Bijbelstudie "De Profeet Elisa"

De Profeet Elisa

Inhoud

 

INLEIDING

Elia's tocht naar Horeb......................................................................

De openbaring Gods in Horeb (= Sinaï)....................................................

De Stem van de Heere.......................................................................

De roeping van Elisa..........................................................................

De Mantel......................................................................................

De reis van Elia en Elisa.....................................................................

De wens van Elisa............................................................................

 

De profeet Elisa

Inleiding

In deze bijbelstudie gaan we proberen te zien wat de Heere over de profeet Elisa in Zijn Woord zegt. Elisa is een bijzondere profeet, waar heel wat over te ontdekken valt. We vinden Elisa in het boek van de Koningen.

De profeten, zo ook Elisa, waren nodig om het volk Israël, wat zich steeds van de Heere afkeerde, weer terug naar de Heere te leiden. Israël was een hardnekkig volkje! Het volk, en vaak ook hun koning wandelden niet op de wegen des Heeren. En ook de priesters, die het volk behoorden te leiden verzaakten vaak hun opdracht. Maar voordat we naar de profeet Elisa gaan, kijken we eerst naar zijn voorganger, Elia.

 

Elia's tocht naar Horeb

Lees over deze geschiedenis in 1 Kon 19: Izebel, de vrouw van de goddeloze koning Achab was razend, toe zij hoorde van haar man hoe Elia de profeten en de dienaars van haar afgoden met het zwaard had gedood. In 1 Kon 18 lezen we over die geschiedenis, waarin door toedoen van Elia 450 profeten van Baäl werden gedood.

Daarom zond zij een bode naar Elia om hem mee te delen dat zij met hem nog erger zou handelen. Dat zal echt geen aangename boodschap voor Elia zijn geweest. In ieder geval voor Elia reden om te vluchten, en zo zijn leven te redden. Hij vertrok naar Berseba, (= put van de eed, Abraham en Abimelek hebben daar onder ede een verbond gesloten, dat ging over het eigendom van een waterput), en ging daarna nog verder, een dagreis ver de woestijn in. Daar, in de woestijn ging Elia zitten en hij vond het welletjes. Hij zei: "Het is genoeg! Neem nu HERE, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen." Zo viel Elia daar in de woestijn in slaap.

1 Kon 19:1-8:

  • “Toen Achab aan Izebel verhaalde alles wat Elia gedaan had, en hoe hij al de profeten met het zwaard gedood had, 2 zond Izebel een bode tot Elia om te zeggen: Zo mogen de goden doen, ja nog erger, indien ik morgen om deze tijd uw ziel niet gelijk zal maken aan de ziel van een hunner. 3 Toen hij dat had vernomen, maakte hij zich gereed en ging weg om zijn leven te redden; en gekomen tot Berseba, dat tot Juda behoort, liet hij zijn knecht daar achter. 4 Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zeide: Het is genoeg! Neem nu Here, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. 5 Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruik. Doch zie, daar raakte een Engel hem aan en zeide tot hem: Sta op, eet. 6 Toen hij rondzag, was daar, aan zijn hoofdeinde, een koek op gloeiende stenen gebakken en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer neer. 7 Doch wederom, ten tweeden male, raakte de Engel des Heren (= de Heere Jezus = de Zoon) hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn. 8 Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb.”

 

De Openbaring Gods in Horeb (= Sinaï)

Dus Elia stond op, at en dronk, en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Horeb. Wanneer we op de kaart kijken naar de afstand tussen Berseba en de berg Sinaï, dan is dat hemelsbreed circa 400 km. Wanneer we dan meerekenen dat Elia dan door gebergten heen moest, en misschien om bergen heen moest, dan komen we mischien wel op het dubbele uit, ca 800 km. Dat is dan per dag ca 20 km. (20 x 40 = 800). Maar wat mooi is in dit beeld, dat Elia naar de berg Sinaï moest. Elia was dat dat helemaal niet van plan, maar de Engel des Heeren, de Heere Jezus spoorde hem daartoe aan. Want de Engel des Heeren wist dat Elia op die berg Gods de Heere zou ontmoeten.

Een les voor ons, broeders en zusters:

Waar moeten wij heen wanneer we het niet meer zien zitten? Gelukkig hoeven we geen 800 km te reizen. Maar we hebben genoeg voeding (het Woord) om te weten waar we heen moeten. We moeten onszelf helemaal inleveren, en gaan schuilen bij Hem, die ons liefheeft, die Zichzelf heeft gegeven om u en mij te redden.

Kol 1:9-12: Paulus dankt daar voor het geloof van de Kolossenzen:

  • “Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 Om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 En dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.”

Zoals gezegd, alvorens wij de profeet Elisa nader bekijken, gaan we eerst de profeet Elia onder de loep nemen, want uiteindelijk is de bediening van Elisa een voortzetting van de bediening van Elia. Daarvoor kijken we met name ook naar Elia met het oog op de toekomst. In het laatste boek van het Oude Testament lezen wij:

Maleachi 4:4-6

  • "Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, inzettingen en verordeningen. Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban."

De Heere spreekt hier door Maleachi (Maleachi betekent: Mijn bode) over de komende dingen. Hier staat eigenlijk dat Elia zal komen voordat de grote dag des Heeren komt, om de harten van de dan levende Joden om te buigen tot ontvankelijke kinderharten, waar je alles in kan gieten, en wat dan ook direct door een gedeelte van Israël in geloof aanvaard zal worden. We mogen weten uit Openbaring dat dit zeker plaats zal vinden bij een deel van de dan levende Joden. Dat gelovige deel van Israël zal het getuigenis van "Elia"aanvaarden, en velen van dat gelovig overblijfsel zullen in de grote verdrukking om hun geloof worden vermoord. Maar zij zullen door hun standvastig geloof duizend jaar met Christus als koningen heersen (Openbaring 20:4).

