Bijbelstudie "De Profeet Elisa"

De Profeet Elisa

INHOUD

Inleiding...................................................................

Elia's tocht naar Horeb..................................................

De openbaring Gods in Horeb (= Sinaï)...............................

De Stem van de Heere...................................................

De roeping van Elisa......................................................

De Mantel..................................................................

De reis van Elia en Elisa..................................................

De wens van Elisa.........................................................

 

Elisa maakt het water te Jericho gezond (1e wonder)...........

Het Water van de Jordaan...............................................

Elia was een type van Christus in Zijn eerste en tweede komst...

Elisa in Jericho.............................................................

De Mens en Water.........................................................

Israël en het Water.......................................................

Het water van Jericho....................................................

Het Zout in het water.....................................................

Het Wonder met Water...................................................

Een nieuwe Schotel........................................................

Gezond water voor ons....................................................

 

De spottende knapen van Bethel (2eWonder).......................

Kaalkop......................................................................

Vandaar ging hij naar Bethel.............................................

Kleine knapen..............................................................

Kom op = Ga op............................................................

Het getal 42................................................................

Willens en wetens.........................................................

De berg Karmel............................................................

 

 

De profeet Elisa

Inleiding

In deze bijbelstudie gaan we proberen te zien wat de Heere over de profeet Elisa in Zijn Woord zegt. Elisa is een bijzondere profeet, waar heel wat over te ontdekken valt. We vinden Elisa in het boek van de Koningen.

De profeten, zo ook Elisa, waren nodig om het volk Israël, wat zich steeds van de Heere afkeerde, weer terug naar de Heere te leiden. Israël was een hardnekkig volkje! Het volk, en vaak ook hun koning wandelden niet op de wegen des Heeren. En ook de priesters, die het volk behoorden te leiden verzaakten vaak hun opdracht. Maar voordat we naar de profeet Elisa gaan, kijken we eerst naar zijn voorganger, Elia.

 

Elia's tocht naar Horeb

Lees over deze geschiedenis in 1 Kon 19: Izebel, de vrouw van de goddeloze koning Achab was razend, toe zij hoorde van haar man hoe Elia de profeten en de dienaars van haar afgoden met het zwaard had gedood. In 1 Kon 18 lezen we over die geschiedenis, waarin door toedoen van Elia 450 profeten van Baäl werden gedood.

Daarom zond zij een bode naar Elia om hem mee te delen dat zij met hem nog erger zou handelen. Dat zal echt geen aangename boodschap voor Elia zijn geweest. In ieder geval voor Elia reden om te vluchten, en zo zijn leven te redden. Hij vertrok naar Berseba, (= put van de eed, Abraham en Abimelek hebben daar onder ede een verbond gesloten, dat ging over het eigendom van een waterput), en ging daarna nog verder, een dagreis ver de woestijn in. Daar, in de woestijn ging Elia zitten en hij vond het welletjes. Hij zei: "Het is genoeg! Neem nu HERE, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen." Zo viel Elia daar in de woestijn in slaap.

1 Kon 19:1-8:

  • “Toen Achab aan Izebel verhaalde alles wat Elia gedaan had, en hoe hij al de profeten met het zwaard gedood had, 2 zond Izebel een bode tot Elia om te zeggen: Zo mogen de goden doen, ja nog erger, indien ik morgen om deze tijd uw ziel niet gelijk zal maken aan de ziel van een hunner. 3 Toen hij dat had vernomen, maakte hij zich gereed en ging weg om zijn leven te redden; en gekomen tot Berseba, dat tot Juda behoort, liet hij zijn knecht daar achter. 4 Zelf echter trok hij een dagreis ver de woestijn in, ging zitten onder een bremstruik en begeerde te mogen sterven, en zeide: Het is genoeg! Neem nu Here, mijn leven, want ik ben niet beter dan mijn vaderen. 5 Daarop legde hij zich neer en sliep in onder een bremstruik. Doch zie, daar raakte een Engel hem aan en zeide tot hem: Sta op, eet. 6 Toen hij rondzag, was daar, aan zijn hoofdeinde, een koek op gloeiende stenen gebakken en een kruik water. Hij at en dronk en legde zich weer neer. 7 Doch wederom, ten tweeden male, raakte de Engel des Heren (= de Heere Jezus = de Zoon) hem aan, en zeide: Sta op, eet, want de reis zou voor u te ver zijn. 8 Toen stond hij op, at en dronk en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Gods, Horeb.”

 

De Openbaring Gods in Horeb (= Sinaï)

Dus Elia stond op, at en dronk, en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Horeb. Wanneer we op de kaart kijken naar de afstand tussen Berseba en de berg Sinaï, dan is dat hemelsbreed circa 400 km. Wanneer we dan meerekenen dat Elia dan door gebergten heen moest, en misschien om bergen heen moest, dan komen we mischien wel op het dubbele uit, ca 800 km. Dat is dan per dag ca 20 km. (20 x 40 = 800). Maar wat mooi is in dit beeld, dat Elia naar de berg Sinaï moest. Elia was dat dat helemaal niet van plan, maar de Engel des Heeren, de Heere Jezus spoorde hem daartoe aan. Want de Engel des Heeren wist dat Elia op die berg Gods de Heere zou ontmoeten.

Een les voor ons, broeders en zusters:

Waar moeten wij heen wanneer we het niet meer zien zitten? Gelukkig hoeven we geen 800 km te reizen. Maar we hebben genoeg voeding (het Woord) om te weten waar we heen moeten. We moeten onszelf helemaal inleveren, en gaan schuilen bij Hem, die ons liefheeft, die Zichzelf heeft gegeven om u en mij te redden.

Kol 1:9-12: Paulus dankt daar voor het geloof van de Kolossenzen:

  • “Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 Om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 En dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.”

Zoals gezegd, alvorens wij de profeet Elisa nader bekijken, gaan we eerst de profeet Elia onder de loep nemen, want uiteindelijk is de bediening van Elisa een voortzetting van de bediening van Elia. Daarvoor kijken we met name ook naar Elia met het oog op de toekomst. In het laatste boek van het Oude Testament lezen wij Maleachi 4:4-6:

  • "Gedenkt de wet van Mozes, mijn knecht, die Ik hem op Horeb geboden heb voor gans Israël, inzettingen en verordeningen. Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt. Hij zal het hart der vaderen terugvoeren tot de kinderen en het hart der kinderen tot hun vaderen, opdat Ik niet kome en het land treffe met de ban."

De Heere spreekt hier door Maleachi (Maleachi betekent: Mijn bode) over de komende dingen. Hier staat eigenlijk dat Elia zal komen voordat de grote dag des Heeren komt, om de harten van de dan levende Joden om te buigen tot ontvankelijke kinderharten, waar je alles in kan gieten, en wat dan ook direct door een gedeelte van Israël in geloof aanvaard zal worden. We mogen weten uit Openbaring dat dit zeker plaats zal vinden bij een deel van de dan levende Joden. Dat gelovige deel van Israël zal het getuigenis van "Elia"aanvaarden, en velen van dat gelovig overblijfsel zullen in de grote verdrukking om hun geloof worden vermoord. Maar zij zullen door hun standvastig geloof duizend jaar met Christus als koningen heersen (Openbaring 20:4).

Nog even over bovenstaande komst van "Elia" in Openbaring. We lezen in Openbaring 11:3-6:

  • "En Ik zal mijn twee getuigen lastgeven om, met een zak bekleed, te profeteren, twaalfhonderd zestig dagen lang (dat is 3 ½ jaar). Dit zijn de twee olijfbomen en de twee kandelaren, die voor het aangezicht van de Here der aarde staan. En indien iemand hun schade wil toebrengen, komt er vuur uit hun mond en het verslindt hun vijanden; en indien iemand hun schade wil toebrengen, moet hij zó de dood vinden. Dezen hebben de macht de hemel te sluiten, zodat er geen regen valt gedurende de dagen van hun profeteren; en zij hebben macht over de wateren, om die in bloed te veranderen en om de aarde te slaan met allerlei plagen, zo dikwijls zij willen.”

Nergens staat hier de naam Elia. Maar wanneer we bovenstaande tekst lezen, en we zien de beschrijving van deze twee getuigen van de Heere, dan zien we de werken van Elia en van Mozes. Ik zeg niet met zekerheid, dat het zo is, maar ook gezien de profetie van Maleachi, bestemd voor de Joden, moet één van deze getuigen zeker Elia zijn, en waarschijnlijk de tweede Mozes.

Maar niet alleen in Openbaring, ook al eerder komen we de naam Elia tegen in Lukas 1:13-17:

  • "Maar de engel zeide tot hem: Wees niet bevreesd, Zacharias, want uw gebed is verhoord en uw vrouw Elisabet (die onvruchtbaar was = vers 7) zal u een zoon baren en gij zult hem de naam Johannes geven. En blijdschap en vreugde zal uw deel zijn en velen zullen zich over zijn geboorte verblijden. Want hij zal groot zijn voor de Here en wijn en sterke drank zal hij niet drinken en met de heilige Geest zal hij vervuld worden, reeds van de schoot zijner moeder aan, 16 en velen der kinderen Israëls zal hij bekeren tot de Here, hun God. En hij zal voor Zijn aangezicht uitgaan in de geest en de kracht van Elia, om de harten der vaderen te keren tot de kinderen en de ongehoorzamen tot de gezindheid der rechtvaardigen, ten einde voor de Here een weltoegerust volk te bereiden."

Zien we hier eigenlijk al niet een voorvervulling van wat later in Openbaring zal gebeuren? Aan Zacharias wordt een zoon beloofd, die zal uitgaan in de geest en de kracht van Elia. Waartoe? Om voor de Heere een weltoegerust volk te bereiden.

Dát was de bedoeling van de eerste komst van de Heere Jezus Christus naar deze aarde. En Johannes heeft krachtig opgetreden. Hij noemde zelfs de Farizeeën adderengebroed. Hij spaarde hun niet.

We weten waar de eerste komst van de Heiland op uit is gelopen. Hij werd door de Zijnen aan het kruis genageld. Maar omdat Gods beloften onberouwelijk zijn, zullen ze zeker volbracht worden. Zo mogen de komst van Johannes de Dooper zien als een beeld de komst van "Elia" in de toekomst.

Ook in het Evangelie van Johannes lezen we over Elia, waaruit blijkt dat de Schriftgeleerden de laatste profetie van Maleachi wel degelijk kenden, maar daar in de hun gegeven machts-situatie toen niet echt rekening mee wilden houden:

Joh 1:19-28

  • "19 En dit was het getuigenis van Johannes, toen de Joden uit Jeruzalem priesters en Levieten tot hem zonden om hem te vragen: Wie zijt gij? 20 En hij beleed en ontkende het niet; en hij beleed: Ik ben de Christus niet. 21 En zij vroegen hem: Wat dan? Zijt gij Elia? En hij zeide: Ik ben het niet. Zijt gij de profeet? En hij antwoordde: Neen. 22 Zij zeiden dan tot hem: Wie zijt gij? Wij moeten toch antwoord geven aan hen, die ons gezonden hebben; wat zegt gij van uzelf? 23 Hij zeide: Ik ben de stem van een die roept in de woestijn: Maakt recht de weg des Heren, gelijk de profeet Jesaja gesproken heeft. (zie Jesaja 40:3). 24 En er waren sommigen afgezonden uit de Farizeeën. 25 En zij vroegen hem en zeiden tot hem: Waarom doopt gij dan, indien gij de Christus niet zijt, noch Elia, noch de profeet? 26 Johannes antwoordde hun en zeide: Ik doop met water; midden onder u staat Hij, van wie gij niet weet, 27 Hij, die na mij komt, wiens schoenriem ik niet waardig ben los te maken. 28 Dit geschiedde te Betanië over de Jordaan, waar Johannes doopte.” (Joh 1:19-28)

Wat staat er nu in Jesja 40:3 waarnaar Johannes verwijst?

  • “Hoor, iemand roept: Bereidt in de woestijn de weg des Heren, effent in de wildernis een baan voor onze God. 4 Elk dal worde verhoogd en elke berg en heuvel geslecht, en het oneffene worde tot een vlakte en de rotsbodem tot een vallei. 5 En de heerlijkheid des Heren zal zich openbaren, en al het levende tezamen zal dit zien, want de mond des Heren heeft het gesproken.”

Dus Johannes zegt eigenlijk van zichzelf in Joh 1:23 dat hij de wegbereider des Heeren is. Maar zijn toehoorders begrepen het niet.

Wat denkt u, wie zouden die Joden uit Joh 1:19 geweest zijn, die die priesters en Levieten naar Johannes stuurden om aan de weet te komen, wie hij was?

Dat kunnen alleen maar de Farizeeën en Schriftgeleerden zijn geweest, want door wie zouden de priesters en Levieten zich anders laten sturen?

En die voormannen van de Joden wisten ook best wel wat er in Maleachi stond over Elia. Bovendien zagen die Farizeeën en Schriftgeleerden dat die persoon bij de Jordaan optrad in de geest en de kracht van Elia.

Wanneer zij dan in Johannes de Doper Elia zouden (h)erkennen, dan zouden zij ook de aanstaande dag des Heeren moeten (h)erkennen, en dan zouden zij ook Jezus als hun Messias moeten (h)erkennen. Want zij wisten best wel wat er in maleachi stond: “Zie, Ik zend u de profeet Elia, voordat de grote en geduchte dag des HEREN komt.” Dus bij die komst van Elia hoorde onlosmakelijk de komst van de dag des Heeren! Dat wisten die Farizeeers en Schriftgeleerden!

Maar zij hebben niet geloofd! Zij hebben willens en wetens het volk hebben misleid, omdat zij hun eigen waarheden en hun eigen eer en macht belangrijker vonden, dan te buigen voor de Waarheid.

De Farizeeën en de Schriftgeleerden zagen de aanwezigheid van Elia in de geest en de kracht door Johannes de Doper uitgebeeld. Maar zij hebben bewust deze dingen afgewezen. Johannes, en daarmee "Elia", werd verworpen.

En daarmee loochenden zij ook zeer bewust de aangekondigde komst van de Messias voor Israël. Zij waren niet voor niets “adderengebroed”, en daarmee spreekbuizen van satan! Zij behoorden tot het zaad der slang. En dat zaad van de slang wil niets weten van hun Tegenstander.

De Heere Jezus werd verworpen, en daardoor kon het aangekondigde Koninkrijk niet aanbreken. Maar in de toekomst zal er weer iemand optreden in de kracht en de geest van Elia, (Elia zelf). Dan zal deze "Elia" wel worden (h)erkend door een gelovig overblijfsel van het volk Israël, en dan ook de dag des Heeren, en daarmee het Koninkrijk, zeker aanbreken. Maar ook dan zal een groot deel van Israël Elia niet aanvaarden, en zij zullen hem doden. (Openbaring 11).

Dan gaan we terug naar Elia in 1 Kon 19. We hebben daar gelezen dat Elia opstond, at en dronk, en ging door de kracht van die spijs veertig dagen en veertig nachten tot aan het gebergte Horeb (= de berg Sinaï).

Maar wat mooi is in dit beeld, dat Elia naar de berg Sinaï moest.

Een les voor ons, broeders en zusters:

Waar moeten wij heen wanneer we het niet meer zien zitten? Gelukkig hoeven we geen 800 km te reizen. Maar we hebben genoeg voeding (het Woord) om te weten waar we heen moeten. We moeten onszelf helemaal inleveren, en gaan schuilen bij Hem, die ons liefheeft, die Zichzelf heeft gegeven om u en mij te redden. Laat die gezindheid in u zijn, zodat de Heere Zijn werk in u kan doen.

En wanneer we onszelf bij Hem inleveren, dat wil Hij Zijn werk in ons doen!

De Stem van de Heere

We lezen verder in 1 Kon 19:9-18:

  • “Hij (Elia) kwam daar (bij die berg Sinaï in Arabië, in het vroegere Midian) bij een spelonk, waar hij overnachtte. En zie, het woord (dabar) des Heren kwam tot hem en Hij zeide tot hem: Wat doet gij hier, Elia? (eerste keer). 10 Daarop zeide hij: Ik heb zeer geijverd voor de Here, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 11 Daarop zeide Hij (de Heere): Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des Heren. En zie, toen de Here juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de Here uitging. In de wind was de Here niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de Here niet. 12 En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de Here niet. En na het vuur het suizen van een zachte koelte. 13 Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak: Wat doet gij hier, Elia? 14 Daarop zeide hij (voor de tweede keer): Ik heb zeer geijverd voor de Here, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. 15 Daarop zeide de Here tot hem: Keer op uw schreden terug, naar de woestijn van Damascus, en als gij daar gekomen zijt, dan zult gij Hazaël zalven tot koning over Aram. 16 Voorts zult gij Jehu, de zoon van Nimsi, zalven tot koning over Israël; en Elisa, de zoon van Safat, uit Abel-Mechola, zult gij zalven tot profeet in uw plaats. 17 Wie dan aan het zwaard van Hazaël ontkomt, hem zal Jehu doden; en wie aan het zwaard van Jehu ontkomt, hem zal Elisa doden. 18 Doch Ik zal in Israël zevenduizend overlaten, alle knieën die zich niet gebogen hebben voor de Baäl, en elke mond die hem niet gekust heeft.”

We zien hier geweldige dingen gebeuren in het leven van Elia. Eerst vluchtte hij voor de boosaardige vrouw Izebel de woestijn in. Hij verlangde te sterven. Het was voor hem genoeg geweest. Maar de Heere had nog werk voor hem te doen.

In de woestijn zorgde de Heere voor eten en drinken, zodat Elia weer versterkt verder kon. Ja, de Heere versterkte Elia zo zeer door het voedsel, dat hij veertig dagen door kon gaan, want hij moest veertig dagen reizen naar het gebergte Horeb.

Daar in het gebergte Horeb vroeg de Heere tot twee keer toe aan Elia: "Wat doet gij hier, Elia?" En Elia zegt (vrij vertaald) "Ik heb altijd hard gewerkt voor de Heere, maar Israël wilde niet luisteren, en zij gingen de afgoden achterna, ik ben alleen overgebleven, en nou willen ze mij ook nog doodmaken." Toen zei de Heere: "Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des HEREN."

Elia moest uit de spelonk komen en gaan staan voor het aangezicht van de Heere.

Toen Elia daar stond kwam er eerst een geweldige sterke wind, daarna een aardbeving, en daarna een vuur, in alle drie was de Heere niet, maar na het vuur kwam het suizen van een zachte koelte. Zodra Elia dit hoorde, deed hij zijn mantel voor zijn gezicht, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan.

Het is heel bijzonder, dat Elia niet reageerde op de sterke wind, en ook niet op de aardbeving en ook niet op het vuur, maar toen Elia het "suisen van die zachte koelte" hoorde, reageerde Elia onmiddellijk. Hoe kwam dat?

In 1 Kon 19:12 staat: "En na het vuur het suizen van een zachte koelte." Hier heeft de King James vertaald: "And after the fire a still small voice".

Vertaald: “En na het vuur een stille zachte stem.”

In de grondtekst staat hier: דממה = dmme, dit komt in twee teksten voor, in 1 Kon 19:12 en in Job 4:16, en is resp. vertaald met “fluisterende” en met “zachte koelte”. En קול = gul = het geluid.

Achterelkaar staat er: דקה דממה קול = gul – dmme – dge = het geluid – van zachte – koelte (ook: voice = stem).

 Elia herkende dit geluid, deze zachte stem, want we lazen in 1 Kon 19:

  • “13 Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan. En zie, er kwam tot hem een stem, die sprak: Wat doet gij hier, Elia?”

Elia was een man Gods. Hij wist hoe de Heere zich bekend maakte, en hoe de Heere gewoon was te verschijnen, getuige zijn reactie op "a still small voice". (Hebr = gul). Ogenblikkelijk bedekte hij zijn gezicht, en ging in afwachtende houding buiten de spelonk staan wachten op wat komen ging.

Toen ik deze dingen zo las over Elia, over het herkennen van het “geluid van de Heere”, moest ik denken aan die geschiedenis van Samuël in 1 Sam 3:

  • “1 De jonge Samuël was in de dienst des Heren onder toezicht van Eli. Nu was in die dagen het woord des Heren schaars; gezichten waren niet talrijk. 2 In die tijd had Eli zich eens op zijn gewone plaats te ruste begeven – zijn ogen begonnen zwak te worden, hij kon niet meer zien. 3 Nog was de lamp Gods niet uitgegaan. Samuël had zich te ruste begeven in de tempel des Heren waar de ark Gods was. 4 Toen riep de Here Samuël, en hij zeide: Hier ben ik. 5 Toen snelde hij naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Doch deze zeide: Ik heb niet geroepen, leg u weer neer. Toen ging hij heen en legde zich weer neer. 6 En de Here riep Samuël opnieuw. Toen stond Samuël op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Doch deze zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon; leg u weer neer. 7 Samuël nu kende de Here nog niet; nog nooit was hem een woord des Heren geopenbaard. 8 En de Here riep Samuël nog eens, voor de derde maal. Toen stond hij op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Toen begreep Eli, dat de Here de jongen riep. 9 Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u weer neer, en als Hij u roept, zeg dan: spreek Here, want uw knecht hoort. En Samuël ging heen en legde zich weer op zijn plaats neer. 10 Toen kwam de Here, bleef daar staan en riep als de vorige keren: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort.”

Een prachtige geschiedenis. We zien hier een hele jonge dienstknecht, een hele jonge profeet des Heeren, Samuël aan het begin van zijn dienst, nog nooit was hem een woord des Heeren geopenbaard. Samuël kende de stem des Heeren niet. Ook zien we Elia een profeet aan het einde van zijn dienst.

Elia herkende de stem des Heeren. Samuël moest de stem nog leren herkennen.

Herkennen wij de stem van de Heere in ons leven? Ik ben ervan overtuigd dat dat kan broeders en zusters. Hoe? Door omgang te hebben met de Heere. Door te luisteren naar Zijn Woord. Door de omgang met Zijn Woord een relatie te krijgen met Christus. In een relatie leer je Iemand kennen, je leert ontdekken hoe Ander in elkaar zit. Je leert hoe die Andere tot je hart spreekt.

In deze relatie is “luisteren en horen” geen vrijblijvende zaak. Wanneer we het Woord tot ons nemen, dan hoort daar onmiskenbaar ook een gelovige navolgen op te volgen. Gelovig navolgen betekent: In het volste vertrouwen in de juiste gezindheid de Heere volgen. En dan ook doen wat Hij zegt. Dan ontstaat er gemeenschap in Hem. Dan is er rust! Dan gaan we ook steeds meer de stem van de Heere in ons leven herkennen.

Er zijn legio voorbeelden in de Bijbel die laten zien hoe het niet moet, ik wil één voorbeeld noemen. Want ook daar kunnen we van leren. Daarvoor gaan we naar 1 Sam 15, daar lezen de reden waarom het koningschap van koning Saul werd afgenomen:

  • “ 1 Samuël zeide tot Saul: Mij heeft de Here gezonden om u tot koning te zalven over zijn volk, over Israël; nu dan, luister naar de woorden des Heren. 2 Zo zegt de Here der heerscharen: Ik doe bezoeking over wat Amalek Israël heeft aangedaan, hoe hij zich hem in de weg heeft gesteld, toen het uit Egypte trok. 3 Ga nu heen, versla Amalek, slaat al wat hij bezit met de ban en spaar hem niet. Dood man en vrouw, kind en zuigeling, rund en schaap, kameel en ezel. (En wat deed koning Saul?) 4 Saul riep het volk op en monsterde het te Telaïm, tweehonderdduizend man voetvolk; daarbij tienduizend Judeeërs. 5 Toen Saul de stad van Amalek bereikt had, legde hij in het dal een hinderlaag. 6 Saul nu zeide tot de Kenieten: Gaat heen, verwijdert u, trekt weg uit het midden der Amalekieten, opdat ik u niet met hen verdelg; gij hebt immers trouw bewezen aan alle Israëlieten, toen zij uit Egypte trokken. Daarop verwijderden zich de Kenieten uit het midden van Amalek. 7 En Saul versloeg Amalek van Chawila af tot in de nabijheid van Sur, dat ten oosten van Egypte ligt. 8 Agag, de koning van Amalek, greep hij levend, maar het gehele volk sloeg hij met de ban door de scherpte des zwaards. 9 Saul echter en het volk spaarden Agag en het beste van het kleinvee en van de runderen, ook het naastbeste, verder de lammeren, kortom al wat waardevol was; dat wilden zij niet met de ban slaan. Maar al het vee dat waardeloos was en ondeugdelijk, sloegen zij met de ban. 10 Toen kwam het woord des Heren tot Samuël: 11 Het berouwt Mij, dat Ik Saul tot koning heb aangesteld, want hij heeft zich van Mij afgekeerd en mijn bevelen niet uitgevoerd. Hierop ontroerde Samuël hevig en hij riep tot de Here de gehele nacht. 12 Vroeg in de morgen ging Samuël Saul tegemoet, en Samuël werd meegedeeld: Saul is te Karmel gekomen en zie, hij heeft zich daar een gedenkteken opgericht; daarna heeft hij zich omgewend en is weggegaan; hij is afgedaald naar Gilgal. 13 Toen Samuël bij Saul kwam, zeide deze tot hem: Wees gezegend door de Here; ik heb het bevel des Heren uitgevoerd. (= een leugen) 14 Maar Samuël zeide: Wat betekent dan dat geblaat van kleinvee, dat in mijn oren klinkt, en het geloei van runderen, dat ik hoor? 15 Saul zeide: Die heeft men van de Amalekieten meegebracht, want het volk heeft het beste van het kleinvee en van de runderen gespaard om de Here, uw God, offers te brengen; maar de rest hebben wij met de ban geslagen. 16 Toen zeide Samuël tot Saul: Houd stil, dan zal ik u mededelen wat de Here in deze nacht tot mij gesproken heeft. Hij zeide tot hem: Spreek. 17 Daarop zeide Samuël: Zijt gij niet, hoewel gij klein waart in eigen oog, geworden tot een hoofd der stammen van Israël? En heeft de Here u niet gezalfd tot koning over Israël? 18 De Here had u uitgezonden met de opdracht: Ga heen, sla die boosdoeners, de Amalekieten, met de ban, strijd tegen hen, totdat gij hen hebt uitgeroeid. 19 Waarom hebt gij dan niet naar de Here geluisterd, maar hebt gij u op de buit geworpen en hebt gedaan wat kwaad is in de ogen des Heren? 20 Toen zeide Saul tot Samuël: Ik heb wel naar de Here geluisterd en ben de weg gegaan, waarop de Here mij zond en ik heb Agag, de koning van Amalek, meegebracht, maar Amalek zelf heb ik met de ban geslagen. 21 Doch het volk nam van de buit kleinvee en runderen, het beste van het gebannene, om de Here, uw God, offers te brengen in Gilgal. 22 Maar Samuël zeide: Heeft de Here evenzeer welgevallen aan brandoffers en slachtoffers als aan horen naar des Heren stem?Zie, gehoorzamen is beter dan slachtoffers, luisteren beter dan het vette der rammen. 23 Voorwaar, weerspannigheid is zonde der toverij en ongezeggelijkheid is afgoderij en dienen van terafim. (hier wordt ongehoorzaamheid op één lijn geplaatst met afgoderij! = de Heere een gruwel). Omdat gij het woord des Heren verworpen hebt, heeft Hij u verworpen, zodat gij geen koning meer zult zijn. 24 Saul zeide tot Samuël: Ik heb gezondigd, want ik heb het bevel des Heren, uw opdracht, overtreden; maar ik vreesde het volk en ik heb naar hen geluisterd. 25 Nu dan, vergeef toch mijn zonde; keer met mij terug, dan zal ik mij voor de Here neerbuigen. 26 Maar Samuël zeide tot Saul: Ik zal met u niet terugkeren, want gij hebt het woord des Heren verworpen; daarom heeft de Here u verworpen, dat gij geen koning meer over Israël zult zijn.”

Zulke “eigen bedachte” offers wil God niet! Die zijn niet aangenaam in de ogen van de Heere! Denk maar aan het offer van Kaïn. Toen ik dit las moest ik denken aan de tekst uit Rom 12:1. Boven dat hoofdstuk staat “Het ware offer”. Rom 12:1:

  • “Ik vermaan u dan, broeders, met beroep op de barmhartigheden Gods, dat gij uw lichamen stelt tot een levend, heilig en Gode welgevallig offer: dit is uw redelijke eredienst. En wordt niet gelijkvormig aan deze wereld, maar wordt hervormd door de vernieuwing van uw denken, opdat gij moogt erkennen wat de wil van God is, het goede, welgevallige en volkomene.”

Dat “hervormd” is de vertaling van het Griekse woord “metamorphoo”.

Dit betekent dat we compleet (van binnen) veranderen in ons denken, en dat we vanuit die vernieuwing van ons wezen, ons leven uitleveren aan God.

Dat we leren te luisteren naar Zijn Woord, en ons ondergeschikt maken aan zijn Woord, en zo stellen we onze lichamen Gode tot een welgevallig offer.

En alleen zó kan de Heere ons onberispelijk voor Zich stellen.

En hierbij moet ik dan ook weer denken aan het “plengoffer” wat we in één van de vorige bijbelstudies hebben behandeld, dat onberispelijke plengoffer.

Zo zien we dat we door alles in de Bijbel heel veel kunnen leren voor ons persoonlijk geloofsleven.

Ef 5:1 zegt:

  • “Weest dan navolgers Gods, als geliefde kinderen, 2 en wandelt in de liefde, zoals ook Christus u heeft liefgehad en Zich voor ons heeft overgegeven als offergave en slachtoffer, Gode tot een welriekende reuk.”

En laten wij als navolgers Gods die welriekende reuk om ons heen verspreiden. Is dat moeilijk? Ja, dat is moeilijk wanneer wij op onszelf zien. Denk maar aan koning Saul.

2 Kor 2:14-16:

  • “Maar God zij gedankt, die ons te allen tijde in Christus doet zegevieren en de reuk van zijn kennis allerwegen door ons verspreidt, 15 want wij zijn voor God een geur van Christus onder hen, die gered worden, en onder hen, die verloren gaan; 16 voor dezen een doodslucht ten dode, voor genen een levensgeur ten leven. En wie is tot zulk een taak bekwaam?”.

 

De Roeping van Elisa

We gaan nu naar dat Bijbelgedeelte, wat handelt over de wisseling van dienst tussen de profeet Elia en Elisa. Daarin zullen we zien, dat de profeten Elia en Elisa eigenlijk één geheel vormden. Nadat Elia in de woestijn gevlucht was, moest hij van De Heere op zijn schreden terug keren, want de Heere had nog taken voor Elia, die hij moest verrichten. Eén daarvan was dat hij “Elisa, de zoon van Safat (= rechter) , uit Abel-Mechola (= dansweide, weide voor de dans), zult gij zalven tot profeet in uw plaats.” (1 Kon 19:16).

Toen Elia in gehoorzaamheid weer op weg was gegaan vanaf de berg Sinaï, trof hij Elisa aan. 1 Kon 19:19-21:

  • “Nadat hij vandaar gegaan was, trof hij Elisa aan, de zoon van Safat, bezig te ploegen met twaalf span vóór zich, terwijl hij zelf bij het twaalfde was. Toen Elia hem voorbijging, wierp hij hem zijn mantel toe. 20 Daarop verliet hij (Elisa) de runderen, snelde Elia achterna en zeide: Laat mij toch mijn vader en mijn moeder kussen, dan wil ik u volgen. En hij zeide tot hem: Ga heen, keer terug, want wat heb ik u gedaan? 21 Toen keerde hij van achter hem terug, nam het span runderen, slachtte het en kookte ze op het ploeghout van de runderen; het vlees gaf hij aan het volk, en zij aten. Daarna maakte hij zich gereed, volgde Elia en diende hem.”

 

De Mantel

Een heel bijzondere geschiedenis. Elia treft Elisa in het veld, die bezig is te ploegen. We lezen hier niets over een “roepen tot profeet” van Elia. We lezen ook niets over een zalving tot profeet, maar Elia gooit zijn mantel naar Elisa.

Elia wierp Elisa zijn mantel toe. Dat moet toch iets betekenen. Het Hebreeuwse woord voor mantel is: מעיל = moil, uitgesproken: meh-eel. Dit woord is in andere teksten ook vertaald met “opperkleed”

Wanneer we andere teksten opzoeken waar de "mantel" tegenkomen, dan ontdekken we meer wat de "mantel" betekent:

  • 1 Sam 18:4: “Jonatan (de zoon van koning Saul) trok de mantel uit, die hij droeg, en gaf die aan David, ook zijn wapenrok, zelfs zijn zwaard, zijn boog en zijn gordel.”
  • 1 Sam 28:14: Dat gaat over die vrouw in Endor, waar koning Saul naartoe ging om doden op te roepen, en daar lezen we in vers 14: "Daarop vroeg hij haar: Hoe is zijn gestalte? Zij antwoordde: Een oud man komt op, gehuld in een mantel. Toen begreep Saul, dat het Samuël was, en hij knielde met het aangezicht ter aarde en boog zich neer."
  • 2 Kon 2:8 "Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken."
  • 2 Kon 2:13 "Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan."
  • 2 Kon 2:14 "En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken."
  • Ester 8:15 “En Mordekai ging van de koning heen in een blauwpurperen en linnen koninklijk kleed en met een grote, gouden diadeem en een mantel van fijn linnen en purper. En de stad Susan juichte en was verheugd.”
  • Jes 3:6-7 "Wanneer iemand een ander van zijn familie aangrijpt (met de woorden): Gij hebt een mantel, wees onze aanvoerder en laat deze puinhoop onder uw hoede zijn. Dan zal deze te dien dage uitroepen: Ik kan geen heelmeester zijn, en in mijn huis is brood noch mantel, gij moet mij niet tot aanvoerder over het volk aanstellen."
  • Jes 61:10 "Ik verblijd mij zeer in de HERE, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit."
  • Zach 13:4 "Te dien dage zullen de profeten beschaamd staan, ieder om wat hij schouwt, wanneer hij als profeet optreedt, en zij zullen geen haren mantel aantrekken om leugens te vertellen."
  • Mat 27:28 “En zij trokken Hem zijn klederen uit en deden Hem een scharlaken mantel om; 29 ook vlochten zij van doornen een kroon en zetten die op zijn hoofd en gaven Hem een riet in zijn rechterhand.”
  • Mat 27:31 "En toen zij Hem bespot hadden, trokken zij Hem de mantel [= chlamus (khlam-ooce')] uit en deden Hem zijn klederen aan en zij leidden Hem weg om Hem te kruisigen."

We hebben eerder dat gedeelte over koning Saul gelezen in 1 Sam 15. Wanneer we dat gedeelte verder lezen lezen we ook nog iets over de mantel: 1 Sam 15:26-28:

  • “26 Maar Samuël zeide tot Saul: Ik zal met u niet terugkeren, want gij hebt het woord des Heren verworpen; daarom heeft de Here u verworpen, dat gij geen koning meer over Israël zult zijn. 27 Toen Samuël zich omkeerde en wilde weggaan, greep Saul de slip van zijn mantel, doch deze scheurde af. 28 Daarop zeide Samuël tot hem: De Here heeft heden het koningschap over Israël van u afgescheurd en heeft het gegeven aan uw naaste, die beter is dan gij.”

Dat afscheuren van een stuk van de mantel gaf aan dat het koningschap van Saul was afgenomen. De “mantel” was van Saul afgenomen.Wanneer we deze teksten in de context doorlezen, dan ontdekken we dat de mantel te maken heeft met waardigheid, en met gezag.

  • Koning Saul boog zich ter aarde neer voor de oude man (Samuël), die de mantel droeg.
  • Elia en Elisa gebruikten de mantel (hun gezag) om op het water te slaan, waarna ze door de Jordaan konden gaan.
  • De mantel spreekt ook over waardigheid toen de Romeinse soldaten de Heere Jezus bespotten, en Hem de mantel uittrokken. Toen ontnamen ze de Heere Jezus Zijn laatste waardigheid.

Wanneer iemand “een mantel” droeg, dan kon hij een aanvoerder en een leider zijn. De mantel spreekt over gerechtigheid en over de waarheid. En de mantel spreekt van gezag. Die “mantel” is toch wel iets bijzonders. Wanneer we alle teksten zouden opzoeken, die met de “mantel” hebben te maken, dan zullen we ontdekken, dat de mantel te maken heeft met iets groots wat door God gegeven is. Met dingen die te maken hebben met de volvoering van Gods plannen.

Jes 61:10:

  • “Ik verblijd mij zeer in de Here, mijn ziel juicht in mijn God, want Hij heeft mij bekleed met de klederen des heils, met de mantel der gerechtigheid heeft Hij mij omhuld, gelijk een bruidegom, die zich als een priester het hoofdsieraad ombindt, en gelijk een bruid, die zich met haar versierselen tooit.”

2 Korintiërs 5:3”

  • “als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden.”

Galaten 3:26-28

  • “Want gij zijt allen zonen van God, door het geloof, in Christus Jezus. 27 Want gij allen, die in Christus gedoopt zijt, hebt u met Christus bekleed. 28 Hierbij is geen sprake van Jood of Griek, van slaaf of vrije, van mannelijk en vrouwelijk: gij allen zijt immers één in Christus Jezus.”

Efeziërs 6:14

  • “Stelt u dan op, uw lendenen omgord met de waarheid, bekleed met het pantser der gerechtigheid.”

Toen Elia in het voorbijgaan aan Elisa de mantel toewierp (1 Kon 19:19), ontving Elisa daarmee ook alles wat met de mantel verbonden was, waardigheid, gezag, gerechtigheid en waarheid. En Elisa wist heel goed wat het betekende, dat hem de mantel toegeworpen werd. Onmiddellijk stopte Elisa met het werk waar hij mee bezig was, en snelde Elia achterna en zeide:

  • "Laat mij toch afscheid nemen van mijn vader en mijn moeder, dan wil ik u volgen.”

Elisa bereidde nog een soort afscheidsmaal, hij slachtte daarvoor de runderen, waarmee hij aan het ploegen was. Het vuur, wat nodig was voor de bereiden van de runderen, maakte Elisa van het hout van de ploeg. Zo verbrandde Elisa letterlijk alles waar hij mee bezig was, hij verbrandde letterlijk alle schepen achter zich, en daarna volgde Elisa Elia en diende hem. En daarmee diende Elisa de Heere. Hebben wij ons oude leven achter ons gelaten, en dienen wij nu de Heere? En jagen wij nu naar de prijs der roeping Gods?

We zien in deze geschiedenis dat de mantel, en daarmee de bediening van Elia overging van Elia op Elisa. Beiden hebben zij één en dezelfde profeten mantel, en daarmee één en dezelfde bediening.

  • Elia = Elijahoe = Mijn God is JHWH
  • Elisa = Eliesha = God is Redding

Elia + Elisa bijelkaar opgeteld is: JHWH is Redding.

Dus de beide namen van deze profeten wijzen samen naar de Heere Jezus Christus en naar Zijn werk. Christus staat centraal, ook in de bediening van deze beide profeten.

We gaan naar 2 Kon 2:1-18:

  • "Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. 2 En Elia zeide tot Elisa: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar Betel gezonden. Maar Elisa zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Daarop begaven zij zich naar Betel. 3 Toen kwamen de profeten van Betel naar Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. 4 En Elia zeide tot hem: Elisa, blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar Jericho gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo kwamen zij te Jericho. 5 Toen naderden de profeten van Jericho tot Elisa en vroegen hem: Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen? En hij antwoordde: Ook ik weet het, zwijgt stil. 6 En Elia zeide tot hem: Blijf toch hier, want de HERE heeft mij naar de Jordaan gezonden. Maar hij zeide: Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten. Zo gingen zij beiden verder. (= derde keer). 7 Vijftig man van de profeten waren ook gegaan, maar bleven op verre afstand staan, toen zij beiden aan de Jordaan stilstonden. 8 Daarop nam Elia zijn mantel, wond hem samen en sloeg op het water; en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken. 9 En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? (Elia én Elisa wisten beiden dat hij zou worden weggenomen) En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. 10 En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden. 11 En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. 12 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. 13 Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. 14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken. 15 De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde. 16 En zij zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. 17 Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. 18 Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?"

Wat opvalt in dit Bijbelgedeelte is dat Elia tot drie keer toe tegen Elisa zegt: “Blijft toch hier.” Tot drie keer toe probeert Elia tegen Elisa te zeggen, dat Elisa Elia maar alleen verder moet laten gaan. Maar tot drie keer toe weigert Elisa, hij wil zelfs niet luisteren naar deze uitspraken, en Elisa volgt trouw Elia. Was dit een soort beproeving? Moest hieruit de trouw van Elisa blijken? Ik denk het wel.

Toen ik dit las, moest ik denken aan de verzoeking van de Heere Jezus in de woestijn, waar dit ook drie keer gebeurde. En dan denk ik ook aan de drie keren dat Petrus de Heere verloochende, en dat de Heere later drie keer aan Petrus vroeg: “Hebt gij mij waarlijk lief?”

We lazen in 2 Kon 2:1-18 dat Elia met Elisa uit Gilgal ging. Van Gilgal naar Betel, en daarna naar Jericho, en vandaar naar de Jordaan. Iedere keer, tot drie keer toe, bij elke plaats zegt Elia tegen Elisa: "Blijf toch hier, want de HERE heeft mij gezonden."

En tot drie keer toe zegt Elisa dat hij meegaat. Hij bleef niet achter in één van de plaatsen, maar ging trouw met Elia mee. Want Elisa wist wat er stond te gebeuren. Ook wist Elisa wat zijn taak zou worden, hij had immers de mantel toegeworpen gekregen, en zijn oude leven totaal achter zich gelaten, ja alle schepen achter hem verbrand!

Hij moest Elia wel volgen, dát was zijn roeping! Het blijkt ook uit 2 Kon 2:3 en vers 5 dat Elisa wist van er moest gebeuren. Want toen de profeten van Betel en van Jericho tegen Elisa zeiden: "Weet gij, dat de HERE heden uw heer boven uw hoofd zal wegnemen?" Antwoordde Elisa: "Ook ik weet het, zwijgt stil."

Het is wel bijzonder dat Elia tot drie keer toe tegen Elia zegt hem alleen verder te laten gaan, maar tot drie keer toe laat Elisa zich niet overhalen!

Elisa's antwoord was: "Zo waar de HERE leeft en gijzelf leeft, ik zal u niet verlaten." Hiermee bevestigde Elisa dat zijn bediening vast stond in de Heere.

Bovendien: Wanneer Elisa in één van de plaatsen was achtergebleven, had hij nooit in de praktijk "de mantel" van Elia kunnen overnemen.

 

De reis van Elia en Elisa

Elia en Elisa reisden van Gilgal naar Betel, en vandaar naar Jericho, en verder naar de Jordaan. Dus de start was in Gilgal. Gilgal betekent "wiel of rad", en is afgeleid van het werkwoord "galal", en heeft met wedergeboorte te maken.

Wat heeft een "wiel" nou met wedergeboorte te maken, zult u misschien denken. Wel, een wiel draait rond. En wanneer een wiel één rondje heeft gemaakt, komt het in dezelfde stand weer terecht, maar nu wel op een andere plaats. Dit draaien van het wiel beeld de wedergeboorte uit. Wedergeboorte is sterven en opnieuw opstaan, maar dan wel opstaan in een andere plaats. Je bent als het ware een stukje verder gekomen, verder gegroeid. Zo beeld het draaien van het wiel de wedergeboorte uit. Hier komt het gezegde "het rad der wedergeboorte" vandaan.

En we kunnen nog iets verder gaan door te zeggen dat het voortgaande wiel ook het voortgaande leven (in groei) van die wedergeboren mens uitbeeld.

En ook voor ons geldt dat we door voort te gaan (het draaien en rollen van het wiel) steeds een stapje verder komen in het verstaan van het Woord, en daardoor mogen groeien naar en in Christus!

Gilgal is de naam van de plaats waar Israël door de Jordaan het beloofde land binnentrok, en waar zij besneden werden en het Pascha vierden (Jozua 3:5). Wanneer we opzoeken wat er te Gilgal is gebeurd, dan ontdekken we dat het volk Israël, na 40 jaar door de woestijn te zijn getrokken, door de Jordaan ging, (door het water heen ging) en zich op de tiende der eerste maand legerde te Gilgal (Jozua 4:19). En de twaalf stenen, welke men uit de Jordaan genomen had, richtte Jozua te Gilgal als een gedenksteen op. (Jozua 4:20).

Ook werden alle mannen van Israël te Gilgal besneden, iets wat Israël in de woestijn had nagelaten. Bovendien zei de HERE tot Jozua: "Heden heb Ik de smaad van Egypte van ulieden afgewenteld." Daarom noemt men die plaats Gilgal, tot op de huidige dag. (Jozua 5:9). "Gilgal" betekende voor Israël de overgang van de oude naar een nieuwe situatie. Al deze dingen spreken van een nieuw begin, van wedergeboorte. Vanuit deze "wedergeboorte" gingen Elia en Elisa op weg.

Vanuit Gilgal gingen Elia en Eliza naar Betel. Betel betekent "Huis Gods".

In Betel bouwde Abraham voor de Heere een altaar en riep hij de Naam des Heeren aan (Gen 12:8). Later zei de Heere tegen Jacob: "Maak u reisvaardig, trek naar Betel, blijf daar, en richt er een altaar op voor de God, die u verschenen is, toen gij vluchttet voor uw broeder Esau." (Gen 35:1). En in Gen 35:15 noemde Jakob de plaats, waar God met hem gesproken had, Betel = Huis van God.

Vanuit Betel gingen beide profeten naar Jericho. Jericho is de "vloek-stad". Toen de Israëlieten na 40 jaar omzwerven door de woestijn voor Jericho stond, had Jericho de poort gesloten; de stad was volkomen gesloten voor de Israëlieten; niemand kon daar uit of in gaan. En de HERE sprak tot Jozua: “Zie, Ik geef Jericho met zijn koning, de krachtige helden, in uw macht.” (Jozua 6:1-2). Later, toen het volk alle opdrachten van de Heere betreffende het innemen van Jericho had uitgevoerd, en de Heere de stad aan Israël had gegeven, sloegen zij alles wat in de stad was, met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards.

Jozua 6:21-26:

  • “Toen sloegen zij alles wat in de stad was, met de ban, zowel man als vrouw, zowel jong als oud, tot runderen, schapen en ezels toe, met de scherpte des zwaards. 22 Maar tot de twee mannen die het land verspied hadden, zeide Jozua: Gaat het huis van de hoer binnen en brengt de vrouw en allen, die haar toebehoren, naar buiten, zoals gij haar gezworen hebt. 23 Toen gingen de jonge mannen, de verspieders, naar binnen en brachten Rachab naar buiten en haar vader, haar moeder, haar broeders en allen die haar toebehoorden – ja, haar gehele geslacht brachten zij naar buiten – en zij wezen haar een verblijf aan buiten de legerplaats van Israël. 24 De stad echter en alles wat erin was, verbrandden zij met vuur; alleen het zilver, het goud en de koperen en ijzeren voorwerpen voegden zij bij de schat van het huis des Heren. 25 Zo heeft Jozua de hoer Rachab en haar familie en allen die haar toebehoorden, in leven gelaten, en zij heeft onder Israël gewoond tot op de huidige dag, omdat zij de boden verborgen had gehouden, die Jozua uitgezonden had om Jericho te verkennen. 26 Te dien tijde deed Jozua deze eed: Vervloekt voor het aangezicht des Heren is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten. 27 En de Here was met Jozua en de mare van hem ging door het gehele land.”

Dit was de vloek, die op Jericho rustte. Daarom de naam “Vloek-stad”.

Veel later (1 Kon 16:34) herbouwde de Beteliet Chiël Jericho: 1 Kon 16: 

  • “In zijn dagen (in de dagen van koning Achab) herbouwde de Beteliet Chiël Jericho. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene, grondvestte hij het; en ten koste van Segub, zijn jongste, plaatste hij haar poortdeuren – naar het woord des Heren, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.”

Zo werd Gods Woord vervuld. We lezen verder in de bijbel ook weing goeds meer over Jericho, en tevens werd Jericho toen, ten tijde van de verovering van het land, een schrik voor de omliggende steden en volkeren. (Jozua 8:2, Jozua 9:3, Jozua 10:1, Jozua 10:28 en Jozua 10:30).

In Lucas 10:30 vertelt de Heere Jezus:

  • "Een zeker mens daalde af van Jeruzalem naar Jericho en viel in de handen van rovers, die hem niet alleen uitschudden, maar ook slagen gaven en weggingen, terwijl zij hem halfdood lieten liggen."

Ook hieruit blijkt dat er niet veel goeds uit voortkomt als men "afdaalt" naar Jericho. Toch betekent Jericho ook "welriekende plaats", en wordt vanwege de aanwezigheid van palmbomen ook wel de "palmstad" genoemd.

Bomen hebben in de Bijbel vaak een symbolische betekenis. De vijgeboom bijvoorbeeld wijst op Israëls bestaan als volk. Zo wijst de palmboom naar het koningschap, dat Israël ten deel zal vallen.

God heeft het volk bestemd om een koninkrijk van priesters te zijn.

Wanneer de Heere Jezus op een ezel naar Jeruzalem gaat, spreiden de discipelen palmtakken uit (Luk.19). Uiterlijk leek het er dus op dat in Jericho alles dik voor elkaar was. Toch ontbrak het belangrijkste: Er was geen leven, oftewel geen goed water. Dat zullen we zien, wanneer we het eerste wonder van Elisa behandelen.

De laatste etappe van de reis van Elia en Eliza voerde van Jericho naar én door de Jordaan. Vlak voor zijn heengaan doet Elia zijn laatste wonder.

Onder het toeziend oog van 50 van de profeten van Jericho slaat Elia met zijn mantel op het water van de Jordaan, en het water “...verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat zij beiden door het droge overstaken.” (2 Kon 2:8).

Wanneer we dit lezen, moeten wij onwillekeurig denken aan de overtocht van het Volk Israël door de Jordaan. Ook toen zorgde de Heere ervoor dat het water terzijde week, zodat het volk op het droge kon oversteken. De doortocht door de Jordaan kan dan ook gezien worden als een beeld van dood en opstanding (want dat is feitelijk wedergeboorte). Later zond God een "Elia" (Johannes de Doper), een wegbereider, die bij de Jordaan zijn boodschap verkondigde en allen doopte, eigenlijk door de Jordaan liet gaan, die tot hem kwamen en geloofden. Zelfs de Heere Jezus liet Zich door Johannes dopen.

 

De Wens van Elisa

Zodra Elia en Elsa over de Jordaan gestoken waren, zeide Elia tot Elisa:

2 Kon 2:9-1: 

  • “9 En zodra zij overgestoken waren, zeide Elia tot Elisa: Doe een wens. Wat zal ik voor u doen, eer ik van u word weggenomen? En Elisa zeide: Zo moge dan een dubbel deel van uw geest op mij zijn. 10 En Elia zeide: Gij hebt een moeilijke zaak gewenst. Indien gij mij zult zien, terwijl ik van u word weggenomen, dan zal het u aldus geschieden. Maar indien niet, dan zal het niet geschieden.”

Elisa vraagt hier iets wat Elia hem onmogelijk kan geven. Elia zei wel: "Wat zal ik voor u doen?" Maar wat Elisa hier vraagt, kan alleen God zelf hem geven. Daarom zegt Elia door Gods Geest ingeblazen:

  • "Als je mij zult zien, terwijl ik van je word weggenomen, dan zal je ontvangen wat je hebt gevraagd. Maar als je mij niet zult zien, dan zal je het niet ontvangen.”

Uit wat Elisa vraagt spreekt een grote wijsheid. Hij vraagt niet om aardse zegeningen, maar hij vraagt om geestelijke zegeningen, om geestelijk inzicht, om de Heere waardig te kunnen wandelen.

Elisa had zijn keuze gemaakt, toen hij alle schepen achter zich verbrandde, en wilde in dat spoor dan ook verder in de Heere, en was er zich van bewust dat hij dat alleen niet kon en daarvoor door Gods Geest geleid moest worden.

Wat zouden wij vragen als wij een wens zouden mogen doen?

We lezen verder in 2 Kon 2:11-14:

  •  “11 En, terwijl zij (Elisa en Elia) voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurige wagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel. 12 En Elisa zag het en riep uit: Mijn vader, mijn vader! Wagens en ruiters van Israël! En hij zag hem niet meer. Toen greep hij zijn klederen en scheurde ze in twee stukken. 13 Daarop raapte hij de mantel van Elia op, die van hem afgevallen was, keerde terug en ging aan de oever van de Jordaan staan. 14 En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken.”

We lazen in vers 12:"Elisa zag het". Met dat "zien" had de Heere het verzoek van Elisa ingewilligd, en kwam een dubbel deel van de geest van Elia op Elisa.

Vraag die wij ons zouden moeten stellen: Wat wensen wij?

Nog even naar vers 11:

  • "En, terwijl Elia en Elisa voortgingen, al wandelende en sprekende."

Zij gingen voort al wandelende en sprekende. Waar zouden die twee godsmannen over gesproken hebben? Elia (= Mijn God is JHWH) sprak al wandelende met Elisa (= God is Redding).

Het kan niet anders dat zij over hun God en Redder hebben gesproken, waarvan Elia wist, dat hij zeer spoedig zijn JHWH zou ontmoeten. Want Elia zei niet dat hij zou sterven, maar dat hij zou worden weggenomen. (2 Kon 2:9). En Elisa wist in wiens dienst hij zou komen te staan. Het moet dan ook wel zo zijn geweest dat deze twee godsmannen over de grote daden van hun God en Redder hebben gesproken.

Opmerkelijk is nu, dat Elisa, die Elia opvolgt als profeet in dienst van God, precies hetzelfde wonder verricht. Het laatste wonder van Elia, waarmee hij zijn dienst beëindigt, is hetzelfde als het eerste wonder van Elisa, waarmee hij zijn dienst aanvangt. We lezen in 2 Kon 2:14:

  • "En hij nam de mantel van Elia, die van hem afgevallen was, sloeg op het water, en riep: Waar is de HERE, de God van Elia, ja Hij? Hij sloeg op het water en dit verdeelde zich herwaarts en derwaarts, zodat Elisa kon oversteken." (2 Kon 2:14).

Hierin zien we, dat de Heere ogenblikkelijk de roeping van Elisa bevestigd. Zoals Elia was geëindigd, mag Elisa beginnen. Door de Jordaan, dit is door de wedergeboorte (= door het water) start de bediening van Elisa. 

De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde (2 Kon 2:15). Dit buigen van die profeten laat zien, dat Elisa de "mantel", en daarmee de waardigheid en het gezag van Elia had overgekregen.

We lezen verder in 2 Kon 2:16-18:

  • “16 En zij (die profeten van Jericho) zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet misschien de Geest des HEREN hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. 17 Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. 18 Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?"

Hieruit blijkt het ongeloof van de profeten van Jericho.

Tot zover was eigenlijk de inleiding van deze bijbelstudie, die verder over de acht wonderen van Elisa zal gaan.

 

Elisa maakt het water te Jericho gezond

(1e wonder)

 

In de inleiding van deze bijbelstudie hebben we gezien hoe Elisa de mantel toegeworpen kreeg van Elia. We hebben het over de zachte stem van de Heere gehad, die door Elia werd herkend, maar eerst door Samuël niet. We hebben ook gezien wat Elia wenste, toen hem dat door Elia gevraagd werd, en dat Elia een dubbel deel van de geest van Elia wenste. Veel wijsheid sprak daaruit.

Nadat Elisa de Jordaan was doorgetrokken, nadat hij met zijn mantel, die hij van Elia had overgenomen, op het water had geslagen, kwam hij dus in de herbouwde stad Jericho. We hebben toen gelezen: 2 Kon 2:15-18:

  • De profeten van Jericho, die op enige afstand stonden, zagen hem en zeiden: De geest van Elia rust op Elisa. En zij kwamen hem tegemoet en bogen zich voor hem ter aarde. 16 En zij zeiden tot hem: Zie toch, er zijn onder uw knechten vijftig kloeke mannen; laat hen toch uw heer gaan zoeken, of niet misschien de Geest des Heren hem heeft opgenomen en op een van de bergen of in een van de dalen heeft neergeworpen. Maar hij zeide: Zendt ze niet. 17 Doch, toen zij bij hem aandrongen tot schamens toe, zeide hij: Zendt ze dan maar. Zij zonden dan vijftig man, en dezen zochten drie dagen lang, maar vonden hem niet. 18 Toen zij tot hem terugkeerden, terwijl hij in Jericho vertoefde, zeide hij tot hen: Heb ik u niet gezegd: gaat niet?”

Dus Elisa was in Jericho. Vervolgens komen we bij het eerste wonder van Elisa: 2 Kon 2:19-22:

  • "De mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht (betekent: “kwaad, brengt kwaad voort), en de landstreek veroorzaakt misgeboorte. 20 Toen zeide hij: Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. Zij haalden hem er een. 21 Daarop ging hij naar de waterwel, wierp het zout daarin en zeide: Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond; daaruit zal geen dood of misgeboorte meer voortkomen. 22 En het water werd gezond, tot op deze dag, volgens het woord, dat Elisa gesproken had." (2 Kon 2:19-22).

 

In een paar teksten wordt dit eerste wonder van Elisa omschreven. Elia was een profeet, en we zullen zien dat dit eerste wonder van Elisa eigenlijk één grote profetie over Israël is. Dat gaan we nu verder onderzoeken. Elisa openbaart zich hier in Jericho als heilbrenger. Hij geeft gezond water. Of eigenlijk beter gezegd: De Heere maakt het water gezond!

Deze boodschap, het brengen van “gezond water”, dus het brengen van “het gezonde Woord van God” van Gods Heil, weerklinkt door de hele Bijbel heen. Zo zegt de Heere in Johannes 7:37:

  • Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke!

En in Openbaring 21:6

  • Ik ben de alfa en de omega, het begin en het einde. Ik zal de dorstige geven uit de bron van het water des levens om niet.”

Dit is een unieke boodschap. Het unieke is dat God heil brengt zonder voorwaarden. God brengt heil zonder iets te eisen. Bij elke andere "godsdienst" moet men van alles doen om z.g. "heil" te ontvangen. Maar God geeft zonder voorwaarden.

  • "Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen" (Titus 2:11).

 

Zó openbaarde Elisa zich ook in Jericho. In het voorgaande hebben we het gehad over de laatste reis van Elia, waarop Elisa hem vergezelde. We hebben toen gelezen dat Elia samen met Elisa door de Jordaan trok. We hebben toen gelezen dat het water van de Jordaan “zich herwaarts en derwaarts verdeelde, zodat zij beiden door het droge konden oversteken.” Het eerste wonder wat Elisa verricht is precies hetzelfde. Ook Elisa gaat droogvoets door het water van de Jordaan.

 

Het water van de Jordaan

Dat water speelt vaak een belangrijke rol in de geschiedenis van Israël:

  1. De doortocht door het water van de Golf van Akaba, die zijarm van de Rode Zee.
  2. De doortocht van Israël door de Jordaan. Nadat ze 40 jaar door de woestijn hadden getrokken.
  3. Johannes de Doper riep het volk Israël tot bekering bij de Jordaan, en doopte met water bij de Jordaan.
  4. De Heere Jezus werd in het water van de Jordaan gedoopt, en vervulde daarmee het Schriftwoord.

 

Dat “gaan” door het water wijst steeds op een wedergeboorte, een nieuw begin. En als teken van die wedergeboorte, van dat nieuwe begin werd Israël besneden te Gilgal na de doortocht. Die vleselijke besnijdenis wijst op de geestelijke besnijdenis, oftewel de ‘besnijdens des harten’, die in de toekomst zal plaatsvinden voor Israël.

In deze oude geschiedenis van de doortocht van de Jordaan is dus een geweldige boodschap verborgen, namelijk, dat Israël in de toekomst een geestelijke besnijdenis zal ondergaan, de wedergeboorte, de besnijdenis van hurt hart. Dan zal Israël nieuw leven ontvangen. En daarvan lezen we: Jeremia 31:33

  • Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn.”

Die besnijdenis geldt in geestelijke zin ook voor de gelovigen van nu:

Kol 2:11-12:

  • In Hem zijt gij ook met een besnijdenis, die geen werk van mensenhanden is, besneden door het afleggen van het lichaam des vlezes, in de besnijdenis van Christus, 12 daar gij met Hem begraven zijt in de doop. In Hem zijt gij ook mede opgewekt door het geloof aan de werking Gods, die Hem uit de doden heeft opgewekt”.

Die besnijdenis was toen nodig om het land binnen te kunnen gaan en deel te krijgen aan de zegeningen van God in het beloofde land. En die besnijdenis van het hart is nodig voor Israël om straks binnen te kunnen gaan in het Koninkrijk van Christus.

En ook voor ons, broeders en zusters, is die “besnijdenis des harten” nodig om deel te krijgen, en deel te hebben aan die nieuwe mens, het Lichaam van Christus. (hier zou je een aparte bijbelstudie over kunnen houden).

Dezelfde boodschap werd ook door de Heere gebracht aan Nicodemus. De Heere zei toen tegen Nicodemus in Joh. 3:5:

  • Jezus antwoordde: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.”

De Heere zegt eigenlijk tegen Nicodemus: Wat een mens ook doet of nalaat, als hij niet opnieuw geboren wordt uit ‘geestelijk water’ is alles zinloos.

En dat geestelijk water is feitelijk niets anders dan het “levende en eeuwig blijvende Woord van God”. En dat is het levende water, waar het ook in Jericho aan ontbrak.

De doortocht door de Jordaan kan dan ook in typologische zin gezien worden als een beeld van dood en opstanding (want dat is feitelijk wedergeboorte).

Elia was een type van Christus

in Zijn eerste en tweede komst:

Elia is op de aarde geweest, en zal terugkomen.

 

 

De Heere is op aarde gekomen en ook Hij zal terugkomen.

Elia deed wonderen en tekenen, was de Profeet van God hij werd in de hemel opgenomen.

 

De Heere deed wonderen en tekenen, was de ware Profeet van God en na Zijn dood en opstanding werd Hij ook in de hemel opgenomen.

 

In de toekomst zal Elia terugkeren en Zich opnieuw tot Israël begeven.

 

 

In de toekomst zal de Heere terugkeren en Zich opnieuw tot Israël begeven.

Hij zal hun Koning zijn, en het volk Israël opnieuw als het ware ‘doortrekken door de Jordaan’. Israël zal de wedergeboorte ondergaan en de Geest ontvangen.

 

Elisa in Jericho

Jericho is nou niet bepaald de stad waar we in de eerste plaats de genade van God zouden verwachten, wanneer we denken aan de verwoesting van Jericho. Toch doet Elisa hier zijn eerste wonder, wat tegelijk een teken is, en wat eigenlijk een verborgenheid openbaart. Wonderen en tekenen worden in Gods Woord vaak in één adem genoemd. Zo is ook hier het wonder wat Elisa mag doen een machtig teken, een beeld van de toekomstige redding van Israël. En anderzijds een beeld van de redding van de wereld, omdat Israël weer een type is van de volkeren der wereld. Let u eens op wat de profeet Jesaja van Gods uitverkoren volk zegt:

  • "Waar wilt gij nog meer geslagen worden, dat gij voortgaat met af te wijken? Het gehele hoofd is ziek, het gehele hart vol krankheid; van de voetzool af tot de schedel is er niets gaaf." (Jesaja 1:5-6b).

Net zoals Israël, wat door de zonde vergiftigd is, ziek is, en verlossing nodig heeft, zo heeft ieder mens na Adam verlossing nodig, omdat ieder mens in ongerechtigheid geboren is, en omdat er niemand is die goed doet.

Dat het eerste teken "water" betrof, heeft een grote betekenis. Jericho was een plaats waar als op het eerste gezicht dik in orde was. Het was een mooie stad met al die palmbomen, de ligging was goed. Kortom, uiterlijk zag het er allemaal goed uit. Toch ontbrak er iets, dat essentiëel is voor het leven: water. Het water was slecht en de landstreek veroorzaakte misgeboorte.

 

Water is de eerste levensbehoefte. Alles wat groeit heeft water nodig. Water staat eigenlijk voor het leven. Het menselijk leven komt voor uit water, ja, ons lichaam bestaat voor het grootste deel (70 %) uit water. Jericho had goed water nodig. Dit bepaalt ons ten diepste bij de nood van het volk van Israël en de mensen in het algemeen. Israël had gezond water, een heilzaam Woord nodig.

Het gebied van Jericho was bij de verdeling van het land aan de stam Benjamin toegewezen. En ook de stam Benjamin was in het woord onderwezen door Mozes! Ze hadden dat Woord des Heeren ontvangen, maar ze dronken er niet van. En wanneer je niet drinkt ga je echt helemaal dood.

Dat geld voor de vleselijke mens, maar dat geldt ook zeker voor de geestelijke mens. Kijk maar naar Israël. Ze dronken niet van het Woord des Heeren, en het volk leefde in grote ellende en vaak in honger, terwijl de Heere hen overvloed had beloofd, wanneer ze zich aan Zijn Woord zouden houden, wanneer ze bleven drinken van het water des levens.

Als de wedergeboorte van Israël in de toekomst plaatsvindt, dan zal alles anders worden! Dat blijkt ook uit Elisa’s wonder en de gevolgen daarvan.

Het water in Jericho deugde niet, het bracht niet veel goeds voort, het bracht misgeboorte voort, hebben we gelezen. Eigenlijk betekent dit, dat het onvruchtbaarheid voortbracht. Zagen we dat ook niet vaak in Israël? Dat men onvruchtbaar was? Zowel in letterlijke als in geestelijk opzicht.

Dit alles, het voortbrengen van oordeel en dood, is ook een beeld van het oude verbond wat de Heere met Zijn volk op de Sinaï sloot. Dit verbond bracht geen leven voort. Toen de Heere zijn wet aan Israël gaf op de berg Sinaï, sprak het volk massaal:

  • "En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de HERE gesproken heeft, zullen wij doen." (Ex 19:8)

Dat dit niet gewerkt heeft weten wij uit de geschiedenis van het volk Israël. Wanneer het volk geopende ogen zou hebben gehad, dan zouden zij op de knieën hebben moeten vallen met de bede:

  • "Heere, dit kunnen wij niet, betoon ons genade, en help Gij ons dit te volbrengen, want van onszelf kunnen wij dit niet."

Het volk had niet in de gaten dat hun de wet werd gegeven om de overtreding te doen blijken, opdat God hen genade kon betonen. We lezen immers in Rom 4:15 "De wet immers bewerkt toorn."

En Gal 3:10-11 is heel duidelijk:

  • Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. 11 En dat door de wet niemand voor God gerechtvaardigd wordt, is duidelijk; immers, de rechtvaardige zal uit geloof (van Christus) leven.”

De Heere had gezegd: "Gij zult mijn inzettingen en mijn verordeningen in acht nemen; de mens die ze doet, zal daardoor leven: Ik ben de HERE." (Lev 18:5).

We weten dat niemand de wet heeft volbracht, en dat daarom allen zijn gestorven.

Zo is het water, het "slechte" water in Jericho, een verborgen beeld van "bediening des doods", zoals de wet in 2 Kor 3:7 wordt genoemd. Zo ook in Jericho bracht het water dood en misgeboorte voort! Jericho wordt ook wel de vloekstad genoemd, vanwege de vloek die erop rustte, wanneer de stad weer zou worden opgebouwd.

We hebben dat de vorige keer gelezen in Jozua 6:26-27:

  • "Te dien tijde deed Jozua deze eed: Vervloekt voor het aangezicht des Heren is de man, die zich opmaakt en deze stad Jericho herbouwt; ten koste van zijn eerstgeborene zal hij haar grondvesten, ten koste van zijn jongste haar poortdeuren inzetten. 27 En de Here was met Jozua en de mare van hem ging door het gehele land.”

Dit was de vloek, die op Jericho rustte. Daarom de naam “Vloek-stad”. Veel later (1 Kon 16:34) herbouwde de Beteliet Chiël Jericho, en toen werd Gods uit Jozua 6 woord vervuld: 1 Kon 16:34:

  • In zijn dagen (in de dagen van koning Achab) herbouwde de Beteliet Chiël Jericho. Ten koste van Abiram, zijn eerstgeborene (zijn oudste), grondvestte hij het; en ten koste van Segub, zijn jongste, plaatste hij haar poortdeuren – naar het woord des Heren, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.”

De Beteliet Chiël herbouwde Jericho. Chiël betekent: “God is leven”. Chiël woonde in Bethel (= huis Gods). Dit nieuwe leven ging ten koste van Abiram, zijn eerstgeboren zoon. Abiram, de naam van de oudste zoon komt van dezelfde naam als Abraham, wat "verheven vader" betekent. Tevens ging de herbouw van Jericho ten koste van Segub, de jongste zoon van Chiël. Segub betekent verhoogd of verheven.

De vader Chiël (God is leven) herbouwde Jericho ten koste van zijn oudste en zijn jongste zoon, oftewel ten koste van de eerste en de laatste, ten koste van de Alpha en de Omega, ten koste van de Verhoogde (Segub) en de Verhevene (Abiram)! Dus ook de herbouw van Jericho is een beeld van Christus! Dit alles was naar het woord des HEREN, dat Hij gesproken had door de dienst van Jozua, de zoon van Nun.

Zo werd Gods Woord op een zeer bijzondere manier vervuld.

We zien in deze geschiedenis een beeld van de Vader en de Zoon. De Vader die in de hemel der hemelen troont, en "iets" gaat ondernemen, wat het leven van Zijn zoon gaat kosten. En de Zoon, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken. (Fil 2:6-9)

Ziet u hoe alles in het Woord op Christus wijst? Zelfs die zonen van Chiël wijzen naar de verhevene, naar de verhoogde, naar Christus! Christus heeft de vloek gedragen, Hij was vervloekt omwille van de mens. Hij stierf de misdadigersdood, die wij hadden verdiend.

Hij, die geen zonde gekend heeft, heeft God tot zonde gemaakt. Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt. (Gal 3:13).

Jericho had dus goed gezond water nodig (2 Kon. 2). Dit bepaalt ons bij de nood van de inwoners van Jericho, maar het bepaalt ons ten diepste bij de nood van het volk van Israël, en ook bij de nood van de mens in het algemeen. Zij hebben geen goed water, zij hebben niet “het levende water”. Zij hebben alleen “het slechte water” dat onvruchtbaarheid voortbrengt.

En er is geen mens die in deze toestand van vruchteloosheid verandering kan brengen, de mens staat feitelijk machteloos. Er is een Godswonder voor nodig.

Alleen God kan dood veranderen in leven, armoede in rijkdom.

Daarom is het ook zo mooi dat er 2 Kon 2:21 staat: “Ik maak dit water gezond

Toen het water van Jericho gezond werd, werd het leven van de mensen gezond.

Het land werd vruchtbaar. Een tijd van voorspoed en overvloed brak aan door een wonder van God. Met een geestelijk oog zien wij in het gezonde water (= het Woord) van Jericho de zegen en de heerlijkheid van God en de Heere Jezus Christus. Nu is dat allemaal nog in geloof, op grond van het Woord. Straks gaat het geloof over in waarachtig en heerlijk aanschouwen. Nu leven, straks overvloed. Het wonder van God zal compleet worden!

Water, een beeld van Gods Woord is altijd en overal onmisbaar. Heel de aarde komt uit het water. We lezen in Joh 1:1-3:

  • "In den beginne was het Woord en het Woord was bij God en het Woord was God. Dit was in den beginne bij God. Alle dingen zijn door het Woord geworden en zonder dit is geen ding geworden, dat geworden is."

En wanneer we dan naar Genesis 1 gaan, dan lezen we daar dat God zeide: Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo. En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemde Hij zeeën. En God zag, dat het goed was. (Gen 1:9-10). Hieruit mogen we concluderen dat het droge onder het water verborgen was, en het droge toen als het ware uit het water tevoorschijn kwam.

 

De mens en water

Water en leven zijn onlosmakelijk verbonden. Al het leven is uit water ontstaan.

Al het leven is door het Woord ontstaan! Alles wat leeft, of dat nou in de oceaan of in woestijn is, heeft water nodig om te overleven.

Waarom speelt het water een hoofdrol bij al het leven? Doordat het bijzondere eigenschappen heeft. Allereerst omdat water naast zuurstof in de energievoorziening van alle levende wezens een hoofdrol speelt.

Ook bij het oplossen van zouten en het opnemen en afstaan van warmte is water onmisbaar. Een mens bestaat voor zijn geboorte voor ongeveer 97% uit water. Daarna begin je geleidelijk uit te drogen. Als je 30 bent is het percentage water gedaald tot zo'n 70%, en daarna daalt het nog verder tot ongeveer 60% op 75-jarige leeftijd.

Water is aanwezig in en om de cellen waar ons lichaam uit is opgebouwd.

Het bloed in ons lichaam, dat voor het grootste deel water is, is de transport-voorziening naar de cellen. Bij de vertering van ons voedsel wordt door allerlei ingewikkelde oplosmethoden het voedsel opgelost in water, zodat het naar de cellen vervoerd kan worden. Al onze organen krijgen via het bloed eten, drinken en zuurstof aangevoerd. Zonder deze 3 elementen zouden de cellen niet in leven kunnen blijven. Ook het afvoeren van afval uit de cellen gebeurd door middel van water, het afval wordt opgelost in het bloed dat het afvoert.

Daarnaast speelt water ook een onmisbare rol bij het op temperatuur houden van je lichaam. Teveel warmte wordt door transpiratie opgelost.

 

Doordat bij hoge temperatuur de zogenaamde huidmondjes worden opengezet, stroomt er meer water naar het huidoppervlak, dat daar door aanraking met de lucht afkoelt. Als het koud is blijven deze huidmondjes dicht. Voor een mens is het drinken van vloeistof dus belangrijk om te overleven. Het is noodzakelijk voor de koeling van je lichaam en voor de transportfuncties in je lichaam. We kunnen wel langdurig zon-der voedsel, zo'n 2 maanden, maar niet erg lang zonder water. Na ongeveer 6 dagen zonder water zullen de nieren het begeven en na een dag of 10 bezwijkt het hart.

Na deze uiteenzetting zal het duidelijk zijn dat water voor het leven van de mens onmisbaar is. En net zoals water onmisbaar is voor het leven van de fysieke mens, zo is het geestelijke water (het Woord van God) onmisbaar voor het leven van de geestelijke mens. In beide gevallen leidt "watergebrek" tot de dood.

 

Israël en het water

Toen Israël in het land Egypte woonde, en zwaar door de toenmalige Farao verdrukt werd, was er een man (Amram) uit het huis van Levi, die een Levitische vrouw huwde (Jochebed). Ex 2:1-3

  • Een man uit het huis van Levi huwde een Levitische vrouw; 2 deze werd zwanger en baarde een zoon. Toen zij zag, dat hij schoon was, verborg zij hem drie maanden lang. 3 Maar langer kon zij hem niet verborgen houden; daarom nam zij voor hem een biezen kistje, bestreek het met asfalt en pek, legde het kind erin en zette het in het riet aan de oever van de Nijl”

We kennen het verhaal, en we weten de afloop. Ex 2:10:

  • En toen het kind groot geworden was, bracht zij (de moeder) het naar de dochter van Farao; en hij werd door haar als zoon aangenomen, en zij noemde hem Mozes, want, zeide zij: ik heb hem uit het water getrokken.”

Zo werd de man, die het volk Israël 40 jaar door de woestijn zou leiden uit het water getrokken. Na vele plagen liet de Farao uiteindelijk het volk Israël gaan, en trok het volk door de schelfzee, door het water, en werd het volk als het ware door de Here uit het water getrokken. Later moest Israël nogmaals door het waterhet land binnentrekken. En het eerste openbare optreden van de Heere Jezus was, toen hij ook door het water van de Jordaan ging om door Johannes de doper gedoopt te worden. Zo eindigde de bediening van Elia door het water, en net zo ving de bediening van Elisa aan doordat hij door het water van de Jordaan ging. Zo sloeg Mozes in de woestijn op de rots, en toen kwam er water tevoorschijn, genoeg voor het hele volk.

De Rots is Christus. En uit Christus komt overvloedig veel water = Het Woord. Dat Levende Water had Israël nodig, en hebben wij nodig om in "leven" te blijven!

 

Het Water van Jericho

Nadat Elisa de Jordaan doorgetrokken was kwam hij dus in de herbouwde stad Jericho. Dan lezen we in 2 Kon 2:19:

  • "De mannen van de stad zeiden tot Elisa: Zie toch, de ligging van de stad is goed, zoals mijn heer ziet; maar het water is slecht, en de landstreek veroorzaakt misgeboorte." (2 Kon 2:19).

Zoals we reeds eerder hebben gezien betekent Jericho “vloekstad”, maar Jericho heeft ook nog een andere naam, namelijk "welriekende plaats". Bovendien wordt Jericho vanwege de aanwezigheid van palmbomen ook wel de "palmstad" genoemd. Van de buitenkant zag het er mooi uit, van van binnen bleek het "slecht" te zijn. Zo is het ook met Israël, zo op het oog leek het wel wat, maar van binnen in het hart was het volk vol van zonde. Jesaja zegt van Israël:

  • Een rund kent zijn eigenaar en een ezel kent de krib van zijn meester, maar Israël heeft geen begrip, mijn volk geen inzicht.” (Jes 1:3).

Het gebied van Jericho was bij de verdeling van het land aan de stam Benjamin toegewezen. (Jozua 18:11-27). Benjamin kreeg van zijn moeder Rachal de naam Ben Oni (= zoon van mijn smarten = Jezus), maar zijn vader noemde hem Benjamin (= zoon van mijn welvaart, rechterhand = Christus) (Gen 35:18)

Jericho was dus een mooie stad om te zien met al zijn palmbomen. Maar het water was slecht. Dit "slecht" heeft in het Hebreeuws de betekenis van "kwaad". "En de landstreek veroorzaakt misgeboorte." (2 Kon 2:19). Voor landstreek staat in het Hebreeuws "aeretz", wat ook door aarde of land vertaald kan worden. Deze "aeretz" bracht misgeboorte voort, omdat er iets IN was wat niet deugde.

In den beginne was alles zeer goed (Gen 1). God had alles zeer goed gemaakt, maar God had geen marionetten gemaakt, die Hem automatisch moesten liefhebben. God had mensen gemaakt met een vrije wil, die ervoor konden kiezen om Hem lief te hebben. En we weten dat de mens zou kunnen zondigen, en dat is ook gebeurd. Door de zonde kwam er iets IN de schepping wat niet deugde. Hierdoor misten de mensen hun doel, en ontstonden er "misgeboorten". Denk maar aan de nakomelingen van die volgelingen van satan, die gemeenschap hadden met de dochters der mensen, daar kwamen ook “misbaksels, misgeboorten” uit voort. Dat is het beeld van het water van Jericho. Er was iets in dat water wat niet deugde! Het bracht misgeboorten, onvruchtbaarheid voort!

 

Het Zout in het Water

Dat woord "misgeboorte" kan ook vertaald worden met "onvruchtbaar".

Door de onvruchtbaarheid was het een water des doods. En daarom komen de mannen van de stad bij Elisa, en vertellen hem dat het water van Jericho een groot probleem is, wat tot dusver door niemand opgelost kon worden.

Toen zeide Elisa: "Haalt mij een nieuwe schotel en doet er zout in. En de mannen van Jericho haalden een nieuwe schotel met zout daarin" (2 Kon 2:20)

Wat is nu de betekenis van het zout? We weten dat zout bederfwerend is, en zout geeft smaak aan iets. Zout heeft in vroege tijden ook gediend als betaalmiddel. In het woord salaris ziet het woordje "sal", dit is Latijns voor zout. De letterlijke vertaling van salaris is "jaargeld". Tevens staat zout eten voor een teken van verbondenheid en gastvrijheid. Maar we moeten niet denken dat het zout het water weer gezond maakte in Jericho, nee, er staat duidelijk in 2 Kon 2:21: "Zo zegt de HERE: Ik maak dit water gezond." Waarom moest er dan zout aan te pas komen?

 

We gaan eerst enkele teksten lezen waar we "zout" terugvinden, en dan zien we wat dat “zout” eigenlijk betekent:

Lev 2:13

  • "En elke offergave van uw spijsoffer zult gij zouten, gij zult het zout van het verbond uws Gods aan uw spijsoffer niet laten ontbreken; bij al uw offergaven zult gij zout voegen."

Num 18:19

  • "Alle heffingen der heilige gaven, die de Israëlieten als heffingen de HERE brengen, geef Ik u en uw zonen en uw dochters met u tot een altoosdurende inzetting, een altoosdurend zoutverbond is het voor het aangezicht des HEREN voor u en uw nakomelingschap."

2 Kron 13:5

  • "Is het u niet bekend, dat de HERE, de God van Israël, het koningschap over Israël voor altijd aan David gegeven heeft, aan hem en aan zijn zonen, een zoutverbond?

Ezra 6:9

  • "En wat er nodig is (voor de brandoffers voor de Heere): jonge stieren, rammen, lammeren voor de brandoffers aan de God des hemels, tarwe, zout, wijn en olie, volgens de opgave van de priesters te Jeruzalem, dat moet hun dag aan dag volledig ter beschikking worden gesteld."

Ezra 7:22 Gaat erover wat er voor het huis des Heeren nodig is:

  • "Tot een bedrag van honderd talenten zilver, honderd kor tarwe, honderd bath wijn, honderd bath olie, en zout in onbeperkte mate."

Ez 43:24 Gaat over de offers:

  • "Gij zult ze voor het aangezicht des HEREN brengen, en de priesters zullen zout op hen strooien en ze offeren als een brandoffer voor de HERE."

Mat 5:13

  • "Gij zijt het zout der aarde; indien nu het zout zijn kracht verliest, waarmede zal het gezouten worden? Het deugt nergens meer toe dan om weggeworpen en door de mensen vertreden te worden."

 

Uit deze bijbelgedeelten kunnen we vaststellen, welke betekenis het zout had:

  • Bij elk spijsoffer moest zout gedaan worden.
  • Het verbond van de Heere met Israël wordt zelfs " het zout van het verbond uws Gods" genoemd. (Lev).
  • De Heere noemt de inzettingen die Hij het volk Israël geeft een "altoosdurend zoutverbond". (Num).
  • Dit "zout" beklemtoont de duurzaamheid en onbederfelijkheid van Gods beloften, zoals het koningschap van Davids huis.
  • Het beklemtoont de totstandkoming en de vervulling van Gods beloften.
  • Gods onwrikbare duurzame raadsbesluit ligt ten grondslag aan Gods beloften.

Het zout drukt het "vaststaan" van al deze feiten uit.

Alles overziend kunnen we opmerken, dat de kernbetekenis van het zout is:

  • De uitwerking/duurzaamheid van het Woord van God.
  • Het zout wijst op het verbond van God met Israël.

Omdat deze dingen zo belangrijk zijn, moest er zout in onbeperkte mate voorhanden zijn. (Ezra 7:22). God werkt altijd naar de raad van Zijn wil, en tot lof Zijner heerlijkheid (Efeze 1) Niets is voor de Heere te wonderlijk.

Elisa was een instrument in de hand van God om het water van Jericho gezond te maken. Eerder zagen we dat water staat voor leven. Jericho kunnen we zien als een type van Israël. Israël heeft het levende water nodig om het gezonde, goede, waarachtige leven te kunnen bezitten en gemeenschap met de HERE te kunnen hebben. In dat licht kan het zout dus ook gezien worden als een beeld van de Geest. Israël moet een vastgefundeerd nieuw leven (gebaseerd op het zout-verbond) ontvangen, geestelijk leven. En dat was nu juist wat de Heere duidelijk maakte aan Nicodemus.

 

Het wonder met water

Het eerste wonder wat Elisa deed was een wonder met water. Het eerste wonder (teken) wat de Heere Jezus deed was ook een wonder met water. Elisa maakte het water gezond, maar de Heere Jezus deed meer. Hij ging een stapje verder. Hij veranderde het water. Het water werd wijn. (Joh 2:1-11).

Is het u wel eens opgevallen dat in het Johannes-Evangelie zoveel gesproken wordt over én gedaan wordt met water?

Joh 2

Op de bruiloft te Kana: lege vaten gevuld met water en verandert de Here Jezus water in wijn.

Dit is een beeld van het toekomstig herstel van Israël in het kader van het nieuwe verbond.

 

 

 

Joh 3

De Here spreekt over de wedergeboorte als voorwaarde om deel te kunnen hebben aan het Koninkrijk Gods. De Heere in Joh 3:5:

Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, tenzij iemand geboren wordt uit water en Geest, kan hij het Koninkrijk Gods niet binnengaan.

 

 

 

Joh 4

De Heiland zit bij de bron van Jakob en spreekt met de Samaritaanse vrouw over het water des levens.

 

 

 

Joh 5

Het wonder bij het badwater van Bethesda (= huis der barmhartigheid).

 

 

 

Joh 6

De Heere Jezus wandelt over de zee. (over het water)

 

 

 

Joh 7

De Heere spreekt uitvoerig over het “water des levens”.

 

 

 

Joh 9

De blindgeborene wordt genezen nadat hij zich gewassen heeft in het badwater van Siloam (= uit / weggezonden).

 

 

 

Joh 10

De Herder, Die Zijn schapen uit de schaapskooi leidt en hen brengt in “grazige weiden” en aan “rustige wateren” (Ps. 23).

 

 

 

 

 

 

 

Een Nieuwe Schotel

We gaan weer even terug naar 2 Kon 2:20, waar ook nog staat: "Haalt mij een nieuwe schotel." Waarom moest er nu perse een nieuwe schotel worden gebruikt om het water van Jericho weer gezond te maken? Waarom kon het niet gewoon in een oude of gebruikte schotel? Het moest perse een nieuwe schotel zijn, omdat de Heere in het verborgen door het eerste wonder van Elisa wilde meedelen, dat het oude (zout)verbond zou worden vervangen door een nieuw, een beter verbond.

 

Terwijl het oude verbond nog in werking was liet de Heere door dit wonder van Elia ziendat er een nieuw verbond zou komen. Daarom moest er een nieuwe schotel worden gehaald. Het volk Israël zou nieuw geboren worden uit geest en water. Water is een beeld van Gods Geest en tegelijk ook een beeld van Gods Woord. Door Gods Geest en door Gods Woord zal Israël opnieuw worden geboren.

 

Het eerste wonder wat Elisa deed wees eigenlijk in het verborgen naar het nieuwe verbond wat door de Heere in Jer 31:31-34 wordt voorzegd:

  • Zie, de dagen komen, luidt het woord des Heren, dat Ik met het huis van Israël en het huis van Juda een nieuw verbond sluiten zal. 32 Niet zoals het verbond, dat Ik met hun vaderen gesloten heb ten dage dat Ik hen bij de hand nam, om hen uit het land Egypte te leiden: mijn verbond, dat zij verbroken hebben, hoewel Ik Heer over hen ben, luidt het woord des Heren. 33 Maar dít is het verbond, dat Ik met het huis van Israël sluiten zal na deze dagen, luidt het woord des Heren: Ik zal mijn wet in hun binnenste leggen en die in hun hart schrijven, Ik zal hun tot een God zijn en zij zullen Mij tot een volk zijn. 34 Dan zullen zij niet meer een ieder zijn naaste en een ieder zijn broeder leren: Kent de Here: want zij allen zullen Mij kennen, van de kleinste tot de grootste onder hen, luidt het woord des Heren, want Ik zal hun ongerechtigheid vergeven en hun zonde niet meer gedenken.”

Ten tijde van de inwerkingtreding van dat nieuwe verbond zullen te dien dage levende wateren uit Jeruzalem vlieten, de helft daarvan naar de oostelijke en de helft naar de westelijke zee; in de zomer zowel als in de winter zal dat geschieden. En de HERE zal koning worden over de gehele aarde; te dien dage zal de HERE de enige zijn, en zijn naam de enige (Zach 14:8-9).

Die levende wateren zullen zelfs de Dode Zee weer gezond maken en tot leven brengen, en die Dode Zee zal wemelen van de vissen.

Het is misschien wel mooi om dat even te lezen in Ez 47:1-12:

  • Toen bracht hij mij terug naar de ingang van het huis (= de tempel in Jeruzalem); zie, er stroomde water onder de drempel van het huis uit, oostwaarts, want de voorzijde van het huis was op het oosten; het water vloeide onder de rechter zijkant van het huis vandaan, ten zuiden van het altaar. 2 En hij leidde mij door de Noordpoort en hij voerde mij toen buitenom naar de buitenste poort, naar (de poort) die op het oosten uitzag; en zie, daar borrelde water op uit de rechter zijkant. 3 Nadat de man uitgegaan was naar het oosten met een meetsnoer in zijn hand, mat hij duizend el en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de enkels. 4 Hij mat weer duizend (el) en deed mij door het water gaan; het water reikte tot aan de knieën. Hij mat weer duizend (el) en deed mij erdoor gaan; het water reikte tot aan de heupen. 5 Hij mat nog eens duizend (el); nu was het (= water uit de tempel) een beek geworden, die ik niet doorwaden kon, want het water was zo hoog, dat men erin zwemmen kon, een beek die men niet kon doorwaden. 6 Toen zeide hij tot mij: Hebt gij het gezien, mensenkind? Daarop deed hij mij teruggaan langs de oever van de beek. 7 Toen ik terugkeerde, zie, langs de oever van de beek stonden aan weerszijden zeer veel bomen. 8 Hij zeide tot mij: Dit water stroomt naar de oostelijke landstreek, vloeit af naar de Vlakte en komt in de zee (in de Dode Zee); in de zee wordt het uitgestort, zodat haar water gezond wordt. 9 En alle levende wezens die er wemelen, zullen leven, overal waar de beek komt, en er zal zeer veel vis zijn, want als dit water daarheen komt, dan wordt (het water van de zee) gezond. Overal waar de beek komt, zal alles leven. 10 Vissers zullen erlangs staan van Engedi tot En-Eglaïm; het zal een plaats zijn om de netten uit te spreiden, en de vissen erin zullen van allerlei soort zijn, zoals de vissen van de grote zee (= de Middellandse Zee), zeer talrijk. 11 Maar de moerassen en poelen ervan zullen niet gezond worden; zij zijn aan het zout prijsgegeven. 12 Langs de beek zullen op haar oevers aan weerszijden allerlei vruchtbomen opschieten, waarvan het loof niet verwelkt en de vrucht niet opraakt; elke maand zullen zij vrucht dragen, omdat hun water uit het heiligdom komt; hun vruchten zullen tot spijze zijn en hun loof tot geneesmiddel.”

Dan zal de bediening des doods (beeld van de wet – beeld van het water “des doods” in Jericho) veranderd zijn in de bediening des levens (levend water in Jericho), dit kan ook niet anders, want de Heere zelf zal dan koning zijn, en Hij is de Bron van levend water. Hij maakt het water gezond!

Te dien tijde zal de profetie van Joël volledig in vervulling gaan. (zoals die in Hand 2:17-21 ten dele in vervulling is gegaan). Dan is de bediening des doods geheel ten einde, en heeft de bediening ten leven een aanvang genomen.

Eigenlijk is het eerste wonder van de Heere Jezus te Kana een bevestiging van het eerste wonder van Elisa te Jericho. Beide, zowel het wonder van Elisa als het eerste teken van de Heere te Kana, zijn een beeld van het toekomstig nieuwe verbond, wat nieuw leven, blijdschap en vreugde voor Israël zal voortbrengen. Dan zal ook voor gans Israël gelden wat nu alreeds voor ons geldt: "Wie in Mij gelooft, gelijk de Schrift zegt, stromen van levend water zullen uit zijn binnenste vloeien." (Joh 7:38).

Ook een prachtige illustratie van het oude tegenover het nieuwe geeft ons Zacharia 8:4-8:

  • "Zo zegt de Here der heerscharen: Er zullen weer oude mannen en vrouwen op de pleinen van Jeruzalem zitten, ieder met een stok in de hand vanwege zijn hoge leeftijd. 5 Ook zullen de pleinen der stad vol zijn van jongens en meisjes, die daar spelen. 6 Al zal dit in de ogen van het overblijfsel van dit volk in die dagen te wonderlijk zijn, zou het dan ook in mijn ogen te wonderlijk zijn? luidt het woord van de HERE der heerscharen. 7 Zo zegt de HERE der heerscharen: Zie, Ik verlos mijn volk uit het land van de opgang en uit dat van de ondergang der zon; 8 Ik breng hen terug en zij zullen binnen Jeruzalem wonen. Zij zullen Mij tot een volk en Ik zal hun tot een God zijn, in trouw en in gerechtigheid." (Zach 8:6-8).

En verder in Zach 8:13-17:

  • "Gelijk gij onder de volken een vervloeking geweest zijt, o huis van Juda en huis van Israël, zo zult gij, doordat Ik u heil schenk, een zegen worden; vreest niet, laten uw handen sterk zijn. 14 Want zo zegt de HERE der heerscharen: Zoals Ik Mij voorgenomen had u kwaad te doen, toen uw vaderen Mij vertoornden, zegt de HERE der heerscharen, en het Mij niet berouwde, 15 zo heb Ik in deze dagen Mij weer voorgenomen Jeruzalem en het huis van Juda wèl te doen; vreest niet! 16 Dit moet gij doen: spreekt waarheid onder elkander, oefent eerlijke en heilzame rechtspraak uit in uw poorten; 17 beraamt in uw hart elkanders onheil niet, en hebt geen valse eed lief, want dit alles haat Ik, luidt het woord des HEREN." (Zach 8:13-17)

En Zach 8:20-23:

  • "Zo zegt de HERE der heerscharen: Wederom zullen er volken komen en inwoners van vele steden, 21 en de inwoners van de ene zullen zich begeven naar die van de andere, en zeggen: Laten wij toch heengaan om de gunst des HEREN af te smeken en om de HERE der heerscharen te zoeken; ook ik wil gaan. 22 Ja, vele natiën en machtige volken zullen komen om de HERE der heerscharen te Jeruzalem te zoeken en de gunst des HEREN af te smeken. 23 Zo zegt de HERE der heerscharen: In die dagen zullen tien mannen uit volken van allerlei taal vastgrijpen, ja vastgrijpen de slip van een Judeese man, en zeggen: wij willen met u gaan, want wij hebben gehoord, dat God met u is." (Zach 8:20-23)

Ook Ezechiël mag door God ingeblazen woorden spreken over de toekomst van Israël: Ez 37:1-14:

  • "De hand des HEREN kwam op mij, en de HERE voerde mij in de geest naar buiten en zette mij neer in een dal; dat was vol beenderen. 2 Hij deed mij daar aan alle kanten omheen lopen en zie, zij lagen in grote menigte door het dal verspreid, en zie, zij waren zeer dor. 3 En Hij zeide tot mij: Mensenkind, kunnen deze beenderen herleven? En ik zeide: Here HERE, Gij weet het. 4 Toen zeide Hij tot mij: Profeteer over deze beenderen en zeg tot hen: gij dorre beenderen, hoort het woord des HEREN. 5 Zo spreekt de Here HERE tot deze beenderen: Zie, Ik breng geest in u, en gij zult herleven; 6 Ik zal spieren op u leggen, vlees op u doen komen, u met een huid overtrekken en geest in u brengen, zodat gij herleeft; en gij zult weten, dat Ik de HERE ben. 7 Ik nu profeteerde zoals mij bevolen was, en zodra ik profeteerde, ontstond er een geruis, en zie, een beweging, en de beenderen voegden zich aaneen zoals zij bij elkander behoorden; 8 ik zag toe, en zie, er kwamen spieren op, en vlees, en er trok een huid overheen; maar geest was er nog niet in hen. 9 Daarop zeide Hij tot mij: Profeteer tot de geest, profeteer, mensenkind, en zeg tot de geest: zo zegt de Here HERE: kom van de vier windstreken, o geest, en blaas in deze gedoden, zodat zij herleven. 10 Toen profeteerde ik, zoals Hij mij bevolen had; en de geest kwam in hen en zij herleefden en gingen op hun voeten staan, een geweldig groot leger. 11 Voorts zeide Hij tot mij: Mensenkind, deze beenderen zijn het gehele huis Israëls. Zie, zij zeggen: Onze beenderen zijn verdord en onze hoop is vervlogen; het is met ons gedaan. 12 Daarom profeteer en zeg tot hen: Zo zegt de Here HERE: zie, Ik open uw graven en zal u uit uw graven doen opkomen, o mijn volk, en u brengen naar het land Israëls. 13 En gij zult weten, dat Ik de HERE ben, wanneer Ik uw graven open en u uit uw graven doe opkomen, o mijn volk. 14 Ik zal mijn Geest in u geven, zodat gij herleeft en Ik zal u doen wonen in uw land; en gij zult weten, dat Ik, de HERE, het gesproken en gedaan heb, luidt het woord des HEREN." (Ez 37:1-14)

Dan, te dien dage, zal de Heere Zijn geliefd volk Israël doen nederliggen in grazige weiden. Hij zal hen voeren aan rustige wateren. Aan het levende water!

Het zal hen aan niets ontbreken. Hij zal hen leiden in de rechte sporen, om Zijns Naams wil. Dan zal Israël het zout der aarde zijn en een geur van Christus onder de volkeren verspreiden. Dan zal heel de aarde vol zijn van de kennis des Heeren. Het is geweldig te zien, hoe in het eerste wonder, wat Elisa mocht doen, de complete heilsgeschiedenis van het volk Israël in het verborgen word verkondigd. En daarom het zout, wat wijst op het zeer vaststaan van deze feiten. En daarom een nieuwe schotel, die wijst naar al het nieuwe in de toekomst voor Israël.

En zo leren we ook dat alles in Gods Woord een diepere betekenis heeft.

Men zegt wel eens dat de Bijbel ook maar door mensen is geschreven.

Maar broeders en zusters, wanneer over het eerste wonder van Elisa, wat slechts in vier verzen (2 Kon 2:19-22) in Gods Woord wordt uiteengezet, al zoveel te zeggen valt, dan kunnen we slecht in verbazing aanschouwen, hoe geweldig groots de Heere zelf Zijn Woord heeft samengesteld, door het de schrijvers in te blazen, zodat ze opschreven wat Hij wilde.

 

Gezond water voor ons

Tot slot nog even naar dat water van Jericho dat weer gezond werd. Wat betekent dat gezonde water nu voor ons? We weten hoe het al de eeuwen door in Israël is gegaan. Steeds werd de Heere God vervangen door eigen-gemaakte goden. Is het bij ons beter?

2 Timoteüs 4:3-5:

  • "Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, 4 dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren. 5 Blijf gij echter nuchter (St. Vert.: wees wakker) onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.”

Titus 1:9 zegt dat we ons moeten....

  • "…....houdende aan het betrouwbare woord naar de leer, zodat hij ook in staat is te vermanen op grond van de gezonde leer en de tegensprekers te weerleggen."

Titus 2:1:

  • Maar gij, kom uit voor hetgeen met de gezonde leer strookt.”

En Titus 2:8 spreekt over....:

  • een gezonde prediking, waarop niets valt aan te merken, opdat de tegenstander tot zijn beschaming niets ongunstigs van ons hebbe te zeggen.”

En dan naar Titus 2:11:

  • Want de genade Gods is verschenen, heilbrengend voor alle mensen, 12 om ons op te voeden, zodat wij, de goddeloosheid en wereldse begeerten verzakende, bezadigd, rechtvaardig en godvruchtig in deze wereld leven, 13 verwachtende de zalige hoop en de verschijning der heerlijkheid van onze grote God en Heiland, Christus Jezus, 14 die Zich voor ons heeft gegeven om ons vrij te maken van alle ongerechtigheid, en voor Zich te reinigen een eigen volk, volijverig in goede werken. 15 Spreek hiervan, vermaan en weerleg met alle nadruk.”

Nog één tekst over dat gezonde water: 2 Timoteüs 1:13:

  • "Neem tot voorbeeld de gezonde woorden, die gij van mij gehoord hebt, in het geloof en de liefde (= agapè), die in Christus Jezus is.”

Dat is ons Levend Water!

 

 

De spottende knapen van Bethel

(2e Wonder)

 

2 Kon 2:23-25:

  • "23 Vandaar (van Jericho) ging hij naar Bethel. En toen hij de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop! (Grondtekst: Ga op, Kaalkop – zie ook St.Vert: “Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op!”) 24 Toen wendde hij zich om, zag hen en vervloekte hen in de naam des HEREN. Toen kwamen er twee berinnen uit het woud en verscheurden tweeënveertig van die kinderen. 25 En hij ging vandaar naar de berg Karmel, en vandaar keerde hij terug naar Samaria."

 

Naar de mens gesproken een gruwelijke geschiedenis. Maar we moeten ons altijd realiseren, dat ook deze geschiedenis niet zonder reden in Gods Woord staat opgetekend. Ook deze geschiedenis wijst naar de Christus der Schriften, net zoals de namen van Elia en Elisa naar de Christus heen wijzen. Weet u het nog?

  • Elia = Elijahoe = Mijn God is JHWH
  • Elisa = Eliesha = God is Redding
  • De twee namen samengevoegd: Mijn God = Redding! God redt!

We zullen in het vervolg van deze Bijbelstudie steeds zien, dat alle wonderen van Elisa wijzen op Christus. En Christus redt inderdaad!

Er kwamen dus kleine knapen uit de stad, die de spot met Elisa dreven en hem toeriepen: “Ga op, kaalkop! Ga op, kaalkop!” Hier wordt een dienaar van God, een gezagsdrager van God, iemand die "de mantel" toegeworpen had gekregen bespot en uitgescholden. Hiermee werd in wezen God zelf door die knapen uitgescholden.

Hadden ze dat zelf in de gaten? (Komen we later op terug).

 

Kaalkop

Ze riepen dus: "Kaalkop", dat zou ons kunnen doen vermoeden dat Elisa ook inderdaad kaal was. Uit de schrift weten we dat Elisa na deze gebeurtenis nog 50 jaar heeft geleefd, dan zouden we de conclusie kunnen trekken, dat Elisa al vroeg kaal was. Maar dat is niet de betekenis van deze woorden.

Het Hebreeuwse woord wat hier door kaalkop is vertaald komt 53 keer voor in de grondtekst, en is als volgt vertaald: 14 x (zoon van) “Kareach”, 2 x “ijs”, 2 x “kaalkop” in deze teksten, 1 x “kaalhoofdig”, 23 x “Korach en 11 x “Korachieten. Dus van de 53 keer 48 keer “Korach of Korachieten, of Karech”, wat hetzelfde Hebreeuwse woord is. De naam Korach betekent: ijs, glad of stoutmoedig (in negatieve zin). Wanneer we willen ontdekken wat dat “kaalkop” betekent, dan moeten we dus op Korach letten. Wat was die Korach voor iemand?

Toen het volk Israël uit Egypte was getrokken, kwam hij (Korach) voortdurend in opstand tegen Mozes. Hij (met 250 volgelingen) betwistte het leiderschap van Mozes en Aaron. Dat kwam tot een hoogtepunt in Num 16:

Num 16:1-2:

  • Korach nu, de zoon van Jishar, de zoon van Kehat, de zoon van Levi, nam met Datan en Abiram, zonen van Eliab, en On, de zoon van Pelet, Rubenieten, (een aantal mannen); 2 en zij stelden zich vóór (eigenlijk tegenover) Mozes met tweehonderd vijftig mannen uit de Israëlieten, hoofden der vergadering, opgeroepenen ter volksvergadering, mannen van naam.” (dus 253 man)

Num 16:16:

  • En Mozes zeide tot Korach: Gij en uw gehele aanhang, verschijnt morgen voor het aangezicht des Heren, gij en zij en Aäron!”

Num 16:23b-33:

  • De Here dan sprak tot Mozes: 24 Spreek tot de vergadering: Trekt u terug uit de omtrek van de woning van Korach, Datan en Abiram. 25 Toen maakte Mozes zich op en ging tot Datan en Abiram, en de oudsten van Israël volgden hem. 26 En hij sprak tot de vergadering: Wijkt toch van de tenten dezer goddeloze mannen en raakt niets aan, dat hun toebehoort, opdat gij niet door al hun zonden wordt weggeraapt. 27 Toen trokken zij weg uit de omtrek van de woning van Korach, Datan en Abiram, en Datan en Abiram traden naar buiten en stonden aan de ingang van hun tenten met hun vrouwen, zonen en kleine kinderen. 28 Daarop zeide Mozes: Hieraan zult gij weten, dat de Here mij gezonden heeft om al deze daden te doen, en dat het niet mijn bedenksel is: 29 indien dezen zullen sterven, zoals ieder mens sterft, en over hen bezoeking zal worden gedaan, zoals ieder mens bezocht wordt, dan heeft de Here mij niet gezonden. 30 Maar, indien de Here iets nieuws zal scheppen, zodat de grond zijn mond zal opensperren en hen verzwelgen met alles wat hun toebehoort, zodat zij levend in het dodenrijk zullen dalen, dan zult gij weten, dat deze mannen de Here gesmaad hebben. 31 Nauwelijks had hij al deze woorden uitgesproken, of de grond spleet onder hen, 32 en de aarde opende haar mond en verzwolg hen met hun huisgezinnen en met alle mensen die bij Korach behoorden en met alle have. 33 Zo daalden zij, met al de hunnen, levend in het dodenrijk; en de aarde overdekte hen, zodat zij uit het midden der gemeente omkwamen.”

 

Wat heeft Korach nu te maken met dat “kaalkop”?

Dan moeten we proberen ons in die tijd te verplaatsen. Wat was Bethel in die tijd van Elisa? Een plaatst waar de afgoderij bedreven werd. Een plaats waar het gouden kalf stond. Ze wilden die man Gods niet in het afgodische Bethel.

Ze wisten best dat een profeet van God altijd maar over God spreekt, en zij hadden nu een andere god. De jonge knapen uit Bethel zijn gestraft voor hun spotternij.

In wezen is deze geschiedenis van de knapen van Bethel te vergelijken met die geschiedenis uit Num 16 over Korach en de zijnen. In beide gevallen kwamen ze in opstand tegen God. Hun straf is dezelfde. Op Godslastering stond de doodstraf: Lev 24:13-16:

  • "Toen sprak de Here tot Mozes: 14 Breng de vloeker buiten de legerplaats, en allen die het gehoord hebben, zullen hun handen op zijn hoofd leggen, daarna zal de gehele vergadering hem stenigen. 15 En tot de Israëlieten zult gij zeggen: Een ieder, die zijn God vloekt, zal zijn zonde dragen. 16 Wie de Naam des Heren lastert, zal zeker ter dood gebracht worden: de gehele vergadering zal hem stenigen.”

 

Vandaar ging hij naar Bethel

Elisa was dus op reis van Jericho naar Bethel, anders gezegd: Elisa ging van Jericho óp naar het huis Gods. Want dát betekent Bethel. Elisa ging van "de vloek" (Jericho) óp naar het huis Gods. Dit is ook een beeld van Israël en Christus. Israël lag ook onder de vloek (der wet):

  • "Want allen, die het van werken der wet verwachten, liggen onder de vloek; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die zich niet houdt aan alles, wat geschreven is in het boek der wet, om dat te doen. (Gal 3:10)

Maar:

  • "Christus heeft ons vrijgekocht van de vloek der wet door voor ons een vloek te worden; want er staat geschreven: Vervloekt is een ieder, die aan het hout hangt.” (Gal 3:13)

Christus moest de dood in, én opstaan, om te gaan naar Gods Huis.

Die weg ging Elisa ook. Bethel was in die dagen bekend om iets wat in tegenspraak was met zijn naam. Er stond in de tijd van Elisa een gouden kalf in Bethel. We lezen daarover in 1 Kon 12:28-32:

  • "Toen overlegde de koning (Jerobeam over Israël, de 10 stammen) en maakte twee gouden kalveren, en zeide tot het volk: Het is te veel voor u om op te trekken naar Jeruzalem. Dit zijn uw goden, o Israël, die u uit het land Egypte hebben geleid. 29 Hij stelde het ene op te Bethel en het andere plaatste hij te Dan. 30 En dit werd een oorzaak tot zonde. Zelfs was het volk voor het ene (beeld) uitgelopen tot Dan toe. 31 Verder maakte hij tempels op de hoogten, en stelde priesters aan uit alle kringen van het volk, die niet tot de Levieten behoorden. 32 Ook voerde Jerobeam een feest in voor de achtste maand, voor de vijftiende dag dier maand, overeenkomstig het feest in Juda, en hij besteeg het altaar. Zo deed hij te Bethel en offerde aan de kalveren die hij gemaakt had. Daarbij liet hij telkens de priesters der hoogten, die hij aangesteld had, in Bethel optreden."

 

Toen Israël verdeeld was in een twee-stammen en een tien-stammen rijk, was koning Jerobeam, die over de tien stammen regeerde, bang dat zijn volk naar Jeruzalem, naar de tempel zou gaan om te offeren. Daarom maakte hij twee gouden kalveren, die hij het volk als hun goden voorstelde.

Hij bouwde tempels voor het volk, en hij stelde lukraak priesters uit het volk aan, om dienst te doen in die afgoden-tempels. Zo stelde Jerobeam de afgoden dienst dus ook in Bethel in.

Wanneer ik dit alles lees, dan vraag ik mij altijd af, hoe is het mogelijk dat dit volk steeds weer zo ver afdwaalde. Het volk, wat zoveel met de Heere had meegemaakt, die door God zelf uit Egypte was geleid, die God overdag beschermde met een wolkkolom en 's nacht de weg verlichte met een vuurkolom, die met Zijn tabernakel daadwerkelijk bij hun aanwezig was, en die zeer duidelijk gezegd had:

  • "Ik ben de HERE, uw God, die u uit het land Egypte, uit het diensthuis, geleid heb. 7 Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben. 8 Gij zult u geen gesneden beeld maken van enige gestalte, die boven in de hemel of onder op de aarde is of die in de wateren onder de aarde is. 9 Gij zult u voor die niet buigen, noch hen dienen." (Deut 5:6-9)

Ook ten tijde van de profeet Hosea waren de afgoden nog steeds in het land, en aanbad het volk de Baäl, we lezen in Hosea 13:2:

  • "Ook nu gaan zij voort met zondigen en maken zich gegoten beelden van hun zilver, afgodsbeelden, naar eigen inzicht, alles het werk van metaalbewerkers. Men zegt van hen: De mensen die offeren, kussen kalveren."

 

Broeders en zusters, laat ons dit alles tot een les zijn, want ook heden ten dage zijn er vele afgoden, ze worden vaak niet zo genoemd, maar ze zijn het wel. U kunt ze zelf wel bedenken. De grootste afgod is ons eigen EGO.

Het heeft altijd te maken met de dingen die voor ogen zijn, met het omarmen van de zienlijke dingen. We mogen best van dingen genieten, maar we moeten ons hart er niet op zetten. Daarom geldt ook nu, laten we nauwgezet volgens Gods Woord wandelen, en zoeken die dingen die boven zijn, en niet die op deze aarde zijn, want als leden van het Lichaam van Christus zijn we burgers van een rijk in de hemelen!

Elia trok op naar Bethel. Wat zegt God van Bethel?

  • "Ik ben de God van Bethel, waar gij (Jacob) een opgerichte steen gezalfd hebt, waar gij Mij een gelofte gedaan hebt; welnu, maak u reisvaardig, ga uit dit land weg en keer naar het land uwer maagschap terug." (Gen 31:13)

Toen Elia optrok naar Bethel was satan de god van Bethel. We leren hier ook uit dat satan de naäper is van God. De satan buigt altijd goede dingen om, teneinde er iets van te maken, wat van God af leidt. Zo gebruikt hij hier mensen, én mensen laten zich gebruiken om de tempeldienst van Jeruzalem te immiteren om het volk tot afgoderij te brengen. Bethel = huis Gods, is geworden tot een huis vol van afgoderij.

 

Nog een duidelijk voorbeeld hoe satan te werk gaat lezen we in 2 Kon 18:1-4, waar we lezen hoe de door Mozes gemaakte koperen slang, die in de woestijn voor het volk Israël "ten leven" was opgericht (Num 21:9), later als afgod misbruikt werd: 2 Kon 18:1-4:

  • "In het derde jaar van Hosea, de zoon van Ela, de koning van Israël, werd Hizkia koning, de zoon van Achaz, de koning van Juda. 2 Vijfentwintig jaar was hij oud, toen hij koning werd, en hij regeerde negenentwintig jaar te Jeruzalem. Zijn moeder heette Abi; zij was een dochter van Zekarja. 3 Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN, geheel zoals zijn vader David gedaan had. (En wat doet Hizkia?) 4 Hij verwijderde de offerhoogten, verbrijzelde de gewijde stenen en hieuw de gewijde palen om; ook sloeg hij de koperen slang stuk, die Mozes gemaakt had, omdat tot op die tijd de Israëlieten daaraan plachten te offeren. En men noemde haar (de slang) Nechustan."

 

De koperen slang: Num 21:4-9:

  • Toen zij van de berg Hor opgebroken waren in de richting van de Schelfzee (= Rode Zee) ten einde om het land Edom heen te trekken, werd het volk onderweg ongeduldig. 5 En het volk sprak tegen God en tegen Mozes: Waarom hebt gij ons uit Egypte gevoerd? om te sterven in de woestijn? Want er is geen brood en geen water en van deze flauwe spijs walgen wij. 6 Toen zond de Here vurige slangen onder het volk; die beten het volk, zodat er velen van Israël stierven. 7 Daarop kwam het volk tot Mozes en zeide: Wij hebben gezondigd, want wij hebben tegen de Here en tegen u gesproken; bid tot de Here, dat Hij de slangen van ons wegdoe. Toen bad Mozes ten gunste van het volk. 8 De Here dan zeide tot Mozes: Maak een vurige slang en plaats die op een staak; ieder, die daarnaar ziet, wanneer hij gebeten is, zal in leven blijven. 9 Toen maakte Mozes een koperen slang en plaatste die op een staak; en wie, wanneer een slang hem gebeten had, op de koperen slang de blik richtte, bleef in leven.”

 

Toen Elisa op weg was naar Bethel, was er dus een andere god die daar aanbeden werd. Een god naar hun eigen begeerte gemaakt. Een gouden kalf. Er was geen geloof in de Ene waarachtige God. Men had een offerdienst ingesteld, welke een afgoden dienst was. Zo was Bethel, het "Huis Gods", een afgoden plaats geworden.

Wanneer we de Bijbel onderzoeken, en we zien, waar Bethel voor de eerste keer voorkomt, dan ontdekken we dat de naam Bethel voor het eerst voorkomt in:

Gen 12:7-8:

  • "Toen verscheen de HERE aan Abram en zeide: Aan uw nageslacht zal Ik dit land geven. En hij bouwde daar een altaar voor de HERE, die hem verschenen was. 8 Toen brak hij vandaar op naar het gebergte ten oosten van Betel, en hij spande zijn tent, met Bethel tegen het westen en Ai tegen het oosten, en hij bouwde daar een altaar voor de HERE en riep de naam des HEREN aan."

De plaatsnaam “Bethel” bestond toen nog niet, maar Mozes, die Genesis later geschreven heeft, gebruikt hier de naam, om het gebied, de plaats aan te duiden waar Abram een altaar voor de Heere bouwde.

Later, in Gen 28:10-19 komen we "Bethel" weer tegen bij de geschiedenis van de kleinzoon van Abraham:

  • "Jakob vertrok uit Berseba en ging naar Haran. 11 En hij bereikte een plaats, waar hij bleef overnachten, omdat de zon ondergegaan was. En hij nam een van de stenen der plaats, legde die onder zijn hoofd en ging op die plaats slapen. 12 Toen droomde hij, en zie, op de aarde was een ladder opgericht, waarvan de top tot aan de hemel reikte, en zie, engelen Gods klommen daarlangs op en daalden daarlangs neder. 13 En zie, de HERE stond bovenaan en zeide: Ik ben de HERE, de God van uw vader Abraham en de God van Isaak; het land, waarop gij ligt, zal Ik aan u en aan uw nageslacht geven. 14 En uw nageslacht zal zijn als het stof der aarde, en gij zult u uitbreiden naar het westen, oosten, noorden en zuiden, en met u en met uw nageslacht zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden. 15 En zie, Ik ben met u en Ik zal u behoeden overal waar gij gaat, en Ik zal u wederbrengen naar dit land, want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik gedaan heb wat Ik u heb toegezegd. 16 Toen Jakob uit zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Waarlijk, de HERE is aan deze plaats, en ik heb het niet geweten. 17 En hij vreesde en zeide: Hoe ontzagwekkend is deze plaats. Dit is niet anders dan een huis Gods, dit is de poort des hemels. 18 De volgende morgen vroeg nam Jakob de steen die hij onder zijn hoofd gelegd had, stelde die tot een opgerichte steen en goot er olie bovenop. 19 En hij noemde die plaats Bethel, maar tevoren was de naam der stad Luz (= amandelboom)." (Gen 28:10-19).

Het was Jacob, die de naam van die plaats heeft bepaald. Jacob wist niet op welke plaats hij zich te rustte begaf, maar na zijn droom, en na de hernieuwde belofte van God, wist hij het wel. En dan zalft hij de steen, die hem als hoofdkussen gediend had. Maar hij zalfde de steen niet zomaar, nee, hij nam die steen, en stelde die tot een opgerichte steen. Dat wijst ons op dé Opgerichte Steen, de opgestane Christus, de Gezalfde. Zo mogen we zien dat Gods Woord altijd en overal wijst op de Christus der Schriften.

Hiervoor waren we bezig te onderzoeken waar we Bethel in de Schrift tegenkomen, naar aanleiding van het tweede wonder van Elisa, “de spottende knapen te Bethel”. In Gen 35:1-7 komen we Bethel weer tegen:

  • "En God zeide tot Jakob: Maak u reisvaardig, trek naar Bethel, blijf daar, en richt er een altaar op voor de God, die u verschenen is, toen gij vluchtte voor uw broeder Esau. 2 Toen zeide Jakob tot zijn huis en tot allen die bij hem waren: Doet weg de vreemde goden die in uw midden zijn, reinigt u en verwisselt uw klederen. 3 Laten wij ons dan gereed maken en naar Bethel trekken, en ik zal daar een altaar oprichten voor die God, die mij geantwoord heeft ten dage mijner benauwdheid, en die met mij geweest is op de weg die ik gegaan ben. 4 Toen gaven zij Jakob al de vreemde goden die in hun bezit waren, en de ringen die in hun oren waren, en Jakob begroef ze onder de terebint die bij Sichem is. 5 Daarna braken zij op. En de schrik voor God viel op de steden rondom hen, zodat zij de zonen van Jakob niet achtervolgden. 6 Toen Jakob aangekomen was te Luz, in het land Kanaän, – dat is Bethel (= God van het huis Gods) – hij en al het volk dat bij hem was, 7 bouwde hij daar een altaar, en hij noemde die plaats El-Bethel, omdat God Zich daar aan hem geopenbaard had, toen hij voor zijn broeder vluchtte." (Gen 35:1-7)

El-Bethel = De God van het huis Gods. Gen 35:9-15

  • "En God verscheen wederom (in Bethel) aan Jakob, bij zijn komst uit Paddan-Aram, en zegende hem; en God zeide tot hem: Gij heet Jakob; gij zult niet meer Jakob heten, maar Israël zal uw naam zijn. En Hij noemde hem Israël. En God zeide tot hem: Ik ben God, de Almachtige, wees vruchtbaar en word talrijk; een volk, ja een menigte van volken, zal uit u ontstaan, en koningen zullen uit uw lendenen voortkomen. En dit land, dat Ik Abraham en Isaak gegeven heb, zal Ik u geven; en uw nageslacht zal Ik dit land geven. En God voer op van hem ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had. En Jakob zette een opgerichte steen ter plaatse, waar Hij met hem gesproken had, een stenen zuil, en hij stortte een plengoffer erover uit en goot er olie op. En Jakob noemde de plaats, waar God met hem gesproken had, Bethel." (Gen 35:9-15)

Weer lezen we over "de opgerichte steen" die gezalfd werd met olie.

Even later in Gen 35:18 Krijgen Rachel en Jacob een zoon:

  • Rachel noemde hem Ben-Oni, maar zijn vader noemde hem Benjamin. Rachel mocht een zoon baren, maar zij overleefde de bevalling niet. Jacob begroef Rachel aan de weg naar Efrat, dat is Bethlehem. En Jakob zette op haar graf een opgerichte steen, dat is de opgerichte steen van Rachels graf tot op heden. (Gen 35:18-20)

Ook dit getuigd van het geloof van Jacob. Jacob wist dat het met de dood niet afgelopen was. Daarom die opgerichte steen op Rachels' graf, ziende op de komende Verlosser, de Opgestane Heer. Nog iets over de zoon van Rachel en Jacob. Rachel noemde hen Ben-Oni, dat betekent "Zoon van mijn smart", maar Jacob noemde hem Benjamin, dat betekent "Zoon van mijn rechterhand". Beide namen wijzen naar de Heere Jezus Christus. Christus moest eerst een "Man van smarten" worden om door Zijn geloofsgehoorzaamheid tot een "Zoon van Mijn rechterhand" te worden.

Honderden jaren later is Elisa op reis naar Bethel. Er is in al die jaren heel wat gebeurd in Bethel. Toen Jacob optrok naar Bethel, had Jacob zijn huis en allen die bij hem waren bevolen hun afgoden weg te doen, ze moesten zich reinigen, en zelfs hun klederen verwisselen. Zó trok Jacob met de zijnen op naar Bethel.

Die gehoorzaamheid van Jacob had tot gevolg dat de schrik voor God viel op de steden rondom hen, zodat de volken de zonen van Jakob niet achtervolgden. Dát werkt gehoorzaamheid uit.

Een groot verschil met de tijd van Elisa. Toen was Bethel vol afgoderij, en de god van Bethel was een kalf, waarvoor tempeldiensten werden gehouden, door valse priesters bediend. Men lag in een afgoden tempel op de knieën voor een kalf!

 

Kleine knapen

Toen Elisa de weg opklom, kwamen er kleine knapen uit de stad, die de spot met hem dreven en hem toeriepen: Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop! (2 Kon 2:23).

We kunnen ons afvragen, wie zijn die kleine knapen, was dit nou kattenkwaad van kleine jongetjes, of was hier meer aan de hand? Daarmee moeten we ons wel beseffen dat die knapen uit Bethel vandaan kwamen, waar de afgodendienst floreerde.

Wat hadden die knapen meegekregen voor onderwijs aangaande de God van Israël? Waarschijnlijk niet veel. Voor "klein" staat er “katan” = klein, jong, onbelangrijk. Het Hebreeuwse woord voor knaap = “u-nor-im”, en dat betekent jongeling, knaap, knecht, jeugdige. In Neh 5:10 en Neh 4:23 vinden we ook het woord “u-nor-im”, waar het respectievelijk is vertaald met “mijn dienaren” en “mijn knechten”.

Om te begrijpen wie die knapen waren, en hoe oude ze waren, en om te weten of het hun toegerekend kon worden, gaan we enkele teksten onderzoeken. Het is altijd goed om bevestiging van Gods Woord uit de Bijbel te ontvangen: 2 Kron 34:1-5

  • "Josia was acht jaren oud, toen hij koning werd, en hij regeerde eenendertig jaar te Jeruzalem. 2 Hij deed wat recht is in de ogen des HEREN en wandelde in de wegen van zijn vader David; hij week niet af, rechts noch links. 3 In het achtste jaar (hij was toen dus 16 jaar oud) zijner regering, toen hij nog jong (= “u-nor-im”) was, begon hij de God van zijn vader David te zoeken, en in het twaalfde jaar (van zijn regering) (toen was hij 20 jaar) begon hij Juda en Jeruzalem te reinigen van de hoogten, de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden. 4 Men brak in zijn tegenwoordigheid de altaren der Baäls af; de wierookaltaren die daarop stonden, hieuw hij om; de gewijde palen, de gesneden en de gegoten beelden verbrijzelde en verpulverde hij, en het stof strooide hij op de graven van hen die daaraan geofferd hadden; 5 de beenderen der priesters verbrandde hij op hun altaren. Zo reinigde hij Juda en Jeruzalem."

Gen 37:28-30

  • "Toen Midjanitische mannen, kooplieden, voorbijgingen, trokken zij Jozef omhoog, haalden hem op uit de put en verkochten Jozef voor twintig zilverstukken aan de Ismaëlieten; en dezen brachten Jozef naar Egypte. 29 Toen Ruben bij de put kwam, zie, Jozef was niet in de put. En hij scheurde zijn klederen, keerde naar zijn broeders terug en zeide: De knaap(= “u-nor-im”) is er niet, en ik, waar moet ik heen?”

Jozef was toen net 17 jaar geweest, dat lezen we in Gen 37:2. Bovendien werd Jozef even later verkocht aan Potifar, een hoveling van Farao, de overste der lijfwacht. Jozef (die knaap = “u-nor-im”) was oud genoeg om de verantwoording over het huis van Potifar op zich te nemen.

Gen 41:12

  • "Nu was daar bij ons een Hebreeuwse jongeman (= “u-nor-im”), (dit was Jozef) een slaaf van de overste der lijfwacht (in de gevangenis), en wij vertelden hem onze dromen, en hij legde ze ons uit; aan ieder gaf hij uitleg naar zijn droom.”

Richt 8:20

  • "Maar de knaap(= “u-nor-im”) trok zijn zwaard niet, omdat hij bang was, want hij was nog jong."

1 Kron 29:1

  • "Daarop zeide koning David tot de gehele gemeente: Mijn zoon Salomo, de enige, door God verkoren, is nog een tengere knaap (= “u-nor-im”), en het werk is groot, want deze burcht is niet voor een mens bestemd, maar voor de HERE God." Uit het voorgaande kunnen we weten dat Salomo toen ongeveer 19 jaar oud was.

Spr 22:6

  • "Oefen de knaap (= “u-nor-im”) volgens de eis van zijn weg, ook wanneer hij oud geworden is, zal hij daarvan niet afwijken."

Spr 20:11

  • Reeds een knaap(= “u-nor-im”) laat zich door zijn handelingen kennen, of zijn doen zuiver is en recht.” (Spr 20:11)

 

We hebben in bovenstaande teksten gezien, dat een knaap kan zijn:

  • In staat te regeren, en in staat de afgoden uit het land te verwijderen.
  • In staat om in een huis de orde op zaken te houden (Jozef bij Potifar).
  • Ervaren in allerlei wijsheid, in het bezit van kennis, met inzicht in wetenschap, geschikt om dienst te doen in het paleis van de koning, en hen te onderwijzen in de geschriften en de taal der Chaldeeën.
  • Zelfstandig op reis kan gaan om zijn broeders in het veld op te zoeken (Jozef)
  • In staat is om een zwaard te trekken.
  • Onderscheid heeft in goed en kwaad (Spr 20:11).

Dan mogen we de conclusie trekken dat het in het geval van de bespotting van Elisa, jongeren geweest zijn, die het toegerekend kan worden. En misschien mogen we ook de voorzichtige conclusie trekken dat hun ouders nalatig geweest waren in de opvoeding van hun "knapen". Want de vermaning in het Woord is duidelijk:

  • "Richt uw hart op de vermaning en uw oor op woorden van verstand. 13 Onthoud de tucht niet aan de knaap; slaat gij hem met de stok, hij sterft er niet van." (Spr 23:12-13).

 

Kom op = Ga op

"Kom op, kaalkop! Kom op, kaalkop!" Dat schreeuwden de knapen uit Bethel tegen Elisa. De staten vertaling heeft dit vertaald met: "Kaalkop, ga op, kaalkop, ga op! Dát is een juiste vertaling, want het Hebreeuwse werkwoord wat hier gebruikt is, is "ala", en dat betekent "opgaan". ("EL AL" = naar boven). De tekst zegt ook duidelijk dat het spottend is bedoeld. Ze bedoelen te zeggen, dat Elisa maar net als Elia moet wegwezen naar boven toe, dan hebben ze geen last meer van hem. We moeten goed beseffen, dat geluid kwam vanuit een afgodisch Bethel!

In dit verband met dat word “ala” lezen we in 2 Kon 2:1:

  • "Het geschiedde, toen de HERE Elia in een storm ten hemel zou opnemen, dat Elia met Elisa uit Gilgal ging."

En in 2 Kon 2:11:

  • "En, terwijl zij voortgingen, al wandelende en sprekende, zie, een vurigewagen en vurige paarden! en die maakten scheiding tussen hen beiden. Alzo voer Elia in een storm ten hemel."

Beide keren, in vers 1 "opnemen", en in vers 11 "voer" (ten hemel), wordt het werkwoord "ala" gebruikt. En dat woord gebruikten die knapen van Bethel ook. En zij voegden daar nog “kaalkop” aan toe.

We hebben gezien dat “kaalkop” eigenlijk afkomstig is van het woord “Korach”. Eigenlijk riepen de knapen uit Bethel dat Elisa moest wegwezen. Elisa moest maar net als Elia “opgaan”. Zoals Korach met zijn opstandigheid niet kon vertoeven onder Israël, zo kon volgens die jongelingen uit Bethel Elisa niet vertoeven onder de bewoners van Bethel, en moest hij maken dat hij wegkwam. Ze wilden die man Gods niet in het afgodisch Bethel.

De jonge knapen uit Bethel zijn gestraft voor hun spotternij. Het woord “kaalkop” betekent niet dat Elisa kaalhoofdig was. Maar volgens de overlevering was het een scheldwoord wat betekende: “Je bent niets waard, waardeloos, wegwezen!”

Dat vinden vandaag ook velen van de Here Jezus. Hij wordt gelasterd en bespot als een nietswaardige! Weet u wat u zoal over onze Heiland kunt lezen? En dat komt dan van vooraanstaande theologen. Enkele uitspraken:

  • De levensgeschiedenis van Jezus zoals weergegeven in de vier evangeliën van het Nieuwe Testament is in wezen een fictief verhaal.
  • Hoogleraar theologie Burton Mack, bijvoorbeeld, gaat zelfs zover dat hij de beschrijving van Jezus in de evangeliën ‘verzinsels’ noemt.
  • In bepaalde geschriften binnen het Jodendom wordt onze Heiland zelfs afgeschilderd als de zoon van een hoer!

Binnen het Christendom lopen allerlei fantasten rond die het beter menen te weten dan de Bijbel zelf en de Persoon van de Here Jezus Christus belachelijk maken, bespotten maken dus eigenlijk. Dit zal alleen maar toenemen als 'spotters met spotternij' zullen spreken naar hun eigen begeerten! Deze knapen spraken grote woorden (spotternij) en lasterden God. Het werd hun oordeel!

De essentie van deze geschiedenis is, dat met een profeet van God de spot gedreven wordt, dus eigenlijk met God Zelf! En daar moeten wel ongelukken van komen. Paulus waarschuwt in Galaten 6: "Dwaalt niet, God laat niet met Zich spotten."

Naarmate de tijd vordert zal de spotternij toenemen. In de brief van Judas, zo vlak voor Openbaring, lezen wij:

  • "Aan het einde des tijds zullen er spotters komen, die naar hun eigen goddeloze begeerten zullen wandelen." (Judas 1:18)

Ook Petrus wijst nadrukkelijk op de aanwezigheid van spotters in de eindtijd:

  • "Dit vooral (!) moet gij weten, dat er in de laatste dagen spotters met spotternij zullen komen, die naar hun eigen begeerten wandelen, en zeggen: waar blijft de belofte van Zijn komst?" (2 Petr. 3:3)

Deze woorden moeten in de eerste plaats gelezen worden met betrekking tot het volk Israël. Immers, Petrus schrijft tot "de vreemdelingen in de verstrooiing”.

De geschiedenis van het volk Israël zal in de toekomst uitlopen op goddeloosheid en spotternij. Maar ook onder de heidenen tot op vandaag is hetzelfde proces voltrokken van goddeloosheid en spotternij.

In 2 Koningen 2 vinden wij zo'n groep van spotters. En we lezen hoe het hun vergaat. Zij worden geoordeeld! Over de spotters in de eindtijd zal eveneens het oordeel komen:

  • Ook over hen heeft Henoch, de zevende van Adam af, geprofeteerd, zeggende: Zie, de Here is gekomen met Zijn heilige tienduizenden, 15 om over allen de vierschaar te spannen en alle goddelozen te straffen voor al hun goddeloze werken, die zij goddeloos bedreven hebben, en voor al de harde taal, die de goddeloze zondaars tegen Hem gesproken hebben.” (Judas :14-15).

Tot vier keer toe wordt in deze verzen het woord “goddeloos” gebruikt. Dat is dus kenmerkend voor de personen over wie het gaat. De goddeloosheid komt tot een hoogtepunt (tot een volheid) als dé goddeloze zich zal openbaren, de mens der zonde, die zich verheft tegen al wat God of voorwerp van verering heet (2 Thess. 2). Steeds weer herhaalt de geschiedenis zich weer. Steeds komt de zonde tot een volheid:

Genesis 6:13

  • Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.”

Genesis 15:16

  • Het vierde geslacht (van Israël) echter zal hierheen wederkeren, want eerder is de maat van de ongerechtigheid der Amorieten niet vol.”

En ook in eindtijd zal de zonde tot zijn volheid komen. De satan zal dan door de werking van verleidende machten (bedrieglijke wonderen) zowel Joden als heidenen achter zich aantrekken met grootsprekerij en lastering. Wat Elisa overkwam is dan ook typologisch voor de spotternij tegen de Heere Zelf, met name in de laatste dagen.

Weet u waar ik dit verband ook aan moest denken? U weet nog wel dat Elia de woestijn introk omdat hij het niet meer zag zitten, en wenste te sterven. Koningin Izebel, de vrouw van koning Achab wilde hem vermoorden. Maar straks zal Elia terugkomen, en dan zal hij weer het evangelie in Israël verkondigen (3 ½ jaar), en ook dan zullen ze niets van hem willen weten, maar dán zal hij werkelijk door de Joden worden vermoord, tezamen met die andere getuige. (in die 3 ½ jaar). Dit lezen we in Openbaring 11:1-14.

Het gevolg van deze bespotting van Elisa in 2 Kon, is een vervloeking in de naam des Heeren van de knapen door Elisa, met als gevolg dat twee berinnen 42 van die kinderen verscheurden. Er staat niet dat er 42 kinderen waren, maar dat er van die spottende kinderen 42 gedood werden. Waarom nou precies 42?

Daar gaan we de volgende keer mee verder.

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk