Bijbelstudie "De Profeet Elisa"

De Profeet Elisa

 

Inhoud

 

Inleiding..........................................................

Deel 1

De profeet Elia...................................................

 

Elia's tocht naar Horeb..........................................

 

De openbaring Gods in Horeb..................................

 

De roeping van Elisa.............................................

Deel 2

De reis van Elia en Elisa........................................

 

De wens van Elisa................................................

 

 

Elisa maakt het water te Jericho gezond (1e wonder)

Deel 3

De mens en water..............................................

 

Israël en het water.............................................

 

Het water van Jericho.........................................

 

Het zout in het water..........................................

Deel 4

Een nieuwe schotel.............................................

 

 

De spottende knapen van Bethel (2e Wonder)...........

Deel 5

Vandaar ging hij naar Bethel..................................

 

Kleine knapen...................................................

Deel 6

Kom op = Ga op.................................................

 

Het getal 42.....................................................

 

De berg Karmel.................................................

 

 

De Olie der Weduwe (3e Wonder)..........................

Deel 7

Wonderen en tekenen..........................................

 

Lege vaten.......................................................

 

Volle vaten......................................................

 

Olie...............................................................

 

De Weduwe = Beeld van Israël................................

Deel 8

Een Kruikje = Een Rijsje.......................................

 

De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan..............

 

Leven en overvloed.............................................

 

 

De Sunamitische en haar Zoon (4e Wonder)..............

Deel 9

Door het Geloof.................................................

 

Sunem in Jizreël................................................

 

De profeet Hosea...............................................

 

Bovenkamer = Bovenzaal......................................

Deel 10

Leven door te sterven..........................................

 

Uit het land.....................................................

 

In het land.......................................................

 

Onze positie.....................................................

 

 

De Dood in de Pot (5e Wonder).............................

Deel 11

Wet tegenover genade.........................................

 

Genade anti (= in plaats van) Genade.......................

 

Wedergeboorte = Gilgal........................................

 

De wijnstok(ken) en de wijngaard...........................

 

Meel = Brood (des Levens......................................

Deel 12

Leven door Het Brood des Levens............................

 

 

Eerstelingen (6e Wonder)....................................

 

Eerstgeborene...................................................

 

Twintig gerstebroden..........................................

 

Honderd (man)..................................................

 

Leven en Overvloed............................................

 

 

De genezing van Naäman (7e Wonder)....................

Deel 13

Naäman's reis...................................................

 

Elisa handelt in opdracht......................................

 

Niet door werken der wet.....................................

 

In Israël..........................................................

 

In de Jordaan....................................................

 

God is rechtvaardig.............................................

 

De gezonden "bode"............................................

Deel 14

Religie............................................................

 

God vraagt Gehoorzaamheid = Geloof.......................

 

Leugen "baart" leugen..........................................

 

Volkomen Verlossing...........................................

 

 

Elisa doet het ijzer op het water drijven (8e Wonder)

Deel 15

Gangbare uitleg.................................................

 

Boodschap voor Israël..........................................

 

De Profeten......................................................

 

Naar de Jordaan................................................

 

Het IJzer = type van Christus.................................

 

Het IJzer = type van de Wet...................................

 

Het IJzer = type van Israël....................................

 

Het IJzer komt bovendrijven..................................

 

Het Hout.........................................................

Deel 16

Palmbomen......................................................

 

God komt tot Zijn doel.........................................

 

Christus centraal in Gods Woord..............................

 

Slot...............................................................

 

 

De Profeet Elisa (Deel 1)

Inleiding

In deze bijbelstudie gaan we proberen te zien wat de Heere van de profeet Elisa in Zijn Woord zegt. Elisa is een bijzondere profeet, waar heel wat over te ontdekken valt. In de Bijbel vinden we geen boek wat Elisa heet. We vinden Elisa in het boek van de Koningen. De profeten, zo ook Elisa, waren nodig om het volk Israël, wat zich steeds van de Heere afkeerde, weer terug naar de Heere te leiden. Het volk en vaak ook hun koning wandelden niet op de wegen des Heeren. En ook de priesters, die het volk behoorden te leiden in het Woord, verzaakten vaak hun opdracht. Om te beginnen gaan we eerst naar dat bijbelgedeelte, wat handelt over de wisseling van dienst tussen de profeet Elia en Elisa. Daarvoor gaan we eerst kijken naar de roeping en bediening van Elia, want we zullen zien, dat de profeten Elia en Elisa eigenlijk één geheel vormden. In deze bijbelstudie zal doorgaans de NBG51 worden geciteerd, indien anders, dan zal dat erbij vermeld worden. We gaan eerst naar 2 Kon 2:1-18:

  • "Het geschiedde, toen de HEERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Betel gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waar de HEERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Daarop begaven zij zich naar Betel. Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HEERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij te Jericho. Toen naderden de profeten van Jericho tot Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HEERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HEERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HEERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder. Vijftig man van de profeten waren ook gegaan, maar bleven op verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden. Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken. En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden. En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HEERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken. De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde. En zij zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer [= Elia] gaan zoeken, of niet misschien de Geest des HEEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?"

 

De profeet Elia

Alvorens wij de profeet Elisa nader bekijken, gaan we eerst de profeet Elia onder de loep nemen, want uiteindelijk is de bediening van Elisa een voortzetting van de bediening van Elia. Daarvoor kijken we met name naar Elia met het oog op de toekomst. In het laatste boek van het Oude Testament lezen wij:

  • "Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, inzettingen en verordeningen. Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEEREN komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban." (Maleachi 4:4-6).

 

De Heere spreekt hier door Maleachi (Maleachi betekent: Mijn bode) over de komende dingen. Hier staat eigenlijk dat Elia zal komen voordat de grote dag des Heeren (1) komt, om de harten van de dan levende Joden om te buigen tot ontvankelijke kinderharten, waar je alles in kan gieten, en wat dan ook direct in geloof aanvaard zal worden. We mogen weten uit Openbaring dat dit zeker plaats zal vinden bij een deel (gelovig overblijfsel van Israël (2)) van de dan levende Joden. Dat gelovige deel van Israël zal het getuigenis van "Elia" (3) aanvaarden, en velen van dat gelovig overblijfsel zullen in de grote verdrukking om hun geloof worden vermoord. Maar zij zullen door hun standvastig geloof duizend jaar met Christus als koningen heersen. (Openbaring 20:4).

 

Nog even over bovenstaande komst van "Elia" in Openbaring. We lezen in Openbaring:

  • "En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang. Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Heere der aarde staan. En indien iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden. Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen. (Openbaring 11:3-6)

 

Nergens staat hier in Openbaring de naam Elia. Maar wanneer we bovenstaande tekst lezen, en we zien de beschrijving van deze twee getuigen van de Heere, dan zien we de werken van Elia en van Mozes. Let wel, ik zeg niet met zekerheid, dat het zo is, maar ook gezien de profetie van Maleachi, bestemd voor de Joden, zou één van deze getuigen Elia kunnen zijn, en de andere Mozes.

 

Maar niet alleen in Openbaring, ook al eerder komen we de naam Elia tegen:

  • "Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan, en velen der kinderen Israëls zal hij bekeren tot de Here, hun God. En hij zal voor Zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden." (Lukas 1:13-17)

 

Zien we hier eigenlijk al niet een voor-vervulling van wat later in Openbaring zal gebeuren? Aan Zacharias wordt een zoon beloofd, die zal uitgaan “in de geest en de kracht van Elia”. Waartoe? Om voor de Heere een wel-toegerust volk te bereiden. Dát was de bedoeling van de eerste komst van de Heere Jezus Christus naar deze aarde. En Johannes heeft krachtig opgetreden. Hij noemde de Farizeeën adderengebroed. Hij spaarde hun niet. We weten waar de eerste komst van de Heiland op uit is gelopen. Hij werd door de Zijnen aan het kruis genageld. Maar omdat Gods beloften onberouwelijk zijn, zullen ze zeker volbracht worden. Zo mogen de komst van Johannes de Dooper zien als een soort “voorvervulling van de latere komst van "Elia".

 

Ook in het evangelie van Johannes lezen we over Elia, waaruit blijkt dat de Joden de laatste profetie van Maleachi wel degelijk kenden, maar daar in de hun gegeven situatie toen niet echt rekening mee wilden houden:

  • En dit was het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij? En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. En zij vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf? Hij zeide: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren, gelijk de profeet Jesaja gesproken heeft. (zie Jesaja 40:3)

 

En er waren sommigen afgezonden uit de Farizeeën. En zij vroegen hem en zeiden tot hem: “Waarom doopt gij dan, indien gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet? Johannes antwoordde hun en zeide: Ik doop met water; midden onder u staat Hij, van wie gij niet weet, Hij, die na mij komt, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken. Dit geschiedde te Betanië over de Jordaan, waar Johannes doopte.” (Joh 1:19-28)

 

Wat denkt u, wie zouden die Joden uit vers 19 geweest zijn, die die priesters en Levieten naar Johannes stuurden om aan de weet te komen, wie hij was? Dat kunnen alleen maar de Farizeeën en Schriftgeleerden zijn geweest, want door wie zouden de priesters en Levieten zich anders laten sturen? En die voormannen van de Joden wisten ook best wel wat er in Maleachi stond over Elia. Bovendien zagen die Farizeeën en Schriftgeleerden dat die persoon bij de Jordaan optrad in de geest en de kracht van Elia. Wanneer zij dan in Johannes de Doper Elia zouden (h)erkennen, dan zouden zij ook de aanstaande dag des Heeren moeten (h)erkennen, en dan zouden zij ook Jezus moeten (h)erkennen. Dit alles is niet gebeurd, omdat zij, die voorgangers van Israël willen en wetens het volk hebben misleid, omdat zij hun eigen waarheden en hun eigen eer en macht belangrijker vonden, dan te buigen voor de Waarheid.

 

De Farizeeën en de Schriftgeleerden zagen de aanwezigheid van Elia in de geest en de kracht door Johannes de Doper uitgebeeld. Maar zij hebben bewust deze dingen afgewezen. Johannes, en daarmee "Elia", werd verworpen. De Heere Jezus werd verworpen, en daardoor kon het aangekondigde Koninkrijk toen niet aanbreken. Eigenlijk stond dat door deze gebeurtenis al vast voordat de Heere Jezus aan Zijn aardse wandel begon.

Maar in de toekomst zal er weer iemand optreden in de kracht en de geest van Elia, (Misschien Elia?) Dan zal deze "Elia" wel worden (h)erkend door een gelovig overblijfsel van het volk Israël, en dan zal ook de dag des Heeren, en daarmee het Koninkrijk, zeker aanbreken.

 

Elia's tocht naar Horeb

Lees deze geschiedenis in 1 Kon 19. Izebel, de vrouw van de goddeloze koning Achab was razend, toe zij hoorde van haar man hoe Elia de profeten en de dienaars van haar afgoden met het zwaard had gedood. Daarom zond zij een bode naar Elia om hem mee te delen dat zij met hem nog erger zou handelen. Dat zal echt geen aangename boodschap voor Elia zijn geweest. In ieder geval voor Elia reden om te vluchten, en zo zijn leven te redden. Hij vertrok naar Berseba, en ging daarna nog verder, een dagreis ver de woestijn in. Daar, in de woestijn ging Elia zitten en hij vond het welletjes.

Hij zei: "Het is genoeg! Neem nu HERE, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen." (1 Kon 19:4). Zo viel Elia daar in de woestijn in slaap.

 

Daar, in zijn slaap, raakte een engel hem aan en zeide tot hem:

  • Sta op, eet. Toen hij rondzag, was daar, aan zijn hoofdeinde, een koek op gloeiende stenen gebakken en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer neer. Doch wederom, ten tweeden male, raakte de engel des HEREN hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn. Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb.” (1 Kon 19:1-8)

 

De Openbaring Gods in Horeb

  • Hij (Elia) kwam daar in Horeb bij een spelonk, waar hij overnachtte. En daar kwam het woord des Heeren tot Elia en de Heere zeide tegen hem: Wat doet gij hier, Elia?" Daarop zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. Daarop zei de Heere: Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des HEREN. En zie, toen de HERE juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de Heere uitging. In de wind was de HEERE niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de HERE niet. En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de HERE niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte. Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak: "Wat doet gij hier, Elia?" Daarop zeide hij voor de tweede keer: "Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen." Daarop zeide de HERE tot hem: "Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij Hazaël zalven tot koning over Aram. Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats. Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden. Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft.” (1 Kon 19:9-18)

 

We zien hier geweldige dingen gebeuren in het leven van Elia. Eerst vluchtte hij voor de boosaardige vrouw Izebel de woestijn in. Hij verlangde te sterven. Het was voor hem mooi genoeg geweest. Maar de Heere had nog werk voor hem te doen. In de woestijn zorgde de Heere voor eten en drinken, zodat Elia weer versterkt verder kon. Ja, de Heere versterkte Elia zo zeer door het voedsel, dat hij veertig dagen door kon gaan, want hij moest veertig dagen reizen naar het gebergte Horeb.

 

Daar in het gebergte Horeb vroeg de Heere aan Elia: "Wat doet gij hier, Elia?" En Elia zegt (vrij vertaald) "Ik heb altijd hard gewerkt voor de Heere, maar Israël wilde niet luisteren, en zij gingen de afgoden achterna, ik ben alleen overgebleven, en nou willen ze mij ook nog dood maken."

Toen zei de Heere: "Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des HEREN."

Elia moest uit de spelonk komen en gaan staan voor het aangezicht van de Heere. Toen Elia daar stond kwam er eerst een geweldige sterke wind, daarna een aardbeving, en daarna een vuur, in alle drie was de Heere niet, maar na het vuur kwam het suizen van een zachte koelte. Zodra Elia dit hoorde, deed hij zijn mantel voor zijn gezicht, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan.

 

Het is heel bijzonder, dat Elia niet reageerde op de sterke wind, en ook niet op de aardbeving en op het vuur, maar toen Elia het "suisen van die zachte koelte" hoorde, reageerde Elia onmiddellijk. Hoe kwam dat? Ik denk dat de Bijbel hier zelf een verklaring voor geeft. In Gen 3:8 nadat Adam en Eva gezondigd hadden, staat: "Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen het geboomte in de hof." De King James heeft dit als volgt vertaald, daar staat: "And they heard the voice of the Lord God walking in the garden in the cool of the day."Nu gaan we naar Elia, in 1 Kon 19:12, daar staat: "En na het vuur het suizen van een zachte koelte." Hier heeft de King James vertaald: "And after the fire a still small voice"

 

Zou het niet zo zijn, dat in vroegere tijden, toen nog niet alles op schrift gesteld werd, men alles mondeling aan elkaar doorgaf? Adam heeft aan de geslachten, die na hem kwamen vast doorgegeven, hoe hij in het paradijs met de Heere "wandelde", en hoe die ontmoetingen in zijn werk gingen. Elia was een man Gods. Hij wist hoe de Heere zich bekend maakte, en hoe de Heere gewoon was te verschijnen, getuige zijn reactie op "a still small voice". (Hebr = Iruch) Ogenblikkelijk bedekte hij zijn gezicht, en ging in afwachtende houding buiten de spelonk staan wachten op wat komen ging.

 

Noot:

(1) Dag des Heeren = de Dag waarop Christus terug komt op aarde, en dat is de dag waarop Hij Zijn koningschap voor Israël aanvaard.

(2) Gelovig overblijfsel = Straks op het einde der tijden zal er nog een periode aanbreken voor Israël van 7 jaar, vlak voordat de Heere terug komt op deze aarde. Deze laatste 7 jaar, ook wel jaarweek genoemd, zal eigenlijk in tweeën gedeeld worden volgens de Bijbel, en in de tweede helft van 3 1/2 jaar zal er een grote verdrukking zijn voor het volk Israël, zoals er van te voren nog nooit geweest is. In die tweede helft zal satan een beeld voor hemzelf oprichten in Jeruzalem, wat aanbeden moet worden. Uit de Bijbel blijkt dat 2/3 van het volk Israël dat ook zal doen, maar 1/3 zal de knie niet buigen voor dat beeld van satan. En dat 1/3 deel wordt in de Bijbel “het gelovig overblijfsel” genoemd.

(3) Elia = In die laatste jaarweek, dus in die laatste 7 jaar, zal “Elia” als een prediker (samen met Mozes) als een prediker optreden in Israël, om het volk tot de Heere terug te brengen.

Deel 2 volgt

Bert Boersma september 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 2)

vervolg inleiding

De Roeping van Elisa

Nadat Elia in de woestijn gevlucht was, moest hij van De Heere op zijn schreden terug keren. Toen Elia in gehoorzaamheid weer op weg was gegaan, trof hij Elisa aan, de zoon van Safat, bezig te ploegen met twaalf span vóór zich, terwijl hij zelf bij het twaalfde was. Toen Elia hem voorbijging, wierp hij hem zijn mantel toe. Daarop verliet hij [Elisa] de runderen, snelde Elia achterna en zeide:

  • Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen. En hij zeide tot hem: Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan? Toen keerde hij van achter hem terug, nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen; het vlees gaf hij aan het volk, en zij aten. Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem. (1 Kon 19: 19-21)

 

Weer een heel bijzondere geschiedenis. Elia wierp Elisa zijn mantel toe. Dat moet toch iets betekenen. En wanneer we er achter willen komen, wát dat betekent, dan moeten we andere teksten opzoeken waar we "mantel" in de Bijbel tegenkomen, en dan ontdekken we meer wat de "mantel" betekent:

  • 1 Sam 28:14 "Daarop vroeg hij haar: Hoe is zijn gestalte? Zij antwoordde: Een oud man komt op, gehuld in een mantel. Toen begreep Saul, dat het Samuël was, en hij knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer."
  • 2 Kon 2:8 "Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken."
  • 2 Kon 2:13 "Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan."
  • 2 Kon 2:14 "En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken."
  • Jes 3:6 "Wanneer iemand een ander van zijn familie aangrijpt (met de woorden): Gij hebt een mantel, wees onze aanvoerder en laat deze puinhoop onder uw hoede zijn".
  • Jes 3:7 "Dan zal deze te dien dage uitroepen: Ik kan geen heelmeester zijn, en in mijn huis is brood noch mantel, gij moet mij niet tot aanvoerder over het volk aanstellen."
  • Jes 61:10 "Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit."
  • Zach 13:4 "Te dien dage zullen de profeten beschaamd staan, ieder om wat hij schouwt, wanneer hij als profeet optreedt, en zij zullen geen haren mantel aantrekken om leugens te vertellen."
  • Mat 27:31 "En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel uit en deden Hem zijn klederen aan en zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen."
  • Luc 8:27 "Toen Hij aan land gegaan was, kwam Hem een man uit de stad tegemoet, die door boze geesten bezeten was, en sinds lang had hij geen mantel meer aan en woonde niet in een huis, maar in de graven."

 

Wanneer we deze teksten doorlezen, en in de context plaatsen, dan ontdekken we dat de mantel te maken heeft met waardigheid, en met gezag. Koning Saul boog zich ter aarde neer voor de oude man (Samuël), die de mantel droeg. Elia en Elisa gebruikten de mantel om op het water te slaan, waarna ze door de Jordaan konden gaan. Wanneer iemand een mantel droeg, dan kon hij een aanvoerder en een leider zijn. De mantel spreekt over gerechtigheid en over de waarheid. De mantel spreekt ook over waardigheid, toen de Romeinse soldaten de Heere Jezus bespotten, en Hem de mantel uittrokken. Toen ontnamen ze de Heere Jezus Zijn laatste waardigheid.

 

Toen Elia in het voorbijgaan aan Elisa de mantel toewierp, ontving Elisa daarmee ook alles wat met de mantel verbonden was, waardigheid, gezag, gerechtigheid en waarheid. En Elisa wist heel goed wat het betekende, dat hem de mantel toegeworpen werd.

Onmiddellijk verliet Elisa het werk waar hij mee bezig was, en snelde Elia achterna en zeide:

  • "Laat mij toch afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder, dan wil ik u volgen.''

 

Elisa bereidde nog een soort afscheidsmaal, hij slachtte daarvoor de runderen, waarmee hij aan het ploegen was. Het vuur, wat nodig was voor de bereiden van de runderen, maakte Elisa van het hout van de ploeg. Zo verbrandde Elisa letterlijk alles waar hij mee bezig was, hij verbrandde letterlijk alle schepen achter zich, en daarna volgde Elisa Elia en diende hem. En daarmee diende Elisa de Heere.

 

In deze gebeurtenis zit ook voor ons een geweldige les. In Math 16 zei de Heere Jezus tegen Zijn discipelen:

  • Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij.” (Math 16:24).

 

En in 1 Kor 11:1 zei Paulus:

  • Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg.”

 

En ook later worden we op dezelfde manier door Paulus opgeroepen:

  • Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen.” (Ef 5:1).
  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.” (Fil 3:17).
  • Maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus.” (Fil 3:14).

 

Hebben wij ons oude leven achter ons gelaten, en jagen wij nu naar de prijs der roeping Gods? En dan bedoel ik werkelijk alles achter ons laten, alles wat ons uit ons oude leventje zou kunnen verhinderen om te kunnen groeien in Christus Jezus onze Heere. Of zijn er nog dingen die we eigenlijk wel vast willen houden? Want broeders en zusters, als we vol zijn van onze eigen oude dingen, dan is er geen ruimte voor de Heere om ons te vullen met Zijn geweldige zegeningen.

 

We zien in deze geschiedenis dat de mantel, en daarmee de bediening van Elia overging van Elia op Elisa. Beiden hebben zij één en dezelfde profeten mantel, en daarmee één en dezelfde bediening.

  • Elia = Elijahoe = Mijn God is JHWH
  • Elisa = Eliesha = God is Redding

De namen van Elia + Elisa bijelkaar opgeteld is: JHWH is Redding, en dat betekent weer: Jehoshoea = Jezus. Dus de beide namen van deze profeten wijzen samen naar de Heere Jezus Christus. Hij staat centraal, ook in de bediening van deze beide profeten.

 

We gaan nu terug naar ons uitgangspunt 2 Kon 2:1-18, waar we de vorige keer hebben gelezen dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. Van Gilgal naar Betel, en daarna naar Jericho, en vandaar naar de Jordaan. Iedere keer, tot drie keer toe, bij elke plaats zegt Elia tegen Elisa:

  • "Blijf toch hier, want de HERE heeft mijgezonden."

 

Maar Elisa bleef niet achter in één van de plaatsen, maar ging trouw met Elia mee. Want Elisa wist wat er stond te gebeuren. Ook wist Elisa wat zijn taak zou worden, hij had immers de mantel toegeworpen gekregen, en zijn oude leven totaal achter zich gelaten, ja alle schepen achter hem verbrandt. Hij moest Elia wel volgen, dát was zijn roeping! Het blijkt ook uit 2 Kon 2:3 en vers 5 dat Elisa wist van er moest gebeuren. Want toen de profeten van Betel en van Jericho tegen Elisa zeiden:

  • "Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen?" Antwoordde Elisa: "Ook ik weet het, zwijgt stil."

 

Het is wel bijzonder dat Elia tot drie keer toe tegen Elia zegt hem alleen verder te laten gaan, maar tot drie keer toe laat Elisa zich niet overhalen! Elisa's antwoord was:

  • "Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten."

 

Hiermee bevestigde Elisa tot drie keer toe dat zijn bediening vast stond in de Heere. Wanneer Elisa in één van de plaatsen was achtergebleven, had hij nooit "de mantel" van Elia kunnen overnemen.

 

De Reis van Elia en Elisa

Elia en Elisa reisden van Gilgal naar Betel, en vandaar naar Jericho, en verder naar de Jordaan. Dus de start was in Gilgal. Gilgal betekent "wiel of rad", en is afgeleid van het werkwoord "galal", en heeft met wedergeboorte te maken. Wat heeft een "wiel" nou met wedergeboorte te maken, zult u misschien denken. Wel, een wiel draait rond. En wanneer een wiel één rondje heeft gemaakt, komt het in dezelfde stand weer terecht, maar nu wel op een andere plaats, iets verderop. Dit draaien van het wiel beeld de wedergeboorte uit. Wedergeboorte is sterven en opnieuw opstaan, maar dan wel opstaan in een andere plaats. Zo beeld het draaien van het wiel de wedergeboorte uit. Hier komt denk ik het gezegde "het rad der wedergeboorte" vandaan. En we kunnen nog iets verder gaan door te zeggen dat het voortgaande “wiel” ook het voortgaande leven (in groei) van die wedergeboren mens uitbeeld.

 

Gilgal is de naam van de plaats waar Israël door de Jordaan het beloofde land binnentrok, en waar zij besneden werden en het Pascha vierden. (Jozua 3:5). Wanneer we opzoeken wat er te Gilgal is gebeurd, dan ontdekken we dat het volk Israël, na 40 jaar door de woestijn te zijn getrokken, door de Jordaan ging, (door het water heen ging) en zich op de tiende der eerste maand legerden te Gilgal. (Jozua 4:19). En de twaalf stenen, welke men uit de Jordaan genomen had, richtte Jozua te Gilgal op. (Jozua 4:20). Bovendien zei de HERE zeide tot Jozua:

  • "Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld."

 

Daarom noemt men die plaats Gilgal, tot op de huidige dag. (Jozua 5:9). "Gilgal" betekende voor Israël de overgang van de oude naar een nieuwe situatie. Al deze dingen spreken van een nieuw begin, van wedergeboorte. Vanuit deze "wedergeboorte", dus vanuit dit nieuwe begin gingen Elia en Elisa op weg.

 

Vanuit Gilgal gingen Elia en Eliza naar Betel. Betel betekent "Huis Gods". In Betel bouwde Abraham voor de Heere een altaar en riep hij de Naam des Heeren aan. (Gen 12:8). Later zei de Heere tegen Jacob:

  • "Maak u reisvaardig, trek naar Betel, blijf daar, en richt er een altaar op voor de God, die u verschenen is, toen gij vluchttet voor uw broeder Esau." (Gen 35:1).

En in Gen 35:15 noemde Jakob de plaats, waar God met hem gesproken had, Betel.

 

Vanuit Betel gingen beide profeten naar Jericho. Jericho is de "vloek-stad". Toen de Israëlieten na 40 jaar omzwerven door de woestijn voor Jericho stond, had Jericho de poort gesloten:

  • De stad was volkomen gesloten voor de Israëlieten; niemand kon daar uit of in gaan. En de HERE sprak tot Jozua: Zie, Ik geef Jericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht.” (Jozua 6:1-2)

 

Later, toen het volk alle opdrachten van de Heere betreffende het innemen van Jericho had uitgevoerd, en de Heere de stad aan Israël had gegeven,

  • sloegen zij alles wat in de stad was, met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards. Maar tot de twee mannen die het land verspied hadden, zeide Jozua: Gaat het huis van de hoer binnen en brengt de vrouw en allen, die haar toebehoren, naar buiten, zoals gij haar gezworen hebt. Toen gingen de jonge mannen, de verspieders, naar binnen en brachten Rachab naar buiten en haar vader, haar moeder, haar broeders en allen die haar toebehoorden – ja, haar gehele geslacht brachten zij naar buiten – en zij wezen haar een verblijf aan buiten de legerplaats van Israël. De stad echter en alles wat erin was, verbrandden zij met vuur; alleen het zilver, het goud en de koperen en ijzeren voorwerpen voegden zij bij de schat van het huis des HEREN. Zo heeft Jozua de hoer Rachab en haar familie en allen die haar toebehoorden, in leven gelaten, en zij heeft onder Israël gewoond tot op de huidige dag, omdat zij de boden verborgen had gehouden, die Jozua uitgezonden had om Jericho te verkennen. Te dien tijde deed Jozua deze eed: Vervloekt voor het aangezicht des HEREN is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten.” (Jozua 6:21-26).

 

Dit was de vloek, die op Jericho rustte. Daarom werd Jericho de “vloek-stad genoemd.

 

Veel later (1 Kon 16:34) herbouwde de Beteliet Chiël Jericho. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene, grondvestte hij het; en ten koste van Segub, zijn jongste, plaatste hij haar poortdeuren – naar het woord des HEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun. Zo werd Gods Woord vervuld. We lezen verder in de bijbel ook weing goeds meer over Jericho, en tevens werd Jericho toen, ten tijde van de verovering van het land, een schrik voor de omliggende steden en volkeren. (Jozua 8:2, Jozua 9:3, Jozua 10:1, Jozua 10:28 en Jozua 10:30.

In Lucas 10:30 vertelt de Heere Jezus:

  • "Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen."

Ook hieruit blijkt dat er niet veel goeds uit voortkomt als men "afdaalt" naar Jericho.

 

Ik kan het niet laten om nog even terug te komen op Rachab de hoer uit Jericho. Want het is wonderbaarlijk hoe Gods wegen soms zijn met een gelovige. Want Rachab was een gelo-vige vrouw. Zij staat zelfs in de rij van geloofsgetuigen van Hebr 11 (vers31).

Uit de Bijbel weten we dat één van die twee verspieders uit Jericho later met Rachab is getrouwd. Hij heette Salmon. En wanneer we dan naar het geslachtsregister van de Heere Jezus gaan in Math 1, dan ontdekken we dat Rachab door de Heere waardig was bevonden in lijn der geslachten van de Christus der Schriften opgenomen te worden. We lezen in Math 1:5-6:

  • Salmon verwekte Boaz bij Rachab, Boaz verwekte Obed bij Ruth, Obed verwekte Isaï, Isaï verwekte David, de koning. En vanaf Koning David ging het door tot Christus.”

Geweldig te zien hoe die gelovige vrouw door de Heere gebruikt werd.

 

Toch betekent Jericho ook "welriekende plaats", en wordt vanwege de aanwezigheid van palmbomen ook wel de "palmstad" genoemd. Bomen hebben in de Bijbel vaak een symbolische betekenis. De vijgeboom bijvoorbeeld wijst op Israëls bestaan als volk. Zo wijst de palmboom naar het koningschap, dat Israël ten deel zal vallen. God heeft het volk Israël bestemd om een koninkrijk van priesters te zijn. Wanneer de Heere Jezus op een ezel naar Jeruzalem gaat, spreiden de discipelen palmtakken uit (Luk.19). Zo leek het er dus op dat in Jericho alles dik voor elkaar was. Toch ontbrak het belangrijkste: Er was geen leven, oftewel water. (wordt in deel 3 behandeld).

 

De laatste etappe van de reis van Elia en Eliza voerde van Jericho naar én door de Jordaan. Vlak voor zijn heengaan doet Elia zijn laatste wonder. Onder het toeziend oog van 50 van de profeten van Jericho slaat Elia met zijn mantel op het water van de Jordaan, en het water

  • ...verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken.” (2 Kon 2:8)

 

Wanneer we dit lezen, moeten wij onwillekeurig denken aan de overtocht van het Volk Israël door de Jordaan. Ook toen zorgde De Heere ervoor dat het water terzijde week, zodat het volk op het droge kon oversteken.

De doortocht door de Jordaan kan dan ook gezien worden als een beeld van dood en opstanding (want dat is feitelijk wedergeboorte). Later zond God een "Elia" (Johannes de Doper), een wegbereider, die bij de Jordaan zijn boodschap verkondigde en allen doopte, eigenlijk door de Jordaan liet gaan, die tot hem kwamen en geloofden. Zelfs de Heere Jezus liet Zich door Johannes dopen.

 

De Wens van Elisa

Zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa:

  • Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden.” (2 Kon 2:9-10)

 

Elisa vraagt hier iets wat Elia hem onmogelijk kan geven. Elia zei wel: "Wat zal ik voor u doen?" Maar wat Elisa hier vraagt, kan alleen God zelf hem geven. Daarom zegt Elia door Gods Geest ingeblazen: "Als je mij zult zien, terwijl ik van je word weggenomen, dan zal je ontvangen wat je hebt gevraagd. Maar als je mij niet zult zien, dan zal je het niet ontvangen.

 

Uit wat Elisa vraagt spreekt een grote wijsheid. Hij vraagt niet om aardse zegeningen, maar hij vraagt om geestelijke zegeningen, om geestelijk inzicht, om waardig de Heere te kunnen wandelen. Elisa had zijn keuze gemaakt, toen hij alle schepen achter zich had verbrand. En Elisa wilde in dat spoor dan ook verder in de Heere, en was er zich van bewust dat hij daarvoor door Gods Geest geleid moest worden.

Wat zouden wij vragen als wij een wens zouden mogen doen?

  • En, terwijl Elia en Elisa voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. En Elisazag heten riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En Elisa zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan.” (2 Kon 2:11-13).

 

We lazen in vers 12: "Elisa zag het". Met dat "zien" had de Heere het verzoek van Elisa ingewilligd, en kwam een dubbel deel van de geest van Elia op Elisa.

 

Nog even naar vers 11: "En, terwijl Elia en Elisa voortgingen, al wandelende en sprekende." Zij gingen voort al wandelende en sprekende. Waar zouden die twee godsmannen over gesproken hebben? Elia (= Mijn God is JHWH) sprak al wandelende met Elisa (= God is Redding). Het kan bijna niet anders dat zij over hun God en Redder hebben gesproken, waarvan Elia wist, dat hij zeer spoedig zijn JHWH (1) zou ontmoeten. Want Elia zei niet dat hij zou sterven, maar dat hij zou worden weggenomen (2 Kon 2:9). En Elisa wist in wiens dienst hij zou komen te staan. Het kan bijna niet anders dan dat deze twee godsmannen over de grote daden van hun God en Redder hebben gesproken.

 

Opmerkelijk is nu, dat Elisa, die Elia opvolgt als profeet in dienst van God, precies hetzelfde wonder verricht. Het laatste wonder van Elia, waarmee hij zijn dienst beëindigt, is hetzelfde als het eerste wonder van Elisa, waarmee hij zijn dienst aanvangt. We lezen:

  • "En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HEERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water van de Jordaan, en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken." (2 Kon 2:14).

 

Hierin zien we, dat de Heere ogenblikkelijk de roeping van Elisa bevestigd. Zoals Elia was geëindigd, mag Elisa beginnen. Door de Jordaan, dit is door de wedergeboorte (= door het water) start de bediening van Elisa.

 

De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde. (2 Kon 2:15). Dit buigen van die profeten laat zien, dat Elisa de "mantel", en daarmee de waardigheid en het gezag van Elia had overgekregen.

  • En zij (die profeten) zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer (zij bedoelen Elia) gaan zoeken, of niet misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem (Elia) niet. Toen zij tot hem (tot Elisa) terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?" (2 Kon 2:16-18).

 

Hieruit blijkt het ongeloof van de profeten van Jericho.

Tot zover was eigenlijk de inleiding van deze bijbelstudie.

Noot:

(1) “JHWH” = De Naam die in het Hebreeuws staat voor de Naam van God, en wanneer we die Naam echt zouden onderzoeken, dan zouden we tot de ontdekking komen dat er dan meestal Christus wordt bedoeld. In het Hebreeuws staan geen klinkers, alleen medeklinkers. Wanneer we voor de uitspraak klinkers toevoegen, krijgen we JaHWeH. Hier komt ook de naam JeHoWaH vandaan.

 

Deel 3 volgt DV

Bert Boersma, september 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 3)

 

Elisa maakt het water te Jericho gezond

(1e wonder)

 

Nadat Elisa de Jordaan was doorgetrokken, kwam hij dus in de herbouwde stad Jericho. Dan lezen we:

  • "De mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte. Toen zeide hij: Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. Zij haalden hem er een. Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het zout daarin en zeide: Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of misgeboorte meer voortkomen. En het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord, dat Elisa gesproken had. " (2 Kon 2:19-22)

 

Elisa openbaart zich hier in Jericho als heilbrenger. Deze boodschap van Gods Heil weerklinkt door de hele bijbel heen. Zo lezen we in Titus 2:8

  • "En verkondig een gezonde prediking, waarop niets valt aan te merken, opdat de tegenstander tot zijn beschaming niets ongunstigs van ons hebbe te zeggen."

 

Dit is een unieke boodschap. Het unieke is dat God heil brengt zonder voorwaarden. God brengt heil zonder iets te eisen. Bij elke andere "godsdienst" moet men van alles doen om "heil" te ontvangen. Maar God geeft zonder voorwaarden. "Want de genade Gods (= het offer van Christus) is verschenen, heilbrengend voor alle mensen" (Titus 2:11) Zó openbaarde Elisa zich ook in Jericho.

 

Jericho is nou niet bepaald de stad waar we in de eerste plaats de genade van God zouden verwachten. Toch doet Elisa hier zijn eerste wonder, wat tegelijk een teken is. Wonderen en tekenen worden in Gods Woord vaak in één adem genoemd, maar staan ze in relatie tot Gods volk, Israël. Zo is ook hier het wonder wat Elisa mag doen een machtig teken, een beeld van de redding van Israël. En anderzijds een beeld van de redding van de wereld, omdat Israël weer een type is van de volkeren der wereld.

 

Let u eens op wat de profeet Jesaja van Gods uitverkoren volk zegt:

  • "Waar wilt gij nog meer geslagen worden, dat gij voortgaat met af te wijken? Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf." (Jesaja 1:5-6b).

Net zoals Israël, wat door de zonde vergiftigd, ziek is, en verlossing nodig heeft, zo heeft ieder mens na Adam verlossing nodig, omdat ieder mens in ongerechtigheid geboren is, en omdat er niemand is die goed doet (Rom 3:12).

 

Dat het eerste teken "water" betrof, heeft een grote betekenis. De eerste plaag in Egypte was ook een teken wat met het "water" te maken had. Daar werd het water in bloed veranderd door Mozes. Toen stierf de vis in de Nijl, zodat de Nijl stonk en de Egyptenaren het water uit de Nijl niet konden drinken. Net zoals toen in Egypte het water dood en verderf voortbracht, zo bracht ook in Jericho het water niet veel goeds voort. Dit alles, het voortbrengen van oordeel en dood, is ook een beeld van het oude verbond wat de Heere met Zijn volk op de Sinaï sloot. Dit verbond bracht geen leven voort.

Het volk sprak toen massaal:

  • "En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen." (Ex 19:8).

 

Dat was hoogmoed van het volk Israël. Dat dit niet gewerkt heeft weten wij uit de geschiedenis van het volk Israël. Wanneer het volk geopende ogen zou hebben gehad, dan zouden zij op de knieën hebben moeten vallen met de bede:

  • "Heere, dit kunnen wij niet, betoon ons genade, en help Gij ons dit te volbrengen, want van onszelf kunnen wij dit niet."

Het volk had niet in de gaten dat hun de wet werd gegeven om de overtreding te doen blijken, opdat God hen genade kon betonen. We lezen immers in Rom 4:15 "De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding."

 

Zo is het water, wat in bloed veranderde, en ook het "slechte" water in Jericho, een verborgen beeld van het nutteloos zijn van de wet, welke in 2 Kor 3:7 een "bediening des doods" genoemd wordt. De Heere had gezegd:

  • "Gij zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen; de mens die ze doet, zal daardoor leven: Ik ben de HERE." (Lev 18:5).

We weten dat niemand de wet heeft volbracht, en dat daarom allen zijn gestorven.

 

Het eerste wonder wat Elisa deed was een wonder met water. Het eerste wonder (teken) wat de Heere Jezus deed was ook een wonder met water (Op de bruiloft te Kana). Elisa maakte het water gezond, maar de Heere Jezus deed meer, Hij ging een stapje verder. Hij veranderde het water. Het water werd wijn. (Joh 2:1-11).

Het eerste wonder wat Elisa deed was eigenlijk een aankondiging van het nieuwe verbond wat door de Heere in Jer 31:31-34 wordt voorzegd. Ten tijde van de inwerkingtreding van dat nieuwe verbond (op de dag des Heeren = toekomst) zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden. En de HERE zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de enige zijn, en zijn naam de enige. (Zach 14:8-9).

 

Dan zal de bediening des doods (de wet) veranderd zijn in de bediening des levens, dit kan ook niet anders, want de Heere zelf zal dan Koning zijn, en Hij is de Bron van levend water. Te dien tijde zal de profetie van Joël volledig in vervulling gaan (Hand 2:17-21). Dan is de bediening des doods geheel ten einde, en heeft de bediening ten leven een aanvang geno-men. Eigenlijk is het eerste wonder van de Heere Jezus te Kana een bevestiging van het eerste wonder van Elisa te Jericho. Dan brengt het nieuwe verbond nieuw leven voor Israël, en daarmee blijdschap en vreugde voort.

 

Dan zal ook voor gans Israël gelden wat nu alreeds voor ons geldt:

  • "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." (Joh 7:38).

 

Water is altijd en overal onmisbaar. Heel de aarde komt uit het water. We lezen in Joh 1:

  • "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is." (Joh 1:1-3).

 

En wanneer we dan naar Genesis 1 gaan, dan lezen we daar dat God zeide:

  • Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo. En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemde Hij zeeën. En God zag, dat het goed was (Gen 1:9-10).

 

Hieruit mogen we concluderen dat het droge onder het water verborgen was, en het droge toen als het ware uit het water tevoorschijn kwam.

 

De mens en water

 

Water en het leven zijn onlosmakelijk verbonden. Al het leven is uit water ontstaan. Alles wat leeft, of dat nou in de oceaan of in woestijn is, heeft water nodig om te overleven.

 

Waarom speelt het water een hoofdrol bij al het leven? Doordat het bijzondere eigen-schappen heeft. Allereerst omdat water naast zuurstof in de energievoorziening van alle levende wezens een hoofdrol speelt. Ook bij het oplossen van zouten en het opnemen en afstaan van warmte is water onmisbaar. Een mens bestaat voor zijn geboorte voor ongeveer 97% uit water. Daarna begin je geleidelijk uit te drogen. Als je 30 bent is het percentage water gedaald tot zo'n 70%, en daarna daalt het nog verder tot ongeveer 60% op 75-jarige leeftijd. 

Water is aanwezig in en om de cellen waar ons lichaam uit is opgebouwd. Die cellen liggen in intracellulair water. Het bloed in ons lichaam, dat voor het grootste deel water is, is de transportvoorziening naar de cellen. Bij de vertering van ons voedsel wordt door allerlei ingewikkelde oplosmethoden het voedsel opgelost in water, zodat het naar de cellen vervoerd kan worden. Al onze organen krijgen via het bloed eten, drinken en zuurstof aangevoerd. Zonder deze 3 elementen zouden de cellen niet in leven kunnen blijven. Ook het afvoeren van afval uit de cellen gebeurd door middel van water, het afval wordt opgelost in het bloed dat het afvoert. 

Daarnaast speelt water ook een onmisbare rol bij het op temperatuur houden van je lichaam. Teveel warmte wordt door transpiratie opgelost. Doordat bij hoge temperatuur de zogenaamde huidmondjes worden opengezet, stroomt er meer water naar het huidoppervlak, dat daar door aanraking met de lucht afkoelt. Als het koud is blijven deze huidmondjes dicht.

 

Voor een mens is het drinken van vloeistof dus belangrijk om te overleven. Het is noodzakelijk voor de koeling van je lichaam en voor de transportfuncties in je lichaam. We kunnen wel langdurig zonder voedsel, zo'n 2 maanden, maar niet erg lang zonder water. Vrij snel zal er vergiftiging optreden en zullen organen door het ingedikte bloed bijna niet meer functioneren. Na ongeveer 6 dagen zonder water zullen de nieren het begeven en na een dag of 10 bezwijkt het hart.  

Na deze uiteenzetting zal het duidelijk zijn dat water voor het leven van de mens onmisbaar is. En net zoals water onmisbaar is voor het leven van de fysieke mens, zo is het geestelijke water (het Woord van God) onmisbaar voor het leven van de geestelijke mens. In beide gevallen leidt "watergebrek" tot de dood.

 

Israël en het water

Toen Israël in het land Egypte woonde, en zwaar door de toenmalige Farao verdrukt werd, was er een man uit het huis van Levi, die een Levitische vrouw huwde. Deze werd zwanger en baarde een zoon. Toen zij zag, dat hij schoon was, verborg zij hem drie maanden lang. Maar langer kon zij hem niet verborgen houden; daarom nam zij voor hem een biezen kistje, bestreek het met asfalt en pek, legde het kind erin en zette het in het riet (in het water) aan de oever van de Nijl. We kennen het verhaal, en we weten de afloop. Toen het kind groot geworden was, bracht zijn moeder het naar de dochter van Farao; en hij werd door haar als zoon aangenomen, en zij noemde hem Mozes, want, zeide zij: ik heb hem uit het water getrokken. (Ex 2). Zo werd de man, die het volk Israël 40 jaar door de woestijn zou leiden uit het water getrokken.

 

Na vele plagen liet de farao uiteindelijk het volk Israël gaan, en trok het volk door de schelfzee, door het water, en werd het volk als het ware door de Here uit het water getrokken. later moest Israël nogmaals door het waterhet land binnentrekken (door de Jordaan). En het eerste openbare optreden van de Heere Jezus was, toen hij ook door het water van de Jordaan ging om door Johannes de doper gedoopt te worden.

Zo eindigde de bediening van Elia door het water, en net zo ving de bediening van Elisa aan doordat hij door het water van de Jordaan ging.

 

Water spreekt ook van wedergeboorte. Daarom zegt de Heere tegen Nicodemus: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand wederom geboren wordt, kan hij het Koninkrijk Gods niet zien." (Joh 3:3). En in vers 5 voegt de Heere daar nog aan toe: "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan."

Water heeft ook alles met het Woord te maken. Zo sloeg Mozes in de woestijn op de rots, en toen kwam er water tevoorschijn, genoeg voor het hele volk. De Rots is Christus. En uit Christus komt overvloedig veel water = Het Woord. Dat Levende Water had Israël, en hebben wij nodig om in "leven" te blijven!

 

Deel 4 volgt DV

Bert Boersma oktober 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 4)

(Deel 3 en deel 4 handelen beide over het eerste wonder van Elisa)

Elisa maakt het water te Jericho gezond (1e wonder)

Nadat Elisa de Jordaan doorgetrokken was kwam hij dus in de herbouwde stad Jericho. Dan lezen we:

  • "De mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte." (2 Kon 2:19)

 

Zoals we reeds eerder hebben gezien betekent Jericho "welriekende plaats", en wordt vanwege de aanwezigheid van palmbomen ook wel de "palmstad" genoemd. Van de buitenkant zag het er mooi uit, van van binnen bleek het "slecht" te zijn. Zo is het ook met Israël, zo op het oog leek het wel wat, maar van binnen in het hart was het volk vol van zonde. Jesaja zegt van Israël:

  • Een rund kent zijn eigenaar en een ezel de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht.” (Jes 1:3).

 

Het gebied van Jericho was bij de verdeling van het land aan de stam Benjamin toegewezen. (Jozua 18:11-27). Benjamin kreeg van zijn moeder Rachal de naam Ben Oni (= zoon van mijn smarten = Jezus), maar zijn vader noemde hem Benjamin (= zoon van mijn welvaart, rechterhand = Christus) (Gen 35:18).

Eerder hebben we gelezen: "Vervloekt voor het aangezicht des HEREN is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten." (Jozua 6:26). We hebben gezien dat alles wat betreft die vervloeking uit is gekomen.

 

In 1 Kon 16:34 herbouwde de Beteliet Chiël Jericho. Chiël betekent: God is leven. Chiël woonde in Bethel (= huis Gods). Dit nieuwe leven (het bouwen van Jericho) ging ten koste van Abiram, zijn eerstgeboren zoon, zoals was voorzegd. Abiram komt van dezelfde naam als Abraham, wat "verheven vader" betekent. Tevens ging de herbouw van Jericho ten koste van Segub, de jongste zoon van Chiël. Segub betekent verhoogd of verheven. De vader herbouwde Jericho ten koste van zijn oudste en zijn jongste zoon, oftewel ten koste van de eerste en de laatste, ten koste van de Alpha en de Omega, ten koste van de Verhoogde en de Verhevene! (dit wijst alles op Christus).

Dit alles was naar het woord des HEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun. Zo werd Gods Woord vervuld. En wanneer we naar de betekenis van al deze dingen zien, dan is het bijzonder, dat we ontdekken, dat alles op Christus wijst.

 

We zien in deze geschiedenis een beeld van de Vader en de Zoon. De Vader die in de hemel der hemelen troont, en "iets" gaat ondernemen, wat het leven van Zijn zoon gaat kosten. En de Zoon, “die, in de gestalte Gods zijnde, heeft het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken” (Fil 2:6-9).

 

Christus heeft de vloek gedragen, Hij was vervloekt omwille van de mens. Hij stierf de misdadigersdood, die wij hadden verdiend. Hij, die geen zonde gekend heeft, heeft God tot zonde gemaakt. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. (Gal 3:13)

 

Jericho was dus een mooie stad om te zien. Maar het water was slecht. Dit "slecht" heeft in het Hebreeuws de betekenis van "kwaad". "En de landstreek veroorzaakt misgeboorte." (2 Kon 2:19)

Voor landstreek staat in het Hebreeuws "aeretz", wat ook door aarde of land vertaald kan worden. Deze "aeretz" bracht misgeboorte voort, omdat er iets IN was wat niet deugde.

 

In den beginne was alles zeer goed. (Gen 1). God had alles zeer goed gemaakt, maar God had geen marionetten gemaakt, die Hem automatisch moesten liefhebben. God had mensen gemaakt met een vrije wil, die ervoor konden kiezen om Hem lief te hebben. En we weten dat de mens zou kunnen zondigen, en dat is ook gebeurd. Door de zonde kwam er iets IN de schepping wat niet deugde. Hierdoor misten de mensen hun doel, en ontstonden er "misgeboorten".

 

Het Zout in het Water

Het water in Jericho veroorzaakte dus misgeboorten. "Misgeboorte" kan ook net zo goed vertaald worden met "onvruchtbaar". Door de onvruchtbaarheid was het een water des doods. En daarom komen de mannen van de stad bij Elisa, en vertellen hem dat het water van Jericho een groot probleem is, wat tot dusver door niemand opgelost kon worden. Toen zeide Elisa: "Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. En de mannen van Jericho haalden een nieuwe schotel met zout daarin" (2 Kon 2:20).

 

Wat is nu de betekenis van het zout? We weten dat zout bederf-werend is, en zout geeft smaak aan iets. Zout heeft in vroege tijden ook gediend als betaalmiddel. In het woord salaris ziet het woordje "sal", dit is Latijns voor zout. De letterlijke vertaling van salaris is "jaargeld".

Tevens staat zout eten voor een teken van verbondenheid en gastvrijheid. Maar we moeten niet denken dat het zout het water weer gezond maakte in Jericho. Nee, er staat duidelijk in 2 Kon 2:21: "Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond." Waarom moest er dan zout aan te pas komen?

 

Enkele teksten waar we "zout" terugvinden:

  • Lev 2:13 "En elke offergave van uw spijsoffer zult gij zouten, gij zult het zout van het verbond uws Gods aan uw spijsoffer niet laten ontbreken; bij al uw offergaven zult gij zout voegen."
  • Num 18:19 "Alle heffingen der heilige gaven, die de Israëlieten als heffingen de HERE brengen, geef Ik u en uw zonen en uw dochters met u tot een altoosdurende inzetting, een altoosdurend zoutverbond is het voor het aangezicht des HEREN voor u en uw nakomelingschap."
  • 2 Kron 13:5 "Is het u niet bekend, dat de HERE, de God van Israël, het koningschap over Israël voor altijd aan David gegeven heeft, aan hem en aan zijn zonen, een zoutverbond?
  • Ezra 6:9 "En wat er nodig is: jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters te Jeruzalem, dat moet hun dag aan dag volledig ter beschikking worden gesteld."
  • Ezra 7:22 "Tot een bedrag van honderd talenten zilver, honderd kor tarwe, honderd bath wijn, honderd bath olie, en zout in onbeperkte mate."
  • Ez 43:24 "Gij zult ze voor het aangezicht des HEREN brengen, en de priesters zullen zout op hen strooien en ze offeren als een brandoffer voor de HERE."
  • Mat 5:13 "Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden."

 

Uit deze bijbelgedeelten kunnen we enkele dingen vaststellen. Bij elk spijsoffer moest zout gedaan worden. Het zout wordt zelfs " het zout van het verbond uws Gods" genoemd. (Lev). En de Heere noemt de inzettingen die Hij het volk Israël geeft een "altoosdurend zoutverbond". (Num).

Dit "zout" beklemtoont de duurzaamheid en onbederfelijkheid van Gods beloften. Het beklemtoont de totstandkoming en de vervulling van Gods beloften. Gods onwrikbare duurzame raadsbesluit ligt ten grondslag aan Gods beloften. Het zout drukt het "vaststaan" van al deze feiten uit. Daarom moest er zout in onbeperkte mate voorhanden zijn. (Ezra 7:22). God werkt altijd naar de raad van Zijn wil, en tot lof Zijner heerlijkheid (Efeze 1). Niets is voor de Heere te wonderlijk.

 

Een Nieuwe Schotel

We gaan weer even terug naar 2 Kon 2:20, waar ook nog staat:

  • "Haalt mij een nieuwe schotel."

 

Waarom moest er nu perse een nieuwe schotel worden gebruikt om het water van Jericho weer gezond te maken? Het moest perse een nieuwe schotel zijn, omdat de Heere in het verborgen door het eerste wonder van Elisa wilde meedelen, dat het oude (zout)verbond zou worden vervangen door een nieuw verbond. Terwijl het oude verbond nog in werking was liet de Heere hierdoor zien dat er een nieuw verbond zou komen. Daarom moest er een nieuwe schotel worden gehaald. Het volk Israël zou geboren worden uit geest en water. Water is een beeld van Gods Geest en tegelijk ook een beeld van Gods Woord. Door Gods Geest en door Gods Woord zal Israël in de toekomst opnieuw geboren worden.

 

Een prachtige illustratie van het oude tegenover het nieuwe geeft ons Zacharia 8:

  • ''Al zal dit in de ogen van het overblijfsel van dit volk in die dagen te wonderlijk zijn, zou het dan ook in Mijn ogen te wonderlijk zijn? luidt het woord van de HERE der heerscharen. Zo zegt de HERE der heerscharen: Zie, Ik verlos mijn volk uit het land van de opgang en uit dat van de ondergang der zon; Ik breng hen terug en zij zullen binnen Jeruzalem wonen. Zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn, in trouw en in gerechtigheid." (Zach 8:6-8).
  • "Gelijk gij onder de volken een vervloeking geweest zijt, o huis van Juda en huis van Israël, zo zult gij, doordat Ik u heil schenk, een zegen worden; vreest niet, laten uw handen sterk zijn. Want zo zegt de HERE der heerscharen: Zoals Ik Mij voorgenomen had u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij vertoornden, zegt de HERE der heerscharen, en het Mij niet berouwde, zo heb Ik in deze dagen Mij weer voorgenomen Jeruzalem en het huis van Juda wèl te doen; vreest niet! Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten; beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord des HEREN." (Zach 8:13-17).
  • "Zo zegt de HERE der heerscharen: Wederom zullen er volken komen en inwoners van vele steden, en de inwoners van de ene zullen zich begeven naar die van de andere, en zeggen: Laten wij toch heengaan om de gunst des HEREN af te smeken en om de HERE der heerscharen te zoeken; ook ik wil gaan. Ja, vele natiën en machtige volken zullen komen om de HERE der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en de gunst des HEREN af te smeken. Zo zegt de HERE der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is." (Zach 8:20-23).

 

Ook Ezechiël mag door God ingeblazen woorden spreken over de toekomst van Israël:

  • "De hand des HEREN kwam op mij, en de HERE voerde mij in de geest naar buiten en zette mij neer in een dal; dat was vol beenderen. Hij deed mij daar aan alle kanten omheen lopen en zie, zij lagen in grote menigte door het dal verspreid, en zie, zij waren zeer dor. En Hij zeide tot mij: Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven? En ik zeide: Here HERE, Gij weet het. Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: gij dorre beenderen, hoort het woord des HEREN. Zo spreekt de Here HERE tot deze beenderen: Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat Ik de HERE ben. Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden; ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen." (Ez 37:1-8).
  • "Daarop zeide Hij tot mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt de Here HERE: kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven. Toen profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger. Voorts zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israëls. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here HERE: zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls. En gij zult weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord des HEREN." (Ez 37:9-14).

 

Dan, te dien dage, in de toekomst zal de Heere Zijn geliefd volk Israël doen nederliggen in grazige weiden. Hij zal hen voeren aan rustige wateren. Het zal hen aan niets ontbreken. Hij zal hen leiden in de rechte sporen, om Zijns Naams wil. Dan zal Israël het zout der aarde zijn en een geur van Christus onder de volkeren verspreiden. Dan zal heel de aarde vol zijn van de kennis des Heeren.

 

Het is geweldig te zien, hoe in het eerste wonder, wat Elisa mocht doen, de complete heilsgeschiedenis van het volk Israël in het verborgen word verkondigd. En zo leren we ook dat alles in Gods Woord een diepere betekenis heeft. Men zegt wel eens dat de bijbel ook maar door mensen is geschreven. Maar broeders en zusters, wanneer over het eerste wonder van Elisa, wat slecht in vier verzen (2 Kon 2:19-22) in Gods Woord wordt uiteengezet, al zoveel te zeggen valt, dan kunnen we slecht in verbazing aanschouwen, hoe geweldig groots de Heere zelf Zijn Woord heeft samengesteld, door het de schrijvers door Zijn Geest in te blazen, zodat ze opschreven wat Hij wilde.

Jericho 2007 (Zie volgende afbeelding de plattegrond)

  • Jericho (Hebreeuws: Jericho, Arabisch: Er-Riha) is een stad op de Westelijke Jordaanoever, ongeveer 5 kilometer van de rivier de Jordaan en ongeveer 15 kilometer ten noordwesten van de Dode Zee. De stad ligt ongeveer 260 meter onder zeeniveau. In 2000 had de stad ongeveer 7000 inwoners. De stad wordt bestuurd door de Palestijnse Autoriteit.

Deel 5 volgt DV

Bert Boersma oktober 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

De Profeet Elisa (Deel 5)

(Deel 5 en deel 6 handelen beide over het tweede wonder van Elisa)

 

De spottende knapen van Bethel (2e Wonder)

  • "Vandaar ging hij naar Bethel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop! Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria." (2 Kon 2:23-25)

 

Naar de mens gesproken een gruwelijke geschiedenis. Maar we moeten ons altijd realiseren, dat ook deze geschiedenis niet zonder reden in Gods Woord staat opgetekend. Ook deze geschiedenis wijst naar de Christus der Schriften, net zoals de namen van Elia en Elisa naar de Christus heen wijzen. We zullen in het vervolg van deze bijbelstudie steeds zien, dat alle wonderen van Elisa wijzen op Christus.

 

Er kwamen dus kleine knapen uit de stad, die de spot met Elisa dreven en hem toeriepen: “Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop!” Hier wordt een dienaar van God, iemand die "de mantel" toegeworpen had gekregen bespot en uitgescholden. Hiermee werd in wezen God zelf door die knapen uitgescholden. Hadden ze dat zelf in de gaten? (Komen we later op terug). Ze riepen dus: "Kaalkop", dat betekent zeer waarschijnlijk dat Elisa ook inderdaad kaal was. Uit de schrift weten we dat Elisa na deze gebeurtenis nog 50 jaar heeft geleefd, dan mogen we de conclusie trekken, dat Elisa al vroeg kaal was.

 

Vandaar ging hij naar Bethel

Elisa was dus op reis van Jericho naar Bethel, anders gezegd: Elisa ging van Jericho óp naar het huis Gods. Want dát betekent Bethel. Elisa ging van "de vloek" óp naar het huis Gods. Dit is ook een beeld van Israël en Christus. Israël lag ook onder de vloek (der wet):

  • "Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. (Gal 3:10)

 

Maar "Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. (Gal 3:13)

Christus moest de dood in, én opstaan, om te gaan naar Gods Huis.

Bethel was in die dagen bekend om iets wat in tegenspraak was met zijn naam. Er stond namelijk in de tijd van Elisa een gouden kalf in Bethel. We lezen daarover in 1 Kon 12:28-32:

  • "Toen overlegde de koning (Jerobeam over Israël, de 10 stammen) en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid. Hij stelde het ene op te Bethel en het andere plaatste hij te Dan. En dit werd een oorzaak tot zonde. Zelfs was het volk voor het ene (beeld) uitgelopen tot Dan toe. Verder maakte hij tempels op de hoogten, en stelde priesters aan uit alle kringen van het volk, die niet tot de Levieten behoorden. Ook voerde Jerobeam een feest in voor de achtste maand, voor de vijftiende dag dier maand, overeenkomstig het feest in Juda, en hij besteeg het altaar. Zo deed hij te Bethel en offerde aan de kalveren die hij gemaakt had. Daarbij liet hij telkens de priesters der hoogten, die hij aangesteld had, in Bethel optreden."

 

Toen Israël verdeeld was in een twee-stammen en een tien-stammen rijk, was koning Jerobeam, die over de tien stammen regeerde, bang dat zijn volk naar Jeruzalem, naar de tempel zou gaan om te offeren, want Jeruzalem lag in het twee-stammen rijk. Daarom maakte hij twee gouden kalveren, die hij het volk als hun goden voorstelde. Hij bouwde tempels voor het volk, en hij stelde lukraak priesters uit het volk aan, om dienst te doen in die afgoden-tempels. Hij hield er totaal geen rekening mee, dat God had gezegd, dat de priesters uit de Levieten moesten komen. Daarmee liet hij eigenlijk zien, dat hij al Gods wetten aan zijn laars lapte. Zo stelde Jerobeam de afgoden dienst dus ook in Bethel in.

 

Wanneer ik dit alles lees, dan vraag ik mij altijd af, hoe is het mogelijk dat dit volk steeds weer zo ver afdwaalde. Het volk, wat zoveel met de Heere had meegemaakt, die door God zelf uit Egypte was geleid, die God overdag beschermde met een wolkkolom en 's nacht de weg verlichte met een vuurkolom, die met Zijn tabernakel daadwerkelijk bij hun aanwezig was, en die zeer duidelijk gezegd had:

  • "Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. Gij zult u geen gesneden beeld maken van enige gestalte, die boven in de hemel of onder op de aarde is of die in de wateren onder de aarde is. Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen." (Deut 5:6-9)

 

Ook ten tijde van de profeet Hosea waren de afgoden nog steeds in het land, en aanbad het volk de Baäl, we lezen in Hosea 13:2:

  • "Ook nu gaan zij voort met zondigen en maken zich gegoten beelden van hun zilver, afgodsbeelden, naar eigen inzicht, alles het werk van metaalbewerkers. Men zegt van hen: De mensen die offeren, kussen kalveren."

 

Broeders en zusters, laat ons dit alles tot een les zijn, want ook heden ten dage zijn er vele afgoden, ze worden vaak niet zo genoemd, maar ze zijn het wel. U kunt ze zelf wel bedenken. Daarom geldt ook nu, laten we nauwgezet volgens Gods Woord wandelen, en zoeken die dingen die boven zijn, en niet die op deze aarde zijn, want we behoren ons ernaar uit te strekken om burgers van een rijk in de hemelen te zijn, en die roeping waardig te wandelen!

 

Van Bethel zegt God zelf:

  • "Ik bende God van Bethel, waar gij een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig, ga uit dit land weg en keer naar het land uwer maagschap terug." (Gen 31:13).

 

We leren hier ook uit dat satan de naäper is van God. De satan buigt altijd goede dingen om, teneinde er iets van te maken, wat van God af leidt. Zo gebruikt hij hier mensen, én mensen laten zich gebruiken om de tempeldienst van Jeruzalem te immiteren om het volk tot afgoderij te brengen.

 

Nog een duidelijk voorbeeld hoe satan te werk gaat lezen we in 2 Kon 18:1-4, waar we lezen hoe de door Mozes gemaakte koperen slang, die in de woestijn voor het volk Israël "ten leven" was opgericht (Num 21:9), later als afgod misbruikt werd:

  • "In het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, werd Hizkia koning, de zoon van Achaz, de koning van Juda. Vijfentwintig jaar was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Abi; zij was een dochter van Zekarja. Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader David gedaan had. Hij verwijderde de offerhoogten, verbrijzelde de gewijde stenen en hieuw de gewijde palen om; ook sloeg hij de koperen slang stuk, die Mozes gemaakt had, omdat tot op die tijd de Israëlieten daaraan plachten te offeren. En men noemde haar (de slang) Nechustan."

 

Toen Elisa op weg was naar Bethel, was er dus een andere god die daar aanbeden werd. Een naar eigen begeerte gemaakte god. Een gouden kalf. Er was geen geloof in de Ene waarach-tige God. Men had een offerdienst ingesteld, welke een afgoden dienst was. Zo was Bethel, het "Huis Gods", een afgoden plaats geworden.

 

Wanneer we de Bijbel onderzoeken, en we zien, waar Bethel voor de eerste keer voorkomt, dan ontdekken we dat de naam Bethel voor het eerst voorkomt in Gen 12:7-8:

  • "Toen verscheen de HERE aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HERE, die hem verschenen was. Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Bethel, en hij spande zijn tent, met Bethel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE en riep de naam des HEREN aan."

 

De plaatsnaam Bethel bestond toen nog niet, maar Mozes, die Genesis later geschreven heeft, gebruikt de naam, om het gebied, de plaats aan te duiden waar Abram een altaar voor de Heere bouwde.

 

Later, in Gen 28 komen we "Bethel" weer tegen bij de geschiedenis van de kleinzoon van Abraham:

  • "Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran. En hij bereikte een plaats, waar hij bleef overnachten, omdat de zon ondergegaan was. En hij nam een van de stenen der plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats slapen. Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder. En zie, de HERE stond bovenaan en zeide: Ik ben de HERE, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd. Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Waarlijk, de HERE is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. En hij vreesde en zeide: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels. De volgende morgen vroeg nam Jakob de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, stelde die tot een opgerichte steen en goot er olie bovenop. En hij noemde die plaats Bethel, maar tevoren was de naam der stad Luz." (Gen 28:10-19)

 

Het was Jacob, die de naam van die plaats heeft bepaald. Jacob wist niet op welke plaats hij zich te rustte begaf, maar na zijn droom, en na de hernieuwde belofte van God, wist hij het wel. En dan zalft hij de steen, die hem als hoofdkussen gediend had.

Maar hij zalfde de steen niet zomaar, nee, hij nam die steen, en stelde die tot een opgerichte steen.

Dat wijst ons op dé Opgerichte Steen, de opgestane Christus, de Gezalfde. Zo mogen we zien dat Gods Woord altijd en overal wijst op de Christus der Schriften.

 

Even verder in Gen 35 komen we Bethel weer tegen:

  • "En God zeide tot Jakob: Maak u reisvaardig, trek naar Bethel, blijf daar, en richt er een altaar op voor de God, die u verschenen is, toen gij vluchttet voor uw broeder Esau. Toen zeide Jakob tot zijn huis en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in uw midden zijn, reinigt u en verwisselt uw klederen. Laten wij ons dan gereed maken en naar Bethel trekken, en ik zal daar een altaar oprichten voor die God, die mij geantwoord heeft ten dage mijner benauwdheid, en die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben. Toen gaven zij Jakob al de vreemde goden die in hun bezit waren, en de ringen die in hun oren waren, en Jakob begroef ze onder de terebint die bij Sichem is. Daarna braken zij op. En de schrik voor God viel op de steden rondom hen, zodat zij de zonen van Jakob niet achtervolgden. Toen Jakob aangekomen was te Luz, in het land Kanaän, – dat is Bethel – hij en al het volk dat bij hem was, bouwde hij daar een altaar, en hij noemde die plaats El-Bethel, omdat God Zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij voor zijn broeder vluchtte." (Gen 35:1-7) El-Bethel = De God van het huis Gods.
  • "En God verscheen wederom (in Bethel) aan Jakob, bij zijn komst uit Paddan-Aram, en zegende hem; en God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar Israël zal uw naam zijn. En Hij noemde hem Israël. En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen. En dit land, dat Ik Abraham en Isaak gegeven heb, zal Ik u geven; en uw nageslacht zal Ik dit land geven. En God voer op van hem ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had. En Jakob zette een opgerichte steen ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had, een stenen zuil, en hij stortte een plengoffer erover uit en goot er olie op. En Jakob noemde de plaats, waar God met hem gesproken had, Bethel." (Gen 35:9-15)

Weer lezen we over "de opgerichte steen" die gezalfd werd met olie.

 

Even later in Gen 35:18 krijgen Rachel en Jacob een zoon, Rachel noemde hem Ben-Oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin. Rachel mocht een zoon baren, maar zij overleefde de bevalling niet. Jacob begroef Rachel aan de weg naar Efrat, dat is Betlehem. En Jakob zette op haar graf een opgerichte steen, dat is de opgerichte steen van Rachels graf tot op heden. (Gen 35:18-20).

Ook dit getuigd van het geloof van Jacob. Jacob wist dat het met de dood niet afgelopen was. Daarom die opgerichte steen op Rachels' graf, ziende op de komende Verlosser, de Opgestane Heer.

 

Nog iets over de zoon van Rachel en Jacob. Rachel noemde hen Ben-Oni, dat betekent "Zoon van mijn smart", maar Jacob noemde hem Benjamin, dat betekent "Zoon van mijn rechterhand".

Beide namen wijzen naar de Heere Jezus Christus. Christus moest eerst een "Man van smarten" worden om door Zijn geloofsgehoorzaamheid tot een "Zoon van Mijn rechterhand" te worden.

 

Honderden jaren daarna is Elisa op reis naar Bethel. Er is in al die jaren heel wat gebeurd in Bethel. Toen Jacob optrok naar Bethel, had Jacob zijn huis en allen die bij hem waren bevolen hun afgoden weg te doen, ze moesten zich reinigen, en zelfs hun klederen verwisselen. Zó trok Jacob met de zijnen op naar Bethel. Die gehoorzaamheid van Jacob had tot gevolg dat de schrik voor God viel op de steden rondom hen, zodat de volken de zonen van Jakob niet achtervolgden. Dát werkt gehoorzaamheid uit.

 

Een groot verschil met de tijd van Elisa. Toen was Bethel vol afgoderij, en de god van Bethel was een kalf, waarvoor tempeldiensten werden gehouden, door valse priesters bediend. Men lag in een afgoden tempel op de knieën voor een kalf!

 

Deel 6 volgt DV

Bert Boersma oktober 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 6)

(Deel 5 en deel 6 handelen beide over het tweede wonder van Elisa)

De spottende knapen van Bethel

(vervolg 2e Wonder)

  • "Vandaar ging hij naar Bethel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop! Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria." (2 Kon 2:23-25)

 

Kleine knapen

Toen Elisa de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop! (2 Kon 2:23).

We kunnen ons afvragen, wie zijn die kleine knapen, was dit nou kattekwaad van kleine jongetjes, of was hier meer aan de hand? Voor "klein" bestaan er in het Hebreeuws twee woorden: Als eerste “katan” = klein, jong, onbelangrijk. Het tweede woord voor knaap = “na'ar”, en dat betekent jongeling, knaap, knecht, jeugdige. In 2 Kon 2:23 en in onderstaande teksten vinden we voor het woord "knaap" het woord “Na'ar”:

2 Kron 34:1-5:

  • "Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig jaar te Jeruzalem. Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links. In het achtste jaar (hij was toen dus 16 jaar oud) zijner regering, toen hij nog jong (= na'ar) was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken, en in het twaalfde jaar begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden. Men brak in zijn tegenwoordigheid de altaren der Baäls af; de wierook-altaren die daarop stonden, hieuw hij om; de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden verbrijzelde en verpulverde hij, en het stof strooide hij op de graven van hen die daaraan geofferd hadden; de beenderen der priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem."

Gen 46:12

  • "Nu was daar bij ons een Hebreeuwse jongeman (= na'ar), een slaaf van de overste der lijfwacht, en wij vertelden hem onze dromen, en hij legde ze ons uit; aan ieder gaf hij uitleg naar zijn droom.

Dan 1:4

  • "Knapen(= na'ar)zonder enig gebrek, schoon van uiterlijk, ervaren in allerlei wijsheid, in het bezit van kennis, met inzicht in wetenschap, geschikt om dienst te doen in het paleis des konings, en hen te onderwijzen in de geschriften en de taal der Chaldeeën."

Gen 37:28-30

  • "Toen Midjanitische mannen, kooplieden, voorbijgingen, trokken zij Jozef omhoog, haalden hem op uit de put en verkochten Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten; en dezen brachten Jozef naar Egypte. Toen Ruben bij de put kwam, zie, Jozef was niet in de put. En hij scheurde zijn klederen, keerde naar zijn broeders terug en zeide: De knaap(= na'ar)is er niet, en ik, waar moet ik heen? (Gen 37) Jozef was toen net 17 jaar geweest, dat is in het voorgaande te lezen.

Richt 8:20

  • "Maar de knaap(= na'ar)trok zijn zwaard niet, omdat hij bang was, want hij was nog jong."

Spr 22:6

  • "Oefen de knaap (= na'ar)volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken."

Spr 20:11

  • "Reeds een knaap(= na'ar)laat zich door zijn handelingen kennen, of zijn doen zuiver is en recht."

1 Kron 29:1

  • "Daarop zeide koning David tot de gehele gemeente: Mijn zoon Salomo, de enige, door God verkoren, is nog een tengere knaap (= na'ar), en het werk is groot, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de HERE God."

Uit het voorgaande kunnen we weten dat Salomo toen ongeveer 19 jaar oud was.

 

We hebben in bovenstaande teksten gezien, dat een knaap kan zijn:

  • In staat te regeren, en in staat de afgoden uit het land te verwijderen.
  • Ervaren in allerlei wijsheid, in het bezit van kennis, met inzicht in wetenschap, geschikt om dienst te doen in het paleis van de koning, en hen te onderwijzen in de geschriften en de taal der Chaldeeën.
  • Zelfstandig op reis kan gaan om zijn broeders in het veld op te zoeken (Jozef)
  • In staat is om een zwaard te trekken.
  • Onderscheid heeft in goed en kwaad (Spr 20:11).

 

Dan mogen we de conclusie trekken dat het in het geval van de bespotting van Elisa, jongeren geweest zijn, die het toegerekend kan worden.

En misschien mogen we ook de voorzichtige conclusie trekken dat hun ouders nalatig geweest waren in de opvoeding van hun "knapen", gezien de goddeloze leef-omgeving die er toen in Bethel heerste.

Want de Bijbelse vermaning is duidelijk:

  • "Richt uw hart op de vermaning en uw oor op woorden van verstand. Onthoud de tucht niet aan de knaap; slaat gij hem met de stok, hij sterft er niet van." (Spr 23:12-13)

 

Kom op = Ga op

"Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop!" Dat schreeuwden de knapen uit Bethel tegen Elisa.

De staten vertaling heeft dit vertaald met: "Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!" Dát is een juiste vertaling, want het Hebreeuwse werkwoord wat hier gebruikt is, is "ala", en dat betekent "opgaan". ("EL AL" = naar boven). De tekst zegt ook duidelijk dat het spottend is bedoeld. Ze bedoelen te zeggen, dat Elisa maar net als Elia moet wegwezen naar boventoe, dan hebben ze geen last meer van hem. (Elisa was immers ook opgevaren naar boven naar de Heere). Ze hadden in Bethel helemaal geen behoefte aan zo'n profeet van de Heere, die hen misschien wel wilde terecht wijzen.

 

In dit verband lezen we in 2 Kon 2:1:

  • "Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen (= Hebreeuws = “ala”), dat Elia met Elisa uit Gilgal ging." En in 2 Kon 2:11: " En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer (Hebreeuws = “ala”) Elia in een storm ten hemel."

 

Beide keren, in vers 1 "opnemen", en in vers 11 "voer" (ten hemel), wordt het werkwoord "ala" gebruikt.

 

Het gevolg van deze bespotting is een vervloeking in de naam des Heeren van de knapen door Elisa, met als gevolg dat twee berinnen 42 van die kinderen verscheurden. Er staat niet dat er 42 kinderen waren, maar dat van die spottende kinderen 42 gedood werden. Waarom nou precies 42?

 

Het getal 42

Wanneer we in Gods Woord op zoek gaan naar dit getal 42, dan ontdekken we welke betekenis het getal 42 in de Bijbel heeft:

  • Toen Israël uit Egypte trok, ging het onder Gods hoede door de woestijn van plaats naar plaats. In Numeri 33 kunnen we al die pleisterplaatsen in volgorde lezen. Van Egypte tot de Plaats Ai vinden we 42 plaatsen. Het heeft 42 plaatsen geduurd voordat Israël het beloofde land van God ontvangt.
  • In Mattheus 1 lezen we het geslachtsregister van Jezus Christus, de zoon van David. In Math 1:17 Lezen we: "Al de geslachten dan van Abraham tot David zijn veertien geslachten en van David tot de Babylonische ballingschap veertien geslachten en van de Babylonische ballingschap tot de Christus veertien geslachten." Wanneer we al die namen tellen, dan ontdekken we dat er 2 x 14 en 13 = 41 namen staan. Dus zouden we kunnen denken, er is één te weinig. Maar in Math 1:16 lezen we: "Jakob verwekte Jozef, de man van Maria, uit wie Jezus geboren is, die Christus genoemd wordt." Jezus is dan nummer 41, en meer zijn er niet. Maar Broeders en zusters, Jezus is niet dezelfde als Christus. Christus is de opgestane, de verheerlijkte, die zit aan de rechterhand des Vaders. Weet u nog, de jongste zoon van Rachel, Rachel noemde hem Ben-Oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin. (Gen 35:18) Jezus was de "zoon van mijn smart", en Christus is "de zoon van mijn rechterhand". Het zijn twee verschillende personen. Zo maakt Christus het getal 42 vol, en komen we dus in het geslachtsregister van Matheüs 1 toch aan 3 x 14 namen.
  • De belofte aan Abraham, die we lezen in Gen 13:15: "Want al dit land, dat gij ziet, zal Ik u geven, en aan uw zaad, tot in eeuwigheid." Er staat "zaad", dat is enkelvoud, en dat wijst op Christus. Zo zien we dat de belofte aan Abraham na 42 geslachten wordt vervuld. We zien hierin hoe geweldig Gods Woord in elkaar zit. En hoe bijzonder de positie van Christus is.
  • Het getal 42 spreekt ook van de dood. "En hij (Jehu) gebood: Grijpt hen levend. Toen grepen zij hen levend en sloegen hen dood bij de put van Bet-Eked, tweeënveertig man; niemand van hen liet hij over." (2 Kon 10:14).
  • Dit had Jehu gedaan uit ijver voor de HERE. Ook liet Jehu allen die van Achabs huis in Samaria overgebleven waren, doodslaan, totdat hij het had uitgeroeid, volgens het woord, dat de HERE tot Elia gesproken had. (2 Kon 10:16-17).
  • Ook de tekst van ons onderwerp (2 Kon 2:24), bepaalde ons reeds bij de 42 knapen die gedood werden.
  • Openbaring 11:1-3: "En mij werd een riet gegeven, een staf gelijk, met de woorden: Sta op en meet de tempel Gods en het altaar en hen, die daarin aanbidden. Maar laat de voorhof, die buiten de tempel is, erbuiten, en meet die niet; want hij is aan de heidenen gegeven; en zij zullen de heilige stad vertreden, tweeënveertig maanden lang. [Dat is die tijd van de grote verdukking voor het volk Israël, waar we reeds eerder over gesproken hebben]. En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang."
  • In die 42 maanden regeert de valse religie. Ná die 42 maanden zal de belofte vervuld worden. en zal het Koningschap voor Israël aanbreken, en zal Christus Zich in Zijn glorieuze heerlijkheid manifesteren.

Die 42 maanden vinden we ook in Openbaring 13:1-5 "En ik zag uit de zee een beest opkomen met tien horens en zeven koppen; en op zijn horens tien kronen en op zijn koppen namen van godslastering. En het beest, dat ik zag, was een luipaard gelijk, en zijn poten als van een beer en zijn muil als de muil van een leeuw. En de draak gaf hem zijn kracht en zijn troon en grote macht. En (ik zag) een van zijn koppen als ten dode gewond, en zijn dodelijke wond genas; en de gehele aarde ging het beest met verbazing achterna, en zij aanbaden de draak, omdat hij aan het beest de macht gegeven had, en zij aanbaden het beest, zeggende: Wie is aan het beest gelijk? en: Wie kan er oorlog tegen voeren? En hem werd een mond gegeven, die grote woorden en godslasteringen spreekt; en hem werd macht gegeven dit tweeënveertig maanden lang te doen." [Dit is weer in diezelfde tijd van de grote verdrukking].

 

In deze voorbeelden uit Gods Woord hebben we gezien dat het getal 42 ons bepaalt bij de toekomst, en tevens heeft het ons bij "spotternij" bepaald. In Handelingen 2 waren er al Joden, die met de discipelen spotten, toen de discipelen door de kracht van de Heilige Geest in vreemde talen spraken. Ook toen al ontging het de Joden waar het werkelijk om ging. We lezen dat ook duidelijk in 2 Petr 3:3-5, waar staat:

  • "Dit vooral moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: Waar blijft de belofte van zijn komst? Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is. Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God........................enz"

 

Hier is zelfs opzet in het spel, want er staat: "Willens en wetens!".

In Rom 1:23 zien we waar de spotternij op uitloopt:

  • "En zij hebben de majesteit van de onvergankelijke God vervangen door hetgeen gelijkt op het beeld van een vergankelijk mens, van vogels, van viervoetige en van kruipende dieren."

 

Maar broeders en zusters, de Heere is zeer duidelijk in Zijn Woord: "Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten. Want wat een mens zaait, zal hij ook oogsten." (Gal 6:7)

De Heere doet wat Hij zegt, ook al duurt het 42 pleisterplaatsen in de woestijn.

 

De berg Karmel

  • En hij (Elisa) ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria." (2 Kon 2:23-25).

Karmel betekent "wijngaard". Een "berg" duidt in de Bijbel altijd op een koninkrijk, in dit geval op het Koninkrijk van God. Na de spotternij (van de knapen), en na het oordeel (42 doden) komt het Koninkrijk van God. En wat het volk Israël betreft (in de toekomst): Na het oordeel, en na de grote verdrukking, mag het gelovig overblijfsel van Israël in Gods "wijngaard" vertoeven onder Koningschap van Christus.

 

De gelijkenis van de wijngaard:

  • "Hij begon tot het volk deze gelijkenis te spreken: Iemand plantte een wijngaard en hij verhuurde die aan pachters en ging geruime tijd buitenslands. En toen het de tijd was, zond hij een slaaf tot de pachters, opdat zij hem van de vrucht van de wijngaard zouden geven. Maar de pachters sloegen hem en zonden hem met lege handen weg. Maar hij ging voort en zond een andere slaaf. Zij sloegen ook die, behandelden hem smadelijk en zonden hem met lege handen weg. En hij ging voort en zond een derde. Zij verwondden ook die en wierpen hem buiten de wijngaard. Toen zeide de heer van de wijngaard: Wat moet ik doen? Ik zal mijn geliefde zoon zenden; die zullen zij wel ontzien. Maar toen de pachters hem zagen, overlegden zij met elkander en zeiden: Dit is de erfgenaam: laten wij hem doden, opdat de erfenis voor ons zij. En zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. Wat zal dan de heer van de wijngaard met hen doen? Hij zal komen en die pachters ombrengen en de wijngaard aan anderen geven. Maar toen zij dat hoorden, zeiden zij: Dat nooit! Maar Hij zag hen aan en zeide: Wat betekent dan dit, dat er geschreven is: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden? En ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. En de schriftgeleerden en overpriesters trachtten op hetzelfde ogenblik de hand aan Hem te slaan, maar zij vreesden het volk. Want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had." (Lucas 20:9-19) (De wijngaard = Israël = Jesaja 5)

 

De schriftgeleerden en overpriesters hadden zeer goed in de gaten, dat ze zelf op de korrel genomen werden, maar ze werden niet beschaamd in hun hart, en ze bekeerden zich niet. Nee, integendeel, willens en wetens wilden ze de Heiland doden.

Ze wilden stoppen bij het 41 ste geslacht. Maar God gaat door met de volvoering van Zijn plan! Hij laat niet met zich spotten! Hij komt in Christus op de "Karmel" tot Zijn doel!

 

Als laatste nog even iets over deze gelijkenis, die de Heere sprak. We hebben gelezen:

  • Iemand plantte een wijngaard en hij verhuurde die aan pachters”.

 

Dit wijst erop dat De Heere Zijn beloften deed aan Abraham, en dat er uit Abraham een groot volk zou komen = Israël, dat zijn die pachters.

Daarna lezen we dat de heer van die wijngaard verschillende slaven naar zijn pachters zond, dat wijst erop dat de Heere heel vaak Profeten naar Israël zond om het weer naar de Heere terug te brengen, maar alle profeten zijn door Israël schandelijk behandeld, en vaak gedood. Dan zien we dat er staat:

  • Ik zal mijn geliefde zoon zenden; die zullen zij wel ontzien. Maar toen de pachters hem zagen, overlegden zij met elkander en zeiden: Dit is de erfgenaam: laten wij hem doden, opdat de erfenis voor ons zij. En zij wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem.”

 

Dit wijst erop dat Gods geliefde Zoon naar Israël werd gezonden, want we lezen in Joh 1 dat de Heere kwam voor de Zijnen, voor het volk Israël. Maar de Zijnen hebben Hem gedood. En in het laatste gedeelte lezen we over “De steen, (= de rots = Christus) die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden? En ieder, die op die steen valt, zal verpletterd worden; en op wie hij valt, die zal hij vermorzelen. En de schriftgeleerden en overpriesters trachtten op hetzelfde ogenblik de hand aan Hem te slaan, maar zij vreesden het volk. Want zij begrepen, dat Hij deze gelijkenis met het oog op hen gesproken had." (Lucas 20:9-19).

 

Deel 7 volgt DV

Bert Boersma oktober 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 7)

(Deel 7 en deel 8 handelen beide over het derde wonder van Elisa)

De Olie der Weduwe (3e Wonder)

Het derde wonder van Elisa komt na het tweede. Ja, logisch zult u misschien zeggen, maar het is toch vermeldenswaard, omdat het ook gezien de openbaring van Gods plan voor Israël opeenvolgend is. Want na het getal 42 uit het tweede wonder, wat van oordeel sprak, zien we dat in dit derde wonder "het beloofde" komt. Na het getal 42 (wat wijst op oordeel, een wat wijst op de grote verdrukking voor Israël in de toekomst) volgt het in overvloed uitgieten van de olie. Na de grote verdrukking van Israël volgt: "Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees." (waarvan in Hand 2:17 een voor-vervuling plaatsvond voor Israël).

 

Het derde wonder wat Elisa mocht doen, lezen we in 2 Kon 4:1-7:

  • "Een van de vrouwen der profeten riep tot Elisa om hulp en zeide: Uw knecht, mijn man, is gestorven, en gij weet zelf, dat uw knecht de HERE vreesde. En nu is de schuldeiser gekomen om mijn beide kinderen als slaven voor zich weg te halen. En Elisa vroeg haar: Wat kan ik voor u doen? Vertel mij, wat gij in uw huis hebt. En zij antwoordde: Uw dienstmaagd heeft niets in huis behalve een kruikje olie. Toen zeide hij: Ga heen, vraag buitenshuis vaten van al uw buren, ledige vaten; laat het er niet weinige zijn. Ga dan naar binnen, sluit de deur toe achter u en uw zonen en giet in al die vaten; en wat vol is, moet ge laten wegzetten. Zij ging van hem weg, sloot de deur achter zich en haar zonen toe; dezen plaatsten steeds (de vaten) bij haar en zij goot steeds door. Toen de vaten vol waren, zeide zij tot haar zoon: Breng mij nog een vat. Maar hij zeide tot haar: Er is geen vat meer. Toen hield de olie op te stromen. Zij ging het de man Gods vertellen, en deze zeide: Ga heen, verkoop de olie en betaal uw schuld, en leef met uw zonen van het overige."

 

Een prachtige geschiedenis. Er was een profeet gestorven, die profeet wordt een knecht van Elisa genoemd. Zijn weduwe zat met de handen in het haar. Wat nu? Waarschijnlijk hadden ze al niet rijk geleefd, maar toen haar man gestorven was, kon ze de touwtjes helemaal niet meer aan elkaar knopen. En die vrouw had ook nog twee kinderen die ze te eten moest geven. Bovendien had ze op één of andere manier ook nog een schuld, die ze niet kon aflossen. De schuldeiser had geen mededogen en had gedreigd, wanneer ze niet betaalde, dat hij dan haar twee kinderen kwam ophalen, om hem als slaven te dienen, of om hen als slaven te verkopen. Dan zou ze helemaal alleen en berooid achterblijven. Daarom riep ze om hulp tot Elisa.

 

Elisa kwam bij haar, en vroeg wat ze in huis had om de schulden af te lossen. En dat was nou net het probleem, want ze had helemaal niets in huis, waarmee ze de schuldeiser kon aflossen. Helemaal niets? Oh ja, ze had nog een klein kruikje, waar nog wat olie in zat. En toen zei Elisa, dat zij bij de buren en waar ook maar, naar lege vaten moest vragen, zoveel ze maar kon krijgen. En die vele vaten moest ze vol olie gieten.

 

En dán zien we het grotegeloofvan die weduwe. Want ze had ook kunnen denken: "Wat moet ik nou met zo'n raad? Ik heb maar één kruikje olie, en dat zullen er nooit meer worden." Maar we lezen niets van tegenwerpingen, we lezen alleen dat de weduwe ging doen wat haar opgedragen werd. In geloof ging zij aan het werk. En haar geloof gaf haar én haar kinderen overvloed en zegen!

 

Les voor ons: Het was een minimaal bezit van de weduwe: een klein kruikje met olie. Maar wat doet God een overvloedig werk door het geloof. Als God zegent, is dat overweldigend. We zien hier dat God het zeer geringe gebruikt om tot Zijn grote doel te komen. Wat zegt de Heere aan de gemeente te Filadelfia?

  • "Want gij hebt kleine kracht, maar gij hebt mijn woord bewaard en mijn naam niet verloochend." (Openb 3:8).

Die kleine kracht, daar gaat het om. Ooit heeft iemand gezegd: "Je kunt wel te groot zijn, maar nooit te klein om door God te worden gebruikt"

 

Wonderen en tekenen

Alle teksten die in de bijbel voorkomen, waar het over wonderen en tekenen gaat, gaan deze wonderen en tekenen van de Heere zelf uit. Het zijn de wonderen en tekenen van de Heere zelf, het zijn ZIJN wonderen en tekenen. Behalve als de na-aper van God ook wonderen en tekenen doet, maar dezen zijn vals, en alleen bedoeld om de mensen te verleiden.

De Heere zei:

  • "Zie, Ik maak een verbond; voor uw ganse volk zal Ik wonderen doen, die niet geschapen zijn op de ganse aarde, noch onder enige volken; alzo dat dit ganse volk, in welks midden gij zijt, des HEEREN werk zien zal, dat het schrikkelijk is, hetwelk Ik met u doe." (Ex 34:10).

De Heere maakte zich aan Zijn volk Israël bekend door tekenen en wonderen. En hij verzamelde voor Zich een volk door teken en wonderen:

  • "Om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen" (Deut 4:34).

Ten dienste van Israël

Alle in de bijbel beschreven tekenen en wonderen zijn ten dienste van Israël, of speciaal voor Israël. Altijd wanneer de Heere de Zijnen iets wilde meedelen of kenbaar maken, ging dat gepaard met tekenen en wonderen. Dit was heel speciaal het geval toen de Heere Jezus op aarde was temidden van Zijn volk, want toen wilde de Heere echt iets vertellen aan Zijn volk. En de boodschap was, dat het Koninkrijk aanstaande was. Het bestond niet, dat daar geen tekenen en wonderen bij hoorden. En dat werd door de enkeling toen ook wel verstaan. Zolang het Koninkrijk aangeboden werd, dus tot Handelingen 28:28, golden die regels.

Daarom zijn er heden ten dage NIET van de openlijke manifestaties van tekenen en wonderen. Omdat Gods volk nu terzijde is gezet. De Heere openbaart zich alleen op bovengenoemde wijze aan Zijn volk. Het volk Israël. dat eens aan de spits der volkeren zal staan, en dan zullen alle volkeren zien wie hun God is.

Reeds vanaf Egypte was de Heere bij Zijn volk aanwezig door tekenen en wonderen. De Heere, Zijn volk én tekenen en wonderen zijn eigenlijk een onafscheidelijk drietal.

De wonderen wijzen in het verborgen altijd naar de toekomst. Zo ook dit wonder van Elisa en de weduwe. Ze wijzen altijd op het grote plan van God, wat Hij met Zijn volk, en door Zijn volk met de wereld, tot uitvoering zal brengen. Uiteindelijk wijzen alle wonderen op Gods grote einddoel: God alles in allen, en allen in God.

We mogen uit Gods Woord weten dat “het gelovig overblijfsel” van het volk Israël een geweldige toekomst heeft. Dat is vast en zeker. Er zal nog een tijd van grote benauwdheid komen, maar het volk zal net als de weduwe om hulp roepen, en die hulp zal zeker komen in de persoon van de Koning der Koningen, de Heere Jezus Christus. En dán zal er net als bij de weduwe, want Israël is nu eigenlijk ook een “weduwe” zonder man, maar dan, in de toekomst zal er voor de gelovigen grote overvloed zijn. God zal in alles tot Zijn doel én Zijn eer komen.

En ook voor ons gelden deze dingen, zij het op een andere manier. Wij mogen weten door genade behouden te zijn, door het geloof, en dat niet uit onszelf, omdat het een gave van God is, en niet uit werken, opdat niemand roeme. Want zijn maaksel zijn wij, in Christus Jezus geschapen om goede werken te doen, die God tevoren bereid heeft, opdat wij daarin zouden wandelen. (Efeze 2:8-10).

En wanneer we door het geloof Gode welgevallig wandelen, zullen we ook een overvloed ontvangen. Dan mogen we ook ontdekken dat alles wat God in Zijn Woord zegt waarheid is. Dan krijgen we meer kennis van Zijn Woord, en meer kennis geeft meer licht, en dan ontdekken we rijke buit. (Psalm 119:162) Zo ontdekte de weduwe door het geloof ook een zeer rijke "buit".

Lege Vaten

We lazen in 2 Kon 4:3-4:

  • "Toen zeide hij: Ga heen, vraag buitenshuis vaten van al uw buren, ledige vaten; laat het er niet weinige zijn. Ga dan naar binnen, sluit de deur toe achter u en uw zonen en giet in al die vaten; en wat vol is, moet ge laten wegzetten."

In de Bijbel is vaker sprake van "vaten". Wanneer we ervan uitgaan dat de beschreven tekenen en wonderen ten dienste van Israël (en ons tot lering) zijn beschreven, dan is het zinvol om te onderzoeken wat die lege vaten te zeggen hebben. Het bekendste voorbeeld is waarschijnlijk het eerste optreden van de Heere Jezus te Kana. Daar waren ook lege vaten. De Heere zei daar: "Vult de vaten met water. En zij vulden ze tot de rand." (Joh 2:7) Hier worden lege vaten gevuld met water en verandert de Here Jezus water in wijn.

De lege vaten geven een beeld van de geestelijke armoedige toestand van het volk Israël ten tijde van de Heere Jezus. Het volk was "leeg", hun wegwijzers, hun "voorgangers" waren blinde leidslieden, die het volk bezig hielden met zelfbedachte wetten, die ook "leeg" waren.

Maar er is nog meer over die lege vaten daar bij die bruiloft te Kana te zeggen. Wat was nou ook al weer het probleem bij die bruiloft in Kana in Joh 2? De moeder van de Heere Jezus zei het Hem in vers 3: “Heere, zij hebben geen wijn.” De wijn was op.

 

En wat was het probleem met Israël, broeders en zusters? Toen ten tijde van die bruiloft te Kana zat Israël nog steeds bij de oude wijn, wat een beeld is van het oude verbond, zij beseften niet dat Diegene onder hen was, die het Nieuwe Verbond in werking wilde stellen.

 

En wat is nu, heden te dage het probleem met Israël? Zij zitten nog steeds bij de oude wijn, bij het Oude Verbond, tenminste voor zover het gelovige Joden betreft. En ze beseffen het eigenlijk helemaal niet, dat de oude wijn is allang op is. Die is al 2000 jaar op. Zij lezen het Nieuwe Tetament niet, en erkennen ook niet dat hun Messias is gekomen, en geloven dus ook niet dat Christus stierf aan het kruis van Golgotha. Daarom gaan al deze dingen hun voorbij. Maar het beeld van het eerste teken in Johannes 2 is, dat in deze dagen de wijn op is. Dat betekent dat er in deze dagen helemaal geen verbond werkzaam is.

En wat in dit verband ook heel triest is, ook veel kerken zitten in deze dagen nog steeds bij die Oude wijn, bij dat Oude Verbond, wat ze zich van Israël onrechtmatig hebben toegeëigend, en waardoor zoveel verkeerde opvattingen ontstaan.

 

En waar zit Israël op te wachten? Ook dat beseft Israël niet, maar de profetie zegt: Tot de Heere Jezus komt op die bruiloft, en Hij nieuwe wijn schenkt, dat een nieuw verbond inluidt, dat veel beter is dan het oude verbond.

Een nieuw verbond dat veel beter is dan het Oude Verbond.

Een prachtig beeld zien we hier. Want het was gebruikelijk om op een bruiloft eerst de beste wijn te schenken, en wanneer men wat (veel) had gedronken, werd de mindere wijn opgediend, want dat merkten de gasten dan toch niet meer. Maar hier was eerst de mindere wijn opgediend, en wanneer de Heere nieuwe wijn maakt, dan is de leider van het feest verbaasd, dat de beste wijn voor het laatst is bewaard. Maar de eerste wijn wijst op het eerste verbond, en de tweede wijn wijst op het nieuwe verbond, wat een beter verbond zal zijn. Daarom was de wijn die de Heere maakte van een betere kwaliteit! Dat zal er in de toekomst gebeuren op die derde dag!

En dit teken wijst profetisch gezien op de dag, die er voor Israël zal aanbreken na twee dagen (van 1000 jaar) op die derde dag (ook van 1000 jaar), wanneer de Heere zelf terug komt om voor Israël het Koninkrijk op te richten.

(En zo hebben we ook al over de volle vaten gesproken).



Volle Vaten

De gevulde vaten wijzen op veel betere dingen. Dat zijn de dingen waar Petrus in Handelingen 2 over sprak, en die in de toekomst tot de volle vervulling zullen komen:

  • "Dit is het, waarvan gesproken is door de profeet Joël: En het zal zijn in de laatste dagen, zegt God, dat Ik zal uitstorten van mijn Geest op alle vlees; en uw zonen en uw dochters zullen profeteren, en uw jongelingen zullen gezichten zien, en uw ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren. En Ik zal wonderen geven in de hemel boven en tekenen op de aarde beneden: bloed en vuur en rookwalm. De zon zal veranderen in duisternis en de maan in bloed, voordat de grote en doorluchtige dag des Heren komt. En het zal zijn, dat al wie de naam des Heren aanroept, behouden zal worden." (Hand 2:17-21)

Dan zullen de lege vaten vol worden van Gods Geest. Dit is een beeld van de toekomstige hereniging tussen de Heere en het gelovig overblijfsel van Israël. Het overblijfsel van Israël zal in de toekomst tot aanvaarding komen van de Here Jezus. Dat is dan het "ganse Israël". Zij zullen het levende Woord (uitgebeeld door het water in de lege vaten te Kana) aanvaarden. Het is opmerkelijk dat er in Kana zes lege aarden vaten klaar stonden om gevuld te worden (Joh 2:6). Zes is het getal van de mens. Die vaten (mensen) moesten gevuld worden met water (=Woord), en dat water veranderde in wijn (= Geest). Gods Geest zal op hen uitgestort worden, en dan zal er nieuw leven, vreugde en blijdschap (uitgebeeld door de wijn) in hen zijn. Dan zal voor het gehele gelovig overblijfsel van Israël in vervulling gaan:

  • "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien."

Zo is het wonder van de bruiloft te Kana een beeld van het nieuwe verbond voor Israël. (Joh 7:38) De tekenen van het oude verbond deed Mozes, toen in Egypte het water in bloed te veranderde.

Nog een bekende tekst over "vaten" is 2 Kor 4:7

  • "Maar wij hebben deze schat in aarden vaten, zodat de kracht, die alles te boven gaat, van God is en niet van ons."

Hier wordt het lichaam met een aarden vat vergeleken. Van nature zijn wij holle vaten, die slecht holle klanken voortbrengen, maar door genade zijn wij gevuld met een grote "schat", we werden door genade gevuld met water (= het Woord) en ook in ons mocht het water veranderd worden in wijn (we zijn verzegeld met Gods Geest Ef 1:13). Echter, zolang wij nog in dit aardse vertoeven, hebben wij deze schat in een breekbaar aarden vat.

In Oud Testamentische tijden was het soms gebruikelijk om belangrijke documenten, ook bijbelboeken in aarden vaten te bewaren om ze lange tijd goed te houden. Hiervan spreekt de profeet Jeremia in hoofdstuk 32:14:

  • "Zo zegt de Heere der heerscharen, de God van Israël: Neem deze brieven, deze koopbrief, zowel de verzegelde als deze open brief, en leg ze in een aarden vat, opdat zij lange tijd bewaard blijven."

Een mooi voorbeeld hiervan zijn de Dode Zeerollen die zijn gevonden. Deze rollen bevonden zich ook in vaten, enkele waren nog heel, en andere lagen in scherven.

De Dode Zeerollen omvatten een collectie handschriften van circa 850 documenten, inclusief verschillende handschriften van de Tenach. Deze handschriften zijn ontdekt tussen 1947 en 1956 in een elftal grotten in de buurt van Qumran, een plaats ten noorden van de Dode Zee en ongeveer 12 kilometer ten zuid-westen van Jericho. De handschriften zijn geschreven in de Hebreeuwse, Aramese en Griekse taal. De handschriften dateren uit de periode van 200 voor Christus tot ongeveer 100 na Christus. (Bron: Wikipedia)

Olie

  • "Uw dienstmaagd heeft niets in huis behalve een kruikje olie." (2 Kon 4:2).

Het lijkt zeer een zeer armoedig bezit, wat de weduwe in huis heeft, maar geestelijk gezien, is de olie wel het belangrijkste wat ze in huis kon hebben, want olie spreekt van een rijk bezit, omdat het een beeld is van de Heilige Geest.

Wanneer we in de bijbel onderzoeken wat olie zoal inhoudt, en wanneer en waarvoor het werd gebruikt, dan kunnen we het beste Gods Woord lezen, en ontdekken wat de Bijbel zegt:

Zo lezen we in Gen 28:18

  • "De volgende morgen vroeg nam Jakob de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, stelde die tot een opgerichte steen en goot er oliebovenop." Jacob had gedroomd, en toen hij wakker werd, was zijn constatering: "Waarlijk, de HEERE is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. En hij vreesde en zeide: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels. (Gen 28:16-17)

Ook in de tabernakel, en later in de tempel was olie nodig voor de uitvoering van Gods instellingen. Er was olie nodig voor het licht (Ex 39:37), een spijsoffer kon met olie aangemaakt zijn (Lev 7:10), en de koningen van Israël werden met olie tot koning gezalfd (2 Kon 9:6 en Psalm 89:21)

In Ez 16 wordt de hopeloze toestand van Jeruzalem, en daarmee van Israël beschreven, maar we zien ook dat de Heere Zijn trouw betoonde, en dat Hij Jeruzalem onder Zijn hoede neemt, en haar de eer en waardigheid geeft die behoort bij een geliefde van God:

  • "Toen kwam Ik voorbij u en zag u, en zie, de tijd der liefde was voor u gekomen; Ik spreidde de slip van mijn kleed over u en bedekte uw naaktheid, Ik ging onder ede een verbond met u aan, luidt het woord van de Here HERE; zo werdt gij de mijne. Toen wies Ik u met water, spoelde het bloed van u af en zalfde u met olie. Ik bekleedde u met een kleurig geborduurd gewaad, schoeide u met het kostbaarste leder, wond u een fijn linnen hoofddoek om en hulde u in zijde." (Ez 16:8-10)

Ook hier zien we het beeld van water (= woord) en olie (= Heilige Geest).

In het eerste hoofdstuk van Joël lezen we over de toestand van Israël voor de dag des Heeren:

  • "Verwoest is het veld; de aardbodem treurt, want het koren is verwoest, de most verdroogd, de olie weggeslonken" (Joël 1:10) Maar er kwam een ommekeer:
  • "Toen nam de HERE het op voor zijn land en Hij kreeg medelijden met zijn volk. De HERE antwoordde zijn volk: Zie, Ik zal u koren, most en olie zenden, zodat gij daarmede verzadigd wordt, en Ik zal u niet meer prijsgeven tot een smaad onder de volken." (Joël 2:18-19) En:
  • "De dorsvloeren zullen vol koren zijn en de perskuipen van most en olie overstromen." (Joël 2:24)

Ook Elia vertrouwde volkomen op Gods Woord. Het volk heeft zich immers bekeerd en nu zal de Heere op Zijn belofte de droogte laten beëindigen.

  • "Indien gij nu aandachtig luistert naar de geboden, die ik u heden opleg, zodat gij de Heere, uw God, liefhebt en Hem dient met uw ganse hart en uw ganse ziel, dan zal Ik de regen voor uw land op zijn tijd geven, de vroege en de late regen, zodat gij uw koren en uw most en uw olie kunt inzamelen." (Deut. 11:13-14)

Elia volhardt in het gebed tot zeven keer toe. Hij pleit op Gods beloften. Elia wist wat de geestelijke strijd inhield.

Dan is er nog de gelijkenis van de tien maagden. Zij namen alle tien hun lampen en gingen de Bruidegom tegemoet. Vijf hadden onvoldoende olie bij zich. Zij kwamen te laat op de bruiloft, omdat ze (te laat) nog olie moesten halen. Deze maagden mochten de bruiloftszaal niet binnen. De Bruidegom zegt zelfs: "Ik ken u niet." De vijf wijze maagden konden met hun brandende lampen licht verspreiden, = het Woord door de Heilige Geest. Dat konden de andere maagden niet. Over dit "licht verspreiden" lezen we ook in Matteüs 5:14-15:

  • "Gij zijt het licht der wereld."
  • "Laat zo uw licht schijnen voor de mensen opdat zij uw goede werken zien en uw Vader, Die in de hemelen is verheerlijken."

Een Jood moet licht verspreiden om het Koninkrijk der hemelen binnen te mogen gaan. Want dan is hij/zij een verstandige en trouwe slaaf (Matt. 25:45), die uitgezonden kan worden om het evangelie te verkondigen.

Dan is er ook nog de prachtige Psalm 23:

  • "Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over."

Dát is de positie die God voor Israël op het oog heeft: De grazige weiden, de rustige wateren, verkwikking, vertroosting, de helende olie van Gods Geest, een overvloeiende beker met het water des Levens, heil en goedertierenheid, het verblijven in het huis des Heeren.

Op de Olijfberg bevond zich een plaats met de naam: "Gethsemané", wat betekent: oliepers. We weten dat olie vaak gewonnen werd (en wordt) uit olijven. Dus de Heere Jezus ging naar de "oliepers" om Zelf (met alle respect) "uitgeperst" te worden. Olie is in de Bijbel een beeld van de Heilige Geest. Wanneer we dan in Hebreeën 9:14 lezen, dat "Christus door de eeuwige Geest Zichzelf als een smetteloos Offer aan God gebracht heeft", dan staat er eigenlijk dat Christus door de "Olie" Zichzelf als een smetteloos Offer aan God gebracht heeft.

  • "Uw troon, o God, is in alle eeuwigheid en de scepter der rechtmatigheid is de scepter van zijn koningschap. Gerechtigheid hebt Gij liefgehad en ongerechtigheid hebt Gij gehaat; daarom heeft U, o God, uw God met vreugdeolie gezalfd boven uw deelgenoten." (Hebr 1:8-9)

Als laatste de tekst uit Jac 5:14, die heden ten dage vaak veel verwarring geeft, omdat dit bijbelgedeelte uit de context wordt gehaald:

  • "Is er iemand bij u ziek? Laat hij dan de oudsten der gemeente tot zich roepen, opdat zij over hem een gebed uitspreken en hem met olie zalven in de naam des Heren." (Jac 5:14)

Bovenstaande teksten laten maar ten dele zien wat er in de Schrift geschreven staat over olie, maar wel is duidelijk geworden waar "olie" voor staat:

  • Olie is een beeld van de Heilige Geest.
  • Olie wordt gebruikt om iets heiligs mee te zalven (Gen 28:16-17).
  • de koningen van Israël werden met olie tot koning gezalfd.
  • Israël zal op Gods tijd met olie worden gezalfd.
  • Israël zal letterlijk met olie gezegend worden wanneer ze in gehoorzaamheid wandelen. (Joël 2:18-19).
  • Olie is om licht te verspreiden in een donkere wereld.
  • Olie getuigd van overvloed en van heel maken.

De olie van de weduwe getuigd van grote overvloed. We kennen uit de Bijbel nog zo'n wonder van grote overvloed. Dat deed de Heere zelf, toen hij de vijfduizend voedde van vijf broden en twee vissen. (Math 14:19). Daar werden 5000 mensen mee gevoed. Het getal 5 wijst op genade. Een meervoud van 5 is 5000, en dat wijst op een overweldigende genade! Deze overweldigende genade is de weduwe ook ten deel gevallen. En deze overvloedige genade is ons in Christus Jezus ook ten deel gevallen.

Deel 8 volgt DV

Bert Boersma december 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 8)

(Deel 7 en deel 8 handelen beide over het derde wonder van Elisa)

De Olie der Weduwe (3e Wonder)

De Weduwe = Beeld van Israël

  • "Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. Want uw man is uw Maker, HEERE der heerscharen is zijn naam; en uw losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de HEERE geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd – zegt uw God. Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de HEERE." (Jes 54:4-8)

In dit bijbelgedeelte zien we dat Lo-Ammi (= niet Mijn volk) weer wordt Ammi (= Mijn volk)

We lezen in Jesaja 59 dat Israël "Lo-Ammi wordt:

  • "Maar uw ongerechtigheden maken een scheiding tussen ulieden en tussen uw God, en uw zonden verbergen het aangezicht van ulieden, dat Hij niet hoort." (Jes 59:2)

En in Jer 3:8 kunnen we lezen dat Israël een scheidbrief gegeven was:

  • "En Ik zag, als Ik ter oorzake van alles, waarin de afgekeerde Israël overspel bedreven had, haar verlaten, en haar haar scheidbrief gegeven had, dat de trouweloze, haar zuster Juda, niet vreesde, maar ging henen, en hoereerde zelve ook."

Toen Christus stierf, was Israël officieel vrij. Toen was de vrouw in feite weduwe geworden. Toen moest Israël als het ware ook het "huis" uit. In 70 na Christus is het volk het land uit gegaan. En wat heeft die weduwe (Israël) het sindsdien zwaar te verduren gehad door toedoen van Gods tegenstander. Voortdurend zijn ze belaagd. Daar zijn talloze voorbeelden van. In de eindtijd zal de tegenstander tot zijn hoogtepunt van verdrukking komen. De diabolis zal er alles aan doen om de weduwe te vernietigen. Maar God houdt Zijn Woord: Na een tijd van grote benauwdheid zal net als bij de weduwe, ook voor Israël de "olie" rijkelijk vloeien.

  • "Vrees niet, want gij zult niet beschaamd staan; word niet schaamrood, want gij zult niet te schande worden; ja, gij zult de schande van uw jeugd vergeten en aan de smaad van uw weduwschap niet meer denken. Want uw man is uw Maker, HEERE der heerscharen is zijn Naam; en uw Losser is de Heilige Israëls, God der ganse aarde zal Hij genoemd worden. Want als een verlaten en diep bedroefde vrouw heeft u de HEERE geroepen, als een vrouw uit de jeugdtijd, nadat zij versmaad werd – zegt uw God. Een kort ogenblik heb Ik u verlaten, maar met groot erbarmen zal Ik u tot Mij nemen; in een uitstorting van toorn heb Ik mijn aangezicht een ogenblik voor u verborgen, maar met eeuwige goedertierenheid ontferm Ik Mij over u, zegt uw Losser, de HEERE." (Jes 54:4-8)



Een Kruikje = Een Rijsje

  • "En er zal een rijsje voortkomen uit de tronk van Isaï (= Christus) en een scheut uit zijn wortelen zal vrucht dragen. En op hem zal de Geest des HEREN rusten, de Geest van wijsheid en verstand, de Geest van raad en sterkte, de Geest van kennis en vreze des HEREN; ja, zijn lust zal zijn in de vreze des HEREN. Hij zal niet richten naar hetgeen zijn ogen zien, noch rechtspreken naar hetgeen zijn oren horen; want hij zal de geringen in gerechtigheid richten en over de ootmoedigen des lands in billijkheid rechtspreken, maar hij zal de aarde slaan met de roede zijns monds en met de adem zijner lippen de goddeloze doden. Gerechtigheid zal de gordel zijner lendenen zijn en trouw de gordel zijner heupen." (Jes 11:1-5)

Het woord dat hier door "rijsje" is vertaald, is hetzelfde woord wat in 2 Kon 4:2 door "kruikje" is vertaald. Dat "rijsje" zal net als het "kruikje" veel vrucht dragen. En op dat "rijsje" zal veel Geest des Heeren rusten, Hij zal de Gezalfde (olie) des Heeren zijn. Datzelfde "rijsje" zien we weer terug in Jesaja 53, waar het "loot" wordt genoemd:

  • "Want als een loot schoot Hij op voor zijn aangezicht, en als een wortel uit dorre aarde; Hij had gestalte noch luister, dat wij Hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij Hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; Hij was veracht en wij hebben Hem niet geacht. Nochtans, onze ziekten heeft Hij op zich genomen, en onze smarten gedragen; wij echter hielden hem voor een geplaagde, een door God geslagene en verdrukte. Maar om onze overtredingen werd Hij doorboord, om onze ongerechtigheden verbrijzeld; de straf die ons de vrede aanbrengt, was op Hem, en door Zijn striemen is ons genezing geworden." (Jes 53:2-5)

Wat een indrukwekkend beeld wordt hier in het Woord neergelegd van onze Heiland. Hij, die Zijn goddelijke heerlijkheid had afgelegd, en in alle, maar dan ook alle vernedering naar deze aarde is gekomen om voor u en mij deze vernedering te ondergaan.

Toen Hij geboren werd was er voor Hem geen plaats, en later had Hij ook geen plaats om Zijn hoofd neer te leggen:

  • "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen." (Math 8:20)



De gelijkenis van de barmhartige Samaritaan

In deze gelijkenis wordt olie en wijn gebruikt om het leed van het slachtoffer te verlichten:

  • "En zie, een wetgeleerde stond op om Hem te verzoeken en zeide: Meester, wat moet ik doen om het eeuwige leven te beërven? En Hij zeide tot hem: Wat staat in de wet geschreven? Hoe leest gij? Hij antwoordde en zeide: Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf. En Hij zeide tot hem: Gij hebt juist geantwoord; doe dat en gij zult leven. Maar hij wilde zich rechtvaardigen en zeide tot Jezus: En wie is mijn naaste? Daarop hernam Jezus en zeide: Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen. Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij. Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij. Doch een Samaritaan, die op reis was, kwam in zijn nabijheid, en toen hij hem zag, werd hij met ontferming bewogen. En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op; en hij zette hem op zijn eigen rijdier, bracht hem naar een herberg en verzorgde hem. En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis. Wie van deze drie dunkt u, dat de naaste geweest is van de man, die in handen der rovers was gevallen? Hij zeide: Die hem barmhartigheid bewezen heeft. En Jezus zeide tot hem: Ga heen, doe gij evenzo. (Lukas 10:25-37)

In deze gelijkenis komen we verschillende aspecten tegen, die we in verband met ons onderwerp tegen het licht willen houden:

  • Vers 26: "Gij zult de Here, uw God, liefhebben uit geheel uw hart en met geheel uw ziel en met geheel uw kracht en met geheel uw verstand, en uw naaste als uzelf."

Een "naaste" is iemand, die behoort tot hetzelfde volk, of in ieder tot datzelfde volk wordt gerekend. Dát is Bijbels gezien de naaste.

  • Vers 28: "Doe dat en gij zult leven."

We weten dat niemand dit kon. De wet is een bediening des doods. Door werken der wet zal geen vlees voor Hem gerechtvaardigd worden, want wet doet zonde kennen. (Rom 3:20)

  • Vers 29: "En wie is mijn naaste?" Dit is een vragen naar de bekende weg.
  • Vers 30: "Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho."

Bijbels gezien is dit de verkeerde kant opgaan. "Afdalen naar" is nooit goed. Het laat ook een beeld van Israël zien. Israël was ook steeds van God afgedwaald (afgedaald) van Jeruzalem af, waar de tempel stond, naar de hoogten buiten Jeruzalem, waar de afgoden gediend werden. Hier daalt een zeker mens af uit de stad waar God Zijn tempel had, naar de vervloekte stad Jericho. Dat kan nooit veel goeds voortbrengen.

  • Vers 30: "Terwijl zij hem halfdood lieten liggen."

Half dood, dat is op sterven na dood. Dát zal ook de situatie van Israël zijn in de eindtijd. Maar Israël zal opstaan. Hiervan lezen we in Ez 37:4-6:

  • "Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: gij dorre beenderen, hoort het woord des HEEREN. Zo spreekt de Here HEERE tot deze beenderen: Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat Ik de HEERE ben."

Dit betekent voor Israël: Leven uit de dood!

  • Vers 31 en 32: "Bij geval daalde een priester af langs die weg; en deze zag hem, doch ging aan de overzijde voorbij. Evenzo ging ook een Leviet langs die plaats, en hij zag hem en ging aan de overzijde voorbij."

Zowel de priester als de Leviet waren wets-dienaars. Hieruit leren we dat de dienaars der wet geen leven voortbrengen. We moeten het niet van de werken der wet verwachten. De wet is een bediening des doods. (2 Kor 3:7)

  • Vers 33: "Doch een Samaritaan werd hij met ontferming bewogen."

Samaritanen werden in die tijd door de Joden gezien als een verwerpelijk soort mensen. Het moet dan ook voor die wetgeleerde bijzonder zijn geweest dat de Heere vertelde, dat een Samaritaan met ontferming werd bewogen. Joden gingen ook niet met Samaritanen om. Het was voor de Joden zelfs een gruwel om door Samaria te reizen. Wanneer een Jood van Judea naar Galilea moest reizen, dan ging hij met een boog om Samaria heen. De Heere Jezus deed dat niet, Die trok er dwars doorheen, en genas zelf een Samaritaan. (Lukas 17:11-19)

  • Vers 34: "En hij ging naar hem toe, verbond zijn wonden, goot er olie en wijn op."

In het bovenstaande hebben we gezien dat olie staat voor "heel maken", en wijn staat voor nieuw leven, vreugde en blijdschap. Beide, de olie en de wijn zijn een beeld van Gods Geest. Ook hierin zien we in het slachtoffer weer het volk Israël. Gods Geest zal op Israël uitgestort worden, en dan zal er nieuw leven, vreugde en blijdschap (uitgebeeld door wijn) in hen zijn.

  • Vers 35: "En de volgende dag stelde hij de waard twee schellingen ter hand en zeide: Verzorg hem en mocht gij meer kosten hebben, dan zal ik ze u vergoeden, op mijn terugreis."

De Samaritaan verzorgde de man niet alleen toen hij hem vond, maar hij deed meer, hij verzorgde de man tot hij hersteld was. Hierin zien we de overvloed van genadedie het slachtoffer ten deel viel. Deze overvloedige genade zal straks het gelovig overblijfsel van Israël te deel vallen.



Leven en Overvloed

Een prachtig voorbeeld van deze overvloedige genade, die Israël ten deel zal vallen lezen we in Johannes 10:

  • "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen; maar wie huurling is en geen herder, wie de schapen niet toebehoren, ziet de wolf aankomen, laat de schapen in de steek en vlucht – en de wolf rooft ze en jaagt ze uiteen – want hij is een huurling en de schapen gaan hem niet ter harte. Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen. Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder." (Joh 10:1-16)

De Here Jezus spreekt hier in Johannes 10 in over Israël tot de wereld. Hij spreekt over een voor de Joden bekend beeld uit het leven van alle dag, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. (vers 6).

In Joh 10 vers 1, vers 2, en vers 9 lezen we steeds over "binnenkomt". De Heere Jezus vertelt over het bekende ritueel van de herder, die in de vroege morgen de schapen uit de schaapskooi naar buiten brengt, en reken maar dat de schapen daar zin in hebben, want zo'n pretje is het nou ook weer niet om in die schaapskooi opeengehoopt te zitten. En ook dit is weer een beeld van Israël, wat nú in de druk der tijden in de "nacht" bewaard wordt, om in de "morgen" uit de schaapskooi bevrijdt te worden, en door de herder naar de grazige weiden geleid te worden. In de toekomst zal Israël door de Herder uit de "schaapskooi" verlost worden, en in de vrijheid gebracht worden.

Voor de duidelijkheid gaan we enkele verzen uit Johannes 10 behandelen:

  • Vers 1,2 en 9 lezen we over "binnenkomt, maar een betere vertaling is: "ingaat" En dan is de vraag "ingaan" waarheen?
  • Vers 3- 4: "De schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen." De herder brengt ze naar buiten, waar ze in grazige weiden kunnen genieten van de overvloed.
  • Vers 6: "In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak." Het beeld waarin de Heere sprak was het beeld van de nacht, waarin ze verkeren, en van de morgen, die voor hen zal aanbreken. Maar ze begrepen het niet, en daarom probeert de Heere het nogmaals uit te leggen.
  • vers 8: "Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord." De Heere spreekt hier over de geestelijke leiders van Israël, die de kudde niet hebben geleid.
  • Vers 9: "Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt (= ingaat St Vert in het Koninkrijk), zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden." Hier is duidelijk waartoe de Heere Zelf de deur is. Hij is de deur om in te gaan naar de grazige weiden. Er staat ook "ingaan en uitgaan", dat heeft in Gods Woord altijd te maken met "leven" in de betekenis van "omgang hebben met...." of "in nauwe gemeenschap wandelen met....", en als er dan ook nog achter staat "en weide vinden", dan is het zeer duidelijk, dat de Heere diegene is met wie de schapen in nauwe gemeenschap wandelen in overvloed in grazige weiden. En dat lezen we dan ook in vers 10:
  • "Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed." Na deze verzen mag het duidelijk zijn, dat "ingaan" niet betekent dat zij in de schaapskooi gingen, maar juist het tegenover gestelde, zij mochten "ingaan" in het "leven en de overvloed", in de grazige weiden. Het mag duidelijk zijn, dat dat leven en overvloed zich niet afspeelt in, maar buiten de schaapskooi. De herder voert de Zijnen niet naar binnen, maar naar buiten. Zij zullen "leven", en leven is "ingaan en uitgaan", en ingaan en uitgaan is leven in overvloed.
  • Vers 11-13 gaan weer over de valse herders, voorstellende de geestelijke leiders van Israël, die hier door de Heere "wolven" worden genoemd.



We hebben gezien dat de olie in het kruikje van de weduwe een beeld is van Christus. Olie was ook bedoeld voor de zalving, en Christus is de gezalfde. De olie is bestemd tot de gezalfde bediening. Als Israël de olie (Gods Geest) ontvangt, dan treed het nieuwe verbond met de 12 stammen in werking. Christus is de deur, de deur die toegang geeft tot de grazige weiden. Hij zal Koning van Israël zijn, en Hij zal aan het hoofd der volkeren staan. Hij zal de bron zijn van leven en overvloed.

Het einde van Israël zal net zo zijn als het einde van Job. Job ontving na alle ellende, die hij moest doorstaan een dubbele zegen, en zo zal Israël op het einde gezegend worden met leven en overvloed als nooit te voren. En vanuit Israël zal die zegen naar de gehele wereld doorvloeien. Dan zal Israël wonen binnen de door God beloofde grenzen, van de rivier in Egypte tot aan de Eufraat. Dat land zal zijn een land overvloeiende van melk en honing. Dán zal de woestijn bloeien als een roos. Dán zal geheel Israël zijn als de Hof van Eden. Dan zal "de olie" rijkelijk vloeien.

 

Deel 9 volgt (DV)

Bert Boersma november 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 9)

(Deel 9 en deel 10 handelen beide over het vierde wonder van Elisa)

De Sunamitische en haar Zoon

(4e wonder)

Het vierde wonder wat Elisa in dienst van de Heere mocht doen, betreft het wonder wat beschreven staat in 2 Kon 4:8-37. Voor een goed verstaan is het nodig dit in zijn geheel te lezen:

  • "Op zekere dag begaf Elisa zich naar Sunem. Daar woonde een welgestelde vrouw, die bij hem aandrong, dat hij zou blijven eten. En zo vaak hij op zijn doorreis daar kwam, ging hij erheen om te eten. En zij zeide tot haar man: Zie toch, ik weet, dat het een heilige man Gods is, die altijd bij ons aankomt. Laat ons dan nu een kleine gemetselde bovenkamer maken, en daar voor hem een bed, een tafel, een stoel en een kandelaar plaatsen, opdat hij, wanneer hij bij ons komt, daar zijn intrek kan nemen. Op zekere dag kwam hij daar; hij nam zijn intrek in de bovenkamer en legde zich daar te ruste. Vervolgens zeide hij tot zijn knecht Gechazi: Roep deze Sunamitische. Toen hij haar geroepen had, bleef zij voor hem staan. En hij zeide tot Gechazi: Zeg tot haar: zie, gij hebt u voor ons al deze moeite getroost; wat kan er nu voor u gedaan worden? Is er iets waarover ik voor u tot de koning of tot de leger-overste kan spreken? Maar zij antwoordde: Ik woon te midden van mijn familie.
  • En Elisa zeide: Maar wat kan er dan voor haar gedaan worden? Gechazi zeide: Zij heeft helaas geen zoon, en haar man is oud. Daarop zeide hij: Roep haar. En hij riep haar en zij kwam in de ingang staan. Toen zeide hij: Op deze zelfde tijd over een jaar zult gij een zoon omhelzen. Maar zij zeide: Och neen, mijn heer, gij man Gods, spiegel uw dienstmaagd niets voor. En de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op dezelfde tijd een jaar later, zoals Elisa tot haar gesproken had.
  • Toen de knaap groot geworden was, ging hij op zekere dag naar zijn vader, bij de maaiers. En hij zeide tot zijn vader: Mijn hoofd, mijn hoofd! Toen zeide deze tot een knecht: Draag hem naar zijn moeder. Hij droeg hem weg en bracht hem naar zijn moeder; en hij zat op haar knieën tot aan de middag; toen stierf hij. Zij ging naar boven, legde hem op het bed van de man Gods en sloot de toegang tot hem af. Daarop ging zij naar buiten, riep haar man en zeide: Zend mij één van de knechten met een ezelin; ik wil mij naar de man Gods spoeden en dan terugkomen. En hij vroeg: Waarom wilt gij vandaag naar hem toegaan? Het is immers geen nieuwe maan of sabbat. Maar zij antwoordde: Wees maar gerust. Toen zij de ezelin gezadeld had, zeide zij tot haar knecht: Drijf ze steeds aan en laat mij zonder ophouden doorrijden, behalve wanneer ik het u zeg.
  • Zo ging zij op weg en kwam bij de man Gods op de berg Karmel. Zodra de man Gods haar op enige afstand zag, zeide hij tot zijn knecht Gechazi: Zie, daar is de Sunamitische. Snel haar dadelijk tegemoet en zeg tot haar: Is het wel met u, met uw man en met het kind? En zij zeide: Alles wel. Toen zij echter bij de man Gods op de berg gekomen was, greep zij zijn voeten; Gechazi trad nader om haar terug te stoten, maar de man Gods zeide: Laat af van haar, want haar ziel is bitter bedroefd, doch de HERE heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet meegedeeld. Toen zeide zij: Heb ik soms mijn heer om een zoon gevraagd? Heb ik niet gezegd: Gij moet mij niet misleiden? Hij zeide tot Gechazi: Omgord uw lendenen, neem mijn staf in uw hand en ga op weg. Wanneer gij iemand ontmoet, groet hem niet, en wanneer iemand u groet, antwoord hem niet; en leg mijn staf op het gelaat van de knaap. Maar de moeder van de knaap zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik ga niet bij u vandaan. Toen stond hij op en volgde haar.
  • Gechazi nu was voor hen uitgegaan en had de staf op het gelaat van de knaap gelegd; maar er kwam geen geluid en geen levensteken; toen keerde hij terug, hem tegemoet en berichtte hem: De jongen is niet ontwaakt. Daarna kwam Elisa het huis binnen en zie, daar lag de jongen dood op zijn bed. Toen Elisa binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de HERE. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Daarop werd het lichaam van de knaap warm. Daarna keerde hij terug en ging eenmaal het huis op en neer; dan ging hij naar boven en boog zich over hem heen. Toen niesde de jongen zevenmaal en opende zijn ogen. En hij riep Gechazi en zeide: Roep deze Sunamitische. En toen deze haar geroepen had, kwam zij tot hem, en hij zeide: Neem uw zoon op. Zij trad binnen, wierp zich aan zijn voeten en boog zich ter aarde neder. Daarop nam zij haar zoon en ging heen."

Tot zover het bijbelgedeelte over de Sunamitische en haar zoon. Het is prachtig om ook in de opeenvolgende wonderen van Elisa de voortgang va de heilsgeschiedenis van Israël weer terug te zien. Want nadat we het derde wonder over de arme weduwe hebben behandeld, treffen we in het vierde wonder een rijke getrouwe vrouw aan. Dat is weer een beeld van Israël, wanneer Israël onder het Koningschap van Christus rijkelijk gezegend zal leven.

We hebben hier dus te maken met een welgestelde getrouwde vrouw (vers 8), de Staten Vertaling noemt haar een "grote" vrouw, en de Spaanse vertaling heeft hier vertaald een "importante" vrouw. Hieruit blijkt, dat we hier te maken hebben met een welgestelde, belangrijke vrouw, die aanzien genoot.

Door het geloof

Zonder dat het genoemd wordt, blijkt toch uit de gehele context van dit bijbelgedeelte, dat deze vrouw in groot geloof handelde. We mogen haar rekenen bij de geloofsgetuigen van Hebreeën 11, waar we steeds lezen: "Door het geloof........" In Hebr 11:35 lezen we: "De vrouwen hebben hare doden uit de opstanding wedergekregen."

De Sunamitische vrouw had liefde voor God, en daarmee liefde voor de "heilige man Gods", welke bleek uit het toebereiden van een gemetselde bovenkamer. De vrouw zorgde voor een rustpunt voor Elisa. De vrouw had de middelen om deze dingen te doen, en ze gebruikte de haar ten dienste staande middelen ook in dienst van God. En Elisa was daar zeer dankbaar voor, want hij liet zijn knecht Gechazi vragen of hij iets terug kon doen. Maar het antwoord van de vrouw daarop is: "Ik woon te midden van mijn familie." Een bijzonder antwoord, wat getuigd van tevredenheid, van rust en vrede in het land waar zij woonde. Zij wenste verder niets voor zichzelf.

Maar Elisa wil toch graag iets terugdoen voor de vrouw. Hij zegt tegen Gechazi: "Maar wat kan er dan voor haar gedaan worden?" En Gechazi zegt dan: "Zij heeft helaas geen zoon, en haar man is oud." Hieruit blijkt dat de vrouw op de normale manier geen kinderen meer zou kunnen krijgen. Bovendien was het niet hebben van kinderen in Israël eigenlijk een schande, en zou het nageslacht niet voortgezet kunnen worden. Toch vroeg de vrouw niet om kinderen. Maar Elisa roept de vrouw bij zich en zegt tegen haar:

  • "Op deze zelfde tijd over een jaar zult gij een zoon omhelzen."

De vrouw reageert eigenlijk net als Sara, die het ook bijna niet kon geloven, dat ze in haar ouderdom nog een zoon zou krijgen. Eigenlijk zegt de vrouw tegen Elisa:

  • "Gij man Gods, je moet me niets wijsmaken."

En dan springt de tekst in één keer een jaar verder. (van vers 16 naar vers 17):

  • "En de vrouw werd zwanger en baarde een zoon op dezelfde tijd een jaar later, zoals Elisa tot haar gesproken had."

Wat zal er in het huis van de vrouw een grote blijdschap en verwondering zijn geweest toen de vrouw bemerkte dat ze zwanger was. Dat het (in haar ogen) onmogelijke toch was gebeurd. En wat zal zij de Heere gedankt hebben voor deze rijkdom.

Voorspoedig groeit de jongen op, tot hij op zekere dag, toen de jongen met zijn vader op het land was, iets aan zijn hoofd kreeg. Dit resulteerde erin dat de jongen op de schoot van zijn moeder kwam te overlijden. En dan is het zo mooi, dat we niet lezen dat de vrouw zit te rouwklagen, nee, de vrouw weet dat haar maar één ding te doen staat.

Vol geloof gaat ze met de grootste spoed op weg naar Elisa. Op de berg Karmel ontmoet zij Elisa. Het is bijzonder te lezen, dat de vrouw eigenlijk geen vertrouwen stelde in Gechazi, de knecht van Elisa. Want toen Gechazi haar in opdracht van Elisa moest vragen hoe het met haar man en kind gesteld was, zei ze dat alles in orde was. (vers 26). Maar pas toen ze bij Elisa kwam, stortte ze haar hart uit. En ook toen Elisa Gechazi opdracht gaf om naar de jongen te gaan en de staf van Elisa op zijn gelaat te leggen, ging de vrouw niet met Gechazi mee, maar was de vrouw niet te bewegen Elisa te verlaten.

Elisa had een persoonlijke omgang met de Heere. Dat blijkt uit dit hele bijbelgedeelte. Hij had niet uit zichzelf gezegd, dat de vrouw een zoon zou krijgen, maar dat was Elisa door de Heere geopenbaard. Ook zei Elisa, toen de vrouw tot hem naderde:

  • "Laat af van haar, want haar ziel is bitter bedroefd, doch de HEERE heeft het voor mij verborgen gehouden en het mij niet meegedeeld."

Hieruit blijkt, dat Elisa het ook heel normaal had gevonden, wanneer de Heere hem tevoren wel reeds had laten weten wat de vrouw was overkomen, maar in dit geval had de Heere het voor Elisa verborgen. Later, toen Gechazi Elisa wilde misleiden na het wonder van Naäman, was Elisa in de geest met Gechazi meegegaan, en wist Elisa precies wat er was gebeurd. (2 Kon 5:26).

Gechazi was dus vooruitgegaan, en had uitgevoerd wat Elisa hem had bevolen, zonder het gewenste resultaat. (2 Kon 4:34). Elisa ging daarna ook het huis van de gestorven jongen binnen, en in de bovenkamer lag het lichaam van de jongen. Elisa sloot de deur, en bad tot de Heere. Voordat Elisa tot daden overgaat, vraagt hij eerst God om raad, en daarna voert hij uit wat de Heere hem heeft bekend gemaakt, met als gevolg dat Elisa een levende zoon aan de moeder terug geeft.

Hieruit kunnen we leren, dat wij niet Gods zegen voor ónze plannen moeten vragen, maar eerst vragen naar Gods weg, en dan in die weg wandelen, welke door God gezegend zál worden.

Een prachtige geschiedenis, waarin veel geloof en geloofs-handelen naar voren komt. Maar nu gaan we nogmaals proberen na te gaan, waarom dit alles in Gods Woord staat, en wat het allemaal wil zeggen. Want broeders en zusters, niets in Gods Woord is zonder doel door Gods Geest opgetekend in Zijn Woord.

 

Sunem in Jizreël

Deze geschiedenis speelde zich af in Sunem. (2 Kon 4:8). Sunem betekent: Tweevoudige, dubbele rustplaats. Sunem ligt in het gebied van de stam Issakar (= Hij zal mij belonen) (Jozua 19:18). Sunem ligt in de vlakte van Jizreël.

Wat gebeurde er allemaal in de tijd van Elisa wat betrekking had op Jizreël en Sunem? In die tijd werd Jehu tot Koning gezalfd over Israël (= 10 stammen), en Jehu zou nogal wat teweegbrengen:

  • "Zo spreekt de HERE, de God van Israël: Ik zalf u (Jehu) tot koning over het volk des HEEREN, over Israël. Gij zult het huis van uw heer Achab slaan, opdat Ik het bloed van mijn knechten, de profeten, ja, het bloed van alle knechten des HEEREN aan Izebel wreke. En het gehele huis van Achab zal omkomen; Ik zal van Achab al wat mannelijk is uitroeien, allen in Israël van hoog tot laag; dan zal Ik met het huis van Achab evenzo handelen als met dat van Jerobeam, de zoon van Nebat, en dat van Basa, de zoon van Achia; en Izebel zullen de honden verslinden op de akker te Jizreël, en niemand zal haar begraven.” (2 Kon 9:6-10).
  • Toen besteeg Jehu zijn wagen en ging naar Jizreël”, (2 Kon 9:16).
  • Jehu kwam te Jizreël. Toen Izebel dit vernomen had, beschilderde zij haar ogen met zwart en versierde haar hoofd, en zij keek uit het venster. Toen Jehu de poort binnenkwam, riep zij: Is het wel met Zimri (= Jehu), de moordenaar van zijn heer? En hij hief zijn gelaat op naar het venster en zeide: Wie is op mijn hand? Wie? En toen twee, driehovelingen hem aankeken, gebood hij: Werpt haar naar beneden! En zij wierpen haar naar beneden, zodat haar bloed rondspatte tegen de muur en tegen de paarden, en hij vertrapte haar. En hij ging naar binnen, at en dronk. Daarna zeide hij: Ziet toch om naar die vervloekte en begraaft haar, want zij is de dochter van een koning. Zij gingen heen om haar te begraven, maar vonden van haar niets dan de schedel, de voeten en de handpalmen. Toen zij terugkwamen en hem dat berichtten, zeide hij: Dit is het woord, dat de HERE gesproken heeft door zijn knecht, de Tisbiet Elia: Op de akker te Jizreël zullen de honden het vlees van Izebel verslinden, en het lijk van Izebel zal op de akker te Jizreël zijn als mest op het veld, zodat men niet kan zeggen: Dit is Izebel." (2 Kon 9:30-37).

Zo werd tijdens het optreden van Elisa de profetie van Elia vervuld door koning Jehu. In vers 32 lazen we over " twee, driehovelingen hem aankeken". Deze "twee, drie" (het waren er maar een paar) waren mede-werktuigen om de profetie in vervulling te laten gaan. "Twee, drie" zijn hier het type van het gelovig overblijfsel van Israël, van "de rest" die behouden wordt van het volk Israël. Over die "rest" van Israël lezen we in Jes 10:20-21:

  • "En het zal te dien dage geschieden, dat de rest van Israël en wat van Jakobs huis ontkomen is, niet langer zullen steunen op hem die ze sloeg, maar in waarheid steunen zullen op de HEERE, de Heilige Israëls. Een rest zal zich bekeren, de rest van Jakob, tot de sterke God."

Dat zal gebeuren wanneer de Koning der Koningen, de Heere Jezus Christus, Zijn koningschap aanvaard.

We lezen verder over het huis van koning Achab:

  • "Achab had zeventig zonen te Samaria. Jehu schreef een brief van de volgende inhoud, en zond die naar Samaria aan de oversten van Jizreël, aan de oudsten en aan de door Achab aangestelde opvoeders: Nu dan, zodra deze brief u bereikt, moet gij – immers de zonen van uw heer zijn bij u en gij hebt de beschikking over krijgswa-gens, paarden, een versterkte stad en wapenen – omzien naar de beste en de geschikt-ste uit de zonen van uw heer en hem plaatsen op de troon van zijn vader en strijden voor het huis van uw heer. Maar zij waren uitermate bevreesd en zeiden: Zie, twee koningen hebben tegen hem geen stand kunnen houden, hoe zouden wij dan stand kunnen houden? Toen zonden de hofmaarschalk en de gouverneur van de stad, de oudsten en de opvoeders deze boodschap naar Jehu: Wij zijn uw knechten, al wat gij ons zult bevelen, zullen wij doen; wij zullen niemand koning maken; doe wat u goeddunkt. Daarom schreef hij hun ten tweeden male een brief, waarin stond: Indien gij op mijn hand zijt en mij wilt gehoorzamen, neemt dan de hoofden van de manne-lijke nakomelingen van uw heer en komt tot mij te Jizreël, morgen om deze tijd. De zonen des konings nu, zeventig man, woonden bij de aanzienlijken der stad, die hen opvoedden. Zodra de brief hen bereikte, grepen zij de zonen des konings en maakten hen af, zeventig man; en zij deden hun hoofden in korven en zonden ze naar hem te Jizreël." (2 Kon 10:1-7).
  • Weet dan, dat niets onvervuld blijft van het woord des HEREN, dat de HERE tegen het huis van Achab gesproken heeft; de HERE heeft gedaan wat Hij gesproken heeft door zijn knecht Elia. En Jehu sloeg allen dood, die van Achabs huis te Jizreël overgebleven waren, en al zijn rijksgroten, vertrouwelingen en priesters, zodat hij daarvan niemand liet ontkomen.” (2 Kon 10:10-11).
  • Jehu zeide: Kom met mij mee, aanschouw mijn ijver voor de HERE. (2 Kon 10:16).
  • Zo verdelgde Jehu Baäl uit Israël. Alleen week Jehu niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven: de gouden kalveren die in Betel en in Dan waren. (2 Kon 10:28-29)

Uit de context van bovenstaande bijbel-gedeelten, die over Jehu handelen, blijkt dat Jehu alles op eigen kracht deed, en niet in afhankelijkheid van de Heere, zo lazen we:

  • "aanschouw mijn ijver". Hier kunnen we net zo goed lezen: "zie eens wat IK doe."

Ook verwijderde hij de gouden kalveren niet die in Betel en Dan waren opgericht.

  • "En Jehu wandelde niet nauwgezet, met zijn gehele hart, naar de wet van de HERE, de God van Israël; hij week niet af van de zonden die Jerobeam, de zoon van Nebat, Israël had doen bedrijven." (2 Kon 10:31)

De Profeet Hosea

Verder komen we Jizreël tegen bij de profeet Hosea. In Hosea 1:1 lezen tijdens welke koningen Hosea optrad:

  • "Het woord des HEREN, dat tot Hosea, de zoon van Beëri, kwam, in de dagen van Uzzia, Jotam, Achaz en Jechizkia, koningen van Juda, en in de dagen van Jerobeam, de zoon van Joas, koning van Israël."

Hieruit kunnen we concluderen dat Hosea een tijdgenoot was van Elia, en deels ook van Elisa.

  • "Het begin van het spreken des HEEREN door Hosea. De HEERE zeide tot Hosea: Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren, want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de HERE af." (Hosea 1:1)

"Het begin" staat hier in deze tekst voor "het snijden" oftewel het "doorsnijden", en geeft aan dat het Woord des Heeren is als een tweesnijdend scherp zwaard. In Hebr 4:12 lezen we:

  • "Want het woord Gods is levend en krachtig en scherper dan enig tweesnijdend zwaard en het dringt door, zó diep, dat het vaneenscheidt ziel en geest, gewrichten en merg, en het schift overleggingen en gedachten des harten."

Dit is wat Hosea letterlijk aan den lijve heeft ondervonden. Hosea kreeg opdracht van God om met een hoer te trouwen, een opdracht, die menselijkerwijs niet te volbrengen was. Maar omdat het Gods opdracht was, kon Hosea hem ook met Gods hulp volbrengen. De opdracht van de Heere was:

  • ''Ga heen, neem u een ontuchtige vrouw en kinderen uit een ontuchtige geboren. (Hosea 1:2).

En de reden staat erachter:

  • "want het land wendt zich in schandelijke ontucht van de HEERE af."

Hosea moest door zijn huwelijk uitbeelden wat de werkelijke situatie was in Israël. We lezen niet dat Hosea in verzet kwam, blindelings vertrouwd hij op de Heere, want er staat:

  • "Toen ging hij heen en huwde Gomer, de dochter van Diblaïm, en zij werd zwanger en baarde hem een zoon." (Hosea 1:3).

Verder zei de Heere tot hem:

  • "Noem hem Jizreël, want het zal niet lang meer duren of Ik zal de bloedschuld van Jizreël bezoeken aan Jehu’s huis, en een einde maken aan het koninkrijk van het huis Israëls. Te dien dage zal het geschieden, dat Ik Israëls boog verbreken zal in het dal van Jizreël." (Hosea 1:4-5).
  • "Zij (Gomer) werd wederom zwanger en baarde een dochter; Hij zeide tot hem: Noem haar Lo-Ruchama, want Ik zal Mij voortaan niet meer over het huis Israëls ontfermen, dat Ik hun iets vergeven zou. Doch over het huis van Juda zal Ik mij ontfermen, en hen verlossen als de HEERE, hun God. Maar Ik zal hen niet verlossen door boog of zwaard of oorlogstuig, door paarden of door ruiters. Nadat zij Lo-Ruchama gespeend had, werd zij zwanger en baarde een zoon. Toen zeide Hij: Noem hem Lo-Ammi, want gij zijt mijn volk niet en Ik zal de uwe niet zijn. (Hosea 1:6-9).

Dat het inderdaad niet lange tijd meer heeft geduurd, dat God een einde heeft gemaakt aan het koninkrijk van Israël, weten we uit het feit dat Israël in de ballingschap is gegaan, en daar tot op de dag van heden (voor het grootste deel) niet uit is teruggekeerd.

Nog even iets over de betekenis van de namen in bovenstaand bijbel gedeelte. Het is nooit voor niets dat namen in Gods Woord genoemd worden. Hosea trouwde met Gomer. Gomer betekent "zonden waren vol". Zij was de dochter van Diblaïm, wat "dubbele zinnelijkheid" betekent. Jizreël betekent "de Heere zaait" en ook "het zaad Gods". Lo-Ruchama betekent "geen ontferming", en Lo-Ammi wil zeggen "niet Mijn volk". Zo zien we dat in deze namen veel wordt gezegd over de geschiedenis van het volk Israël.

Er is nog iets vat opvalt in deze tekst. Zo kunnen we lezen bij de geboorte van Jizreël, dat Gomer zwanger werd, en "zij baarde hem een zoon". (Hosea 1:3).

Dit betekent dat Jizreël uit Hosea geboren werd. We lezen dat niet bij de geboorte van Lo-Ruchama en Lo-Ammi, daar staat alleen "en zij baarde", we lezen daar niet "en zij baarde hem". Hieruit mogen we concluderen dat Gomer met haar hoererij doorging nadat ze met Hosea was getrouwd, en dat Lo-Ruchama en Lo-Ammi uit hoererij zijn geboren. Dit gegeven klopt ook helemaal in de lijn met de geschiedenis van Israël, wat het huwelijk van Hosea met Gomer moest uitbeelden, want toen de Heere Zijn relatie met Zijn volk was aangegaan, ging het volk toch door met de afgoden te dienen, dus gingen ze door met hoererij bedrijven. Zo heeft Israël zich gemanifesteerd, het volk was ontrouw.

Maar we weten ook dat God ondanks het overspel van Zijn vrouw (Israël), toch Zijn beloften trouw vervuld. En daarom weten we dat er een ommekeer in het lot van Israël zal komen. Ook daarvan profeteerde de profeet Hosea:

  • "Eens echter zullen de kinderen Israëls talrijk wezen als het zand der zee, dat niet te meten of te tellen is. En ter plaatse waar tot hen gezegd wordt: Gij zijt mijn volk niet – zullen zij genoemd worden kinderen van de levende God. Dan zullen de kinderen van Juda en de kinderen van Israël zich bijeenscharen, één hoofd over zich stellen, en optrekken uit het land; want groot zal de dag van Jizreël zijn. Zegt tot uw broeders: Ammi, en tot uw zusters: Ruchama." (Hosea 1:10-12) Door Gods genade en op Gods tijd zal Israël weer Ammi (= Mijn volk) zijn.

Nog enkele prachtige teksten uit Hosea over het herstel van Gods volk:

  • "Ik zal u Mij tot bruid werven voor eeuwig: Ik zal u Mij tot bruid werven door gerechtigheid en recht, door goedertierenheid en ontferming; Ik zal u Mij tot bruid werven door trouw; en gij zult de HEERE kennen. Het zal te dien dage geschieden, dat Ik verhoren zal, luidt het woord des HEEREN: Ik zal de hemel verhoren, en die zal de aarde verhoren, en de aarde zal het koren, de most en de olie verhoren, en die zullen Jizreël verhoren. Dan zal Ik haar voor Mij zaaien in het land, en Mij ontfermen over Lo-Ruchama, en tot Lo-Ammi zeggen: Gij zijt mijn volk. En hij zal zeggen: Mijn God!" (Hosea 2:18-22).
  • "Komt, laat ons wederkeren tot de HERE! Want Hij heeft verscheurd, en zal ons helen; Hij heeft geslagen, en zal ons verbinden. Hij zal ons na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht. Ja, wij willen de HERE kennen, ernaar jagen Hem te kennen. Zo zeker als de dageraad is zijn opgang. Dan komt Hij tot ons als de regen, als de late regen, die het land besproeit." (Hosea 6:1-3).

Daarom is de zoon van de Sunamitische, die sterft en weer opstaat, een beeld van Israël, wat ook sterft, en op Gods tijd weer zal opstaan, om onder Koningschap van Christus aan de spits der volkeren te staan.

Tot slot nog iets over de knecht Gechazi van Elisa. We hebben gezien, dat de vrouw eigenlijk geen vertrouwen stelde in Gechazi. Eerst al niet toen Gechazi haar in opdracht van Elisa moest vragen hoe het met haar man en kind gesteld was, en ook niet toen Elisa Gecha-zi opdracht gaf om naar de jongen te gaan en de staf van Elisa op zijn gelaat te leggen, ging de vrouw niet met Gechazi mee om naar de goede afloop te kijken.

We zien in deze voor-vallen dat Gechazi een type is van Christus. Gechazi was de knecht van Elisa, Christus wordt ook door God zelf Mijn Knecht genoemd. (Math 12:18). De knecht van Elisa kreeg geen vertrouwen van de vrouw. De Knecht des Heeren (de Heere Jezus) kreeg net zo min vertrouwen van Israël (= de vrouw). Christus kwam op aarde voor de Zijnen om hen leven en overvloed te geven, maar ze bleven "dood". De knecht van Elisa kwam naar de zoon van de vrouw, om hem levend te maken, maar het had geen resultaat. Zo zien we hoe geweldig Gods Woord in elkaar zit, en dat niets zomaar toevallig door Gods Geest is geschreven in Zijn Woord.

Deel 10 volgt DV

Bert Boersma januari 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 De Profeet Elisa (Deel 10)

(Deel 9 en deel 10 handelen beide over het vierde wonder van Elisa)

De Sunamitische en haar Zoon

(4e wonder)

 

Bovenkamer = Bovenzaal

De Sunamitische vrouw had voor Elisa een speciaal gemetselde "bovenkamer" in Jizreël gemaakt. Deze "bovenkamer" of "bovenzaal" komen we vier keer tegen in het Nieuwe Testament, en elke keer wil dat iets speciaals vertellen.

De eerste keer dat we "bovenzaal" tegenkomen is in Lukas 22:7-13

  • "De dag der ongezuurde broden kwam, waarop het Pascha moest geslacht worden. En Hij zond Petrus en Johannes uit, zeggende: Gaat heen, maakt het Pascha voor ons gereed, opdat wij het kunnen eten. En zij zeiden tot Hem: Waar wilt Gij, dat wij het gereed maken? Hij zeide tot hen: Zie, wanneer gij de stad inkomt, zal u een man tegenkomen, die een kruik water draagt. Volgt Hem in het huis, dat hij binnengaat, en zegt dan tot de heer van dat huis: De Meester zegt u: Waar is het vertrek, waar Ik met mijn discipelen het Pascha kan eten? En hij zal u een grote bovenzaal wijzen, van alles voorzien: maakt het daar gereed. En zij gingen heen en vonden het zoals Hij hun gezegd had, en zij maakten het Pascha gereed.

De tweede keerdat we over "bovenzaal” lezen is in Hand 1:12-15

  • "Toen keerden zij terug naar Jeruzalem van de berg, genaamd de Olijfberg, die dicht bij Jeruzalem is, een sabbatsreis daarvandaan. En toen zij in de stad gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal, waar zij verblijf hielden: Petrus en Johannes en Jakobus en Andreas, Filippus en Tomas, Bartolomeüs en Matteüs, Jakobus, de zoon van Alfeüs, en Simon de Zeloot en Judas, de zoon van Jakobus. Deze allen bleven eendrachtig volharden in het gebed, met enige vrouwen en Maria, de moeder van Jezus, en met zijn broeders. En in die dagen stond Petrus op onder de broeders – en er was een groep van ongeveer honderd twintig personen bijeen."

Hieruit blijkt duidelijk dat het een flinke bovenzaal was, want er konden 120 man in samenkomen. Nadat de twaalfde apostel door de Heere zelf weer was aangevuld, en allen tezamen bijeen waren in de bovenzaal op de Pinksterdag, kwam er eensklaps uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren; en er vertoonden zich aan hen tongen als van vuur, die zich verdeelden, en het zette zich op ieder van hen; en zij werden allen vervuld met de heilige Geest en begonnen met andere tongen te spreken, zoals de Geest het hun gaf uit te spreken. (Hand 2:1-4).

De bovenzaal was de plaats waar dit gebeurde. We zien hierin, dat net zoals het lijden en sterven in de eerste plaats voor Israël was, zo is ook het uitstorten van Gods Geest in de eerste plaats voor Israël bestemd, net zoals ook het nieuwe verbond voor Israël is bestemd.

De derde keer in Hand 9:36-40:

  • "En er was te Joppe een discipelin, genaamd Tabita, hetgeen, vertaald, betekent Dorkas. Deze was overvloedig in goede werken en aalmoezen, die zij gaf. En het geschiedde in die dagen, dat zij ziek werd en stierf; en na haar gewassen te hebben, legde men haar in een bovenzaal. En daar Lydda dicht bij Joppe lag, zonden de discipelen, toen zij hoorden, dat Petrus daar was, twee mannen tot hem met het verzoek: Kom zonder dralen tot ons. En Petrus stond op en ging met hen mede. Toen hij daar aangekomen was, bracht men hem naar de bovenzaal en al de weduwen kwamen bij hem staan, en lieten hem onder tranen al de lijfrokken en mantels zien, die Dorkas, toen zij nog bij hen was, gemaakt had. Maar Petrus zond hen allen naar buiten en knielde neder en bad. En hij wendde zich tot het lichaam en zeide: Tabita, sta op! En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten."

Wat hier gebeurd, lijkt veel op het wonder wat Elisa deed in de bovenkamer van de Sunamitische vrouw. Ook hier in Joppe werd de gestorvene naar de bovenzaal gebracht. Ook hier wordt een dienstknecht van God bij de gestorvene geroepen, en ook hier is Petrus net als Elisa alleen bij de gestorvene in de bovenkamer in gebed. En ook hier wordt na het gebed tot handelen overgegaan. Wat opvalt, is het laatste gedeelte van deze tekst: "En zij opende haar ogen en zag Petrus en ging overeind zitten.'' Dus toen zij haar ogen opende zag zij de "rots", en zien op dé Rots brengt altijd leven voort.

En de vierde keer in Hand 20:7-12:

  • "En toen wij op de eerste dag der week samengekomen waren om brood te breken, hield Paulus een toespraak tot hen en, daar hij van plan was de volgende dag te vertrekken, zette hij zijn rede voort tot middernacht. En er waren verscheidene lampen in de bovenzaal, waar wij vergaderd waren. En een zekere jonge man, genaamd Eutychus, zat in de vensterbank, en door een diepe slaap bevangen, viel hij, toen Paulus zo lang sprak, door de slaap overmand, van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen. Doch Paulus kwam naar beneden, wierp zich op hem, en sloeg de armen om hem heen, en zeide: Maakt geen misbaar, want er is leven in hem. En bovengekomen, brak hij brood en at, en hij sprak nog lang met hen, tot de morgenstond, en zo vertrok hij. En zij brachten de jongen levend weg, en werden buitengewoon bemoedigd."

Een bijzondere geschiedenis, die zich afspeelde in de bovenzaal. Eutychus, zat in de vensterbank, en viel van de derde verdieping naar beneden en werd dood opgenomen. Eutychus betekent "de gelukkige". Naar de mens gesproken zouden we zeggen, dat hij niet zo gelukkig was, toen hij naar beneden viel. Maar wanneer we dit in de bijbelse context plaatsen, dan is zijn naam zeer wel van toepassing. Eutychus was namelijk onder het gehoor van het evangelie, en het aanvaarden van het evangelie heeft de dood (van de oude mens) tot gevolg, en na die dood volgt de opstanding (van de nieuwe mens). Ook hier wierp Paulus zich net als Elisa op de jongen, en jongen werd weer levend.



Complete Eénwording

We hebben tot dusver een aantal zaken behandeld, die in relatie staan tot het wonder dat Elisa in Sunim deed. We gaan nu weer terug naar 2 Kon 4:32-35:

  • "Daarna kwam Elisa het huis binnen en zie, daar lag de jongen dood op zijn bed. Toen Elisa binnengegaan was, sloot hij de deur achter hen beiden en bad tot de HERE. Daarna ging hij bovenop de knaap liggen; hij legde zijn mond op diens mond, zijn ogen op diens ogen, zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Daarop werd het lichaam van de knaap warm. Daarna keerde hij terug en ging eenmaal het huis op en neer; dan ging hij naar boven en boog zich over hem heen. Toen niesde de jongen zevenmaal en opende zijn ogen."

In vers 34 lezen we dat Elisa boven op de knaap ging liggen, zijn mond op diens mond, en zijn handen op diens handen, en boog zich zo over hem heen. Hiermee vereenzelvigde Elisa zichzelf met de jongen. Dit is een beeld van hoe de Heere Jezus Christus zich compleet vereenzelvigde met de (dode) mens. Christus ging tot in de dood, daarmee de wereld met Zichzelf verzoenende, alleen zó kon onze Heiland compleet één worden met de mens, en die complete éénwording bracht veel leven voort. Daarom moest Elisa ook eerst bidden voor hij handelde, God liet hem zien wat hij doen moest. Wat Elisa deed wees in het verborgen reeds op Christus Jezus, onze Heere. Alleen via dood en opstanding komt God de Vader tot zijn grote doel.



Leven door te sterven

Er staat nog een prachtige geschiedenis over dood en opstaan in Gods Woord opgetekend. Deze gebeurde toen De Heere onder de Zijnen was. we lezen die in Marcus 5:21-43:

  • "En toen Jezus met het schip weder overgestoken was naar de overkant, verzamelde zich een grote schare bij Hem; en Hij was bij de zee. En er kwam een van de oversten der synagoge, genaamd Jaïrus, en toen deze Hem zag, wierp hij zich neder aan zijn voeten, en hij smeekte Hem dringend, zeggende: Mijn dochtertje ligt op haar uiterste; kom toch en leg haar de handen op, dan zal zij behouden worden en in leven blijven. En Hij ging met hem mede en een grote schare volgde Hem en zij drongen tegen Hem op.
  • En een vrouw, die twaalf jaar aan bloedvloeiingen geleden had, en veel doorstaan had van vele dokters en al het hare daaraan ten koste had gelegd en geen baat had gevonden, maar veeleer achteruit was gegaan, had gehoord, wat er van Jezus verteld werd, en zij kwam tussen de schare en raakte van achter zijn kleed aan. Want zij zeide: Indien ik slechts zijn klederen kan aanraken, zal ik behouden zijn. En terstond droogde de bron van haar bloed op en zij bemerkte aan haar lichaam, dat zij van haar kwaal genezen was. En Jezus bemerkte terstond bij Zichzelf de kracht, die van Hem uitgegaan was, en Hij keerde Zich om in de schare, en zeide: Wie heeft mijn klederen aangeraakt? En zijn discipelen zeiden tot Hem: Gij ziet, dat de schare tegen U opdringt en Gij zegt: Wie heeft Mij aangeraakt? En Hij keek rond om te zien, wie dat gedaan had. De vrouw nu, bevreesd en bevende, wetende wat met haar geschied was, kwam en wierp zich voor Hem neder en zeide Hem de volle waarheid. En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.
  • Terwijl Hij nog sprak, kwam men uit het huis van de overste der synagoge hem zeggen: Uw dochter is gestorven; waarom valt gij de Meester nog lastig? Doch Jezus luisterde niet naar wat gezegd werd, maar Hij zeide tot de overste der synagoge: Wees niet bevreesd, geloof alleen. En Hij stond niemand toe met Hem mede te gaan, behalve Petrus en Jakobus en Johannes, de broeder van Jakobus. En zij kwamen in het huis van de overste der synagoge en Hij zag het misbaar en mensen, die luid weenden en weeklaagden. En binnengekomen, zeide Hij tot hen: Waarom maakt gij misbaar en weent gij? Het kind is niet gestorven, maar het slaapt. En zij lachten Hem uit. Doch Hij dreef hen allen het huis uit en nam de vader van het kind en de moeder en die bij Hem waren mede en Hij ging het vertrek binnen, waar het kind lag. En Hij vatte de hand van het kind en zeide tot haar: Talita koem, hetgeen betekent: Meisje, ik zeg u, sta op! En het meisje stond onmiddellijk op en het kon lopen; want het was twaalf jaar. En zij ontzetten zich terstond bovenmate. En Hij gebood hun nadrukkelijk, dat niemand dit te weten zou komen en zeide, dat men haar te eten zou geven."

We zien hier een overste van de synagoge, die geloof toonde. Hij vertrouwde er totaal op dat de Heere Jezus zijn dochtertje, welke op sterven lag, weer gezond kon maken. En de Heere ging met hem mee. Op weg naar het huis van Jaïris volgde de Heere een grote schare, die elkaar verdrongen, om toch vooral niets te missen van wat komen ging. Tussen die krioelende menigte bevond zich een vrouw, die al twaalf jaar ziek was. Zij had een groot geloof, want zij wilde door het aanraken van de kleding van de Heere behouden worden.

En dat gebeurde ook! In het gekrioel, waarin de Heere misschien wel vaker aangeraakt werd, was dit een bijzondere aanraking. En de Heere wist dat er iets bijzonders gebeurd was, en vroeg daarom: "Wie heeft mijn klederen aangeraakt?" De discipelen vonden het maar een rare vraag, want er waren zoveel mensen om de Heere heen, die "tegen Hem opdrongen". De vrouw voelde zich betrapt, en bekende dat zij het had gedaan. Bijzonder is het antwoord van de Heere, we zouden misschien verwacht hebben, dat de Heere zou zeggen, dat ze van nu af gezond zou zijn, maar de Heere zei:

  • "Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede".

En pas als laatste zei de Heere:

  • "En wees genezen van uw kwaal."

Iets om over na te denken. Dit alles gebeurde op weg naar het huis van Jaïris, waar zijn dochtertje op sterven lag. Maar net toen de vrouw beter was geworden, kwam een boodschapper vertellen dat het al te laat was, het dochtertje was reeds gestorven. Maar de Heere trok zich van die boodschap niets aan, en zei tegen Jaïris:

  • "Wees niet bevreesd, geloof alleen."

En toen de Heere met Petrus en Jakobus en Johannes het huis van Jaïris binnen ging, lachten de luid misbaar en weeklagende mensen de Heere uit, toen hij zei dat het meisje alleen maar sliep. Zij hadden totaal niet in de gaten, met Wie zij te maken hadden. We mogen ons afvragen of de schare die Hem gevolgd was dat wel in de gaten had. De conclusie lijkt gerechtvaardigd, dat ze alleen maar uit sensatie de Heere volgden, er viel wat te beleven!

Maar de Heere dreef allen het huis uit en nam alleen de vader en de moeder van het kind mee het vertrek binnen, waar het meisje lag. Daar liet de Heere het meisje weer opstaan. Hij liet zien dat Hij gekomen was voor de Zijnen om hen leven en overvloed te brengen, maar de Zijnen hadden niet in de gaten wie er onder hen aanwezig was, Hij, van wie Jesaja had geprofeteerd wie Hij was:

  • "Wonderlijk, Raad, Sterke God, Vader der eeuwigheid, Vredevorst".

Israël heeft de Christus der Schriften als zodanig niet herkend noch erkend.

Dat er speciaal bij staat dat het meisje twaalf jaar oud was, en dat we eerder lazen dat de vrouw twaalf jaar aan bloedvloeiingen geleden had, is in Gods Woord geen toeval. In dit geval werd de vrouw ziek, toen het meisje geboren werd. Het getal twaalf heeft altijd met het volk Israël te maken. Twaalf komen we heel vaak tegen in de Bijbel in verband met Israël.



Uit het Land

Elisa had gesproken tot de Sunanitische vrouw wier zoon hij weer levend gemaakt had:

  • "Maak u gereed en ga heen, gij met uw gezin, en vertoef in den vreemde, waar gij maar kunt, want de HERE heeft een hongersnood opgeroepen. – En deze is inderdaad over het land gekomen, zeven jaren lang. – Toen maakte die vrouw zich gereed en deed naar het woord van de man Gods; zij ging heen, zij met haar gezin, en vertoefde als vreemdeling in het land der Filistijnen, zeven jaren lang." (2 Kon 8:1-2).

Ook hier is de Sunamitische vrouw een beeld van Israël. De vrouw ging met haar gezin in gehoorzaamheid in den vreemde wonen. Israël moest ook het land uit. Er was voor het volk geen plaats meer in het land, daarom moesten zij de verstrooiing in tot op de huidige dag. Zeven jaar geeft in dit geval een bepaalde volheid van tijd aan, een tijd door God bepaald. En op Gods tijd zal die verstrooiing voor Israël eindigen.



In het Land

  • "Aan het eind van die zeven jaren keerde de vrouw terug uit het land der Filistijnen, en ging de hulp van de koning inroepen met het oog op haar huis en haar akker. De koning was juist in gesprek met Gechazi, de knecht van de man Gods, en had gezegd: Vertel mij toch al de grote daden die Elisa verricht heeft. Terwijl hij bezig was de koning te vertellen, dat deze een dode levend had gemaakt, riep daar juist de vrouw wier zoon hij levend had gemaakt, de hulp in van de koning met het oog op haar huis en haar akker. Toen zeide Gechazi: Mijn heer de koning, dit is de vrouw en dit is haar zoon, die Elisa levend gemaakt heeft. De koning ondervroeg daarop de vrouw en zij vertelde het hem; toen gaf de koning haar een hoveling mee en zeide: Zorg, dat al wat haar toebehoort teruggegeven wordt, benevens de gehele opbrengst van de akker sedert de dag, waarop zij het land verliet tot nu toe." (2 Kon 8:3-6)

Prachtig om te zien, hoe de geschiedenis van de Sunamitische de geschiedenis, ja de toekomst van het volk Israël weergeeft. Toen de vrouw na de door God vastgestelde tijd terug kwam, riep zij de hulp van de koning in met betrekking tot haar huis en land. Net zo zal Israël in de toekomst de hulp van dé Koning nodig hebben, om te verkrijgen wat hun door God is beloofd, namelijk het land van de de rivier van Egypte tot de grote rivier, de rivier de Eufraat. (Gen 15:18).

De koning zorgde ervoor dat alles wat haar toebehoorde haar werd teruggeven, zelfs de gehele opbrengst van de akker sedert de dag, waarop zij het land verliet tot nu toe. Wanneer Gods volk door God Zelf weer op haar plaats wordt gezet, dan zal het volk ook in grote overvloed leven.

Dan zal de tijd aanbreken, die reeds door Ezechiël was voorzegd:

  • "En mijn knecht David (= Christus) zal koning over hen wezen; één herder zal er voor hen allen zijn. Zij zullen naar mijn verordeningen wandelen en naarstig mijn inzettingen onderhouden. Zij zullen wonen in het land dat Ik aan mijn knecht Jakob gegeven heb en waarin hun vaders gewoond hebben; ja, zij zullen daarin wonen, zij, hun kinderen en hun kindskinderen, tot in eeuwigheid, en mijn knecht David zal hun voor eeuwig tot vorst zijn. Ik zal met hen een verbond des vredes sluiten, een eeuwig verbond met hen zal het zijn; Ik zal hun een plaats geven, hen vermeerderen en mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen stellen. Mijn woning zal bij hen zijn; Ik zal hun tot een God zijn, en zij zullen Mij tot een volk zijn. En de volken zullen weten, dat Ik, de HEERE, het ben die Israël heilig, doordat mijn heiligdom voor eeuwig te midden van hen staat." (Ez 37:24-28)

Zó zal de Heere in dit alles tot Zijn grote doel komen. Dit alles, wat in het verborgen vele malen door vele profeten in het Oude Testament was voorzegd. Door dood en opstanding komt Hij tot Zijn doel. Een beeld waar de dood en opstanding van de zoon van de Sunamitische een voorafschaduwing van was.



Onze Positie

En misschien zult u denken, en wij dan? Wat is onze positie in dit geheel? Wij mogen door genade tot het Lichaam van Christus behoren, en wij hebben reeds een hemelse positie. Allen, die tot het Lichaam van Christus behoren, mogen weten dat zij burgers zijn van een rijk in de hemelen. (Fil 3:20) En ook in ons zal God tot Zijn doel komen, want er staat geschreven:

  • "Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot de dag van Christus Jezus. (Fil 1:6).

 

Broeders en zusters, is de Heere al een goed werk in u begonnen? Heeft u uw hart in geloof opengezet voor Zijn Woord en Zijn liefdewerk, wat Hij in u wil doen? Dán zal Hij dat werk ten einde toe volmaken. Tot de dag van Christus Jezus, tot in Zijn dag!

 

Deel 11 volgt DV

Bert Boersma januari 2007 boersmabpost@kpnmail.nl

 

De Profeet Elisa (Deel 11)

(Deel 11 en deel 12 handelen beide over het vijfde wonder van Elisa)

De Dood in de Pot (5e Wonder)

Het bijbelgedeelte hiervoor vinden we in 2 Kon 4:38-41

  • "Toen Elisa naar Gilgal terugkeerde, was er honger in het land. Terwijl de profeten vóór hem gezeten waren, zeide hij tot zijn knecht: Zet de grootste pot op en kook moes voor de profeten. Daarop ging er een naar het veld om groenten te plukken; en hij vond een wilde slingerplant en plukte daarvan wilde kolokwinten, zijn kleed vol. Toen hij teruggekomen was, sneed hij die in stukjes in de moespot; want zij kenden ze niet. Vervolgens schepte men voor de mannen op om te eten. Maar zodra zij van het moes hadden gegeten, schreeuwden zij het uit: De dood is in de pot, man Gods! En zij konden het niet eten. Doch hij zeide: Haal dan meel. En hij wierp het in de pot en zeide: Schep op voor het volk, opdat zij eten. Toen was er niets kwaads meer in de pot."

En de paar verzen die hierop volgen, lezen we hier direct achteraan:

  • "Er was een man gekomen uit Baäl-Salisa; deze bracht de man Gods in zijn tas brood van de eerstelingen, twintig gerstebroden en vers koren. En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. Maar zijn dienaar zeide: Hoe kan ik dit aan honderd man voorzetten? En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. Want zo zegt de HERE: Men zal eten en overhouden. Daarop zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over, naar het woord des HEREN." (2 Kon 4:42-44)

Het leven van Elisa is doorweven van wonder-tekenen, die iets te betekenen hebben, en ook ons iets willen zeggen. Altijd wijzen de wonder-tekenen naar het verlossingswerk van God in Zijn Zoon Jezus Christus. En altijd zit er in de wonder-tekenen een boodschap voor het volk Israël. Vaak laat het wat zien over de geschiedenis en de toekomst van Israël, waar overigens het gehele Oude Testament over handelt.

Boven het bijbelgedeelte wat dit wonder beschrijft, hebben de vertalers geschreven: "De dood in de pot." En dat is inderdaad een goede omschrijving, en boven het tweede gedeelte staat: "De spijziging van de honderd".



Wet tegenover Genade

We zien in het eerste gedeelte (2 Kon 4:38-41) een beeld van de wet. De wet wordt in 2 Cor 3:7 een bediening des doods genoemd, en in Galaten 3:10 lezen we dat allen, die het van werken der wet verwachten, onder de vloek liggen. Daartegenover zien we in het tweede gedeelte (2 Kon 4:42-44) een beeld van de genade Gods.

Een mooi gedeelte uit Gods Woord, wat zowel over de wet als over de genade handelt lezen we in Joh 1:14-17:

  • "Het Woord is vlees geworden en het heeft onder ons gewoond en wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid. Johannes heeft van Hem getuigd en heeft geroepen, zeggende: Deze was het, van wie ik zeide: Die na mij komt, is vóór mij geweest, want Hij was eer dan ik. Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade; want de wet is door Mozes gegeven, de genade en de waarheid zijn door Jezus Christus gekomen."

Johannes zegt in vers 14, dat het Woord onder ons heeft gewoond. Eigenlijk staat hier in de grondtekst:

  • "Het Woord heeft onder ons getabernakeld".

Dit spreekt van wonen in een tent. De tent der samenkomst in de woestijn werd ook tabernakel genoemd. Dat "tabernakelen" spreekt ook van wonen zonder vaste verblijfplaats. En dat gold zeker voor de Heere Jezus, toen Hij onder de Zijnen "tabernakelde". De Heere zei zelf in Mat 8:20:

  • "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen." Dit geeft heel duidelijk weer hoe Hij in Israël "tabernakelde".

Verder zegt Johannes in datzelfde vers 14:

  • "En wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid."

Johannes spreekt hier over de "heerlijkheid" van de Heere Jezus. Wat zegt Jesaja van de verschijning van de Heere?

  • "Hij had gestalte noch luister, dat wij hem zouden hebben aangezien, noch gedaante, dat wij hem zouden hebben begeerd. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt; hij was veracht en wij hebben hem niet geacht. (Jes 53:2-3).

En wat zegt David over de Heere in Psalm 22:17-19?

  • "Want honden hebben mij omringd, een bende boosdoeners heeft mij omsingeld, die mijn handen en voeten doorboren. Al mijn beenderen kan ik tellen; zij kijken toe, zij zien met leedvermaak naar mij. Zij verdelen mijn klederen onder elkander en werpen het lot over mijn gewaad."

Uit dit alles spreekt weinig "heerlijkheid". Maar Johannes zag niet aan wat voor ogen was, maar Johannes zag het innerlijk van de Heere Jezus. Van buiten was Hij niet om aan te zien, maar van binnen zag Johannes een majestueuze heerlijkheid, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders. Net zó was het ook bij de echte tabernakel in de woestijn. Van buiten was daar niets moois aan, maar van binnen was alles van grote heerlijkheid gemaakt, en met goud overtrokken.

Bovendien heeft Johannes op de berg de Heere gezien in al zijn heerlijkheid:

  • "En zijn gedaante veranderde voor hun ogen en zijn gelaat straalde gelijk de zon en zijn klederen werden wit als het licht." (Mat 17:2).

In Zijn werken openbaarde de Heere ook Zijn heerlijkheid, dat schreef Johannes in Joh 2:11, nadat de Heere in Kana het water in wijn had veranderd:

  • "Dit heeft Jezus gedaan als begin van zijn tekenen te Kana in Galilea en Hij heeft Zijn heerlijkheid geopenbaard, en zijn discipelen geloofden in Hem." (Joh 2:11)

Maar er staat nog meer in Johannes 1:14:

  • "Wij hebben zijn heerlijkheid aanschouwd, een heerlijkheid als van de eniggeborene des Vaders, vol van genade en waarheid."

En in vers 16 lezen wij over die genade:

  • "Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs "genade op genade."

Hier wil ik toch iets nader op in gaan:

Genade anti (= in plaats van) Genade

We lezen in Gods Woord in de grondtekst (N.T. Grieks) vaak het woordje "anti". Dit heeft bij ons vaak een negatieve betekenis. Je bent "anti", dan ben je ergens op tegen. Maar de bijbelse betekenis van "het Griekse woord "anti", is een geheel andere betekenis, "anti" betekent "in plaats van". Zo weten we dat satan Gods naäper is, en hij heeft zijn anti-christ, dat wil zeggen dat hij in plaats van dé Christus zijn christus heeft geplaatst. De satan is anti God, dat betekent dat hij zichzelf op de plaats van God zet. Dat begon al bij zijn opstand in den beginne tegen God, en deze opstand duurt heden ten dage nog voort, en die opstand zal zijn hoogtepunt nog bereiken, wanneer de komst van Christus aanstaande is.

Er vele teksten waar het Griekse woord "anti" in gebruikt is. Ik zal ze hier niet allemaal behandelen, maar bovenstaande tekst, Joh 1:16 zegt toch heel veel:

  • "Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op genade".

Een prachtige tekst, die zonder de juiste vertaling toch vaak wordt misverstaan. Want hier staat vanuit de grondtekst:

  • "Dat vanuit de volheid van Hem wij allen hebben ontvangen genade in plaats van ( = anti) genade"

Dus er was genade, en daarvoor in de plaats is er (andere, nieuwe) genade gekomen. Wanneer we deze tekst in de context plaatsen, dan weten we dat Johannes in de eerste plaats tot de wereld over de Zijnen, over het volk Israël sprak, en wat was er in Israël aan de hand tijdens de rondwandeling van de Heere Jezus? De wet werd nog steeds nageleefd. De wet was aan Israël gegeven. In de wet had God al veel genade gelegd. God wist dat de Zijnen de wet niet konden naleven, en daarom had God hen ceremoniële wetten gegeven, die hun zonden konden bedekken. De offers spreken van vergeving, en zó was de wet al een toonbeeld van Gods genade. Maar nú was de Heiland der wereld voor hen gekomen, en Hij was gekomen om de wet te vervullen, en daarom was er nú een andere, waarachtige genade in de plaats van ( = anti) de eerste genade gekomen. Een genade die veel verder ging. Christus zou het volmaakte offer brengen, waardoor er geen ander offer meer nodig was, en waardoor er zelfs geen ander, beter offer mogelijk was.

Door dat offer van Christus zou er werkelijk leven én overvloed zijn. Dát betekent de tekst: "Immers uit zijn volheid hebben wij allen ontvangen zelfs genade op (= anti) genade". En eigenlijk verklaart vers 17 dat ook een beetje, wat daar staat (vrij vertaald):

  • Want de wet (met de genade, die God reeds in de wet verborgen had), is door Mozes gegeven, maar in plaats van de wet zijn de waarachtige genade en de waarheid door Jezus Christus gekomen."

En wij dan? Welke genade is er voor ons? Alle gelovigen hebben in Christus de verlossing door Zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom Zijner genade." (Efeze 1:7). En aan Paulus, verreweg de geringste van alle heiligen, is de genade te beurt gevallen, aan de heidenen, dus aan ons de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen. (Efeze 3:8). Bovendien zal in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade aan de wereld getoond worden, en dan zal de wereld zien welk een goedertierenheid aan allen, die tot het Lichaam van Christus behoren, in Christus Jezus is gegeven. (Efeze 2:7) Zij worden gezegend met alle, let wel met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus.

Voor de liefhebber nog enkele teksten waar in de grondtekst "anti = in plaats van" staat: Math 2:22, Math 5:38 (2x), Math 17:27 (Geef het hun in plaats van mij en u), Math 20:28 (als losprijs inplaats van velen), Marc 10:45 (als losprijs in plaats van velen), Lukas 11:11 (hem in plaats van een vis een slang zal geven), Joh 1:16, Rom 12:17 (Vergeldt niemand kwaad in plaats van kwaad), 1 Kor 11:15 (het haar is haar in plaats van een sluier gegeven), Efeze 5:31 (daarom = in plaats van), 1 Tess 5:15 (kwaad in plaats van kwaad), Hebr 12:2 (die, in plaats van de vreugde, welke vóór Hem lag), Hebr 12:16 (die in plaats van één spijze zijn eerstgeboorterecht verkocht), Jac 4:15 en twee keer in 1 Petr 3:9 (kwaad in plaats van kwaad of laster in plaats van laster).

De waarachtige genade is gekomen door en in Jezus Christus, onze Heere, en dat heeft uiteraard alles te maken met het volbrachte werk dat Hij in volkomen gehoorzaamheid aan de Vader heeft volbracht. De Vader heeft de volheid van Zijn Liefde tentoongesteld in Zijn Zoon. En de Zoon heeft het niet als een schande gezien, om de heerlijkheid, die hij bij de Vader had, af te leggen, en de gestalte van een Dienstknecht aan te nemen. Welk een overweldigende genade! Dit alles, deze boodschap ligt ook verborgen in 2 Kon 4.



Wedergeboorte - Gilgal

In 2 Kon 4:38 lezen we dat Elisa naar Gilgal terugkeerde. We hebben eerder in deze bijbelstudie gezien, dat Elia samen met Elisa hun reis begonnen in Gilgal (2 Kon 2:1). Elia en Elisa reisden van Gilgal naar Betel, en vandaar naar Jericho, en verder naar de Jordaan. Dus de start was in Gilgal.

Verder hadden we reeds gezien dat Gilgal betekent "wiel of rad", en is afgeleid van het werkwoord "galal", wat met wedergeboorte heeft te maken. Een wiel draait rond. En wanneer een wiel één rondje heeft gemaakt, komt het in dezelfde stand weer terecht, maar nu wel op een andere, nieuwe plaats. Dit draaien van het wiel beeld de wedergeboorte uit. Wedergeboorte is sterven en opnieuw opstaan, maar dan wel opstaan in een andere plaats. Hier komt denk ik het gezegde "het rad der wedergeboorte" vandaan. En we kunnen nog iets verder gaan door te zeggen dat het voortgaande wiel ook het voortgaande leven (in groei) van die wedergeboren mens uitbeeld.

De volgende gebeurtenis speelde zich ook te Gilgal af:

  • "Te dien tijde zeide de HEERE tot Jozua: Maak u stenen messen en besnijd de Israëlieten opnieuw, ten tweeden male. Toen maakte Jozua zich stenen messen en hij besneed de Israëlieten op de Heuvel der voorhuiden. Dit nu was de reden, waarom Jozua hen besneed: al het volk van het mannelijk geslacht, dat uit Egypte getrokken was, alle krijgslieden waren in de woestijn onderweg gestorven, nadat zij uit Egypte getrokken waren. Want al het volk dat uitgetrokken was, was besneden geweest, maar al het volk dat geboren was in de woestijn onderweg na de uittocht uit Egypte, had men niet besneden. Want veertig jaren zijn de Israëlieten door de woestijn getrokken, totdat het gehele volk omgekomen was, de krijgslieden, die uit Egypte getrokken waren, die naar de stem des HEEREN niet gehoord hadden, aan wie de HEERE gezworen had, dat Hij hun niet zou laten zien het land, waarvan de HEERE hun vaderen gezworen had, dat Hij het ons geven zou, een land, overvloeiende van melk en honig. Maar hun zonen heeft Hij in hun plaats gesteld; dezen heeft Jozua besneden, want zij waren onbesneden, omdat men hen onderweg niet besneden had. Toen het gehele volk zich tot de laatste man toe had laten besnijden, bleven zij waar zij waren in de legerplaats, totdat zij hersteld waren. En de HEERE zeide tot Jozua: Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld. Daarom noemt men die plaats Gilgal, tot op de huidige dag." (Jozua 5:2-9)

Zo is Gilgal de plaats van besnijdenis van het gehele volk Israël. Deze besnijdenis is een beeld van de besnijdenis des harten, wat spreekt van nieuw leven, van wedergeboorte. Wedergeboorte gebeurt door het water = het Woord. Al verschillende malen was het volk op wonderbare wijze door het water gegaan, denk aan de doortocht door de Schelfzee, en de doortocht door de Jordaan. Maar in Gilgal moest het volk het teken van de wedergeboorte aan den lijve ondergaan. Alleen mogen we ons afvragen of het volk wel werkelijk de geestelijke betekenis van die besnijdenis ooit heeft begrepen. Zelfs de leiders van Israël in latere tijden begrepen er niets van, denk maar eens aan Nicodemus. Het volk was blind, omdat het blinde wegwijzers had, en daardoor was er geen kennis.

Dus Elisa keerde terug naar Gilgal. Gilgal was het uitgangspunt van de dienst van de profeet, en nu de plaats waarheen hij terugkeerde. Er was honger in het land (2 Kon 4:38). Hoe kon er nou honger zijn in het land, waarvan de Heere had gezegd, dat het een land was overvloeiende van melk en honing? Dat kon maar één ding betekenen: Het volk leefde in ongehoorzaamheid aan de Heere, en daarom was er honger in het land.



De Wijnstok(ken) en de Wijngaard

Elisa zei tegen Gechazi dat hij de grootste pot moest opzetten om "moes" te koken. "Toen ging er een uit in het veld, om moeskruiden te lezen, en hij vond een wilden wijnstok, en las daarvan, zijn kleed vol wilde kolokwinten, en kwam, en sneed ze in den moespot; want zij kenden ze niet. (2 Kon 4:39 St. Vert.)

De opdracht was om de grootste pot te nemen, om "moes" te maken. Dan gaat er één, waarschijnlijk één van de zonen der profeten, het veld in om moeskruiden te zoeken. De NBG heeft hier "groenten", en de King James "herbs = kruiden" vertaald. Die opdracht wordt niet uitgevoerd, want we zien die persoon terugkeren met de vruchten van de wilde wijnstok. Wilde kolokwinten, ook "sodomsappels" genoemd, zijn de onrijpe knoppen van de wilde wijnstok.

We lezen wat er verder gebeurd: De onrijpe knoppen van de wilde wijnstok werden gesneden, en de stukjes werden in de moespot klaargemaakt. Eigenlijk wisten ze niet waar ze mee bezig waren, want er staat: "want zij kenden ze niet". (2 Kon 4:39).

  • "Vervolgens schepte men voor de mannen op om te eten. Maar zodra zij van het moes hadden gegeten, schreeuwden zij het uit: De dood is in de pot, man Gods! En zij konden het niet eten." (2 Kon 4:40)

In dit gehele gebeuren zien we het volk Israël onder de wet. Op de Sinaï had Israël van de Heere de wet gekregen, en wat zei het volk toen?

  • "En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de HEERE gesproken heeft, zullen wij doen." (Ex 19:8).

Nooit is er één Israëliet geweest, die de gehele wet heeft kunnen volbrengen. Altijd weer wandelde het volk de afgoden achterna. Steeds waren ze ongehoorzaam, en voerden de gegeven opdracht niet uit. En we zien waar dat toe leidde: Ze vonden de dood in de pot! Wie van de wet wil "eten", zal ontdekken, dat hij daardoor niet tot leven komt, en de dood in de pot vindt. Daarom wordt de wet ook een bediening des doods genoemd (2 Cor 3:7). En daarom zegt Paulus ook in de Galaten brief dat allen, die het van werken der wet verwachten, onder de vloek liggen; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. (Gal 3:10)

Een prachtig gedeelte uit Gods Woord wat handelt over de wijnstokken en de wijngaard, dus over de positie van Israël in het land, lezen we in Jesaja:

  • "Ik wil van mijn geliefde zingen, het lied van mijn beminde over zijn wijngaard. Mijn geliefde had een wijngaard op een vruchtbare heuvel; hij spitte hem om, zuiverde hem van stenen, beplantte hem met edele wijnstokken, bouwde daarin een toren en hieuw ook een perskuip daarin uit. En hij verwachtte, dat de wijngaard goede druiven zou voortbrengen, maar hij bracht wilde druiven voort. Nu dan, inwoners van Jeruzalem en mannen van Juda, spreekt toch recht tussen Mij en mijn wijngaard. Wat was er nog aan mijn wijngaard te doen, dat Ik er niet aan gedaan heb? Waarom verwachtte Ik, dat hij goede druiven zou voortbrengen, en bracht hij wilde druiven voort? Nu dan, Ik wil u doen weten, wat Ik met mijn wijngaard ga doen: zijn doornhaag wegnemen, opdat hij verwoest worde; zijn muur doorbreken, opdat hij vertrapt worde; Ik zal hem tot een wildernis maken, hij zal gesnoeid noch behakt worden, zodat er dorens en distels opschieten; en Ik zal de wolken gebieden, dat zij op hem geen regen doen vallen. Welnu, de wijngaard van de HERE der heerscharen is het huis Israëls, en de mannen van Juda zijn de planten waarin Hij vreugde heeft; Hij verwachtte goed bestuur, maar zie, het was bloedbestuur; rechtsbetrachting, maar zie, het was rechtsverkrachting." (Jesaja 5:1-7).



Volgende keer gaan we hier mee verder.

Deel 12 volgt DV

Bert Boersma februari 2008 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 12)

(Deel 11 en een gedeelte van deel 12 handelen over het vijfde wonder van Elisa.

Het tweede gedeelte van deel 12 handelt over het zesde wonder van Elisa)

 

Meel = Brood (des Levens)

Doch hij (Elisa) zeide: Haal dan meel. En hij wierp het in de pot en zeide: Schep op voor het volk, opdat zij eten. Toen was er niets kwaads meer in de pot." (2 Kon 4:41). Er was maar één middel wat Israël uit hun ellendige toestand kon redden: Meel!

We zien in het "meel" een prachtig type van het ware Meel, oftewel het ware Brood des levens. Wanneer dat "Brood" in Israël wordt ingebracht, zal er leven zijn én overvloed. Dan zal er geen honger in het land zijn. Christus zelf zei tot de Zijnen:

  • "Ik ben het brood des levens; wie tot Mij komt, zal nimmermeer hongeren en wie in Mij gelooft, zal nimmermeer dorsten." (Joh 6:35)

Door de hele Bijbel heen geeft God tekenen aan Israël van de grote belofte die Hij reeds aan Adam had gedaan:

  • "En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen."

Het zaad van de vrouw, Christus heeft satan vermorzeld. Sinds Adam zijn alle mensen in zonde geboren. Dat gelooft de wereld niet meer, maar het is wel de Waarheid. Gods Woord zegt:

"Allen zijn onder de zonde, gelijk geschreven staat: Niemand is rechtvaardig, ook niet één, er is niemand, die verstandig is, niemand, die God ernstig zoekt; allen zijn afgeweken, tezamen zijn zij onnut geworden; er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één." (Rom 3:10-11).

Duidelijke taal, maar gelukkig staat er meer:

  • "Thans is echter buiten de wet om gerechtigheid Gods openbaar geworden, waarvan de wet en de profeten getuigen, en wel gerechtigheid Gods door het geloof in [Jezus] Christus, voor allen, die geloven; want er is geen onderscheid. Want allen hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.'' (Rom 3:21-24).

Christus was zonder zonde. Hij was uit God geboren, Hij was gehoorzaam tot de dood des kruises, Hij had geen zonde, maar Hij is voor ons tot zonde gemaakt. Onze vloek was op Hem. Dat is genade in plaats van (= anti) de eerdere genade! Want broeders en zusters, God is rechtvaardig. Wanneer de mens zondigt, dan verdient die mens straf, God ziet de zonde werkelijk niet door de vingers, Hij knijpt (met alle respect) niet even een oogje dicht. Gods rechtvaardigheid eist een rechtvaardige straf. En God wist dat er geen mens in staat was om aan Zijn rechts-eis te voldoen, en daarom offerde Hij het dierbaarste wat Hij had, Zijn eigen Zoon voor de totale zondeschuld van alle mensen. Ook voor u en mij.

  • "Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen." (2 Cor 5:17).

Dáárom moest er meel in de pot, en dáárom was er daarna niets kwaads meer in de pot."

Meel wordt in de wet genoemd als ingrediënt voor de toebereiding van het spijsoffer:

  • "Wanneer gij als offergave van spijsoffer een baksel uit de oven zult brengen, dan zal het uit fijn meel bestaan: ongezuurde koeken, met olie aangemaakt, en ongezuurde, dunne koeken, met olie bestreken." (Lev 2:4).

Het spijsoffer spreekt van de gave (offer) van de Israëlieten aan God. En we weten dat alle offers uit het Oude Testament een voorafschaduwing zijn van het Ene ware Offer, Het Brood des Levens, wat voor de zonde der wereld is gestorven.

Hier verrichtte Elisa opnieuw een wonder. Zoals hij eerder het slechte water te Jericho gezond maakte, zodat er geen dood of misgeboorte meer uit voortkwam, maakte hij in Gilgal de dood in de pot onschadelijk. Het eerste wonder vond plaats door zout in de bron te werpen, het tweede door meel te werpen in de moes-pot. Zo maakte Elisa het oneetbare voedsel weer eetbaar, en toonde hij zich opnieuw de dienstknecht van God. Hij is hierin een treffend beeld van onze Heere Jezus Christus, die de dood voorgoed heeft overwonnen en eenmaal voor Israël leven en overvloed zal brengen.



Leven door het Brood des Levens

Natuurlijk zit in deze geschiedenis ook voor ons een duidelijke les. Wij moeten leren te leven en te handelen in afhankelijkheid van Christus. Hij heeft ervoor gezorgd dat wij nooit (geestelijke) honger behoeven te hebben. Wij hebben het Woord, dat zeer vast is, en mogen jagen naar de prijs der roeping Gods, daarbij trachtende rechte voren te trekken bij het brengen en onderzoeken van Gods Woord. Daarbij moeten we niet, net als de "kolokwinten-zoeker", op eigen houtje gaan handelen, maar ons houden aan Gods Woord.

Want als we onze eigen "foute" vruchten oogsten, en die als voedsel aanbieden aan onze broeders en zusters, kan dat wel eens kwalijke gevolgen hebben. Wij moeten niet eten van de wilde, maar van de ware Wijnstok. Dan worden we geen prooi van de vijand door de verderfelijke invloed van wereldse wijsbegeerte en wereldse inzettingen. Wanneer we gegrond zijn in Christus, dan worden onze harten vertroost en worden wij in de liefde verenigd tot alle rijkdom van een volledig inzicht, en zullen we het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn. (Kol 2:2-3). Hij heeft ons nu al leven én overvloed gegeven.



Eerstelingen (6e wonder)

Dan lezen we verder in 2 Kon 2:42-44 over het zesde wonder dat Elisa mocht doen:

  • "Er was een man gekomen uit Baäl-Salisa; deze bracht de man Gods in zijn tas brood van de eerstelingen, twintig gerstebroden en vers koren. En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. Maar zijn dienaar zeide: Hoe kan ik dit aan honderd man voorzetten? En hij zeide: Geef het aan het volk, opdat zij eten. Want zo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden. Daarop zette hij het hun voor, en zij aten en hielden over, naar het woord des HEEREN." (2 Kon 4:42-44)

Elisa krijgt van een een man uit Baäl-Salisa twintig gerstebroden en vers koren, zijnde de eerstelingen. De "eerstelingen" komen we veel vaker tegen in Gods Woord: Reeds Abel offerde de Heere een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de HEERE sloeg acht op Abel en zijn offer. (Gen 4:4). De Heere vroeg Abraham zijn "eersteling" (Izaäk) te offeren, De Heere sloeg alle "eerstelingen" in Egypte. De eerstelingen van de vruchten, die gij op de akker zaaien zult zijn voor de Heere. (Ex 23:16). "Het beste der eerstelingen van uw bodem zult gij in het huis van de HEERE, uw God, brengen." (Ex 23:19) Zelfs de eerstelingen van het vee waren voor de Heere: "Alle eerstelingen van het mannelijk geslacht, die onder uw runderen en uw kleinvee geboren worden, zult gij de HERE, uw God, heiligen; gij zult niet arbeiden met de eersteling van uw rund, en de eersteling van uw schaap zult gij niet scheren." (Deut 15:19)

Een mooi bijbelgedeelte over de eerstelingen is Lev 23:9-22, wat u eigenlijk voor het goede verband in zijn geheel zou moeten lezen:

  • "En de HERE sprak tot Mozes: Spreek tot de Israëlieten en zeg tot hen: Wanneer gij komt in het land dat Ik u geef, en de oogst daarvan binnenhaalt, dan zult gij de eerstelingsgarve van uw oogst naar de priester brengen, en hij zal de garve voor het aangezicht des HEREN bewegen, opdat gij welgevallig zijt; daags na de sabbat zal de priester die bewegen. Gij zult op de dag waarop gij de garve beweegt, een gaaf eenjarig schaap de HERE ten brandoffer bereiden, met als bijbehorend spijsoffer twee tienden fijn meel, met olie aangemaakt, ten vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE, en als bijbehorend plengoffer een vierde hin wijn. Tot op die dag zult gij geen brood, geen geroosterd of vers koren eten, totdat gij de offergave van uw God gebracht hebt: het is een altoosdurende inzetting voor uw geslachten, in al uw woonplaatsen. Dan zult gij tellen van de dag na de sabbat, van de dag waarop gij de garve van het beweegoffer gebracht hebt: zeven volle weken zullen het zijn; tot de dag na de zevende sabbat zult gij tellen, vijftig dagen; dan zult gij een nieuw spijsoffer de HERE brengen. Uit uw woonplaatsen zult gij twee beweegbroden meebrengen; uit twee tienden efa fijn meel zullen zij bereid worden, gezuurd zullen zij gebakken worden, eerstelingen voor de HERE. Bij het brood zult gij zeven gave eenjarige schapen offeren en een jonge stier en twee rammen; zij zullen een brandoffer voor de HERE zijn, met de bijbehorende spijsoffers en plengoffers, een vuuroffer tot een liefelijke reuk voor de HERE. Dan zult gij een geitebok ten zondoffer, en twee eenjarige schapen ten vredeoffer bereiden. En de priester zal ze bewegen, bij het brood der eerstelingen, als beweegoffer voor het aangezicht des HEREN bij de twee schapen: zij zullen de HERE heilig zijn, zij zijn voor de priester. Op deze zelfde dag zult gij een oproep doen uitgaan, gij zult een heilige samenkomst hebben, generlei slaafse arbeid zult gij verrichten; het is een altoosdurende inzetting, in al uw woonplaatsen, voor uw geslachten. Wanneer gij de oogst van uw land binnenhaalt, dan zult gij de rand van uw veld bij uw oogst niet geheel afmaaien, en wat van uw oogst is blijven liggen, zult gij niet oplezen; dat zult gij voor de arme en de vreemdeling laten liggen: Ik ben de HERE, uw God."

We hebben gelezen dat de eerste schoof (de eersteling) als een beweegoffer aan de Heere werd gebracht. En wanneer we weten, dat alle offers naar Christus wijzen, dan is ook Christus, die als eersteling uit de dood opstond, een beweegoffer voor God.

Zo zijn er vele teksten die over de "eerstelingen" gaan, maar één wil ik nog noemen, dat is Num 15:21:

  • "Van de eerstelingen van uw gerstemeel zult gij de HEERE een heffing geven, van geslacht tot geslacht."

De man uit Baäl-Salisa bracht Elisa ook twintig broden van de eerstelingen gemaakt van gerstemeel. We hebben net gelezen dat Israël van hun gerstemeel de HEERE een heffing moesten geven, van geslacht tot geslacht. Dus hiermee bracht die man grote eer aan God, door Elisa, de dienstknecht van God. de eerstelingen te brengen.



Eerstgeborene

Zeer nauw verwant aan de "eersteling" is de eerstgeborene. Ook wat betreft de eerstgeborene is Gods Woord heel duidelijk:

  • "Iedere menselijke eerstgeborene onder uw zonen echter zult gij lossen." (Ex 13:13 en Ex 22:29 en Ex 34:20).

Lossen betekent in dit geval dat er voor de eerstgeboren zoon een (ander) offer in de plaats van die zoon gebracht moest worden. En we lezen ook over dé Eerstgeborene, Die door God gesteld zal worden tot een eerstgeborene, tot de hoogste van de koningen der aarde. (Psalm 89:28).

  • Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping. (Kol 1:15).
  • "En Hij is het hoofd van het lichaam, de gemeente. Hij is het begin, de eerstgeborene uit de doden, zodat Hij onder alles de eerste geworden is." (Kol 1:18).

Letterlijk staat hier: Hij is de eerstgeborene van tussen de doden uit.

Deze Eerstgeborene, de Heere Jezus Christus, wordt ook "Eersteling" genoemd:

  • "Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. Maar ieder in zijn eigen rangorde: Christus als eersteling, vervolgens die van Christus zijn bij zijn komst; daarna het einde, wanneer Hij het koningschap aan God de Vader overdraagt, wanneer Hij alle heerschappij, alle macht en kracht onttroond zal hebben.'' (1 Cor 15:20-24)



Twintig Gerstebroden

De man uit Baäl-Salisa bracht Elisa in zijn tas brood van de eerstelingen, twintig gerstebroden. Dat we hier lezen over TWINTIG gerstebroeden, is niet toevallig:

  • "De HERE sprak tot Mozes: Wanneer gij het getal der Israëlieten bij de telling opneemt, dan zullen zij, ieder voor zijn leven, aan de HERE een zoengeld geven, wanneer men hen telt, opdat er onder hen geen plaag zij bij de telling. Dit zal ieder die tot de getelden gaat behoren, geven: een halve sikkel, gerekend naar de heilige sikkel – deze sikkel is twintig gera – een halve sikkel is de heffing voor de HERE. Ieder die tot de getelden gaat behoren van twintig jaar oud en daarboven, zal de heffing voor de HERE geven. De rijke zal niet meer noch de arme minder dan een halve sikkel opbrengen, om die te geven als heffing voor de HERE ter verzoening voor uw leven. En gij zult het geld der verzoening van de Israëlieten nemen en het bestemmen voor de dienst in de tent der samenkomst; het zal voor de Israëlieten tot een gedachtenis zijn voor het aangezicht des HEREN ter verzoening voor hun leven." (Ex 30:11-16).

Dus twintig is het getal van de prijs voor de verzoening. Ook dit wijst op de verzoening die Christus teweeg heeft gebracht. Het was een zoengeld als heffing voor de Heere. En de prijs was voor allemaal gelijk. Christus heeft zowel voor de armen als voor de rijken hetzelfde offer gebracht.



Honderd man (werden gevoed)

Ook honderd is de Bijbel niet zomaar een getal:

  • Abraham was 100 jaar oud, toen door een wonder van God Izaäk geboren werd. (Gen 21:5).
  • Jacob kocht voor honderd geldstukken het stuk land waarop hij zijn tent gespannen had, van de zonen van Hemor, de vader van Sichem. (Gen 33:19).
  • Izaäk zaaide in het land en oogstte in dat jaar honderdvoudig; want de HERE zegende hem. (Gen 26:12).
  • En moet u een kijken hoe de tabernakel (een beeld van het hemelse) gemaakt was: "Gij zult de voorhof van de tabernakel maken; aan de zuidzijde gordijnen voor de voorhof van getweernd fijn linnen, honderd el lengte aan de ene zijde" (Ex 27:9). Honderd talenten zilver dienden om de voetstukken van het heiligdom (Tabernakel) en van het voorhangsel te gieten, honderd voetstukken, naar de honderd talenten, een talent voor een voetstuk. (Ex 38:27).
  • En de Heere zei zelf: "Ik zeg u, er is niemand, die huis of broeders of zusters of moeder of vader of kinderen of akkers heeft prijsgegeven om Mij en om het evangelie, 30 of hij ontvangt honderdvoudig terug" (Mar 10:29-30)

Honderd is het getal wat bij het komende Koninkrijk van Christus hoort, omdat dan het Woord honderdvoudig vrucht zal dragen.

 



Leven én Overvloed

Het gedeelte van 2 Kon 4:42-44 spreekt van leven én overvloed. Gechazi vroeg aan Elisa:

  • "Hoe kan ik dit aan honderd man voorzetten?"

Dit betekent, dat het twintig kleine gerstebroodjes moeten zijn geweest, die normaal gesproken absoluut ontoereikend waren om honderd man te voeden. Maar Elisa zei:

  • "Geef het aan het volk, opdat zij eten. Want zo zegt de HEERE: Men zal eten en overhouden."

En zo gebeurde het! Onwillekeurig moeten we bij dit wonder denken aan de spijziging van de vijfduizend man (vrouwen en kinderen niet meegerekend). Daar waren het vijf broden en twee vissen die de menigte voedde, en daar bleven 12 manden vol over, nadat iedereen verzadigd was. Dáár liet de Heere zien waarvoor Hij gekomen was: Om het volk Israël leven en overvloed te geven!

Nog een prachtig bijbelgedeelte over leven én overvloed lezen we in Johannes 10:

  • "Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; maar wie door de deur binnenkomt, is de herder der schapen. Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen."
  • "In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed." (Joh 10:1-10)

Meestal wordt dit bijbelgedeelte gelezen in de trant van: De goede herder staat bij de ingang van de schaapskooi, en de schapen mogen naar binnen, en dan zijn de schaapjes veilig, en hebben ze hun doel bereikt. Ze zijn "binnen", in de zin van dat ze daar "leven en overvloed" hebben. Maar dat staat er niet. Er staat dat de Deurwachter de deur opent, en de schapen horen naar Zijn stem en Hij roept Zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. De Heere zei: Ik ben de deur der schapen, als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden. Dan is de vraag: Binnenkomen waarin? Niet in de stal, want in de stal kunnen ze niet "ingaan en uitgaan en weide vinden". De stal is een plaats waar de schapen noodgedwongen de "nacht" in de duisternis doorbrengen. Maar na de "nacht", na de tijd van duisternis, staat de Herder klaar om de schapen naar buiten te brengen, om hen te brengen naar grazige weiden. Dáár (buiten) vinden de schapen leven én overvloed. Dát is wat de Heere de Zijnen wil verkondigen. Hij is de deur om in te gaan in Zijn Koninkrijk, waar Zijn volk leven en overvloed zal vinden. (Psalm 23).

Deze boodschap wordt ons in 2 Kon 4 reeds verkondigd in de geschiedenis van Elisa, toen hij de honderd man te eten gaf. "Zij aten en hielden over, naar het Woord des Heeren". (2 Kon 4:44) Er was leven én overvloed!

Het is een geweldig voorrecht en een grote genade dat wij mogen weten weten, dat er nu gelovigen zijn, die behoren tot het Lichaam van Christus, die op grond van Gods Woord nu reeds deelgenoten mogen worden van alle zegeningen in Christus Jezus, onze Heere. Want er staat letterlijk, volgens de Griekse grondtekst, en volgens de gebruikte Griekse werkwoordsvorm (De Aoristus 1), dat zij gezegend worden (= hier en nu) met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus. (Efeze 1:3 St Vert). (zie voor uitleg over de “aoristus-vorm de bijbelstudie “Het Lichaam van Christus” deel 11).

En in Efeze 2:4-8 staat:

  • "God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons (dat zijn die apart geplaatsten en getrouwen) heeft liefgehad, ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus, – door genade zijt gij behouden –, en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus, om in de komende eeuwen de overweldigende rijkdom zijner genade te tonen naar (zijn) goedertierenheid over ons in Christus Jezus. Want door genade zijt gij behouden, door het geloof, en dat niet uit uzelf: het is een gave van God."

Broeders en zusters, kunt u bevatten hoe groot Gods liefde is? Een geweldige rijkdom en onverdiende overweldigende genade is hen, die in het Lichaam van Christus geplaatst zijn, in Christus ten deel gevallen. Alleen Hem komt alle lof en eer toe!

Zo kunt u ook ontdekken, dat op iedere bladzijde van de Bijbel de heerlijkheid van Christus wordt geopenbaard. We hebben dát gezien in het meel wat in de pot werd gedaan, en we zien dat in die man uit Baäl-Salisa; die Elisa in zijn tas brood van de eerstelingen bracht. Allemaal beelden die wijzen op de heerlijkheid van Christus, waar wij door genade in mogen delen. En we mogen de zekerheid hebben, dat het lijden van de tegenwoordige tijd niet opweegt tegen de heerlijkheid, die over ons geopenbaard zal worden. (Rom 8:18). Tevens mogen we leven in de verwachting, dat ook de schepping zelf van de dienstbaarheid aan de vergankelijkheid zal bevrijd worden tot de vrijheid van de heerlijkheid der kinderen Gods. (Rom 8:21). En, broeders en zusters, Gods genade is onbevattelijk, want wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zullen ook allen, die tot het Lichaam van Christus behoren, met Hem verschijnen in heerlijkheid. (Kol 3:4).



Deel 13 volgt DV

Bert Boersma februari 2008 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 13)

(Deel 13 en 14 handelen over het zevende wonder van Elisa)

 

De genezing van Naäman (7e Wonder)

Het zevende wonder van Elisa lezen we in 2 Koningen 5:1-27:

  • "Naäman, de legeroverste van de koning van Aram, was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst, want door hem had de HEERE een overwinning aan Aram geschonken. Maar deze man, een krijgsheld, was melaats. De Arameeërs nu waren eens in benden uitgetrokken en hadden een jong meisje uit het land van Israël gevangen meegevoerd; zij was in dienst van Naämans vrouw. En zij zeide tot haar meesteres: Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen.
  • Toen kwam hij en deelde het aan zijn heer mee: Zo en zo heeft het meisje uit het land van Israël gesproken. De koning van Aram zeide: Welaan, ga heen, ik wil een brief aan de koning van Israël zenden. Zo ging hij heen en nam met zich mee tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen. Hij bracht aan de koning van Israël de brief, waarin geschreven stond: Nu dan, zodra deze brief u bereikt, zie, ik zend mijn dienaar Naäman tot u, opdat gij hem verlost van zijn melaatsheid. Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn klederen en zeide: Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken, dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen? Voorzeker, let op, ziet: hij zoekt een voorwendsel tegen mij.
  • Zodra Elisa, de man Gods, gehoord had, dat de koning van Israël zijn klederen gescheurd had, zond hij tot de koning de boodschap: Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hij toch tot mij komen, opdat hij wete, dat er een profeet in Israël is. En Naäman kwam met zijn paarden en met zijn wagens en hield stil bij de ingang van het huis van Elisa. Elisa zond een bode tot hem met de opdracht: Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn. Toen werd Naäman toornig en ging heen, terwijl hij zeide: Zie, ik dacht bij mijzelf: hij zal zeker naar buiten komen en daar gaan staan en de naam van de HERE, zijn God, aanroepen en zijn hand over de plek heen en weer bewegen en zo de melaatsheid wegnemen. Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël? Zou ik mij daarin niet kunnen baden en rein worden? Daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid.
  • Toen traden echter zijn dienaren nader, spraken hem aan en zeiden: Mijn vader, had de profeet u iets moeilijks opgedragen, zoudt gij dat dan niet doen? Hoeveel te meer, nu hij tot u gezegd heeft: Baad u en gij zult rein worden? Dus daalde hij af en dompelde zich zevenmaal onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein.
  • Daarop keerde hij terug tot de man Gods, hijzelf met zijn gehele gevolg; en, bij hem gekomen, ging hij voor hem staan en zeide: Zie, nu weet ik, dat er op de gehele aarde geen God is behalve in Israël. Neem dan een geschenk aan van uw dienaar. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft, in wiens dienst ik sta, ik neem niets aan. En, hoewel hij bij hem aandrong, dat hij iets zou aannemen, bleef hij weigeren. Toen zeide Naäman: Indien dan niet, laat aan uw knecht een last aarde geven zoveel als een span muildieren kan dragen. Want uw knecht zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan aan de HERE. Maar moge de HERE dit aan uw knecht vergeven: wanneer mijn heer in de tempel van Rimmon komt om zich aldaar neer te buigen, terwijl hij op mijn arm leunt, zodat ik mij in de tempel van Rimmon moet neerbuigen – als ik mij dan neerbuig in de tempel van Rimmon, moge de HERE deze zaak aan uw knecht vergeven. En hij zeide tot hem: Ga in vrede.
  • Toen hij een eindweegs van hem was weggegaan, dacht Gechazi, de knecht van Elisa, de man Gods: Zie, daar heeft mijn heer deze Arameeër Naäman ontzien door niets van hem aan te nemen van wat hij had meegebracht! Zo waar de HERE leeft, ik snel hem achterna en neem iets van hem aan. Dus ging Gechazi Naäman achterna. Toen Naäman zag, dat iemand hem achterna snelde, sprong hij van de wagen af hem tegemoet en zeide: Is het wel? En hij antwoordde: Ja. Mijn heer heeft mij gezonden met deze boodschap: Zie, zojuist zijn twee jonge mannen uit de profeten tot mij gekomen van het gebergte Efraïm. Geef hun toch een talent zilver en twee bovenklederen. En Naäman zeide: Wees zo goed en neem twee talenten. En hij drong bij hem aan. Daarop liet hij twee talenten zilver in twee buidels pakken, benevens twee bovenklederen en gaf die aan twee van zijn knechten, die ze voor hem uit droegen. Toen hij bij de heuvel gekomen was, nam hij ze van hen over, borg ze op in huis en liet die mannen heengaan. En zij gingen heen.
  • Nadat hij binnengekomen was en voor zijn heer was gaan staan, vroeg Elisa hem: Vanwaar Gechazi? En hij antwoordde: Uw knecht is nergens heen geweest. Maar hij zeide tot hem: Ben ik in de geest niet meegegaan, toen die man zich omkeerde van zijn wagen af u tegemoet? Was het de tijd om dat zilver aan te nemen of om klederen aan te nemen of olijfbomen en wijngaarden, schapen en runderen, slaven en slavinnen? Daarom zal de melaatsheid van Naäman u en uw nakomelingen aankleven, voor altoos. Toen ging hij van hem weg, melaats als sneeuw."

Tot zover het bijbelgedeelte wat handelt over de genezing van Naäman.

Naäman's reis

De meesten van u zullen deze geschiedenis van Naäman kennen. Een bijzondere gebeurtenis, over de zieke die gezond wordt, en de gezonde die ziek wordt. Ook deze geschiedenis spreekt over dood en opstanding. Naäman was zeer gezien bij zijn heer en stond in hoge gunst bij de koning van Aram. Eens waren de legers van Aram opgetrokken naar Israël, en had Naäman de overwinning behaald, en Naäman had als "buit" een jong meisje uit Israël meegenomen, die hij als dienstmeisje aan zijn vrouw had gegeven. Uit het Woord blijkt, dat het meisje goed behandeld werd in het huis van Naäman, want er spreekt medelijden en bewogenheid uit de woorden van het meisje, wanneer zij voor haar meester genezing van zijn melaatsheid wenst. Tevens blijkt uit de woorden van het meisje haar geloof:

  • "Och, was mijn heer maar bij de profeet in Samaria, dan zou deze hem wel van zijn melaatsheid verlossen."

Naäman wilde graag genezen worden, en nadat hij de woorden van het Israëlitische meisje had gehoord, ging hij dat aan de koning van Aram vertellen. De koning was helemaal opgetogen, en wenste voor zijn zeer geziene veldheer het beste, en wilde alle medewerking verlenen. Daarom schreef de koning een brief die Naäman aan de koning van Israël, het tien stammen-rijk, kon geven. Naäman nam tien talenten zilver, zesduizend sikkels goud en tien bovenklederen mee. Naäman had er veel voor over om genezen te worden, en hij dacht waarschijnlijk dat het een dure zaak zou zijn. Hij wist nog niet dat de God van Israël zich niet door geld liet betalen.

Zo ging Naäman met zijn gevolg op reis, en ging naar de koning van Israël, aan wie hij de brief van zijn eigen koning overhandigde. Zodra de koning van Israël de brief gelezen had, scheurde hij zijn klederen en zeide:

  • "Ben ik God, om te kunnen doden en levend maken, dat deze man een boodschap tot mij zendt om een man van zijn melaatsheid te verlossen? Voorzeker, let op, ziet: hij zoekt een voorwendsel tegen mij."

Een hele logische reactie van de koning van Israël, want Naäman was immers die veldheer, die Israël had verslagen, en Naäman kwam vast niet met goede bedoelingen, daarom scheurde de koning zijn klederen, ten teken van rouw. Dit gebeuren laat zien, dat de koning van Israël totaal geen rekening met de Heere hield, want anders was hij niet zo in paniek geraakt. Dan had hij Naäman zelf wel doorgestuurd naar de godsman Elisa.

Elisa handelt in opdracht

Maar Elisa was reeds door de Heere ingelicht over de komst van Naäman. Elisa wist dat Naäman ziek was, en dat Naäman zonder vooropgezet plan naar Israël was gekomen. Hij was niet gekomen om te strijden, maar om genezen te worden. En Elisa wist ook dat de koning bang was, en daarom in zak en as zat, en Elisa zei tegen de koning:

  • "Waarom hebt gij uw klederen gescheurd? Laat hij toch tot mij komen, opdat hij wete, dat er een profeet in Israël is."

En zo gebeurde het. Naäman ging met zijn hele gevolg, met zijn paarden en zijn wagens naar het huis van Elisa. Het zou heel logisch zijn geweest dat Elisa hem reeds stond op te wachten, want de komst van zo'n stoet was toch een hele vertoning, en zeker geen dagelijkse gebeurtenis, en ging in Israël zeker niet onopgemerkt voorbij.

Maar we lezen dat het totaal anders ging. Toen Naäman stil stond bij het huis van Elisa, zond Elisa een bode, die tot Naäman zei:

  • "Ga heen en baad u zevenmaal in de Jordaan, dan zal uw lichaam weer gezond worden en gij zult rein zijn."

Elisa kwam er zelf niet voor naar buiten om Naäman te begroeten. Naäman was het vast heel anders gewend als hij ergens kwam werd hij altijd met het grootste eerbetoon behandeld. De reactie van Naäman was dan ook zeer menselijk, en wordt duidelijk omschreven in 2 Kon 5:11-12.

Naäman had niet in de gaten dat hij hier met de God van Israël te maken had, en die God handelt niet naar menselijke maatstaven. Al het geld en al de geschenken, die Naäman had meegenomen zouden blijken van geen enkel nut te zijn. Die God geeft ook geen moeilijke opdracht, maar vraagt een geloofsdaad. Maar Naäman zei:

  • "Zijn de Abana en de Parpar, de rivieren van Damascus, niet beter dan alle wateren van Israël?"

Waarschijnlijk waren dat mooiere en schonere rivieren dan de Jordaan. Het is bijzonder, wanneer we naar de betekenis van de namen van die rivieren kijken, want Abana betekent "verbond of steenachtig", wat wijst op het verbond wat Israël op twee stenen had gekregen. En Parpar betekent "snel of vlug", dit wijst op het snelle, vlugge stromen van die rivier, en snelstromend water is meestal schoon water. Wanneer we dit in ogenschouw nemen, is het nog duidelijker dat Naäman liever in die rivieren baadde.

Niet door werken der wet

Wanneer we nogmaals naar de betekenis van de namen van de Abana (verbond), en de Parpar kijken, en wanneer we uit de opdracht van Elisa weten, dat die rivieren niet geschikt waren bevonden om Naäman gezond te maken, dan mogen we daaruit de conclusie trekken, dat Naäman uiteindelijk niet door werken der wet (het verbond), maar door genade weer gezond is geworden. Dit gold ook voor het volk Israël. Op een enkeling na, heeft Israël dat nooit begrepen. Zij wilden de wet houden, en meenden daardoor gerechtigheid te ontvangen. Maar wat zegt het Woord?

  • "Doch Israël, hoewel het een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen." (Rom 9:31).

Zij konden dat ook niet. Niemand was in staat de wet te houden en daardoor te leven. Maar toen Israël de wet kreeg, sloegen zij zichzelf op de borst, en zeiden: "Dat zullen wij doen!" Niet wetende dat zij hopeloos zouden struikelen. Want er is niemand die doet wat goed is, zelfs niet één. (Rom 3:12). Allen moesten het louter en alleen van de genade hebben. Ook wij moeten het niet van werken der wet verwachten, maar in geloof zien op het volbrachte werk van onze Heiland, want in Hem moge blijken, dat we niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof in Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. (Fil 3:9)

In Israël

Genezingen hebben in Gods Woord altijd een doel. Het gaat niet om de techniek, niet om de manier waarop de genezing plaatsvindt, maar altijd wil de Schrift met genezingen iets duidelijk maken. Wanneer we onderzoeken wanneer en voor wie genezingen, wonderen en tekenen in Gods Woord voorkomen, dan zullen we altijd tot de ontdekking komen, dat alle wonderen, tekenen én genezingen plaatsvinden in relatie tot het volk Israël. Anders gezegd: De Heere maakte zich aan Zijn volk bekend door tekenen en wonderen en genezingen. En hij verzamelde voor Zich een volk door teken en wonderen: "om Zich een volk uit het midden eens volks aan te nemen, door verzoekingen, door tekenen, en door wonderen, ........." (Deut 4:34).

Daarom moest de genezing van Naäman ook plaatsvinden in Israël. Het zou een les voor Israël moeten zijn geweest, Maar het volk verstond het niet. Zelfs in de tijd toen de Heere bij het volk was, werden de tekenen en wonderen niet door Israël verstaan. De tekenen hoorden bij de Heere, en bij Zijn komst voor Israël. Zelfs toen Israël in de Handelingen periode onder de prediking van de apostelen en Paulus nog weer een kans kreeg om tot geloof te komen, hebben zij het niet verstaan. Maar Christus zal in de toekomst, wanneer Hij de draad met Zijn volk Israël weer opneemt, Zich ook zeer zeker weer door tekenen en wonderen én genezingen aan Zijn volk bekend maken. Maar in deze tussentijd, waarin wij nu leven, gelden andere regels!

In de Jordaan

Er is nog een andere reden waarom Naäman zichzelf in Israël in de Jordaan, en niet in de rivieren van zijn eigen land, moest baden om genezing te ontvangen. De Jordaan bepaalt ons bij dood én opstanding. Er gaat "iets" in de Jordaan, en er komt "iets" uit. Zo weten we dat het volk Israël na een 40 jarige omzwerving door de woestijn door de Jordaan het beloofde land binnenging. We weten ook dat Egypte ten zuidwesten van Israël ligt, en het geografisch gezien toch veel handiger zou zijn geweest om ten zuiden het land Israël binnen te trekken. Zo denken wij, maar de Heere liet het volk (in onze ogen) een hele omslachtige omweg maken, langs en door vijandige buurlanden, om zo uiteindelijk door de Jordaan heen het land binnen te gaan. Wanneer we lezen in Gods Woord, wat er meer in de Jordaan gebeurde, dan bemerken we dat daar nog meer gebeurtenissen hebben plaatsgevonden, die allen wijzen op Christus' dood en opstanding.

Johannes de Doper had de opdracht het volk te verkondigen: "Bekeert u, want het koninkrijk der hemelen is nabij" En daarom moest Israël daar bij de Jordaan gedoopt worden. Het was eigenlijk de bedoeling, dat het gehele volk toen nogmaals door de doop door de Jordaan zou gaan. Maar als de geestelijke leiders door Johannes al "adderengebroed" worden genoemd, hoe zou het dan met het volk gesteld zijn? We weten hoe het uiteindelijk afgelopen is. Israël bekeerde zich niet.

Ook de Heere Jezus liet Zich door Johannes in de Jordaan dopen:

  • "Toen kwam Jezus uit Galilea naar de Jordaan tot Johannes, om Zich door hem te laten dopen. Maar deze trachtte Hem daarvan terug te houden en zeide: Ik heb nodig door U gedoopt te worden en komt Gij tot mij? Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden. Terstond nadat Jezus gedoopt was, steeg Hij op uit het water. En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb." (Mat 3:13-17)

Johannes sputterde wat tegen, maar de Heere Jezus echter antwoordde en zeide tot hem: Laat Mij thans geworden, want aldus betaamt het ons alle gerechtigheid te vervullen. Toen liet hij Hem geworden. (Mat 3:15). Zo bepaalt Naäman ons bij de Heere Jezus, en zo wijst de genezing van Naäman naar de Christus der Schriften:

Het woordje "ons" in de zin van Mat 13:15 slaat op het volk Israël: "want aldus betaamt het onsalle gerechtigheid te vervullen." Want Israël moest de wet vervullen. En "alle gerechtigheid" in dezelfde zin, slaat op het sterven én opstaan van Israël. Israël heeft dat toen niet gekund, maar zal in de toekomst door Gods eigen toedoen alle gerechtigheid vervullen, wanneer God zal uitstorten van Zijn Geest op alle vlees:

  • En de zonen en dochters van Israël zullen profeteren, en de jongelingen zullen gezichten zien, en hun ouderen zullen dromen dromen: ja, zelfs op mijn dienstknechten en mijn dienstmaagden zal Ik in die dagen van mijn Geest uitstorten en zij zullen profeteren.” (Hand 2:17-18).

Maar toen de Heere zei: "Want aldus betaamt het onsalle gerechtigheid te vervullen", sloeg dat in de allereerste plaats op Hem, die door Zijn sterven én opstaan alle gerechtigheid heeft vervuld. Want alleen daardoor, door Zijn gehoorzaamheid tot in de dood, zal Israël rijke genade ten deel vallen, en zal Israël in staat zijn om alle gerechtigheid te vervullen.

Bovendien wijst de doop van de Heere Jezus in de Jordaan ook op hetgeen in de wet geschreven staat over de inwijding van de hogepriester:

  • "Gij zult Aäron en zijn zonen doen naderen tot de ingang van de tent der samenkomst en gij zult hen met water wassen."

Christus zal dé Hogepriester van het volk Israël zijn. Zij zullen tot een Koninkrijk gevormd worden, en zij zullen met Christus, hun Hogepriester, als koningen heersen op de aarde. (Openb 1:6 en Openb 5:10)

God is rechtvaardig

Omdat God rechtvaardig is, kan Hij geen zonde door de vingers zien. Daarom moet er voor de zonde worden betaald. en er is geen mens die voor zijn eigen zonden of voor die van een ander kan betalen. Dat wist God, en daarom wordt naast Gods rechtvaardigheid meteen Gods onpeilbare grote liefde openbaar toen Hij Zijn Zoon naar deze wereld zond. De Zoon, die Zijn heerlijkheid bij de Vader opgaf, om de nederigste van allemaal te worden. Hij was veracht en van mensen verlaten, een man van smarten en vertrouwd met ziekte, ja, als iemand, voor wie men het gelaat verbergt. (Jes 53:3).

Hij was in alle opzichten gehoorzaam aan Zijn opdracht. Hij was de enige, die waardig was om de zondelast van de wereld te dragen, om zo de toegang naar "het Heilige der Heiligen" te openen. Op het laatst van Zijn leven riep Hij met luide stem: "Mijn God, mijn God, waarom hebt Gij Mij verlaten?" Toen Christus tot het diepste ging, stond Hij er alleen voor. Maar ook dat hoorde bij Gods rechtvaardigheid, want God kan geen gemeenschap hebben met de zonde. Deze voor ons misschien wel onbegrijpelijke rechtvaardigheid van God komt uitsluitend voort uit Zijn grote Liefde, om uiteindelijk door het lijden van Zijn eigen Zoon tot Zijn grote doel te komen.

Ik besef dat ik dit alles in een paar zinnen neerschrijf, maar in wezen laten deze onbevattelijke heilsfeiten zich niet door mensenwoorden uitdrukken. Het is slecht een pogen mijnerzijds, om de geweldige daden Gods te omschrijven.

Naäman ging "doodziek" het water van de Jordaan in. Christus ging "doodziek", bedolven onder de zondelast van de wereld aan het kruis. Hij was zonder zonde, maar werd tot zonde gemaakt. En het loon dat de zonde geeft is de dood. Daarom moest Christus sterven. Dat was Gods rechtvaardig oordeel. Maar God is altijd rechtvaardig, want Christus is weer opgestaan, en dat was Gods rechtvaardig oordeel over het rechtvaardig leven van de Heere Jezus Christus. Zo betoonde God een volkomen rechtvaardigheid aan Zijn Zoon.

Verder lezen we ook nog in Mat 3:17:

  • "En zie, de hemelen openden zich, en hij zag de Geest Gods nederdalen als een duif en op Hem komen. En zie, een stem uit de hemelen zeide: Deze is mijn Zoon, de geliefde, in wie Ik mijn welbehagen heb."

We zien hier dat de Koning der Koningen gezalfd wordt met Gods Heilige Geest. Zo mogen we zien dat het begin van Christus' optreden Zijn doop in de Jordaan was, en we weten dat het einde van de Heere Jezus Zijn doop in de dood was. Daarom zei de Heere: "Ik ben gekomen om de wet de vervullen." (Mat 5:17) Zo heeft Hij, die zonder zonde was, het geen schande geacht om de heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, op te geven, en alle gerechtigheid te vervullen. Alle lof en eer komt Hem toe!



Deel 14 volgt DV

Bert Boersma maart 2008 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 14)

(Deel 13 en 14 handelen over het zevende wonder van Elisa)

 

De gezonden "bode"

In 2 Kon 5:10 lezen we dat Elisa "een bode" tot Naäman zond met een opdracht. Heel vaak is in Gods Woord sprake van een bode. Het woord "bode" komt van "malach", wat inderdaad "Mijn bode" betekent. Er is ook vaak sprake van dat een engel als bode fungeert. Zo is er de Schrift sprake van een engel des verbonds, en van de Engel des Heeren, waarin we altijd het beeld van Christus kunnen ontwaren, als we desbetreffende tekst in de context lezen. Alle profeten waren ook "boden", en brachten het Woord van God. En Israël moest luisteren naar die boden. Engelen (boden) openbaarden het Woord. Een engel openbaarde het gehele boek Openbaring aan Johannes. Zo gaf ook de bode in deze geschiedenis van Naäman een boodschap van de Heere door.



Religie

Naäman was melaats, en dat betekende dat hij een zekere dood zou sterven. Dit is eigenlijk het beeld van ieder mens. Ieder mens is ten dode opgeschreven. Ieder mens weet dat, maar is desondanks bezig met het zoeken naar eigen wegen en uitvluchten om hieraan te ontkomen, en zo zijn eigen behoud te bewerken. Dat is de weg van Kaïn, de weg van het zoeken naar eigen oplossingen van "genezing". Met de wandel van Kaïn was de religie geboren. Het woord "religie" is ontstaan uit twee woorden, "re" = nieuw, en "liga(ie)" = verbond. Religie is door de mens uitgevonden, en begon met Kaïn. Kaïn handelde naar eigen goeddunken, dat leidt tot de dood. Zijn broer Abel ging de weg van het geloof, welke leidt tot het leven, de persoon van Christus.

Niemand kan door religie (= buiten Christus om) tot God komen. De Heere zei zelf: "Niemand komt tot de Vader, dan door Mij." Hij is de enige weg, de weg van genade, de weg van het levende Woord. Kaïn ging (net als Gechazi) zijn eigen weg, de weg van de religie, wég van het aangezicht des Heeren. Religie zorgde voor de dood van Abel. Religie zorgde voor de dood van de Heere Jezus. Religie zorgde voor de dood van de volgelingen van de Heere Jezus. Religie zorgde én zorgt voor een dood geloof! Religie zorgt er ook voor dat mensen niet Gods Woord, maar de vastgelegde religieuze menselijke geschriften bestuderen. En doordat die menselijke wijsheden fundamenteel zijn vastgelegd, is er geen groei, en geen verandering van voortschrijdend inzicht in Gods Woord meer mogelijk. Daarom is religie een "dood"lopende weg.

Een duidelijk voorbeeld wat religie voortbrengt, lezen we in Lukas 4:14-30. Hier lezen we over een optreden van de Heere Jezus in het religieuze Nazareth, de plaats waar de Heere was opgegroeid:

  • "En Jezus keerde in de kracht des Geestes terug naar Galilea. En de roep over Hem ging uit door de gehele streek. En Hij leerde in hun synagogen en werd door allen geprezen. En hij kwam te Nazaret, waar Hij opgevoed was, en Hij ging volgens zijn gewoonte op de sabbatdag naar de synagoge en stond op om voor te lezen. En Hem werd het boek van de profeet Jesaja ter hand gesteld en toen Hij het boek geopend had, vond Hij de plaats, waar geschreven is: De Geest des Heren is op Mij, daarom, dat Hij Mij gezalfd heeft, om aan armen het evangelie te brengen; en Hij heeft Mij gezonden om aan gevangenen loslating te verkondigen en aan blinden het gezicht, om verbrokenen heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren. Daarna sloot Hij het boek, gaf het aan de dienaar terug en ging zitten. En de ogen van allen in de synagoge waren op Hem gericht. En Hij begon tot hen te zeggen: Heden is dit schriftwoord voor uw oren vervuld. En allen betuigden hun instemming met Hem en verwonderden zich over de woorden van genade, die van zijn lippen kwamen en zij zeiden: Is dit niet de zoon van Jozef? En Hij zeide tot hen: Gij zult ongetwijfeld deze spreuk tot Mij zeggen: Geneesheer, genees Uzelf! Doe alle dingen, waarvan wij gehoord hebben, dat zij te Kafarnaüm geschied zijn, ook hier, in uw vaderstad. Doch Hij zeide: Voorwaar, Ik zeg u, geen profeet is aangenaam in zijn vaderstad. Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta, bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was. En er waren vele melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elisa, en geen van hen werd gereinigd, doch wel Naäman de Syriër. En allen in de synagoge werden met toorn vervuld, toen zij dit hoorden. Zij stonden op en wierpen Hem de stad uit en voerden Hem tot aan de rand van de berg, waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte te storten. Maar Hij ging midden tussen hen door en vertrok."

In Lukas 4:18-19 lezen we over de zalving van de Heere, met als doel om aan armen (= Israël) het evangelie te brengen, en om aan gevangenen (= Israël) loslating te verkondigen en aan blinden ( = Israël) het gezicht, om verbrokenen ( = Israël) heen te zenden in vrijheid, om te verkondigen het aangename jaar des Heren voor het volk Israël. Want daarvoor was de Heere gekomen. Hij kwam voor de Zijnen, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

En zolang het goed klinkt, zolang de woorden goed overkomen, ja strelend zijn voor het mensenoor, betuigen religieuze mensen hun instemming met de Spreker, en verwonderen zich over de woorden van genade, die van Zijn lippen kwamen. (Lukas 4:22). Maar wanneer de waarheid aan het gehoor wordt gebracht komt men in opstand. Want de Heere spreekt verder, en zegt:

  • "Doch Ik zeg u naar waarheid, er waren vele weduwen in de dagen van Elia in Israël, toen de hemel drie jaren en zes maanden lang gesloten bleef en er grote hongersnood was over het gehele land, en tot geen van haar werd Elia gezonden, doch wel naar Sarepta, bij Sidon, tot een vrouw, die weduwe was." (Lukas 4:25-26).

Hiermee zegt de Heere dat er vele weduwen in Israël waren, maar zij vertrouwden niet op de Heere, Daarom ging Elisa naar een vrouw (Sarepta) die buiten Israël woonde, die wel op God vertrouwde, en in Hem geloofde. En zij werd gezegend, haar kruik vloeide over van olie.

En verder zei de Heere:

  • "En van alle melaatsen in Israël ten tijde van de profeet Elisa, werd niemand genezen, doch wel Naäman die van buiten Israël kwam. (Lukas 4:27).

Dus hiermee zei de Heere naar waarheid, dat het volk een ongelovig volk was, en niet op de Heere vertrouwde. Een gelovig mens, die de liefde tot de Waarheid in zijn hart heeft, zou op de knieën zijn gevallen, en om vergeving hebben gevraagd, maar we zien hier in Lukas 4 de ware gezindheid van het hart van de religieuze mens naar boven komen:

  • "En allen in de synagoge werden met toorn vervuld, toen zij dit hoorden. Zij stonden op en wierpen Hem de stad uit en voerden Hem tot aan de rand van de berg, waarop hun stad gebouwd was, om Hem van de steilte te storten." (Lukas 4:28-29)



God vraagt gehoorzaamheid = Geloof

De mens is meestal geneigd zijn eigen God-loze weg te bewandelen, zo ook Naäman, hij dacht buiten de weg van God om genezen te kunnen worden in de eigen rivieren. En het ging al helemaal niet zoals Naäman het had verwacht. Alleen "een bode" komt hem vertellen dat hij zich maar zeven keer moet baden in de Jordaan. Helemaal geen spectakel en vertoon van machten en krachten. Hij was dan ook boos en beledigd, en daarop wendde hij zich om en ging heen in grimmigheid. (2 Kon 5:12). Zo reageert de mens.

Maar (gelukkig) vonden de dienaren van Naäman het maar niks om zonder resultaat terug te gaan, en haalden Naäman toch over om te doen wat de bode van Elisa hem had opgedragen. Elisa had Naäman immers helemaal geen moeilijke opdracht gegeven. En misschien lag in de eenvoud van de opdracht wel het acceptatie probleem van Naäman. Eigenlijk is er niets nieuws onder de zon, want ook nu is men eerder bereid moeilijke dingen te doen, om zo door zelfwerkzaamheid, bijvoorbeeld door het maken van een lange zware bedevaart, door eigen inzet "de hemel te verdienen", dan eenvoudig in de Christus der Schriften te geloven, en Zijn genade te aanvaarden. Naäman moest slechts in gehoorzaamheid zeven keer ondergedompeld worden in de Jordaan.

Op aandringen van zijn dienaren daalde hij af en dompelde zich zevenmaal (zeven = getal van volheid) onder in de Jordaan, naar het woord van de man Gods; en zijn lichaam werd weer gezond als het lichaam van een kleine jongen, en hij was rein. We zien hier dat geloof in het Woord een volkomen verlossing teweeg brengt.

Helemaal opgetogen over zijn genezing gaat Naäman met zijn gevolg én met zijn geschenken terug naar het huis van Elisa. Het eerste wat Naäman dan doet is, erkennen dat er op de gehele aarde geen God is dan de God van Israël (vers 15). Vervolgens dringt hij er meermalen bij Elisa op aan toch geschenken te aanvaarden. Maar Elisa weigert pertinent.

Wanneer we de tekst goed lezen, dan blijkt eigenlijk dat Naäman geschenken aan de God van Israël wil geven. En omdat hij Elisa zag als de "vertegenwoordiger" van God, wilde hij Elisa met geschenken overladen. Wanneer dat niet lukt, wil Naäman toch al het mogelijke doen om die God te eren. Hij vraagt om grond uit Israël mee te mogen nemen naar zijn eigen land, zoveel als een span muildieren konden dragen. Zoals gewoonlijk werden op "hoogten" altaren gebouwd, en op die altaren werden de offers gebracht. Naäman wilde van de grond uit Israël een hoogte maken, hij wilde niet op de door de afgoden vervuilde grond in Syrië een offer aan de Heere brengen. Hij zei: "Want uw knecht zal geen brandoffer of slachtoffer meer brengen aan andere goden dan aan de HEERE." (vers 17)

Maar er was nog wel een probleem, want Naäman was nog steeds de dienaar van de koning van Syrië. En die positie bracht met zich mee, dat Naäman op gezetten tijden met de hulpbehoevende koning naar de tempel van Rimmon moest. Naäman zei (vrij vertaald): "Wanneer mijn heer de koning in de tempel van Rimmon komt om zich daar neer te buigen, terwijl hij op mijn arm leunt, dan moet ik mij daar ook wel neerbuigen, omdat de koning op mij leunt. Maar wanneer ik mij dan om die reden genoodzaakt zie om in de tempel van Rimmon neer te buigen, moge de HERE deze zaak aan uw knecht vergeven (2 Kon 5:18). De reactie van Elisa hierop is veelzeggend. Elisa zei: "Ga in vrede".

De positie van Naäman bracht met zich mee, dat hij de hulpbehoevende koning ondersteunde bij zijn bezoek aan de afgodentempel. Maar het enige wat van belang was voor de Heere, hoe de gesteldheid van het hart was van Naäman.

  • "Het komt immers niet aan op wat de mens ziet; de mens toch ziet aan wat voor ogen is, maar de HERE ziet het hart aan." Dit staat letterlijk in 1 Sam 16:7. (zie ook 2 Cor 10:7).



Leugen "baart" leugen

Gechazi had dit alles zien gebeuren. Naäman was gezond teruggekomen van de Jordaan, en wilde uit dankbaarheid alle geschenken wel geven, die hij bij zich had. Gechazi zag de overvloed van geschenken, en dacht waarschijnlijk: "Grijp je kans, Elisa" Maar Elisa weigerde alles. En de rijkdom lag nog wel zo voor het grijpen. Gechazi kon het niet aanzien, en liet de hebzucht in hem zegevieren. Toen Naäman weer was vertrokken, en Elisa weer naar binnen was gegaan, snelde Gechazi achter de vertrokken stoet aan, menende dat niemand hem in de gaten had. En om zijn eigen hebberigheid te verbergen, verzon hij ook nog een leugen, namelijk dat Elisa twee arme bezoekers had gekregen, waarvoor hij de geschenken nodig had. De "vader der leugen" had Gechazi te pakken. Zo verzonnen, zo gedaan. Maar hier bleef het niet bij. Hieruit leren we dat de ene leugen de volgende reeds "baart". Want toen Gechazi weer bij Elisa terug kwam, vroeg Elisa aan hem waar hij geweest was, en Gechazi antwoorde, niet wetende dat de Heere reeds alle dingen aan Elisa had laten zien, dat hij nergens heen was geweest. De straf voor Gechazi liet niet op zich wachten. Elisa zei: "De melaatsheid van Naäman zal u en uw nakomelingen aankleven, voor altoos". Toen ging Gechazi van hem weg, melaats als sneeuw."



Volkomen verlossing

We hebben in deze bijbelstudie gelezen over de volkomen genezing, die Naäman ontving, nadat hij in gehoorzaamheid de opdracht van Elisa had uitgevoerd. Maar broeders en zusters, weet u wat nou zo geweldig is? Ook voor ons staan er geweldige beloften in Gods Woord, waarin we nu reeds mogen delen, wanneer we onze hoop en geloof stellen op de Christus der Schriften. En net zoals Naäman zeven keer moest baden, om een volkomen genezing te ontvangen, is er door God voor ons een zevenvoudige, volkomen verlossing bereid. Hiervan lezen we in Efeze 1:3-14. En we moeten wel opletten aan wie en voor wie de Efeze brief is geschreven, want die is geschreven aan hen die uitverkoren zijn om tot het Lichaam van Christus te behoren (Ef 1:4):

  • "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons (= geadrsseerden) met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde. En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen in alle wijsheid en verstand, door ons het geheimenis van zijn wil te doen kennen, in overeenstemming met het welbehagen, dat Hij Zich in Hem had voorgenomen, om, ter voorbereiding van de volheid der tijden, al wat in de hemelen en op de aarde is onder één hoofd, dat is Christus, samen te vatten, in Hem, in wie wij ook het erfdeel ontvangen hebben, waartoe wij tevoren bestemd waren krachtens het voornemen van Hem, die in alles werkt naar de raad van zijn wil, opdat wij zouden zijn tot lof zijner heerlijkheid, wij, die reeds tevoren onze hoop op Christus hadden gebouwd. In Hem zijt ook gij, nadat gij het woord der waarheid, het evangelie uwer behoudenis, hebt gehoord; in Hem zijt gij, toen gij gelovig werdt, ook verzegeld met de heilige Geest der belofte, die een onderpand is van onze erfenis, tot verlossing van het volk, dat Hij Zich verworven heeft, tot lof zijner heerlijkheid.

Wanneer we alle genoemde zegeningen op een rij zetten, dan zien we:

  1. Hij heeft een groep gelovigen immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld. (vers 4)

  2. Hij heeft een groep gelovigen tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen (vers 5)

  3. Hij heeft een groep gelovigen tevoren bestemd tot lof van de heerlijkheid zijner genade, Hij heeft ons begenadigd (vers 6)

  4. In Hem hebben alle gelovigen de verlossing en de vergeving van de overtredingen (vers 7)

  5. Hij heeft een groep gelovigen naar de rijkdom zijner genade ons het geheimenis van zijn wil doen kennen (vers 9)

  6. Die groep gelovigen, het Lichaam van Christus heeft in Christus het erfdeel ontvangen. (vers 11)

  7. Alle gelovigen zijn verzegeld met de heilige Geest der belofte (vers 13)

Misschien vraagt wat ik geschreven heb om nadere uitleg. Ik heb in bovenstaande geschreven dat bepaalde zegeningen voor “een groep gelovigen” gelden, en andere weer voor “alle gelovigen”.Dat heb ik zeer bewust gedaan. Want wanneer we nogmaals naar de tekst zouden gaan, en heel bewust gaan lezen wat er werkelijk staat, dan komen we tot de conclusie dat al het geschrevene geldt voor hen die tot het Lichaam van Christus behoren. Maar niet al het geschrevene geldt voor alle gelovigen. (voor een nadere uitleg over het Lichaam van Christus zie de bijbelstudie “het Lichaam van Christus)

De geweldige zegeningen en rijkdom van genade en Gods grote liefde straalt ons uit deze eerste Efeze brief tegemoet. En weet u wat ook zo mooi is, er staat: Wij HEBBEN de verlossing, en wij ZIJN verzegeld met de Heilige Geest. Het geldt voor alle gelovigen hier en nu! Misschien is het u opgevallen, maar centraal (punt 4) in deze zeven-voudige zegeningen staat de tekst:

  • "En in Hem hebben wij de verlossing door zijn bloed, de vergeving van de overtredingen, naar de rijkdom zijner genade, welke Hij ons overvloedig heeft bewezen."

Zo is volkomen verlossing in Christus Jezus, onze Heere tot ons gekomen. Door Zijn volbrachte werk op Golgtha.

Broeders en zusters, we zien in dit alles welk een geweldige positie een groep gelovigen, door God zelf uitverkoren, door genade in Christus hebben ontvangen. We zien ook de geweldige hoge hoop en roeping voor dit Lichaam van Christus.

Wanneer we dit alles zien en geloven, dan kunnen we alleen maar in grote verbazing en verwondering danken voor de grote onvoorstelbare zegeningen, die ons in Christus door genade ten deel zijn gevallen.



Deel 15 volgt DV

Bert Boersma maart 2008 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 15)

(Deel 15 en 16 handelen over het achtste wonder van Elisa)

 

Elísa doet ijzer op het water drijven

(8e wonder)

We lezen over dit wonder van Elisa in 2 Kon 6:1-7:

  • "Eens zeiden de profeten tot Elisa: Zie toch, de plaats, hier voor u, waar wij wonen, is voor ons te bekrompen. Laten wij toch naar de Jordaan gaan en ieder een balk daarvandaan halen en laten wij er voor ons een verblijfplaats inrichten om er te wonen. En hij zeide: Gaat. Toen zeide een: Wees zo goed en ga met uw knechten mee. Hij zeide: Ik ga mee. En hij ging met hen mee. Als zij bij de Jordaan gekomen waren, velden zij bomen. En, terwijl een van hen een stam velde, viel het ijzer in het water; en hij slaakte een kreet en riep: Ach, mijn heer, het was geleend! Maar de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het daarheen en deed het ijzer bovendrijven. En hij zeide: Neem het op. Hij strekte zijn hand uit en greep het."

Vaak wordt er gezegd dat er een bijl in het water viel, en later weer boven kwam drijven, de NBV heeft dat ook zo vertaald: "Terwijl ze daarmee bezig waren, schoot bij een van de profeten het ijzeren blad van zijn bijl los en viel in het water. ‘Wat nu, heer!’ riep hij uit. ‘Ik had hem te leen!’" (vers 5). Op zich is dit een logische gedachte, maar wanneer we gaan onderzoeken, wat deze geschiedenis ons werkelijk te vertellen heeft, dan zullen we ontdekken waarom de vertaling "ijzer" beter is. In de grondtekst staat ook gewoon "ijzer". We hebben inmiddels opgemerkt, dat alle wonderen van Elisa niet zomaar alleen om het verhaal in Gods Woord staan geschreven, maar elk wonder wil ons iets meedelen over Gods handelen met Zijn volk Israël. En elk wonder wijst uiteindelijk op de Christus der Schriften.

Alles wat geschreven staat, heeft een betekenis, en het is echt gebeurd, de Schrift is historisch betrouwbaar. Het tijdstip waarop dit laatste wonder plaatsvindt, is blijkbaar onbelangrijk, want er staat: "Eens zeiden de profeten tot Elisa......" Het gaat niet om het tijdstip, maar om het wonder op zich.



Gangbare uitleg

Het laatste teken heeft te maken met het woud, met bomen, en ook met profeten. Wat kunnen we hieruit leren? Men is vaak bij iedere uitleg van Gods Woord geneigd om elk bijbelgedeelte op zichzelf te betrekken. Wanneer er dan staat dat de profeten tot Elisa zeggen: "dat de plaats, hier voor u, waar wij wonen, is voor ons te bekrompen is", dan gaan mensen ter ere van God aan het werk, en gaan werk doen voor God. Dan worden er teksten aangehaald zoals:

  • "Want de liefde van Christus dringt ons, daar wij tot het inzicht gekomen zijn, dat één voor allen gestorven is. Dus zijn zij allen gestorven. En voor allen is Hij gestorven, opdat zij, die leven, niet meer voor zichzelf zouden leven, maar voor Hem, die voor hen gestorven is en opgewekt. Zo kennen wij dan van nu aan niemand naar het vlees. Indien wij al Christus naar het vlees gekend hebben, thans niet meer. Zo is dan wie in Christus is een nieuwe schepping; het oude is voorbijgegaan, zie, het nieuwe is gekomen." (2 Kor 5:14-17).

Het gaat er dan om, dat mensen door zelf aan het werk te gaan, God willen dienen. Profeten gaan aan de slag met gereedschap (= het Woord van God). Daar moeten ze zuinig mee zijn. Ook moet je werken in afhankelijk van Hem. Wanneer de Heere met je mee gaat, gaat God door jouw hand dingen doen. En wanneer er dingen misgaan, moeten we op de Heere vertrouwen, want Hij zorgt dat alles weer goed komt. Dit soort uitleg kunnen we lezen in allerlei commentaren over dit bijbelgedeelte. Wat we nergens tegenkomen, is de betekenis voor Israël. Mensen zijn altijd geneigd, dingen naar zichzelf toe te trekken, omdat de mens ten diepste egocentrisch is. Maar wat staat er in wezen in dit bijbelgedeelte?



Boodschap voor Israël

Wie was Elisa, en waartoe was hij geroepen? In het begin van deze bijbelstudie hebben we gelezen, dat Elisa, de gezalfde des Heeren, de "mantel" toegeworpen kreeg van Elia. Elia trof Elisa aan, de zoon van Safat, terwijl hij:

  • ''bezig te ploegen met twaalf span vóór zich, terwijl hij zelf bij het twaalfde was. Toen Elia hem voorbijging, wierp hij hem zijn mantel toe. Daarop verliet hij de runderen, snelde Elia achterna en zeide: Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen. En hij zeide tot hem: Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan? Toen keerde hij van achter hem terug, nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen; het vlees gaf hij aan het volk, en zij aten. Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem.'' (1 Kon 19: 19-21)

We hebben toen gezien dat de mantel alles te maken heeft met waardigheid, en met gezag. Toen Elia in het voorbijgaan aan Elisa de mantel toewierp, ontving Elisa daarmee ook alles wat met de mantel verbonden was, waardigheid, gezag, gerechtigheid en waarheid. En Elisa wist heel goed wat het betekende, dat hem de mantel toegeworpen werd. Hij zou in dienst van God staan ten dienste van Gods volk Israël. Dát was de bediening van Elisa, en alle wonderen die Elisa mag doen staan ook in het teken van die bediening. Daarom wijzen de wonderen van Elisa op Gods handelen met Israël, en op Hem, die eens Koning zal zijn over Israël.

Door Het hele Oude testament, en een groot deel van het Nieuwe Testament zien we Gods bedoeling om Israël te bouwen tot een geestelijk huis, waarvan Christus zelf de "hoeksteen" is. Alle profeten die we in het Oude Testament tegenkomen staan ten dienste van Israël. En eens zal geheel Israël een volk zijn van profeten. Wanneer de Dag des Heeren aanbreekt, zal het geschieden, dat Ik (zegt de Heere) Mijn Geest zal uitstorten op al wat leeft, en uw zonen en uw dochters zullen profeteren; uw ouden zullen dromen dromen; uw jongelingen zullen gezichten zien. (Joël 2:28 en Hand 2,17) Het gaat hier over Israël.

Een profeet spreekt de woorden Gods. Profeet betekent: de mond Gods. Dit alles in ogenschouw genomen, kunnen we begrijpen dat het voor de Joden een voorrecht genoemd wordt, dat God hun Zijn Woorden heeft toevertrouwd. (Rom 3:2). Maar het spreekwoord zegt: "Adeldom verplicht", en tot nu toe hebben we weinig gezien van het getuigenis van Israël, maar de tijd komt, dat Israël zal staan aan de spits der volkeren, en dán zal het getuigenis van het ganse volk over de aarde gaan, om de Koning der Koningen te verheerlijken. Dán zal Israël werkelijk Gods heerlijkheid openbaren, en dán zal Israël een licht der natiën, een koninkrijk van priesters zijn. Dán zal gans Israël "de mond Gods" zijn, wanneer de volkeren door Israël worden onderwezen.

Wanneer Christus Zijn Koningschap op Zich genomen heeft, en zal zitten op Zijn troon in Jeruzalem, dan zullen in die dagen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is. (Zach 8:23)

Israël is het volk door God aangesteld om het Woord te onderwijzen. Voordat Christus op aarde terugkeert, zullen 144.000, uit elke stam 12.000 Joden, aan hun voorhoofd verzegeld worden met Gods zegel, om daardoor beschermd te zijn in de tijd van grote verdrukking. Zij zullen het evangelie van bekering prediken, en uit Gods Woord onderwijzen. (Openbaring 7:1-8)

De taak van een priester was het onderwijzen van het volk, en toezien op het naleven van de door God gegeven wetten en ceremoniën. Dit houdt in dat de priester een gedegen kennis moest hebben van de wetten, want zonder goede kennis, kon hij het volk niet onderwijzen. In de geschiedenis van het volk kunnen we lezen, dat dit vaak niet het gevolg was, daarom zegt Hosea ook:

  • "Mijn volk gaat te gronde door het gebrek aan kennis. Omdat gij de kennis verworpen hebt, verwerp Ik u, dat gij geen priester meer voor Mij zult zijn; daar gij de wet van uw God vergeten hebt, zal ook Ik uw zonen vergeten. (Hosea 4:6)

En.....Zo priester, zo volk. De priesters verzuimden totaal hun door God gegeven opdracht. Precies hetzelfde zien we later ook terug bij de Farizeeën en Schriftgeleerden. Ze heetten wel "geleerden", maar waar waren die nou eigenlijk geleerd in? Ze waren geleerd in hun eigendunkelijke godsdienst, in allerlei eigen bedachte wetten en regels. Maar hun eigenlijke taak, het volk onderwijzen in Gods wetten, werd door hen verzuimd. Iemand heeft ooit gezegd:

  • "De meeste mensen, die een godsdienst belijden, kennen het boek van hun eigen godsdienst niet!"

Dit zou wel eens zeer waar kunnen zijn, want men kent vaak wel de regels en verordeningen en geschriften door mensen opgesteld, en gebruikt dan ook nog deze menselijke redeneringen om Gods Woord uit te leggen, waarbij die eigen bedachte leringen vaak hoger gesteld worden dan Gods onfeilbaar Woord. Dit geldt zowel voor het christendom, als de Islam, en de Joodse religie. Ook nu kennen de orthodoxe Joden niet de Thorah, maar wordt onderwezen uit de bijna heilig verklaarde geschriften van rabbijnen.



De profeten

Wanneer we in Gods Woord lezen over profeten, gaat het niet alleen over die profeten, maar is de achterliggende gedachte, dat God door de profeten iets aan, maar ook over Zijn volk wil verkondigen. Zo ook in onze tekst over de profeten, die tot Elisa zeiden dat ze te klein behuisd waren in 2 Kon 6:1. Ze vonden hun woonruimte te bekrompen, en hadden het er eigenlijk niet naar de zin. Wanneer we dit op Israël toepassen, dan weten we dat Israël in het land Egypte klein behuisd was in een gebied, dat te klein was voor het volk, dat alleen al uit ruim 600.000 mannen van 20 jaar en ouder bestond. De vrouwen en allen die jonger waren dan 20 jaar niet meegerekend. Zij hadden het daar beslist niet naar de zin in het land Gosen.

God kiest Mozes uit om het volk uit de slavernij naar een mooi ruim land te leiden, wat God voor Zijn volk heeft bereid. God had reeds aan Abraham beloofd, dat zijn zaad zou wonen in een land dat zich uitstrekte van de rivier van Egypte tot aan de rivier de Eufraat.

Waar wilden de profeten (uit 2 Kon 6:2) heen?

  • "Laten wij toch naar de Jordaan gaan en ieder een balk daarvandaan halen en laten wij er voor ons een verblijfplaats inrichten om er te wonen."

Waar kwam Israël na vele omzwervingen door de Heere geleid uiteindelijk terecht? Bij de Jordaan!

Wie ging met het volk Israël op reis uit Egypte naar het beloofde land? God zelf was hun Beschermer, overdag in een wolkkolom, en 's nacht in een vuurkolom. Wat zeiden de profeten? "Wees zo goed en ga met uw knechten mee." En Elisa, de man van God, ging met hen mee. (2 Kon 6:3)

Een hele indrukwekkende geschiedenis speelde zich in dit verband af, toen Israël ongehoorzaam was geweest door het maken van het gouden kalf, wat één der afgoden uit Egypte was. De Heere wilde toen niet langer met Zijn weerbarstige volk optrekken, en zei:

  • "En de HERE sprak tot Mozes: Ga, trek vanhier op, gij en het volk dat gij uit het land Egypte hebt gevoerd, naar het land, waarvan Ik Abraham, Isaak en Jakob gezworen heb: aan uw nakomelingschap zal Ik het geven – Ik zal een engel (in plaats van God zelf) voor uw aangezicht zenden en verdrijven de Kanaäniet, de Amoriet, de Hethiet, de Perizziet, de Chiwwiet en de Jebusiet –, naar een land, vloeiende van melk en honig. Want Ik zal in uw midden niet optrekken, daar gij een hardnekkig volk zijt, opdat Ik u niet onderweg vertere." (Ex 33:1-3)

Maar Mozes liet het er niet bij zitten, en zei tot de Heere:

  • "Indien Gij zelf niet medegaat, doe ons vanhier niet optrekken. Waaraan zal anders geweten worden, dat ik en uw volk genade in uw ogen gevonden hebben, dan doordat Gij met ons medegaat? Immers daardoor zijn ik en uw volk afgezonderd uit alle volken, die op de aardbodem zijn."

En we zien wat de woorden (= de gebeden) van Mozes bewerkstelligden, want de HEERE zeide tot Mozes:

  • "Ook deze zaak, waarover gij gesproken hebt, zal Ik doen, omdat gij genade in mijn ogen gevonden hebt en Ik u bij name ken. (Ex 33:15-17)

Mozes wist dat het volk alleen onder Gods leiding het beoogde doel zou kunnen bereiken. Daarom pleitte hij er zo voor dat God zelf met het volk mee zou gaan. Waarom zouden de profeten aan Elisa gevraagd hebben dat hij met hen mee zou gaan? (2 Kon 6:3). Elisa naam betekent: God is redding. De profeten wisten dat Elisa een man Gods was, en voelden zich door zijn aanwezigheid gesterkt en beschermd.

Geweldig om te zien dat God altijd een God van liefde en genade is. Maar God is ook rechtvaardig, en ziet de zonde niet door de vingers, want vanwege de ongehoorzaamheid van het volk, het aanbidden van het gouden kalf, moesten er ongeveer drieduizend man sterven. (Ex 32:28).

Maar tegelijk kunnen we door het getal van drieduizend een prachtige analogie (overeenkomst) in Gods Woord ontdekken, want we kunnen lezen dat op de prediking van Petrus, die in Handelingen 2 tot de mannen broeders van Israël sprak, zich ongeveer drieduizend Joden bekeerden.

  • "Degenen die zijn woorden aanvaardden, lieten zich dopen; op die dag breidde het aantal leerlingen zich uit met ongeveer drieduizend." (Hand 2:41).

We zien hier de bediening des doods (de wet) tegenover de bediening ten leven (genade). De bediening des doods geeft geen leven, maar de bediening ten leven maakt dode mensen weer levend!



Naar de Jordaan

De profeten en Elisa gingen dus naar de Jordaan. De Jordaanvlakte was een vruchtbaar gebied, er was water in overvloed, en de bomen groeiden daar goed. Een boom, geplant aan waterstromen, geeft zijn vrucht op zijn tijd, en zijn loof verwelkt niet. (Psalm 1:3). Daarom gingen ze naar de vlakte bij de Jordaan om bomen te hakken, om hout te verzamelen voor een groter onderkomen. En dan gebeurd en een ongeluk. Terwijl één van de profeten een boom aan het omhakken is, valt het "ijzer" in het water. Het zal een soort hakijzer zijn geweest, waarmee klaarblijkelijk bomen mee geveld konden worden.

In het vorige wonder van Elisa werden we ook al bepaald bij de Jordaan. We hebben toen gezien hoe de Jordaan ons bepaalt bij dood én opstanding. Er gaat "iets" in de Jordaan, en er komt "iets" uit. Ook hebben we in voorgaande reeds vastgesteld, dat alle gebeurtenissen in de Jordaan wijzen op Christus' dood en opstanding. Ook hier zien we iets (ijzer) in het water van de Jordaan gaan, en het komt er op wonderbaarlijke manier ook weer uit.

 

Het IJzer = type van Christus

Het genoemde "ijzer" in de tekst staat voor hardheid. Er staat geschreven dat Christus zal regeren met een ijzeren staf:

"En uit zijn mond komt een scherp zwaard (= het Woord Gods), om daarmede de heidenen te slaan. En Hijzelf zal hen hoeden met een ijzeren staf en Hijzelf treedt de persbak van de wijn der gramschap van de toorn Gods, des Almachtigen." (Openb 19:15).

Met onbuigzame hardheid zal Christus regeren. IJzer is een type van Christus, Hij is onbuigzaam in Zijn bediening, en is nooit afgeweken van Zijn opdracht noch naar links noch naar rechts. Hij heeft in gehoorzaamheid zijn werk verricht, tot eer van God de Vader. Hij heeft in gehoorzaamheid de wet vervuld, de wet, die ook hard en onbuigzaam was, was heilig en goed. Christus heeft alle gerechtigheid der wet vervuld, omdat Hij de wet in Zijn binnenste had, en het voor Hem een lust was om Gods wil te doen. (Ps 40:9).

Bovendien kunnen we in het water vallen van het ijzer een beeld zien van het "in het water vallen" van de eerste bediening van de Heere, toen Hij kwam om voor de Zijnen Zijn Koninkrijk op te richten. Maar Zijn volk wilde niet tot geloof komen. Maar net zo zeker dat Gods Woord vermeld, dat het ijzer weer boven kwam drijven, zo zeker zal in de toekomst Christus Zijn Koninkrijk oprichten (weer boven water komen), en zal Hij Koning zijn over Israël.



Het IJzer = type van de Wet

Israël heeft de wet altijd terzijde gezet, als het ware in het water gegooid. En net zoals gehoorzaamheid aan Gods wet zegen voortbrengt, brengt ongehoorzaamheid aan Gods wet vloek voort. Door de ongehoorzaamheid gaat de relatie met God verloren. Uit de Bijbel weten we dat Israël én hun leidslieden absoluut geen relatie met God hadden, want dan zouden zij de Christus hebben herkend en érkend! En net zoals de door God gegeven Woorden van Liefde, de wet. door Israël "in het water" werd gegooid, gaat de bijl uit 2 Kon 6 ten onder in het water. Maar zelfs in die uitzichtloze situatie is redding (van het gezonken ijzer = de wet) mogelijk. Maar alleen door Goddelijk ingrijpen! Want er komt een tijd dat vele natiën zullen optrekken en zeggen: Komt, laten wij opgaan naar de berg des HEEREN, naar het huis van de God Jakobs, opdat Hij ons lere aangaande zijn wegen en opdat wij zijn paden bewandelen. Want uit Sion zal de wet uitgaan en des HEREN woord uit Jeruzalem. (Jes 2:3). Zo mogen we zien dat ook de wet een beeld is van het ijzer wat in het water valt, en weer boven komt drijven.



Het IJzer = type van Israël

Uit bovenstaande hebben we zijdelings kunnen opmaken dat ook Israël een type is van het "ijzer", wat weer zal komen bovendrijven. We weten dat Israël door hun ongeloof tijdelijk als volk terzijde is gezet. Toen zij na zovele pogingen, eerst van de Heere zelf, daarna van de discipelen, en ten slotte van Paulus, de Christus der Schriften niet wilden aanvaarden, zei Paulus:

  • "Terecht heeft de heilige Geest door de profeet Jesaja tot uw vaderen gesproken, zeggende: Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen. Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!" (Hand 28:26-28)

Kort daarna is Jeruzalem en de tempel in Jeruzalem verwoest. En de meeste Joden zijn verdreven uit het land. Maar Gods beloften zijn onberouwelijk, en God had beloofd dat Zijn volk zou staan aan de spits der volkeren, en dat Zijn volk zou fungeren als een licht der natiën. En God zal Zijn beloften vervullen. Dan zal het "ijzer" (Israël) wat terzijde was gesteld (in het water was gevallen) weer boven komen drijven door toedoen van "het groene hout" (= Christus Lukas 23:31), die aan het hout alles heeft volbracht. (Ziet u de geweldige harmonie in Gods Woord?)



Het "IJzer" komt bovendrijven

En toen hij (een profeet) hem (Elisa) de plaats gewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het daarheen en deed het ijzer bovendrijven. En hij zeide: Neem het op. Hij strekte zijn hand uit en greep het."

We hebben tot nu in alle wonderen, die Elisa mocht doen, gezien dat ze iets wilden meedelen betreffende de geschiedenis, cq de toekomst van het volk Israël. Wanneer we willen begrijpen wat dat "IJzer", wat komt bovendrijven, ons nog meer zeggen wil, moeten we naar Daniël 2, waar koning Nebukadnessar een droom had, die hem nogal verontrustte. Daniël had van de Heere de uitleg van de droom te kennen gekregen. Daniël zei:

  • "Gij, o koning, hadt een gezicht, en zie, er was een groot beeld! Dit beeld was hoog, en de glans ervan was buitengewoon; het stond vóór u, en de aanblik ervan was schrikwekkend. Het hoofd van dat beeld was van gedegen goud, zijn borst en armen waren van zilver, zijn buik en lendenen van koper, zijn benen van ijzer, zijn voeten deels van ijzer deels van leem. Terwijl gij bleeft toezien, raakte, zonder toedoen van mensenhanden, een steen los, die het beeld trof aan de voeten van ijzer en leem en deze verbrijzelde; toen werden tegelijkertijd het ijzer, het leem, het koper, het zilver en het goud verbrijzeld, en zij werden gelijk kaf op een dorsvloer in de zomer, en de wind voerde ze mee, zodat er geen spoor meer van te vinden was; maar de steen die het beeld getroffen had, werd tot een grote berg, die de gehele aarde vulde." (Dan 2:31-35)

En daarna mag Daniël de uitleg van de droom geven:

  • "Dit is de droom, en de uitlegging daarvan zullen wij de koning zeggen: Gij, o koning, koning der koningen, aan wie de God des hemels het koningschap, macht, sterkte en eer geschonken heeft, ja, in wiens hand Hij de mensenkinderen, waar zij ook wonen, de dieren des velds en het gevogelte des hemels heeft gegeven, en die Hij tot heerser over die alle heeft gemaakt – gij zijt dat gouden hoofd. Doch na u zal een ander koninkrijk ontstaan, geringer dan het uwe; en, weer een ander, een derde koninkrijk, van koper, dat heersen zal over de gehele aarde; en een vierde koninkrijk zal hard zijn als ijzer; juist zoals ijzer alles verbrijzelt en vermorzelt; en gelijk ijzer, dat vergruizelt, zal dit die allen verbrijzelen en vergruizelen. En dat gij de voeten en de tenen gezien hebt deels van pottenbakkersleem en deels van ijzer, betekent, dat dit een verdeeld koninkrijk wezen zal: wel zal het iets van de hardheid van het ijzer aan zich hebben, juist zoals gij gezien hebt ijzer gemengd met kleiachtig leem, en de tenen der voeten deels van ijzer en deels van leem; ten dele zal dat koninkrijk hard zijn, en ten dele zal het broos zijn. Dat gij gezien hebt ijzer vermengd met kleiachtig leem, betekent: zij zullen zich door huwelijksgemeenschap vermengen, maar met elkander geen samenhangend geheel vormen, zoals ijzer zich niet vermengt met leem. Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid, juist zoals gij gezien hebt, dat zonder toedoen van mensenhanden een steen van de berg losraakte en het ijzer, het koper, het leem, het zilver en het goud verbrijzelde. De grote God heeft de koning bekendgemaakt wat na dezen zal geschieden; de droom is waarachtig en zijn uitlegging betrouwbaar. (Dan 2:36-45)

In verband met ons onderwerp gaat het om het laatste gedeelte van bovenstaande tekst:

  • "Maar in de dagen van die koningen zal de God des hemels een koninkrijk oprichten, dat in eeuwigheid niet zal te gronde gaan, en waarvan de heerschappij op geen ander volk meer zal overgaan: het zal al die koninkrijken verbrijzelen en daaraan een einde maken, maar zelf zal het bestaan in eeuwigheid."

Dus wanneer Christus het Koningschap op Zich neemt, zullen al die koninkrijken, ook dat van ijzer verbrijzeld worden. We weten dat het koninkrijk van ijzer er eens is geweest, maar het is destijds als het ware "in het water gevallen", maar omdat alle koninkrijken door Christus in de toekomst zullen worden verbrijzeld, zal dat koninkrijk van ijzer ook weer aanwezig zijn (uit het water tevoorschijn komen), en zal dan door toedoen van Christus voorgoed verdwijnen.

Zo zien we dat het "ijzer" nogal wat te vertellen heeft in dit wonder van Elisa. En zo zien we ook dat het goed is om de vertaling "ijzer" te laten staan, en dat we "ijzer" niet moeten vervangen door "bijl", want dan hadden we nooit deze typologie, deze boodschap kunnen verstaan.

Deel 16 = slot volgt DV

Bert Boersma april 2008 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

De Profeet Elisa (Deel 16 slot)

(Deel 15 en 16 handelen over het achtste wonder van Elisa)

Deel 15 en 16 van de bijbelstudie over de profeet Elisa handelen over het tekstgedeelte uit 2 Kon 6:1-7:

  • "Eens zeiden de profeten tot Elisa: Zie toch, de plaats, hier voor u, waar wij wonen, is voor ons te bekrompen. Laten wij toch naar de Jordaan gaan en ieder een balk daarvandaan halen en laten wij er voor ons een verblijfplaats inrichten om er te wonen. En hij zeide: Gaat. Toen zeide een: Wees zo goed en ga met uw knechten mee. Hij zeide: Ik ga mee. En hij ging met hen mee. Als zij bij de Jordaan gekomen waren, velden zij bomen. En, terwijl een van hen een stam velde, viel het ijzer in het water; en hij slaakte een kreet en riep: Ach, mijn heer, het was geleend! Maar de man Gods zeide: Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het daarheen en deed het ijzer bovendrijven. En hij zeide: Neem het op. Hij strekte zijn hand uit en greep het."

 

Het Hout

Elisa zeide:

  • ''Waar is het gevallen? En toen hij hem de plaats gewezen had, sneed hij een stuk hout af, wierp het daarheen en deed het ijzer bovendrijven. (2 Kon 6:6).

Over "het hout" staat een prachtig tekst gedeelte in Gods Woord:

  • "En toen zij Hem wegleidden, grepen zij een zekere Simon van Cyrene, die van het land kwam, en legden hem het kruis op om het achter Jezus aan te dragen. En Hem volgde een grote menigte van volk en van vrouwen, die zich op de borst sloegen en over Hem weeklaagden. En Jezus wendde Zich tot haar en zeide: Dochters van Jeruzalem, weent niet over Mij, maar weent over uzelf en over uw kinderen, want zie, er komen dagen, waarop men zeggen zal: Zalig de onvruchtbaren, en de schoot, die niet heeft gebaard, en de borsten, die niet hebben gezoogd. Dan zal men beginnen te zeggen tot de bergen: Valt op ons, en tot de heuvelen: Bedekt ons. Want indien zij dit doen aan het groene hout, wat zal met het dorre geschieden? (Lukas 23:26-31).

Het is duidelijk dat de Heere Jezus Zichzelf hier vergelijkt met "het groene hout". Hij vereenzelvigde Zichzelf met de wet, en werd aan het "hout" genageld. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. (Gal 3:13). Hij was de rechtvaardige, als men de rechtvaardige al zó behandelde, hoe zouden de onrechtvaardigen dan behandeld worden?

We lezen nog even verder in Lukas 23:

  • "En toen zij aan de plaats gekomen waren, die Schedel genoemd wordt, kruisigden zij Hem daar en ook de misdadigers, de ene aan zijn rechterzijde en de andere aan zijn linkerzijde. En Jezus zeide: Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen. En zij wierpen het lot om zijn klederen te verdelen. En het volk stond erbij en zag toe. Ook de oversten hoonden en zeiden: Anderen heeft Hij gered, laat Hij nu Zichzelf redden, indien Hij de Christus Gods is, de uitverkorene! Ook de soldaten kwamen naderbij om Hem te bespotten en brachten Hem zure wijn, en zeiden: Indien Gij de Koning der Joden zijt, red dan Uzelf! Er was ook een opschrift boven Hem: Dit is de Koning der Joden. Eén der gehangen misdadigers lasterde Hem: Zijt Gij niet de Christus? Red Uzelf en ons! Maar de andere antwoordde en zeide, hem bestraffende: Vreest zelfs gij God niet, nu gij hetzelfde vonnis ontvangen hebt? En wij terecht, want wij ontvangen vergelding, naar wat wij gedaan hebben, maar deze heeft niets onbehoorlijks gedaan. En hij zeide: Jezus, gedenk mijner, wanneer Gij in uw Koninkrijk komt. En Hij zeide tot hem: Voorwaar, Ik zeg u heden, gij zult met Mij in het paradijs zijn. En het was reeds ongeveer het zesde uur en er kwam duisternis over het gehele land tot het negende uur, want de zon werd verduisterd. En het voorhangsel van de tempel scheurde middendoor. En Jezus riep met luider stem: Vader, in uw handen beveel Ik mijn geest. En toen Hij dat gezegd had, gaf Hij de geest. Toen de hoofdman zag, wat er geschiedde, verheerlijkte hij God, zeggende: Inderdaad, deze mens was rechtvaardig! (Lukas 23:33-47)

We zien hier dé Rechtvaardige hangen, ja lijden onder het oordeel van God. En dat oordeel ging ver, want Hij werd zelfs door God verlaten, omdat God geen gemeenschap heeft met de zonde der wereld. Dáárom moest Christus, die zonder zonde was, de zondelast van de gehele wereld geheel alleen dragen en sterven voor uw en mijn zonden. De Christus móest sterven, maar Hij is weer opgestaan, en leeft! Hij zit nu aan de rechterhand des Vaders, waar Hij voor u en mij pleit.

Ook het volk Israël zal een sterven en opstanding moeten doorstaan. Want als Israël eens aan Gods bestemming wil beantwoorden, dan zullen ze door een diep dal, door de grote verdrukking, door God zelf gelouterd als het ware uit de dood opstaan in een nieuw leven. Dit geldt overigens voor alle mensen: Eerst sterven en dan opstaan. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden. (1 Kor 15:22). Ook in geestelijke zin is dit voor ons een realiteit.

  • ''Indien wij door het geloof van Christus, dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God. Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.'' (Rom 6:8-14)

Er staat nog een geschiedenis in Gods Woord over een "hout" dat in het water gegooid werd. We lezen dat in Exodus:

  • "Toen liet Mozes de Israëlieten opbreken van de Schelfzee en zij gingen naar de woestijn Sur; drie dagreizen trokken zij door de woestijn zonder water te vinden. En zij kwamen in Mara, maar zij konden het water van Mara niet drinken, omdat het bitter was. Daarom noemde men die plaats Mara. Toen morde het volk tegen Mozes en zeide: Wat moeten wij drinken? En hij riep luide tot de HERE, en de HERE wees hem een stuk hout; hij wierp het in het water; toen werd het water zoet. Daar gaf Hij hun inzettingen en verordeningen en daar stelde Hij hen op de proef, terwijl hij zeide: Indien gij aandachtig luistert naar de stem van de HERE, uw God, en doet wat recht is in zijn ogen, en uw oor neigt tot zijn geboden en al zijn inzettingen onderhoudt, zal Ik u geen enkele van de kwalen opleggen, die Ik de Egyptenaren opgelegd heb; want Ik, de HERE, ben uw Heelmeester. Daarna kwamen zij in Elim; daar waren twaalf waterbronnen en zeventig palmbomen, en zij legerden zich daar aan het water. (Ex 15:22-27)

Het is bijzonder, dat er in deze teksten eerst een "hout" aan te pas moet komen, voordat het wonder plaatsvindt. Soms wordt dit "hout" door God zelf aangewezen. Mogen we in "het hout" niet ook de Christus der Schriften zien? Voordat het ijzer, waarvan we hebben gezien dat het een type van Christus is, te voorschijn komt, komt er eerst een "hout" aan te pas. Zoals God zelf het "hout" aanwees, dat Mozes in Mara moest gebruiken om het water gezond te maken, zo heeft God Zijn Zoon aangewezen om door Zijn offer de wereld weer "gezond" te maken. Laat uw gedachten er maar eens over gaan.

Nadat het "hout" door Elisa in het water was geworpen, kwam het "ijzer" weer bovendrijven, en daarna kon het werk van de profeten weer doorgaan. En het werk was immers om voor henzelf een grotere verblijfplaats in te richten. Dus nadat het "hout", wat op Christus wijst, in het water werd geworpen, komt het "ijzer", wat ook op Christus wijst, weer te voorschijn. Dan zal het werk aan Israël, wat in Handelingen 28 gestopt was, weer zijn voortgang kunnen vinden. Dan zal inderdaad de grotere verblijfplaats, het beloofde land zijn werkelijke grootte krijgen onder heerschappij van Christus.

De profeten gingen in 2 Kon 6 naar de Jordaan om in aanwezigheid van Elisa bomen te hakken voor een grotere verblijfplaats. Straks zal Israël onder aanwezigheid van de Christus zijn grote, beloofde verblijfplaats krijgen, die zich zal uitstrekken van de rivier van Egypte tot aan de Eufraat.

Eigenlijk zijn het allemaal allemaal getuigenissen van Gods genade en grote liefde. Want ondanks het gemopper en het ongeloof van het volk was God steeds met ontferming bewogen. Terwijl het volk eigenlijk in opstand was, riep Mozes luid tot de Heere om hulp. En de Heere hielp! God wees Mozes een stuk hout aan. Let wel, het was een door God aangewezen "hout", waardoor het water van Mara weer gezond werd. Maar daar bleef het niet bij. God liet nog meer van Zijn liefde zien. God gaf hun daar ook inzettingen en verordingen mét beloften. En daarna leidde God Zijn volk naar Elim. Elim betekent machtigen, dit in verband met de machtige bomen die er stonden. En u moet eens opletten wat de Heere voor Zijn volk in Elim had bereid. Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig (machtige) palmbomen.



Palmbomen

  • "Daar waren twaalf waterbronnen en zeventig (machtige) palmbomen."

Beide getallen, twaalf én zeventig, wijzen op een volheid. Tien keer zeven is zeventig. Allemaal getallen die op een volheid wijzen. Verder wijzen de palmbomen op het Koninkrijk van Christus. Twee keer lezen we in Gods Woord over het hulde brengen aan de Koning met palmtakken:

  • Toen de grote menigte, die voor het feest gekomen was, hoorde, dat Jezus naar Jeruzalem kwam, namen zij palmtakken, gingen uit Hem tegemoet, en riepen: Hosanna, gezegend Hij, die komt in de naam des Heren! en: De koning van Israël! (Joh 12:12-13).
  • Daarna (na de verzegeling van de 144.000) zag ik, en zie, een grote schare, die niemand tellen kon, uit alle volk en stammen en natiën en talen stonden voor de troon en voor het Lam, bekleed met witte gewaden en met palmtakken in hun handen. En zij riepen met luider stem en zeiden: De zaligheid is van onze God, die op de troon gezeten is, en van het Lam! (Openb 7:9-10)

Nu we het toch over palmbomen hebben, dan wil ik u het volgende niet onthouden. U kent waarschijnlijk de geschiedenis van Tamar en Juda, een hele bijzondere geschiedenis, waaruit blijkt dat God, ondanks de ongehoorzaamheid van de mens, altijd tot Zijn doel komt.

  • "En Juda nam voor Er, zijn eerstgeborene, een vrouw, genaamd Tamar. En Er, de eerstgeborene van Juda, wekte het misnoegen des HEREN op, en de HERE doodde hem. Toen zeide Juda tot Onan: Ga tot uws broeders vrouw, sluit met haar het zwagerhuwelijk en verwek voor uw broeder nakroost. Maar Onan wist, dat het nakroost hem niet zou toebehoren, daarom, zo vaak hij tot de vrouw van zijn broeder kwam, verspilde hij het zaad op de grond, om aan zijn broeder geen nakroost te geven. En hetgeen hij gedaan had, was kwaad in de ogen des HEREN, en Hij doodde ook hem. Toen zeide Juda tot zijn schoondochter Tamar: Ga als weduwe in het huis van uw vader wonen, totdat mijn zoon Sela groot is, want hij dacht: Dat ook hij niet sterve evenals zijn broeders. En Tamar ging in het huis van haar vader wonen.
  • Na verloop van vele dagen stierf de dochter van Sua, de vrouw van Juda. En toen Juda de rouwtijd ten einde gebracht had, ging hij naar de scheerders van zijn schapen, hij en zijn vriend Chira, de Adullamiet, naar Timna. Toen aan Tamar bericht werd: Zie, uw schoonvader is naar Timna gegaan om zijn schapen te scheren, trok zij haar weduwkleed uit, bedekte zich met een sluier, vermomde zich en ging zitten aan de ingang van Enaïm, dat aan de weg naar Timna ligt, omdat zij gezien had, dat Sela groot geworden was, en zij hem niet tot vrouw was gegeven. Toen Juda haar zag, hield hij haar voor een hoer, omdat zij haar aangezicht bedekt had. En hij wendde zich tot haar aan de weg en zeide: Welaan, laat mij toch tot u komen, want hij wist niet, dat zij zijn schoondochter was. Daarop zeide zij: Wat zult gij mij geven, wanneer gij tot mij komt? En hij zeide: Ik zal u een geitebokje van de kudde zenden. Zij dan zeide: Als gij mij dan maar een pand geeft, totdat gij het gezonden hebt. Hij zeide: Wat voor pand moet ik u geven? Zij zeide: Uw zegelring, uw snoeren en de staf, die in uw hand is. Toen gaf hij het haar, en hij kwam tot haar en zij werd zwanger van hem. Daarna stond zij op, en ging heen, legde haar sluier af en trok haar weduwkleed aan.
  • Juda nu zond het geitebokje door bemiddeling van zijn vriend, de Adullamiet, om het pand uit de hand der vrouw in ontvangst te nemen, maar deze trof haar niet aan. En hij vroeg de mannen van haar woonplaats: Waar is die deerne, die te Enaïm aan de weg zat? En zij zeiden: Er is hier geen deerne geweest. Hij dan kwam tot Juda terug en zeide: Ik heb haar niet gevonden; en ook de mannen van die plaats zeiden: Er is hier geen deerne geweest. Toen zeide Juda: Laat zij het behouden, opdat wij niet tot spot worden; zie, ik heb het bokje gezonden, maar gij hebt haar niet kunnen vinden.
  • Na verloop van ongeveer drie maanden werd Juda bericht: Uw schoondochter Tamar heeft hoererij bedreven, en zie, zij is ook zwanger door hoererij. Toen zeide Juda: Brengt haar naar buiten, opdat zij verbrand worde. Terwijl zij naar buiten gebracht werd, zond zij haar schoonvader deze boodschap: Bij de man, van wie deze dingen zijn, ben ik zwanger. Ook zeide zij: Zie eens goed, van wie deze zegelring en snoeren en staf zijn. Toen herkende Juda ze en hij zeide: Zij staat tegenover mij in haar recht, omdat ik haar niet aan mijn zoon Sela heb gegeven. En hij heeft geen gemeenschap meer met haar gehad.
  • Toen het nu de tijd was, dat zij baren zou, was er een tweeling in haar schoot. En toen zij baarde, stak er één zijn hand uit, en de vroedvrouw nam die, bond om zijn hand een scharlaken draad en zeide: Deze is het eerst gekomen. En toen hij zijn hand weer introk, daar kwam zijn broeder, en zij zeide: Hoe krachtig zijt gij doorgebroken, en zij gaf hem de naam Peres. En daarna kwam zijn broeder aan wiens hand de scharlaken draad was, en men noemde hem Zerach." (Gen 38:6-30)

Er valt veel over deze geschiedenis te zeggen, maar dat zou voor ons onderwerp nu wat te ver voeren. Wat wel van belang is dat de naam Tamar betekent: palmboom. En we weten dat de palmboom wijst op het koninkrijk van Christus. En wanneer we in Matteus 1 lezen in het geslachtsregister van Jezus Christus, dan zien we daar dat Tamar daarin voorkomt. (Mat 1:3) Hieruit leren we dat God Tamar heeft gebruikt om mede uit haar de Christus, de Koning der Joden, te laten geboren.

Ook lezen we in Gen 38 wat de vrucht was van de gemeenschap tussen Juda en Tamar. Er werd een tweeling geboren. Toen de eerste werd geboren, kwam er een hand tevoorschijn, en om later geen misverstand te krijgen, wie de oudste was, bond de vroedvrouw om dat handje snel een scharlaken draad (scharlaken draad getuigd van redding). Maar het ging heel anders dan was verwacht. De eerste, Zerach, trok zijn hand weer terug, en de tweede, Peres, werd eerst geboren. De namen van de tweeling betekenen: de naam Zerach betekent: "opgaan" (in de betekenis van opgaan van de zon, de Zonne der gerechtigheid), en de naam Peres betekent: "breuk."

De geboorte van deze tweeling getuigt van een breuk in de geboorte, en daarmee getuigt die geboorte van een breuk in de komst van Christus. Gods uitgestoken hand (handje van Zerach) was aanwezig in de lijfelijke aanwezigheid van de Heere Jezus op aarde, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen, en daarom werd Gods uitgestoken hand weer ingetrokken. Wij leven nu in die breuk, in de periode van terzijde stelling van Israël, en wij verwachten de doorbraak van "Peres". Het is prachtig om te lezen dat Peres krachtig is doorgebroken (Gen 38:29). Want ook de komst van Christus zal zeer krachtig zijn, en gepaard gaan met ongekende natuurverschijnselen.

God komt tot Zijn doel!

Ook al is de mens altijd geneigd om keuzes te doen, die niet naar Gods wil zijn, toch zal God altijd Zijn plan volvoeren. En ook al was Israël steeds ongehoorzaam, en wendde het volk zich in ongeloof van de Heere af, toch zal De Heere juist met dát volk tot Zijn doel komen, omdat het Zijn uitverkoren volk is én blijft. En ook al heeft Israël meerdere keren niet willen geloven, en is het volk in Handelingen 28 (tijdelijk) terzijde gezet, eens zal Israël aan het hoofd staan van alle volken op aarde onder de Koning der Koningen. Want immers, zij zijn Israëlieten, hunner is de aanneming tot zonen en de heerlijkheid en de verbonden en de wetgeving en de eredienst en de beloften (Rom 9:4). Bovendien leidde de verwerping van Christus door Israël tot de aanneming van de volkeren. Dat lezen we Rom 11:15: "Hun verwerping is de verzoening der wereld."

Maar zonder dat ze het in de gaten hebben, is God altijd met het volk Israël geweest. Alles heeft de Heere naar Zijn grote goedheid voor het huis Israëls gedaan. Altijd heeft Hij Zijn barmhartigheid en vele gunstbewijzen in Zijn grote liefde aan hen betoont. Hij zeide: "Zij zijn toch Mijn volk, kinderen, die niet trouweloos worden", en Hij werd hun tot een Verlosser. In al hun benauwdheid was ook Hij benauwd. (Jes 63:7-9). Zo leed, en zal God met hun meelijden. God laat nooit varen, het werk wat Zijn hand begon. Dan zal Psalm 23 voor gans Israël werkelijkheid worden:

  • "De HERE is mijn herder, mij ontbreekt niets; Hij doet mij nederliggen in grazige weiden; Hij voert mij aan rustige wateren; Hij verkwikt mijn ziel. Hij leidt mij in de rechte sporen om zijns naams wil." Dit alles zal in de toekomst realiteit worden voor Israël.
  • "Zelfs al ga ik door een dal van diepe duisternis," dit zullen ze nog moeten doormaken.
  • "Ik vrees geen kwaad, want Gij zijt bij mij; uw stok en uw staf, die vertroosten mij." Dat zal voor Israël realiteit worden.
  • ''Gij richt voor mij een dis aan voor de ogen van wie mij benauwen; Gij zalft mijn hoofd met olie, mijn beker vloeit over. Ja, heil en goedertierenheid zullen mij volgen al de dagen van mijn leven; ik zal in het huis des HEREN verblijven tot in lengte van dagen.''

Dan zal Israël wonen in alle vrede en gerustheid in het grote land, wat al aan Abraham was beloofd, en dan zal het gehele land vruchtbaar zijn en bloeien als een roos. En dan niet door kunstmatige irrigatie, zoals het heden ten dage gebeurt, maar dan zal de ware vruchtbaarheid door God zelf aan het licht worden gebracht.

Christus centraal in Gods Woord

We hebben mogen zien dat Gods Woord overal en altijd wijst op de Christus. Hij staat centraal. Hij is het waarvan de Schriften getuigen. Het staat er niet open en bloot, maar wanneer we door genade kennis hebben mogen nemen van Zijn Woord, en ons geleid mogen weten door Zijn Geest, dan mogen we als het ware door een geestelijke bril Gods Woord lezen, en dan ontdekken we de geweldige harmonie in dat Woord. Dan ontdekken we dat het gehele Woord werkelijk door God zelf is ingeblazen in zovele verschillende schrijvers, die allen door Gods Geest gedreven, geschreven hebben zoals God het had bedoeld. Hierbij moeten we geen vertaling ter hand nemen, die het lezen voor de mens zogenaamd gemakkelijker maakt, want daardoor wordt het Woord geweld aangedaan, en kunnen we niet meer verstaan wat de Heere ons werkelijk zeggen wil.



Slot

We hebben nu de acht wonderen van Elisa behandeld. We hebben geweldige "schatten" in de Bijbel mogen ontdekken. De Bijbel, welk woord komt van Biblia ( = meervoud van Biblos), is één boek, omdat er in wezen sprake is van één Schrijver. God is de auteur van de gehele Bijbel. God zelf heeft alles bij de diverse schrijvers ingeblazen, zodat zij opschreven wat Zijn bedoeling was. Daarom is de Bijbel één boek, ademt de Bijbel één geest, en verkondigt de Bijbel één plan, Gods plan.

  • ''Want nooit is profetie voortgekomen uit de wil van een mens, maar, door de heilige Geest gedreven, hebben mensen van Godswege gesproken.'' (2 Petr 1:21) ''
  • ''Hun (alle schrijvers) werd geopenbaard, dat zij niet zichzelf, maar u dienden met die dingen, welke u thans verkondigd zijn bij monde van hen, die door de heilige Geest, die van de hemel gezonden is, u het evangelie hebben gebracht, in welke dingen zelfs engelen begeren een blik te slaan.'' (1 Petr 1:12).

Zó heeft God zelf ervoor gezorgd, dat Zijn Woord één Geest ademt en dé Waarheid verkondigt.

We hebben mogen zien, dat God ons door de wonderen, die Elisa mocht doen, veel verteld over Zijn plan voor Israël. En steeds hebben we gezien dat overal de Christus der Schriften centraal staat. Onze bede is, dat ook in uw leven Christus centraal mag staan, dat we ernaar jagen om de Heere te leren kennen. (Hosea 6:3). En dat we met Paulus mogen zeggen:

  • "Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. Niet, dat ik het reeds zou verkregen hebben of reeds volmaakt zou zijn, maar ik jaag ernaar, of ik het ook grijpen mocht, omdat ík ook door Christus Jezus gegrepen ben. Broeders (en zusters), ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus. (Fil 3:10-13)

Slot

Bert Boersma april 2008 boersmabpost@kpnmail.nl



Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 09:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
18.08 | 21:12

Helaas zijn deze artikelen niet in boekvorm verkrijgbaar. Ik kan u wel een artikel per mail als document toesturen, wat u dan zelf kan kopieren.

...
18.08 | 20:11

Goedeavond,

Kunnen deze artikelen ook in boekvorm verschijnen?

...
Gisteren | 23:52
Over de schrijver heeft ontvangen 8
Je vindt deze pagina leuk