Nog even over bovenstaande komst van "Elia" in Openbaring. We lezen in

Openbaring 11:3-6:

  • "En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang (dat is 3 ½ jaar). Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan. En indien iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden. Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.”

 

Nergens staat hier de naam Elia. Maar wanneer we bovenstaande tekst lezen, en we zien de beschrijving van deze twee getuigen van de Heere, dan zien we de werken van Elia en van Mozes. Ik zeg niet met zekerheid, dat het zo is, maar ook gezien de profetie van Maleachi, bestemd voor de Joden, moet één van deze getuigen zeker Elia zijn, en waarschijnlijk de tweede Mozes.

Maar niet alleen in Openbaring, ook al eerder komen we de naam Elia tegen:

Ook in Lukas 1:13-17:

  • "Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet (die onvruchtbaar was = vers 7) zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan, 16 en velen der kinderen Israëls zal hij bekeren tot de Here, hun God. En hij zal voor Zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden."

Zien we hier eigenlijk al niet een voorvervulling van wat later in Openbaring zal gebeuren? Aan Zacharias wordt een zoon beloofd, die zal uitgaan in de geest en de kracht van Elia. Waartoe? Om voor de Heere een weltoegerust volk te bereiden.

Dát was de bedoeling van de eerste komst van de Heere Jezus Christus naar deze aarde. En Johannes heeft krachtig opgetreden. Hij noemde zelfs de Farizeeën adderengebroed. Hij spaarde hun niet.

We weten waar de eerste komst van de Heiland op uit is gelopen. Hij werd door de Zijnen aan het kruis genageld. Maar omdat Gods beloften onberouwelijk zijn, zullen ze zeker volbracht worden. Zo mogen de komst van Johannes de Dooper zien als een beeld de komst van "Elia" in de toekomst.

Ook in het Evangelie van Johannes lezen we over Elia, waaruit blijkt dat de Schriftgeleerden de laatste profetie van Maleachi wel degelijk kenden, maar daar in de hun gegeven machts-situatie toen niet echt rekening mee wilden houden:

Joh 1:19-28:

  • "19 En dit was het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij? 20 En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. 21 En zij vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. 22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf? 23 Hij zeide: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren, gelijk de profeet Jesaja gesproken heeft. (zie Jesaja 40:3). 24 En er waren sommigen afgezonden uit de Farizeeën. 25 En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Waarom doopt gij dan, indien gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet? 26 Johannes antwoordde hun en zeide: Ik doop met water; midden onder u staat Hij, van wie gij niet weet, 27 Hij, die na mij komt, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken. 28 Dit geschiedde te Betanië over de Jordaan, waar Johannes doopte.” (Joh 1:19-28)

Wat staat er nu in Jesja 40:3 waarnaar Johannes verwijst?

  • “Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. 4 Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei. 5 En de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des Heren heeft het gesproken.”

Dus Johannes zegt eigenlijk van zichzelf in Joh 1:23 dat hij de wegbereider des Heeren is. Maar zijn toehoorders begrepen het niet.

Wat denkt u, wie zouden die Joden uit Joh 1:19 geweest zijn, die die priesters en Levieten naar Johannes stuurden om aan de weet te komen, wie hij was?

Dat kunnen alleen maar de Farizeeën en Schriftgeleerden zijn geweest, want door wie zouden de priesters en Levieten zich anders laten sturen?

En die voormannen van de Joden wisten ook best wel wat er in Maleachi stond over Elia. Bovendien zagen die Farizeeën en Schriftgeleerden dat die persoon bij de Jordaan optrad in de geest en de kracht van Elia.

Wanneer zij dan in Johannes de Doper Elia zouden (h)erkennen, dan zouden zij ook de aanstaande dag des Heeren moeten (h)erkennen, en dan zouden zij ook Jezus als hun Messias moeten (h)erkennen. Want zij wisten best wel wat er in maleachi stond: “Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt.” Dus bij die komst van Elia hoorde onlosmakelijk de komst van de dag des Heeren! Dat wisten die Farizeeers en Schriftgeleerden!

Maar zij hebben niet geloofd! Zij hebben willens en wetens het volk hebben misleid, omdat zij hun eigen waarheden en hun eigen eer en macht belangrijker vonden, dan te buigen voor de Waarheid.

De Farizeeën en de Schriftgeleerden zagen de aanwezigheid van Elia in de geest en de kracht door Johannes de Doper uitgebeeld. Maar zij hebben bewust deze dingen afgewezen. Johannes, en daarmee "Elia", werd verworpen.

En daarmee loochenden zij ook zeer bewust de aangekondigde komst van de Messias voor Israël. Zij waren niet voor niets “adderengebroed”, en daarmee spreekbuizen van satan! Zij behoorden tot het zaad der slang. En dat zaad van de slang wil niets weten van hun Tegenstander.

De Heere Jezus werd verworpen, en daardoor kon het aangekondigde Koninkrijk niet aanbreken. Maar in de toekomst zal er weer iemand optreden in de kracht en de geest van Elia, (Elia zelf). Dan zal deze "Elia" wel worden (h)erkend door een gelovig overblijfsel van het volk Israël, en dan ook de dag des Heeren, en daarmee het Koninkrijk, zeker aanbreken. Maar ook dan zal een groot deel van Israël Elia niet aanvaarden, en zij zullen hem doden. (Openbaring 11).

Dan gaan we terug naar Elia in 1 Kon 19. We hebben daar gelezen dat Elia opstond, at en dronk, en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Horeb (= de berg Sinaï).

Maar wat mooi is in dit beeld, dat Elia naar de berg Sinaï moest.

Een les voor ons, broeders en zusters:

Waar moeten wij heen wanneer we het niet meer zien zitten? Gelukkig hoeven we geen 800 km te reizen. Maar we hebben genoeg voeding (het Woord) om te weten waar we heen moeten. We moeten onszelf helemaal inleveren, en gaan schuilen bij Hem, die ons liefheeft, die Zichzelf heeft gegeven om u en mij te redden. Laat die gezindheid in u zijn, zodat de Heere Zijn werk in u kan doen.

En wanneer we onszelf bij Hem inleveren, dat wil Hij Zijn werk in ons doen!

 

De Stem van de Heere

We lezen verder in 1 Kon 19:9-18:

  • “Hij (Elia) kwam daar (bij die berg Sinaï in Arabië, in het vroegere Midian) bij een spelonk, waar hij overnachtte. En zie, het woord (dabar) des Heren kwam tot hem en Hij zeide tot hem: Wat doet gij hier, Elia? (eerste keer). 10 Daarop zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de Here, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 11 Daarop zeide Hij (de Heere): Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des Heren. En zie, toen de Here juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de Here uitging. In de wind was de Here niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de Here niet. 12 En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de Here niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte. 13 Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak: Wat doet gij hier, Elia? 14 Daarop zeide hij (voor de tweede keer): Ik heb zeer geijverd voor de Here, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 15 Daarop zeide de Here tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij Hazaël zalven tot koning over Aram. 16 Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats. 17 Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden. 18 Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft.”

We zien hier geweldige dingen gebeuren in het leven van Elia. Eerst vluchtte hij voor de boosaardige vrouw Izebel de woestijn in. Hij verlangde te sterven. Het was voor hem genoeg geweest. Maar de Heere had nog werk voor hem te doen.

In de woestijn zorgde de Heere voor eten en drinken, zodat Elia weer versterkt verder kon. Ja, de Heere versterkte Elia zo zeer door het voedsel, dat hij veertig dagen door kon gaan, want hij moest veertig dagen reizen naar het gebergte Horeb.

Daar in het gebergte Horeb vroeg de Heere tot twee keer toe aan Elia: "Wat doet gij hier, Elia?" En Elia zegt (vrij vertaald) "Ik heb altijd hard gewerkt voor de Heere, maar Israël wilde niet luisteren, en zij gingen de afgoden achterna, ik ben alleen overgebleven, en nou willen ze mij ook nog doodmaken." Toen zei de Heere: "Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des HEREN."

Elia moest uit de spelonk komen en gaan staan voor het aangezicht van de Heere.

Toen Elia daar stond kwam er eerst een geweldige sterke wind, daarna een aardbeving, en daarna een vuur, in alle drie was de Heere niet, maar na het vuur kwam het suizen van een zachte koelte. Zodra Elia dit hoorde, deed hij zijn mantel voor zijn gezicht, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan.

Het is heel bijzonder, dat Elia niet reageerde op de sterke wind, en ook niet op de aardbeving en ook niet op het vuur, maar toen Elia het "suisen van die zachte koelte" hoorde, reageerde Elia onmiddellijk. Hoe kwam dat?

In 1 Kon 19:12 staat: "En na het vuur het suizen van een zachte koelte." Hier heeft de King James vertaald: "And after the fire a still small voice".

Vertaald: “En na het vuur een stille zachte stem.”

In de grondtekst staat hier: דממה = dmme, dit komt in twee teksten voor, in 1 Kon 19:12 en in Job 4:16, en is resp. vertaald met “fluisterende” en met “zachte koelte”. En קול = gul = het geluid.

Achterelkaar staat er: דקה דממה קול = gul – dmme – dge = het geluid – van zachte – koelte (ook: voice = stem).

Elia herkende dit geluid, deze zachte stem, want we lazen in 1 Kon 19:13: 

  • “13 Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak: Wat doet gij hier, Elia?”

Elia was een man Gods. Hij wist hoe de Heere zich bekend maakte, en hoe de Heere gewoon was te verschijnen, getuige zijn reactie op "a still small voice". (Hebr = gul). Ogenblikkelijk bedekte hij zijn gezicht, en ging in afwachtende houding buiten de spelonk staan wachten op wat komen ging.

Toen ik deze dingen zo las over Elia, over het herkennen van het “geluid van de Heere”, moest ik denken aan die geschiedenis van Samuël in 1 Sam 3:

  • “1 De jonge Samuël was in de dienst des Heren onder toezicht van Eli. Nu was in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk. 2 In die tijd had Eli zich eens op zijn gewone plaats te ruste begeven – zijn ogen begonnen zwak te worden, hij kon niet meer zien. 3 Nog was de lamp Gods niet uitgegaan. Samuël had zich te ruste begeven in de tempel des Heren waar de ark Gods was. 4 Toen riep de Here Samuël, en hij zeide: Hier ben ik. 5 Toen snelde hij naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Doch deze zeide: Ik heb niet geroepen, leg u weer neer. Toen ging hij heen en legde zich weer neer. 6 En de Here riep Samuël opnieuw. Toen stond Samuël op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Doch deze zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon; leg u weer neer. 7 Samuël nu kende de Here nog niet; nog nooit was hem een woord des Heren geopenbaard. 8 En de Here riep Samuël nog eens, voor de derde maal. Toen stond hij op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Toen begreep Eli, dat de Here de jongen riep. 9 Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u weer neer, en als Hij u roept, zeg dan: spreek Here, want uw knecht hoort. En Samuël ging heen en legde zich weer op zijn plaats neer. 10 Toen kwam de Here, bleef daar staan en riep als de vorige keren: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort.”

Een prachtige geschiedenis. We zien hier een hele jonge dienstknecht, een hele jonge profeet des Heeren, Samuël aan het begin van zijn dienst, nog nooit was hem een woord des Heeren geopenbaard. Samuël kende de stem des Heeren niet. Ook zien we Elia een profeet aan het einde van zijn dienst.

Elia herkende de stem des Heeren. Samuël moest de stem nog leren herkennen.

Herkennen wij de stem van de Heere in ons leven? Ik ben ervan overtuigd dat dat kan broeders en zusters. Hoe? Door omgang te hebben met de Heere. Door te luisteren naar Zijn Woord. Door de omgang met Zijn Woord een relatie te krijgen met Christus. In een relatie leer je Iemand kennen, je leert ontdekken hoe Ander in elkaar zit. Je leert hoe die Andere tot je hart spreekt.

In deze relatie is “luisteren en horen” geen vrijblijvende zaak. Wanneer we het Woord tot ons nemen, dan hoort daar onmiskenbaar ook een gelovige navolgen op te volgen. Gelovig navolgen betekent: In het volste vertrouwen in de juiste gezindheid de Heere volgen. En dan ook doen wat Hij zegt. Dan ontstaat er gemeenschap in Hem. Dan is er rust! Dan gaan we ook steeds meer de stem van de Heere in ons leven herkennen.

Er zijn legio voorbeelden in de Bijbel die laten zien hoe het niet moet, ik wil één voorbeeld noemen. Want ook daar kunnen we van leren. Daarvoor gaan we naar 1 Sam 15, daar lezen de reden waarom het koningschap van koning Saul werd afgenomen:

  • “1 Samuël zeide tot Saul: Mij heeft de Here gezonden om u tot koning te zalven over zijn volk, over Israël; nu dan, luister naar de woorden des Heren. 2 Zo zegt de Here der heerscharen: Ik doe bezoeking over wat Amalek Israël heeft aangedaan, hoe hij zich hem in de weg heeft gesteld, toen het uit Egypte trok. 3 Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel. (En wat deed koning Saul?) 4 Saul riep het volk op en monsterde het te Telaïm, tweehonderdduizend man voetvolk; daarbij tienduizend Judeeërs. 5 Toen Saul de stad van Amalek bereikt had, legde hij in het dal een hinderlaag. 6 Saul nu zeide tot de Kenieten: Gaat heen, verwijdert u, trekt weg uit het midden der Amalekieten, opdat ik u niet met hen verdelg; gij hebt immers trouw bewezen aan alle Israëlieten, toen zij uit Egypte trokken. Daarop verwijderden zich de Kenieten uit het midden van Amalek. 7 En Saul versloeg Amalek van Chawila af tot in de nabijheid van Sur, dat ten oosten van Egypte ligt. 8 Agag, de koning van Amalek, greep hij levend, maar het gehele volk sloeg hij met de ban door de scherpte des zwaards. 9 Saul echter en het volk spaarden Agag en het beste van het kleinvee en van de runderen, ook het naastbeste, verder de lammeren, kortom al wat waardevol was; dat wilden zij niet met de ban slaan. Maar al het vee dat waardeloos was en ondeugdelijk, sloegen zij met de ban. 10 Toen kwam het woord des Heren tot Samuël: 11 Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uitgevoerd. Hierop ontroerde Samuël hevig en hij riep tot de Here de gehele nacht. 12 Vroeg in de morgen ging Samuël Saul tegemoet, en Samuël werd meegedeeld: Saul is te Karmel gekomen en zie, hij heeft zich daar een gedenkteken opgericht; daarna heeft hij zich omgewend en is weggegaan; hij is afgedaald naar Gilgal. 13 Toen Samuël bij Saul kwam, zeide deze tot hem: Wees gezegend door de Here; ik heb het bevel des Heren uitgevoerd. (= een leugen) 14 Maar Samuël zeide: Wat betekent dan dat geblaat van kleinvee, dat in mijn oren klinkt, en het geloei van runderen, dat ik hoor? 15 Saul zeide: Die heeft men van de Amalekieten meegebracht, want het volk heeft het beste van het kleinvee en van de runderen gespaard om de Here, uw God, offers te brengen; maar de rest hebben wij met de ban geslagen. 16 Toen zeide Samuël tot Saul: Houd stil, dan zal ik u mededelen wat de Here in deze nacht tot mij gesproken heeft. Hij zeide tot hem: Spreek. 17 Daarop zeide Samuël: Zijt gij niet, hoewel gij klein waart in eigen oog, geworden tot een hoofd der stammen van Israël? En heeft de Here u niet gezalfd tot koning over Israël? 18 De Here had u uitgezonden met de opdracht: Ga heen, sla die boosdoeners, de Amalekieten, met de ban, strijd tegen hen, totdat gij hen hebt uitgeroeid. 19 Waarom hebt gij dan niet naar de Here geluisterd, maar hebt gij u op de buit geworpen en hebt gedaan wat kwaad is in de ogen des Heren? 20 Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb wel naar de Here geluisterd en ben de weg gegaan, waarop de Here mij zond en ik heb Agag, de koning van Amalek, meegebracht, maar Amalek zelf heb ik met de ban geslagen. 21 Doch het volk nam van de buit kleinvee en runderen, het beste van het gebannene, om de Here, uw God, offers te brengen in Gilgal. 22 Maar Samuël zeide: Heeft de Here evenzeer welgevallen aan brandoffers en slachtoffers als aan horen naar des Heren stem?Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffers, luisteren beter dan het vette der rammen. 23 Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim. (hier wordt ongehoorzaamheid op één lijn geplaatst met afgoderij! = de Heere een gruwel). Omdat gij het woord des Heren verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat gij geen koning meer zult zijn. 24 Saul zeide tot Samuël: Ik heb gezondigd, want ik heb het bevel des Heren, uw opdracht, overtreden; maar ik vreesde het volk en ik heb naar hen geluisterd. 25 Nu dan, vergeef toch mijn zonde; keer met mij terug, dan zal ik mij voor de Here neerbuigen. 26 Maar Samuël zeide tot Saul: Ik zal met u niet terugkeren, want gij hebt het woord des Heren verworpen; daarom heeft de Here u verworpen, dat gij geen koning meer over Israël zult zijn.”

Zulke “eigen bedachte” offers wil God niet! Die zijn niet aangenaam in de ogen van de Heere! Denk maar aan het offer van Kaïn. Toen ik dit las moest ik denken aan de tekst uit Rom 12:1. Boven dat hoofdstuk staat “Het ware offer”.

Rom 12:1:  

  • Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.”

Dat “hervormd” is de vertaling van het Griekse woord “metamorphoo”.

Dit betekent dat we compleet (van binnen) veranderen in ons denken, en dat we vanuit die vernieuwing van ons wezen, ons leven uitleveren aan God.

Dat we leren te luisteren naar Zijn Woord, en ons ondergeschikt maken aan zijn Woord, en zo stellen we onze lichamen Gode tot een welgevallig offer.

En alleen zó kan de Heere ons onberispelijk voor Zich stellen.

En hierbij moet ik dan ook weer denken aan het “plengoffer” wat we in één van de vorige bijbelstudies hebben behandeld, dat onberispelijke plengoffer.

Zo zien we dat we door alles in de Bijbel heel veel kunnen leren voor ons persoonlijk geloofsleven.

Ef 5:1 zegt:

  • Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, 2 en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk.”

En laten wij als navolgers Gods die welriekende reuk om ons heen verspreiden. Is dat moeilijk? Ja, dat is moeilijk wanneer wij op onszelf zien. Denk maar aan koning Saul.

2 Kor 2:14-16:

  • Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van zijn kennis allerwegen door ons verspreidt, 15 want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; 16 voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam?”.

 

De Roeping van Elisa

We gaan nu naar dat Bijbelgedeelte, wat handelt over de wisseling van dienst tussen de profeet Elia en Elisa. Daarin zullen we zien, dat de profeten Elia en Elisa eigenlijk één geheel vormden. Nadat Elia in de woestijn gevlucht was, moest hij van De Heere op zijn schreden terug keren, want de Heere had nog taken voor Elia, die hij moest verrichten. Eén daarvan was dat hij “Elisa, de zoon van Safat (= rechter) , uit Abel-Mechola (= dansweide, weide voor de dans), zult gij zalven tot profeet in uw plaats.” (1 Kon 19:16).

Toen Elia in gehoorzaamheid weer op weg was gegaan vanaf de berg Sinaï, trof hij Elisa aan. 1 Kon 19:19-21:

  • “Nadat hij vandaar gegaan was, trof hij Elisa aan, de zoon van Safat, bezig te ploegen met twaalf span vóór zich, terwijl hij zelf bij het twaalfde was. Toen Elia hem voorbijging, wierp hij hem zijn mantel toe. 20 Daarop verliet hij (Elisa) de runderen, snelde Elia achterna en zeide: Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen. En hij zeide tot hem: Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan? 21 Toen keerde hij van achter hem terug, nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen; het vlees gaf hij aan het volk, en zij aten. Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem.”

 

De Mantel

Een heel bijzondere geschiedenis. Elia treft Elisa in het veld, die bezig is te ploegen. We lezen hier niets over een “roepen tot profeet” van Elia. We lezen ook niets over een zalving tot profeet, maar Elia gooit zijn mantel naar Elisa.

Elia wierp Elisa zijn mantel toe. Dat moet toch iets betekenen. Het Hebreeuwse woord voor mantel is: מעיל = moil, uitgesproken: meh-eel. Dit woord is in andere teksten ook vertaald met “opperkleed”

Wanneer we andere teksten opzoeken waar de "mantel" tegenkomen, dan ontdekken we meer wat de "mantel" betekent:

  • 1 Sam 18:4:Jonatan (de zoon van koning Saul) trok de mantel uit, die hij droeg, en gaf die aan David, ook zijn wapenrok, zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.”
  • 1 Sam 28:14: Dat gaat over die vrouw in Endor, waar koning Saul naartoe ging om doden op te roepen, en daar lezen we in vers 14: "Daarop vroeg hij haar: Hoe is zijn gestalte? Zij antwoordde: Een oud man komt op, gehuld in een mantel. Toen begreep Saul, dat het Samuël was, en hij knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer."
  • 2 Kon 2:8 "Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken."
  • 2 Kon 2:13 "Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan."
  • 2 Kon 2:14 "En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken."
  • Ester 8:15 “En Mordekai ging van de koning heen in een blauwpurperen en linnen koninklijk kleed en met een grote, gouden diadeem en een mantel van fijn linnen en purper. En de stad Susan juichte en was verheugd.”
  • Jes 3:6-7 "Wanneer iemand een ander van zijn familie aangrijpt (met de woorden): Gij hebt een mantel, wees onze aanvoerder en laat deze puinhoop onder uw hoede zijn. Dan zal deze te dien dage uitroepen: Ik kan geen heelmeester zijn, en in mijn huis is brood noch mantel, gij moet mij niet tot aanvoerder over het volk aanstellen."
  • Jes 61:10 "Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit."
  • Zach 13:4 "Te dien dage zullen de profeten beschaamd staan, ieder om wat hij schouwt, wanneer hij als profeet optreedt, en zij zullen geen haren mantel aantrekken om leugens te vertellen."
  • Mat 27:28 “En zij trokken Hem zijn klederen uit en deden Hem een scharlaken mantel om; 29 ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een riet in zijn rechterhand.”
  • Mat 27:31 "En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel [= chlamus (khlam-ooce')] uit en deden Hem zijn klederen aan en zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen."

We hebben eerder dat gedeelte over koning Saul gelezen in 1 Sam 15.

Wanneer we dat gedeelte verder lezen lezen we ook nog iets over de mantel:

1 Sam 15:26-28

  • 26 Maar Samuël zeide tot Saul: Ik zal met u niet terugkeren, want gij hebt het woord des Heren verworpen; daarom heeft de Here u verworpen, dat gij geen koning meer over Israël zult zijn. 27 Toen Samuël zich omkeerde en wilde weggaan, greep Saul de slip van zijn mantel, doch deze scheurde af. 28 Daarop zeide Samuël tot hem: De Here heeft heden het koningschap over Israël van u afgescheurd en heeft het gegeven aan uw naaste, die beter is dan gij.”

Dat afscheuren van een stuk van de mantel gaf aan dat het koningschap van Saul was afgenomen. De “mantel” was van Saul afgenomen.Wanneer we deze teksten in de context doorlezen, dan ontdekken we dat de mantel te maken heeft met waardigheid, en met gezag.

  • Koning Saul boog zich ter aarde neer voor de oude man (Samuël), die de mantel droeg.
  • Elia en Elisa gebruikten de mantel (hun gezag) om op het water te slaan, waarna ze door de Jordaan konden gaan.
  • De mantel spreekt ook over waardigheid toen de Romeinse soldaten de Heere Jezus bespotten, en Hem de mantel uittrokken. Toen ontnamen ze de Heere Jezus Zijn laatste waardigheid.

Wanneer iemand “een mantel” droeg, dan kon hij een aanvoerder en een leider zijn. De mantel spreekt over gerechtigheid en over de waarheid. En de mantel spreekt van gezag. Die “mantel” is toch wel iets bijzonders. Wanneer we alle teksten zouden opzoeken, die met de “mantel” hebben te maken, dan zullen we ontdekken, dat de mantel te maken heeft met iets groots wat door God gegeven is. Met dingen die te maken hebben met de volvoering van Gods plannen.

Jes 61:10:

  • Ik verblijd mij zeer in de Here, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.”

2 Korintiërs 5:3”

  • “als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.”

Galaten 3:26-28

  • “Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.”

Efeziërs 6:14

  • “Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid.”

 

Toen Elia in het voorbijgaan aan Elisa de mantel toewierp (1 Kon 19:19), ontving Elisa daarmee ook alles wat met de mantel verbonden was, waardigheid, gezag, gerechtigheid en waarheid. En Elisa wist heel goed wat het betekende, dat hem de mantel toegeworpen werd. Onmiddellijk stopte Elisa met het werk waar hij mee bezig was, en snelde Elia achterna en zeide:

  • "Laat mij toch afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder, dan wil ik u volgen.”

 

Elisa bereidde nog een soort afscheidsmaal, hij slachtte daarvoor de runderen, waarmee hij aan het ploegen was. Het vuur, wat nodig was voor de bereiden van de runderen, maakte Elisa van het hout van de ploeg. Zo verbrandde Elisa letterlijk alles waar hij mee bezig was, hij verbrandde letterlijk alle schepen achter zich, en daarna volgde Elisa Elia en diende hem. En daarmee diende Elisa de Heere. Hebben wij ons oude leven achter ons gelaten, en dienen wij nu de Heere? En jagen wij nu naar de prijs der roeping Gods?

 

We zien in deze geschiedenis dat de mantel, en daarmee de bediening van Elia overging van Elia op Elisa. Beiden hebben zij één en dezelfde profeten mantel, en daarmee één en dezelfde bediening.

  • Elia = Elijahoe = Mijn God is JHWH
  • Elisa = Eliesha = God is Redding

Elia + Elisa bijelkaar opgeteld is: JHWH is Redding.

Dus de beide namen van deze profeten wijzen samen naar de Heere Jezus Christus en naar Zijn werk. Christus staat centraal, ook in de bediening van deze beide profeten.

We gaan naar 2 Kon 2:1-18:

  • "Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. 2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar Betel gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Daarop begaven zij zich naar Betel. 3 Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. 4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij te Jericho. 5 Toen naderden de profeten van Jericho tot Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. 6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder. (= derde keer). 7 Vijftig man van de profeten waren ook gegaan, maar bleven op verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden. 8 Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken. 9 En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? (Elia én Elisa wisten beiden dat hij zou worden weggenomen) En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. 10 En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden. 11 En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. 12 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. 13 Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. 14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken. 15 De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde. 16 En zij zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. 17 Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. 18 Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?"

 

Wat opvalt in dit Bijbelgedeelte is dat Elia tot drie keer toe tegen Elisa zegt: “Blijft toch hier.” Tot drie keer toe probeert Elia tegen Elisa te zeggen, dat Elisa Elia maar alleen verder moet laten gaan. Maar tot drie keer toe weigert Elisa, hij wil zelfs niet luisteren naar deze uitspraken, en Elisa volgt trouw Elia. Was dit een soort beproeving? Moest hieruit de trouw van Elisa blijken? Ik denk het wel.

 

Toen ik dit las, moest ik denken aan de verzoeking van de Heere Jezus in de woestijn, waar dit ook drie keer gebeurde. En dan denk ik ook aan de drie keren dat Petrus de Heere verloochende, en dat de Heere later drie keer aan Petrus vroeg: “Hebt gij mij waarlijk lief?”

 

We lazen in 2 Kon 2:1-18 dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. Van Gilgal naar Betel, en daarna naar Jericho, en vandaar naar de Jordaan. Iedere keer, tot drie keer toe, bij elke plaats zegt Elia tegen Elisa: "Blijf toch hier, want de HERE heeft mij gezonden."

 

En tot drie keer toe zegt Elisa dat hij meegaat. Hij bleef niet achter in één van de plaatsen, maar ging trouw met Elia mee. Want Elisa wist wat er stond te gebeuren. Ook wist Elisa wat zijn taak zou worden, hij had immers de mantel toegeworpen gekregen, en zijn oude leven totaal achter zich gelaten, ja alle schepen achter hem verbrand!

 

Hij moest Elia wel volgen, dát was zijn roeping! Het blijkt ook uit 2 Kon 2:3 en vers 5 dat Elisa wist van er moest gebeuren. Want toen de profeten van Betel en van Jericho tegen Elisa zeiden: "Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen?" Antwoordde Elisa: "Ook ik weet het, zwijgt stil."

 

Het is wel bijzonder dat Elia tot drie keer toe tegen Elia zegt hem alleen verder te laten gaan, maar tot drie keer toe laat Elisa zich niet overhalen!

 

Elisa's antwoord was: "Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten." Hiermee bevestigde Elisa dat zijn bediening vast stond in de Heere.

 

Bovendien: Wanneer Elisa in één van de plaatsen was achtergebleven, had hij nooit in de praktijk "de mantel" van Elia kunnen overnemen.

 

De reis van Elia en Elisa

Elia en Elisa reisden van Gilgal naar Betel, en vandaar naar Jericho, en verder naar de Jordaan. Dus de start was in Gilgal. Gilgal betekent "wiel of rad", en is afgeleid van het werkwoord "galal", en heeft met wedergeboorte te maken.

 

Wat heeft een "wiel" nou met wedergeboorte te maken, zult u misschien denken. Wel, een wiel draait rond. En wanneer een wiel één rondje heeft gemaakt, komt het in dezelfde stand weer terecht, maar nu wel op een andere plaats. Dit draaien van het wiel beeld de wedergeboorte uit. Wedergeboorte is sterven en opnieuw opstaan, maar dan wel opstaan in een andere plaats. Je bent als het ware een stukje verder gekomen, verder gegroeid. Zo beeld het draaien van het wiel de wedergeboorte uit.

Hier komt het gezegde "het rad der wedergeboorte" vandaan.

 

En we kunnen nog iets verder gaan door te zeggen dat het voortgaande wiel ook het voortgaande leven (in groei) van die wedergeboren mens uitbeeld.

 

En ook voor ons geldt dat we door voort te gaan (het draaien en rollen van het wiel) steeds een stapje verder komen in het verstaan van het Woord, en daardoor mogen groeien naar en in Christus!

 

Gilgal is de naam van de plaats waar Israël door de Jordaan het beloofde land binnentrok, en waar zij besneden werden en het Pascha vierden (Jozua 3:5). Wanneer we opzoeken wat er te Gilgal is gebeurd, dan ontdekken we dat het volk Israël, na 40 jaar door de woestijn te zijn getrokken, door de Jordaan ging, (door het water heen ging) en zich op de tiende der eerste maand legerde te Gilgal (Jozua 4:19). En de twaalf stenen, welke men uit de Jordaan genomen had, richtte Jozua te Gilgal als een gedenksteen op. (Jozua 4:20).

 

Ook werden alle mannen van Israël te Gilgal besneden, iets wat Israël in de woestijn had nagelaten. Bovendien zei de HERE tot Jozua: "Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld." Daarom noemt men die plaats Gilgal, tot op de huidige dag. (Jozua 5:9). "Gilgal" betekende voor Israël de overgang van de oude naar een nieuwe situatie. Al deze dingen spreken van een nieuw begin, van wedergeboorte. Vanuit deze "wedergeboorte" gingen Elia en Elisa op weg.

 

Vanuit Gilgal gingen Elia en Eliza naar Betel. Betel betekent "Huis Gods". In Betel bouwde Abraham voor de Heere een altaar en riep hij de Naam des Heeren aan (Gen 12:8). Later zei de Heere tegen Jacob: "Maak u reisvaardig, trek naar Betel, blijf daar, en richt er een altaar op voor de God, die u verschenen is, toen gij vluchttet voor uw broeder Esau." (Gen 35:1). En in Gen 35:15 noemde Jakob de plaats, waar God met hem gesproken had, Betel = Huis van God.

 

Vanuit Betel gingen beide profeten naar Jericho. Jericho is de "vloek-stad". Toen de Israëlieten na 40 jaar omzwerven door de woestijn voor Jericho stond, had Jericho de poort gesloten; de stad was volkomen gesloten voor de Israëlieten; niemand kon daar uit of in gaan.

 

En de HERE sprak tot Jozua: “Zie, Ik geef Jericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht.” (Jozua 6:1-2). Later, toen het volk alle opdrachten van de Heere betreffende het innemen van Jericho had uitgevoerd, en de Heere de stad aan Israël had gegeven, sloegen zij alles wat in de stad was, met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards.

Jozua 6:21-26:

  • “Toen sloegen zij alles wat in de stad was, met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards. 22 Maar tot de twee mannen die het land verspied hadden, zeide Jozua: Gaat het huis van de hoer binnen en brengt de vrouw en allen, die haar toebehoren, naar buiten, zoals gij haar gezworen hebt. 23 Toen gingen de jonge mannen, de verspieders, naar binnen en brachten Rachab naar buiten en haar vader, haar moeder, haar broeders en allen die haar toebehoorden – ja, haar gehele geslacht brachten zij naar buiten – en zij wezen haar een verblijf aan buiten de legerplaats van Israël. 24 De stad echter en alles wat erin was, verbrandden zij met vuur; alleen het zilver, het goud en de koperen en ijzeren voorwerpen voegden zij bij de schat van het huis des Heren. 25 Zo heeft Jozua de hoer Rachab en haar familie en allen die haar toebehoorden, in leven gelaten, en zij heeft onder Israël gewoond tot op de huidige dag, omdat zij de boden verborgen had gehouden, die Jozua uitgezonden had om Jericho te verkennen. 26 Te dien tijde deed Jozua deze eed: Vervloekt voor het aangezicht des Heren is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten. 27 En de Here was met Jozua en de mare van hem ging door het gehele land.”

Dit was de vloek, die op Jericho rustte. Daarom de naam “Vloek-stad”.

Veel later (1 Kon 16:34) herbouwde de Beteliet Chiël Jericho: 1 Kon 16:

  • “In zijn dagen (in de dagen van koning Achab) herbouwde de Beteliet Chiël Jericho. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene, grondvestte hij het; en ten koste van Segub, zijn jongste, plaatste hij haar poortdeuren – naar het woord des Heren, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.”

 

Zo werd Gods Woord vervuld. We lezen verder in de bijbel ook weing goeds meer over Jericho, en tevens werd Jericho toen, ten tijde van de verovering van het land, een schrik voor de omliggende steden en volkeren. (Jozua 8:2, Jozua 9:3, Jozua 10:1, Jozua 10:28 en Jozua 10:30).

In Lucas 10:30 vertelt de Heere Jezus:

  • "Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen."

 

Ook hieruit blijkt dat er niet veel goeds uit voortkomt als men "afdaalt" naar Jericho. Toch betekent Jericho ook "welriekende plaats", en wordt vanwege de aanwezigheid van palmbomen ook wel de "palmstad" genoemd.

 

Bomen hebben in de Bijbel vaak een symbolische betekenis. De vijgeboom bijvoorbeeld wijst op Israëls bestaan als volk. Zo wijst de palmboom naar het koningschap, dat Israël ten deel zal vallen.

 

God heeft het volk bestemd om een koninkrijk van priesters te zijn. Wanneer de Heere Jezus op een ezel naar Jeruzalem gaat, spreiden de discipelen palmtakken uit (Luk.19). Uiterlijk leek het er dus op dat in Jericho alles dik voor elkaar was. Toch ontbrak het belangrijkste: Er was geen leven, oftewel geen goed water. Dat zullen we zien, wanneer we het eerste wonder van Elisa behandelen.

 

De laatste etappe van de reis van Elia en Eliza voerde van Jericho naar én door de Jordaan. Vlak voor zijn heengaan doet Elia zijn laatste wonder.

Onder het toeziend oog van 50 van de profeten van Jericho slaat Elia met zijn mantel op het water van de Jordaan, en het water “...verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken.” (2 Kon 2:8).

 

Wanneer we dit lezen, moeten wij onwillekeurig denken aan de overtocht van het Volk Israël door de Jordaan. Ook toen zorgde de Heere ervoor dat het water terzijde week, zodat het volk op het droge kon oversteken. De doortocht door de Jordaan kan dan ook gezien worden als een beeld van dood en opstanding (want dat is feitelijk wedergeboorte). Later zond God een "Elia" (Johannes de Doper), een wegbereider, die bij de Jordaan zijn boodschap verkondigde en allen doopte, eigenlijk door de Jordaan liet gaan, die tot hem kwamen en geloofden. Zelfs de Heere Jezus liet Zich door Johannes dopen.

 

De Wens van Elisa

Zodra Elia en Elsa over de Jordaan gestoken waren, zeide Elia tot Elisa:

2 Kon 2:9-10

  • 9 En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. 10 En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden.”

 

Elisa vraagt hier iets wat Elia hem onmogelijk kan geven. Elia zei wel: "Wat zal ik voor u doen?" Maar wat Elisa hier vraagt, kan alleen God zelf hem geven. Daarom zegt Elia door Gods Geest ingeblazen:

  • "Als je mij zult zien, terwijl ik van je word weggenomen, dan zal je ontvangen wat je hebt gevraagd. Maar als je mij niet zult zien, dan zal je het niet ontvangen.”

 

Uit wat Elisa vraagt spreekt een grote wijsheid. Hij vraagt niet om aardse zegeningen, maar hij vraagt om geestelijke zegeningen, om geestelijk inzicht, om de Heere waardig te kunnen wandelen.

 

Elisa had zijn keuze gemaakt, toen hij alle schepen achter zich verbrandde, en wilde in dat spoor dan ook verder in de Heere, en was er zich van bewust dat hij dat alleen niet kon en daarvoor door Gods Geest geleid moest worden.

Wat zouden wij vragen als wij een wens zouden mogen doen?

 

We lezen verder in 2 Kon 2:11-14:

  • “11 En, terwijl zij (Elisa en Elia) voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. 12 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. 13 Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. 14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken.”

 

We lazen in vers 12:"Elisa zag het". Met dat "zien" had de Heere het verzoek van Elisa ingewilligd, en kwam een dubbel deel van de geest van Elia op Elisa.

Nog even naar vers 11:

  • "En, terwijl Elia en Elisa voortgingen, al wandelende en sprekende."

 

Zij gingen voort al wandelende en sprekende. Waar zouden die twee godsmannen over gesproken hebben? Elia (= Mijn God is JHWH) sprak al wandelende met Elisa (= God is Redding).

 

Het kan niet anders dat zij over hun God en Redder hebben gesproken, waarvan Elia wist, dat hij zeer spoedig zijn JHWH zou ontmoeten. Want Elia zei niet dat hij zou sterven, maar dat hij zou worden weggenomen. (2 Kon 2:9). En Elisa wist in wiens dienst hij zou komen te staan. Het moet dan ook wel zo zijn geweest dat deze twee godsmannen over de grote daden van hun God en Redder hebben gesproken.

 

Opmerkelijk is nu, dat Elisa, die Elia opvolgt als profeet in dienst van God, precies hetzelfde wonder verricht. Het laatste wonder van Elia, waarmee hij zijn dienst beëindigt, is hetzelfde als het eerste wonder van Elisa, waarmee hij zijn dienst aanvangt. We lezen in 2 Kon 2:14:

  • "En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken." (2 Kon 2:14).

 

Hierin zien we, dat de Heere ogenblikkelijk de roeping van Elisa bevestigd. Zoals Elia was geëindigd, mag Elisa beginnen. Door de Jordaan, dit is door de wedergeboorte (= door het water) start de bediening van Elisa.

De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden:

De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde (2 Kon 2:15). Dit buigen van die profeten laat zien, dat Elisa de "mantel", en daarmee de waardigheid en het gezag van Elia had overgekregen.

We lezen verder in 2 Kon 2:16-18:

  • “16 En zij (die profeten van Jericho) zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. 17 Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. 18 Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?"

Hieruit blijkt het ongeloof van de profeten van Jericho.

Tot zover was eigenlijk de inleiding van deze bijbelstudie, die verder over de acht wonderen van Elisa zal gaan.

 (wordt vervolgd)

 

 

deze studie wordt binnenkort opnieuw geplaatst.

 

 

Tekst volgt later.  

 

Jericho 2007 (Zie volgende afbeelding de plattegrond)

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk