijzer en leem. Al die materialen vormden één beeld, en dat geheel wijst op de heerschappij van het toekomstig Babel. Uiteindelijk loopt het uit op wat in Dan 7:27 beschreven staat:

  • "En het koningschap, de macht en de grootheid der koninkrijken onder de ganse hemel zal gegeven worden aan het volk van de heiligen des Allerhoogsten: zijn koningschap is een eeuwig koningschap, en alle machten zullen het dienen en gehoorzamen."


Deel 7 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 7

Het (tijdelijk) optreden van de mens der wetteloosheid

Er zijn twee bijbelgedeelten die we naast elkaar kunnen plaatsen, die beide over de opstand tegen God getuigen. De eerste is Dan 11:36-37:

  • "En de koning zal doen wat hem goeddunkt; hij zal zich verhovaardigen en zich verheffen tegen elke god, zelfs tegen de God der goden zal hij ongehoorde woorden spreken, en hij zal voorspoedig zijn, totdat de maat van de gramschap vol is; want wat vastbesloten is, geschiedt. Ook op de goden zijner vaderen zal hij geen acht slaan; op de lieveling der vrouwen noch op enige andere god zal hij acht slaan, want tegen alle zal hij zich verheffen."

Even ter verduidelijking: We lezen hier over "elke god" en over "goden". Het woord wat hier is gebruikt, is "elohim". En dat betekent inderdaad "god" of "goden", maar dan wel in de betekenis van autoriteit(en), rechter(s) of leider(s). Zo wordt bijvoorbeeld Mozes in Ex 7:1 door God zelf een god genoemd.

De tweede tekst is uit het Nieuwe Testament, uit 2 Tess 2:3-4:

  • "Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is."

In beide teksten zien we de opstand van satan, in de persoon van de mens der wetteloosheid, tegen de God des hemels. Hij zal doen wat hem goeddunkt, hij zal zich tegen God verheffen, en hij zal ongehoorde woorden spreken. Hij zal zelfs voorspoedig zijn, totdat de maat van de gramschap vol is; want wat vastbesloten is, geschiedt. God zelf heeft de tijden bepaald!



De maat van de zonde moet vol worden

We hebben gelezen in Dan 11:36:

  • "En hij (Gods tegenstander) zal voorspoedig zijn, totdat de maat van de gramschap vol is; want wat vastbesloten is, geschiedt.

In Gen 15:13-16 lezen we:

  • "En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar. Doch ook het volk, dat zij zullen dienen, zal Ik richten, en daarna zullen zij met grote have uittrekken. Maar gij zult in vrede tot uw vaderen gaan; gij zult in hoge ouderdom begraven worden. Het vierde geslacht echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol."

Hieruit mogen we leren, dat de tijd en de gebeurtenissen "rijp"moeten worden, voordat bepaalde dingen gebeuren. De maat van de ongerechtigheid der Amorieten moest eerst vol worden, voordat Israël het beloofde land binnen kon trekken. En net zo zal de maat van de zonde, de tegenstand tegen God, vol moeten worden, tot een hoogtepunt komen, voordat Israël voor de tweede keer het beloofde land binnen zal trekken, maar dan onder het Koningschap van Christus Jezus.

Over die toekomst van Israël lezen we bijvoorbeeld in Jeremia:

  • "Zie, de dagen komen, luidt het woord des HEREN, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik heer over hen ben, luidt het woord des HEREN. Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des HEREN: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de HERE: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des HEREN, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken." (Jer 31:31-34)

Engelen en Vorsten

In de engelen wereld bestaat een macht van goede en van slechte engelvorsten. De satan is ook zo'n engelvorst. Hij wordt ook de "overste van de macht der lucht" genoemd. (Ef 2:2). Een overste heeft ergens het bevel over. Zo heeft satan het bevel over de engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning (in de hemel) verlieten. Deze engelen worden voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid bewaard." (Judas 1:6 en 2 Petr 2:4)

Zo lezen we over de vorst van het koninkrijk der Perzen in Daniël 10. Een hele bijzondere geschiedenis. Daniël was drie weken lang in gebed geweest, en na die drie weken zag hij een man staan. De identiteit van de man staat erbij beschreven:

  • "Een man in linnen klederen gekleed en de lendenen omgord met goud van Ufaz; zijn lichaam was als turkoois, zijn gelaat schitterde gelijk de bliksem, zijn ogen waren als vurige fakkels, zijn armen en voeten glanzend van gepolijst koper, en het geluid van zijn woorden als het gedruis van een menigte". (Dan 10:5-6).

Wanneer we dit lezen, moeten we onwillekeurig denken aan de vergelijkbare omschrijvingen van de Heere Jezus in Math 17:2 en in Openbaring 1:13-15. Dan kunnen we niet anders concluderen dan dat de man die met Daniël sprak een "verschijning" was van Gods Zoon. Die "Man" zei tegen Daniël dat zijn gebed al vanaf de eerste dag (van die drie weken) was gehoord:

  • "En Ik ben direct gekomen om u inzicht te geven over de toekomst van uw volk, maar Ik ben eenentwintig dagen tegen gehouden door de de vorst van het koninkrijk der Perzen, maar Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam Mij te hulp, zodat Ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield." (Daniël 10:12-14)

Dit bijbelgedeelte laat zien, welk een (voor ons) onvoorstelbare strijd zich in de hemelse gewesten afspeelde. We zien hier Gods tegenstander aan het werk, satan wilde voorkomen dat Daniël op de hoogte werd gebracht van de toekomst van zijn volk. We zien hier de goede en de slechte engelvorsten tegen elkaar strijden. We zien hier ook dat Michaël, een der voornaamste vorsten, hier in vers 21 "uw vorst" wordt genoemd. Dat betekent dat Michaël de vorst is van Israël, die er is ter bescherming van dát volk. In Daniël 12:1 komen de Michaël weer tegen:

  • "Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan, tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden."

En In Openbaring zien we Michaël en zijn engelen oorlog voeren tegen de draak en zijn engelen. En die oorlog vond plaats in de hemel. (Open 12:7) Het gevolg van deze oorlog was dat de satan en zijn engelen op de aarde werden geworpen (Openb 12:7-9) (En er was vreugde in de hemel)

Toen satan op de aarde geworpen werd, ging hij de vrouw vervolgen die het manneken gebaard had. En satan vergrimde op de vrouw, en ging heen om krijg te voeren tegen de overigen van haar zaad, die de geboden Gods bewaren, en de getuigenis van Jezus Christus hebben. (Openb 12:13-17 en Openb 13:1-18)

Zo zien we dat er bij heel veel dingen in Gods Woord er vaak een wisseling van plaats is, voor wat betreft de gebeurtenissen die zich afspelen. Het begint steeds in de hemel, met gevolgen voor de aarde.

Als laatste nog iets over de namen van de "goden". In de mythologie komen we verschillende namen van "goden"tegen. Zo wordt de vorst van Perzië Mitra genoemd, Die in de Griekse mythologie weer Zeus genoemd wordt, die een zoon had die Apollo heette. Allemaal typen van satan, zijn mens der wetteloosheid en de engelvorsten. Zo wordt Babel ook Bel, Nebo en Mardoek genoemd. Tekenend is het symbool wat we voor Mardoek terugvinden, namelijk een gehoornde draak. In Nebucadnessar vinden we ook de nam Nebo terug. Al deze verhalen en typen wijzen op satan en zijn engelvorsten.

Dit was even een uitstapje, nog veel valt hierover te zeggen, maar voor de leesbaarheid van ons onderwerp laten we het hierbij, en gaan we terug naar de tweede Tessalonicenzen brief, hoofdstuk twee.



Gods immitator

In 2 Tess 2:9 komen we voor de laatste keer het woord "parousia" (komst) tegen, maar het betreft hier dan wel de komst van de mens der wetteloosheid. We lezen daar:

  • "Daarentegen is diens komst (= parousia) naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen."

Deze komst gaat gepaard met krachten, tekenen en wonderen, nét zoals de komst van Christus ook gepaard zal gaan met krachten, tekenen en wonderen. Alleen in het geval van de wetteloze zijn het bedrieglijke krachten, tekenen en wonderen. Het zijn pseudo-wonderen, bedacht door de grote naäper van God. Voor krachten staat hier in het Grieks "dynamis", daar komt ons woordje dynamiet vandaan, en dat spreekt van explosieve, verbazingwekkende krachten. Daarom zegt het Woord ook dat de gehele aarde het beest met verbazing achterna ging. (Open 13:3)

En dáárom broeders en zusters is het voor een ieder in alle tijden en alle plaatsen van het grootste belang, kennis te hebben van Gods Woord, zodat een ieder de tekenen en wonderen die op hem/haar afkomen, kan onderscheiden, of ze al of niet uit God zijn. Want zonder die kennis gaan we letterlijk de mist in. De profeet Hosea zegt niet voor niks:

  • "Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis." (Hosea 4:6).

Dat zegt Hosea tegen het volk Israël, maar dat geldt wel voor alle tijden en alle plaatsen en voor iedereen! Want satan is werkelijk de grote immitator van God. En hij komt met grof geschut! Hij doet zich poeslief voor, als een engel des lichts, maar hij is de mensenmoorder van den beginne. Uiteindelijk, wanneer hij weet, dat hij nog maar weinig tijd heeft, zal hij zijn ware gezicht tonen, en gaat hij tekeer als een briesende leeuw, zoekende wie hij kan verslinden.

  • "Daarom moeten wij te meer aandacht schenken aan hetgeen wij gehoord hebben, opdat wij niet afdrijven. Indien het woord, door bemiddeling van engelen gesproken, van kracht is gebleken, en elke overtreding en ongehoorzaamheid rechtmatige vergelding heeft ontvangen, hoe zullen wij dan ontkomen, indien wij geen ernst maken met zulk een heil, dat allereerst verkondigd is door de Here, en door hen, die het gehoord hebben, op betrouwbare wijze ons is overgeleverd, terwijl ook God getuigenis daaraan geeft door tekenen en wonderen en velerlei krachten en door de heilige Geest toe te delen naar zijn wil." (Hebr 2:1-4)



De Wederhouder

  • "Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren." (2 Tess 2:5-8)

Over deze tekst is vaak veel misverstand. Velen denken dat de "wederhouder" de gemeente, of de Heilige Geest in de gemeente is. En, zo redeneert men vervolgens verder, wanneer de gemeente, en daarmee dus de Heilige Geest van de aarde is verwijderd, dán zou de mens der wetteloosheid zich pas kunnen openbaren. Dit zou dan tevens het bewijs zijn, dat de gemeente voor de grote verdrukking wordt opgenomen. Maar broeders en zusters, dat staat er niet.

Ik ben me er ten volle van bewust, dat in deze bijbelstudie dingen worden behandeld, die misschien voor u volkomen nieuw zullen zijn. Ook ben ik mij ervan bewust, dat het er misschien op lijkt dat ik u iets, in dit geval "de opname", wil afnemen. Zo verging het mij tenminste wel, toen ik voor het eerst over deze dingen hoorde, en las in Gods Woord. De opname was immers zo iets moois, dat wilde ik niet kwijt. Maar ik heb wel getracht mijzelf open te stellen voor Gods Woord, want niet ik, maar het Woord van God heeft het laatste woord. Ook heb ik geleerd, dat wij mensen vaak ideeën over iets hebben, die dan worden vastgelegd in kerkelijke of gemeentelijke regels.

Zo zijn er vele dingen, die door de tijd heen zijn vastgelegd. Maar ik denk dat het niet mogelijk is om dingen echt vast te leggen. Want wanneer we omgang hebben met Gods Woord, en ons bij de bestudering van Zijn Woord laten lijden door Zijn Geest, zullen we nieuwe dingen ontdekken. Want het Woord is levend en krachtig, en wil ons laten groeien. En groeien betekent, dat we veranderen, dat we groeien in inzicht. Lichamelijk is dat net zo. Het zou niet best zijn, als ik er als volwassene nog net zo zou uitzien, als toen ik een baby was. Wanneer ik na 20 of 30 jaar geloofsleven nog hetzelfde zou geloven als toen ik tot geloof kwam, dan zou ik al die jaren niets hebben geleerd. Dan zou de Heere mij al die jaren niet hebben kunnen opvoeden. Om die reden is er op veel plaatsen ook geen leven in de kerk of gemeente, omdat alles vastligt in geschriften, en noem maar op. Dan is daar geen ruimte om te groeien. En groei betekent veranderen, nieuwe dingen ontdekken in Gods Woord.

Daarom wil ik u vragen, om deze bijbelstudie in alle rust te lezen. De teksten biddende door te nemen, en te ontdekken, wat de Heere ons in Zijn Woord te vertellen heeft.

Voor een goed verstaan van Gods Woord is het altijd van belang de tekst in de context te plaatsen, en wanneer we dat doen, wordt meestal veel duidelijk. Hieronder de gehele tekst uit 2 Tess 2:

  • "Maar wij verzoeken u, broeders, met betrekking tot de komst van [onze] Here Jezus Christus en onze vereniging met Hem, dat gij niet spoedig uw bezinning verliest of in onrust verkeert, hetzij door een geestesuiting, hetzij door een prediking, hetzij door een brief, die van ons afkomstig zou zijn, alsof de dag des Heren (reeds) aanbrak. Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs, de tegenstander, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet, zodat hij zich in de tempel Gods zet, om aan zich te laten zien, dat hij een god is. Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb? En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog weerhoudt, verwijderd is. Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt. Daarentegen is diens komst naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden. En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid."

 

Het gaat hier om de verwarring die er was gezaaid betreffende het aanbreken van de dag des Heeren. Paulus zegt dat ze zich niet moeten laten verleiden, want.....en dan noemt hij van alles op wat er eerst moet gebeuren. Paulus had hen deze dingen meerdere malen uiteen gezet. Vers 6 gaat over de mens der wetteloosheid, die wordt weerhouden, totdat hij zich op de daarvoor bestemde tijd kan openbaren. Het Griekse woord "katego" is hier vertaald met "weerhoudt". "Katego" betekent hebben, of vasthouden, of aanhouden, of behouden in de zin van niet veranderen. Alleen in 2 Tess2:6 is "katego" in onze Bijbel vertaald met "weerhoudt".

 

Voor de duidelijkheid enkele teksten waar we ook "katego" tegenkomen:

  • Mat 21:38 "Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen." (aanbrengen = katego).
  • Lukas 4:42 "En toen het dag geworden was, vertrok Hij en ging naar een eenzame plaats. En de scharen zochten Hem en kwamen tot Hem en trachtten Hem tegen te houden, opdat Hij niet van hen zou heengaan." (tegen houden = katego).
  • Lukas 8:15 "Dat in goede aarde, dat zijn zij, die met een goed en vroom hart het woord gehoord hebbende, dat vasthouden en vrucht dragen in volharding." (vasthouden, in de zin van bewaren = katego).
  • Hand 27:40 "En zij haalden de ankers op en lieten zich voor de zee wegdrijven, terwijl zij meteen de roerbanden losmaakten, het voorzeil voor de wind hesen en op het strand aanhielden." (aanhielden = katego).
  • Rom 7:6 "Maar thans zijn wij van de wet ontslagen, dood voor haar, die ons gevangen hield, zodat wij dienen in de nieuwe staat des Geestes en niet in de oude staat der letter." (gevangen houden = katego).
  • 1 Tess 5:19-21 "Dooft de Geest niet uit, veracht de profetieën niet, maar toetst alles en behoudt het goede." (behouden (vasthouden) = katego).

Naar aanleiding van bovenstaande mogen we dus in 2 Tess 2:6-7 "katego" net zo goed vertalen met "vasthouden" in plaats van "weerhouden". Dan staat er:

  • "En gij weet thans wel, wat hem vasthoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want het geheimenis der wetteloosheid is reeds in werking; (wacht) slechts totdat hij, die op het ogenblik nog vast gehouden wordt, verwijderd is. "

De Staten Vertaling heeft deze tekst (beter) als volgt vertaald: "En nu, wat hem wederhoudt, weet gij, opdat hij geopenbaard worde te zijner eigen tijd. En gij weet thans wel, wat hem weerhoudt, totdat hij zich openbaart op zijn tijd. Want de verborgenheid der ongerechtigheid wordt alrede gewrocht; alleenlijk, die (= satan) hem (= mens der wetteloosheid = zoon des verderfs = zoon van satan) nu wederhoudt, die zal hem wederhouden, totdat hij ( = satan)uit het midden (= uit het midden van de hemel) zal weggedaan worden."

De apostel Paulus gaat in deze tekst wat dieper in op de mens der wetteloosheid. Het is een moeilijk tekstgedeelte. Wanneer we de Griekse vertaling nakijken, dan wordt steeds het woordje  "to"  gebruikt voor "wat" wederhoudt, en "die"wederhoudt,  en dat "to" is onzijdig en dat wordt nooit gebruikt voor een gezant van de Heere, het is eigenlijk een vernedering als je zo wordt omschreven. Er is "iets" (= deksel van de put des afgronds) wat deze mens der wetteloosheid weerhoudt (oftewel vasthoudt) voordat hij zich kan openbaren. Bovendien is er iemand die hem wederhoudt (vasthoudt). Verder staat er dat diegene, die iemand, die de wetteloze wederhoudt, uit het midden zal weggedaan worden.

Dus zolang satan nog in de hemel (sterrenhemel) verblijft, houdt dát het optreden van de mens der wetteloosheid tegen. Anders gezegd, zoalang satan in de hemel verblijft kan de mens der wetteloosheid niet optreden. Eigenlijk wil satan de hemel helemaal niet verlaten, want hij weet wat hem op aarde te wachten staat, en dat hij dan nog maar een korte tijd heeft. Er was zelfs een oorlog in de hemel voor nodig om satan uit de hemel (sterrenhemel) te verwijderen:

  • "En er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog, maar hij (satan) kon geen standhouden, en hun plaats werd in de (sterren)hemel niet meer gevonden. En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem. (Openb 12:7-9).

Wanneer we de volgende drie tekstgedeelten lezen, dan kan het bijna niet anders, dan dat we tot de conclusie moeten komen dat de "wederhouder", die uit het midden zal weggedaan worden, satan zelf is, die uit de hemel verwijderd zal worden:

  1. "En de vijfde engel blies de bazuin, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put des afgronds gegeven. En zij opende de put des afgronds en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put." (Open 9:1-2).


    En moet u eens lezen wat uit die "afgrond" tevoorschijn zal komen als satan uit de hemel verwijderd is: Openbaring 9:2-11: zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij tot naam Apollyon. (Apollyon is de zoon van Zeus = zoon des verderfs) Dus alles nog eens op een rijtje: De ster (= satan) opent de put (de afgrond) met de sleutel, die hij had gekregen, en dan is er niets meer wat de zoon des verderfs (= mens der wetteloosheid) tegenhoudt of vast houdt.

     

  1. "En wanneer zij (de twee getuigen in Israël) hun getuigenis zullen voleindigd hebben, zal het beest, dat uit de afgrond opkomt, hun de oorlog aandoen en het zal hen overwinnen en hen doden. En hun lijk (zal liggen) op de straat der grote stad, die geestelijk genaamd wordt Sodom en Egypte, alwaar ook hun Here gekruisigd werd." (Open 11:7-8).


    Eén van de eerste daden van de mens der wetteloosheid is het doden van de twee getuigen. De twee getuigen zullen 1260 dagen, oftewel 3 1/2 jaar hun getuigenis geven in Israël: "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij". (Open 11:3-6). Dát getuigenis komt door het beest abrupt tot een einde. Het beest toont zijn ware moordenaars gezicht.

     

  1. "En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering. En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht." (Open 13:1-2).

Eenmaal op de aarde gaat satan als een gek te keer samen met het beest uit de aarde, wat niet meer wederhouden wordt door het deksel op de afgrond, en samen met het beest uit de zee. Maar we weten dat hun tiranie uitloopt op hun eigen verderf, want Christus heeft gezegevierd in Zijn sterven en opstanding, en zal straks triomferend de overwinning behalen.


Deel 8 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 8

De afgrond

Eerder hebben we gezien dat Michaël en zijn engelen oorlog voeren tegen de draak en zijn engelen. En die oorlog vond plaats in de hemel. Het gevolg van deze oorlog was dat de satan en zijn engelen op de aarde werden geworpen (Openb 12:7-9) Dán pas, op Gods tijd, kan de heerschappij van de mens der wetteloosheid aanvangen. Tot zolang wordt de mens der wetteloosheid weerhouden, oftewel vastgehouden in de put des afgronds, die pas geopend kan worden door de uitgeworpen ster (= satan), die de sleutel van de afgrond meekrijgt om die te openen. (voor uitleg over de wederhouder zie deel 7). Dán komt die "mens", en met hem de machten der duisternis, uit de afgrond, of zo u wilt uit de (volkeren)zee, en zal hij 42 maanden (= een tijd en tijden en een halve tijd = 3 1/2 jaar) lang (= de tweede helft van de laatste jaarweek van Israël) Gods Naam lasteren, en zich op de heilige plaats laten aanbidden. Maar na die periode van de "beest-heerschappij" zal de Here Jezus hem doden door de adem Zijns monds en machteloos maken door Zijn verschijning, als Hij komt. (2 Tess 2:8).

We hebben gelezen dat de mens der wetteloosheid uit de afgrond komt, maar tegelijk met hem komen ook de machten der duisternis uit de afgrond. Toen die "ster", satan, de afgrond opende, (Open 9:1-2) kwam er tevens rook uit de afgrond, zozeer zelfs, dat de zon verduisterd werd. En uit de rook kwamen sprinkhanen op de aarde te voorschijn en hun werd macht gegeven, gelijk de schorpioenen der aarde macht hebben. Zij mochten het gras der aarde, de gewassen, de bomen en de verzegelden des Heeren geen schade toebrengen. Zij mochten niet doden, maar zij mochten de mensen wel vijf maanden lang dusdanig pijnigen, dat de mensen daardoor zelfs wensen dood te zijn, ja zij zullen de dood zoeken, maar hem geenszins vinden, en zij zullen begeren te sterven, maar de dood vlucht van hen weg. (Open 9:2-6).

  • "En de gedaante der sprinkhanen (uit de afgrond) was als van paarden, die uitgerust zijn tot de oorlog; en op hun koppen waren kransen als van goud en hun aangezichten waren als aangezichten van mensen; en zij hadden haar als vrouwenhaar en hun tanden waren als die van leeuwen; en zij hadden borstschilden als ijzeren harnassen en het gedruis van hun vleugels was als het gedruis van wagens, wanneer vele paarden ten strijde draven. En zij hadden staarten als schorpioenen en angels, en in hun staarten was hun macht om de mensen schade toe te brengen, vijf maanden lang. Zij hadden over zich als koning de engel des afgronds; zijn naam is in het Hebreeuws Abaddon en in het Grieks heeft hij tot naam Apollyon. (Open 9:7-11)

Een bijzondere gebeurtenis, die ook met de afgrond te maken had, speelde zich af in het land der Gerasenen, dat tegenover Galilea ligt. We lezen hierover in Lucas 8. Daar was een man, die door boze geesten bezeten was. Toen die man de Heere Jezus zag, stiet hij een kreet uit en hij viel aan zijn voeten en sprak met luider stem:

  • "Wat hebt Gij met mij te maken, Jezus, Zoon van de allerhoogste God?"

Hieruit leren we dat de boze geesten heel goed weten wie de Christus der Schriften is, want de man zei dit niet uit zichzelf, maar door de boze geesten gedreven. De Heere gaf de boze geest bevel om uit de man te gaan, en vroeg: "Wat is uw naam?" En hij zei: "Legioen", omdat er vele boze geesten in hem waren gevaren. En die geesten smeekten Christus, dat Hij hun niet gelasten zou in de afgrond te varen. Hieruit blijkt dat die boze geesten heel goed wisten, wat hun plaats was, en waar ze eigenlijk thuishoorden. Zij vroegen de Heere, dat Hij hun zou toestaan in een kudde zwijnen te varen, die op die berg werd gehoed. En dat gebeurde. De talrijke geesten voeren uit die mens en voeren in de zwijnen, en de kudde stormde langs de helling het meer in en verdronk. In wezen stortten de boze geesten op zo'n manier toch de afgrond in, waar ze thuishoorden. (Lucas 8:26-33).

In dit verband zegt 2 Petr 2:4:

  • "Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren.”

Zo wordt ook satan zelf tijdens de duizend jaar vastgebonden in de afgrond geworpen, en die afgrond wordt zelfs verzegeld, zodat hij er niet uit kan:

  • "En hij (de engel) wierp hem (satan) vastgebonden in de afgrond en sloot en verzegelde die boven hem, opdat hij de volkeren niet meer zou verleiden, voordat de duizend jaren voleindigd waren; daarna moet hij voor een korte tijd worden losgelaten." (Open 20:3)



De Adem Zijns Monds

Uiteindelijk loopt het uit op wat in Openbaring 17:8 en in 2 Tess 2:8 staat:

  • "Het beest, dat gij zaagt, was en is niet, en het zal opkomen uit de afgrond en het vaart ten verderve", en "Dan zal de wetteloze zich openbaren; hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door zijn verschijning, als Hij komt."

Het woord "adem" komt van het Griekse woord "pneuma", wat geest, wind, en adem betekent. Het spreekt in deze context van Goddelijke kracht. En in deze context spreekt "pneuma" ook van het Goddelijke Woord, het Woord van macht, wat gesproken zal worden. Immers, Christus ís het Woord, en als Hij komt om Zijn Koningschap op Zich te nemen, dan komt Hij in Zijn volle glorie en macht. Christus zal Zijn macht laten zien op grond van Zijn Woord. Hij zal spreken, en het zal er zijn, en Hij zal gebieden, en het zal gebeuren. (Psalm 33:9).

Dan wordt 2 Tess 1:6-7 vervuld:

  • "Indien het inderdaad recht is bij God, aan uw verdrukkers verdrukking te vergelden, en aan u, die verdrukt wordt, verkwikking tezamen met ons, bij de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht".
  • "Want wij zijn geen vernuftig gevonden verdichtsels nagevolgd, toen wij u de kracht ( = dynamis) en de komst (= parousia) van onze Here Jezus Christus hebben verkondigd, maar wij zijn ooggetuigen geweest van Zijn Majesteit. Want Hij heeft van God, de Vader, eer en heerlijkheid ontvangen, toen zulk een stem van de hoogwaardige heerlijkheid tot Hem kwam: Deze is mijn Zoon, mijn geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb. En deze stem hebben ook wij uit de hemel horen komen, toen wij met Hem op de heilige berg waren. En wij achten het profetische woord (daarom) des te vaster, en gij doet wèl, er acht op te geven als op een lamp, die schijnt in een duistere plaats, totdat de dag aanbreekt en de morgenster opgaat in uw harten. Dit moet gij vooral weten, dat geen profetie der Schrift een eigenmachtige uitlegging toelaat; want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken." (2 Petr 1:16-21)

Er zullen allerlei ongekende krachten Gods openbaar worden in deze wereld. De zon zal verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. (Mat 24:29) En de mensen zullen bezwijmen van vrees en angst voor de dingen, die over de wereld komen. (Luk 21:26) Maar het verbazingwekkende is, dat terwijl de mensen al deze ongekende machten en krachten dan zien gebeuren, zij zich niet zullen bekeren, getuige Openb 9:21, 16:9 en 16:11.



Parousia” en “Epiphaneia”

Alles wat betrekking heeft op de wederkomst des Heeren staat in het teken van kracht! In de grondtekst staat in 2 Tess 2:8:

  • "hem zal de Here [Jezus] doden door de adem zijns monds en machteloos maken door Zijn "epiphaneia" (= verschijning) van Zijn "parousia" (als Hij komt).

"Epiphaneia" is de glorieuze komst van Christus in heerlijkheid met de Zijnen, in dit geval met zijn heerscharen van engelen en Zijn volgemaakteLichaam.

"Parousia" spreekt van Zijn komst, c.q. Zijn aanwezigheid ook voor de Zijnen, maar dan in verband met de Parousia, Zijn komst voor het volk Israël. Dus: Christus verschijnt mét de Zijnen (= Gemeente) vóór de Zijnen (= Israël).

Na Handelingen 28 begint de apostel Paulus een nieuwe boodschap bekend te maken, namelijk de verborgenheid (of het geheimenis) van De Gemeente van Het Lichaam van Christus. Deze nieuwe boodschap spreekt helemaal niet meer over een spoedige verwachting van Zijn Komst (parousia), de spoedige verwachting was nadrukkelijk wel aanwezig in de brieven, die Paulus vóór Handelingen 28 schreef, zo ook dus in de Tessalonicenzen brief. Maar dit “spoedig verwachten” is volledig afwezig in de zeven brieven die Paulus na Handelingen 28 schreef.

Paulus, die eerst heel veel over de Komst, over de Parousia schreef, neemt dan het woord Parousia geen enkele keer meer in zijn mond. Hij zwijgt er in deze zeven latere brieven totaal over (Efeze, Colossenzen, Filippenzen, Filemon, 1 en 2 Timoteüs en Titus).

Daarentegen begint Paulus vanaf die tijd over een nieuwe, hogere Hoop te spreken, namelijk over “Epiphaneia”, dat is “de verschijning in heerlijkheid.” In deze “verschijning in heerlijkheid”, deze “Epiphaneia” van Christus, zal het Lichaam van Christus (het samengevoegde Lichaam) op een heerlijke wijze in delen. Paulus spreekt in deze brieven over een individuele opstanding van de gelovigen direct na het sterven: De uitopstanding, die van tussen de doden uit is. Allen die hier deel aan hebben hebben ook deel aan de “verschijning in heerlijkheid”, aan de "epiphaneia" bij Zijn Komst!

Het was in Gods raadsbesluit opgenomen, dat Hij een groep gelovigen, die IN Christus zijn, reeds vóór de grondlegging der wereld uitverkoren had (Efeze 1:4). Dit was een verborgenheid. En deze verborgenheid was tot Handelingen 28 totaal onbekend gebleven.

Openbaring 11:15-17:

  • En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heere en aan Zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden” (letterlijk: Tot in de eeuw der eeuwen).



De "pseudo" Parousia van de mens der wetteloosheid

Ook de mens der wetteloosheid kent zijn eigen komst (parousia). En het verraderlijke voor hen die het niet zullen kunnen onderscheiden is, dat die parousia, net als de komst van de Christus, ook gepaard zal gaan met allerlei krachten tekenen en wonderen, met als gevolg dat de mensen hem met verbazing achterna zullen gaan. Maar gelukkig waarschuwt Gods Woord ons, want er staat dat de komst van de mens der wetteloosheid zal zijn naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen. (2 Tess 2:9)

Het zijn zijn geen gewone krachten, tekenen en wonderen, maar er staat dat ze zullen zijn "naar de werking des satans". Voor werking staat in het Grieks: "energeia", wat wijst op de energie, de kracht, de dynamis van satan, die het menselijk kunnen ver overstijgt. Verder heeft de NBG vertaald: "met allerlei krachten", maar er staat in de grondtekst het woordje "pas", en dat betekent: alle, wat de Staten Vertaling ook zo heeft vertaald. Dus satan zal met alle kracht, met alle dynamis zijn tekenen en (bedrieglijke) wonderen aan de wereld openbaren. Hij zal zelfs vuur uit de hemel doen nederdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen. (Openb 13:13).

En de mensen zullen verbaasd staan. Zij zullen door hun gebrek aan kennis, en daardoor het niet kunnen toetsen van de gebeurtenissen aan het Woord van God, zeggen: "Deze is de Christus." Terwijl ze met de pseudo-christus te maken hebben, die de mensenmoorder is van den beginne. Men zal afgaan op wat men ziet, op wat voor ogen is. Omdat men de Waarheid niet kent, en ook geen liefde heeft voor die Waarheid, kan Gods nabootser hen ten val brengen.

De pseudo-parousia gaat tevens gepaard met pseudo wonderen, want er staat in Tess 2:9 "bedrieglijke wonderen", ook dit heeft de Staten Vertaling beter vertaald met "wonderen der leugen". En dat is juist, want het Griekse woord voor leugen is "pseudo", en "pseudo" is afgeleid van "pseudos", wat leugen betekent. Het zullen leugenachtige, verlokkende en misleidende wonderen en tekenen zijn, en dat kan ook niet anders, want satan is de vader der leugen en de verleider der volkeren. Ook al lijkt hij soms waarheid te spreken, dan doet hij dat om te verleiden, en om de mensen van de waarheid af te houden. Denk maar aan de verleiding van Eva, en denk maar aan de verzoekingen van de Heere Jezus in de woestijn. Ook daar gebruikt hij Gods Woord om tot zijn eigen misleidende doel te komen.

Behouden worden

In 2 Tess 2:10 lezen we verder over de parousia van de wetteloze, dat hij komt met alle (grondtekst) verlokkende ongerechtigheid, voor hen, die verloren gaan, omdat zij de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, waardoor zij hadden kunnen behouden worden.

"Behouden worden" heeft in deze context alles te maken met "ingaan in het Koninkrijk". Zij (die dan leven), die de liefde tot de Waarheid wél aanvaard hebben, zullen door hun toewijding én trouw het Koninkrijk Gods waardig geacht worden. Een duidelijk voorbeeld hiervan lezen we in Openb 3:8 en Openb 3:10: "Ik weet uw werken: zie, Ik heb een geopende deur voor uw aangezicht gegeven, die niemand kan sluiten; want gij hebt kleine kracht, maar gij hebt Mijn Woord bewaard en Mijn Naam niet verloochend. En "Omdat gij het bevel bewaard hebt om Mij te blijven verwachten, zal ook Ik u bewaren voor de ure der verzoeking, die over de gehele wereld komen zal, om te verzoeken hen, die op de aarde wonen." (Openb 3:10).

Dit is geheel in lijn met de strekking én de prediking van de evangeliën én het gehele boek Handelingen. In de Evangeliën gold:

  • "Wie volhardt tot het einde, die zal behouden worden. (Mat 24:13)

En ditzelfde evangelie gold ook in de Handelingen periode, en dus ook in de Thessalonicenzen brieven: Allen, zowel Jood als niet Jood moesten volharden in hun geloof, anders werden ze (de takken) van de edele olijf afgehakt. (Rom 11:22) Dát evangelie van de volharding zal ook in de eindtijd weer gaan gelden, met de daarbij behorende tekenen en wonderen der Waarheid.

Broeders en zusters, nu geldt een ander evangelie. Het lichaam van Christus is geplaatst in Christus, nadat de gelovigen het woord der waarheid, het evangelie van onze behoudenis, hebben gehoord; in Hem zijn wij, toen wij gelovig werden, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het Lichaam, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid. (Efeze 1:13-14). Het is een evangelie van rijke genade. Maar ook voor ons geldt dat we ons niet door allerlei wind van leer moeten laten heen en weer bewegen, maar dat we recht moeten staan in de leer, en dat kan uitsluitend door met het Woord om te gaan. Het gaat niet om ervaringen, en het gaat ook niet om ons gevoel, want beide kunnen ons deerlijk voor de gek houden, nee het gaat om het lezen en geloven in Gods Woord. U mag dit gerust zien als een oproep om Gods Woord te lezen en te bestuderen, want dat is werkelijk broodnodig! Het is zelfs van levensbelang! Daarvoor waarschuwt de apostel Paulus ons ook veelvuldig!

Hoeveel mensen kent u in uw kerk, of gemeente, of in uw kennissenkring, of in uw straat die bijbelstudie doen? Men heeft vaak wel van dingen gehoord, en men weet soms ook nog wel "iets". Maar als straks de pseudo christus zich openbaart met zijn bedrieglijke tekenen en wonderen, zal het meteen raak zijn, en zullen allen die de liefde tot de Waarheid niet in hun hart hebben, door hun gebrek aan kennis, in zijn val lopen.

Liefde tot de Waarheid

Er is een prachtig gedeelte in Gods Woord waar we lezen over twee mensen, die de liefde tot de Waarheid in hun hart hadden. Dat is het verhaal van twee van de leerlingen van de Heere Jezus die op weg waren naar een dorp, zestig stadiën van Jeruzalem verwijderd, genaamd Emmaüs, en zij spraken met elkander over al wat voorgevallen was in Jeruzalem. En het geschiedde, terwijl zij daarover spraken en van gedachten wisselden, dat Jezus zelf bij hen kwam en met hen medeging. Maar hun ogen waren bevangen, zodat zij Hem niet herkenden. Hij zeide tot hen: Wat zijn dit voor gesprekken, die gij al wandelende met elkander voert? En zij bleven met somber gelaat staan. Eén dan van hen, genaamd Kleopas, antwoordde en zeide tot Hem:

  • "Zijt Gij de enige vreemdeling in Jeruzalem, dat Gij niet weet wat daar dezer dagen geschied is?" En Hij zeide tot hen: "Wat dan?" Zij zeiden tot Hem: "Hetgeen geschied is met Jezus de Nazarener, een man, die een profeet was, machtig in werk en woord voor God en het ganse volk, en hoe Hem onze overpriesters en oversten overgegeven hebben om Hem ter dood te veroordelen en Hem gekruisigd hebben. Wij echter leefden in de hoop, dat Hij het was, die Israël verlossen zou. Maar met dit al is het thans reeds de derde dag, sinds dit geschied is. Maar ook hebben enige vrouwen uit ons midden ons doen ontstellen: zij waren in de vroegte bij het graf geweest en hadden zijn lichaam niet gevonden en zijn toen komen zeggen, dat zij ook een verschijning van engelen gezien hadden, die zeiden, dat Hij leeft. En enigen van de onzen zijn naar het graf gegaan en hebben het zo bevonden, als de vrouwen ook gezegd hadden, maar Hém hebben zij niet gezien."
  • En Hij zeide tot hen: "O onverstandigen en tragen van hart, dat gij niet gelooft alles wat de profeten gesproken hebben! Moest de Christus dit niet lijden om in zijn heerlijkheid in te gaan?" En Hij begon bij Mozes en bij al de profeten en legde hun uit, wat in al de Schriften op Hem betrekking had.
  • En zij naderden het dorp, waar zij heengingen, en Hij deed, alsof Hij verder zou gaan. En zij drongen sterk bij Hem aan en zeiden: "Blijf bij ons, want het is tegen de avond en de dag is reeds gedaald." En Hij ging binnen om bij hen te blijven. En het geschiedde, toen Hij met hen aanlag, dat Hij het brood nam, de zegen uitsprak, het brak en hun toereikte. En hun ogen werden geopend en zij herkenden Hem; en Hij verdween uit hun midden. En zij zeiden tot elkander: "Was ons hart niet brandende in ons, terwijl Hij onderweg tot ons sprak en ons de Schriften opende?"(Lukas 24:13-32)

Daar gaat het om broeders en zusters, dat ons hart brandende in ons binnenste isom de woorden Gods te horen en te verstaan. Daaruit spreekt grote liefde voor de Waarheid. Zo zijn er meerdere voorbeelden in de Bijbel te vinden, zoals bijvoorbeeld Maria, die, aan de voeten des Heren gezeten, naar zijn woord luisterde. (Lukas 10:39) Wanneer men zegt: "Ik heb God lief", maar diezelfde mensen hebben geen tijd voor bijbelstudie, of vinden dat te moeilijk, of maken daar geen tijd voor vrij, dan klopt er wezenlijk iets niet.



Deel 9 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 9

God zendt een kracht der dwaling

  • "En daarom zendt God hun een dwaling, die bewerkt, dat zij de leugen geloven, opdat allen worden geoordeeld, die de waarheid niet geloofd hebben, doch een welgevallen hebben gehad in de ongerechtigheid." (2 Tess 2:11-12 NBG)

De Staten Vertaling heeft een iets krachtiger vertaling:

  • "En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid."

Deze "kracht der dwaling" zal komen wanneer de mens der wetteloosheid zich zal openbaren, want "diens komst is naar de werking des satans met allerlei krachten, tekenen en bedrieglijke wonderen, en met allerlei verlokkende ongerechtigheid." (2 Tess 2:9-10). Het zal een krachtig optreden zijn van de wetteloze, die zonder kennis van het Woord, en zonder liefde voor de Waarheid moeilijk te herkennen zal zijn als de leugen.

God stuurt niet zomaar een "kracht der dwaling" naar mensen. Wanneer dat gebeurt, dan is er al veel aan vooraf gegaan. Hoe vaak waren de toehoorders al niet gewaarschuwd voor wat komen zou? Hoe vaak had Paulus hen de woorden Gods verkondigd? In dit verband moeten we zeker ook denken aan de Farao in Egypte, die doorlopend weigerde het volk Israël te laten vertrekken.

Toen Mozes en Aäron voor de eerste keer bij de Faraö kwamen en hem vroegen het volk Israël te laten gaan, en daarbij hun woorden kracht bijzetten door de staf van Mozes in een slang te laten veranderen, konden Faraö's dienaren dat ook, en daar lezen we voor de eerste keer dat Farao zijn hart verhardde:

  • "Maar het hart van Farao verhardde en hij luisterde niet naar hen – zoals de HEERE gezegd had." (Ex 7:13).

Nadat het eerste wonder is gebeurd, lezen we (tweede keer):

  • "Maar de Egyptische geleerden deden door hun toverkunsten hetzelfde, zodat het hart van Farao verhardde en hij naar hen niet luisterde – zoals de HERE gezegd had." (Ex 7:22)

Na het tweede wonder lezen we (derde keer):

  • "Maar toen Farao zag, dat er verlichting was ingetreden, liet hij zijn hart niet vermurwen en luisterde niet naar hen – zoals de HERE gezegd had." (Ex 8:15)

Na het derde wonder lezen we (vierde keer):

  • "Toen zeiden de geleerden tot Farao: Dit is Gods vinger. Maar het hart van Farao verhardde, en hij luisterde niet naar hen – zoals de HERE gezegd had." (Ex 8:19)

Na het vierde wonder lezen we (vijfde keer):

  • "Toch liet Farao zijn hart ook ditmaal niet vermurwen; hij liet het volk niet gaan." (Ex 8:32)

Na het vijfde wonder lezen weer (zesde keer):

  • "Toch bleef het hart van Farao onvermurwbaar en liet hij het volk niet gaan. (Ex 9:7)

Na zes keer was het afgelopen met het geduld van de Heere, want dan lezen we dat de Heere het hart van de Farao verhardde:

  • "Maar de HERE verhardde het hart van Farao, zodat hij naar hen niet luisterde – zoals de HERE tot Mozes gezegd had. 6 (Ex 9:12, Ex 10:20 en Ex 10:27)

Uiteindelijk zal God altijd tot Zijn doel komen, ook al is de mens nog zo wederspannig:

  • "En te middernacht sloeg de HERE iedere eerstgeborene in het land Egypte, van de eerstgeborene van Farao, die op zijn troon zou zitten, tot de eerstgeborene van de gevangene, die in de kerker was, benevens alle eerstgeborenen van het vee. En Farao stond des nachts op, hij en al zijn dienaren en alle Egyptenaren; en er was een luid gejammer in Egypte; want er was geen huis, waarin geen dode was. Toen ontbood hij des nachts Mozes en Aäron en zeide: Maakt u gereed, gaat weg uit het midden van mijn volk, zowel gij als de Israëlieten; gaat, dient de HERE, zoals gij gezegd hebt." (Ex 12:29-31)

Dat het volk Israël 400 jaar door Egypte zou worden onderdrukt had de Heere reeds lang tevoren aan Abraham meegedeeld:

  • "Toen de zon op het punt stond onder te gaan, viel een diepe slaap op Abram. En zie, hem overviel een angstwekkende, dikke duisternis. En Hij zeide tot Abram: Weet voorzeker, dat uw nakomelingen vreemdelingen zullen zijn in een land, dat het hunne niet is, en dat zij hen dienen zullen, en dat die hen zullen verdrukken, vierhonderd jaar." (Gen 15:12-13).

Ook de duur van het verblijf van Israël in Egypte wordt door de Heere verklaard in Gen 15:16 "Want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten (Kanaïten) niet vol." Tot die maat van de ongerechtigheid vol was moest Israël in Egypte blijven.

Nog een voorbeeld, dat God niet zomaar handelt, maar pas tot handelen overgaat na meerdere keren gewaarschuwd te hebben, en dat men bewust kiest om niet de door God aangewezen weg te gaan bewandelen. Het gaat erom dat men veelvuldig "willens en wetens" de eigen god-loze keuze maakt. Hierover lezen we in Hand 28:26-28 zeggende:

  • "Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!"

Dezelfde tekst lezen we ook in Jesaja 6:9 en in Matt 13:14-15. Hoe vaak heeft de Heere de Zijnen, het volk Israël niet opgeroepen om tot bekering te komen? Door alle profeten in het Oude Testament, Door Johannes de Doper, door de Heere Jezus zelf, door de discipelen, door de apostel Paulus. Gedurende de hele Handelingen periode klonk die roep om zich te bekeren, en de Christus te aanvaarden, tot op het einde van Handelingen, toen Paulus de voormannen der Joden bijeenriep, om hen te overtuigen, en hen met nadruk het Koninkrijk Gods predikte, pogende hen te overtuigen ten opzichte van Jezus, uit de wet van Mozes en de profeten, van de vroege morgen tot de avond toe. (Hand 28:17-23) Maar zij wilden niet. En dan is Gods geduld (even) op, en dan volgen voor de derde keer de verzen uit Hand 28:28.

Terug naar ons onderwerp:

  • "En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid." (2 Tess 2:11-12).

Het gaat er hier dus om dat God een dwaling stuurt naar mensen, die bewust kiezen om niet God, maar de tegenstander te dienen, terwijl ze meerdere keren zijn gewaarschuwd, en ze weten van de rechte weg die ze zouden moeten gaan, maar willens en wetens kiezen zij voor het dienen van de mens der wetteloosheid.

De Hardheid van de Zonde

In Openbaring lezen we over de ergste plagen, die over de mensen zullen komen. Je zou haast denken, dat men daardoor wel tot inzicht zouden moeten komen, en dat zij zich zullen bekeren van hun boze wegen, maar we lezen het tegendeel in Openbaring, we lezen:

  • "dat zij, die dan nog "leven", de God des hemels zullen lasteren, vanwege hun pijnen, en vanwege hun gezwellen, en zij zich niet zullen bekeren van hun boze werken." (Openbaring 6:10-11).
  • "En wie van de mensen overgebleven waren, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich toch niet van de werken hunner handen, om de boze geesten niet (meer) te aanbidden en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien, noch horen of gaan; en zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen.'' (Openb 9:20-21).
  • "En ik hoorde het altaar zeggen: Ja, Here God, Almachtige, uw oordelen zijn waarachtig en rechtvaardig. En de vierde goot zijn schaal uit over de zon en haar werd gegeven de mensen te verzengen met vuur. En de mensen werden verzengd door de grote hitte en zij lasterden de naam van God, die de macht heeft over deze plagen, en zij bekeerden zich niet om Hem eer te geven." (Openb 16:7-9).
  • En grote hagel(stenen), een talent zwaar, vielen uit de hemel op de mensen, en de mensen lasterden God vanwege de plaag van de hagel, want de plaag daarvan was zeer groot. (Openb 16:21).

En ondanks de verharding van de mensen oordeelde God niet zomaar. In het boek Openbaring zien we dat Gods oordelen beginnen met zeven zegels (Openb 6:1 tot Openb 8:1). Nadat die oordelen over de aarde gegaan waren, kwamen er zeven engelen met hun zeven bazuinen, met de daarbij behorende oordelen (Openb 8:7 tot Openb 11:15), en tot slot de zeven schalen van Gods gramschap, die over de "aarde" uitgegoten zullen worden. (Openb 15:1 tot Openb 16:17). Gedurende al deze oordelen was er de mogelijkheid dat men zich kon bekeren, maar we hebben gelezen dat men God lasterde vanwege de plagen, en dat men zich niet bekeerde. En daarom zal God hun zenden een kracht der dwaling, dat zij de leugen zouden geloven; Opdat zij allen veroordeeld worden, die de waarheid niet geloofd hebben, maar een welbehagen hebben gehad in de ongerechtigheid." (2 Tess 2:11-12).

Allen, de koningen, de groten, de oversten, de rijken, de machtigen, de slaven en de vrijen zullen te dien dage roepen:

  • "Verbergt ons voor het aangezicht van Hem, die gezeten is op de troon, en voor de toorn van het Lam; want de grote dag van hun toorn is gekomen en wie kan bestaan?" (Openb 6:16).

Dus ze wisten wie op de troon zat, en ze wisten dat de toorn vanuit het Lam kwam. Door alles wat de mens dan zal zien gebeuren zal men weten dat hier Goddelijke dingen aan het gebeuren zijn. En men vraagt aan de bergen en de rotsen om op hen te vallen, en hen te verbergen, want ze weten (door hun kennis van goed en kwaad), dat het beter voor hen is dat de bergen op hen vallen, dan dat ze moeten verschijnen voor de rechtvaardige toornige God, waarvoor ze niet kunnen bestaan.

Ook blijkt uit dit bijbelgedeelte, dat de troon van God in de hemel zichtbaar zal zijn voor een ieder op de aarde (in het land, Grieks = ge). Ik geloof dat deze dingen letterlijk zullen gebeuren, omdat Gods Woord ze mij zo zegt. Er staat dat de hemel terug zal wijken als een boekrol, die wordt opgerold, en alle berg en eiland werd van zijn plaats gerukt. Dán wordt Gods troon zichtbaar, en dan vervuld dit de mensen, die een afkeer hebben van God, met een afschuwelijke angst, wetende dat ze voor die overweldigende manifestatie van Gods kracht en heerlijkheid, niet zullen kunnen bestaan. Maar ondanks dat deze overweldigende dingen gebeuren, ja, men ziet ze gebeuren, men ziet de hemel geopend, zullen de mensen zich niet bekeren! Ondanks dat men de dingen ziet is men ziende blind en horende doof!

Maar ook in dezen is er (jammer genoeg) niets nieuws onder de zon. Want ook toen de Heere Jezus lijfelijk bij de Zijnen was, geloofden zij Hem niet. Ook toen gold al dat het zien, het aanschouwen van de Heiland der wereld niet tot geloof leidde. Hieruit kunnen we leren dat geloof niet ontstaat door "het zien", maar geloof = het niet zien. Hebr 11:1 zegt:

  • "Het geloof nu is de zekerheid der dingen, die men hoopt, en het bewijs der dingen, die men niet ziet."

Het uiteindelijke oordeel lezen we in Openbaring 17 en 18, wat handelt over de val van Babylon.



De HEERE komt tot Zijn doel

In Openbaring 5 lezen we dat er Eén waardig was gebleken om de boekrol te openen. Uit het verdere verloop van Openbaring blijkt wat in de boekrol beschreven staat. We zien dat de boekrol dienst doet als een soort testament, als Gods raadsbesluit, waarin Gods wilsbeschikking is neergelegd. En, broeders en zusters, we moeten goed beseffen dat de HEERE in de afwikkeling van Zijn raadsbesluit, wat we vanaf Openbaring 6 kunnen lezen, blijk geeft van Zijn grote Goddelijke Liefde. Dit lijkt misschien tegenstrijdig, wanneer we zien dat er vanaf Openbaring 6 vele van de ergste oordelen en de ergste plagen over de aarde (het land) zullen komen. Is dat Liefde? Ja, dat is Liefde, want als God in Zijn oneindige wijsheid én Liefde niet gaat doen, wat in de boekrol beschreven staat, juist dán zou alles op een catastrofe uitlopen.

Ondanks de onbekeerlijkheid van de mensen, zal de HEERE Zijn beloften vervullen. De aarde, expliciet het volk Israël, maar ook de volkeren (de oikoumene) moeten gezuiverd worden. Hij zal tot Zijn doel komen! Vele profetieën hebben dat voorzegd:

Onder anderen de profeet Joël sprak deze woorden:

  • "Daarna zal het geschieden, dat Ik mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters (Israël) zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. Ook op de dienstknechten en op de dienstmaagden zal Ik in die dagen mijn Geest uitstorten. Ik zal wonderen geven in de hemel en op de aarde, bloed en vuur en rookzuilen. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en geduchte dag des HEEREN komt. En het zal geschieden, dat ieder die de naam des HEEREN aanroept, behouden zal worden, want op de berg Sion en te Jeruzalem zal ontkoming zijn, zoals de HEERE gezegd heeft; en tot de ontkomenen zullen zij behoren, die de HEERE zal roepen." (Joël 2:28-32)



Het beest uit de zee

In Openbaring 13 lezen we over twee beesten, een beest uit de zee en een beest uit de aarde. Eerst iets over het beest uit de zee. We weten uit het voorgaande, dat dit beest uit de afgrond kwam, die door de gevallen ster (satan) geopend zal worden. We lezen hoe het beest eruit zag:

  • "Het had tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering. En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw." (vers 1-2) En de draak gaf het beest zijn kracht en zijn troon en grote macht.''

Het beest is in staat wonderen te doen. Hij was dodelijk gewond, maar laat ten aanschouwe van de mensen die wond genezen. Het gevolg is dat de mensen het beest met verbazing achterna lopen, en men aanbidt de satan, omdat hij het beest zoveel macht had gegeven. En we zien dat het beest zich verheft boven God, want het spreekt grote woorden en godslasteringen, en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden (= 3 1/2 jaar) lang te doen.

En het beest werd macht gegeven om tegen de heiligen oorlog te voeren en hen te overwinnen; en hem werd macht gegeven over elke stam en natie en taal en volk. En allen, die op de aarde (grondtekst: in het land) wonen, zullen het (beest) aanbidden, ieder, wiens naam niet geschreven is in het boek des levens van het Lam, dat geslacht is, sedert de grondlegging der wereld. (Openb 13:3-8) Uit bovenstaande kunnen we opmaken dat dit beest veel macht zal hebben, en zich als een groot politiek leider zal manifesteren.



Het beest uit de aarde

  • "En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde en het had twee horens als die van het Lam, en het sprak als de draak. En het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde en zij, die daarop wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde ten aanschouwen van de mensen." (Openb 13:11-13)

We zien hier de identiteit van deze mens. Hij treedt op als een profeet, hij heeft veel macht, en weet zo te spreken, dat de mensen het beest uit de zee aanbidden. We zien hier een satanische samenwerking: De satan had zijn macht gegeven aan het beest uit de zee, en het beest uit de aarde gebruikt zijn macht om dat beest uit de zee nog meer te verheerlijken. We zien in dit gehele gebeuren de grote immitator aan het werk. God heeft Zijn Zoon, satan ook, en God heeft Zijn Geest gegeven, om de mensen te leiden in alle Waarheid. Maar satan heeft zijn valse profeet gegeven om de mensen te leiden in de leugen.

We lezen verder:

  • "En het verleidt hen, die op de aarde wonen, wegens de tekenen, die hem gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest. En het zegt tot hen, die op de aarde wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest, dat de wond van het zwaard had en (weer) levend geworden is. En hem werd gegeven om aan het beeld van het beest een geest te schenken, zodat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden. En het maakt, dat aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun voorhoofd, [en] dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft. Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het beest, want het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig." (Openb 13:14-18).

 

Deel 10 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 10

Wie is de antichristus?

We hebben reeds in het voorafgaande gezien dat "anti" betekent: in plaats van. Wanneer we gaan zoeken waar het woord antichrist (= "in plaats van" Christus) in de Bijbel voorkomt, dan vinden we de volgende teksten:

  • 1 Joh 2,18 "Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is."
  • 1 Joh 2,22 "Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent."
  • 1 Joh 4,3 "En iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld."
  • 2 Joh 1,7 "Want er zijn vele misleiders uitgegaan in de wereld, die de komst van Jezus Christus in het vlees niet belijden. Dit is de misleider en de antichrist."

De context van deze teksten is de Handelingen periode én de (toekomstige) eindtijd periode. In de Handelingen periode waren deze dingen bezig te gebeuren, en zeer aanstaande. Maar omdat Israël als volk niet tot geloof kwam, werden deze dingen uitgesteld. Men meende echt "in de laatste ure" te leven. In de eindtijd zullen deze dingen hun vervulling krijgen.

De Heere Jezus zei zelf:

  • "Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander (= antichrist) komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen. (Joh 5:43).

Een (kleine) voorvervulling van het aannemen van de "zoon van de vader" lezen we in Math 27:

  • "Nu was de stadhouder bij elk feest gewoon een gevangene, ter keuze van de schare, los te laten. Zij hadden toen een berucht gevangene, genaamd Barabbas. Daar zij nu toch bijeen waren, zeide Pilatus tot hen: Wie wilt gij, dat ik u zal loslaten, Barabbas of Jezus, die Christus genoemd wordt? Want hij wist, dat zij Hem uit nijd hadden overgeleverd. Terwijl hij nu op de rechterstoel zat, zond zijn vrouw hem de boodschap: Bemoei u toch niet met die rechtvaardige, want ik heb heden in een droom veel om Hem geleden. Maar de overpriesters en de oudsten overreedden de scharen, dat zij om Barabbas zouden vragen, maar Jezus zouden laten ter dood brengen. De stadhouder antwoordde en zeide tot hen: Wie van die twee wilt gij, dat ik u loslaat? Zij zeiden: Barabbas. Pilatus zeide tot hen: Wat moet ik dan doen met Jezus, die Christus genoemd wordt? Zij zeiden allen: Hij moet gekruisigd worden!" (Mat 27:15-22).

Barabbas was het type van de moordenaar, en Israël koos onder aanvoering van de geestelijke leidslieden toen voor hem. De naam Barabbas (bar-a-bas) betekent: zoon van de vader. Dus Israël koos voor "de zoon van de vader", maar het was de verkeerde! En net zó zal Israël op het einde der tijden kiezen voor de zoon van de vader der leugen.

We gaan nog even naar de tekst:

  • "Ik ben gekomen in de naam mijns Vaders en gij neemt Mij niet aan; indien een ander komt in zijn eigen naam, die zult gij aannemen. (Joh 5:43).

En dan letten we op het woord "ander", die komt in zijn eigen naam. Het woord "ander" kan van twee Griekse woorden komen, van "allos" en van "heteros". Beide woorden betekenen "ander". "Allos" is een "ander" van hetzelfde soort, en "heteros is een "ander" van een andere soort.

Dit is belangrijk voor een goed verstaan van de tekst. Hier in Joh 5:43 staat het woord "allos", dus een ander van hetzelfde soort als Christus, dus een Jood, of zich in ieder geval als Jood voordoet. Van dezelfde "soort", betekent in dit geval ook dat die andere van dezelfde "afkomst" is als Christus. We weten dat de afkomst van satan dezelfde is, als de afkomst van Christus, satan was eens een lichtende morgenster in de hemel. En ook satan heeft bovenmenselijke macht. Deze "ander", oftewel de antichrist zal door de wereld christus worden genoemd om de macht en tekenen en bedrieglijke wonderen, die hij zal doen.

De Heere zei in dit verband:

  • "Kinderen, het is de laatste ure; en gelijk gij gehoord hebt, dat er een antichrist komt, zijn er nu ook vele antichristen opgestaan, en daaraan onderkennen wij, dat het de laatste ure is. Zij zijn van ons uitgegaan, maar zij waren uit ons niet; want indien zij uit ons geweest waren, zouden zij bij ons gebleven zijn: maar aan hen moest openbaar worden, dat niet allen uit ons zijn. (spreekt van ongeloof). Gij echter hebt een zalving van de Heilige en gij weet dat allen. (dit laatste spreekt van geloof) (1 Joh 2:18-20).

Ook in de volgende tekst zien we weer het ongeloof tegenover het geloof:

  • "Wie is de leugenaar dan wie loochent, dat Jezus de Christus is? Dit is de antichrist, die de Vader en de Zoon loochent. Een ieder, die de Zoon loochent, heeft ook de Vader niet. Wie de Zoon belijdt, heeft ook de Vader. Wat u betreft, wat gij van den beginne gehoord hebt, moet in u blijven. Indien in u blijft, wat gij van den beginne gehoord hebt, dan zult gij ook in de Zoon en [in] de Vader blijven. En dit is de belofte, die Hij zelf ons beloofd heeft: het eeuwige leven." (1 Joh 2:22-25).

We zien hier het ongeloof van de Farizeeën en Schriftgeleerden, die loochenden dat Jezus de Christus is.

De Heere zei zelf:

  • "Ik ben de weg en de waarheid en het leven; niemand komt tot de Vader dan door Mij. (Joh 14:6).
  • "Wie Mij gezien heeft, heeft de Vader gezien." (Joh 14:9)

Om een juist beeld te krijgen over de antichrist moet men de teksten die daar betrekking op hebben niet alleen lezen, maar vooral bestuderen. Dan zal men mogelijk in staat zijn om deze figuur te identificeren als hij op het toneel verschijnt. Dat is enerzijds niet zo eenvoudig, want de figuur van de antichrist komt onder verschillende benamingen in de bijbel voor, anderzijds is het makkelijk, want zijn gedragingen laten aan duidelijkheid niets te wensen over. Voor wat betreft de benamingen kunnen we denken aan de volgende aanduidingen; de antichrist, de mens der wetteloosheid, de tegenstander, de zoon des verderfs, het beest, en misschien zijn er nog wel meer namen die op deze figuur duiden.

De belangrijkste gegevens halen we uit het boek Openbaring. In hoofdstuk 13 staan veel gegevens vermeld. Aan het hoofd van de nieuwe macht op aarde (in het land), voorgesteld door het beest uit vers 1 en 2 staat een leider zoals de wereld nog niet gekend heeft. Op 13:3b:

  • “…en de gehele aarde (grieks: "ge" = land) ging het beest met verbazing achterna.”

Het woord “verbazing” heeft de betekenis van bewonderd worden en zich verwonderen over. Dus de mensen zijn volledig in de ban van deze figuur. Kennelijk heeft hij voor de dan bestaande uitzichtloze positie van de mens een (schijn)oplossing die velen aanspreekt. De mens heeft genoeg van godsdienst en God en keert zich massaal van Hem af en van alles wat bij God hoort, namelijk Israël en de Gemeente.

De mens is volledig onder indruk van de werken van satan en dus van de werken van het beest. En zij zullen de draak aanbidden, omdat hij aan het beest de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende; Wie is aan het beest gelijk? En; Wie kan er oorlog tegen voeren? Niemand tot nog toe in de geschiedenis van de mensheid gelijkt op of komt overeen met deze persoon, en we hebben toch al heel wat vreemde figuren gehad in het verleden. Maar deze overtreft ze allemaal. Er is ook helemaal niemand bij machte, of in staat, op welke manier ook, iets tegen deze persoon te ondernemen. Alleen Christus kan deze persoon overwinnen. Maar hoe kan het gebeuren dat de mens zelfs zover gaat dat ze de draak aanbidden en het beest? Dat komt omdat het beest in staat is door de kracht van satan dingen te realiseren, die de mensen welgevallig zijn.

De zoon des verderfs is iemand waarbij de satan bezit heeft genomen van het lichaam van die persoon. Dit blijkt uit 2 Thess 2:3, want diens komst is "naar de werking des satans", en vers 9, en satan gaf hem zijn kracht, zijn macht en zijn troon. (Op 13:2b). Zo werkt satan dus! Want het is altijd de bedoeling van de satan geweest om zich gelijk te stellen aan God, daarom verheft hij zich altijd tegen God of welk ander voorwerp van verering ook, want hij wil zelf aanbeden en vereerd worden. In de hemel is dat eertijds niet gelukt en nu hij op de aarde (in het land) geworpen is probeert hij dat op deze wijze alsnog te bewerkstelligen.

Omdat satan via deze mens der wetteloosheid allerlei krachten en tekenen en bedrieglijke wonderen en verlokkende ongerechtigheid doet, aanbidt heel Israël (in Jeruzalem het beeld staat opgericht) het beest, en via het beest aanbidt men de draak. Vanuit Israël zal dit zijn invloed over de gehele aarde (= oikoumene) hebben.

Bij "allerlei krachten" moeten we vooral denken aan veel verschillende bekwaamheden op diverse gebieden. Hij zal niet alleen persoonlijk een geweldige uitstraling hebben, maar dat ook over kunnen brengen waardoor mensen hem volgen. Hij zal allerlei tekenen doen om te laten zien en te bevestigen dat hij het goede voorheeft met iedereen. Nou wie zou zich daar niet over verwonderen en over verbazen en vervolgens overgaan tot aanbidding? Hij lost alle problemen op en geeft het volk brood, spelen en verlokkende ongerechtigheid, en daaraan hebben ze een welgevallen. Wat is de betekenis van een welgevallen hebben aan ongerechtigheid? Het is een voorkeur geven aan onrechtvaardigheid van hart en leven. Het is een bewuste keuze en beslissing voor het verkeerde, voor de zonde!

Bedrieglijke wonderen zijn tekens waarbij bewust en opzettelijk gelogen wordt, het lijkt heel wat, maar het leidt tot absoluut niets. Het zijn verderfelijke en goddeloze tekenen. Een zeer belangrijk vers in dit geheel is 2 Thess 2:5: “Herinnert gij u niet, dat ik, toen ik nog bij u was, u dit meermalen gezegd heb”. Paulus heeft het dus vaak tegen de gemeente te Thessalonica gezegd. Daarnaast heeft ook Johannes meerdere keren geschreven over deze persoon, dus men was meermalen gewaarschuwd.



De valse profeet

Een profeet (Grieks: προφήτης, prophètès) is in bijbels verband een persoon die boodschappen van God doorgeeft. Een profeet is dus in die zin de mond van God, en als zodanig spreekt de profeet namens God. We lezen dat ook in Amos 3:7:

  • "Voorzeker, de Heere HEERE doet geen ding, of Hij openbaart zijn raad aan zijn knechten, de profeten."

In drie wereldgodsdiensten spreekt men van profeten: het christendom, het jodendomen en de islam. Omdat het Abrahamitische religies zijn of openbaringsgodsdiensten vindt men enige overlapping. Deze drie godsdiensten kennen enkele gemeenschappelijke profeten zoals de profeet Elia.

De Hebreeuwse profeten fungeerden als spreekbuizen van God tot de mensen en andersom. Of een profeet vals of niet vals was, was in de kern eenvoudig te bepalen, en hing ervan af of een profetie uitkwam of niet. Of zoals de bijbel beschrijft:

  • "Wanneer gij nu bij uzelf mocht zeggen: Hoe onderkennen wij het woord dat de HEERE niet gesproken heeft?”

Als een profeet spreekt in de naam des HEEREN en zijn woord wordt niet vervuld en komt niet uit, dan is dit een woord, dat de HEERE niet gesproken heeft; in overmoed heeft de profeet het gesproken, gij zult voor hem niet vrezen. (= Gij zult hem niet geloven) (Deut 18:22).

Maar ook indien de profetie wél uitkwam, dienden de woorden van de profeet getoetst te worden aan wat er al van Gods wil bekend was, om te controleren of het wel echt een profeet van God was. En er is nog een manier om een valse profeet te herkennen, want als de woorden van die profeet regelrecht ingaan tegen Gods geopenbaarde, onveranderlijke, vaststaande Woord, is die profetie ook vals. Maar om dat te kunnen toetsen, moet men wel kennis hebben van dat Woord van God. En het Woord is op meerdere plaatsen zeer duidelijk, zo lezen we in 1 Joh 4:2-6:

  • "Hieraan onderkent gij de Geest Gods: iedere geest, die belijdt, dat Jezus Christus in het vlees gekomen is, is uit God; en iedere geest, die Jezus niet belijdt, is niet uit God. En dit is de geest van de antichrist, waarvan gij gehoord hebt, dat hij komen zal, en hij is nu reeds in de wereld. Zij zijn uit de wereld; daarom spreken zij uit de wereld en hoort de wereld naar hen. Wij zijn uit God; wie God kent, hoort naar ons; wie uit God niet is, hoort naar ons niet. Hieraan onderkennen wij de Geest der waarheid en de geest der dwaling."

Helaas is de praktijk van elke religie, dat men meestal niet het Woord, maar de religieuze geschriften van de desbetreffende religie zeer goed kent en bestudeert, met als gevolg, dat men zich bezighoudt met door mensen bedachte bijkomstigheden, en men weet niet waar het in de kern op aan komt. Zo is het ook gesteld met het Jodendom, men studeert niet in de Thorah, het door God gegeven Woord, maar men bestudeert de eigen gemaakte geschriften van de Rabbijnen. Zo was het al in de tijd van de Heere Jezus, en zo is het heden ten dage nog. Op die manier zal het onmogelijk zijn om een "geest der dwaling" te onderkennen. Ook de dwaling door God gezonden, zullen ze niet herkennen. (2 Tess 2:11).

Een valse profeet spreekt dus niet namens God, maar namens een ander. Daarom moeten we onderscheidt kunnen maken tussen de ware profeet en de valse profeet. Gods Woord waarschuwt op meerdere plaatsen:

  • 1 Joh 4:1 "Geliefden, vertrouwt niet iedere geest, maar beproeft de geesten, of zij uit God zijn; want vele valse profeten zijn in de wereld uitgegaan." Beproeven in de zin van onderzoeken of het echt is, waar is, wat zij verkondigen. Dat kan alleen als wij weten wat God over de eindtijd in Zijn Woord heeft bekend gemaakt.
  • 2 Petr 2:1 "Toch zijn er ook valse profeten onder het volk geweest, zoals ook onder u valse leraars zullen komen, die verderfelijke ketterijen zullen doen binnensluipen, zelfs de Heerser, die hen gekocht heeft, verloochenende en een schielijk verderf over zichzelf brengend." Is dat niet wat we ook zien bij de antichrist?
  • Mat 7:15-20 "Wacht u voor de valse profeten, die in schapevacht tot u komen, maar van binnen zijn zij roofgierige wolven. Aan hun vruchten zult gij hen kennen: men leest toch geen druiven van dorens of vijgen van distels? Zo brengt iedere goede boom goede vruchten voort, maar de slechte boom brengt slechte vruchten voort. Een goede boom kan geen slechte vruchten dragen, of een slechte boom goede vruchten dragen. Iedere boom, die geen goede vrucht voortbrengt, wordt uitgehouwen en in het vuur geworpen. Zo zult gij hen dan aan hun vruchten kennen."
  • Mat 24:11 "En vele valse profeten zullen opstaan en velen zullen zij verleiden."
  • Mat 24:24-25 en Marcus 13:22 "Want er zullen valse christussen en valse profeten opstaan en zij zullen grote tekenen en wonderen doen, zodat zij, ware het mogelijk, ook de uitverkorenen zouden verleiden. Zie, Ik heb het u voorzegd."

Het bijbelgedeelte wat specifiek handelt over de valse profeet is Openbaring 13:11-18:

  • "En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde (grieks: "ge" = land) en het had twee horens als die van het Lam, en het sprak als de draak. En het oefent al de macht van het eerste beest voor diens ogen uit. En het bewerkt, dat de aarde (grieks: "ge" = land) en zij, die daarin wonen, het eerste beest zullen aanbidden, welks dodelijke wond genezen was. En het doet grote tekenen, zodat het zelfs vuur uit de hemel doet nederdalen op de aarde (grieks: "ge" = land) ten aanschouwen van de mensen. En het verleidt hen, die op de aarde (grieks: "ge" = land) wonen, wegens de tekenen, die hem gegeven zijn te doen voor de ogen van het beest. En het zegt tot hen, die op de aarde (grieks: "ge" = land) wonen, dat zij een beeld moeten maken voor het beest, dat de wond van het zwaard had en (weer) levend geworden is. En hem werd gegeven om aan het beeld van het beest een geest te schenken, zodat het beeld van het beest ook zou spreken, en maken dat allen, die het beeld van het beest niet aanbaden, gedood werden. En het maakt, dat aan allen, de kleinen en de groten, de rijken en de armen, de vrijen en de slaven, een merkteken gegeven wordt op hun rechterhand of op hun voorhoofd, [en] dat niemand kan kopen of verkopen, dan wie het merkteken, de naam van het beest, of het getal van zijn naam heeft. Hier is de wijsheid: wie verstand heeft, berekene het getal van het beest, want het is een getal van een mens, en zijn getal is zeshonderd zesenzestig."

We hebben gelezen: "En ik zag een ander beest opkomen uit de aarde......" (Openb 13:11). Voor "ander" staat hier in de grondtekst "allos", dus ook hier een "ander" van dezelfde soort. Dus van dezelfde soort als satan en van dezelfde soort als het beest uit de zee. Dit beest uit de aarde leek zelfs op het lam, maar het was herkenbaar als Gods tegenstander, want dit beest sprak als de draak.

De mensen moeten gaan geloven dat dit lam de juiste oplossingen biedt voor alle problemen. Volg mij, zegt dit lam, (= de valse profeet). Maar de ware gelovige weet wel beter. Een ware profeet roept op tot aanbidding en terugkeer naar God, deze valse profeet roept op tot aanbidding van de antichrist. Hij zal dan de geestelijke leider zijn, die er voor zorgt dat de mensen alleen nog maar de antichrist aanbidden. De antichrist waar de satan al zijn macht en kracht en troon aan gegeven heeft. De satan neemt als het ware de plaats van God in, en de antichrist neemt de plaats van Christus in, en deze valse profeet stelt de regels vast hoe de antichrist aanbeden moet worden. Zo zal dit anti goddelijke driemanschap zich in de eindtijd manifesteren. De macht en de kracht van satan zorgen ervoor dat deze valse profeet ook grote tekenen kan doen, zelfs vuur uit de hemel laten nederdalen op aarde ten aanschouwen van de mensen, We zien een soort nieuwe godsdienst ontstaan, die alle bestaande godsdiensten vervangt. De gevolgen spreken voor zich.

De mensen worden op een dwaalspoor gebracht, ze worden van de rechte weg afgeleid door al deze tekenen. Ze moeten een beeld gaan maken van deze persoon en dat aanbidden. Waar hebben we dat eerder meegemaakt? In de woestijn had Israël al zijn gouden kalf, en in de tijd van Daniël had men ook al een groot beeld. Hebben mensen niet altijd gestreefd om iets tastbaars te hebben of te maken en dat te aanbidden.? Bomen, beelden van mensen of dieren en andere afbeeldingen, altijd tastbare en zichtbare voorwerpen die aanbeden werden en worden. Dit keer is het geen vrijblijvend gebeuren, je wordt verplicht om het beeld te aanbidden. Ooit had God gezegd:

  • "Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beelden maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen".

Het beeld wordt een geest geschonken. God laat toe dat de demonische wereld dingen tevoorschijn roept die een uitwerking op de mensen hebben, als zouden zij dit beeld horen spreken. Je zou denken daar trappen ze toch niet in. Maar hierboven hebben we gelezen dat God allen, die de liefde tot de waarheid niet aanvaard hebben, op een dwaalspoor brengt, zodat zij de leugen geloven. Dus al die mensen trappen er wél in. Wie niet voor Mij is , is tegen Mij. Daar komt nog bij dat de angst er goed in zal zitten, want wie dit beeld niet aanbidt wordt gedood.

Wanneer ik dit alles overdenk, moet ik ook denken aan Daniël 3, waar we lezen over de drie vrienden van Daniël:

  • "Er zijn Judeese mannen, aan wie gij het bestuur van het gewest Babel hebt opgedragen: Sadrak, Mesak en Abednego; deze mannen hebben zich aan u, o koning, niet gestoord: uw goden vereren zij niet, en het gouden beeld dat gij hebt opgericht, aanbidden zij niet." (Dan 3:12).

Belangrijk om vast te stellen is, dat de vrienden van Daniël die in de brandende oven gegooid worden, omdat ze dat beeld niet willen aanbidden, door God volledig beschermd worden. God laat de Zijnen, die op Hem vertrouwen niet in de steek. Ook de drie vrienden van Daniël wisten wat wel en niet mocht en hielden zich daar stipt aan ondanks de eventuele gevolgen. Ook wisten ze dat God bij machte was hen te verlossen, maar zelfs als dit niet Gods plan was dan nog hielden ze zich aan Gods geboden. Zijn wij ook zo sterk, is ons geloof en vertrouwen ook zo groot?

 

Aarde of Land

Eigenlijk zouden we voor het juist verstaan van alle schriftplaatsen in deze bijbelstudie nog een woord-studie moeten doen over het woord "aarde", bij al deze gebeurtenissen op de aarde. Waarschijnlijk zouden we dan ontdekken dat deze gebeurtenissen in eerste instantie niet de gehele aarde omvatten, maar specifiek het land Israël, met natuurlijk een "uitstraling"over de gehele aarde. Het woord "gè" wat vaak (meestal) door "aarde" is vertaald, zou mijns inziens heel vaak beter door "land" kunnen worden vertaald.

In het Nieuwe Testament is aarde/land: Grieks = ge = ghs ofghn ofgh

  • ghs komt 242 keer voor. Het is 135 keer met "land", en 107 keer met "aarde" vertaald.
  • ghn komt 78 keer voor. Het is 32 keer met "land", en 46 keer met "aarde" vertaald.
  • gh komt 60 keer voor. Het is 37 keer met "land", en 23 keer met "aarde" vertaald.

Opgeteld: van de 380 keer is 204 keer "land"en 176 keer "aarde" vertaald.

Wanneer we "Biblija.net", de internet-concordantie raadplegen, en we tikken het woord "land" in, dan komt "land" in Openbaring zowel in de Staten Vertaling als in de NBG51 niet voor. Wanneer we het woord "aarde" intoetsen, dan komt "aarde" in het boek Openbaring 83 keer voor.

Wanneer we uit bovenstaande concluderen dat "land" eigenlijk meer "rechten" heeft, dan is het op zijn zachts gezegd bijzonder, dat "land" in Openbaring in de vertaling niet voorkomt. Daarom moeten we altijd zeer nauwkeurig naar de context kijken, waar het over gaat. Maar v.w.b het boek Openbaring, wat de voleinding der geschiedenis van het volk Israël behandeld, zullen we tot de conclusie komen, dat het meestal over het LAND van datzelfde volk Israël gaat.

 

Voorbeelden waar "aarde" is vertaald, maar waar "land" wordt bedoeld:

1. Handelingen 1:8

  • "Maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde" (= ge).

Wanneer hier werkelijk de hele aarde zou worden bedoeld, dan zouden de discipelen een geweldige sprong moeten maken van Judea naar Samaria, en dan opeens tot het uiterste van de gehele aarde. Maar dat staat er niet. Wanneer we "aarde" door "land" vervangen, wordt de tekst veel logischer, en passend bij de woorden van de Heere Jezus zelf. De Heere zei in Math 10:5

  • "Deze twaalf heeft Jezus uitgezonden en Hij gebood hun, zeggende: Wijkt niet af op een weg naar heidenen."

Bovendien maakt de Heere zelf pas in Handelingen 10 aan Petrus kenbaar door het laken wat uit de hemel neerdaalde, dat vanaf die tijd ook het heil voor de heidenen was bestemd:

  • "En terwijl Petrus nog steeds over het gezicht nadacht, zeide de Geest: Zie, twee mannen zoeken naar u; sta dan op, ga naar beneden en reis, zonder bezwaar te maken, met hen mede, want Ik heb hen gezonden." (Handelingen 10:19-20).

Zonder dit gezicht uit de hemel zou Petrus de afgezanten van Cornelius zeker niet te woord hebben gestaan, en gastvrij binnen hebben genodigd, en zelfs de volgende dag met hen mee naar Joppe zijn gereisd.

2. Openbaring 12:9

  • "En de grote draak werd (op de aarde = in het land) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld (grieks: oikoumene = regio) verleidt; hij werd op de aarde (Grieks: "ge" = land) geworpen en zijn engelen met hem."

Ook hier geldt dezelfde uitleg als in Openbaring 3:10. We weten wie de geadreseerden zijn van Openbaring, we weten wat Jacobs benauwdheid is, dan weten we ook waar de grote verdrukking zich zal afspelen. Het zal zijn een grote verzoeking van de immitator- messias, die zich heeft gezet op een troon in de tempel te Jeruzalem. Dáár speelt het zich allemaal af. Natuurlijk heeft het gebeuren in Israël een uitstraling op de "oikoumene", op de regio van het midden oosten. Maar in hoofdzaak zal Israël, Gods oogappel, worden verzocht door de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan. Zach 13:8-9 laat ons zien dat tweederde deel van het volk Israël de satan zal aan bidden, en om die reden zal worden uitgeroeid, en het overblijvende derde deel zal door de Heere gelouterd worden. Van dat overblijvende derde deel zal de Heere zeggen: "Dat is mijn volk", en dat volk zal zeggen: "De Heere is mijn God".

3. Openbaring 16:14

  • St Vert: "Want het zijn geesten der duivelen, en zij doen tekenen, welke uitgaan tot de koningen der aarde (grieks: "ge" = land) en der gehele wereld (grieks: oikoumene = regio), om die te vergaderen tot den krijg van dien groten dag des almachtigen Gods.”

Dit is de derde keer dat "oikoumene" in Openbaring in de grondtekst voorkomt, en wat steeds met "de gehele wereld" is vertaald. Altijd heeft het in eerste instantie met Israël te maken, en daarna met de omringende volkeren. We zien in deze tekst dat de koningen, de regeringsleiders van het gebied rondom Israël, die behoren tot die "oikoumene", door demonen worden verleid tot een oorlog.

In dit alles, satan die uit de hemel verstoten wordt, het beest uit de zee, en het beest uit de aarde, zien we de werken der duisternis tot een hoogtepunt komen. In dit alles zien we Gods immitator bezig om de mensen met zijn bedrieglijke leugens te verleiden. Maar broeders en zusters, al deze beschreven dingen moeten geschieden, omdat dát de beschreven, en voorgenomen weg van God is, zodat Hij tot Zijn doel zal komen. We hebben eerder gelezen:

  • "En hij (Gods tegenstander) zal voorspoedig zijn, tótdat de maat van de gramschap vol is (Dan 11:36).

Uiteindelijk zal Christus triomferen!

 

Deel 11 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 11

 

De verborgen Tussentijd

In het voorgaande van deze bijbelstudie hebben we gezien dat op één na alle teksten, die over "parousia" gaan, alles te maken hebben met de openbaring van de Heere Jezus voor Zijn volk Israël op aarde. Dan zal er sprake zijn van een oordeel in vlammend vuur. Ook zal de "parousia" een reinigende werking hebben. Al deze profetieën sluiten aan bij de woorden van de profeten uit het Oude Testament, en dat kan ook niet anders, wanneer we weten dat Gods Woord in harmonie is, en al de woorden Gods door God zelf zijn ingeblazen. Tevens moeten we goed beseffen dat de "parousia" alles te maken heeft met de lijfelijke aanwezigheid van de Heere op aarde.

Petrus zegt in dit verband:

  • "Naar deze zaligheid hebben gezocht en gevorst de profeten, die van de voor u bestemde genade geprofeteerd hebben, terwijl zij naspeurden, op welke of hoedanige tijd de Geest van Christus in hen doelde, toen Hij vooraf getuigenis gaf van al het lijden, dat over Christus zou komen, en van al de heerlijkheid daarna." (1 Petr 1:10-11).

Alles is "naar de Schriften". Ook de opname van de Heere in heerlijkheid is naar de de Schriften. We lezen in Psalm 110 dat de Heere Jezus Zich aan de rechterhand des Vaders zal zetten, en dat Zijn vijanden zullen zijn als een voetbank Zijner voeten. Ook staat daar, dat vanuit Sion Zijn heerschappij zal uitgaan, en zelfs heeft David al geprofeteerd dat Israël een volk zal zijn, dat luistert naar de Heere. (Ps 110:1-3).

De laatste woorden die de Heere Jezus op aarde tot de Zijnen gesproken heeft zijn:

  • "Het is niet uw zaak de tijden of gelegenheden te weten, waarover de Vader de beschikking aan Zich gehouden heeft, maar gij zult kracht ontvangen, wanneer de heilige Geest over u komt, en gij zult mijn getuigen zijn te Jeruzalem en in geheel Judea en Samaria en tot het uiterste der aarde. En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. En toen zij naar de hemel staarden, terwijl Hij henenvoer, zie, twee mannen in witte klederen stonden bij hen, die ook zeiden: Galileese mannen, wat staat gij daar en ziet op naar de hemel? Deze Jezus, die van u opgenomen is naar de hemel, zal op dezelfde wijze wederkomen, als gij Hem ten hemel hebt zien varen." (Hand 1:7-11)

Het is belangrijk wat hier staat in verband met de wederkomst van de Heere. Hier staat dat Hij op dezelfde wijze zal wederkomen. Dus Zijn komst, Zijn parousia, Zijn verschijning, wat tegelijk Zijn aanwezigheid op aarde zal betekenen, zal op dezelfde wijze geschieden, als Zijn opname in heerlijkheid.

Nergens in het gehele Woord van God lezen we over een eerste of een tweede komst. We lezen alleen over DE komst van de Heere. In het Oude Testament was overigens deze tussenperiode, waarin wij leven, en waarin het volk Israël terzijde is gesteld, totaal verborgen. We kunnen dan ook nergens in het Oude Testament lezen over één of andere "tussenkomst" van de Heere in de lucht, of iets van dien aard.

Die tussenperiode, die nu al duurt vanaf de terzijdestelling van Israël in Handelingen 28, duurt totdat God de draad met Israël weer opneemt. Die tussenperiode eindigt definitief met de komst (de parousia = aanwezigheid) van Christus, en wanneer Hij Koning zal zijn over de Zijnen.

Alleen de apostel Paulus openbaart in zijn brieven, die hij na Handelingen 28 heeft geschreven, wat er in die tussentijd zal gebeuren, en hoe wij ons dienen te gedragen. Alleen de apostel Paulus openbaart geheimenissen aangaande dé Gemeente = het Lichaam van Christus. Dit Lichaam van Christus was in het Oude Testament ook totaal een verborgenheid.



Positie van Christus = Positie van Lichaam van Christus

We zagen reeds in Psalm 110 dat de Heere Jezus Zich aan de rechterhand des Vaders zal zetten. Dat is ook de positie van hen die nu door genade tot het lichaam van Christus behoren. Er staan werkelijk geweldige dingen in Gods Woord aangaande de positie van Christus, en daarmee over de positie van het Lichaam van Christus. We mogen daaruit weten dat Hij Zijn Lichaam volkomen laat delen in Zijn heerlijkheid. Vaak gaan deze "heerlijkheden" boven ons menselijk begrijpen uit. Maar omdat het Goddelijke waarheden zijn, mogen we ze in grote dankbaarheid en afhankelijkheid aanvaarden. Het is goed om dit verband Efeze 1 in zijn geheel te lezen, en wanneer we de tekst tot ons hart laten doordringen, zullen we misschien begrijpen hoe overweldigend groot Gods genade is, die we in Christus hebben (= tegenwoordige tijd) mogen ontvangen.

Daarbij moeten we altijd goed letten op de geadresseerden van de brieven van Paulus, in het geval van Paulus' late brieven zijn dat altijd: “De apert geplaatsten en getrouwen” (Ef 1:1):

  • "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei (grondtekst = alle) geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid. Daarom houd ook ik, gehoord hebbende van uw geloof in de Here Jezus en van uw liefde tot al de heiligen, niet op te danken, u gedenkende bij mijn gebeden, opdat de God van onze Here Jezus Christus, de Vader der heerlijkheid, u geve de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen: verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen, en hoe overweldigend groot zijn kracht is aan ons, die geloven, naar de werking van de sterkte zijner macht, die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan zijn rechterhand in de hemelse gewesten, boven alle overheid en macht en kracht en heerschappij en alle naam, die genoemd wordt niet alleen in deze, maar ook in de toekomende eeuw. En Hij heeft alles onder zijn voeten gesteld en Hem als hoofd boven al wat is, gegeven aan de gemeente, die zijn lichaam is, vervuld met Hem, die alles in allen volmaakt." (Efeze 1)

Dát is de Hoop van het Lichaam van Christus!Deze nieuwe en hogere hoop betreft de verborgenheid, die Paulus in zijn gevangenschapsbrieven mocht verkondigen:

  • "Want Hij is onze vrede, die de twee één heeft gemaakt en de tussenmuur, die scheiding maakte, de vijandschap, weggebroken heeft, doordat Hij in zijn vlees de wet der geboden, in inzettingen bestaande, buiten werking gesteld heeft, om in Zichzelf, vrede makende, de twee tot één nieuwe mens te scheppen, en de twee, tot één lichaam verbonden, weder met God te verzoenen door het kruis, waaraan Hij de vijandschap gedood heeft." (Efeze 2:14-16).
  • En verder lezen we in Efeze 2:19: "Zo zijt gij dan geen vreemdelingen en bijwoners meer, maar medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods."

En dan zijn we weer bij ons onderwerp, want we hadden het immers over de positie van het Lichaam van Christus. Misschien zult u denken wat heeft deze tekst nu met die positie te maken? Er is in bovenstaande vertaald: "medeburgers der heiligen en huisgenoten Gods", maar uit de grondtekst had dit beter vertaald kunnen worden als "medeburgers van het Heiligste", want zo staat het in de grondtekst, het staat er als een bepaling van plaats. Wanneer we de tekst goed lezen, dan is het ook logisch, want als we huisgenoten Gods zijn, dan mogen we dáár wonen, waar God ook woont. Dus, broeders en zusters, door Gods rijke genade zijn wij medeburgers van het Heiligste, of anders gezegd: medeburgers van Het Heilige der Heiligen. Het Lichaam, dat één is gemaakt, die geschapen is in Christus Jezus, is zoveel genade ten deel gevallen, dat wij niet alleen deze meest heilige plaats in de hemel mogen binnengaan, maar er zelfs permanent mogen wonen. Wat een Goddelijke Liefde!

In Efeze 1:18-19 bidt Paulus dat de gelovigen

  • "verlichte ogen [uws] harten mogen hebben, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen."

Ook hier zou uit de grondtekst vertaald moeten zijn: Hoe rijk is Zijner erfenis in het Heiligste, oftewel in Het Heilige der Heiligen.

 

Precies hetzelfde is het geval met Kol 1:11-12:

  • "Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht."

 

Ook hier dus in de grondtekst: "die u toebereid heeft voor het erfdeel in het Heiligste in het licht". Dit is het erfdeel van Christus in het Heiligste, Het Heilige der Heiligen in het licht, en daarmee is dat ook het erfdeel van het Lichaam van Christus! Deze toevoeging "in het licht" laat ons ook denken aan 1 Tim 6:16, waar staat: "dat de Here der Heren een ontoegankelijk licht bewoont". Maar toch mogen wij weten uit het Woord dat deze nieuw geschapen ene mens, het samen-Lichaam, de toegang heeft tot het Heiligste (Efeze 2:18), ja zelfs tot het ontoegankelijk licht. Wij zijn burgers van een rijk in de hemelen (Fil 3:20), medeburgers in het Heiligste en huisgenoten Gods (Efeze 2:19)

 

Bij dit alles moeten we niet vergeten dat het Christus' erfenis is. Het is niet onze erfenis, wij mogen in de erfenis van Christus delen. "Hij heeft ons verlost uit de macht der duisternis en overgebracht in het Koninkrijk van de Zoon zijner liefde" (Kol 1:13) "Hij is vóór alles en alle dingen hebben hun bestaan in Hem; en Hij is het Hoofd van het Lichaam, dé Gemeente." (Kol 1:17-18)

 

Alles wat van Hem is, plaatst God vanaf den beginne in Zijn Licht. Het eerste wat God op deze aarde schiep was licht. En steeds plaatste God alles wat van Hem was in Zijn licht. Broeders en zusters, zien we in dit alles welk een geweldige positie wij door genade in Christus hebben ontvangen? Zien we ook dat deze, onze positie, totaal iets nieuws is, dat tevoren nog nooit verkondigd was?

Zien we dat dit nieuw geschapen Lichaam iets nieuws is, wat voor Handelingen 28 nog helemaal niet bestond? Zien we ook de geweldige hoge hoop en roeping voor dit Lichaam van Christus?

Wanneer we dit alles zien en geloven, dan kunnen we alleen maar in grote verbazing en verwondering danken voor de grote onvoorstelbare zegeningen, die ons in Christus door genade ten deel zijn gevallen.

 

De hoop van Israël was én is de parousia van Christus, Zijn komst in heerlijkheid. De hoop van het Lichaam van Christus is Zijn "epiphaneia", Zijn komst in heerlijkheid, waar dat samengevoegde Lichaam in zal delen. Wanneer we bij dat Lichaam van Christus behoren, zullen wij met Hem verschijnen in heerlijkheid. Deze "epiphaneia" van het Lichaam van Christus zal zijn tot lof Zijner heerlijkheid. Dat hebben we tot drie keer toe gelezen in Efeze 1:

  • Ef 1:6 "Tot lof van de heerlijkheid Zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde."
  • Ef 1:12 "Opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd."
  • Ef 1:14 "Die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid."

 

Dus de komst van Christus = de komst van het samengevoegde Lichaam, is een komst die zal zijn tot lof van de heerlijkheid van Christus, maar ook tegelijk tot lof van de heerlijkheid van de Vader, die in alles werkt naar de raad van Zijn wil. Die komst zal voor de wereld een geweldige triumferende, onthullende tentoonstelling van zijn van de majesteit van Christus. En wanneer er staat: "Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien" (Openb 1:7), dan betekent dat tevens, dat Zijn Lichaam dan compleet zal zijn, dat de leden van Zijn Lichaam daarbij zullen zijn, want er staat ook geschreven: "Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid." (Kol 3:4).

 

En wanneer Hij komt met de wolken, en wanneer elk oog Hem zal zien, zal dat niet iets zijn, dat onopgemerkt zal blijven, dan zal dat niet een komst zijn, die in het verborgen zal plaatsvinden, zoals nu op vele plaatsen (over een z.g opname) wordt geleerd. De komst van Christus met de Zijnen voor de Zijnen zal beslist geen onopgemerkte "opname" van gelovigen zijn.

Zijn komst is tevens een komst vanuit de hemelen met de engelen Zijner kracht. Met Zijn komst breekt de dag des Heeren aan. En zij (buiten het Lichaam van Christus om), die volhardt hebben in het geloof zullen ingaan in het Koninkrijk.

 

De eerste en de tweede "Hoop" van Paulus

  • "Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem. Want dit zeggen wij u met een woord des Heren: wij, levenden, die achterblijven tot de komst des Heren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan, want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan; daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, en zó zullen wij altijd met de Here wezen. Vermaant (= vertroost) elkander dus met deze woorden." (1 Tess 4:13-18)

 

Dit bijbelgedeelte wordt vaak samen met 1 Kor 15:50-54 genoemd, wanneer men vanuit de Bijbel wil aantonen dat er een opname van gelovigen zal plaatsvinden. Maar laten we oprecht zijn, en laten we zonder vooropgezette mening naar Gods Woord kijken. En laten we ook letten op de betekenis van woorden in de Bijbel.

 

Wanneer we in 1 Tess 4:15 over de "komst" lezen, dan betekent ook deze "komst", net als alle andere keren in Gods Woord het letterlijk aanwezig zijn van de Heere op aarde. De context van de Tessalonicenzen brieven is de Handelingen periode. De tijd waarin Gods uitgestoken hand naar Israël nog steeds aanwezig was, en ook de tijd waarin men dacht dat de komst van de Heere zeer aanstaande was. Sommigen maakten van die verwachting misbruik, en strooiden valse brieven rond, of brachten een valse prediking met de boodschap dat de dag des Heeren reeds aanstaande was. Paulus waarschuwde daartegen. (2 Tess 2:2).

Gezien deze context blijkt uit 1 Tess 4:13 dat men ongerust was over de gestorven gelovigen. Men verwachtte bij het leven de komst van Christus mee te zullen maken. Met die hoop waren de gelovigen in de Handelingen periode "opgevoed". Daar had Petrus in Handelingen 3 ook over gesproken: "En nu, broeders, ik weet, dat gij uit onkunde hebt gehandeld, gelijk ook uw oversten; maar zo heeft God in vervulling doen gaan wat Hij bij monde van alle profeten tevoren geboodschapt had, dat zijn Christus moest lijden. Komt dan tot berouw en bekering, opdat uw zonden uitgedelgd worden, opdat er tijden van verademing mogen komen van het aangezicht des Heren, en Hij de Christus, die voor u tevoren bestemd was, Jezus, zende; Hem moest de hemel opnemen tot de tijden van de wederoprichting aller dingen, waarvan God gesproken heeft bij monde van zijn heilige profeten, van oudsher."

 

Maar er waren broeders en zuster die stierven, en die zouden dan die komst niet meemaken. Hoe komt het daar dan mee? Dát is waar Paulus op in gaat in dit bijbelgedeelte (1 Tess 1:13-18). In deze tekst lezen we drie keer (vs 14, 15 en 16) het woordje "want...", en daarna volgen de redenen om niet bedroefd te zijn. In vers 14 lezen we over "wederbrengen", dit staat er in de betekenis van "brengen of leiden tot.....". Verder lezen we in vers 15 dat Paulus zegt: "wij, levenden," dit geeft duidelijk aan dat Paulus ook zichzelf erbij rekende. Ook hij verwachtte de komst van de Heere mee te zullen maken.

 

Hier kunnen we uit leren dat Paulus vóór Handelingen 28, toen het Koninkrijk voor Israël nog zeer aanstaande was (als Israël tot geloof kwam), een hele andere hoop had, dan de hoop die Paulus na Handelingen 28 had.

Ná Handelingen zei Paulus:

  • "naar mijn vurig verlangen en hopen, dat ik in geen enkel opzicht beschaamd zal staan, maar dat met alle vrijmoedigheid, zoals steeds, ook nú Christus zal worden grootgemaakt in mijn lichaam, hetzij door mijn leven, hetzij door mijn dood. Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet (grondtekst: weet ik niet = vermeld ik niet, of: maak ik niet bekend). Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil." (Fil 1:20-24)

 

De laatste brief die Paulus naar alle waarschijnlijkheid heeft geschreven, is de tweede Timotheüs brief. Hier lezen we:

  • "Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden; voorts ligt voor mij gereed de krans der rechtvaardigheid, welke te dien dage de Here, de rechtvaardige rechter, mij zal geven, doch niet alleen mij, maar ook allen, die zijn verschijning hebben liefgehad." (2 Tim 4:6-8)

 

Toen Paulus deze brief schreef zat hij opnieuw in gevangeschap, waar hij niet levend uit gekomen is. Wat hier opvalt, is dat Paulus zichzelf vergelijkt met een plengoffer. Een plengoffer werd door Israël gebracht als een soort "bij-offer" naast het (hoofd)offer. Naast het schuldoffer, het brandoffer en het zondoffer moest een z.g plengoffer als een soort bij-offer worden gebracht. Dat Paulus zichzelf hier een plengoffer noemt, verwijst hij daarmee naar het hoofd-offer, het ware offer: Christus. (Enkele teksten die handelen over het plengoffer: Ex 29:41 en Lev 23:13)

 

Er staat nog meer in het Woord wat tevens laat zien waarom Paulus zichzelf een plengoffer noemt. Daarvoor moeten we lezen in Kol 1:24-26:

  • "Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente. Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het woord van God tot zijn volle recht te doen komen, het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan Zijn heiligen.(Kol 1:24-26)

 

Paulus verblijdt zich om de verdrukkingen die hij moet doorstaan, omdat die ten goede zullen komen aan het lichaam van Christus, dat is de Gemeente. We weten dat de bediening van Christus in de eerste plaats Israël gold. Hij kwam voor de Zijnen, voor de verloren schapen van het huis Israëls. Christus was een dienaar van de besnedenen. De verdrukkingen naar het vlees van Christus waren ten behoeve van Israël. Daartegenover was Paulus een dienaar van de onbesnedenen, en daarom vult Paulus in zijn vlees aan wat ontbrak aan de verdrukkingen van Christus ten behoeve van de Gemeente. Natuurlijk is dat ook het werk van Christus, maar omdat Christus in de hemel was opgenomen, moest Paulus in de plaats van Christus de verdrukkingen ondergaan. Dáárom kon Paulus zeggen dat hij zich verblijdde om die verdrukkingen, in gevaren, in gevangenschap, in slagen, enz, die hij om Christus' wil moest doorstaan ten behoeve van Zijn Lichaam.

 

We zien hier een heel andere, nieuwe hoop, die Paulus in de Handelingen periode, toen hij de Tessalonicenzen brieven schreef, nog niet had. Beide keren, zowel vóór als ná Handelingen roept Paulus zijn toehoorders op om hem na te volgen:

 

Voor Handelingen 28:

  • "Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg." (1 Kor 11:1).
  • "En gij zijt navolgers geworden van ons en van de Here en gij hebt het woord onder zware verdrukking met blijdschap des heiligen Geestes aangenomen." (1 Tess1:6).
  • "Want gij, broeders, zijt navolgers geworden van de gemeenten Gods in Christus Jezus, die in Judea zijn, omdat ook gij hetzelfde te verduren hebt gehad van uw eigen volksgenoten als zij van de Joden." (1 Tess 2:14).

 

Na Handelingen 28:

  • "Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen." (Efeze 5:1).
  • "Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt." (Fil 3:17).

 

Misschien vraagt u zich af of Paulus het dan eerst bij het verkeerde eind had? Nee, broeders en zusters, maar Paulus moest eerst die boodschap verkondigen van de hoop voor Israël.

Pas, toen Israël na de zoveelste keer definitief de Christus der Schriften had verworpen in Handelingen 28, en Israël als volk terzijde was gesteld, mocht Paulus een nieuwe hoop openbaren, die tot die tijd niet na te speuren was in de Schrift. Hij was dus niet te vinden in Gods Woord, en was derhalve volkomen nieuw. Paulus zegt dienaangaande:

  • "Daarom is het, dat ik, Paulus, die ter wille van Christus Jezus voor u, heidenen, in gevangenschap ben; – gij hebt immers gehoord van de bediening door Gods genade mij met het oog op u gegeven: dat mij door openbaring het geheimenis bekendgemaakt is, gelijk ik boven in het kort daarvan schreef. Daarnaar kunt gij bij het lezen u een begrip vormen van mijn inzicht in het geheimenis van Christus, dat ten tijde van vroegere geslachten niet bekend is geworden aan de kinderen der mensen, zoals het nu door de Geest geopenbaard is aan de heiligen, zijn apostelen en profeten: (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen zijn, medeleden en medegenoten van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking zijner kracht. Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen." (Efeze 3:1-9)

 

Deel 12 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 12

 

Tot in de komst

De apostel Paulus begint zijn vertroostende woorden in 1 Tess 4:13 met:

  • "Doch wij willen u niet onkundig laten, broeders, wat betreft hen, die ontslapen, opdat gij niet bedroefd zijt, zoals de andere (mensen), die geen hoop hebben. Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zó hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem."

 

En dan begint Paulus dingen op te noemen die allemaal zullen gebeuren in de komst des Heeren:

1 Tess 4:15-18 St. Vert:

  • "Want dat zeggen wij u door het Woord des Heeren, dat wij, die levend overblijven zullen tot de toekomst des Heeren, niet zullen voorkomen degenen, die ontslapen zijn. Want de Heere Zelf zal met een geroep (NBG = teken), met de stem des archangels, en met de bazuin Gods nederdalen van den hemel; en die in Christus gestorven zijn, zullen eerst opstaan; Daarna wij, die levend overgebleven zijn, zullen te zamen met hen opgenomen worden in de wolken, den Heere tegemoet, in de lucht; en alzo zullen wij altijd met den Heere wezen. Zo dan, vertroost elkander met deze woorden."

 

In de grondtekst staat "die achterblijven tot in (grondtekst: "eis") de komst", dit betekent dat de aanwezigheid (de komst) van de Heere op aarde al een feit is als deze dingen gaan gebeuren. Wat ook opvalt in dit Bijbel gedeelte is dat Paulus spreekt over "wij, die levend overblijven" (vers 15), en "wij, die levend overgebleven zijn" (vers 17).

Paulus spreekt hier tot de gelovigen van Tessalonica, die leefden in de verwachting van de komst van het Koninkrijk. Zij verwachten toen dat de Heere tijdens hun leven zeer spoedig zou komen om Zijn Koninkrijk op te richten. Dit was toen in de Handelingen tijd ook de verwachting en hoop van Paulus! En omdat zij verdrietig waren om de gelovigen die gestorven waren, die dus niet levend die komst van de Heere konden meemaken, spreekt Paulus deze vertroostende woorden.

 

We lezen in 1 Tess 4:16 over drie dingen die gepaard gaan met de komst des Heeren: "Want de Here zelf zal op een teken (1), bij het roepen van een aartsengel(2)en bij het geklank ener bazuin (3) Gods, nederdalen van de hemel.

 

1. Een Teken

1 Tess 4:16:

  • Want de Heere zelf zal op een teken,.........”

Teken = keleuma. Dit woord komt slecht één keer in de Bijbel voor. Het woord betekent het geven van een bevel, een commando aan soldaten, bijvoorbeeld: “Geef acht,” of “Voorwaarts mars”. Men moet dus in actie komen. Er wordt dus een bevel (teken) gegeven in de hemelen aan een hemelse legermacht, die de Heere vergezelt als Hijzelf zal nederdalen van de hemel. De hele hemel komt in beweging als de Heere dat bevel (dat teken) geeft. Een hele legerstoet met Christus aan het hoofd gaat op weg naar een doel (Openbaring 11-16). Bij die hemelse legerstoet behoren in ieder geval zij die met Hem zullen verschijnen in heerlijkheid, de leden van het Lichaam van Christus, en ook "de engelen Zijn kracht" zullen bij die hemelse stoet behoren. (2 Tess 1:7).



2. Een Aartsengel

We komen het woord "aartsengel" twee keer tegen in de Bijbel, in 1 Tess 4:16, en in Judas vers 9. 1Tess 4:16:

  • "Want de Here zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan."

En Judas vers 9:

  • "Maar Michaël, de aartsengel, durfde, toen hij met de duivel in twist gewikkeld was over het lichaam van Mozes, geen smadelijk oordeel uitbrengen, doch hij zeide: De Here straffe u!

1 Tess 4:16: “........bij het roepen van een aartsengel..........” Wie is deze aartsengel? Gods Woord spreekt maar over één aartsengel: Michaël (Judas 9). Deze aartsengel heeft een speciale opdracht. Hij staat voortdurend één volk op aarde nabij, namelijk het volk Israël.

Dan 12:1-2:

  • Te dien tijde zal Michaël opstaan, de grote vorst, die de zonen van uw volk (Israël) terzijde staat; en er zal een tijd van grote benauwdheid zijn, zoals er niet geweest is sinds er volken bestaan; tot op die tijd toe. Maar in die tijd zal uw volk ontkomen: al wie in het boek geschreven wordt bevonden. Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.

Hier staat de aartsengel Michaël het volk Israël terzijde. Hier wordt Michaël de grote vorst genoemd.

In het boek Daniël mogen we even achter de schermen kijken. In Daniël 10 is Daniël ontzet door een gezicht, hij bidt en vast drie weken lang. Na drie weken verschijnt hem een engel met een boodschap van God. Het is verbazingwekkend om te lezen, dat deze engel door God meteen op weg was gestuurd naar Daniël toen hij begon met bidden, maar die engel was drie weken door een medewerker van satan, de "luchtvorst van Perzië" tegengehouden. Uiteindelijk moest de "vorst van Israël", de aartsengel Michaël eraan te pas komen om "de engel" vrije doorgang naar Daniël te geven. De engel die bij Daniël is, weet al dat bij zijn vertrek van de aarde, na zijn bezoek aan Daniël, dat er twee "luchtvorsten" klaar zullen staan, die zijn terugreis naar God willen verhinderen, namelijk de vorsten van Perzië en van Griekenland, maar ook dan zal de aartsengel Michaël hem terzijde staan.

 

Hierin zien we dat satan en zijn trawanten er alles aan gelegen is om Gods werk en Gods profetiën tegen te gaan en te dwarsbomen. Ook zien we hierin dat de satanische machten der lucht op een geweldige manier zijn georganiseerd, met maar één doel: Gods plannen te allen tijde tegenwerken, en zo mogelijk vernietigen. En mocht dat tegenwerken niet lukken, dan proberen Gods plannen in het geniep zó om te buigen, dat ze op waarheid lijken, maar in werkelijkheid leugen voortbrengen.

 

Als de engel Gabriël tegen Daniël spreekt, dan noemt hij Michaël: “Uw vorst” (Dan 10:21). Het is ook Michaël, die de oorlog tegen de draak, de oude slang aanvoert (Openbaring 12:7-9).

Ook kunnen wij Dan 12:1-2 leggen naast 1 Tess 4:13-18, en ook naast 1 Cor 15:50-55. Dus als de aartsengel van 1 Tess 4 niemand minder is dan de aartsengel Michaël van Daniël 12, dan mogen we concluderen, dat de opstanding van Dan 12:2 exact de opstanding van 1 Tess 4:16 overlapt.

In 1 Tess 4:16 zien wij (als we 2 Tess 2:1-15 als terechtwijzing ernaast leggen), hoe de aartsengel Michaël, nadat hij het volk Israël 1260 dagen terzijde heeft gestaan tijdens de grote verdrukking, begint te roepen, als daar op het bevel (het teken) de hemelse legermacht zich in beweging zet, en Christus van de hemel begint neder te dalen.

Het roepen van de aartsengel zou tevens een roepen van grote blijdschap kunnen zijn, omdat de 42 maanden (3 ½ jaar of 1260 dagen) om zijn, waarin satan in grote grimmigheid jacht maakte op Daniëls volk, en oorlog voerde tegen de overigen van haar nageslacht, die de geboden van God zullen bewaren en het getuigenis van Jezus Christus zullen hebben (Openbaring 12:17). Dan komt Christus, die de wetteloze zal doden door de adem Zijns monds, en machteloos zal maken door Zijn verschijning, als Hij komt (2 Tess 2:8). Dit alles getuigt van de komst des Heeren nadat de grote verdrukking er is geweest.



3. De Bazuin

Als er in Gods Woord sprake is van het klinken van een bazuin, dan staat dat altijd in verbinding met Gods handelen met Israël. en door Israël met de wereld. Omdat het Gods bedoeling is, dat Israël aan de spits der volkeren zal staan. In Israël werd een bazuin geblazen wanneer er een activiteit gepland stond, of wanneer er een belangrijke gebeurtenis stond te gebeuren, zoals een aanval, een kroning, naderend onheil, een bijeenroeping van het volk, de strafgerichten van Openbaring, enz.

In Joël wordt de bazuin geblazen tot de vergadering van de gelovigen van Israël:

  • "Blaast de bazuin op Sion en maakt alarm op mijn heilige berg! Dat alle inwoners des lands sidderen, want de dag des HEEREN komt. Want hij is nabij!" (Joël 2:1).
  • En "Blaast de bazuin op Sion, heiligt een vasten, roept een plechtige samenkomst bijeen." (Joël 2:15)

In Mat 24:29-31 lezen we:

  • "Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen. En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere."

We moeten goed opletten op de volgorde, zoals het Woord dit tot ons zegt: Eerst zal er een verdrukking zijn, dán zullen de machten der hemelen wankelen, dán zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel, dán zullen alle stammen der aarde (= van het land) zich op de borst slaan en zij (die stammen) zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, en dán zal Hij Zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen (= verstrooide stammen) verzamelen uit de vier windstreken. Dát is de volgorde, omdat het zo in Gods Woord staat.

  • "Leert dan van de vijgeboom deze les: Wanneer zijn hout reeds week wordt en de bladeren doet uitspruiten, weet gij daaraan, dat de zomer nabij is. Zo moet ook gij, wanneer gij dit alles ziet, weten, dat het nabij is, voor de deur." (Mat 24:32-33)

Dus beste lezer, wanneer Israël al die dingenzal zien, dan staat het Koninkrijk, en de parousia van Christus voor de deur!

DAN zal de vijgeboom pas uitspruiten, dat betekent dat Israël op Gods tijd dan pas zal ontstaan. En, denken we misschien, 1948 dan? Toen is Israël toch een natie geworden? Ja, voor de wereld is Israël toen een natie geworden. Maar dit is geen natie onder het Koningschap van Christus, waar vrede zal heersen. Het klinkt u misschien vreemd in de oren, maar ik wil het toch noemen. Wie is momenteel de overste van deze hele wereld? Wie was in staat om voor één knieval van de Heere Jezus, alle koninkrijken der aarde aan Hem te geven? Dus wie bezit momenteel alle koninkrijken der aarde, inclusief Israël? Dat is de satan. Wat er nu allemaal in de navel der aarde gebeurd is niet de vervulling van profetieën, die allemaal in de toekomst vervuld zullen worden. Hoe zouden de profetieën vervuld kunnen worden, zolang satan de overste van deze wereld is? Wel is het zo, dat er een staat Israël moet zijn, willen straks de profetieën vervuld kunnen worden.

In 1 Tess 4:16 lezen we: “..........en bij het geklank ener bazuin Gods............” Dezelfde bazuin vinden wij ook in 1 Cor 15:52, het heet daar: de laatste bazuin: “..............bij de laatste bazuin”, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij (= gelovige levenden, die toen leefden) zullen veranderd worden.”

In Openbaring lezen wij het verslag van de voleinding der eeuw (ook in Math 24), en daar in Openbaring klinken in totaal zeven bazuinen. De zevende bazuin is de laatste. Wanneer we de oordelen, die de bazuinen met zich meebrengen, bekijken, en we letten op de volgorde van de gebeurtenissen na het klinken van de zeven bazuinen, dan zien we het volgende:

Openb 8:1

  • "En ik zag de zeven engelen, die voor God staan, en hun werden zeven bazuinen gegeven." "En de zeven engelen, die de zeven bazuinen hadden, maakten zich gereed om te bazuinen." (Openb 8:6)

Openb 8:7

  • "En de eerste blies de bazuin, en er kwam hagel en vuur, vermengd met bloed, en het werd op de aarde geworpen; en het derde deel van de aarde verbrandde en het derde deel van de bomen verbrandde en al het groene gras verbrandde."

Openb 8:8-9

  • "En de tweede engel blies de bazuin, en er werd iets als een grote berg, brandend van vuur, in de zee geworpen, en het derde deel van de zee werd bloed, 9 en het derde deel van de schepselen in de zee, die leven hadden, stierf, en het derde deel van de schepen verging."

Openb 8:10-11

  • "En de derde engel blies de bazuin, en er viel een grote ster, brandend als een fakkel, uit de hemel, en zij viel op het derde deel der rivieren en op de bronnen der wateren. 11 En de naam der ster wordt genoemd Alsem. En het derde deel der wateren werd alsem en vele van de mensen stierven van het water, omdat het bitter geworden was."

Openb 8:12

  • "En de vierde engel blies de bazuin, en het derde deel van de zon werd getroffen en het derde deel van de maan en het derde deel van de sterren, zodat het derde deel daarvan verduisterd werd, en de dag voor het derde deel geen licht had en de nacht desgelijks."

En in het volgende vers lezen we:

  • "Wee, wee, wee hun, die op de aarde wonen, vanwege de overige stemmen van de bazuin der drie engelen, die nog bazuinen zullen!"

Dit duidt op de grote verdrukking, die met name over Israël zal komen.

Openb 9:1-2

  • "En de vijfde engel blies de bazuin, en ik zag een ster, uit de hemel op de aarde gevallen, en haar werd de sleutel van de put des afgronds gegeven. En zij opende de put des afgronds en er steeg rook op uit de put, als de rook van een grote oven; en de zon en het zwerk werden verduisterd door de rook van de put." Deze "ster" is satan, die uit de hemel wordt verwijderd.

Openb 9:13-21

  • "En de zesde engel blies de bazuin, en ik hoorde een stem uit de vier horens van het gouden altaar, dat voor God staat, zeggende tot de zesde engel, die de bazuin had: Laat de vier engelen los, die bij de grote rivier, de Eufraat, gebonden zijn. En de vier engelen, die tegen het uur en de dag en de maand en het jaar waren gereed gehouden, werden losgelaten om het derde deel van de mensen te doden. En het getal der legerscharen van de ruiterij was tweemaal tienduizend tienduizendtallen; ik hoorde hun aantal. En aldus zag ik in dit gezicht de paarden en hen, die erop gezeten waren: zij hadden rossige en blauwe en zwavelkleurige harnassen, en de koppen der paarden waren als leeuwenkoppen, en uit hun bek kwam vuur en rook en zwavel. Door deze drie plagen werd het derde deel van de mensen gedood: door het vuur en de rook en de zwavel, die uit hun bek kwamen. Want de macht der paarden ligt in hun bek en in hun staarten. Want hun staarten zijn als slangen, met koppen, en daarmede brengen zij schade toe. En wie van de mensen overgebleven waren, die niet gedood waren door deze plagen, bekeerden zich toch niet van de werken hunner handen, om de boze geesten niet (meer) te aanbidden en de gouden, zilveren, koperen, stenen en houten afgoden, die niet kunnen zien, noch horen of gaan; en zij bekeerden zich niet van hun moorden, noch van hun toverijen, noch van hun hoererij, noch van hun dieverijen."

Openbaring 11:15-17:

  • En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heere en aan Zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden”(letterlijk: Tot in de eeuw der eeuwen). En de vierentwintig oudsten, die voor God op hun tronen gezeten waren, wierpen zich op hun aangezicht en aanbaden God, zeggende: Wij danken U, Here God, Almachtige, die is en die was, dat Gij uw grote macht hebt opgenomen en het koningschap hebt aanvaard."

Het gevolg van het klinken van de laatste bazuin (is ook die bazuin van 1 Tess 4:16) is, dat de hemel zegt:

Het Koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heere en aan Zijn Gezalfde,” enz.

 

De laatste bazuin kondigt de Komst van Christus op aarde aan.

Bovenstaande drie gebeurtenissen uit Tess 4:16, het teken, de aartsengel en de laatste bazuin, gaan gepaard met het nederdalen van de Heiland uit de hemel, tezamen met Zijn Lichaam, én tezamen met de engelen Zijner macht, en geven ons in vergelijking met de overige geïnspireerde getuigenissen in de Schrift omtrent de Komst des Heeren, nogmaals de bevestiging, dat het tegemoet gaan van de gelovigen in 1 Tess 4:13-18, een integraal onderdeel uitmaakt van de wederkomst van Christus op aarde, en dat deze Komst géén aparte of andere Komst des Heeren is.

We zien in deze gebeurtenissen in de hemel ook de grote orde in het hele gebeuren. Alles zal ook zeker zo gebeuren als de Heere het ons in Zijn Woord te kennen geeft. God heeft alles in Zijn hand, ook al lijkt alles hier op aarde een grote chaos, wat het soms door toedoen van de "overste van deze wereld" ook is, toch houdt God uiteindelijk alles in Zijn hand, en zal Hij het werk Zijner handen afmaken, en tot Zijn doel komen. Alles zal volgens een vast plan in grote orde en harmonie verlopen.

Deel 13 volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 13

De vorige keer hebben we aan de hand van het Woord gezien dat de drie gebeurtenissen uit Tess 4:16, het teken, de aartsengel en de laatste bazuin, gepaard gaan met het nederdalen van de Heiland uit de hemel, tezamen met Zijn Lichaam, én tezamen met de engelen Zijner macht. Deze gebeurtenissen geven ons in vergelijking met de overige geïnspireerde getuigenissen in de Schrift omtrent de Komst des Heeren, nogmaals de bevestiging, dat het tegemoet gaan van de gelovigen in 1 Tess 4:13-18, een integraal onderdeel uitmaakt van de wederkomst van Christus op aarde, en dat deze Komst géén aparte of andere (eerdere) Komst des Heeren is. Daarom gaan we nu zien wat het "tegemoet gaan" ons te zeggen heeft.



Het “Tegemoet” gaan

De gangbare gedachte is, dat de opgestane gelovigen uit 1 Tess 4 tezamen met de levende (veranderde) gelovigen, de Heere tegemoet zullen gaan in de lucht, en dan tezamen met de Heere naar de hemel zullen gaan. Maar de vragen die we ons moeten stellen zijn:

  • Wie gaat wie tegemoet, en
  • Wat is de bestemming (het einddoel) na deze ontmoeting?

Het woord "apantEsis" (= tegemoet gaan) komt drie keer in de bijbel voor:

  1. Math 25:6: “En midden in de nacht klonk er een geroep: De bruidegom, zie, gaat uit Hem tegemoet!”

  2. Hand 28:14B-16: “En zo gingen wij naar Rome. En vandaar kwamen de broeders, die van onze aangelegenheden gehoord hadden, ons tot Forum Appii en Tres Tabernae tegemoet, en toe Paulus hen zag, dankte hij God en greep moed. En toen wij te Rome aangekomen waren, kreeg Paulus verlof op zichzelf te wonen met de soldaat die hem bewaakte.”

  3. 1 Tess 4:17: “Daarna zullen wij levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Heere tegemoet in de lucht, en zó zullen we altijd met de Heere wezen.”

In Math 25:6 lazen we dat de wijze maagden de bruidegom tegemoet gaan. De bruidegom, die komt, is daar op reis naar de bruiloftszaal, en de wijze maagden, die Hem verwachten, gaan uit hem tegemoet. Nadat zij Hem tegemoet zijn gegaan, gaan zij met Hem mee naar het doel wat de bruidegom had, namelijk: Zij gaan met Hem de bruiloftszaal binnen.

In Hand 28:14B-16 lazen we dat, toen de broeders van Rome hoorden, dat Paulus naar Rome kwam, gingen zij Paulus op weg tegemoet. Nadat zij hem tegemoet gegaan waren en hadden verwelkomd, kwamen zij te Rome aan. Niet Paulus ging de broeders tegemoet, nee, de broeders die in Rome woonden, gingen Paulus tegemoet, en begeleiden Paulus tijdens het laatste stukje van de reis naar Rome, naar het doel wat Paulus had.

In Tess 4:17 lazen we dat de opgestane gestorvenen en de dan levende gelovigen de Heere tegemoet gaan in de lucht. Dan zijn er twee mogelijkheden:

  • Of de Heere gaat de Tessalonicenzen tegemoet, in dat geval hebben de Tessalonicenzers een reisdoel. Dan gaan allen tezamen met de Heere naar de hemel.
  • Of de Tessalonicenzers gaan de Heere tegemoet, dan heeft de Heere een reisdoel. In dit geval gaan allen tezamen naar de aarde.

Wat zegt de tekst: 1 Tess 4:17:

  • “Daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Heere tegemoet in de lucht, en zo zullen wij altijd met de Heere wezen.”

Dus er staat: Wij zullen de Heere tegemoet gaan in de lucht. Dan wil dat dus zeggen, dat de gelovigen de Heere tegemoet gingen, en dat allen tezamen het reisdoel vervolgen dat de Heere had, namelijk naar de aarde toe!

Uit het voorgaande en uit het vervolg van deze bijbelstudie mogen we zien, dat deze “opname” in de lucht, deze tegemoettreding plaatsvindt tijdens, of vlak voor de wederkomst van de Heere op deze aarde. Dán zal op de aarde de bruiloft des Lams plaatsvinden:

  • "En ik hoorde als een stem van een grote schare en als een stem van vele wateren en als een stem van zware donderslagen, zeggende: Halleluja! Want de Here, onze God, de Almachtige, heeft het koningschap aanvaard. Laten wij blijde zijn en vreugde bedrijven en Hem de eer geven, want de bruiloft des Lams is gekomen en zijn vrouw (= Israël) heeft zich gereedgemaakt; en haar is gegeven zich met blinkend en smetteloos fijn linnen te kleden, want dit fijne linnen zijn de rechtvaardige daden der heiligen.” (Openb 19:6-8)

Tevens weten we uit Gods Woord dat er in de hemel niet gehuwd wordt, en zij worden niet ten huwelijk genomen, maar zij zijn als engelen in de hemel (Mat 22:30). Dan zal de bruiloft des Lams ook op de aarde plaatsvinden. Dit is een reden temeer dat het doel van Christus de aarde zal zijn. Deze bruiloft des Lams, wat een beeld is van het Loofhuttenfeest (= zevende feest) in Israël, zal gedurende de periode van 1000 jaar gevierd worden, waarin Christus Koning zal zijn over zijn volk. Die periode van 1000 jaar wordt ook wel de zevende dag (van 1000 jaar) genoemd. En de zevende dag was altijd al de rustdag voor Israël. Dan zal die dag van 1000 jaar werkelijk een dag dag zijn van rust en vrede onder koningschap van Christus Jezus.



Vergelijkingen met Math 24 en de Tessalonicenzen

  1. De gruwel op de heilige plaats (Math 24:15 en 2 Tess 2:4)
  2. De grote verdrukking (Math 24:21 en 2 Tess 1:6-7 en Dan 12:1)
  3. De valse Christussen en de valse profeten (Math 24:24 en 2 Tess 2:3-8)
  4. De grote tekenen en wonderen (Math 24:24 en 2 Tess 2:9-10)
  5. De schitterendheid van Zijn komst (Math 24:27 en 2 Tess 1:8 en 2 Tess 2:8)
  6. De komst als een dief in de nacht (Math 24:43-44 en 1 Tess 5:2-4)
  7. De komst de Heeren na de verdrukking en de terugverzameling van Zijn uitverkorenen (Math 24:29-31 en 2 Tess 2:1 en 1 Tess 4:13-18)
  8. De engelen (Math 24:31 en 1 Tess 3:13 en 2 Tess 1:7)
  9. De gelijkenis van de vijgenboom: Wanneer gij dit alles ziet, dan is het nabij (Math 24:32-33 en 2 Tess 2:1-9)
  10. De volharding van de gelovigen (Math 24:13 en 1 Tess 1:3 en vers 9 en 2 Tess 1:4 en 2 Tess 3:3-5)

Uit deze opsomming (die het nalezen in de bijbel meer dan waard is) blijkt temeer dat het onmogelijk is de “Hoop van Israël” te scheiden van de “Hoop van de gemeenten” in deHandelingen tijd. Anders gezegd: De “Hoop van Israël” is gelijk aan de “Hoop van de gemeenten” in de Handelingen tijd. Wanneer dit gegeven niet wordt onderscheiden, wordt Gods Woord betreffende de hoge positie van het Lichaam van Christus niet verstaan.

De gelovigen van Tessalonica, zowel Joden als heidenen, dus van de Handelingen periode, stonden midden in de verdrukking van die dagen, en zagen uit naar de Dag des Heeren, zagen uit naar de Komst (Parousia) des Heeren en hun vereniging met Hem (2 Tess 2:1). En zij wisten zeer wel wáár die vereniging gestalte zou krijgen, en waar ze na die vereniging zouden vertoeven. Paulus had het hun immers meermalen gezegd. Bovendien, was aan Abraham al niet beloofd, dat zijn zaad zou wonen in een land vanaf de rivier van Egypte tot aan de rivier de Eufraat? (Gen 15:18).

De apostel Paulus had de Tessalonicenzen alles verteld en geopenbaard over die Komst (1 Tess 5:1-3). Over de tijden en gelegenheden was het niet meer nodig dat de Tessalonicenzen geschreven moesten worden. Zij waren uitgebreid door Paulus op de hoogte gebracht uit Mozes en de Profeten! De dag des Heeren zou hen niet als een dief overvallen (1 Tess 5:4-5).

Ook voor ons, beste lezer, geldt: Laat niemand u misleiden, alsof “de opname” zeer aanstaande was, want eerst moet de afval komen, en de mens der wetteloosheid moet zich daadwerkelijk openbaren. En dan pas, ná de grote verdrukking, bij de Komst (de Parousia) des Heeren zal deze geloofsgroep (en niet wij, gelovigen, die nu leven) de Heere tegemoet gaan in de lucht, en zo tezamen op de aarde komen. Wat een geweldige manifestatie van de heerlijkheid van Christus zal dat zijn.

Hij komt met Zijn samengevoegde Lichaam (= Dé Gemeente), en met zijn heilige tienduizenden engelen, en daar hebben zich onderweg, in de lucht, ook nog die gelovigen uit de Handelingen en daarvoor, (samen de gemeente van eerstgeborenen genoemd), bijgevoegd. Dat is wat Gods Woord erover zegt, we lezen het, en we geloven het, maar we kunnen ons van die glorieuze komst geen voorstelling maken.



In de Wolken

Steeds als God Zich openbaart, Zichzelf manifesteert, of iets wil meedelen, doet God dat met behulp van, of door middel van een wolk of wolken. Zo zien we dat God Zijn boog plaatst in de wolken, en daardoor wil meedelen, dat God Zijn verbond heeft gesteld tussen Hem en de aarde:

  • "En God zeide: Dit is het teken van het verbond, dat Ik geef tussen Mij en u en alle levende wezens, die bij u zijn, voor alle volgende geslachten: mijn boog stel Ik in de wolken, opdat die tot een teken zij van het verbond tussen Mij en de aarde. (Gen 9:12-13)

Hieronder teksten, die allemaal wijzen op de verschijning van de Heere in een wolk, en de aanwezigheid van de Heere in een wolk:

  • Terwijl nu Aäron sprak tot de gehele vergadering der Israëlieten, richtten zij hun blik naar de woestijn – en zie, de heerlijkheid des HEREN verscheen in een wolk. (Ex 16:10).
  • Daarna zeide de HERE tot Mozes: Zie, Ik kom tot u in een donkere wolk, opdat het volk kan horen, wanneer Ik met u spreek, en zij ook voor altoos in u geloven. En Mozes deelde de woorden van het volk aan de HERE mee. (Ex 19:9).
  • En het geschiedde op de derde dag, toen het morgen werd, dat er donderslagen en bliksemstralen en een zware wolk op de berg waren en zeer sterk bazuingeschal, zodat al het volk dat in de legerplaats was, beefde. (Ex 19:16).
  • En de HERE daalde neder in een wolk, stelde Zich daar bij hem en riep de naam des HEREN uit. (Ex 34:5).
  • En gij naderdet en stondt onderaan de berg, terwijl de berg laaide van vuur tot in het hart des hemels – duisternis, wolken en donkerheid. (Deut 4:11).
  • Toen daalde de HERE in de wolk neder en sprak tot hem, en Hij nam een deel van de Geest die op hem was, en legde dat op de zeventig mannen, op de oudsten; toen de Geest op hen rustte, profeteerden zij, doch daarna niet meer. (Num 11:25).
  • Wolken omhullen Hem, zodat Hij niet ziet; Hij wandelt langs de kring des hemels! (Job 22:14).
  • Hij bedekt de aanblik van zijn troon door daarover zijn wolken uit te spreiden. (Job 26:9).
  • Hij zoldert zijn opperzalen in de wateren, Hij maakt de wolken tot zijn wagen, Hij wandelt op de vleugelen van de wind. (Psalm 104:3).
  • Want nabij is de dag, ja, nabij is een dag van de HERE, een dag van wolken, het uur der volken zal het zijn. (Ez 30:3).
  • Want zo zegt de Here HERE: Zie, Ik zal zélf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis. Ik zal ze midden uit de volken doen uittrekken, uit de landen bijeenvergaderen en ze naar hun eigen land brengen; Ik zal ze weiden op de bergen van Israël, bij de beekbeddingen en in alle bewoonde streken van het land. In een goede weide zal Ik ze weiden, en op de hoge bergen van Israël zal hun weideplaats zijn. Daar zullen zij zich legeren op een goede weideplaats en zullen zij in een vette weide grazen, op de bergen van Israël. Ik zelf zal mijn schapen weiden, Ik zelf zal ze doen neerliggen, luidt het woord van de Here HERE; (Ez 34:11-15).
  • Ik bleef toekijken in de nachtgezichten en zie, met de wolken des hemels kwam iemand gelijk een mensenzoon; (Dan 7:13).
  • Een dag van duisternis en van donkerheid, een dag van wolken en van dikke duisternis. (Joël 2:2).
  • Terwijl hij nog sprak, zie, daar overschaduwde hen een lichtende wolk, en zie, een stem uit de wolk zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb; hoort naar Hem! (Mat 17:5).
  • En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. (Mat 24:30).
  • Jezus zeide tot hem: Gij hebt het gezegd. Doch Ik zeg u, van nu aan zult gij de Zoon des mensen zien, gezeten aan de rechterhand der Macht en komende op de wolken des hemels. (Mat 26:64).
  • En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. (Lucas 21:27).
  • En nadat Hij dit gesproken had, werd Hij opgenomen, terwijl zij het zagen, en een wolk onttrok Hem aan hun ogen. (Hand 1:9).
  • Daarna zullen wij, levenden, die achterbleven, samen met hen op de wolken in een oogwenk weggevoerd worden, de Here tegemoet in de lucht, (1 Tess 4:17) (letterlijk staat hier in de grondtekst: in de wolken).
  • Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij, die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde zullen over Hem weeklagen. Ja, amen. (Openb 1:7).
  • En ik zag een andere sterke engel nederdalen uit de hemel, bekleed met een wolk, en de regenboog was op zijn hoofd en zijn gelaat was als de zon en zijn voeten waren als zuilen van vuur, (Openb 10:1).
  • En ik zag en zie, een witte wolk, en op de wolk iemand gezeten als eens mensen zoon met een gouden kroon op zijn hoofd en een scherpe sikkel in zijn hand. (Openb 14:14)

Wanneer we al deze teksten in de context lezen, dan wordt duidelijk dat de komst des Heren zal zijn met (in) de wolken. Tevens wordt ook zeer duidelijk wanneer die dag zal plaatsvinden. Het zal zijn, die dag waarvan de Heere zelf zegt:

  • "Ik zal zélf naar mijn schapen vragen en naar hen omzien; zoals een herder naar zijn kudde omziet, wanneer hij te midden van zijn verspreide schapen is, zo zal Ik naar mijn schapen omzien en ze redden uit alle plaatsen waar zij verstrooid zijn geraakt op de dag van wolken en duisternis. (Ez 34:11-12)

Nergens vinden we in Gods Woord enige aanwijzing dat er ook nog een voor de wereld onzichtbare komst in de lucht zal zijn, waarna de Heere weer terug naar de hemel gaat. Er staat duidelijk:

  • "Zie, Hij komt met de wolken en elk oog zal Hem zien, ook zij,die Hem hebben doorstoken; en alle stammen der aarde (= van het land) zullen over Hem weeklagen. Ja, amen. (Openb 1:7)

Deel 14 (= slot) volgt DV

Bert Boersma, april 2008, boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Wederkomst van Christus

(In de Tessalonicenzen Brieven)

Deel 14 slot

Waar zijn de gelovige ontslapenen in de Handelingen periode?

Op deze vraag geeft 1 Tess 4 een duidelijk antwoord. Vers 14:

  • Want indien wij geloven, dat Jezus gestorven en opgestaan is, zal God ook zo hen, die ontslapen zijn, door Jezus wederbrengen met Hem.

Wanneer zal dit geschieden? Ook hierop geeft 1 Tess 4 antwoord: Vers 16:

  • Want de Heere zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan”, enz.

Nadat de ontslapenen zijn opgestaan, zullen zij tezamen met de gelovige levenden, die veranderd zullen worden (in een ogenblik), de Heere tegemoet gaan in de lucht.

Lees in dit verband ook: 1 Cor 15:51-55:

  • Zie, ik deel u een geheimenis mede. Allen zullen wij niet ontslapen, maar allen zullen wij veranderd worden, in een ondeelbaar ogenblik, bij de laatste bazuin, want de bazuin zal klinken en de doden zullen onvergankelijk opgewekt worden en wij zullen veranderd worden. Want dit vergankelijke moet onvergankelijkheid aandoen en dit sterfelijke moet onsterfelijkheid aandoen. En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning. Dood, waar is uw overwinning. Dood, waar is uw prikkel?”

Heeft er één van deze opgestane ontslapenen, die zullen opstaan met een verheerlijkt lichaam, de Heer daarvóór al eens ontmoet? Nee, ze zullen dán voor de eerste keer de Heere ontmoeten, en wel in de lucht. Misschien vindt u dit een vreemde vraag, maar ik zal u uitleggen, hoe ik er toe kom.

Wat wordt er heden ten dage door velen, ook door voorgangers gezegd, bij het graf van een overledene, en wat wordt er tegen de achterblijvende bedroefden gezegd om hen op te beuren? Wordt er dan niet heel vaak gezegd: “Hij (of zij) heeft het nu beter, hij is bij de Heere.”

Maar als u in een z.g. "opname van gelovigen" gelooft, en 1 Tess 4:13-18 zó leest alsof de gelovigen dán opstaan uit het graf, en opgenomen worden in de hemel, dan kunnen die gestorven gelovigen nú niet in de hemel bij Christus zijn, want dan ligt die overledene in het graf. Want er staat toch duidelijk:

  • Want de Heere zelf zal op een teken, bij het roepen van een aartsengel en bij het geklank ener bazuin Gods, nederdalen van de hemel, en zij, die in Christus gestorven zijn, zullen het eerst opstaan”, enz.

Dus dán, wanneer de Heere nederdaalt, dán, en niet eerder, zullen die gelovigen opstaan uit het graf.

Stel, dat u gelijk heeft, als u tegen het achterblijvende familielid zegt: “Hij is bij de Heere”, dan is volgens die uitspraak die gestorvene nú IN Christus in de hemel met een verheerlijkt nieuw lichaam. Maar als u daarnaast ook gelooft in "de opname" van 1 Tess 4, dan wordt het moeilijk te begrijpen, want dan moet diezelfde verheerlijkte nieuwe mens, die nu in de hemel is, dat nieuwe lichaam weer afleggen, om vóór “de opname” weer in het aardse graf te gaan met zijn aardse afgetakelde lichaam, om dan, vlak vóór “de opname” weer opgewekt te worden, en voor de tweede keer een verheerlijkt nieuw lichaam ontvangen bij de Komst van de Heere bij de opname van de zijnen. Kunt u het nog volgen? Deze gedachte komt nergens in de bijbel voor, deze gang van zaken is onbijbels. Misschien lijkt bovenstaande op wartaal, maar ik heb toch echt getracht de dingen logisch op een rijtje te zetten. Maar de verwarring zit hem in het feit, dat we ons verkeerde dingen toeëigenen.

Nogmaals voor alle duidelijkheid: Toen, in de Handelingen periode, predikte Paulus, wat er in verband met Gods beloften, gegeven aan Israël, en het spoedig komende Koninkrijk, aanstaande was. En dat geloofde Paulus ook. Het was Paulus niet toegestaan om in de Handelingen tijd méér te openbaren. Paulus predikte in de Handelingen periode uitsluitend: Mozes en de profeten!

Alles wat Paulus in de Handelingen tijd verkondigde was voor 100% na te speuren in de Schriften. Geen andere “Hoop”was er openbaar gemaakt in het Oude Testament of tijdens de rondwandeling van de Heere Jezus op aarde, of door de discipelen, in de Handelingen tijd was alles na te speuren in de toen bestaande Schriften.



Wat er wél bekend was tot en met de Handelingen periode:

Voor de volledigheid hieronder enkele teksten waaruit blijkt wat er tot het einde van Handelingen wel bekend was gemaakt in de geïnspireerde Schrift:

Joh 5:28 en 29:

  • Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar Zijn stem zullen horen, en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.

Joh 6:39:

  • En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alles wat Hij Mij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongste dage.”

Joh 6:40:

  • Want dit is de wil Mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoon aanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongste dage.”

Joh 6:44:

  • Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.”

Joh 11:24:

  • Martha zeide tot Hem: Ik weet, dat hij zal opstaan bij de opstanding ten jongste dage.”

1 Tess 4:15:

  • Want dit zeggen wij u met een Woord des Heeren: wij levenden, die achterblijven tot de komst des Heeren, zullen in geen geval de ontslapenen voorgaan,” enz.

1 Cor 15:42-44:

  • Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.”

Daniël 12:2:

  • Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen.”

Job 10:18-22:

  • Maar waarom deed Gij mij uit de moederschoot voortkomen, gaf ik de geest niet, eer een oog mij zag? Ik zou dan zijn, alsof ik niet geweest ware; van de moederschoot zou ik grafwaarts zijn gedragen. Zijn de dagen mijns levens niet weinige? Laat van mij af, opdat ik een weinig vreugde beleve, voordat ik heenga, zonder terug te keren, naar het land van donkerheid en diepe duisternis, het stikdonkere land, waar diepe duisternis en wanorde heersen en waar het licht gelijk is aan de duisternis.”

Job 14:10-12:

  • Maar wanneer een man sterft, dan ligt hij krachteloos neer; geeft een mens de geest, waar is hij gebleven? Zoals water verdampt uit een meer, en een rivier verloopt en uitdroogt, zo legt een mens zich neer en staat niet weer op; totdat de hemelen niet meer zijn, ontwaken zij niet en worden niet wakker uit hun slaap.”

Job 17:13-16:

  • Wanneer ik het dodenrijk verwacht als mijn tehuis, in de duisternis mijn leger spreid, tot de groeve zeg: Gij zijt mijn vader, tot de wormen: Mijn moeder en mijn zuster, waar ergens is dan mijn hoop? Ja, mijn verwachting, wie kan haar ontdekken? Zij zullen naar de diepten van het dodenrijk nederdalen, wanneer wij tezamen in het stof nederzinken.”

De apostel Paulus blijft in 1 Tess 4 en in 1 Cor 15 (= Handelingen periode) volledig in lijn met het onderwijs van de Heere Jezus Christus. Daarom kan hij ook met recht tot de Tessalonicenzen spreken met “een Woord des Heeren.” (1 Tess 4:15), want Paulus putte uitsluitend uit de Schriften.

De Heere zal straks bij Zijn Komst gelovigen opwekken. De ure komt, dat allen, die in de graven zijn, Zijn stem zullen horen. Hij zal niets verloren laten gaan, van hen die Hem toebehoren. Maar Paulus ging niet de bedroefde Tessalonicenzen troosten met de gedachte dat de gestorvenen nu al bij de Heere in de hemel zijn. Dat kon Paulus ook helemaal niet, want dat was niet “de Hoop van Israël”en dat was niet de Hoop van de toen levende heidenen die tot geloof waren gekomen in de Handelingen periode. Dan zou Paulus in de Handelingen periode buiten zijn boekje zijn gegaan, en tegen het getuigenis van heel de Schrift zijn ingegaan.

Paulus vertroost de gelovigen van de Handelingen tijd met de Hoop op de opstanding bij de Komst des Heeren, als de laatste bazuin klinkt. En tot die tijd liggen de ontslapen gelovigen van de Handelingen periode in het stof der aarde. Voor alle duidelijkheid herhaal ik het nog eens: In de Handelingen periode leert Paulus in alle brieven, die Paulus tijdens die Handelingen periode heeft geschreven, dat de ontslapenen in het graf zijn. Paulus leert in deze brieven nergens, dat die gelovigen in de hemel bij (In) Christus zijn.

Nadat de Heere zelf Israël, en daarmee de “Hoop van Israël” terzijde had gezet (dus na Handelingen 28), schrijft Paulus door de openbaring en inspiratie van God zelf nog zeven brieven vanuit zijn gevangenis, waar Paulus zeker twee jaar verbleef (Hand 28:30).

In deze laatste zeven brieven mag Paulus aan ons nieuwe verborgenheden (geheimenissen) bekendmaken, die eeuwen her verborgen zijn gebleven in God. Dus deze verborgenheden waren aan niemand bekend, en waren nergens na te speuren, maar waren alleen bekend bij God zelf.

Efeze 3:8-10:

  • Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen, opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden.”

Deze nieuwe Hoop is een opstanding, die aan de opstanding uit de doden bij de Komst des Heeren van 1 Tess 4, allang vooraf is gegaan.

Dit is de bijzondere Hoop van de leden van de Gemeente der verborgenheid, die nu alreeds zijn mede-opgewekt met Christus, mede zijn opgestaan en mede zijn gezet met Christus in de hemelse gewesten. Deze Gemeente van Jezus Christus, het Lichaam van Christus, de complete Man, bezit de Hoop van Fil 3:10-14:

  • (dit alles) om Hem te kennen en de kracht Zijner opstanding en de gemeenschap aan Zijn lijden, of ik, aan Zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.

In het vetgedrukte staat: “tot de opstanding uit de doden”, maar eigenlijk zou er moeten staan volgens de grondtekst: “De uit-opstanding van tussen de doden uit”. Dit is de uit-opstanding van tussen de overige doden uit, een individuele opstanding, die plaats heeft nadat de gelovige is gestorven, nadat hij de goede strijd heeft gestreden en de loopbaan heeft gelopen (Fil 1:20-24 en 2 Tim 4:6-8).

Dus beste broeder of zuster, als u zegt dat uw overleden broeder of zuster bij de Heere is, dan zegt u het juist,

Dus beste broeder of zuster, als u zegt dat uw overleden broeder of zuster bij de Heere is, dan zegt u het juist, wanneer u van de betreffende broeder of zuster weet dat zijn/haar hoop was: De Hoop van Fil 3:10-14.

Maar het is het één of het ander. Tegelijk geloven dat Fil 3:10-14 onze Hoop is, en ook geloven dat 1 Tess 4:13-18 onze Hoop is, dat is tegenstrijdig met elkaar. Dan maken we van Gods Woord één grote verwarring.



Conclusie

Wat naar ik hoop duidelijk naar voren is gekomen in deze bijbelstudie, is dat op die dag van Zijn komst de Zoon des mensen geopenbaard zal worden aan de wereld! Het is geen verborgen komst (parousia) in de lucht, maar een komst geheel openbaar voor iedereen! (Luc 17:26-30).

De late regen zal samenvallen met de daadwerkelijke komst des Heeren op aarde. (Jac 5:7-8). We hebben gelezen dat bij die parousia zijn voeten te dien dage zullen staan op de Olijfberg.

Zijn komst zal zijn de openbaring van de Here Jezus van de hemel met de engelen zijner kracht (2 Tess 1:7)

De machten der hemelen zullen wankelen. En dan zullen zij de Zoon des mensen zien komen op een wolk, met grote macht en heerlijkheid. Net zoals men de Heere in de wolken zag verdwijnen, bij Zijn hemelvaart, net zo zal men Hem met de wolken weer zien komen. Wanneer deze dingen beginnen te geschieden, richt u op en heft uw hoofden omhoog, want uw verlossing genaakt.

Dus beste lezer, wanneer Israël al die dingenzal zien, dan staat het Koninkrijk, en de parousia van Christus voor de deur!

Openbaring 11:15-17:

  • “En de zevende engel blies de bazuin en luide stemmen klonken in de hemel, zeggende: Het koningschap over de wereld is gekomen aan onze Heere en aan Zijn Gezalfde, en Hij zal als koning heersen tot in alle eeuwigheden”(letterlijk: Tot in de eeuw der eeuwen).



Wat kunnen we nog meer verwachten?

Het ligt in de lijn der verwachtingen (die we uit de bijbel kunnen halen), dat in de nabije toekomst een periode zal aanbreken, waarin de Heere weer duidelijk de draad gaat opnemen met Israël, in die zin, dat er een herhaling (van het karakter) van de Handelingen tijd gaat aanbreken. Een tijd, waarin de Heere opnieuw Zijn volk zal bepalen bij Zijn (nieuwe) verbond.

Gedurende die komende periode ligt het in de lijn van de Bijbelse verwachting dat Babel een steeds belangrijker rol zal gaan spelen in de (her)vorming van het oude Romeinse Rijk, waar ook een groot gedeelte van Europa toe behoorde. En in de toekomst zal dat Rijk weer opnieuw gestalte krijgen.

Dit zou kunnen betekenen, dat er, net als in de Handelingen tijd, in dat Rijk, ook in Israël met één munt betaald zal worden, en dat Israël door dit toekomstige Rijk overheerst zal worden. Destijds was het Romeinse Rijk (dat in chronologische zin de vierde openbaring was van het oude Rijk van Babel) immers ook de machthebber in Israël.

Het ligt voor de hand dat er (evenals gedurende de Handelingen tijd) een tempel in Jeruzalem zal staan, in ieder geval zal er een plaats zijn waar het dagelijks offer weer gebracht zal worden.

De hier op aarde levende leden van Het Lichaam van Christus “sterven uit”, en nemen hun plaats in de heerlijkheid bij Christus in, en gelovigen met een andere “Hoop”, die van de Handelingen periode, komen op aarde (in het land Israël) weer op de voorgrond.

De hierboven geschetste periode zal uitlopen in wat bekend staat als “de laatste jaarweek van Daniël”, een zevenjarige periode, waarin de strijd tussen het beest en de Heere meer en meer in de openbaarheid komt. Het beest brengt het gelovig overblijfsel, vooral in Jeruzalem, in Israël, in grote benauwdheid, in grote verdrukking. Maar uiteindelijk zal de Heere Zich in Zijn glorieuze heerlijkheid (samen met de Zijnen) openbaren, en de overwinning opeisen.

Zo komt er een einde aan de tegenwoordige boze eeuw, waarin Babel het instrument is, waarvan de satan zich bedient. En dan breekt de toekomende eeuw aan, waarin Jeruzalem de stad van de Grote Koning zal zijn, en waar onze Heiland, Jezus, de Christus, Koning zal zijn.

Beste lezer, broeder of zuster, ik realiseer mij dat ik in deze bijbel-studie wel eens in herhaling ben gevallen, maar vanwege de duidelijkheid meende ik het te mogen doen. Ook realiseer ik mij dat ik een lijn in Gods Woord heb gevolgd, die misschien nieuw voor u was, omdat velen toch nog een "opname" verwachten. Mocht u op- of aanmerkingen of vragen over deze bijbelstudie hebben, dan hoor ik dat graag van u. En mocht u van mening zijn dat ik u onbijbelse denkbeelden heb voorgeschoteld, dan is het ook een broederlijke plicht om mij met het Woord terecht te wijzen.

Mijn e-mail adres staat hieronder vermeld.

Ik wil eindigen met de tekst:

  • "(Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. Laten wij dan allen, die volmaakt zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!" (Fil 3:10-16).

 

Slot

Bert Boersma mei 2008 boersmaklm@hetnet.nl

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk