Bijbelstudie "Het Lichaam van Christus"

Het Lichaam van Christus

Inhoud

Deel 1.

Onze Gezindheid

Deel 2.

Het Kennen (= Ginosko) van Christus

Deel 3.

Verderf = Griekse woord “apoleia”

Deel 4.

Voorzichtig mee omgaan

Gelijkenissen

Het Johannes Evangelie

Deel 5.

Het Pascha

Wonderen

In deze tijd lopen er twee bedieningen

Deel 6.

Opstanding der doden

Evangelie van het Koninkrijk

Bekeert u....

Gelijkenissen

Deel 7.

Acht Tekenen in het Johannes Evangelie

Het eerste Teken

Het tweede Teken

Het derde Teken

Het vierde Teken = Spijziging van 5000

Deel 8.

Het vijfde Teken

Het zesde Teken

Het zevende Teken

Het achtste Teken

Schapen

Deel 9.

Schapen 2

Deel 10.

Het Lichaam van Christus

Deel 11.

Uitverkiezing

De Aoristus-vorm

Deel 12.

Wie behoren tot het lichaam van Christus?

Een roeping Gods

Deel 13.

Waardig Wandelen

Bidden voor elkaar

Deel 14.

De Prijs

Wanneer wordt je nou geroepen?

Deel 15.

Het Voorbeeld

En wat valt er te winnen? Wat is de Prijs?

Het woordje “SUN”

Het Lichaam van Christus deel 1

Onze Gezindheid

Fil 2:1-11:

  • Indien er dan enig beroep (op u gedaan mag worden) in Christus, indien er enige bemoediging is der liefde, indien er enige gemeenschap is des geestes, indien er enige ontferming en barmhartigheid is, 2 maakt (dan) mijn blijdschap volkomen door eensgezind te zijn, één in liefdebetoon, één van ziel, één in streven, 3 zonder zelfzucht of ijdel eerbejag; doch in ootmoedigheid achte de een de ander uitnemender dan zichzelf; en ieder lette niet slechts op zijn eigen belang, 4 maar ieder (lette) ook op dat van anderen. 5 Laat die gezindheid bij u zijn, welke ook in Christus Jezus was, 6 die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. 9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken, 10 opdat in de naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, 11 en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!”

 

Broeders en zusters, voor mij is dit één van de diepstgaande schriftgedeelten uit de Bijbel.

Daarom moeten we dit gedeelte eigenlijk biddend overdenken. Eigenlijk innerlijk de schoenen van je voeten doen. Knielen, en in die houding overdenken. Het gaat hier om de gezindheid welke ook in Christus Jezus (was) (het woordje “was” ontbreekt in het Grieks).

We hebben gelezen:

Laat die gezindheid bij u zijn........, : In de grondtekst staat: Laat die gezindheid IN u zijn........ dat is een gezindheid die het eigen “ik” met trappen steeds verder naar beneden voert.

Van wie wordt dit gezegd? “Laat die gezindheid IN u zijn.” Ja, ik weet wel dat het over de Heere Jezus Christus gaat, maar wat zegt Paulus hier?

Laat die gezindheid in u zijn!!! Wie zijn die U? De geadresseerden van Paulus' woorden zijn:

  • Aan al de heiligen in Christus Jezus, die te Filippi zijn.”

De geadresseerden van de brief aan de Filippenzen zijn de door hun geloof apart geplaatste gelovigen, die te Filippi zijn. Aan hen wordt dit geschreven. Maar ook aan ons is deze brief geschreven.

 

Dit wordt dus over die apart geplaatsten, over Het Lichaam van Christus gezegd:

  • Laat die gezindheid in u Zijn.................”

En broeders en zusters, Als het goed is, dan zijn wij bezig te groeien, op te wassen in Christus, en dan bevinden wij ons positioneel in Christus. Deze gezindheid hoort dan ook in ons gevonden te worden. In allen die één zijn in Christus Jezus.

Eigenlijk mag er staan:Fil 2:5:

  • Laat deze gezindheid in u zijn, die ook ontstaan is in hen, die één zijn in Christus Jezus.”

 

Broeders en zusters, zijn wij in geloof deze weg ook gegaan, van vernedering, enz.?

Dan mogen wij door Gods grote genade ook die weg in Christus omhoog gaan.

Laat die gezindheid IN u zijn.......

Er is altijd een grote HARMONIE in Gods Woord, we vinden die harmonie in Fil 2 eerst zeven stappen van vernedering, die de Heere is gegaan:

Fil 2:7

  1. Hij heeft Zichzelf ontledigd

  2. Hij heeft de gestalte van een dienstknecht aangenomen

  3. Hij is aan de mensen gelijk geworden

  4. Hij is in Zijn uiterlijk als een mens bevonden

  5. Hij heeft Zich vernederd

  6. Hij is gehoorzaam geworden

  7. Hij is gehoorzaam geworden tot de dood des kruises

Om deze redenen, omdat de Heere gehoorzaam is geweest, lazen we, daarom vinden na die stappen van vernedering de zeven stappen omhoog:

 

Fil 2:9-11 na de zeven stappen naar beneden ook zeven treden die omhoog leiden:

  1. God heeft Christus de naam boven alle naam geschonken.

  2. In de naam van Christus zal alle knie zich buigen,

  3. Van hen die in de hemel,

  4. Van hen die op de aarde,

  5. Van hen die onder de aarde zijn.

  6. Alle tong zal belijden.

  7. Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!

 

Overigens weten wij dat Zijn gehoorzaamheid de reden van ons heil is geworden, en wanneer wij in die gezindheid gaan staan,

  • mogen ook wij die weg omhoog gaan,
  • mogen ook wij onze positie IN Hem innemen.

Maar er wordt veel meer gezegd, het begint al met “in de gestalte Gods zijnde”,

  • Christus Jezus, 6 die in de gestalte Gods zijnde” (Fil 2:6)

 

Het woordje “zijnde” (dat is het Griekse woord “hipargon”), en dat geeft aan “het bestaan”, en geeft tevens aan “het bezitten van” datgene waar over wordt geschreven, zoals we ook over “het bezitten” lezen in Hand 3:6, waar Petrus zegt: “Zilver en goed bezit ik niet.........”

 

In de gestalte Gods zijnde” betekent dat die gestalte was van oorsprong het bezit van Christus was, het was Zijn eigendom. Hij was God!

 

Fil 2 :6 “die in de gestalte zijnde”, betekent dus dat Hij die gestalte bezat. We vinden twee Griekse woorden in Fil 2:6-8, die van belang zijn:

  1. gestalte = Grieks: “morphe” = vorm = uiterlijk en innerlijk, geheel en al, door en door.

  2. gedaante = Grieks: “schema” = alles wat uiterlijk aan Christus is te zien.

 

In Fil 2:6-8 vinden we twee keer het Griekse woord “morphe” en één keer het Griekse woord “schema”

  • Die, in de gestalte (vorm = morphe) Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte (vorm = morphe) van een dienstknecht (= slaaf) heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in zijn uiterlijk (= schema = uiterlijk) als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.” (Fil 2:6-8).

 

Christus was reeds God, Hij bezat die morphe. Hij hoefde niet te grijpen wat Hij al bezat.

  • Hij was God gelijk.
  • Het Woord was God!
  • Hij was God in het vlees.

Het was voor Christus geen roof, maar vrijwillig vernederde Hij zich. Hij heeft het uiterlijk van een mens aangenomen. Hier staat het woord “schema”, alleen uiterlijk leek Hij op een mens.

 

Morphe” zien we ook terug in het woord “metamorphose”. En die metamorphose vinden we in de natuur ook terug in de verandering van rups naar vlinder = uiterlijk en innerlijk.

 

Christus was in de “morphe” van God, en Hij legde die “morphe” af, en nam de “morphe” aan van een slaaf.

Anders gezegd: Christus was geheel en al, uiterlijk en innerlijk God, en Hij werd geheel en al, uiterlijk en innerlijk een dienstknecht, een slaaf.

 

Hoe deed Hij dat?Door zichzelf te ontledigen. Hij heeft Zijn heerlijkheid volledig afgelegd. Het gevolg was dat Hij uiterlijk de gedaante van een mens kreeg = alleen uiterlijk (= schema). Alleen uiterlijk, men zag een mens, maar Hij was God! (denk maar aan Zijn woord, en denk maar aan Zijn daden).

Dat Christus God was, dat Hij die gestalte Gods bezat, blijkt ook uit het feit dat Christus kon veranderen, Hij kon een metamorphose ondergaan. Zie daarvoor:

 

Math 17:2, waar we lezen over de verheerlijking op de berg, waar we zien dat Christus helemaal veranderde:

  • En zijn gedaante (morphe) veranderde voor hun ogen en zijn gelaat straalde gelijk de zon en zijn klederen werden wit als het licht.”

Ook in Open 1:13 lezen we over Christus:

  • Iemand als eens mensen zoon, bekleed met een tot de voeten reikend gewaad, en aan de borsten omgord met een gouden gordel; en zijn hoofd en zijn haren waren wit als witte wol, als sneeuw, en zijn ogen als een vuurvlam; en zijn voeten waren gelijk koperbrons, als in een oven gloeiend gemaakt, en zijn stemwas als een geluid van vele wateren. En Hij had zeven sterren in zijn rechterhand en uit zijnmond kwam een tweesnijdend scherp zwaard; en zijn aanzien was gelijk de zon schijnt in haar kracht.” (Openb 1:13-16).

 

Ook wat ons betreft komt die “metamorphose” tevoorschijn in het Woord, in Fil 3:10, waar staat dat Paulus alles prijs wil geven:

  • Om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig (summorphoo) wordende, 11 zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” (Fil 3:10)

 

Dit betekent, dat wanneer iemand van het Lichaam van Christus komt te sterven, dat hij/zij dan summorphoo, dat is precies gelijk deel zal krijgen aan Christus' dood én opstanding!Morphe komt vaak met allerlei voorzetsels voor. In de vertalingen is dat niet altijd duidelijk.

Ook summorphoo = mede morphoo = mee(de)gevormd (= gelijk) worden met Christus:

 

Paulus ziet hier op zijn eigen vernedering, op de laatste trede op de trap naar beneden, daaraan geheel gelijkvormig wordende, betekent dat, dat hij deel zal krijgen aan Zijn verhoging, en uiteindelijk zal dat leiden tot de uitopstanding uit de doden.

  • Helemaal naar beneden zal dan leiden naar “helemaal naar boven.”

 

Ook in Fil 3:20-21 komen we “morphe” en “schema” tegen. Het is jammer dat vers 20 gebrekkig is vertaald. In de NBG staat:

  • Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten.”

 

De woorden “van een rijk” staan niet in de grondtekst. En “Wij zijn” heeft de betekenis van “Wij bezitten”, want dat betekent het Griekse woord “hypargon”, wat we daar in de grondtekst vinden. Wanneer we vers 20 dan juist zouden vertalen, dan staat er:

  • Want wij bezitten het burgerschap in de hemelen, waaruit (dus vanuit deze hoog-geplaatste positie) wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten.
  • De HSV heeft vertaald: Ons burgerschap is echter in de hemelen, waaruit........)

 

En dan het verder in Fil 3:21:

  • Die (De Heere Jezus Christus) ons vernederd lichaam veranderen (= metaschematizo) zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam gelijkvormig (summorphoo = identiek = als twee druppels water = mede gevormd) wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.”

 

In deze tekst komen we beide woorden tegen, zowel “sunmorphoo, maar ook “schema” in de vorm van “metaschematizo”.

Dus in Fil 3:21 staat eigenlijk:

  • Die ons vernederd lichaam uiterlijk veranderen zal, zodat het aan zijn verheerlijkt lichaam zowel innerlijk als uiterlijk, (geheel en al) gelijkvormig wordt, naar de kracht, waarmede Hij ook alle dingen Zich kan onderwerpen.”

 

Dat verheerlijkte lichaam wat wij (dat zijn de leden van Zijn Lichaam) mogen ontvangen,

  • zal gelijk zijn aan het verheerlijkte Lichaam van Christus.
  • Dat is een heel bijzonder lichaam.
  • Dat is een lichaam wat kan veranderen indien nodig (denk aan de verheerlijking op de berg, denk aan de gestalte van een dienstknecht aannemen)

 

Laat die gezindheid in u zijn.........

Boomstam:

Door toeval (?) kreeg ik een stuk van een boomstam in mijn handen, toen ik ons erf aan het opruimen was. En zoals we weten kunnen we door de zogenaamde jaar-ringen de ouderdom van een boom uitrekenen, door die jaar-ringen te tellen.

Ik bekeek het stuk hout dat ik in mijn handen had, en telde ongeveer 33 jaar. Maar er was iets bijzonders met die jaar-ringen. Vanuit het hart gerekend waren de eerste 22 jaar normaal gegroeid, maar voor wat betreft de laatste 11 jaren viel me iets op.

 

In de laatste 11 jaren was de groei totaal gestagneerd. De jaarringen van die laatste 11 jaren waren nog wel te zien, maar de groei stelde niets voor. Er moest iets zijn wat de groei heeft belemmerd in die laatste 11 jaren. De jaarringen van die laatste jaren waren bijna niet te tellen, zo klein waren ze. Wat was het geval?

 

Ik kwam erachter dat ongeveer 11 jaar geleden naast de boom een groot gat was gegraven van ongeveer 3 bij 4 meter, en dat in dat gat van alles en nog wat was gegooid, voornamelijk veel puin, en rommel zoals voorkomt op een boerenerf. Dus al die rommel in dat gat naast de boom had de groei van die boom geweldig belemmerd. Daardoor was de groei van de boom bijna tot stilstand gekomen.

 

Toen ik hierover nadacht kwamen de woorden van Paulus in mijn gedachten. De apostel zegt in: Fil 3:7-11 “Maar”, zegt Paulus, en ik wil hem dat na zeggen en ik hoop u ook:

  • Alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. (St. Vert: Om de uitnemendheid der kennis van Christus Jezus) Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis (drek), opdat ik Christus moge winnen, en in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof van Christus, welke uit God is op de grond van het geloof. (Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.” (Fil 3:5-11).

 

Paulus was bereid alles uit het verleden prijs te geven. En dat was nogal wat! Zie de zeven genoemde punten, die hij om Christus wil wilde prijsgeven, maar eens op een rij:

Fil 3:4-6

  • Indien een ander meent op vlees te kunnen vertrouwen, ik nog meer.”

 

En dan volgt een opsomming van 7 punten uit zijn oude leven naar het vlees waarin hij zou kunnen roemen, al weet hij dat dat roemen tot niets dient:

  1. besneden ten achtsten dage, (vs 5)

  2. uit het volk Israël, (vs 5)

  3. van de stam Benjamin, (vs 5)

  4. een Hebreeër uit de Hebreeën, (vs 6)

  5. naar de wet een Farizeeër, (vs 6)

  6. naar mijn ijver een vervolger van de gemeente, (vs 6)

  7. naar de gerechtigheid der wet onberispelijk. (vs 6)

 

Ik wil dit naar mezelf toetrekken, en u kunt allemaal voor uzelf wel punten invullen, dan komt er te staan:

  1. ik ben als kind gedoopt in de geref kerk,

  2. en vanaf dat moment was ik volgens de regels van die kerk ingelijfd bij de gemeente.

  3. ik was uit een gereformeerd gezin

  4. ik was lid van de gereformeerde kerk

  5. ik was belijdend lid van die kerk

  6. ik ging trouw naar de bijbelstudies van die kerk

  7. En wat moet ik nog meer voor goede dingen invullen?

 

U weet het zelf wel. Iedereen kan voor zichzelf ook zo'n lijstje maken. Je kan van alles invullen, maar wat heeft uw hart? Paulus achtte alles schade! Maar hij kreeg er heel veel voor terug.

Wat heeft dit nu te maken met die boomstam? Daar gaan we het de volgende keer over hebben.

 

Deel 2 volgt DV.

Bert Boersma Januari 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 2

De vorige keer heb ik u een paar foto's van een boomstam laten zien. Ik wil daar nog even op terug komen. Wat laat die boomstam nou aan ons zien. Wat kunnen we daarvan leren?

Die boomstam laat ons zien, dat die boom niet wilde groeien, als de grond vol rommel zit, daaruit leren we dat we:

  • De belemmeringen, alle oude dingen in ons leven moeten opruimen.
  • Die oude dingen belemmeren ons om te groeien in Christus.
  • De ballast, de leringen uit eerdere gemeenten of kerken, die we moeilijk kunnen loslaten, dat we die achter ons moeten laten.
  • Wanneer we die oude leringen in wat voor vorm ook willen vasthouden, dan kan er niets voor in de plaats komen, omdat ons hart vol is van het oude.
  • Maar wanneer we werkelijk bereid zijn om al het oude om Christus wil in te leveren, dan kan Christus onze harten vullen met Zijn nieuwe waarheden.
  • En dan zullen we ontdekken, dat het nieuwe wat we uit Zijn Woord ontvangen van veel groter waarde zal blijken te zijn dan al het oude!

 

Kijk maar eens wat Paulus allemaal ontving toen hij de oude dingen achter zich liet, en wanneer Paulus in die gezindheid van Fil 2:5 gaat staan, dan lezen we in Fil 3:8-11 de zeven zaken op die hij in Christus wil najagen:

  1. De kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles (het oude) prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik Christus moge winnen. (vs 8).

  2. En in Hem moge blijken niet een eigen gerechtigheid, uit de wet, te bezitten, maar de gerechtigheid door het geloof van Christus, welke uit God is op grond van het geloof. (vs 9)

  3. (Dit alles) om Hem te kennen (vs 10)

  4. En de kracht zijner opstanding (vs 10)

  5. En de gemeenschap aan zijn lijden, (vs 10)

  6. Of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, (vs 10)

  7. zou mogen komen tot de opstanding uit de doden. (11)

 

Alleen wanneer we bereid zijn om die oude belemmeringen op te ruimen, zullen we kunnen groeien en wortelen in Christus Jezus, onze Heere.

En net zoals de boom weer normaal kan groeien, wanneer we de grond “schoon” maken, zodat de wortels weer normaal hun voeding kunnen vinden, zo zal ons leven in de Heere weer kunnen groeien, als we al het oude opruimen, en dan kunnen we weer vrijelijk wortelen en groeien in de Heere.

Dus wanneer we bereid zijn al die oude dingen op te ruimen, is er ruimte om nieuwe dingen te ontvangen. Dan zijn er geen belemmeringen meer, dan alleen kunnen we vrijelijk ingaan in al het nieuwe wat God ons wil geven. Dan ontvangen we geopende ogen des harten om de zegeningen die de Heere ons wil geven, te ontdekken.

 

Even een zijstapje. Toen ik over deze dingen nadacht, moest ik denken aan Jozua. Wat moest het volk Israël doen toen ze het beloofde land binnentrokken?

Geweldige beloften vinden we daar in Jozua 1:1-9:

  • Het geschiedde na de dood van Mozes, de knecht des HEREN, dat de HERE tot Jozua, de zoon van Nun, de dienaar van Mozes, zeide: Mijn knecht Mozes is gestorven; welnu, maak u gereed, trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele volk, naar het land, dat Ik hun, de Israëlieten, geven zal. Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden, zoals Ik tot Mozes gesproken heb. Van de woestijn en de Libanon ginds tot aan de grote rivier, de rivier de Eufraat, het gehele land der Hethieten, en tot aan de Grote Zee in het westen zal uw gebied zijn. Niemand zal voor u standhouden al de dagen van uw leven; zoals Ik met Mozes geweest ben, zal Ik met u zijn;Ik zal u niet begeven en u niet verlaten. Wees sterk en moedig, want gij zult dit volk het land doen beërven, dat Ik hun vaderen gezworen heb hun te zullen geven. Alleen, wees zeer sterk en moedig en handel nauwgezet overeenkomstig de gehele wet die mijn knecht Mozes u geboden heeft; wijk daarvan niet af naar rechts noch naar links, opdat gij voorspoedig zijt, overal waar gij gaat. Dit wetboek mag niet wijken uit uw mond, maar overpeins het dag en nacht, opdat gij nauwgezet handelt overeenkomstig alles wat daarin geschreven is, want danzult gij op uw wegen uw doel bereiken en zult gij voorspoedig zijn. Heb Ik u niet geboden: wees sterk en moedig? Sidder niet en word niet verschrikt, want de HERE, uw God, is met u, overal waar gij gaat.” (Joz 1:1-9).

 

Wat zei Mozes tegen het volk Israël op het einde van zijn leven?

Deut 31:3

  • De HERE, uw God, zelf zal voor u uit overtrekken; Hij zelf zal die volken vóór u verdrijven en verdelgen, zodat gij hun land in bezit kunt nemen; Jozua zal voor u uit overtrekken, zoals de HERE geboden heeft.”

 

En wat herhaalde Jozua tegen het volk Israël?

Jozua 3:10

  • Voorts zeide Jozua: Hieraan zult gij weten, dat de levende God in uw midden is en dat Hij zeker de Kanaänieten, de Hethieten, de Chiwwieten, de Perizzieten, de Girgasieten, de Amorieten en de Jebusieten voor u uit verdrijven zal.

 

Maar wat gebeurde er?

Jozua 15:63

  • De Judeeërs echter konden de Jebusieten, die in Jeruzalem woonden, niet verdrijven, zodat de Jebusieten bij de Judeeërs in Jeruzalem zijn blijven wonen tot op de huidige dag.”

 

Wat was het gevolg van deze ongehoorzaamheid en dit ongeloof?

Jozua 23:13

  • weet dan voorzeker, dat de HERE, uw God, deze volken niet verder voor u verdrijven zal; dan zullen zij u worden tot een strik en een val, tot een gesel op uw zijden en dorens in uw ogen, totdat gij vergaan zult uit dit goede land, dat de HERE, uw God, u gegeven heeft.”

 

Dus even met betrekking tot die boomstam: Wat moest Israël doen?

Het land schoonmaken, de boel opruimen. Eigenlijk betekende dit dat ze de afgoderij uit het land moesten verwijderen, want daarom moesten die volkeren uit het land worden verdreven. En wanneer Israël dát zou doen, dan zouden ze kunnen leven in al de beloofde zegeningen, die God hen had beloofd.

 

Wat moeten wij doen?

Alles schoonmaken en opruimen, en dan bedoel ik alles wat u in de weg kan staan om te groeien en op te wassen in Christus Jezus onze Heere. Want zolang er van alles en nog wat in de weg staat, kan God ons niet vullen met zijn zegeningen en kan er onmogelijk groei in Hem zijn. Dit was even een zijstapje naar Jozua, om te laten zien wat Israël is overkomen, en dat dat ons tot lering mag zijn.

 

En ik geloof, dat net zo goed als Israël de opdracht kreeg om het land schoon te maken, ook wij de opdracht hebben om de oude dingen achter ons te laten, om ze “drek” te achten, zodat we kunnen groeien in Christus!

 

Hiervoor is een juiste gezindheid nodig, die gezindheid waarvan we lezen in

Fil 2:5-9:

Laat die gezindheid IN u zijn, welke ook in Christus Jezus was”, of zoals die bij bij Paulus aanwezig was in Fil 3. Hij ruimde ook alles op. Hij achtte zelfs alles schade!

 

Daarom broeders en zusters, laten er geen belemmeringen in ons leven zijn, die onze groei in Christus verhinderen, maar laten we in de juiste gezindheid wandelen, en alzo

volwassen worden, tot wasdom komen in onze Heiland, Christus Jezus, onze Heere.

En dán kan er in ons leven ook vrucht ontstaan.

 

Of zoals Ef 4:13 het zegt in de HSV: Waar we lezen waar een juiste gezindheid toe leidt:

  • Totdat wij allen komen tot de eenheid van het geloof en van de kennis van de Zoon van God, tot een volwassen man, tot de maat van de grootte van de volheid van Christus”

En Fil 3:15 in de HSV:

  • Laten wij dan, die geestelijk volwassen zijn, deze gezindheid hebben.”

Fil 3:17:

  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.”

Want, er is ook nog een andere kant: en dat gaat ook over gelovigen:

  • velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:18-19)

Weest allen mijn navolgers, broeders en zusters, en ziet op hen, die evenzo wandelen gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.

 

Dat “voorbeeld”, het Griekse woord voorbeeld, dat is het woord “typos”, het woord patroon, “gelijk gij ons tot “patroon”, tot voorbeeld hebt.

En wij hebben ook dat patroon, en dat patroon is Paulus zelf.

 

En je mag dus Paulus volgen, je mag hem kopiëren, en dan zeggen sommigen, ja maar ik ga niet Paulus volgen, ik wil Christus volgen. Maar Paulus zegt: “Ik volg Christus”, dat lezen we in 1 Kor 11:1

  • Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg.”

 

Paulus volgt Christus na, en als je met Paulus meeloopt, met Wie loop je dan mee? Dan loop je met Christus mee volgens 1 Kor 11:1.

En Paulus is aangesteld, als wat? Paulus is de uitdeler, we mogen met hem meedoen, hij is de bedeler. Hij is de openbaarder van die openbaring van de verborgenheid.

En je mag dus de gezindheid van Paulus kopiëren, die op zijn beurt de gezindheid van Christus heeft gekopieerd.

 

Ziet u de de parallel tussen Fil 2 en Fil 3?

  • Laat die gezindheid IN u zijn, welke ook in Christus Jezus was".

Die gezindheid, die we ook terugvinden in de apostel Paulus. En waarvan Paulus zegt dat het goed is om hun te imiteren.

 

Het Kennen (= Ginosko) van Christus

Fil 3:10Dit alles om Hem te kennen”.

 

Paulus wilde alles prijs geven uit zijn oude leven, om Christus te kennen!

Christus te kennen, daar ging Paulus' verlangen naar uit. En als het goed is broeders en zusters, gaat ons verlangen daar ook naar uit. En waar verlang je dan naar? Dan verlang je eigenlijk om bij Christus te zijn.

  • Ik verlang heen te gaan, en bij Christus te zijn, want dat is verreweg het beste”, zegt Paulus.

 

Om Hem te kennen.”

Hoe leer ik Hem dan kennen? Kan dat zomaar? Nee, wat moet er dan gebeuren?

En dat is nou juist het bijzondere wat voor hen geldt, die tot het Lichaam van Christus behoren.

Dan moet er bij ons sterven gebeuren, dat wij de kracht van Zijn opstanding leren kennen, anders kan ik nooit bij Hem zijn, en Hem echt ten diepste leren kennen.

Want dán pas ervaren we ten volle het kennen van Christus, door de kracht van Christus' opstanding.

 

Dat woord “kennen” van Fil 3:10, “dit alles om Hem te kennen”, is een heel bijzonder Grieks woord. Dat is niet het woord “kennen”, zoals dat normaal wordt gebruikt, van “ik heb u leren kennen”, of dat je zegt “ik ken hem”, of “ik ken haar”, of “ik ken haar wel”, of “ik heb haar wel eens ontmoet”. Nee, dit “kennen” is een heel diep kennen.

Het is het Griekse woord “ginosko”, wat hier door Paulus voor “kennen” wordt gebruikt, en dat is wel een heel bijzonder woord.

Dat is niet het woord “epignosis”, wat we ook in de Schrift vinden voor “kennen”. “Epignosis” dat is eigenlijk “boven-kennis”, en dat gaat veel verder dan “gnosis”.

Epignosis” betreft ook een recht kennen, maar heeft betrekking op:

  • Een Gode welgevallige wandel, die afhankelijk is van de rechte kennis van Gods plan.
  • Heeft te maken met het recht kennen van het geheimenis, waarover Paulus in Efeziërs en Kolossenzen uitvoerig spreekt,
  • Dat we daarin tot volkomen inzicht komen.
  • In Kolossenzen 1 bidt Paulus voor de gelovigen "dat zij met de rechte kennis van Zijn wil vervuld mogen worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, om de Here waardig te wandelen.
  • Hoe zouden we waardig kunnen wandelen zonder de rechte kennis (epignosis) van Gods plan?

 

Maar hier gaat het over “GINOSKO”: Het Kennen waar Paulus naar verlangt, en wat in de toekomst ligt.

In Math 1:25 komen we ditzelfde woord “ginosko” ook tegen, en daar laat het ons zien wat het ten diepste inhoudt:

  • En hij (Jozef) had geen gemeenschap (Grieks: ginosko) met haar (Maria), voordat zij een zoon gebaard had. En hij gaf Hem de naam Jezus.” (Math 1:25).

Gemeenschap, seksuele gemeenschap, dat staat er eigenlijk, dat is het woord “ginosko”.

In de Staten Vert vinden we het woord “kennen” nog terug in deze tekst:

  • En bekende haar niet, totdat zij dezen haar eerstgeboren Zoon gebaard had.” (Math 1:25).

In Lukas 1, in het gesprek tussen de engel Gabriël en Maria, wordt dat zelfde woord “ginosko” door Maria gebruikt, als ze de boodschap van de Engel hoort, dan is ze heel verwonderd, en terecht heeft ze de vraag: Lukas 1:34:

  • En Maria zeide tot de engel: Hoe zal dat geschieden, daar ik geen omgang (Grieks: ginosko) met een man heb?”

De St. Vert. komt ook hier dichter bij de grondtekst, daar vinden we ook het woord “kennen” (= “ginosko”) nog in terug. De St. Vert vertaalt deze tekst:

  • En Maria zeide tot den engel: Hoe zal dat wezen, dewijl ik geen man bekenne?”

Eigenlijk staat daar: “Daar ik geen seksuele omgang met een man heb?”.

Dát is het kennen waar Paulus over spreekt.

 

Ook Ef 3:19 spreekt over dit diepe kennen, ook daar wordt het woord “ginosko” gebruikt:

  • En te kennen ( = ginosko) de liefde van Christus, die de kennis (= gnosis) te boven gaat, opdat gij vervuld wordt tot alle volheid Gods.” In de St. Vert. staat ook daar het woord bekennen.

 

Broeders en zusters, ziet u het verschil tussen het kennen van Christus hier en nu, én Christus echt diep kennen, wat voor alle gelovigen die nu nog leven, in de toekomst ligt?

En dat diepe kennen, dat is gemeenschap hebben, en dat is niet wat de wereld er allemaal van maakt.

En, we kennen Christus allemaal vandaag, maar ik ken Hem niet op een wijze, dat ik Hem echt zie, dat ik Hem echt bij me heb, bij Hem ben. Daar kan ik alleen maar naar verlangen.

En dat verlangen gaat gepaard met het verlangen om heen te gaan, en met Christus te zijn,

en dat het zover komt, dat ik één met Hem wordt. Dan zal ik Hem kennen, zoals de Schrift het bedoelt met “ginosko”.

 

Broeders en zusters, Paulus had een diep verlangen, een verlangen om al deze diepe zaken te delen met zijn toehoorders. En hij kan zich erover verheugen dat ze met hem meelopen, hij dankt dan ook:

Fil 1:3-5

  • Ik dank mijn God, zo dikwijls ik uwer gedenk; immers, in al mijn gebeden bid ik telkens voor u allen met blijdschap, wegens uw deelhebben aan de prediking van het evangelie, van de eerste dag af tot nu toe.”

 

En wanneer hebben wij deel aan die prediking? En dan doel ik op die prediking die Paulus in zijn latere brieven (Efeze, Filippenzen en Kolossenzen, enz.) mocht bekend maken (dus de brieven, die hij na Handelingen 28 heeft geschreven).

  • Wanneer we de houding van Paulus kopiëren.
  • En met Paulus gaan meelopen.

We krijgen deel aan die prediking wanneer we persoonlijk met het Woord aan de slag gaan, om te onderzoeken, de dingen die de Heere ons in Zijn Woord wil openbaren.

Ook dat is een vorm van gemeenschap, en wanneer we dat doen in die gezindheid, die Paulus ons voorhoudt, (denk maar aan dat stuk hout), dan zullen we rijk worden gezegend.

Tot slot nog even naar Fil 1:6:

  • Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot IN de dag van Christus Jezus.”

Naar aanleiding van deze tekst twee vragen:

  1. Wat is dat goede werk wat Christus in u is begonnen, broeders en zusters?
  2. Wanneer kon God beginnen met Zijn goede werk in U?

 

Het antwoord op deze vragen is, dat Christus ons wil opvoeden tot volwassenen, dat we door het Woord opwassen in de rechte kennis, en als volwassenen leren onderscheiden de dingen die verschillen.

En dat werk kon pas een aanvang nemen, toen Christus uw gezindheid zó omboog, dat u bereid was, al het oude schade te achtten, zodat Hij u met Zijn Waarheid kon vullen, kon volmaken, zodat u kon opwassen in Hem! Toen u die Geest van Wijsheid en openbaring ontving, om Hem recht te kennen.

En broeders en zusters, dat goede werk in u, is Hij dat al begonnen?

Dat goede werk, dat opwassen in Hem, dát zal Hij voortzetten, tot in de dag van Christus Jezus?

En als laatste bid Paulus in Fil 1:9:

  • En dit bid ik, dat uw liefde nog steeds meer overvloedig moge zijn in helder inzicht en alle fijngevoeligheid, om te onderscheiden, waarop het aankomt. Dan zult gij rein en onberispelijk zijn tegen de dag van Christus, vervuld van de vrucht van gerechtigheid, welke door Jezus Christus is, tot eer en prijs van God.” (Fil 1:9-11)

 

Deel 3 volgt DV.

Bert Boersma januari 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

 

Het Lichaam van Christus deel 3

De vorige keer hebben we het gehad over “Onze Gezindheid”.

Graag wil ik eigenlijk verder gaan met dat onderwerp, en het verder uitbreiden, en met u proberen te zien in het Woord waar uiteindelijk een juiste gezindheid toe leidt. Dit is een uitgebreid onderwerp, daarom zal ik proberen het uitvoerig te behandelen

 

We hebben de vorige keer o.a. de tekst uit Fil 2 behandeld, over het feit dat Christus zichzelf ontledigd heeft, en dat Hij vanwege Zijn gehoorzaamheid ook uitermate is verhoogd. De kern, die we toen hebben behandeld was: “Laat die gezindheid IN u zijn.”

 

Verder hebben we toen gezien in Fil 3 hoe Paulus dat voorbeeld van Christus volgde, en ook al het oude schade achtte. Denk nog maar eens aan die boomstam, die ons leerde dat die boom niet wilde groeien door al die rommel in de grond, en dat wij net zo ook al de “rommel”, al het oude in ons leven moesten opruimen, om te kunnen groeien in Christus Jezus, onze Heere.

 

We hebben toen gezien hoe Paulus al het oude schade achtte, en dat hij ernaar jaagde om Christus te kennen. We hebben de parallel gezien tussen de zeven stappen van vernedering van de Heere, en de zeven stappen van Zijn verhoging, en zo ook bij Paulus, de zeven stappen naar beneden, en ook de zeven stappen omhoog.

We hebben gezien dat we Paulus als voorbeeld moesten imiteren, hem als patroon moesten navolgen.

 

We zouden ons eigenlijk moeten afvragen, waarom komen deze dingen, die we de vorige keer behandeld hebben, zo met nadruk, eigenlijk als een gebiedende wijs, als een opdracht tot ons. Paulus zegt al die dingen eigenlijk als een opdracht tot ons.

En dan bedoel ik:

  • Laat! die gezindheid bij (= IN) u zijn, welke ook in Christus Jezus was!(Fil 2:5).
  • Laten! wij dan, die geestelijk volwassen zijn, deze gezindheid hebben!” (Fil 3:15).
  • Weest! allen mijn navolgers broeders, en ziet!op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.” (Fil 3:17).

 

Het antwoord op deze nadrukkelijkheid kan niet anders zijn, dan dat Paulus erg bewogen is met zijn toehoorders, en omdat hij weet dat er veel van de houding, van de gezindheid van zijn toehoorders afhangt. Daarom hamert Paulus zo op deze dingen, omdat deze dingen zo erg belangrijk zijn!

 

Broeders en zusters, er zijn gelovigen én gelovigen. En dan bedoel ik, er zijn gelovigen, die getrouw zijn, en er zijn gelovigen, die het wel geloven, die eigenlijk niet trouw zijn.

Een tekst die over beide soorten gelovigen spreekt, en die eigenlijk goed aangeeft wat Paulus bedoelt, is Fil 3:17-19:

De eerste groep gelovigen vinden we in vers 17:

  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.”
  • HSV: Iets beter vertaald: “Wees met elkaar mijn navolgers, broeders, en houd het oog gericht op hen die zó wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt.”

 

Houdt het oog gericht op hen, die ook zó wandelen”, lazen we, hieruit mogen we opmaken, dat zij dit al deden, maar zegt Paulus eigenlijk “Houd dat ook zó! Houd dat vast!

 

Want, er is ook nog een andere kant: en dat gaat ook over gelovigen:

En dat is de tweede groep gelovigen:

  • Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. 19 Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:18-19).
  • HSV: “Zij bedenken aardse dingen.

 

Sommigen zeggen dat dit laatste over ongelovigen gaat, maar dat kan helemaal niet.

  • Want van ongelovigen staat vast dat zij wandelen als vijanden van het kruis van Christus, hier zou dat niet zo moeten zijn.
  • Van ongelovigen staat vast dat zij aardse dingen bedenken, wat zouden zij anders bedenken? Ook hier zou dat niet zo behoren te zijn, omdat het gelovigen betreft.

 

Bovendien, waarom huilt Paulus? Omdat het gelovigen betreft.

En daarom heeft Paulus daar erg verdriet van, dat er gelovigen zijn die wandelen als vijanden van het kruis van Christus, enz.

 

Er wordt heel veel, bijna altijd, verkondigd, dat allen die in deze, onze tijd tot geloof komen ook allemaal bij het Lichaam van Christus behoren, omdat dat het enige is waar God Zich in deze tijd mee bezig houdt.

Maar vandaag wil ik de vraag in uw midden leggen, is dat zo?

 

Is het zo, dat een ieder die nu in deze tijd tot geloof komt ook meteen bij Het Lichaam van Christus behoort?

Kunnen we tegen iemand die pas tot geloof gekomen is, dus tegen een pasgeborene zeggen: “Ja, je weet het nog wel niet, maar je bent al gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemel”. (Ef 1:3). Kunnen we dat zeggen?

 

En ik wil graag met u door de Bijbel heen, om te onderzoeken of deze dingen zo zijn.

Want hoe ik over de dingen denk is totaal onbelangrijk, en hoe u persoonlijk over dingen denkt is ook niet belangrijk, het enige wat telt is, wat zegt God in Zijn Woord. Dat is maatgevend.

 

Men vraagt mij wel eens over het één of ander, hoe denk jij daar over? Dan is steevast mijn antwoord: “Hoe ik erover denk is totaal onbelangrijk. Ik wil je wel vertellen, wat de Bijbel ervan zegt. En zo wil ik ook vanmorgen omgaan met de vraag:

Behoren alle gelovigen in deze tijd tot het Lichaam van Christus?

 

En eigenlijk is de tekst die we net behandeld hebben, een goed voorbeeld om aan te tonen dat er verschillende groepen gelovigen zijn, en dat niet alle gelovigen van deze tijd tot het Lichaam van Christus behoren. Paulus zegt niet voor niets:

  • Weest! allen mijn navolgers, en ziet op hen, houdt! het oog gericht op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.”

 

Blijkbaar heeft die wandel een doel, en heeft die wandel positieve gevolgen voor die gelovige. In de tekst zit ook iets van: Houdt stand! Blijf goed wandelen! Anders lijdt je schade!

 

Want die andere gelovigen, die niet dat voorbeeld van Paulus volgen, die als vijanden van het kruis van Christus wandelen, zullen het verderf zien, dat hebben we gelezen in Fil 3:19.

 

We moeten goed beseffen dat het hier in Fil 3 gelovigen betreft in deze tijd. Dus in deze tijd zijn er verschillende soorten, we mogen spreken van verschillende groepen gelovigen.

Zien we die twee groepen gelovigen in Fil 3:17-19? En hou alstublieft vast dat het in beide groepen om GELOVIGEN gaat:

 

Rechtvaardigt bovenstaande tekst de stelling, dat er verschil is in positie van gelovigen in deze tijd? Op grond van het Woord denk ik dat we tot die conclusie mogen komen.

Laten we de verschillen nog maar eens op een rijtje zetten:

 

Navolgers van Paulus

Vijanden van het kruis (dus van Paulus)

Wandelen als Paulus

Wandelen in hun schande

Hun God is Christus

Hun God is de buik

Zij zijn hemelburgers

Zij zijn aardsgezind

Zij brengen vrucht voort

Zij brengen verdriet voort

 

Ook lezen we nog: “Hun einde is het verderf”. Wat is nou dat verderf?

 

Verderf = Griekse woord “apoleia”

Waar gaat dit over? (Fil 3:17-19). We zien hier heel duidelijk dat een verkeerde wandel ook gevolgen heeft. Maar we weten ook dat wanneer iemand tot geloof komt, dan zal hij leven, ook al is hij gestorven, en de Heere Jezus zegt zelf van hen die tot geloof zijn gekomen, “Niemand zal ze uit Mijn hand roven”.

Dan kan dat “verderf” niet te maken hebben met hun behoud, maar moet het wel te maken hebben met de positie, of het loon wat die ontrouwe gelovige zal missen.

 

Wanneer we proberen uit te zoeken wat het woord verderf = apoleia, betekent, moeten we de teksten, waar dat in voorkomt onderzoeken. We vinden het woord “apoleia” in het N.T. in 20 teksten:

  • 2 Petr 2:2 St Vert: “En velen zullen hun verderfenissen(= apoleia) navolgen, door welke de weg der waarheid zal gelasterd worden.”
  • Matt 7:13 NBG: “Gaat in door de enge poort, want wijd is [de poort] en breed de weg, die tot het verderf (= apoleia) leidt, en velen zijn er, die daardoor ingaan.”
  • Hand 8:20 St.Vert: “Maar Petrus zeide tot hem: Uw geld zij met u ten verderve(= apoleia), omdat gij gemeend hebt, dat de gave Gods door geld verkregen wordt!”
  • Hand 25:16 HSV: “Ik antwoordde hun dat de Romeinen niet de gewoonte hebben, bij wijze van gunst een mens tot de dood(= apoleia) over te leveren, voordat de beschuldigde tegenover de beschuldigers heeft gestaan en gelegenheid gekregen heeft om zich te verdedigen tegen de beschuldiging.” (Opmerking: In de NBG zijn de woorden “tot de dood”, dus dat “apoleia” helemaal weggelaten).
  • Rom 9:22 HSV: “En is het niet zo dat God, omdat Hij Zijn toorn wilde bewijzen en Zijn macht bekendmaken, met veel geduld de voorwerpen van Zijn toorn, voor het verderf(= apoleia) gereedgemaakt, verdragen heeft?”
  • Rom 9:22 HSV: “Maar wie rijk willen worden, vallen in verzoeking en in een strik en in veel dwaze en schadelijke begeerten, die de mensen doen wegzinken in verderf(= apoleia) en ondergang.”
  • Hebr 10:39 NBG: “Doch wij hebben niets van doen met nalatigheid, die ten verderve(= apoleia) leidt, doch met geloof, dat de ziel behoudt.” (wanneer deze tekst gelovigen betreft, moet dat verderf te maken hebben met het niet ingaan van de positie die voor de getrouwe gelovige van die tijd wel geldt. Dus “ten verderve gaan” moet hier in de Hebreeën brief dan betekenen, dat door nalatigheid zij niet zullen gaan behoren tot de gemeente van eerstgeborenen, die o.a. in de Hebreeën werd gevormd).
  • 2 Petr 2:1(2 x) St.Vert: “En er zijn ook valse profeten onder het volk geweest, gelijk ook onder u valse leraars zijn zullen, die verderfelijke(= apoleia) ketterijen bedektelijk invoeren zullen, ook den Heere, Die hen gekocht heeft, verloochenende, en een haastig verderf(= apoleia) over zichzelven brengende.”
  • 2 Petr 3:16 NBG: “Evenals in alle brieven, wanneer hij over deze dingen spreekt. Daarin is een en ander moeilijk te verstaan, wat de onkundige en onstandvastige lieden tot hun eigen verderf (= apoleia) verdraaien, evenals trouwens de overige schriften.”
  • Open 17:8 HSV: “Het beest dat u gezien hebt, was en is niet; en het zal opkomen uit de afgrond en naar het verderf (= apoleia) gaan. En zij die op de aarde wonen, van wie niet vanaf de grondlegging van de wereld de naam geschreven staat in het boek des levens, zullen zich verwonderen als zij het beest zien, dat was en niet is, hoewel het er toch is.”
  • Open 17:11 NBG: “En het beest, dat was en niet is, is zelf ook de achtste, maar het is uit de zeven en het vaart ten verderve.” (= apoleia).
  • Joh 17:12 NBG: “Zolang Ik bij hen was, bewaarde Ik hen in uw naam, welke Gij Mij gegeven hebt, en Ik heb over hen gewaakt en niemand uit hen is verloren gegaan, dan de zoon des verderfs (= apoleia), opdat de Schrift vervuld werd.”
  • Fil 1:28 NBG: “Zonder dat gij u in enig opzicht door de tegenstanders laat beangstigen. Hierin is voor hen een aanwijzing van hún verderf (= apoleia), doch van úw behoud, en dat van Godswege.”
  • 2 Thess 2:3 NBG: “Laat niemand u misleiden, op welke wijze ook, want eerst moet de afval komen en de mens der wetteloosheid zich openbaren, de zoon des verderfs.” (= apoleia).
  • 2 Petr 3:7 HSV: “Maar de hemelen die er nu zijn, en de aarde, zijn door hetzelfde Woord als een schat weggelegd en worden voor het vuur bewaard tot de dag van het oordeel en van het verderf(= apoleia) van de goddeloze mensen.”
  • Matt 26:8 HSV: “Toen Zijn discipelen dat zagen, waren zij verontwaardigd en zeiden: Waartoe deze verkwisting (= apoleia)”?
  • Mark 14:4 HSV: “En er waren er sommigen die verontwaardigd waren bij zichzelf en zeiden: Waartoe diende deze verkwisting(= apoleia) van de zalf?”
  • Fil 3:19 NBG: “Hun einde is het verderf (= apoleia), hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.”
  • 2 Petr 2:3 NBG: “En zij zullen uit hebzucht met verzonnen redeneringen u als koopwaar behandelen; maar het oordeel houdt zich reeds lang met hen bezig en hun verderf(= apoleia) sluimert niet.”

 

Conclusie: We hebben gevonden:

  • Apoleia” kan slaan op het brengen van een valse “weg (2 Petr 2:2, 2 Petr 2:1).
  • Apoleia” kan slaan op het niet binnengaan van het Koninkrijk der hemelen, wat in de Evangeliën werd verkondigd. (Math 7:13, Hebr 10:39). Dit gegeven overgeplaatst naar onze tijd, in onze context, dan zou dit betekenen, dat de gelovige wel behouden is, maar niet wordt geplaatst in het Lichaam van Christus.
  • Maar let op, nooit met een vinger wijzen, want God kiest! God bepaalt! (Ef 1:4: “Hij heeft ons (dat zijn de apart geplaatsten en getrouwen van Ef 1:1) immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.”).
  • Apoleia” kan ook slaan op het verloren gaan van iemand (Hand 8:20, Rom 9:22, 1 Tim 6:9, 2 Petr 2:1, 2 Petr 3:16, Fil 1:28, 2 Petr 2:3).
  • Apoleia” kan ook slaan op de doodstraf, die iemand krijgt opgelegd (Hand 25:16).
  • Apoleia” kan slaan op het gaan naar de tweede dood (Open 17:8, Open 17:11, 2 Petr 3:7).
  • Apoleia” kan slaan op alles wat het kwaad omvat (Open 17:12, 2 Tess 2:3).
  • Apoleia” kan slaan op verkwisting van goederen (Math 26:8, Marc 14:4“
  • Apoleia” kan slaan op het niet ingaan in de positie die voor die tijd het hoogste is (Fil 3:19).

 

Kortom, “apoleia” heeft altijd negatieve gevolgen voor de betreffende persoon, en dat kan gaan over het brengen van een verdraaid evangelie tot het ingaan in de tweede dood, maar in ons geval, waar het gelovigen betreft, kan dat “apoleia” niet gaan over het behoud van iemand, omdat het behoud vast ligt in het volbrachte werk van Christus Jezus.

 

Maar wanneer die gelovige schade (verderf) zal ondervinden in een bepaalde tijd, moet dat in dit geval, waar het de gelovigen van nu betreft, te maken hebben met het niet ingaan in de positie (van deze tijd) die voor de getrouwe gelovigen wel geldt.

Dus in de juiste context geplaatst heeft de schade die de ontrouwe gelovige oploopt, te maken met het niet ontvangen van de zegeningen, die behoren bij de hemelse erfenis, die behoort bij het Lichaam van Christus, hij zal daar geen deel van uitmaken. (we komen hier later nog uitvoerig op terug). Die gelovige is toch aardsgezind? Hij zoekt toch de dingen van de wereld?

 

Kennen we ook zo iemand bij name, een gelovige, die aardsgezind werd? Ja, dat was Demas. In Kol 4:14 was hij nog een medewerker van Paulus, en ook in Filemon 1:24. Maar op het einde van Paulus' loopbaan wordt van Demas gezegd in 2 Tim 4:10:

  • Want Demas heeft mij uit liefde voor de tegenwoordige wereld verlaten.”

 

Dus uit liefde voor de tegenwoordige wereld heeft Demas Paulus verlaten. Demas werd aardsgezind! Zal dit Demas voordeel opleveren? Hoort Demas met die keuze ook tot de groep waarvan Paulus eerder zei:

  • Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind?”

 

Ik zal daar niet over oordelen, want God komt daar wel mee klaar.

En verder lezen we ook nog over meerdere mensen, gelovigen de waarheid kenden, en misschien wel in de waarheid wandelden, maar zich ervan afkeerden:

2 Tim 4:3-5

  • Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren, en zich naar de verdichtsels keren (dit bedoelt Paulus met “hun god is de buik”). Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.”

 

Ook in dit gedeelte is het duidelijk dat het hier over gelovigen gaat. Want we lazen dat zij zich van de waarheid zullen afkeren. Als je je van de waarheid afkeert, dan heb je wel die waarheid gekend, en misschien wel in die waarheid gewandeld, anders kun je je er niet van afkeren. Maar zij keerden zich van de Waarheid af, en richten zich op de fabels.

 

Broeders en zusters, laat dit ons dit tot lering zijn. Laten we niet aardsgezind zijn, maar zoeken, de dingen die boven zijn.

Zien we, hoe belangrijk een juiste gezindheid in dit alles is? Een gezindheid met de bereidheid om al het oude schade te achten, en werkelijk voort te gaan in de gezonde leer?

Wees met elkaar mijn navolgers, broeders”, zegt Paulus, en houd het oog gericht op hen die zó wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt.” Houd dat vast! Zegt Paulus.

 

Deel 4 volgt DV

Bert Boersma februari 2013   boersmabpost@kpnmail.nl

 

Het Lichaam van Christus deel 4

Voorzichtig mee omgaan

Broeders en zusters, het is goed om te beseffen, dat we met dit onderwerp, waar we nu mee bezig zijn, met allevoorzichtigheid om moeten gaan. En dat zegt het Woord ook tot ons in Ef 1:7-9:

Dit wordt gesproken tegen de geadresseerden van de latere brieven van Paulus, dus aan de heiligen en gelovigen, dus tegen de “apart geplaatsten én getrouwen”:

HSV:

  • In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade, die Hij ons overvloedig geschonken heeft, in alle wijsheid en bedachtzaamheid (St. Vert. = voorzichtigheid), toen Hij ons, overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekendmaakte.” (Ef 1:7-9).

 

We moeten deze tekst goed lezen. Het lijkt er op dat de vertalers o.a. van de Herziene Staten Vertaling (HSV) hebben gedacht dat de vergeving van de overtredingen ons in alle wijsheid en voorzichtigheid is geschonken, maar dat staat er helemaal niet in de grondtekst.

Er staat, dat ons in alle wijsheid en voorzichtigheid het geheimenis van Zijn wil is bekend gemaakt. Dáármee, met dat geheimenis van Zijn wil, dáár moeten we in alle wijsheid en voorzichtigheid mee omgaan. Het verschil zit hem in een paar punten en komma's, die er in de grondtekst niet staan.

 

Wanneer ik deze tekst dan opnieuw met u mag lezen, dan staat er:

  • In Hem hebben wij de verlossing, door Zijn bloed, namelijk de vergeving van de overtredingen, overeenkomstig de rijkdom van Zijn genade, die Hij ons overvloedig geschonken heeft. [hier moeten we eigenlijk een punt zetten, en dan komt de rest, wat ook bijelkaar hoort] En in alle wijsheid en voorzichtigheid heeft Hij ons overeenkomstig Zijn welbehagen, dat Hij in Zichzelf voorgenomen had, het geheimenis van Zijn wil bekend gemaakt.”

 

En bij dat geheimenis hoort ook de verborgenheid van het Lichaam van Christus. En omdat dit zo'n teer onderwerp is, daarom moeten we met die verborgenheid ook in alle wijsheid en voorzichtigheid mee omgaan.

Deze tekst heeft weer alles te maken met 2 Tim 2:2, waar staat:

  • En wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten.”

 

Dus ook met de vraag: Behoren alle gelovigen tot het lichaam van Christus? Ook met deze vraag moeten in alle wijsheid en voorzichtigheid omgaan.

En om deze vraag te beantwoorden, en om wat meer duidelijkheid te krijgen omtrent de dingen die met het Lichaam van Christus te maken hebben, moeten we bij het begin beginnen, en dan gaan we eerst naar een paar gelijkenissen in het Mattheüs Evangelie.

 

Gelijkenissen

 

Wat was ook alweer het doel der gelijkenissen? Dat lezen we in Math 13:10-11

  • En de discipelen kwamen en zeiden tot Hem: Waarom spreekt Gij tot hen in gelijkenissen? Hij antwoordde hun en zeide: Omdat het u gegeven is de geheimenissen van het Koninkrijk der hemelen te kennen, maar hun is dat niet gegeven.”

 

Want de Heere wist al waar het op uit zou lopen, hij zag reeds het ongeloof van het volk Israël en het ongeloof van hun leiders.

Dus eigenlijk zijn de gelijkenissen een profetisch vergezicht wat vooruit blikt op het koninkrijk der hemelen.

 

De gelijkenissen zijn in feite profetieën aangaande het Koninkrijk der hemelen, wat de Heere voor de Zijnen (voor de 12 stammen van Israël) op wilde richten.

Dat moeten we goed in de gaten houden. Hij kwam voor de Zijnen, voor de 12 stammen Israëls. Ook bij Zijn eerste komst had het Koninkrijk voor Israël opgericht kunnen worden, áls Israël als geheel tot geloof gekomen was. Want daar kwam de Heere immers voor?

En van dat komende Koninkrijk spreken de gelijkenissen. Maar door het ongeloof van het volk is dat toen, en ook op het einde van de Handelingen niet in vervulling gegaan. Toen is de edele olijf, toen zijn de 12 stammen Israëls terzijde geplaatst. Maar deze dingen aangaande de gelijkenissen, zullen in de toekomst hun uiteindelijke vervulling krijgen.

 

En dan gaan we zo'n gelijkenis lezen: Math 22:1-10

  • En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. (= de eerste afwijzing van Israël) Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen. (= tweede afwijzing van Israël).En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand. (Is in 70 na Christus gebeurd). Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden (= Israël) waren het niet waard. Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.”

 

We moeten bij het lezen van deze zaken wel proberen de dingen juist te benoemen.

Tot wie sprak de Heere hier in Math 22? Dat kunnen we weten uit Math 21:24, waar we lezen: “En Jezus sprak tot hen.” En die “hen” zijn de dan de overpriesters en de oudsten van het volk, zo lezen we in Math 21:23.

 

Wie waren de ter bruiloft genodigden uit Math 22:3?

Voor wie was de Heere in eerste instantie naar deze aarde gekomen? Voor de Zijnen, voor Israël. Voor de 12 stammen Israëls. Om voor de Zijnen, voor de 12 stammen van Israël het Koninkrijk op te richten. Zij waren de genodigden.

  • Maar zij gaven geen gehoor aan de uitnodiging.
  • En voor hen komen dan anderen voor Israël in de plaats.
  • Anderen, die genodigd worden op de kruispunten der wegen.

 

De gelijkenis van Math 22 loopt parallel met de gelijkenis daaraan vooraf, over de onrechtvaardige pachters. Profetisch gezien loopt ook dat dramatisch af.

Math 21:37-43

  • Ten laatste zond hij zijn zoon tot hen, zeggende: Mijn zoon zullen zij ontzien. Maar toen de pachters de zoon zagen, zeiden zij tot elkander: Dit is de erfgenaam, komt, laten wij hem doden om zijn erfenis aan ons te brengen. En zij grepen hem en wierpen hem buiten de wijngaard en doodden hem. (= de eerste afwijzing van Israël). Wanneer nu de heer van de wijngaard komt, wat zal hij met die pachters doen? Zij zeiden tot Hem: Een kwade dood zal hij die kwaden doen sterven en de wijngaard zal hij verhuren aan andere pachters, die hem de vruchten op tijd zullen afleveren. (= na de tweede afwijzing van Israël op het einde van de Handelingen). Jezus zeide tot hen: Hebt gij nooit gelezen in de Schriften: De steen, die de bouwlieden afgekeurd hadden, deze is tot een hoeksteen geworden; van de Here is dit geschied, en het is wonderlijk in onze ogen? Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, (zijn de genodigden op de kruispunten der wegen) dat de vruchten daarvan opbrengt.”

 

De zoon is Christus, die wordt gedood. Deze woorden werden gesproken t.a.v. Christus' verwerping aan het kruis. Israël wees Hem af. Hij is tot een hoeksteen geworden, tot een rots der ergernis! (Rom 9:33)

  • Wie zijn die andere pachters uit Math 21:41?
  • Wie is dat volk uit Math 21:43?

Math 21:43:

  • Daarom, Ik zeg u, dat het Koninkrijk Gods van u (= Israël) zal weggenomen worden en het zal gegeven worden aan een volk, dat de vruchten daarvan opbrengt.”

 

Vergelijk de parallel tussen de twee gelijkenissen:

  • de genodigde gasten zijn Israël bij de gelijkenis van het bruiloftsmaal.
  • Tot twee keer toe worden ze uitgenodigd, en tot twee keer toe wilden ze niet komen, en dan is de maat vol, en dan volgt er in beide gelijkenissen een oordeel.

 

We hebben ook gelezen:

  • Dat de wijngaard zal verhuurd worden aan andere pachters.”
  • De koning zond zijn slaven naar de kruispunten der wegen, en nodigt allen”
  • En daar vinden we een ander volk, en daar treffen we die andere pachters.

 

Ja, het gevolg is hetzelfde in deze gelijkenissen. Het loopt voor Israël op hetzelfde uit.

 

En in dat “gaan naar de kruispunten der wegen” ligt toch wel iets wonderlijks, want die “kruispunten der wegen” liggen voor het grootste gedeelte buiten Israël, waar we heidenen vinden. En eerder hebben we gezien dat de Heere Jezus zei in Math 10:5-8:

  • Wijkt niet af op een weg naar heidenen, gaat geen stad van Samaritanen binnen; begeeft u liever tot de verloren schapen van het huis Israëls. Gaat en predikt en zegt: Het Koninkrijk der hemelen is nabijgekomen. Geneest zieken, wekt doden op, reinigt melaatsen, drijft boze geesten uit. Om niet hebt gij het ontvangen, geeft het om niet.”

 

Nu lazen we het omgekeerde: Ga naar de kruispunten der wegen (hodos), en op die kruispunten der wegen vinden we juist wel heidenen.

 

Is dit met elkaar in tegenspraak? Nee, want de discipelen hadden hun bediening voor Israël, en de Heere laat door Zijn profetische gelijkenis zien, hoe het uiteindelijk met Israël zal gaan, en dat ze Hem zullen afwijzen, en dat het heil (= Christus) dan naar de heidenen zal gaan (Hand 28:28).

 

Bovendien worden in de Handelingen ook al heidenen gebruikt, om Israël tot jaloersheid te brengen, en wanneer ook dat niet lukt,

  • dan pas (Hand 28:28) gaat het heil naar de heidenen, en wordt Israël als natie tijdelijk door de Heere terzijde geplaatst.
  • dan pas worden de heidenen uitgenodigd op de kruispunten der wegen!

En die uitnodiging aan de heidenen is toen begonnen, en deze uitnodiging gaat nog steeds door!

 

Vraag: Hebben de heidenen na Handelingen 28 (na 70 na Chr) die uitnodigende boodschap aangenomen? Ja, we weten, heel veel duizenden. Miljoenen!

 

Hoe ging/gaat die uitnodiging in zijn werk?

Om die vraag te beantwoorden, kunnen we ons verschillende dingen afvragen:

  • Is die uitnodiging nog steeds bezig?
  • Hoe worden de heidenen uitgenodigd?

 

Door de dienst van de apostelen wordt in de gehele Handelingen periode de uitnodiging aan Israël gedaan. Maar die uitnodiging wordt door Israël voor de zoveelste keer afgewezen in Hand 28. Dán lezen we dat het Heil naar de heidenen gaat, en die zullen horen. We lezen in Hand 28:

  • Ga heen tot dit volk en zeg: Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; 27 want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen.”

 

En wanneer het volk Israël dan voor de tweede keer zich niet wil bekeren, dan worden de daaropvolgende woorden gesproken:

  • Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!” (Hand 28:28).

 

Dan kunnen we ons afvragen:

  • Wát zullen die heidenen dan horen?
  • En waardoor zullen die heidenen dan horen?
  • En waardoor zullen die heidenen tot geloof kunnen komen?
  • Hoe worden dan de heidenen uitgenodigd/verzameld op de kruispunten der wegen?

Door het evangelie van Johannes. Ik zal proberen dat uit te leggen.

 

Het Johannes Evangelie

Stel, u krijgt een brief, waarop het adres staat:

  • Aan de hooggeplaatsten van de provincie Friesland. Dus aan de gedeputeerden van de provincie Friesland, met allemaal zaken, die hun privileges omschrijven, en richtlijnen waar zij zich aan moeten houden.

 

Voelt u zich dan aangesproken? En gaat u dan ook die richtlijnen volgen?

Nee, natuurlijk niet, want die brief was niet aan u gericht, en niet voor u bestemd, en waarschijnlijk snapt u er niks van. Dus u laat die brief maar voor wat het is.

 

Nét zo worden de heidenen, dat zijn dus ongelovigen, niet uitgenodigd door brieven die niet aan hen zijn gericht, zoals de late brieven van Paulus, want die zijn allemaal aan heiligen en gelovigen gericht, dat zijn apart geplaatsten en getrouwen. Aan hen worden die laatste brieven van Paulus gericht, en niet aan ongelovigen.

 

Die heidenen zijn niet de geadresseerden van die late brieven, en zullen daar ook niks van begrijpen. En die zullen die brieven dan ook maat laten voor wat ze zijn! En dat zien we ook heden ten dage!

Nee, na Hand 28:28 gaat voor de wereld het evangelie van Johannes in werking.

Johannes schreef zijn evangelie als een blijde boodschap tot de wereld, tot een ieder die maar luisteren wilde.

 

Het Johannes evangelie is na 70 na Chr geschreven, in ieder geval na Hand 28:28, wat duidelijk uit de context blijkt, zoals bijvoorbeeld Joh 1:11-12:

  • Hij kwam (= verleden tijd) tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven.”

 

In de Handelingen kon dit niet opgeschreven worden. Want de gehele Handelingen periode was de uitgestoken hand van God voor Zijn volk zichtbaar uit datgene wat er gebeurde, en uit datgene wat er aan wie gepredikt werd. In de gehele Handelingen was zichtbaar dat het gebed van de Heere Jezus: “Vader, vergeef het hun, want zij weten niet wat zij doen”, door de vader was verhoord. Tot aan Handelingen 28:28.

Toen, op het einde van Handelingen, na de tweede uitnodiging, na Handelingen 28:28, toen de Zijnen voor de tweede keer niet wilden geloven, toen was de kans voor Israël als volk voorbij. Toen pas kon Johannes schrijven: De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.

 

En dan, na Handelingen 28:28 klinkt door het Johannes Evangelie de boodschap voor de wereld, voor hen die zich op de “kruispunten der wegen” bevinden.

  • Want alzo lief heeft God de wereld (kosmos) gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.” (Joh 3:16).
  • Dit betreft het leven van de eeuwen ( grondtekst: meervoud, dus van de toekomende eeuwen). Dit betreft niet het aardse leven, maar het toekomstige.

 

Dezelfde strekking heeft ook:

1 Tim 2:4

  • En God wil niet dat er één verloren gaat, maar dat allen tot erkentenis der waarheid komen.”

Dit gaat ook over het behoud van de mens. Dát is waar Gods verlangen naar uit gaat. Maar hierbij moeten we wel bedenken dat God geen marionetten heeft gemaakt, maar mensen met een eigen vrije wil, die zelf mogen kiezen!

 

Deze boodschap van het Johannes evangelie klinkt tot de dag van vandaag.

Steeds gaat het over de wereld in het Johannes evangelie. De “wereld” (kosmos) wordt 98 x genoemd in het Johannes evangelie. En dat kan eigenlijk ook niet anders, omdat Johannes zijn evangelie na Handelingen 28 heeft geschreven voor de wereld (de kosmos).

 

Evangelie van Johannes = niet voor Israël, maar voor de wereld, daarom wordt alles aan heidenen uitgelegd, de Joodse feesten, de Joodse gewoonten, de Joodse ceremoniën, alles. Dat wordt verklaard aan niet-Joden.

Voorbeelden:

  • Joh 1:38-39: “Maar Jezus keerde Zich om en zag, dat zij Hem volgden, en Hij zeide tot hen: Wat zoekt gij? Zij zeiden tot Hem: Rabbi – wat, vertaald, wil zeggen: Meester –, waar houdt Gij verblijf?” Aan een Jood hoefde men niet uit te leggen wat een Rabbi was, of wat de naam “Rabbi” betekent.
  • Joh 1:42: “Wij hebben gevonden de Messias, wat betekent (in het Grieks): Christus.” Ook dit behoefde je niet aan een Jood uit te leggen.
  • Joh 1:43: “Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus.” Ook dit was voor de Jood overbodig om dit uit te leggen.
  • Joh 2:13: “En het Pascha der Joden was nabij en Jezus ging op naar Jeruzalem.” Aan heidenen wordt gesproken over een feest der Joden.
  • Joh 5:1: “Daarna was er een feest der Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem.” Werd aan niet-Joden verteld.
  • Joh 10:22: “Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter.” Dat feest was altijd in de winter, dat was de Joden bekend. Enz, enz.

 

De drie andere evangeliën zijn heel anders van vorm, zij beginnen bij het begin en behandelen van de geboorte van de Heere Jezus zijn complete rondwandeling. Het Johannes evangelie spreekt op een geheel andere wijze tot ons. Dat begint met te vertellen dat Israël haar Messias niet heeft aangenomen. In de andere drie evangeliën worden de dingen heel anders geformuleerd, en spreken echt tot Israël.

Deel 5 volgt DV.

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Het Lichaam van Christus deel 5

 

De laatste keer hadden we het over het Evangelie van Johannes, wat voor de wereld geschreven is, en wat Johannes na Handelingen 28 heeft geschreven.

We waren ook al tot de conclusie gekomen dat dat Evangelie voor iedereen, voor heel de wereld is geschreven, en dat daarom in dat Evangelie alles wordt uitgelegd aan de heidenen,

de Joodse feesten, de Joodse gewoonten, de Joodse ceremoniën, alles. Dat wordt verklaard aan niet-Joden. Maar er is meer wat opvalt in het Johannes evangelie:

 

Het Pascha

Een opvallend belangrijk feit: Vinden we in Johannes evangelie het Pascha? Er is geen evangelie wat zo uitgebreid ingaat op die avond in de opperzaal, op de gesprekken van de Heere en Zijn discipelen. Zo wordt uitgebreid verteld over wat er gedurende die maaltijd gebeurde, wat daar gezegd is aan tafel Joh 13,14, 15 16, en het gebed van Joh 17. Maar “de instelling van het Pascha” is totaal weggelaten. Omdat Johannes ná de Handelingen schrijft. Dan, na de Handelingen is het nieuwe verbond totaal afwezig, omdat Israël dan Lo-Ammi is geworden, en God Zijn relatie met Zijn volk, en Zijn verbond met dat volk heeft opgeschoven naar een later te vervullen tijdstip. En het Pascha was aan Israël gegeven, en niet aan de wereld!

 

Wonderen

Wat ook opvalt: Alle evangeliën staan vol van wonderen. Hoe vaak lezen we niet in de andere evangeliën dat de Heere Jezus ergens kwam, en dat er dan staat: “En allen werden genezen.” Dat lezen we heel vaak. En ook in de Handelingen periode lezen we nog steeds over die wonderen, die door de hand van de discipelen gebeurden. Maar we weten dat de wonderen altijd in relatie tot het volk Israël stonden. En wanneer Israël in Handelingen 28 terzijde wordt gesteld door de Heere, dan is de tijd van de wonderen, zoals die onder Israël gebeurden, ook voorbij. Want wanneer we de Bijbel zouden bestuderen wanneer en voor wie de wonderen werden verricht, dan zullen we tot de ontdekking komen, dat alle wonderen in de Bijbel genoemd, voor het volk Israël waren bestemd.

En daarom wordt in het Johannes Evangelie geen enkel wonder vermeld. Nooit wordt het woord “wonder” genoemd. Die wonderen waren opgehouden.

Johannes noemt wel tekenen, 8 stuks, en om die 8 tekenen is het hele evangelie geconstrueerd, met één doel:

Joh 20:30-31:

  • Jezus heeft nog wel vele andere tekenen (dan genoemde 8) voor de ogen Zijner discipelen gedaan, die niet beschreven zijn in dit boek, maar deze zijn geschreven, opdat gij (= de wereld) gelooft, dat Jezus is de Christus, de Zoon van God, en opdat gij, gelovende, het leven hebt in Zijn naam.”

 

Tegen wie spreekt Johannes hier? Wie zijn die “gij”? In Joh 1 hebben we gelezen: “Hij kwam voor de Zijnen, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.”

Dan hoef je “tegen die Zijnen” ook niet weer tegen te beginnen, dat is verleden tijd, maar het Evangelie gaat na Handelingen 28 wel door, en nu naar de heidenen, buiten de 12 stammen Israëls om.

Opdat de wereld moge geloven! Daarom schreef Johannes zijn evangelie! Voor deze tijd.

De Heere Jezus zeide tot Thomas in Joh 20:29:

  • Omdat gij Mij gezien hebt, hebt gij geloofd? Zalig zij, die niet gezien hebben en toch geloven.

 

Wanneer begon dat NIET ZIEN? Na Handelingen 28.

Tegen Israël wordt gezegd in Hand 28:

  • Met het gehoor zult gij horen en gij zult het geenszins verstaan, en ziende zult gij zien en gij zult het geenszins opmerken; want het hart van dit volk is vet geworden, en hun oren zijn hardhorend geworden, en hun ogen hebben zij toegesloten, opdat zij niet zien met hun ogen en met hun oren niet horen en met hun hart niet verstaan en zij zich bekeren, en Ik hen zou genezen.” (Hand 28:26-27)

 

En voor de heidenen wordt gezegd:

  • 28 Het zij u dan bekend, dat dit heil Gods aan de heidenen gezonden is; die zullen dan ook horen!

 

Niet zien en toch geloven. In deze tijd, waarin wij leven is het niet meer zien, maar geloven wat de Bijbel ons zegt.

Nu geen wonderen, er is niks te zien, het is nu geen tijd van wonderen en genezingen.

Niet zien en toch geloven. Doet God dan nu geen wonderen meer? Dat kán nog best wel, maar het is geen regel meer, zoals dat in de Evangeliën en in de Handelingen eerst wel regel was.

 

Een vraag:

Waardoor zijn wij tot geloof gekomen?

 

  • Ikzelf heb toendertijd veel gehad aan de tekst uit Joh 5:24: “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie mijn woord hoort en Hem gelooft, die Mij gezonden heeft, heeft eeuwig leven en komt niet in het oordeel, want hij is overgegaan uit de dood in het leven.”
  • Anderen: “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe.” (Joh 3:16)

 

Er komt enorme groep gelovigen voort uit de bediening van Johannes, die verzamelt wordt “op de kruispunten der wegen”, en die zullen aanliggen in de bruilofszaal. Ongelofelijk veel zijn door God bijeenvergaard voor de bruiloftszaal in de afgelopen 2000 jaar.

  • Is dat een verborgenheid? Nee!
  • Leven wij in de tijd van de verborgenheid? Nee! Niet wat dit evangelie van Johannes betreft.

Het evangelie wat Paulus later mag brengen in zijn latere brieven, dát is een verborgenheid.

 

In deze tijd lopen er twee bedieningen:

  1. De bediening van de apostel Paulus, welke is een bediening aan gelovigen, niet aan de wereld, en wat in feite de roeping is van boven, een hemelse roeping van vóór de tijden der eeuwen. Deze bediening van Paulus is een verborgenheid.

  2. En naast die bediening van Paulus in deze tijd, loopt er een tweede bediening, namelijk die van Johannes voor ongelovigen, waar de Heere Jezus al van spreekt in Math 21 en 22, die er op is gericht om de gasten te verzamelen op de kruispunten der wegen, de kruispunten die zich bevinden bij de heidenen. De centra van de heidenen, om die te bezoeken, om de gasten daar aangetroffen uit te nodigen voor de bruiloft van de zoon van de Koning. Deze bediening van Johannes is geen verborgenheid. Daar kunnen we, als we willen, dagelijks over horen en lezen.

 

En de grote genade, ja overweldigende genade van God is, dat de gelovigen van deze tijd, wanneer zij eenmaal tot geloof gekomen zijn door het Johannes evangelie, wat op zich al een grote genade is, dat zij daarna door geopende ogen des harten, die zij van de Heere kunnen ontvangen, mogen doorwandelen, mogen doorgroeien (door een juiste gezindheid – Fil 2:5) van kinderen tot volwassenen in het geloof, in feite mogen groeien van de bediening van Johannes naar de bediening van Paulus in zijn latere brieven.

 

Ik schrijf dit zomaar op in één alinea, maar dit betekent zó enorm veel, broeders en zusters. Dit betekent o.a. dat de getrouwe gelovige ook overgaat naar een hogere dimensie, dat de gelovige door de volwassenheid deel krijgt aan een andere erfenis, een erfenis, die in Christus is!

 

Als dit moeilijk te begrijpen is, dan moeten we ons eens afvragen:

  • Waar komen die apart geplaatsten en die getrouwen vandaan, waar Paulus tegen spreekt in zijn late brieven? Waardoor zijn zij tot geloof gekomen?
  • En wie en wat betreft die uitverkiezing van God in Ef 1:4?
  • Waar kiest God uit? Kiest God voor Zijn Lichaam uit ongelovigen, die nog wedergeboren moeten worden, terwijl Paulus' latere brieven aan getrouwen en gelovigen zijn gericht? Nee, God kiest voor Zijn Lichaam uit gelovigen, waarvan Hij weet, dat ze getrouw zijn, dat ze willen luisteren, en aan hen richt Hij zijn latere brieven van Paulus, om toch vooral stand te houden in hun getrouwheid, om toch vooral stand te houden in hun wandel in Christus.
  • Kan je aan ongelovigen die verborgenheid van Paulus' latere brieven bekend maken? Kunnen ze dat begrijpen? Of zullen we die brieven van Paulus onbegrepen terzijde leggen?
  • Kan je tegen die zuigelingen zeggen: “Jullie zijn gezegend met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten.?” “Jullie hebben dat allemaal al ontvangen?”
  • En tot slot: Kun je tegen een pasgeboren baby zeggen dat hij/zij de hemelse erfenis in ontvangst zal kunnen nemen?

 

Nee, broeders en zusters, ik moet nu denken wat een broeder, die al thuis is bij de Heere, eens zei, hij zei: “Als dat zo is, als ik alles al heb gekregen, waarom zal ik mij dan nog inspannen? Dan kan ik beter een hengeltje kopen, en gaan vissen.”

 

Ook zei die broeder: “wanneer ik 20 jaar oud ben, en ik ontvang van mijn baas dan al mijn loon uitbetaald tot mijn 65 ste jaar, waarom zou ik dan nog werken?”

 

Maar Paulus jaagde zijn hele leven een wandel in Christus na, om toch vooral de prijs niet te missen! Waarom? Omdat er veel op het spel stond!

Nee, die apart geplaatsten, waar Paulus in zijn late brieven tegen spreekt zijn gelovigen, ontstaan door de prediking van het Johannes evangelie. Zij zijn door God uitverkoren!

 

En die uitverkiezing van Efeze 1:4 betreft een verkiezing uit gelovigen, ontstaan door het Johannes evangelie. Daar kiest God uit. Want broeders en zusters, en u weet dat ook, er zijn een heleboel gelovigen, en dat zijn wel broeders en zusters, ze zijn wel behouden, maar die willen die hoge weg van Paulus niet gaan.

Kan je aan hen die hoge boodschap kwijt? Kan God daar wat mee? Goed begrijpen hoor, ik oordeel niet, want God kiest voor Zijn Lichaam.

 

Dan wilde ik graag met u lezen uit iets uit Handelingen 17.

In Hand 17 kwamen Paulus en Silas te Tessalonica, waar een synagoge der Joden was. En dan lezen we in vers 2:

  • En Paulus ging, zoals hij gewoon was, daar binnen en behandelde drie sabbatten achtereen met hen gedeelten uit de Schriften, door aanhalingen uitleggende, dat de Christus moest lijden en opstaan uit de doden, en dat deze de Christus is, die Jezus, die ik (zeide hij) u predik. (Hand 17:2-3).

 

We moeten eens proberen de situatie van toen voor te stellen. Paulus ging naar de synagoge. In die synagoge waren Joden die de wet onderhielden, en zij hadden misschien wel gehoord van alles wat er in Jeruzalem was gebeurd, maar hoe was hun gezindheid? Hadden zij het verlangen in hun hart om meer te weten te komen over die wonderlijke dingen die in Jeruzalem hadden plaatsgevonden? (zoals bijvoorbeeld Cornelius, dat wel had).

En dát gaat Paulus hun allemaal uitleggen, Hij gaat hun vertellen, dat die kruisigde de Christus der Schriften is, waar alle profeten al over hadden geprofeteerd, en hij heeft hun zeker verteld, dat Christus voor de zonden van een ieder is gestorven. En hij gaat hun in die synagoge vertellen dat die Christus weer is opgestaan.

En dat zou toch eigenlijk geweldig nieuws moeten zijn voor die Joden in Tessalonica? Want zij hadden toch al die boeken van de profeten bestudeerd? Zij wisten toch van de profetieën van de komende Messias?

En dan lezen we verder in vers 5:

  • Maar de Joden werden afgunstig en namen enkelen van het minste straatvolk te hulp, veroorzaakten een oploop, en brachten de stad in rep en roer; en zij stormden op het huis van Jason aan met de bedoeling hen voor de volksvergadering te brengen.” (Hand 17:5)

 

Het was helemaal niet pluis voor Paulus en Silas, de Joden verzinden allemaal leugens om van hen af te komen. Eigenlijk stopten zij hun oren toe, en wilden het niet geloven. Eigenlijk hielden ze zoveel van al het oude, van al de “overleveringen der ouden”, wat ze persé wilden vasthouden. Ze zaten volkomen vast in hun eigen oude leer. Ze waren niet in staat, en wilden dat ook niet, om te beseffen dat door de profetieën uit de Schrift “nieuwe tijden” zouden aanbreken, waarin ze de oude dingen achter zich moesten laten.

En dan lezen we verder in vers 10:

  • Maar de broeders zonden terstond in de nacht Paulus en Silas naar Berea, die, daar aangekomen, naar de synagoge der Joden gingen; en dezen onderscheidden zich gunstig van die te Tessalonica, daar zij het woord met alle bereidwilligheid aannamen en dagelijks de Schriften nagingen, of deze dingen zo waren.” (Hand 17:10-11).

 

Wat wil ik hiermee zeggen?

Misschien zegt u, nadat u dit alles van deze bijbelstudie hebt gelezen, “dit is allemaal nieuw voor mij, wat moet ik hiermee?” Voor sommigen is het misschien nieuw, voor anderen weer niet. Of misschien denkt u “Ja, je kunt dit nou wel allemaal mooi vertellen, maar we hebben dit altijd anders geleerd. Of misschien zegt u “Die of die voorganger zegt..............”, en vult u zelf maar in.

 

Maar dan vraag ik u in alle ernst:

  • Is het belangrijk wat ik zeg?
  • Of is het belangrijk wat een andere voorganger zegt?
  • Ja, alleen als het in overeenstemming is met Gods Woord. Dán is het belangrijk!

 

En dat is nou uw taak, broeders en zusters, om net als de Bereërs al deze dingen te toetsen aan het Woord of de gesproken of geschreven dingen alzo zijn.

En als ze niet zo zijn, dan moet u de betreffende broeder er persoonlijk op aanspreken, en niet onderling gaan praten.

Want van praten onderling komt gepraat, en gepraat ontaard heel gemakkelijk in negatieve dingen. En als we zeggen, Bert Boersma zegt het zo, en die en die zegt het zo, dan wordt u alleen maar heen en weer geslingerd, en daar schiet u niets mee op. En mocht u vragen hebben, ga dan naar de betreffende persoon. Doe dat!

 

Bovendien is het ook nog eens zo, en ik heb dat eerder ook al genoemd, maar ik zal dat blijven noemen, dat, als we deze dingen niet persoonlijk nagaan, als we er niet persoonlijk mee aan de slag gaan, dan is het misschien wel aardig om aan te horen, maar dan worden ze nooit van ons persoonlijk. En dat is nou juist wel de bedoeling, dat we heel persoonlijk vanuit ons hart gaan staan op de dingen die de Heere ons in Zijn grote genade wil geven. Dat vraagt om een gezindheid om de oude dingen achter ons te willen laten, als de Schrift daar aanleiding toe geeft.

 

En dat is vaak het grote probleem voor velen. Want hebben we niet altijd geleerd in welke kerk dan ook, dat we toch vooral de oude dingen moeten vasthouden? Dat we moeten blijven staan op het fundament wat de “vaderen” in allerlei geschriften hebben vastgelegd?

Maar als ik, als u dat zou doen, dan kom ik, dan komt u in conflict met Gods Woord. Want het Woord leert mij dat ik geestelijk moet opwassen van kind tot volwassene. En een kind geef je ander eten dan een volwassene. En een kind leest heel anders dan een volwassene. En in dat groei-proces zit groei in. Ja, logisch zult u denken, maar precies zo zit er ook een groei in hoe wij de dingen in Gods Woord lezen en mogen verstaan.

 

En wanneer wij gaan staan op allerlei oude dingen, dan leggen wij onszelf een deksel op onze ogen, zodat wij de nieuwe dingen, die de Heere ons uit Zijn Woord wil leren, niet meer zien. Want zolang die oude dingen voor ons zó belangrijk zijn, dan is er in ons hart helemaal geen plaats voor de nieuwe dingen die de Heere ons wil leren!

 

De enige oplossing is: De oude dingen opruimen, denk nog maar eens aan die boomstam, en zelf onderzoeken, en dan daarmee verder, in navolging van Paulus.

En bedenk goed, het gaat er volstrekt niet om wie er gelijk heeft, want we zijn allemaal mensen, maar Gods Woord heeft altijd gelijk.

 

Pas ook op dat er ook bij een verschil in prediking geen partijschappen ontstaan, dat is nooit goed, want dan zijn we terug bij de gemeente van Korinthe, waar de één van Kefas was, en de ander van Paulus, en een derde van Christus.

Nee, we moeten iedere voorganger hoogachten, maar hem wel toetsen aan het Woord. Ook mij! Dát wordt ons in dit gedeelte van Handelingen 17:10-11 geleerd.

 

Dat wilde ik graag met u delen. Broeders en zusters. Over deze dingen en nog meer hoop ik een volgende keer met u verder te mogen gaan.

Want over dit onderwerp is nog lang niet alles gezegd, het is zeer uitgebreid.

En dan gaan we ook zien welke verdere lessen er nog opgesloten zitten in Gods Woord.

Wat betreft onze positie, en het in bezit nemen daarvan.

Tot slot nog één tekst: Fil 3:13-15:

  • Broeders, ik voor mij acht niet, dat ik het reeds gegrepen heb, maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die boven is, in Christus Jezus. Laten wij dan allen, die volmaakt (grondtekst = volwassen) zijn, aldus gezind zijn. En indien gij op enig punt anders gezind zijt, God zal u ook dat openbaren; 16 maar hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!”`

 

Deel 6 volgt DV

Bert Boersma maart 2011 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Het Lichaam van Christus deel 6

 

De basis van iedere spreker, en van iedere bijbelstudie moet eigenlijk zijn de woorden van Johannes de Doper, die zei in Joh 3:30:

  • Hij moet wassen, ik moet minder worden.”

En de enige manier om daaraan te voldoen is het Woord te openen, om te ontdekken, wat de Heere ons door Zijn Woord wil leren, en daarom gaan we dat ook nu maar weer vaak doen, samen lezen we uit het Woord.

 

De vorige keer hebben we zijdelings al gehad over het Lichaam van Christus. En ik heb toen gezegd, dat dat een zeer uitgebreid onderwerp is. Waar ik graag uitgebreid met u bij stil wilde staan.

Om een goed zicht op het Lichaam van Christus te krijgen, is het ook nodig om een goed zicht op het Johannes evangelie te hebben.

En daarom ga ik proberen ook deze keer veel uit het Johannes evangelie te behandelen, zodat u weet, hoe en waar we dat moeten plaatsen en voor wie en aan wie dat is geschreven.

 

We hebben de vorige keer ook gezien dat er eigenlijk voor deze tijd twee sporen lopen,

dat er in deze tijd twee bedieningen werkzaam zijn:

  1. De bediening van de apostel Paulus, (= vast voedsel, geen melk) welke is een bediening aan gelovigen, niet aan de wereld, en wat in feite de roeping is van boven, een hemelse roeping van vóór de tijden der eeuwen, met daarbij behorend een uitopstanding van tussen de doden uit.Deze bediening van Paulus is een verborgenheid.

  2. En naast die bediening van Paulus in deze tijd, loopt De bediening van Johannes voor ongelovigen,(= voor pasgeborenen, die nog melk-voeding nodig hebben)juist wel voor de wereld, Dat is een bediening waar de Heere Jezus al in het verborgene naar verwijst, wanneer hij die twee gelijkenissen vertelt in Math 21en 22,

 

Die bediening van Johannes is een bediening, die er op is gericht om de gasten te verzamelen op de kruispunten der wegen, de kruispunten die zich bevinden bij de heidenen. Om de heidenen, om de gasten daar aangetroffen uit te nodigen voor de bruiloft van de zoon van de Koning. Met hierbij behorend een opstanding op de laatste dag.Deze bediening van Johannes is geen verborgenheid. Daar kunnen we, als we willen, dagelijks over horen en lezen.

 

En over dat tweede spoor, over die bediening (van Johannes), die er ook in deze tijd werkzaam is, wilde ik graag uitgebreid met u bij stil staan.

We hebben toen ook gezien dat er verschillende groepen gelovigen zijn.

 

En naar aanleiding daarvan hebben we de tekst behandeld uit Fil 3:17-19, en het is misschien goed om die nog eens samen te lezen, om dit alles even op te frissen:

Fil 3:17-19:

De eerste groep gelovigen: “Weest allen mijn navolgers, (zie Fil2:5: OnzeGezindheid) broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.”

HSV: Iets beter vertaald: “Wees met elkaar mijn navolgers, broeders, en houd het oog gericht op hen die zó wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt.”

Houdt het oog gericht op hen, die ook zó wandelen”, lazen we. Hieruit mogen we opmaken, dat zij dit al deden, maar zegt Paulus eigenlijk: “Houd dat ook zó! Houd dat vast!

 

Want in diezelfde tekst zagen we ook over die andere groep gelovigen: Fil 3:18:

  • Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:18-19).

 

We hebben hier eerder uitvoerig bij stilgestaan, en hebben toen gezien, dat wanneer

die gelovige schade (verderf) zal ondervinden in een bepaalde tijd, dan moet dat te maken hebben met het niet ingaan in de positie (van die bepaalde tijd) die voor de getrouwe gelovigen wel geldt. Want zijn behoud raakt een gelovige nooit weer kwijt!

 

Dus in de juiste context geplaatst heeft het verderf, de schade die de ontrouwe gelovige oploopt,

  • te maken met het niet ontvangen van de zegeningen, die behoren bij de hemelse erfenis, die behoort bij het Lichaam van Christus, hij zal daar geen deel van uitmaken.
  • Die gelovige is toch aardsgezind?
  • Hij zoekt toch de dingen van de wereld? We komen hier later nog uitvoerig op terug.

 

Ik wil over deze tekst graag nog iets zeggen. Deze gelovigen wandelen als “vijanden van het kruis van Christus”, zo hebben we gelezen.

  • Dat betekent niet, dat ze niet in het kruis geloofden, want dat deden ze wel.
  • Ze geloofden in het volbrachte werk van Christus aan het kruis van Golgotha, maar zij willen dat kruis van Christus niet dragen. Eigenlijk betekent dat, dat ze de besnijdenis des harten niet in hun leven willen toelaten.
  • Zij willen geen verdrukking om Christus wil verdragen, zij willen met name niet de weg in vernedering gaan, zoals de Heere én Paulus die wel gingen.
  • Met nadruk op het kruis dragen, ze geloven wel in Christus, maar willen dat kruis niet dragen, niet de weg in vernedering, niet de weg van dat lijden gaan.
  • Zij zijn “aardsgezind”, dat wil zeggen, dat ze zoeken de dingen, die op de aarde zijn.

 

Dit wordt nogal zwaar aangerekend, want direct daarop volgend lezen we: “Hun einde is het verderf.” Dit betekent (nogmaals) niet dat ze verloren zijn, want het behoud ligt vast in Christus, maar dat betekent wel, dat ze dingen mislopen, dingen zullen missen. En wat ze dan missen, dat is tot hun verderf, tot hun schade en tot hun schande.

 

En dan vervolgt de tekst: na vers19:

  • Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.”

 

Maar daartegenover staat, en dan zien we de bestemming van de navolgers van Paulus, dat lezen we in het vers wat erop volgt:

Fil 3:20: “Ons burgerschap is echter in de hemel.”

Ons hier tegenover hen, die dat kruis van Christus niet willen draagen, ze hebben daarom geen deel aan dat burgerschap.

Het gaat hier om een tegenstelling, de ene groep gelovigen tegenover/naast de andere groep. We moeten goed begrijpen, dat het hier om twee groepen gelovigen gaat.

 

Ditzelfde “verderf” vinden we ook al in Fil 1:

  • Alleen, gedraagt u waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig blijf, ik van u moge horen, dat gij vaststaat in één geest, één van ziel medestrijdende (daar heb je dat kruis, dat lijden om Christus wil) voor het geloof aan het evangelie, zonder dat gij u in enig opzicht door de tegenstanders (= vijanden van het kruis = ook gelovigen) laat beangstigen. Hierin is voor hen een aanwijzing van hún verderf, doch van úw behoud (behoud voor de erfenis), en dat van Godswege. Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden, in dezelfde strijd, die gij eens van mij hebt gezien en nu van mij hoort.” (Fil 1:27-30).

 

Ook hebben we gelezen (uit Ef 1) dat we met dit onderwerp in alle voorzichtigheid en wijsheid moeten omgaan. Want wij bepalen niet het hoe en wat, en wie wel en wie niet.

Komen we nog op terug een volgende keer.

 

Verder hebben we de vorige keer twee gelijkenissen uit het Mattheus evangelie behandeld, waar we zagen dat nadat Israël tot twee keer uitgenodigd werd, dat de heidenen op de kruispunten der wegen worden uitgenodigd voor de bruiloft van het Lam.

En we hebben ook gezien dat de heidenen ook worden uitgenodigd door het Johannes evangelie.

 

We hebben het toen ook al uitgebreid over het Johannes evangelie gehad. We hebben toen gezien dat er verschillen zijn tussen het Johannes evangelie en de andere drie evangeliën. Maar er zijn nog meer verschillen:

 

Opstanding der doden

Zo is er ook verschil in de opstanding van de doden. In Fil 3:11 lezen we over een opstanding van tussen de doden uit, dat gaat over de opstanding van allen, die tot het Lichaam van Christus behoren. Want Filippenzen is geschreven aan de apart geplaatsten en getrouwen.

Maar de gelovigen uit het Johannes Evangelie hebben deel aan een andere opstanding, dan die genoemd wordt in Fil 3:11, daarvoor enkele teksten, en dit betreft gelovigen, ook gelovigen van vandaag de dag:

  • Joh 6:39: “En dit is de wil van Hem, die Mij gezonden heeft, dat Ik van alleswatHijMij gegeven heeft, niets verloren late gaan, maar het opwekke ten jongsten dage.” (De St. Vert. spreekt over “een opwekken ten uiterste dage”, en de HSV spreekt van “een opstaan op de laatste dag.”
  • Joh 6:40: “Want dit is de wil mijns Vaders, dat een ieder, die de Zoonaanschouwt en in Hem gelooft, eeuwig leven hebbe, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.”
  • Joh 6:44: “Niemand kan tot Mij komen, tenzij de Vader, die Mij gezonden heeft, hem trekke, en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.”
  • Joh 6:54: “Wie mijn vlees eet en mijn bloed drinkt, heeft eeuwig leven en Ik zal hem opwekken ten jongsten dage.”

 

Dit is een andere opstanding dan de opstanding van tussen de doden uit, waarover we lezen in de Filippenzen brief. Deze gelovigen uit het Johannes evangelie zullen tezamen opstaan op de jongste dag, het is een opstanding der doden.

Wanneer we er van uitgaan, dat Johannes voor deze tijd is geschreven, dan zijn er dus voor de gelovigen van deze tijd verschillende opstandingen:

  1. Voor hen die door het Johannes Evangelie wederomgeboren zijn, en om wat voor reden niet verder zijn gekomen, niet verder zijn gegroeid, ofwel wandelen als vijanden van het kruis van Christus, en dientengevolge schade (verderf) oplopen, zoals we eerder hebben gezien, de opwekking ten jongste dage, de opstanding der doden.
  2. Voor hen die door genade Paulus navolgen, en wel het kruis van Christus op zich nemen, dus tot het Lichaam van Christus behoren, een individuele opstanding van tussen de doden uit direct na het sterven.

 

We lezen v.w.b. punt 2 in de NBG: “(Dit alles) om Hem te kennen en de kracht zijner opstanding en de gemeenschap aan zijn lijden, of ik, aan zijn dood gelijkvormig wordende, zou mogen komen tot de opstanding uit de doden.”

Het woord wat in deze tekst met opstanding, of wederopstanding (St.Vert) is vertaald, is in de grondtekst “ex-anastasis”. Het is de enige keer in de grondtekst waar dit woord wordt gebruikt. Het gewone Griekse woord wat voor opstanding wordt gebruikt, is “anastasis”. Door de toevoeging “ex” wil Paulus iets bijzonders meedelen.

Fil. 3:11 heeft steeds moeilijkheden opgeleverd voor de bijbelvertalers. Men vertaalt het Griekse "ex-anastasis" (d.i. uit-opstanding) door "opstanding", evenals men dat doet met "anastasis" in andere teksten. Daarom lijkt het erop dat Paulus in deze teksten niets nieuws verteld, maar gewoon verwijst naar de opstanding waarvan hij ook reeds vroeger sprak, b.v. in 1 Kor 15. Maar Paulus wil ons hier meedelen, dat deze opstanding een heel bijzondere is, die net als Christus' opstanding, een opstanding van tussen de andere doden uit is. (zie voor meer informatie bijbelstudie “Hem Kennen” deel 30).

 

Nogmaals: Voor de gelovigen van deze tijd is er dus een verschil in opstanding:

  • De “gelovigen van het Johannes evangelie” ontvangen wel het leven van de toekomende eeuw, maar niet eerder dan op de laatste dag van deze huidige eeuw.
  • De “gelovigen van het Lichaam van Christus” zullen na hun sterven daar zijn, waar Christus is, namelijk in de rechterstoel des Vaders.

 

Evangelie van het Koninkrijk

Maar er is nog meer waarin het Johannes evangelie zich onderscheid van de andere drie evangeliën, dat is de aankondiging van het Koninkrijk der hemelen, onder Koningschap van Christus.

Het Koninkrijk, wat zowel in de Evangeliën, als in de Handelingen wel aanstaande was, en wat daar ook gepredikt werd. Maar in het Johannes evangelie wordt totaal niet gesproken over het komende Koninkrijk. Dat kon ook niet, omdat het Johannes evangelie na Handelingen 28 is geschreven, en die “hoop” van het komende Koninkrijk was na Hand 28 niet meer aanwezig, die “hoop” was toen 2000 jaar (twee dagen) uitgesteld.

  • In Math komt 52 keer het “Koninkrijk” aan de orde.
  • In Marcus 17 keer,
  • In Lukas 40 keer.
  • En Het Johannes evangelie slechts 3 keer, en dan nooit in die context, zoals in de evangeliën, waar opgeroepen werd: “Bekeert u, want het Koninkrijk der hemelen is nabij.”

 

Dus het Koninkrijk voor Israël was reeds terzijde gezet, toen het Johannes Evangelie in werking trad, en daarom wordt er in het Johannes evangelie niet over gesproken.

  • Die “hoop” van het komende Koninkrijk was na Hand 28 niet meer aanwezig,
  • Die “hoop” was toen 2000 jaar uitgesteld.

 

Wanneer we in ogenschouw nemen, dat Johannes één van de twaalf apostelen was, die met de Heere zelf had opgetrokken, en die door de Heere na Zijn opstanding was onderwezen aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods (Hand 1:3-5), dan wist Johannes ook van de “herkansing” voor Israël in de Handelingen periode. Johannes wist dat Israël nog een kans zou krijgen om zich als volk te bekeren, en de Christus, de Opgestane te aanvaarden in de Handelingen periode. Wanneer we dan weten, dan Johannes hiervan wist, dan kon hij nooit eerder dan na Hand 28:28 schrijven: “Hij kwam tot het Zijne, en de Zijnen (Israël) hebben Hem niet aangenomen.” Dit gegeven maakt het des te duidelijker, dat Johannes pas na de Handelingen kan zijn geschreven.

 

Bekeert u....

Als laatste punt, wat we ook niet vinden in het Johannes Evangelie is het feit dat er in het Johannes Evangelie nooit wordt gesproken over “bekeert u.......”

Altijd wanneer het evangelie tot Israël gesproken werd begint dat met: “bekeert u........”.

Zowel door Johannes de Doper, de Heere zelf, Petrus, en ook Openbaring door Johannes.

 

In het Johannes Evangelie kom je “bekeert u” en “bekering” niet tegen, alleen één keer het woord “bekeren”, en dat in Joh 12:20, in een citaat van Jesaja, waar het over Israël gaat.

Reden temeer om aan te nemen dat het Johannes evangelie aan de wereld is geschreven na Handelingen 28, en niet aan Israël, wat ten tijde van het schrijven van de Johannes brief reeds terzijde was gesteld.

De heidenen konden zich helemaal niet bekeren, die konden alleen maar tot geloof komen. “bekeren” heeft altijd de betekenis van je “omkeren” naar wat je had, je omkeren naar God en Zijn beloften. Dat kon Israël wel, maar als de heidenen zich bekeerden, zich omkeerden, dus terug zagen op wat zij hadden, dan zagen zij alleen maar hun ellende, waaruit ze nou juist net verlost waren. Daarom lezen we in het Johannes evangelie, het evangelie voor de wereld, niets over “een bekeren”.

 

 

Gelijkenissen

 

 

 

En als laatste punt, waarin het Johannes Evangelie verschilt van de andere drie Evangeliën is het feit dat we in het Johannes Evangelie geen gelijkenissen vinden.

 

Het Griekse woord wat we vinden in de grondtekst voor “gelijkenis” is: “parabole”. Dit woord “parabole” komt in de eerste drie Evangeliën totaal 48 keer voor en daar worden ook vele gelijkenissen tot het volk gesproken, maar in het Johanne Evangelie vinden we dit niet terug. Het woord “gelijkenis” komt in het Johannes Evangelie helemaal niet voor.

 

Dit geeft eigenlijk nogmaals aan dat het Evangelie van Johannes voor de wereld is geschreven. En dat het Johannes Evangelie tot de wereld spreekt na de Handelingen, wanneer de Heere niet meer tot Israël spreekt in gelijkenissen, die over het Koninkrijk voor Israël handelen.

 

 

Wat hebben we nu gezien in het Johannes evangelie?

  1. Geen wonderen

  2. Geen instelling van het Pascha

  3. Geen uitopstanding van tussen de doden uit.

  4. Geen aankondiging van het Koninkrijk

  5. Geen boodschap van bekering.

  6. Geen gelijkenissen.

 

Dit alles wijst erop:

  • Dat we in het Johannes evangelie niet meer met Israël te maken hadden, maar met de wereld.
  • Dat het Johannes evangelie wezenlijke verschillen kent.
  • Dat we het Johannes evangelie moeten plaatsen na Hand 28.
  • Dat in deze tijd niet alleen de late brieven voor Paulus voor de gelovigen gelden, maar dat de heidenen door de Johannes brief worden opgeroepen om tot geloof te komen.

Na Hand 28:28 gaat voor de wereld naast de voortschrijdende boodschap van Paulus, ook het evangelie van Johannes in werking.

 

Dan gaan we nu verder met dat Johannes Evangelie, en wel met de 8 tekenen, en wat die ons te zeggen hebben. Met name ons!

We hebben al gezien dat Johannes zich echt op de wereld richt. (98 keer wordt het woord kosmos genoemd). Hij verklaart alle de Joodse termen en Joodse gebruiken, en ceremoniën en feesten, die hij in zijn evangelie noemt, aan niet Joden.

Johannes hangt zijn evangelie op aan acht tekenen,

  • die we kunnen vinden door heel het Johannes evangelie heen,
  • die een heel profetisch beeld geeft van zijn bediening in de afgelopen 2000 jaar.

 

Profetisch gezien tonen de acht tekenen van het Johannes evangelie het verloop van de bediening van Johannes vanaf Handelingen 28 tot aan de wederkomst van Christus.

 

De bediening van Johannes is er dus op gericht om gasten uit te nodigen voor de bruiloft.

  • Weet u nog van de vorige keer, uit de gelijkenis van Math 22,
  • waar de knechten tot twee keer toe Israël nodigden,
  • en dat Israël tot twee keer toe niet wilde komen,
  • en dat uiteindelijk de knechten uitgezonden werden naar de kruispunten der wegen, waar de heidenen werden genodigd om aan te zitten aan de bruiloft in de bruiloftszaal.

 

En omdat we weten uit het Woord dat Israël tot twee keer niet wilde komen,

  • de eerste keer niet op de prediking van de Heere zelf,
  • en de tweede keer niet op de prediking van de apostelen, en de apostel Paulus, werd daarna het Heil, en het “Heil” is Christus aan de heidenen gezonden, om hen te nodigen, en zij zullen horen! (Hand 28:28).

 

Wát ze dan horen, daar komen we hopelijk een volgende keer op terecht, maar eerst wilde ik graag in vogelvlucht de 8 tekenen van het Johannes evangelie met u doornemen.

 

Acht tekenen, die de Heere Jezus doet, en Hij begint bij de bruiloft te Kana, waar de Heere Jezus en zijn discipelen als gasten genodigd zijn.

 

En die acht tekenen gaan we de volgende bijbelstudies in vogelvlucht behandelen.

 

Deel 7 volgt DV

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Het Lichaam van Christus deel 7

 

Acht Tekenen in het Johannes Evangelie

Acht is het getal van het nieuwe begin, het nieuwe begin wat voor de wereld zal aanvangen op de zevende dag als de Heere Jezus Christus komt als de bruidegom voor de gemeente van eerstgeborenen. En dan zullen er de opstanding der doden plaatsvinden. Dan zal er een bruiloft zijn op aarde tussen een bruid en een Bruidegom, en vele gasten zullen geroepen zijn, uitgenodigd zijn, en komen, terwijl de hele wereld uitgenodigd zal zijn om als toeschouwer daarbij aanwezig te zijn hoe die bruiloft daar plaatsvindt in het Midden-Oosten. Een geweldige bruiloft, met een geweldige impact. Want er is dan feest in het midden der aarde. En na die zevende dag vangt de achtste dag aan, waarin alles en allen in Christus geplaatst zullen worden.

 

Het eerste Teken

Het eerste teken is de bruiloft te Kana. Deze bruiloft vindt plaats op de derde dag:

  • En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea en de moeder van Jezus was daar; en ook Jezus en zijn discipelen waren ter bruiloft genodigd.” (Joh 2:1-2).

 

De derde dag: Hoeveel dagen van 1000 jaar zijn er nu om na Handelingen 28? Bijna twee dagen van 1000 jaar. Hosea zegt over die dagen:

  • Hij zal ons (= Israël) na twee dagen doen herleven, ten derden dage zal Hij ons oprichten, en wij zullen leven voor zijn aangezicht.” (Hosea 6:2).

 

Dit alles loopt precies parallel met Johannes 2:1. Wanneer de derde dag aanbreekt mogen de genodigde gasten (gelovigen uit de wereld) ter bruiloft gaan, dan zal er een bruiloft zijn, en over het nodigen tot die bruiloft handelt de bediening van Johannes: Het nodigen van gasten uit de wereld voor de bruiloft des Lams. En die bruiloft vindt plaats op de derde dag.

 

Maar die bruiloft des Heeren vindt volgens het Woord (Openbaring) ook plaats op de dag des Heeren, dat is in het geheel van Gods plan gezien, na zes dagen wereldgeschiedenis, op de zevende dag. Hoe zit dat nou?

 

In Joh 2 lazen we dat die bruiloft was op de derde dag, en het wijst profetisch gezien naar dezelfde bruiloft. Dan is dus eigenlijk de zevende dag gelijk aan de derde dag. Wanneer dat zo is, dan moeten we dat ook terug vinden in het Woord. We moeten goed tellen, wanneer we gaan lezen in Johannes 1, dan vinden we het volgende:

 

Eerste dag>

Joh 1:19-28

= De eerste dag, die zich afspeelde te Bethanië, waar Johannes doopte, volgens Joh 1:28. Dit Bethanië ligt ten oosten van Jericho over de Jordaan. Ongeveer op de plek waar veel eerder de 12 stammen over de Jordaan het beloofde land binnentrokken.

Tweede dag>

Joh 1:29-34de volgende dag

= De tweede dag, speelde zich ook daar af waar Johannes doopte.

Derde dag>

Joh 1:35-43de volgende dag

= De derde dag was Jezus nog steeds op dezelfde plaats, getuige vers 35.

Vierde dag>

Joh 1:44-52de volgende dag

= De vierde dag werd er van Bethanië afgereisd naar Galilea (vers 44)

Wanneer we dit gedeelte van Johannes 1:19-52 lezen dan vinden we dus vier dagen, die al geweest zijn, en daarna lezen we verder in Joh 2:1, en dan lezen we:

  • op de derde dag”, (dus na die eerste vier, je kunt ook lezen: Drie dagen daarna, na die eerste vier dagen), was er een bruiloft te Kana. En dan komen we op 4 + 3 = op de zevende dag. Dus de derde dag is gelijk aan de zevende dag. (N.B. De reis van Bethanië naar Kana duurde ook ca. drie dagen)

 

Dan gaan we naar het eerste teken:

  • En op de derde dag was er een bruiloft te Kana in Galilea en de moeder van Jezus was daar; en ook Jezus en zijn discipelen waren ter bruiloft genodigd. En toen er gebrek aan wijn kwam, zeide de moeder van Jezus tot Hem: Zij hebben geen wijn. En Jezus zeide tot haar: Vrouw, wat heb Ik met u van node? Mijn ure is nog niet gekomen. Zijn moeder zeide tot hen, die bedienden: Wat Hij u ook zegt, doet dat! Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden, elk met een inhoud van twee of drie metreten. Jezus zeide tot hen: Vult de vaten met water. En zij vulden ze tot de rand. En Hij zeide tot hen: Schept nu en brengt het aan de leider van het feest. En zij brachten het. Toen nu de leider van het feest het water proefde, dat wijn geworden was – en hij wist niet, waar deze vandaan kwam, maar de bedienden, die het water geschept hadden, wisten het – riep de leider van het feest de bruidegom, en hij zeide tot hem: Iedereen zet eerst de goede wijn op en als er goed gedronken is, de mindere; gij echter hebt de goede wijn tot dit ogenblik bewaard.” (Joh 2:1-10)

 

[Het woord metreet komt van het Grieks, en één metreet was ca 40 liter, dus de vaten bevatten elk tussen de 80 en 120 liter water].

Wat was nou ook al weer het probleem bij die bruiloft? De moeder van de Heere Jezus zei het Hem in vers 3: “Heere, zij hebben geen wijn.” De wijn was op.

 

En wat was het probleem met Israël, broeders en zusters? Toen ten tijde van die bruiloft te Kana zat Israël nog steeds bij de oude wijn, een beeld van het oude verbond, zij beseften niet dat Diegene onder hen was, die het Nieuwe Verbond in werking wilde stellen.

 

En wat is nu, heden te dage het probleem met Israël? Zij zitten nog steeds bij de oude wijn, bij het Oude Verbond, tenminste voor zover het gelovige Joden betreft. En ze beseffen het eigenlijk helemaal niet, dat de oude wijn is allang op is. Die is al 2000 jaar op. Zij lezen het Nieuwe Testament niet, en erkennen ook niet dat hun Messias is gekomen, en geloven dus ook niet dat Christus stierf aan het kruis van Golgotha. Daarom gaan al deze dingen hun voorbij. Maar het beeld van het eerste teken is dat in DEZE DAGENde wijn op is. Dat betekent dat er in deze dagen helemaal geen verbond werkzaam is.

 

En wat in dit verband ook heel triest is, ook veel kerken zitten in deze dagen nog steeds bij die Oude wijn, bij dat Oude Verbond, wat ze zich van Israël onrechtmatig hebben toege-ëigend, en waardoor zoveel verkeerde opvattingen ontstaan.

 

En waar zit Israël op te wachten? Ook dat beseft Israël niet, maar de profetie zegt: Tot de Heere Jezus komt op die bruiloft, en Hij nieuwe wijn schenkt, dat een nieuw verbond inluidt, dat veel beter is dan het oude verbond (Jer 31:31).

Een nieuw verbond dat veel beter is dan het Oude Verbond.

 

Een prachtig beeld zien we hier. Want het was gebruikelijk om op een bruiloft eerst de beste wijn te schenken, en wanneer men wat (veel) had gedronken, werd de mindere wijn opgediend, want dat merkten de gasten dan toch niet meer. Maar hier was eerst de mindere wijn opgediend, en wanneer de Heere nieuwe wijn maakt, dan is de leider van het feest verbaasd, dat de beste wijn voor het laatst is bewaard. Maar de eerste wijn wijst op het eerste verbond, en de tweede wijn wijst op het nieuwe verbond, wat een beter verbond zal zijn. Daarom was de wijn die de Heere maakte van een betere kwaliteit! Dat zal er gebeuren op die derde dag!

En dit teken wijst profetisch gezien op de dag, die er voor Israël zal aanbreken na twee dagen (van 1000 jaar) op die derde dag (ook van 1000 jaar), wanneer de Heere zelf terug komt om voor Israël het Koninkrijk op te richten.

 

Het tweede Teken

Vooraf aan het tweede teken lezen we de geschiedenis van die Samaritaanse vrouw die bij een put kwam om water te putten, en aan wie de Heere te drinken vroeg. (Joh 4:1-38).

En aan het eind van die geschiedenis lezen we:

  • En uit die stad geloofden vele der Samaritanen in Hem om het woord der vrouw, die getuigde: Hij heeft mij gezegd alles wat ik gedaan heb. Toen dan de Samaritanen tot Hem kwamen, verzochten zij Hem bij hen te blijven; en Hij bleef daar twee dagen. En nog veel meer werden er gelovig om zijn woord, en zij zeiden tot de vrouw: Wij geloven niet meer om wat gij zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is.” (Joh 4:39-42).

 

Prachtig te lezen dat die Samaritanen eerst uit nieuwsgierigheid kwamen “om het woord der vrouw”, maar in vers 42 lezen we: “Wij geloven niet meer om wat gij (= die vrouw) zegt, want wij zelf hebben Hem gehoord en weten, dat deze waarlijk de Heiland der wereld is.”

Een geweldige geloofsgetuigenis van heidenen!

En in vers 40 op het eind lezen we: “Hij bleef daar twee dagen.”

En dan lezen we daarna dat de zoon van de hoveling na diezelfde twee dagen werd opgewekt.

Joh 4:43 “En na die twee dagen vertrok Hij vandaar naar Galilea.”

 

En vanaf Joh 4:46 wordt ons het tweede teken meegedeeld:

  • Hij kwam dan weder te Kana in Galilea, waar Hij het water tot wijn gemaakt had. En er was te Kafarnaüm een hoveling, wiens zoon ziek was. Toen deze hoorde, dat Jezus uit Judea naar Galilea gekomen was, ging hij tot Hem en verzocht Hem te komen en zijn zoon te genezen; want deze lag op sterven. Jezus zeide dan tot hem: Indien gijlieden geen tekenen en wonderen ziet, zult gij niet geloven. De hoveling zeide tot Hem: Heer, kom af, eer mijn kind sterft. Jezus zeide tot hem: Ga heen, uw zoon leeft! De man geloofde het woord, dat Jezus tot hem sprak, en ging heen. En reeds terwijl hij afdaalde, kwamen zijn slaven hem tegemoet en zeiden, dat zijn kind leefde. Hij vroeg hun naar het uur, waarop de beterschap was ingetreden; zij zeiden tot hem: Gisteren op het zevende uur werd hij vrij van koorts. De vader dan bemerkte, dat het dat uur was, waarop Jezus tot hem gezegd had: Uw zoon leeft, en hij werd zelf gelovig en zijn gehele huis. En dit deed Jezus weder als tweede teken, toen Hij uit Judea naar Galilea gekomen was” (Joh 4:46-54).

 

Het tweede teken is de opwekking van de zoon van de hoveling. Na twee dagen onder de heidenen te zijn geweest, (DEZE DAGEN),wordt de zoon opgewekt. Die zoon is een type van Israël, dat na twee dagen van 1000 jaar zal worden opgewekt. Dit beeld zegt ons eigenlijk dat Israël nu dood is. Dat betekent dat God nu totaal geen bemoeienis heeft met Israël.

Het is mooi te zien dat na twee dagen onder de heidenen te zijn geweest, Israël zal worden opgewekt!

 

Het derde Teken

  • Daarna was er een feest der Joden en Jezus ging op naar Jeruzalem. Nu is er te Jeruzalem bij de Schaapspoort een bad, dat in het Hebreeuws de bijnaam Bethesda draagt, met vijf zuilengangen. Daarin lag een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden, [die wachtten op de beweging van het water. Want van tijd tot tijd daalde een engel des Heren neder in het bad; dan bewoog het water; wie er dan het eerst in kwam na de beweging van het water, werd gezond, wat voor ziekte hij ook had.] En daar was een man, die reeds achtendertig jaar lang ziek geweest was. Hem zag Jezus liggen en daar Hij wist, dat hij daar reeds lange tijd was, zeide Hij tot hem: Wilt gij gezond worden? De zieke antwoordde Hem: Here, ik heb geen mens om mij, zodra er beweging komt in het water, in het bad te werpen; en terwijl ik onderweg ben, daalt een ander vóór mij af. Jezus zeide tot hem: Sta op, neem uw matras op en wandel. En terstond werd de man gezond en nam zijn matras op en ging zijns weegs. Nu was het sabbat op die dag.” (Joh 5:1-9).

 

Dit derde teken, wat op een sabbat gebeurde (vs 9), is het teken van die machteloze man, die ligt aan het badwater van Bethesda. Die man lag daar al 38 jaar, en dat getal 38 vinden we ook in O.T.

Israël was 38 jaar zwervende door de woestijn in ongeloof. Die 38 jaar door de woestijn was eigenlijk een straf voor hun ongeloof, omdat ze niet vertrouwden op de Heere, dat Hij hun in de rust en vrede van het land zou brengen.

Nét zo is Israël door hun ongeloof in Hand 28 terzijde geplaatst, en Israël zwerft nu in ongeloof in de woestijn van deze wereld voordat een gelovig overblijfsel het beloofde land kan binnengaan.

In DEZE DAGEN is Israël zwervende door deze wereld in ongeloof!

 

Prachtige beelden ook in dit derde teken van Johannes:

  • Bethesda = huis van barmhartigheid (straks zal Christus zich over Israël ontfermen).
  • Een menigte zieken, blinden, verlamden en verschrompelden. (nu is eenmenigte van Israël ziek, enz).
  • 38 jaar = beeld van Israël in de woestijn. Wanneer Christus weder komt, dan zal Israël weer gezond worden. En dat zal net zoals in het derde teken, gebeuren op de grote toekomstige zevende dag, op de Sabbath!

 

Het vierde Teken = Spijziging van 5000

  • Daarna vertrok Jezus naar de overzijde van de zee van Tiberias in Galilea. En Hem volgde een grote schare, omdat zij de tekenen zagen, die Hij aan zieken verrichtte. En Jezus ging de berg op en zat daar neder met zijn discipelen. En het Pascha, het feest der Joden, was nabij. Toen Jezus dan de ogen opsloeg en zag, dat een grote schare tot Hem kwam, zeide Hij tot Filippus: Waar zullen wij broden kopen, dat dezen kunnen eten? Maar dit zeide Hij om hem op de proef te stellen, want Hij wist zelf, wat Hij doen zou. Filippus antwoordde Hem: Tweehonderd schellingen brood is voor dezen niet genoeg, als ieder een kleine hoeveelheid zal krijgen. Een van zijn discipelen, Andreas, de broeder van Simon Petrus, zeide tot Hem: Hier is een jongen, die vijf gerstebroden en twee vissen heeft; maar wat betekent dit voor zovelen? Jezus zeide: Laat de mensen gaan zitten. Nu was er veel gras op die plaats. De mannen gingen dus zitten, ten getale van omstreeks vijfduizend. Jezus dan nam de broden, dankte en verdeelde ze onder hen, die daar zaten, evenzo van de vissen, zoveel zij wensten. En toen zij verzadigd waren, zeide Hij tot zijn discipelen: Verzamelt de overgebleven brokken, opdat niets verloren ga. Zij verzamelden die dus en vulden twaalf korven met brokken van de vijf gerstebroden, die overgeschoten waren, nadat men gegeten had.” (Joh 6:1-13).

 

  • Het vierde teken verwijst naar het getal vier, en vier is het getal van de wereld.
  • Overigens, Johannes is ook hetvierde evangelie, wat op zich ook al aangeeft dat het een evangelie voor de wereld is.
  • Er werden 5000 gevoed: 5 = getal van genade.
  • 1000 x 5 = geeft de ontelbaarheid, de overvloed van de genade aan.

 

Dit vierde teken laat zien hoe het in de wereld gaat: Tijdens de bediening van Johannes in de afgelopen 2000 jaar (in DEZE DAGEN) is er ontelbaar veel genade in de wereld, (5 x 1000 = overvloed van genade) en duizenden komen tot geloof, en de feestzaal loopt vol.

 

De vijfduizend worden gespijzigd met vijf broden en twee vissen.

  • Vijf = getal van de genade.
  • Brood wijst op Christus = genade brood = brood des levens, wat uitgedeeld wordt aan de wereld.
  • Twee (vissen) verwijzen naar de verzoening en verlossing.
  • Vis spreekt ook van de gemeente die voortgebracht wordt.

 

Het is prachtig om te zien hoe al die vijfduizend worden verzadigd.

  • Vers 12: “En toen zij verzadigd waren...”
  • Vers 11: “Ze konden krijgen zoveel zij wensten.”

 

Iedereen in de wereld kan worden verzadigd.

In dit verband mogen we ook de tekst gebruiken: “En wie dorst heeft, kome, en wie wil, neme het water (brood) des levens om niet.”

Er is in DEZE DAGEN genoeg te eten voor iedereen!

 

Het eindresultaat: als heel de wereld is verzadigd, is er nog veel over.

  • Er zijn 12 korven over = 12 is beeld voor Israël! En weet u wat ik zo mooi vindt? Wat er overblijft wordt verzameld!!!

 

Er wordt ons in het Woord verder niets meegedeeld over die twaalf manden met brokken brood, die overgebleven waren, maar wanneer we kennis hebben van het Woord, dan weten we dat God nog een plan heeft met Zijn volk Israël. En dan kan bijna niet anders, dat die twaalf korven, die er over zijn, en worden verzameld, zijn bestemd voor de twaalf stammen van Israël, die in de toekomst zullen mogen eten (tot geloof komen) als laatsten. (Vele eersten – het heil werd eerst aan Israël aangeboden – zullen de laatsten zijn).

  • Israël mag als laatste toch eten,
  • Gods genade is groot.
  • Er is een volheid van voeding over voor Israël (volheid = nieuwe verbond).
  • God zal de draad met Israël weer opnemen.
  • Maar daarvoor zal het nog stormen in hun leven. (grote verdrukking).
  • En over die storm in hun leven gaat het volgende teken.

En daar gaan we de volgende keer mee verder.

 

Deel 8 volgt DV

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 8

De vorige keer hadden we de eerste vier tekenen uit het Johannes evangelie behandeld, we gaan nu verder met de laatste vier tekenen.

 

Het vijfde Teken

  • En toen het avond geworden was, gingen zijn discipelen naar de zee en begaven zich in een schip over de zee naar Kafarnaüm. En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen, en de zee werd onstuimig, daar er een harde wind woei (= storm). Toen zij dan vijfentwintig of dertig stadiën hadden geroeid, zagen zij Jezus over de zee gaan en dicht bij het schip komen, en zij werden bevreesd. Maar Hij zeide tot hen: Ik ben het, weest niet bevreesd. Zij wilden Hem dan in het schip nemen en terstond bereikte het schip het land, waar zij heengingen.” (Joh 6:16-21).

 

Het is treffend te lezen, hoe de discipelen in de avond in een schip gingen, en dat we lezen dat hun reisdoel Kapernaüm was, wat aan de overkant van de zee, eigenlijk aan de overkant van het meer van Galilea lag.

En wanneer we dan weten dat Kapernaüm eigenlijk “plaats van rust” betekent, dan weten we waar ze naar toe op weg waren. Naar een plaats van rust.

Maar voordat ze die “plaats van rust” bereiken,

  • moeten ze nog heel wat gevaren doorstaan,
  • er kwam storm,
  • de zee werd gevaarlijk,
  • ze hadden zware tegenwind,
  • eigenlijk hadden ze grote verdrukking.

 

Maar in die verdrukking is daar de Heere Jezus, en toen zij Hem herkenden, en in het schip namen, waren ze in één keer op de plaats van bestemming, kwamen ze thuis in die plaats van rust.

  • Twaalf discipelen helemaal alleen op de zee, is een beeld hoe Israël in deze twee dagen alleen is in de volkeren zee. (De Heere houdt in deze tijd Zijn oog op Zijn volk, maar heeft verder geen bemoeienis met Zijn volk).
  • En het was reeds donker geworden en Jezus was nog niet tot hen gekomen,” is een beeld hoe Israël zonder hun Messias in de problemen komt IN DEZE DAGEN in de volkerenzee in de eindtijd.
  • En de zee (de volken) werd onstuimig, daar er een harde wind woei.” De verdrukking zal tot een hoogtepunt komen.
  • Maar Christus zal komen voor de Zijnen en zal ingrijpen.
  • Ze vrezen voor hun leven.
  • Christus komt naar hun scheepje toe,
  • en Hij stapt in dat scheepje, dat betekent dat Hij in de toekomst hun Koning word.
  • En terstond bereikte het schip het land.” Christus komt weder, en de storm is meteen voorbij.
  • Al het woeden van satan is in één keer gestild.
  • Christus stilt de storm, en Israël komt aan in het beloofde land.

 

Het is prachtig om in in VIJFDE teken Gods genade voor Israël te zien. Dat God ondanks het voortdurende ongeloof uiteindelijk toch met Israël tot Zijn doel zal komen.

 

Het zesde Teken

  • Hij Spuwde (de Heere Jezus) op de grond en maakte slijk van dit speeksel en Hij legde hem het slijk op de ogen, en zeide tot hem: Ga heen, was u in het badwater Siloam, hetgeen vertaald wordt door: uitgezonden. Hij dan ging heen, wies zich en kwam ziende terug. De buren dan en zij, die hem vroeger als bedelaar gekend hadden, zeiden: Is hij dat niet, die zat te bedelen? Sommigen zeiden: Hij is het; anderen zeiden: Neen, maar hij gelijkt op hem. Hij zeide: Ik ben het. Zij dan zeiden tot hem: Hoe zijn [dan] uw ogen geopend? Hij antwoordde: De mens, die Jezus genoemd wordt, maakte slijk, streek het op mijn ogen en zeide tot mij: Ga heen naar Siloam en was u. Ik ging dan heen en toen ik mij gewassen had, werd ik ziende.” (Joh 9:6-11).

 

Het zesde teken is het teken van de blindgeborene, wiens ogen worden geopend, die nog nooit heeft gezien. Hij ziet de Heere Jezus als eerste. Christus is het licht der wereld.

Deze blindgeborene is een type van Israël. Straks zal Christus de ogen van het gelovig overblijfsel van Israël de ogen openen. Als Israël gaat zien, zullen zij zien wie zij hebben doorstoken. In DEZE DAGEN is Israël blind.

 

Het zevende Teken

Joh 11:1-4

  • Er was iemand ziek, Lazarus van Betanië, het dorp van Maria en haar zuster Marta. Maria was het, die de Here gezalfd had met mirre en zijn voeten met haar haren had afgedroogd. En haar broeder Lazarus was ziek. De zusters dan zonden Hem bericht: Here, zie, die Gij liefhebt, is ziek. Toen Jezus het hoorde, zeide Hij: Deze ziekte is niet ten dode, maar ter ere Gods, opdat de Zoon van God erdoor verheerlijkt worde.”

Joh 11:14:

  • Lazarus is gestorven,”

Joh 11:17:

  • Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.”

Joh 11:33-44:

  • Toen Jezus haar dan zag wenen en ook de Joden, die met haar medegekomen waren, zag wenen, werd Hij verbolgen in de geest (HSV heftig in de geest, enSt Vert: zeer bewogen) en diep ontroerd, en Hij zeide: Waar hebt gij hem gelegd? Zij zeiden tot Hem: Here, kom en zie. Jezus weende. De Joden dan zeiden: Zie, hoe lief Hij hem had! Maar sommigen van hen zeiden: Had Hij, die de ogen van de blinde heeft geopend, niet kunnen maken, dat ook deze niet stierf? Jezus dan, wederom bij Zichzelf verbolgen, ging naar het graf; dit nu was een spelonk en er lag een steen tegenaan. Jezus zeide: Neemt de steen weg! Marta, de zuster van de gestorvene, zeide tot Hem: Here, er is reeds een lijklucht, want het is al de vierde dag. Jezus zeide tot haar: Heb Ik u niet gezegd, dat gij, indien gij gelooft, de heerlijkheid Gods zien zult? (zie vers 4) Zij namen dan de steen weg. En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt. En na dit gezegd te hebben, riep Hij met luider stem: “Lazarus, kom naar buiten! De gestorvene kwam naar buiten, de voeten en de handen gebonden met grafdoeken, en er was een zweetdoek om zijn gelaat gebonden. Jezus zeide tot hen: Maakt hem los en laat hem heengaan.”

 

Het zevende teken is de opwekking van Lazarus. Na hoeveel dagen gaat de Heere Jezus pas naar het graf van Lazarus in Bethanië?

Joh 11:17: “Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.”

Na 4 dagen wordt Lazarus door de Heere Jezus opgewekt. Ook dit teken wijst op Israël.

Als Christus wederkomt, hoelang ligt Israël dan al in het graf?

En dan moeten we gaan rekenen vanaf de tijd dat Israël is ontstaan, dus vanaf de tijd van Abraham, Izaäk en Jacob: Vier dagen van duizend jaar!

Na die vier dagen, dan zal geheel Israël opstaan en zien, en heel gemaakt worden, net als Lazarus. Hiervan spreekt de opstanding van Lazarus.

Nu in DEZE DAGEN ligt Israël in het graf.

De Heere wilde door dit teken de omstanders een blik gunnen in de toekomst. Maar werd het wel verstaan?

 

Maar de Heere Jezus wilde nog wat laten zien. We hebben gelezen:

  • En Jezus sloeg de ogen opwaarts en zeide: Vader, Ik dank U, dat Gij Mij verhoord hebt. Zelf wist Ik, dat Gij Mij altijd verhoort, maar ter wille van de schare, die rondom Mij staat, heb Ik gesproken, opdat zij geloven, dat Gij Mij gezonden hebt.” (Joh 11:41-42).

 

Dit teken werd ook gedaan opdat de schare mocht zien wie Hij was. Opdat zij zouden geloven dat Hij de verwachte Messias was. Maar zij hadden ogen, maar zagen niet.

Heel bijzonder, dat we hieruit ook mogen leren, dat alle gebeden, die de Heere tot de Vader bidt, dat die worden verhoord (vers 42). Hier moeten we maar eens heel persoonlijk biddende over nadenken in betrekking tot onszelf, wanneer wij in het Lichaam van Christus zijn geplaatst.

 

Het achtste Teken

  • Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan met u mede. Zij vertrokken en gingen scheep, en in die nacht vingen zij niets. Toen het reeds morgen werd, stond Jezus aan de oever; de discipelen wisten echter niet, dat het Jezus was. Jezus zeide tot hen: Kinderen, hebt gij ook enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. Hij nu zeide tot hen: Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. Zij wierpen het (net) uit en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.” (Joh 21:3-6)

 

Het achtste teken is de wonderbare visvangst:

  • Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. Zijwierpen het (net) uit en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der vissen.” (Joh 21:6).

 

Een enorme visvangst uit de zee, uit de volkeren zee.

  • Een ontelbaar aantal kinderen Gods zijn verzameld, en worden door de netten binnengehaald.
  • Het zijn zij, die niet zien en toch geloven in de afgelopen 2000 jaar.
  • Het zal een enorme schare zijn. Die schare die door het Johannes evangelie is uitgenodigd, en die gehoor hebben gegeven aan de roepstem van het evangelie.
  • Die schare zal deelnemen aan de tafel, aan de maaltijd des Heeren.
  • Die schare is uitgenodigd op de kruispunten der wegen.
  • Die schare wordt hier eigenlijk van te voren al getoond in het Joh evangelie.

In DEZE DAGEN blijft deze visvangst doorgaan.

 

Met nadruk steeds DEZE DAGEN, omdat deze dagen in het Johannes evangelie geen verborgenheid zijn, maar dat er openlijk over deze tijd wordt gesproken.

Tot zover de 8 tekenen.

 

Om over na te denken:

  • Wanneer we nu zien dat het Johannes evangelie nu reeds 2000 jaar gepredikt wordt in deze dagen,
  • en wanneer we nu leren dat dit Johannes evangelie zal verkondigd worden totdat de Heere terug komt, dan wordt de tekst uit Joh 21 toch wel bijzonder:
  • Petrus was nog wel nieuwsgierig (vs 20) over wat er met Johannes zou gebeuren, maar de Heere zegt met zoveel worden eigenlijk, dat dat Hem niets aangaat.

 

Joh 21:20-23:

  • En Petrus, zich omwendende, zag de discipel volgen, dien Jezus liefhad, die zich bij de maaltijd aan Zijn borst geworpen (= Johannes) had en gezegd had: Here, wie is het die U verraadt? Toen hij deze zag, zeide Petrus tot Jezus: Here, maar wat zal met deze (met Johannes) gebeuren? Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij. Dit gerucht ging dan uit onder de broeders, dat die discipel niet sterven zou; doch Jezus had niet tot hem gezegd, dat hij niet zou sterven, maar: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan?”

 

Nu achteraf kunnen we eigenlijk constateren, dat niet Johannes, maar wel zijn evangelie tot op de dag van vandaag is gebleven, en zal blijven totdat Christus wederkomt.

 

Nadat Petrus was vermoord ving Johannes op hoge leeftijd zijn dienst, zijn bediening aan met de uitnodiging om te komen tot de bruiloft des Lams Die dienst gaat voort tot aan de wederkomst des Heeren, en brengt enorme visvangst met zich mee.

 

Schapen 1

Uiteindelijk zal het worden: De heidenen samen met Israël, onder één herder, en het zal zijn één kudde, waarvan Jesaja al profeteerde:

 

Jes 56:6-8:

  • En de vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de naam des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn verbond: hen (die vreemdelingen) zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken. Het woord van de Here HERE, die de verdrevenen van Israël bijeenbrengt, luidt: Ik zal daartoe (dus naast Israël) nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn.” (HSV Ik zal er tot Hem nog meer bijeenbrengen, naast hen die al tot Hem bijeengebracht zijn.)

 

En wanneer we dan gaan naar Johannes 10, vinden we daar niet hetzelfde?

  • Nog andere (= allos) schapen heb Ik, die niet van deze stal (niet van Israël) zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem (in deze 2000 jaar) horen en het zal worden één kudde, één herder.” (Joh 10:16).

 

Voor de volledigheid wil ik graag even stilstaan bij ons woordje “andere”. In het Grieks kennen we namelijk twee woorden, “allos” en “heteros”, die in het Nederlands beide met “andere” worden vertaald. Onderstaande voorbeelden maken het verschil duidelijk.

  1. En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere (= allos) Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn.” (Joh 14:16) [= een trooster van dezelfde soort]

  2. Totdat er over Egypte een andere (heteros) koning aan het bewind kwam, die Jozef niet gekend had.” (Hand 7:18) [=een hele andere koning van een totaal andere soort]

 

Allos” geeft weer dat die “andere” wel een andere is, maar van dezelfde soort.

Heteros” geeft weer dat die “andere” een totaal andere is, van een heel andere soort.

 

En in de tekst van Joh 10 staat het woordje “allos”, dat weergeeft dat die “andere” schapen van dezelfde soort zijn. Het betreft schapen van dezelfde soort, ook zij horen naar de stem van de herder, en het betreft ook gelovigen. Ze staan op hetzelfde fundament, “Jezus Christus en dien gekruisigd”, en zijn daarom van dezelfde soort.

 

Broeders en zusters, het gaat hier in Johannes om het evangelie aan de wereld, in deze 2000 jaar, wie betreft dit dan? Wie zijn die “andere” schapen?

 

In de afgelopen 2000 jaar is er een enorme groep mensen tot geloof gekomen, die niet van Israël zijn, en wel naar Christus stem horen, en samen zullen zij als gasten verschijnen op de bruiloft des Lams. Daar sprak de Heere Jezus immers al van in Zijn gelijkenis.

 

Wanneer we willen weten wie die schapen zijn, dan gaan we lezen wat de Heere over die schapen zegt:

Joh 10:

  • Vers 7: “Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.”
  • Vers 9: “Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden.”(voor wie geldt dit? Alleen voor Israël? Nee, voor allen die Hem aannemen)
  • Vers 10: “Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed. Ja, dat was wel de bedoeling voor Israël, maar wat hebben we ook al weer eerder gelezen in Joh 1:11-12? “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven.”
  • Vers 11: “Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen.

 

Voor wie heeft de Heere Zijn leven ingezet?

Voor wie heeft de Heere aan het kruis gehangen? Voor de zonde der gehele wereld!

  • Vers 14 -15: “Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen.

 

Nogmaals: Geldt dit alleen voor Joden, of is dit evangelie voor een ieder die het hoort engelooft?

Het is treffend, wat de Heere in Johannes 10:26 tegen Israël zegt:

  • Maar gij (Israëlieten) gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.”

 

Daarentegen zegt de Heere over de schapen:

  • Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven.” (Joh 10:27-28)

Ik geloof dat dit voor alle gelovigen geldt!

 

En dan gaan we nogmaals terug naar Joh 10:16:

  • Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.”

 

Nog andere (= allos, dat betekent andere, maar wel van dezelfde soort, “andere” wijst op een andere groep, en dezelfde soort wijst er op dat het ook gelovigen zijn) schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.”

 

We moeten goed bedenken:

Al de schapen Israëls waren van dezelfde stal, de Heere was niet terug gekomen om zijn koningschap op te richten voor twee stammen, maar Zijn komst in vernedering naar deze aarde was om Koning te worden van de 12 stammen. Wanneer er dan ook nog andere schapen zijn, die niet van deze stal, lees daarom: die niet van Israël, die niet van de 12 stammen zijn, waar zijn ze dan van?

Over “de schapen” gaan we de volgende keer verder.

 

Deel 9 volgt DV

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 9

De vorige keer zijn we geëindigd met de tekst uit Joh 10, wat over die andere schapen ging, die niet van Israël waren, maar die ook door de Heere zullen worden geleid, “en het zal worden één kudde, één herder.” (Joh 10:16).

 

Schapen 2

Wanneer het over schapen gaat, heeft het dan altijd betrekking op Israël? Natuurlijk zal meestal Israël worden bedoeld wanneer het over schapen gaat, want 97 % van het Woord gaat over Israël, dus meeste kans dat “schapen” op Israël slaat.

Maar daarnaast ontdekken we bovendien dat schapen altijd te maken heeft met geloof, of met gelovigen in het algemeen:

  • Wanneer in Math 25:32 sprake is van de scheiding van volken, worden die volken daar genoemd “schapen en bokken”, dus betreft daar “schapen” ook heidenen.
  • Ook in Hand 20, en 1 Kor 9 en 1 Petr 5, brieven, geschreven in de Handelingen tijd, gaat het over een kudde schapen.
  • En we weten dat in die Handelingen tijd gelovige heidenen waren geënt op de edele olijf, en deel hadden aan de zegeningen van Israël, en behoorden tot de gemeente van eerstgeborenen, en in die context behoorden ook heidenen tot de kudde schapen. Lees de teksten maar: Hand 20:28-29, 1 Kor 9:7 en 1 Petr 5:2-3.

 

We moeten proberen deze dingen te zien in een groter geheel. Daarmee plaatsen we deze dingen in een grotere context. En om deze dingen aangaande de “schapen” goed te verstaan is het zinvol om Joh 10 met Matt 22 te vergelijken:

We zien in Joh 10 eigenlijk hetzelfde gebeuren als datgene waar de Heere het in Math 22 ook al over heeft. Math 22 wijst naar de tijd dat de Heere terug komt op aarde.

Zowel in Math 22, als in Joh 10 spreekt de Heere over de toekomst, over de tijd dat Hij Koning zal zijn.

 

Wanneer we in Math 22 lezen

  • dat de bruiloftszaal vol zal worden met hen die aanlagen”,

en wanneer we in Joh 10 lezen

  • dat het zal worden één kudde en één Herder”,

dan weten we over welke tijd dat gaat. Het gaat over hetzelfde onderwerp.

Beide bijbel-gedeelten moeten we dan ook lezen in die toekomende tijd.

Het is wel bijzonder, maar die gelijkenis uit Mat 22 kunnen we bijna letterlijk leggen op Johannes 10.

Leest u het thuis maar eens na.

 

Math 22

De Heere spreekt die gelijkenis in Math 22:

  • de Koning stuurt zijn slaven om de genodigden (Israël) te roepen,
  • maar tot twee keer toe wilden die genodigden niet komen,
  • en uiteindelijk worden de slaven uitgezonden om allen aan de kruispunten der wegen te nodigen voor de bruiloft van het lam.

En op het eind lezen we:

  • En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.

 

Leest u voor uzelf die gelijkenis maar eens.

Math 22:1-10:

  • En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: 2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. 3 En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. (= de eerste afwijzing van Israël) 4 Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. 5 Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. 6 De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen. (= tweede afwijzing van Israël) 7 En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.(Is in 70 na Christus gebeurd) 8 Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden (= Israël) waren het niet waard. 9 Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. 10 En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.

 

Wie werden daar gevonden aan de kruispunten der wegen? Op de handelswegen die vanuit het buitenland Israël doorkruisten? De heidenen.

 

In Johannes 10 vinden we een vergelijkbare geschiedenis:

Joh 10:17-20

  • Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. 18 Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen. 19 Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om die woorden. 20 En velen van hen zeiden: Hij is bezeten en waanzinnig; waarom luistert gij naar Hem?” We zien hier een afwijzing van de Joden.

 

We lezen verder:

Joh 10:30-38:

De Heere getuigde weer van Zichzelf:

  • “Ik en de Vader zijn één. De Joden droegen weder stenen aan om Hem te stenigen.(weer ongeloof van de Joden) Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken doen zien vanwege mijn Vader; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt. Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden? Als Hij hén goden genoemd heeft, tot wie het woord Gods gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden, zegt gij dan tot Hem, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert, omdat Ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon? Indien Ik de werken mijnsVaders niet doe, gelooft Mij niet, doch indien Ik ze doe en gij Mij toch niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat gij weten en erkennen moogt, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader."

En tot slot in Joh 10:39

  • Zij trachtten Hem dan weder te grijpen, (weer ongeloof) maar Hij ontkwam uit hun handen.

En dan lezen we waar het uiteindelijk op uit zal lopen lezen:

  • En het zal worden één kudde, één herder.” Waar gaat het dan over?

 

BOVENSTAANDE IN EEN SCHEMA GEPLAATST:

Overeenkomsten tussen Matheüs 22 en Johannes 10

Math 22:1-10

Joh 10:17-39

En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: 2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. 3 En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen.

(= de eerste afwijzing van Israël)

Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. 18 Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen. 19 Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om die woorden. 20 En velen van hen zeiden: Hij is bezeten en waanzinnig; waarom luistert gij naar Hem?”

We zien hier een afwijzing van de Joden.

4 Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. 5 Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken.

(= tweede afwijzing van Israël)

Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter. 23 En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo. 24 De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit. 25 Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet; de werken, die Ik doe in de naam mijns Vaders, die getuigen van Mij; 26 maar gij gelooft niet, (weer een afwijzing van de Joden)omdat gij niet tot mijn schapen behoort.

7 En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.(Is in 70 na Christus gebeurd)8 Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden (= Israël) waren het niet waard.

29 Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders. 30 Ik en de Vader zijn één. 31 De Joden droegen weder stenen aan om Hem te stenigen.(weer ongeloof van de Joden)

37 Indien Ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft Mij niet, 38 doch indien Ik ze doe en gij Mij toch niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat gij weten en erkennen moogt, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader. 39Zij trachtten Hem dan weder te grijpen, (weer ongeloof) maar Hij ontkwam uit hun handen.

OP HET EINDE:

Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. 10 En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.

OP HET EINDE:

Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.” (Joh 10:16)

  • Zien we in deze hele geschiedenis de paralel tussen Math 22 en Joh 10?
  • In beide gevallen wilde Israël, NIET geloven, en zij verwierpen de Christus.

 

  • In Math 22 stuurt de koning zijn slaven naar de kruispunten der wegen om allen te nodigen die zij daar aantreffen. (dus heidenen).
  • In Johannes spreekt de Heere over “Mijn schapen”, die naar Zijn stem horen, en dan doelt de Heere niet op de ongelovige Joden, maar op heidenen, waarvan Hij zegt dat ze naar Zijn stem horen, en dat Hij ze kent, en zij volgen Mij, en niemand zal ze uit Zijn hand roven.

 

In beide gevallen gaat het erover dat de plaats van ongelovigen Israëlieten wordt ingenomen door gelovige heidenen. (en dan gaat het over echte heidenen, mensen die niet tot de 12 stammen behoorden). Overigens gebeurde dit ook in de Handelingen periode, ook daar werden heidenen als “takken” geënt op de edele olijf. (Rom 11).

 

Maar laten we voor de duidelijkheid het hele gedeelte van Joh 10 lezen. Dan lezen we in de eerste 10 verzen over de huidige en toekomstige situatie van het volk Israël, waar de Heere over verteld:

  • Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; 2 maar wie door de deur (= Christus) binnenkomt, is de herder der schapen. 3 Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. 4 Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; 5 maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. 6 In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. 7 Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. 8 Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. 10 De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.”

 

Ja, daarvoor was de Heere naar deze aarde gekomen. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Dan lezen we verder:

  • Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen.”

 

We weten dat de Heere in eerste kwam voor Israël, om voor Israël het Koninkrijk op te richten. En we weten ook wat daarvan is terecht gekomen. Maar hierbij moeten we ons wel afvragen: “Voor wie heeft de Heere aan het kruis van Golgotha gehangen?” Het antwoord moet zijn: Voor de zonde der gehele wereld! Voor iedereen!

 

Verder lezen we in vers 14-15:

  • Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, 15 gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen.” (Joh 10:14-15).

 

Hierbij mogen we weer de vraag stellen:

  • Voor wie heeft de Heere Zijn leven ingezet?
  • Voor wie heeft de Heere Zijn leven gegeven? Voor allen!

 

Let op:Schapen wijst in al deze teksten vaak duidelijk op diegenen die GELOVEN! Lees maar het volgende vers:

 

Joh 10:27-29:

  • Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven [= het leven van de aionen – meervoud] en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid [in de aioon – enkelvoud] en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders.”

 

En wanneer de Heere hier spreekt over Mijn schapen, over wie heeft Hij het dan? Dan heeft de Heere het over gelovigen, die horen, en die gevolg geven aan Zijn roepstem. Eigenlijk staat hier veel in deze tekst. Die schapen (gelovigen) zullen niet verloren gaan in de (toekomende) eeuwen, en niemand zal hen kunnen roven uit Christus' hand. Dit betekent dat hen ook het toekomstig Koninkrijk in de volgende aioon ten deel zal vallen, en dat ze tevens de aioon daaropvolgend zullen meemaken, waarin “God alles in allen” zal plaatsten.

 

In dit verband moeten we goed in het oog houden wat we lezen in Johannes:

  • En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo. De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit. Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet; de werken, die Ik doe in de naam mijns Vaders, die getuigen van Mij; maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort. Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.” (Joh 10:23-27).

 

De Heere zei: “Ik heb U gezegd Wie Ik ben, maar Gij gelooft het niet.” En even later lezen we dat de Joden zich zo intens ergerden aan de woorden van de Heere, dat ze Hem zelfs wilden stenigen: (Joh 10:31-33).

  • De Joden droegen weder stenen aan om Hem te stenigen. Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken doen zien vanwege mijn Vader; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt.”

 

Met dit gegeven gaan we nogmaalsJoh 10:16 lezen:

  • Nog andere [“allos” = andere van dezelfde soort = ook gelovigen] schapen heb Ik, die niet van deze stal [= die niet van de stal van Israël zijn] zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.”

 

Het is in dit verband heel treffend, dat de Heere zelf tegen de Joden zegt in Joh 10:26:

  • Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.”

 

Wanneer de Heere zelf tot Israël zegt dat zij niet geloofden, en daarom niet tot Zijn schapen behoorden, over wie heeft de heere het dan wel, wanneer Hij zegt “Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.” Dan spreekt de Heere over gelovige heidenen, die wel willen horen!

 

En weet u wie er ook tot Zijn schapen behoorden?

Allen die tot geloof kwamen daar in Samaria, waar de Heere twee dagen verbleef.

En zo zien we temeer, dat het Johannes evangelie voor de heidenen is geschreven, opdat zij zouden geloven!

 

Overigens moeten we tevens goed beseffen wie er in Handelingen 28 terzijde werden gezet, wanneer we lezen over de profetie van Jesaja in Handelingen 28:26-27. Daar werd het gehele volk Israël, alle 12 stammen terzijde geplaatst door de Heere. Daar werd de gehele olijfboom omgehakt. Dit betreft alle 12 stammen Israëls. En daarna wordt het heil (= Christus) naar de heidenen gezonden, en die zullen dan ook horen! (Hand 28:28).

 

Tot Slot

Nog een gedeelte uit de Kolossenzen brief. Paulus begint de brief in Kol 1:2 met:

  • Aan de heilige en gelovige broeders in Christus te Kolosse.
  • Eigenlijk staat er: Aan de apart geplaatste en getrouwe broeders te Kolosse.

 

Kol 1:3-5

  • Wij danken God, de Vader van onze Here Jezus [Christus], te allen tijde bij ons bidden voor u, 4 daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, 5 om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen.”

 

Kol 1:9-12

  • Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.” (Kol 1:9-12)

 

Ja, dit zouden we eigenlijk moeten laten bezinken bij onszelf in ons hart. En wanneer we deze dingen laten bezinken in ons hart, en er zó persoonlijk mee aan de slag gaan, dan krijg je geestelijk onderscheidings vermogen, dan krijg je geestelijk inzicht in Gods plan, in Gods voornemen, en dan ontvang je geopende ogen des harten. Dan gaat het voor je leven.

 

En dan ga je, natuurlijk de Meester, de Heere, die de ander de voeten wastte,

  • dan ga je waardig wandelen,
  • dan ga je ook automatisch de ander de voeten wassen,
  • dan ga je ook te allen tijde de eenheid des geestes bewaren door de band des vredes.
  • Ga je samen lopen op de renbaan.

 

Het begint dus bij onze gezindheid, het vernieuwd worden, het verjongd worden van de geest van ons denken,

  • Dan als gevolg daarvan zal die wandel vanzelf volgen,
  • omdat je inzicht krijgt in je roeping, en wat daar allemaal aan vast zit.
  • Dan zal je groeien in het geloof, omdat je je op Christus richt.

 

En als je je zó op Christus zo richt, en met Christus zó de weg gaat, dan is het niet allen zo, zoals je vaak in getuigenissen hoort van:

  • 20 jaar geleden heb ik Christus aanvaard, en dat was het geestelijk hoogtepunt in mijn leven.”

 

Nee, dan gaat het in ons leven van hoogtepunt naar hoogtepunt, van Feest tot Feest, want dan leidt God je in Zijn grote genade van heerlijkheid tot heerlijkheid.

 

En dan denk je misschien, het kan niet mooier, en het wordt toch steeds mooier.

En dan zijn we eigenlijk bij Efeze 1:3, bij al de Geestelijke zegeningen die ons bij dat wandelen één voor één worden geschonken, en die we één voor één mogen ontdekken, door de geopende ogen, die we door genade hebben mogen ontvangen.

 

Nog één tekst ui de Efeze brief wil ik tot slot u meegeven:

  • Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping.” (Ef 4:1-4).

En daar gaan we de volgende keer mee verder, met het Lichaam van Christus.

 

Deel 10 volgt DV

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 10

 

Deze keer wilde ik graag beginnen met een tekst uit Jozua, en wel Jozua 3, waar het volk Israël op het punt staat over de Jordaan te trekken, en dan gaat Jozua daar iets zeggen, nadat Jozua dan eerst de priesters bevolen heeft, naar de oever van de Jordaan te gaan, en in de Jordaan te gaan staan, dan zegt Jozua tot de Israëlieten:

  • Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” (Joz 3:9).

 

Komt naderbij.” Ja, dat wil ik ook tot mezelf en ook tot u allen zeggen, want dát is altijd het getuigenis wat wij hebben te verkondigen.

Komt naderbij”.

En dat is iets wat wij altijd zouden moeten doen, we moeten naderbij komen, en dat houdt eigenlijk in, dat ik mijn hart open voor het Woord, dat ik naderbij kom, dat ik het wil horen. En dat ik me uitstrek naar de woordverkondiging, dat ik me uitstrek naar de Heere Jezus Christus zelf.

 

En dan heb je altijd twee keuzes, je kan naderbij komen, of je kan veraf blijven staan.

Of je gaat luisteren, dat staat er achter in de tekst, en “hoort de woorden van de Heere uw God” (Joz 3:9). Of je doet dat niet.

En dat gaan we ook nu weer proberen samen te doen, luisteren naar wat de Heere ons in Zijn Woord heeft te zeggen, en die woorden overdenken, en als Bereërs toetsen, en daarna vastleggen in ons hart.

 

De vorige keren hebben we het heel uitvoerig gehad over het Johannes evangelie, het evangelie wat in deze 2000 jaar aan de wereld verkondigd wordt, en waardoor mensen tot geloof komen.

We hebben toen gezien dat er een enorme groep mensen door dat Johannes evangelie tot geloof komt. We hebben toen ook gezien dat dat evangelie het evangelie is voor deze tijd.

Maar er is nóg een evangelie wat ook wordt verkondigd in deze tijd, en dat is het evangelie wat Paulus bekend maakt in zijn latere brieven.

 

Tussen deze twee evangeliën, tussen deze twee boodschappen moeten we wel onderscheid maken:

  • Johannes verkondigd zijn evangelie aan de wereld, aan ongelovigen.
  • Paulus verkondigd zijn evangelie aan gelovigen. Met de bedoeling dat die gelovigen vanuit hun staat van wedergeboorte, vanuit hun kindschap opwassen in een rechte kennis van Christus, eigenlijk volwassen worden.

 

Eigenlijk is dat ook logisch, want een ongelovige kun je wel met de boodschap van Paulus proberen te bereiken, (die hij in zijn latere brieven bekend maakt), maar dat lukt niet, omdat het voor hem/haar onbegrijpelijk is.

Probeert u maar eens met christenen, die pas tot geloof gekomen zijn, te spreken over die hoge boodschap van Paulus. Dat stopt al heel snel.

Iemand uit de wereld word door het Johannes wedergeboren, en een pasgeborene heeft nog melk nodig, en moet groeien tot jongeling, en daarna doorgroeien naar de volwassenheid.

 

De eerste negen delen van deze bijbelstudie over het “Lichaam van Christus” zij eigenlijk één lange inleiding om het Lichaam van Christus te kunnen behandelen. Want van groot belang is “onze gezindheid” (Fil 2:5), waar we in de eerste bijbelstudies mee begonnen zijn, en ook van belang is dat we het Johannes evangelie onderscheiden, en weten, waar en voor wie we dat evangelie moeten plaatsen. Want uit de gelovigen die hoe dan ook, maar toch wel heel vaak door het Johannes evangelie, tot geloof gekomen zijn, kiest God voor Zijn Lichaam van Christus. Dat gaan we in het hierna volgende behandelen.

En zo komen we dan terecht bij het Lichaam van Christus waar mee ik graag deze keer met u verder wilde gaan.

 

Het Lichaam van Christus

De roeping/uitverkiezing van het Lichaam van Christus en ook zijn toekomstige taak is eigenlijk heel bijzonder.

 

Voorbeeld: Stel ik heb een grote winkel, met veel personeel, en er moet iets bijzonders gebeuren, dan kies ik daarvoor de meest geschikte persoon uit om die opdracht te doen.

Ik kies uit, ik bepaal dat. Want ik ken mijn mensen, ik weet wie er het meest geschikt is voor juist die opdracht. Voor een andere klus kies ik waarschijnlijk weer heel iemand anders. En eigenlijk vinden we dat net zo in het Woord, ook in die uitverkiezing van Efeze 1. Daar zien we dat God kies uit gelovigen voor Zijn Lichaam.

 

Laten we maar eens lezen in Efeze:

  • Paulus, door de wil van God een apostel van Christus Jezus, aan de heiligen en gelovigen (= aan de apart geplaatsten en getrouwen) in Christus Jezus, die [te Efeze] zijn; genade zij u en vrede van God, onze Vader, en van de Here Jezus Christus. Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met allerlei (= alle) geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus. Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijnvoor zijn aangezicht.” (Ef 1:1-4).

 

Waar gaat dit over? En wie betreft dat? Op wie heeft die uitverkiezing van vóór de nederwerping der kosmos betrekking?

 

Het betreft hen tot wie Paulus schrijft:

  • “Aan de heiligen en gelovigen in Christus Jezus.”

Dus aan de apart geplaatsten en getrouwen. Dat moeten we altijd goed in de gaten houden broeders en zusters, aan wie en voor wie een brief is geschreven. Wanneer iets niet specifiek aan ons is geschreven, gaat het ook niet over ons. Dan kunnen we er wel prachtige rijke lessen uit leren, maar dan is het in eerste instantie niet aan ons geadresseerd. En zo zijn de late brieven van Paulus speciaal geadresseerd aan de getrouwe en apart geplaatste gelovigen.

 

Hierbij mogen we de volgende vragen stellen:

  1. Zijn alle gelovigen apart geplaatst?

  2. Zijn alle gelovigen getrouw?

En dat zijn eigenlijk de twee vragen, die we in deze bijbelstudie willen proberen te beantwoorden. Met andere woorden: Horen alle gelovigen tot het Lichaam van Christus?

 

We hebben al eerder in deze bijbelstudie gezien dat er gelovigen zijn, die Paulus trouw volgen, maar dat er ook gelovigen zijn, die Paulus niet volgen, maar zelfs wandelen als vijanden van het kruis van Christus, dat betekent, dat ze het kruis van Christus niet willen dragen, dat ze niet om Christus wil willen lijden. Ze zijn niet verloren, maar ze zijn verre van trouw. De tekst, die we toen gelezen hebben was:

  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. Want velen wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Fil 3:17-19).

 

Wanneer we zouden leren dat allen, die tot geloof komen, bij het Lichaam van Christus behoren,

  • Dan is die verkiezing van Godswege niet nodig, zelfs volstrekt overbodig.
  • Dan hoeft Paulus hier in deze tekst ook niet te huilen om hen die wandelen als vijanden van het kruis van Christus, want zij horen er dan immers toch bij?

Dat zijn dingen die we ons moeten realiseren.

 

En er zijn meer teksten, die over dezelfde dingen spreken, Bijv Fil 1:27-28.

En ook dit wordt gezegd tegen diezelfde groep getrouwen en apart geplaatsten:

  • Alleen, gedraagt u waardig het evangelie van Christus, opdat, hetzij ik kom en u zie, hetzij ik afwezig blijf, ik van u moge horen, dat gij vaststaat in één geest, één van ziel medestrijdende voor het geloof aan het evangelie, zonder dat gij u in enig opzicht door de tegenstanders laat beangstigen. Hierin is voor hen een aanwijzing van hún verderf, doch van úw behoud, en dat van Godswege.” (Fil 1:27-28).

 

Ook in deze tekst is er weer sprake van twee groepen gelovigen.

Ten eerste zijn er “zij die waardig wandelen”, en zij worden hier medestrijders genoemd, zij nemen het kruis van Christus op zich, zij laten die besnijdenis des harten in zich gebeuren!

En de tweede groep worden hier tegenstanders genoemd. En ook deze tegenstanders in deze tekst betreffen gelovigen.

Als je een tegenstander ergens van bent, dan weet je wel wat je wederstaat,dan weet jewel waar je het niet mee eens bent, anders kun je er ook niet op tegen zijn.

Die tegenstanders wisten van de hoed en de rand. Het betreft dus gelovigen, die tegenstaan! En die tegenstand zal hun geen winst, maar “verderf” opleveren. Dat betekent dat zij schade zullen ondervinden. Lees over dit “verderf” wat we reeds behandeld hebben in deel 3 van deze bijbelstudie.

 

Broeders en zusters, we moeten goed begrijpen, dat er gelovigen zijn, die het evangelie van Paulus wederstaan. Om dit nog duidelijker te maken gaan we samen een gedeelte lezen uit De tweede Tim brief:

  • Gedenk, dat Jezus Christus uit de doden is opgewekt, uit het geslacht van David, naar mijn evangelie, waarvoor ik kwaad lijd en zelfs boeien draag als een misdadiger. (weer die strijd, die ook Paulus niet uit de weg gaat). Maar het woord van God is niet geboeid. Om deze reden wil ik alles verdragen, om de uitverkorenen, opdat ook zij het heil in Christus Jezus verkrijgen met eeuwige heerlijkheid.” (2 Tim 2:8-10).

 

Hier zien we weer dat er uitverkoren gelovigen zijn. Zij zijn de apart geplaatsten en de getrouwen. We zien in deze tekst dat zij niet alleen het heil in Christus verwerven, maar er staat bij vermeld “met eeuwige heerlijkheid”. En dan lezen we verder in 2 Tim 2:11-13:

  • Het woord is betrouwbaar: immers, indien wij met Hem gestorven zijn, zullen wij ook met Hem leven; indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen; indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet.”

 

We hebben gelezen: “indien wij volharden”, moeten wij dan volharden? Nee, niet om behouden te blijven, dat ligt vast in Christus, maar wij moeten volharden op de loopbaan, wij moeten volharden in waardige wandel die Christus in ons wil bewerken, om uiteindelijk te kunnen zeggen, net als Paulus op het eind van zijn leven zei: “Ik heb de goede strijd gestreden ik heb het geloof behouden.” En alleen dan “zullen wij met Hem als koningen heersen”. (vers 12).

En wanneer je als koning mag heersen, dan heb je ook zeker een kroon!

 

We hebben ook gelezen: “Indien wij Hem verloochenen”, en dit wordt tegen diezelfde uitverkoren groep gelovigen gezegd. Wanneer we dan weten dat het tegen gelovigen wordt gezegd, dan weten we ook dat zij in ieder geval zeer zeker zijn behouden! Dan kan het niets anders betekenen, wanneer wij Hem niet volgen, maar wandelen, of gaan wandelen als vijanden van het kruis van Christus, dus dan verloochenen wij dat gedeelte, wat slaat op die hoge roepeing, dán zal Hij ons verloochenen aangaande dát deel, aangaande onze hoge roeping (vers 12).

  • dán zal hij ons verloochenen v.w.b. de prijs der roeping Gods,
  • dan zullen wij niet erven,
  • dan zullen wij ook niet als koningen heersen.
  • Dan zullen wij de prijs missen.

Maar zelfs als wij ontrouw zijn (in de wandel) (vers 13)

  • dan zullen we heel wat missen,
  • maar dan blijft Hij nog steeds getrouw,
  • want Zijn werk op het kruis van Golgotha blijft staan,
  • dat betekent “Zichzelf verloochenen kan Hij niet.” Dat volbrachte werk kan en zal nooit weer ongedaan kunnen worden gemaakt. Iemands behoud blijft vast staan.

 

2 Tim 2:14-18:

  • Blijf dit in herinnering brengen en betuig in de tegenwoordigheid van God, dat men geen woordenstrijd moet voeren, die tot niets nut is, (ja) verderf brengt aan wie ernaar horen. Maak er ernst mede u wèl beproefd ten dienste van God te stellen, als een arbeider, die zich niet behoeft te schamen, doch rechte voren trekt bij het brengen van het woordder waarheid. Maar vermijd de onheilige, holle klanken; want zij zullen de goddeloosheid nog verder drijven, en hun woord zal voortwoekeren als de kanker. Tot hen behoren Hymeneüs en Filetus, die uit het spoor der waarheid geraakt zijn met hun bewering, dat de opstanding reeds heeft plaatsgehad, waardoor zij het geloof van sommigen afbreken.”

 

Wanneer je uit het spoor der waarheid raakt, dan heb je wel in dat spoor der waarheid gewandeld, maar je hebt dat spoor der waarheid verlaten.

Ook dit bijbelgedeelte geeft weer aan dat er gelovigen zijn, die Christus navolgen, en ook gelovigen die dat niet doen, of dat spoor, hun loopbaan verlaten, die dus ontrouw worden, en dus schade zullen lijden.

 

Dus ook in 2 Tim 2 vinden we in meerdere teksten gelovigen die de waarheid tegen staan, die niet op die hoge roeping willen ingaan, die zich tegen die waarheid keren, of zich daarvan afkeren. Eigenlijk hebben zij hun hart verhard tegen die waarheid. En dat kan heel gevaarlijk zijn.

 

Want je kan zelf je hart verharden, maar op een gegeven ogenblik kan God ook je hart verharden. Daarom is het ook zo belangrijk dat we de tekst toepassen op onszelf waar we mee begonnen zijn: “Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” (Joz 3:9).

 

Want kijk maar eens naar het voorbeeld van de Farao van Egypte.

Toen Mozes bij hem kwam, en zei dat Farao het volk Israël moest laten gaan, kon Farao tot zeven keer toe zelf besluiten om zijn hart te verharden, maar toen was Farao's kans voorbij om gehoorzaam te zijn, want daarna verhardde God tot vijf keer toe Farao's hart. Laten we dat samen lezen:

Toen Mozes de eerste tekenen voor de Farao mocht doen, dat de staf van Mozes veranderde in een slang, lezen we voor de eerste keer:

  • Maar het hart van Farao verhardde en hij luisterde niet naar hen.” (Ex 7:13)

 

De tweede keer dat Farao zijn hart verhardde lezen we nadat de eerste plaag in Egypte had plaats gevonden:

  • Het hart van Farao verhardde en hij naar hen niet luisterde – zoals de HERE gezegd had. Farao wendde zich af, ging naar huis en nam ook dit niet ter harte.” Ex 7:22-23).

 

De derde keervan Farao verharding lezen we nadat de tweede plaag door toedoen van de Heere was gestopt, en dan lezen we:

  • Maar toen Farao zag, dat er verlichting was ingetreden, liet hij zijn hart niet vermurwen en luisterde niet naar hen – zoals de HERE gezegd had.” (Ex 8:15).

 

De vierde keer dat Farao zijn hart verhardde was na de derde plaag, die van de muggen in het gehele land, en dan lezen we, ondanks dat de Egyptische geleerden zeiden: “Dit is Gods vinger, die dit doet”, en toch lezen we:

  • Maar het hart van Farao verhardde, en hij luisterde niet naar hen – zoals de HERE gezegd had.” (Ex 8:15).

 

De vijfde keerdat Farao de kans had om het volk Israél te laten gaan was bij de vierde plaag van de steekvliegen. Het leek er bijna op dat Farao het volk zou laten gaan, maar toch lezen we op het eind:

  • Toch liet Farao zijn hart ook ditmaal niet vermurwen; hij liet het volk niet gaan.” (Ex 8:32).

 

De zesde keer, dat Farao zelf zijn hart verhardde, was bij de vijfde plaag van de pest in het vee van de Egyptenaren. En weer lezen we:

  • Toch bleef het hart van Farao onvermurwbaar en liet hij het volk niet gaan.” (Ex 9:7).

Bij de zesde plaag lezen we iets anders: “Maar de HERE verhardde het hart van Farao, zodat hij naar hen niet luisterde – zoals de HERE tot Mozes gezegd had.” (Ex 9:12). Daar was het de Heere, die Farao's hart verhardde.

 

De zevende keer dat Farao zelf zijn hart verhardde lezen we bij de zevende plaag:

  • Het hart van Farao verhardde, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan – zoals de HERE door Mozes gezegd had.” (Ex 9:35).

 

Bij de achtste plaag lezen we: “En de HERE zeide tot Mozes: Ga tot Farao, want Ik heb zijn hart en dat van zijn dienaren onvermurwbaar gemaakt.” (Ex 10:1). en de dienaren van Farao zeiden tot Farao: “Hoe lang zal deze ons tot een valstrik zijn? Laat die mannen gaan om de HERE, hun God, te dienen. Beseft gij nog niet, dat Egypte te gronde gaat?” (Ex 10:7).

Toch lezen we op het eind van de achtste plaag:

  • “Maar de HERE verhardde het hart van Farao, zodat hij de Israëlieten niet liet gaan.” (Ex 10:20).

 

En net zo ook bij de negende plaag: “Maar de HERE verhardde het hart van Farao, zodat hij hen niet wilde laten gaan.” (Ex 10:27).

 

Na de aankondiging van de tiende plaag, dat alle eerstgeborenen in Egypte zouden sterven, lezen we ook: “Maar de HERE verhardde het hart van Farao, zodat hij de Israëlieten niet uit zijn land liet gaan.” Ex 11:10).

 

En pas na de vervulling van de tiende plaag liet Farao de Israëlieten gaan. Maar zelfs dan heeft Farao het nog niet geleerd. Want wanneer Israël in de woestijn reeds op weg is, dan lezen we in Ex 14:

  • En Ik zal het hart van Farao verharden, zodat hij hen achtervolgt. Dan zal Ik Mij aan Farao en aan zijn gehele legermacht verheerlijken, en de Egyptenaren zullen weten, dat Ik de HERE ben.” (Ex 14:4).

En wat we hier nou van kunnen leren, daar gaan we het de volgende keer over hebben.

 

Deel 11 volgt DV.

Bert Boersma mei 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 11

 

De vorige keer hebben we gezien en gelezen, dat we o.a. in 2 Tim 2 meerdere teksten vinden, waarin gelovigen zijn die de waarheid tegen staan, die zich tegen de waarheid keren, of zich daarvan afkeren. Eigenlijk hebben zij hun hart verhard tegen de waarheid. En dat kan heel gevaarlijk zijn.

 

Want je kan zelf je hart verharden, maar op een gegeven ogenblik kan God ook je hart verharden. Daarom is het ook zo belangrijk dat we de tekst toepassen op onszelf waar we mee begonnen zijn: “Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” (Joz 3:9).

 

En toen hebben we al de tekenen van Egypte op een rijtje gezet, en we hebben gezien dat Farao zeven keer zelf zijn hart verhardde, en dat de Heere uiteindelijk het hart van de Farao verhardde.

Wat kunnen we hieruit leren? Dat God's genade zeer overvloedig is! Zelfs voor de Farao van Egypte. Farao mocht ieder keer weer zelf kiezen, zelf zijn keuze bepalen. Hij kon door zijn eigen keuze de ramp voor Egypte afwenden. Maar op een geven ogenblik zegt God als het ware: “En nu is het genoeg.” En dan heeft Farao zijn kansen verspeeld, want dan moet het maar tot een climax komen met de rampen in Egypte, en dan verhardt God zelf Farao's hart!

 

Van dit soort dingen zijn er veel meer in het Woord te vinden. Maar altijd zal een zich verharden tegen de Waarheid schade opleveren. Daarom kunnen we maar beter doen wat Hebr 4:7 ons voorhoudt:

  • Heden, als u Zijn stem hoort, verhard dan uw hart niet.”

 

En dan pakken we de draad weer op, want we hadden het over de wandel. Blijkbaar heeft die wandel een doel, en heeft die wandel, heeft dat “waardig gedragen”, zoals er staat geschreven, positieve gevolgen voor die gelovige.

In al die teksten, die we behandeld hebben in voorgaande bijbelstudies, zit ook iets van: Houdt stand! Blijf goed wandelen! Anders lijdt je schade! Anders lijdt je “verderf”.

 

Kortom, het Griekse woord “apoleia”, wat door “verderf” is vertaald, (zie deel 3 van deze bijbelstudie) heeft altijd negatieve gevolgen voor de betreffende persoon, en in dit geval, waar het gelovigen betreft, kan dat niet gaan over het behoud van iemand, omdat het behoud vast ligt.

 

Maar wanneer die gelovige schade (verderf) zal ondervinden in een bepaalde tijd, kan dat alleen te maken hebben met het niet ingaan in de positie (van deze tijd) die voor de getrouwe gelovigen wel geldt.

 

Dus in de juiste context geplaatst heeft de schade die de ontrouwe gelovige oploopt, te

maken met het niet ontvangen van de zegeningen, die behoren bij de hemelse erfenis, die behoort bij het Lichaam van Christus, hij zal daar geen deel van uitmaken.

Die gelovige is dan toch aardsgezind? Hij zoekt toch de dingen van de wereld?

 

Nog één tekst over gelovigen, in 2 Tim 4:3-5, ook zij volgen Paulus niet na, terwijl het wel gelovigen betreft:

  • Want er komt een tijd, dat (de mensen) de gezonde leer niet (meer) zullen verdragen, maar omdat hun gehoor verwend is, naar hun eigen begeerte zich (tal van) leraars zullen bijeenhalen, dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren en zich naar de verdichtsels keren (dit bedoelt Paulus met “hun god is de buik”). Blijf gij echter nuchter onder alles, aanvaard het lijden, (= neem je kruis op je) doe het werk van een evangelist, verricht uw dienst ten volle.” (2 Tim 4:3-5).

 

We hebben gelezen in vers 4: “dat zij hun oor van de waarheid zullen afkeren.” Als zij zich van de waarheid afkeren, dan kennen zij die waarheid, anders kunnen zij zich er niet van afkeren. Ook hier betreft het gelovigen. Dus niet alle gelovigen zijn getrouw. Je kunt niet alle gelovigen van nu over één kam scheren.

 

Zien we, hoe belangrijk een juiste gezindheid in dit alles is? Een gezindheid met de bereidheid om al het oude schade te achten, en werkelijk voort te gaan in de gezonde leer? Een gezindheid om dingen werkelijk achter je te laten, wanneer de Heere je nieuwe dingen wil leren.

Wees met elkaar mijn navolgers, broeders”, zegt Paulus, en houd het oog gericht op hen die zó wandelen, zoals u ons tot een voorbeeld hebt.” Houd dat vast! Zegt Paulus. Ook toen in die tijd was dat niet makkelijk, want we moeten beseffen, dat Paulus nieuwe dingen verkondigde, dingen die niet na te speuren waren in de tot die tijd bekende geschriften. Het was een geestelijke zaak, die alleen in eerste instantie aan Paulus was geopenbaard. Het vroeg ook toen om een gezindheid om de oude dingen achter te laten, en op te wassen in de nieuwe geestelijke inzichten.

 

Het is ook goed om te beseffen, dat we met dit onderwerp met allevoorzichtigheid om moeten gaan. En dat zegt het Woord ook tot ons in Efeze 1.

Maar er is wel sprake van een verkiezing! Wie betreft dat dan?

 

Uitverkiezing

Heeft het Johannes evangelie het over een verkiezing?

Zegt het Johannes evangelie dat je uitverkoren moet worden om behouden te worden? Nee, maar dát heeft de calvinistische leer er wel van gemaakt, die leer zegt dat de uitverkiezing over het behoud gaat, en dat is niet waar.

De leer der uitverkiezing wordt door de calvinistische leer bepaald tot het behoud, terwijl dat helemaal nergens door het Woord wordt gezegd.

 

Want God wil niet dat er één verloren gaat, maar dat allen tot erkentenis der Waarheid komen.

Het behoud ligt vast door geloof.

En dat moeten we niet verwarren met de uitverkiezing.

Er staat duidelijk in Johannes:

  • Indien iemand dorst heeft, hij kome tot Mij en drinke! (Joh 7:37).
  • Of een andere tekst: “Hij die wil, die kome en neme het water des levens om niet!”

Wie mag komen tot Hem en wie mag drinken van Hem? Allen!

 

Iedereen mag tot geloof komen! Het Johannes evangelie zegt ook: “Doch allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven.”

En in 1 Tim 2:4 lezen we: “God, onze Heiland, die wil, dat alle mensen behouden worden”.

Maar er staat nergens in het Woord dat alle gelovigen tot het Lichaam van Christus behoren.

De latere brieven Paulus, die spreken wel over een verkiezing.

 

God kiest uit gelovigen! De bijbel noemt dat uitverkiezing. Die verkiezing heeft te maken met de gelovige, niet met de ongelovige.

Die gelovige, die door God apart geplaatst wordt, wordt uitgekozen uit de gelovigen.

In Efeze zegt het Woord tegen die apart geplaatsten en getrouwen:

  • Hij heeft ons (Ef 1:4, deze “ons” zij die apart geplaatsten en getrouwen) immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. 5 In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus, naar het welbehagen van zijn wil, 6 tot lof van de heerlijkheid zijner genade, waarmede Hij ons begenadigd heeft in de Geliefde.”

 

Net zoals God koos uit die 120 gelovigen, die daar in Handelingen 1 bijeen waren in die bovenzaal, God koos daar uit 120 gelovigen maar één uit om Judas te vervangen. (komen we direct nog even op terug)

God kiest uit gelovigen voor een bijzondere taak, en of je geschikt bevonden wordt voor die bijzondere taak.

 

De Aoristus-vorm

Dan wil ik u graag eerst iets anders vertellen voor we een tekst uit Efeze gaan lezen.

De Bijbel kent in zijn oorspronkelijke talen, zoals u weet, het Hebreeuws voor het Oude Testament, en het Grieks voor het Nieuwe Testament, verschillende werkwoordsvormen, meer dan er in onze eigen taal bestaan.

Zo is één van de Griekse werkwoordsvormen de Aoristus-vorm. En hiervan zijn er dan ook weer meerdere vormen. Maar we bepalen ons hier tot de Aoristus 1 (in het Latijns: perfectum historicum).

Dat is: De in het Grieks voorkomende verleden tijd, die voortduurt tot in het heden.

Ja, ik weet dat dit misschien een beetje moeilijk is, maar we kunnen en mogen hier toch niet aan voorbij gaan, want het is wel belangrijk om Gods woord op de juiste manier te verstaan.

 

Die Aoristis 1 laat zien, dat de betreffende handeling geen begrenzing aangeeft voor wat betreft het voortduren van de handeling tot in het heden. De handeling is dus bezig in vervulling te gaan, maar is nog niet ten volle vervuld.

Het duidt op een feit of toestand, zonder op de duur van het feit te letten.

De A staat voor NIET

Oristus staat voor AFGRENZEN

 

[Aoristus 2 = Imperfectum

Deze Aoristus 2 geeft de verleden tijd aan in die hoedanigheid dat iets definitief is gebeurd.]

 

Wanneer we de Aoritus 1 dan toepassen bij het lezen van het Woord, dan komen sommige dingen er heel anders uit te zien.

Ef 1:3 St.Vert.:

Dit wordt ook weer gesproken tegen de heiligen en gelovigen, dus tegen de “apart geplaatsten én getrouwen”, dus tegen die eerste groep, tegen die navolgers vanPaulus:

  • Gezegend zij de God en Vader van onzen Heere Jezus Christus, Die ons gezegend heeft (AORISTUS 1) met alle geestelijke zegening in den hemel in Christus.”

 

Vaak krijgen we te horen dat de gelovigen reeds nu gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus. Maar dat staat hier niet. Hier staat volgens de vertaling, volgens de gebruikte Griekse tijd, de Aoristus 1, dat God bezig is ons, de leden van Zijn Lichaam, die apart geplaatsten en die getrouwen te zegenen met alle geestelijke zegeningen in de hemel in Christus.

 

Dus hebben we alles reeds ontvangen? Nee, volgens de grondtekst is God daar mee bezig. En wanneer we Paulus navolgen, en wandelen in dat spoor, dan krijgen we die zegeningen één voor één. En daar zitten dus voorwaarden aan vast. Want als we niet wandelen in navolging van Paulus, dan zullen we ook geen geopende ogen des harten ontvangen om al die zegeningen één voor één te ontwaren.

 

Misschien denkt u, wat is dit nou allemaal? Er is ons al zo vaak verteld dat we nu al gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in Christus.

Maar dan wil ik u een voorbeeld noemen uit de dagelijkse praktijk:

 

Er was ooit een broeder, die tegen mij zei: Als ik aan het begin van mijn loopbaan sta, en mijn baas geeft mij dan mijn hele loon tot mijn 65 ste jaar, waarom zou ik dan nog werken? Ik heb immers alles al ontvangen?

 

Zo is het Bijbels gezien ook, en dat wil ik u ook graag laten zien, en daarvoor wil ik u graag even meenemen naar het boek Jozua, Jozua 1:2.Want we weten toch dat alles hun, Israël is overkomen, mag ons tot lering zijn:

  • Mijn knecht Mozes is gestorven; welnu, maak u gereed, trek over de Jordaan hier, gij en dit gehele volk, naar het land, dat Ik hun, de Israëlieten, geven zal. 3 Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden, zoals Ik tot Mozes gesproken heb.”

 

Dat gereed maken had al heel wat voeten in de aarde, en dat doortrekken door de Jordaan spreekt van het sterven en opstaan met Christus. En aan de overkant werden ze besneden, zoals onze harten besneden dienen te worden zonder mensenhanden, door de Heere zelf, maar we hebben gelezen: “Elke plaats die uw voetzool betreden zal, geef Ik ulieden.”

 

Als Israël nou eens niet was gaan wandelen, als zij daar bij die Jordaan waren gebleven, als zij rond Jericho waren blijven rondhangen, hadden ze dan ooit het land met al zijn zegeningen ontvangen? Nee,

  • ze moesten hun voeten verplaatsen,
  • ze moesten gaan lopen in dat land,
  • ze moesten strijden voor dat land,

en overal waar zij hun voeten zetten, dát land zou God hun geven!

 

Precies zo, mogen wij in een juiste gezindheid gaan wandelen. Wandelen aan Gods hand, met Gods wapenrusting gaan wandelen in dat “land”, en door van Hem ontvangen verlichte ogen des harten mogen wij dan één voor één onze voeten zetten op de zegeningen, die God voor ons in petto heeft. Dat gaat niet zonder strijd.

En wanneer u bij uzelf kijkt, dan weet u ook wel dat het zó werkt.

Nog nooit is er een gelovige geweest die in één keer alle geestelijke zegeningen heeft ontvangen. Dat zou ook niemand aankunnen.

Net zoals het bij Israël stap voor stap ging, gaat het ook bij ons stap voor stap. En dat is ook de betekenis van de gebruikte Griekse tekst in Efeze 1:3.

 

En ik denk wel eens, ons leven is te kort om al die geestelijke zegeningen te ontdekken.

En daarom is het ook mooi dat er in Fil 1:6 staat:

  • Hiervan toch ben ik ten volle overtuigd, dat Hij, die in u (dat zijn ook weer die apart geplaatsten) een goed werk is begonnen, dit ten einde toe zal voortzetten, tot IN de dag van Christus Jezus.”

 

Dan die uitverkiezing. We lazen daarover al in Efeze 1:4

  • Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging der wereld, opdat wij zouden heilig en onberispelijk zijn voor Hem in de liefde; 5 Die ons te voren verordineerd heeft tot aanneming tot kinderen (= ZONEN), door Jezus Christus.”

 

In vers 5 staat het Griekse woord “huiothesia”, dat betekent “aanneming tot zonen”, het betreft een hele hoge plaatsing als erfgenamen van God in Christus. God de Vader heeft de Zijnen (Ef1:1) geplaatst in Christus, en in al de zegeningen, die daarbij horen, die bij Hem horen, en die zij één voor één kunnen ontdekken door van Hem ontvangen geopende ogen des harten.

 

Dat “uitverkoren zijn” staat ook in de “aoristus 1” tijd. Ook dat is iets wat voor de grondlegging der wereld is gebeurd, maar wat nog steeds een voortgaand proces is. Nog steeds worden er gelovigen door de Heere toegevoegd aan Zijn Lichaam.

En waartoe is die uitverkiezing? Dat staat erbij: opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht.”

 

Dat uitkiezen (Grieks = Eklegomai) komt 19 keer voor:

  • Er werden 12 discipenen uitgekozen (Luk 6:13, Joh 6:70, Joh 13:18, Joh 15:16, Joh 15:19, Hand 1:2).
  • Er werden mannen uitgekozen om Paulus en Barnabas bij te staan (Hand 15:22, Hand 15:25).
  • Israël is door God uitverkoren uit alle andere volken (Marc 13:20, Hand 13:17).
  • Maria heeft het goede deel uitgekozen, dat niet van haar zal worden weggenomen. (Luk 10:42).
  • Paulus werd door God uitverkoren, opdat door zijn mond de heidenen het woord van het evangelie zouden horen en geloven. (Hand 15:7).
  • God heeft uitverkoren dátgene wat dwaas en onaanzienlijk is voor de wereld. (1 Kor 1:27, 1 Kor 1:28).
  • God heeft de armen naar de wereld uitverkoren om rijk te zijn in het geloof en erfgenamen van het Koninkrijk, dat Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. (Jac 2:5).
  • God heeft de ene ontbrekende discipel uitgekozen (Hand 1:24).
  • Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. (Ef 1:4).

 

Nog even over het kiezen van die twaalfde discipel, die in de plaats van Judas moest komen. In de Handelingen lezen we:

  • En toen zij in de stad gekomen waren, gingen zij naar de bovenzaal,....(Hand 1:13).

Hoeveel waren daar aanwezig in die bovenzaal?

  • En er was een groep van ongeveer honderd twintig personen bijeen.” (Hand 1:15).

 

Dat waren gelovigen. Wat was er aan de hand met die 120 gelovigen?

  • Er moet dan van de mannen, van die 120, die zich bij ons hebben aangesloten in al de tijd, dat de Here Jezus bij ons in- en uitgegaan is, 22 te beginnen met de doop van Johannes tot de dag, dat Hij van ons werd opgenomen, één van hen met ons getuige worden van zijn opstanding. 23 En zij stelden er twee voor: Jozef, genaamd Barsabbas, die de bijnaam Justus had, en Mattias. 24 En zij baden en zeiden: Wijs Gij, Here, die aller harten kent, die ene aan, die Gij van deze twee hebt uitgekozen.” (Hand 1:21-24).

 

God kiest, en zo kiest God ook die ene discipel uit 120 gelovigen (voor Zijn doel).

Waren die andere 119 minder? Dat maken wij niet uit, God kiest!

En zo behoort ook niet iedere gelovige tot het Lichaam van Christus.

  • Het is een verkiezing van Godswege.
  • Het is een roeping,
  • en je moet wel geroepen worden.

 

Christus verkoos ook 12 discipelen, daar kun je wel kritiek op hebben maar Hij koos er 12, en niet meer, die Hij nodig had, en er het meeste geschikt voor vond.

Later koos Hij er 70, nodig voor de zeventig geslachten van Israël.

In de toekomst nog eens 144.000 uitverkorenen. Niet één meer. En zo kiest de Heere uit onder gelovigen voor een bijzondere taak.

Deel 12 volgt DV.

 

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 12

 

We hebben de vorige keer gezien dat God kiest, zoals Christus ook 12 discipelen uit koos. Hij koos uit wie Hij nodig had,en er het meeste geschikt voor vond.

Bij al Gods kiezen is Gods voorkennis is altijd aanwezig. En wie er wel, en wie niet wordt gekozen, en wie wel en niet tot het Lichaam van Christus behoort, is niet aan ons uit te maken.

Er is ook niet meer verdienste (d.w.z. Er is absoluut géén verdienste!) tot de gemeente te behoren, als er niet bij te behoren. Het is Gods genade!

 

Vragen om deze dingen betreffende Gods verkiezing wat duidelijker te maken:

  • Kan een kind van God de dingen van de verborgenheid van Paulus verstaan? Daarbij bedenkende, dat een kind praat als een kind, voelt als een kind, en handelt en wandelt als een kind?
  • Kon ik/u het als kind dragen, die verborgenheid van Paulus? Konden we dat begrijpen?
  • Kon u zich meteen als een volwassene gedragen toe u tot geloof kwam?
  • Toen u een kind was, kon u toen meteen het vaste voedsel verdragen?
  • Moest u al niet veel kauwen, voor u ontdekte dat u hier en nu behouden was?
  • Kunnen kinderen erven?
  • Is volwassen worden nodig? En hoe doe je dat?
  • Is aan een kind al gegeven: de Geest van wijsheid en van openbaring om Hem recht te kennen?
  • Heeft een kind al verlichte ogen des harten, zodat dat kind weet, welke hoop zijn roeping wekt, en hoe rijk de heerlijkheid is van zijn erfenis?

 

U kunt zelf heel eenvoudig antwoord geven op al deze vragen. En daaruit kunnen we leren dat die twee bedelingen, die twee bedieningen, die twee rentmeesterschappen, (van Johannes en van Paulus), die naast elkaar lopen, niet in conflict zijn met elkaar. En dat beide bedieningen elkaar aanvullen, en dat beide bedieningen hun eigen doel hebben. En ook zien we dan dat de Heere in beide bedieningen tot Zijn doel komt.

 

Wie behoren tot het lichaam van Christus?

Paulus laat ons zien, een kind kent niet volkomen.

Het probleem van het kind is, hij kent Christus nog niet recht, nog niet volkomen.

Daarvoor moet God de Vader hem eerst een geest van wijsheid en van openbaring schenken.

Je kan ook gaan naar Hebr 5:13, waar je een ander probleem vindt van een kind, we lezen daar:

  • Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling.”

 

Maar zodra God de Vader je dat allemaal openbaart, deze hoge dingen van Paulus,

  • je dus echt roept,
  • en als je het hoort,
  • en je gaat het begrijpen,
  • dan wordt/ben je geroepen,
  • dan krijg je deel aan Christus' roeping,
  • dan krijg je deel aan Christus' erfenis,
  • dan krijg je deel aan Christus' opstanding,
  • dan krijg je deel aan Christus' opstandingskracht.

 

En Christus' opstanding was een individuele opstanding tussen de doden uit. Dan krijg je deel aan een opstanding uit de doden, van tussen de andere doden uit. (zie hiervoor de bijbelstudie “Hem Kennen” deel 30)

 

Dus als je dan deze dingen hoort, dus als je geroepen wordt, dan:

  • dan dien je deze roeping wel te bevestigen in je leven,
  • dan dien je die roeping wel te beantwoorden,
  • dan dien je die roeping wel vast te maken,
  • dan dien je waardig te gaan wandelen in de roeping waarmee je geroepen bent.
  • Dan dien je wel dat kruis op je te nemen.
  • Dan dien je wel de besnijdenis van je hart in je leven toe te laten.

 

Doe je dat niet, en dat heb ik niet bedacht, maar dan laat de Bijbel duidelijk zien, dan kan je afgewezen worden van de positie en de plek die God met je op het oog heeft.

Want er is ook sprake van diskwalificatie van gelovigen, dat ze hun positie kunnen verliezen. Paulus zegt op een gegeven ogenblik tegen zijn toehoorders:

  • Laat niemand uwer de prijs den missen.”

 

Het voert te ver om daar nu verder op in te gaan. Maar dat komt zeker in één van de volgende delen aan de orde. Maar dat is bijvoorbeeld wel gebeurd met Judas, die ging niet waardig wandelen naar de roeping waarmee de Heere Jezus Christus hem als discipel, hem als apostel geroepen had En wat was het gevolg? Een ander werd geroepen later in zijn plaats.

 

Een roeping Gods

Ja, de Heere Jezus roept ook op om te volgen, dat deed Hij bijvoorbeeld in Marc 8:34, waar Hij spreekt tot de schare. Eigenlijk wordt in deze tekst alles door de Heere genoemd, wat van belang is, ook voor ons. Daar spreekt de Heere over verloochenen, het kruis opnemen, en Hem volgen:

  • En Hij riep de schare, met zijn discipelen, tot Zich en zeide tot hen: Indien iemand achter Mij wil komen, die verloochene zichzelf en neme zijn kruis op en volge Mij. 35 Want ieder, die zijn leven zal willen behouden, die zal het verliezen; maar ieder, die zijn leven verliezen zal om Mijnentwil en om des evangelies wil, die zal het behouden.” (Marc 8:34-35).

 

Dat is eigenlijk precies hetzelfde als waartoe Paulus ons oproept in Fil 2, waar we lezen over die gezindheid, zoals die bij ons zou moeten zijn:

  • Laat die gezindheid bij IN u zijn, welke ook in Christus Jezus was.” (Fil 2:5).

 

En we weten wat voor een gezindheid dat was. Hij was God, maar Hij heeft Zijn hele Goddelijke heerlijkheid afgelegd, om u en mij te redden, laten we nog maar eens lezen:

  • Die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, 7 maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van een dienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. 8 En in zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises. 9 Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de naam boven alle naam geschonken.” (Fil 2:6-9).

 

We moeten nooit vergeten, het is een roeping Gods, je moet geroepen worden. En we zien vanuit Ef 1:

  • Dat God je een Geest van wijsheid en openbaring moet geven.
  • Je moet van Godswege verlichte ogen van je hart krijgen,
  • Je moet ook gaan verstaan, dat het is Christus' roeping, het is Zijn roeping.

 

Dat is geen verdienste maar enkel alleen grote genade van God!

En dan zit aan die roeping ook nog een prijs vast. En net zoals het Christus' roeping is, is het ook Christus' prijs.

Christus is reeds verhoogd, en precies zo zullen alle apart geplaatsten en getrouwen ook verhoogd worden. Het voert voor deze keer te ver om daar (over die prijs) nog uitvoerig op in te gaan, ik hoop dat ik daar de volgende keer de gelegenheid voor krijg.

 

Maar we gaan wel een tekst over de prijs lezen:

  • Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik (een krans of een kroon moge winnen? Nee,) opdat ik Christus moge winnen.” (Fil 3:7-8)

 

Dus wat valt er te winnen? Een krans, een kroon? Ja, dat hoort er ook bij, dat is een onderdeel van de prijs, maar de prijs is Christus! “Opdat ik Christus moge winnen!” En alles wat IN hem is.

Dat is belangrijk, dat we dat beseffen: Alles in Hem! Dat betekent, dat we deel zullen krijgen aan alles wat Christus ook deelachtig is geworden!

Het was immers Christus' roeping, en het betreft ook Christus' prijs die de getrouwen ten deel zal vallen! Niet meer en niet minder!

 

En hiervan spreekt ook Efeze 2, waar we lezen, en let op aan wie het is geschreven, het is geschreven aan diezelfde groep geadresseerden van vers Ef 1:1

Ef 2:5-6:

  • hoewel wij dood waren door de overtredingen zijn wij mede levend gemaakt (=suzoopoieo= afgeleid van sun en zoopoieo) met Christus, – door genade zijt gij behouden –, 6 en heeft ons mede opgewekt (= sunegeiro = afgeleid van sun en egeiroen) ons mede een plaats gegeven (= mede geplaatst (= sugkathizo = afgeleid van sun en kathizo) in de hemelse gewesten, in Christus Jezus.” (Ef 2:5-6).

 

En weet u wat zo prachtig is? In het Grieks staat er bij deze woorden, mede-levend-gemaakt, mede-opgewekt, en mede-geplaatst, en in een andere tekst mede-erfgenamen, steeds het woordje “sun”, wat in onze vertalingen is weergegeven door “mede”. Maar het drukt volkomen gelijkheid uit.

Het drukt dus onder anderen uit:

  • Dat we door Gods grote genade exact op dezelfde wijze als Christus zullen erven,
  • Dat we op exact dezelfde wijze onze plaats zullen mogen innemen.
  • We weten dat Christus zit aan de rechterhand des Vaders, dat betekent dat Christus zit in de macht van God. En exact daar op die plaats, aan de rechterhand van de Vader, dat betekent, in de macht van God, daar is ook de positie van het Lichaam van Christus.

 

Nou moeten we na dit alles niet onrustig worden, en bij onszelf denken van, hoor ik wel bij het Lichaam van Christus, of iets dergelijks. Nee, broeders en zusters, maatgevend in dit alles is onze gezindheid. Of we bereid zijn te luisteren naar het Woord.

Of we naderbij willen komen, zoals de woorden van de Heere luiden, waar we eerder over schreven: “Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” (Joz 3:9).

 

En of we vanuit de juiste gezindheid bereid zijn oude dingen in te leveren, net zoals Paulus zoveel moest inleveren. Want als we dat doen, dan is er ruimte, en dan God die ruimte in ons vullen. Dan is er ruimte in ons om van God geopende ogen des harten te ontvangen.

Maar wanneer we kostte wat het kost, het oude willen vasthouden, dan staan we onszelf en de Heere in de weg.

 

Wandel maar stillekens achter Hem aan, en Hij zal het maken! Laat dat onze slogan zijn.

Ga ook nooit zeggen: “dan hoort die en die niet bij het Lichaam.” Dat getuigd niet van volwassenheid. Je hebt genoeg aan jezelf, en dank God maar dat u, dat jij het wel mag zien. God kiest, en laten we dat dan maar aan hem over!

Zijn die anderen dan minder? Dat maken wij niet uit!

Misschien heeft God wel een hele andere bedoeling met hen.

 

En vergeet het niet: Het Johannes evangelie moet nog steeds gepredikt worden, zodat er mensen tot geloof kunnen komen. Dus ook die predikers hebben hun bediening! En gelukkig zegent de Heere ook dat werk. En ook met die gelovigen heeft de Heere een doel.

 

Maar... tegen ons zegt Paulus:

  • In hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!” (Fil 3:16)

En dat is onze opdracht!

Verder lopen op de loopbaan aan de hand van Paulus, met hem als patroon (voorbeeld) in de goede gezindheid!

In die gezindheid, welke ook in Christus Jezus was!

 

Broeders en zusters, zoek de dingen die boven zijn! Zoek de gemeenschap met Hem!

En wanneer wat dat doen, bezig zijn met de dingen van boven, dan zal Hij ons ook echt geopende ogen des harten geven.

Dan ziet God ons, net als een Cornelius.

  • Cornelius was geduriglijk bezig met de dingen des Heeren,
  • en hij verstond het niet allemaal,
  • hij wist het eigenlijk allemaal niet zo goed,
  • en hij had een verlangen om God recht te dienen,
  • en daar bad hij ook voor.

 

En daarom werd er een Petrus naar hem toegestuurd, nota bene Petrus, die tot drie keer toe een gezicht uit de hemel kreeg, om toch vooral naar die “zoeker” toe te gaan.

Dát is eigenlijk de houding die we moeten aannemen, als een Cornelius, geduriglijk met de dingen van boven bezig zijn, ons uitstrekkende naar inzicht in het Woord, ons uitstrekkende naar het verstaan van Gods plan. En dan mogen we ook vast en zeker weten dat God ons ziet, dat God onze gezindheid ziet, en dan laat de Heere ons niet met lege handen staan.

 

Ga daarom heel persoonlijk zelf aan de slag met het Woord, en toets de dingen, en maak ze je eigen door er mee bezig te zijn, en dan worden ze ook van jouw!

  • maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die boven is, in Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt (= volwassen) zijn, aldus gezind zijn.” (Fil 3:14).

 

Deel 13 volgt DV.

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 13

 

In één van de vorige bijbelstudies heb ik al eens de tekst genoemd uit Jozua 3:9, daar wilde ik nu nog wat nader op in gaan.

  • Komt naderbij, en hoort de woorden van de Heere uw God.” (Joz 3:9).

 

Dat zegt de Heere door de mond van Jozua daar tegen Israël. Maar broeders en zusters, dat zegt de Heere eigenlijk ook voortdurend tegen ons. En ik wil u met alle liefde vragen: Beseffen we ook wat dat inhoudt?

Naderen tot God? En luisteren naar Zijn Woord?

Naderen wij tot God? En hoe naderen wij tot God? Hoe kunnen wij naderen tot God?

 

Wij kunnen alleen maar naderen tot God wanneer wij buigen en knielen voor Hem en voor Zijn Woord. Wij kunnen alleen maar naderen tot God door het volbrachte werk van de Heere Jezus Christus. Hij zegt Zelf:

  • Niemand komt tot de Vader, dan door Mij.”

 

Dus alleen door Hem kunnen wij door Zijn genade naderen tot God. En hoe naderen wij dan? In welke toestand?

Wij kunnen alleen maar met volkomen met lege handen tot Hem naderen, dat betekent dat wij al onze oude ballast achter ons laten, en wij moeten eigenlijk de schoenen van onze voeten doen, want wanneer wij naderen tot God, dan betreden wij heilige grond.

Dát is de houding waarin wij kunnen naderen tot de Heere, onze God!

 

En dan staat er ook nog: “En hoort de woorden van de Heere uw God”

Daarbij moeten we ons afvragen:

  • Horen wij de woorden van de Heere onze God?
  • En hoe gaan we om met de woorden van de Heere onze God?

 

Horen we het aan, en gaan we dan later maar weer onze eigen gang?

Want broeders en zusters, en dat wil ik wel met nadruk zeggen: “Het is wel het heilig Woord van God, waar we mee te maken te maken hebben, en waar we rondom vergaderd zijn.

Dat mogen we niet alleen maar aanhoren, en dan maar weer naast ons neerleggen.

Hij heeft niet voor niets ons zo'n dikke liefdesbrief geschreven.

Hij wil dat we die liefde van Hem beantwoorden. En dat we in Zijn wegen wandelen, of zoals Paulus ons dat voorhoudt, Hij wil dat we in die loopbaan lopen, die Hij voor ons heeft uitgestippeld.

 

En die loopbaan begint bij onze wedergeboorte, toen wij tot geloof mochten komen.

En die loopbaan eindigt wanneer we ons aardse pakkie afleggen.

En ik hoop en bid dat we dan allemaal op het einde van ons leven in navolging van Paulus kunnen zeggen:

  • Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden, en voorts ligt voor mij gereed, enz” (2 Tim 4:7).

 

En dan ben ik eigenlijk op het punt waar ik het al eerder ook uitvoerig over heb gehad. Over dat waardig wandelen.

 

Waardig Wandelen

Ja, Paulus zegt: “Ik heb mijn loop ten einde gebracht.”

En wanneer eindigt die loopbaan, wanneer eindigt die wandel op die loopbaan? Aan het einde van ons leven. Als Paulus moest wandelen in die loopbaan tot het einde, moeten wij in navolging van hem dan ook niet wandelen tot het einde van ons leven?

Paulus roept ons meermalen op om toch vooral waardig te wandelen. Dat doet hij niet voor niets, daar zal hij een bedoeling mee hebben, dat zal ergens toe leiden. Doen we dat dan ook?

 

Of zeggen we: “We hebben reeds alles ontvangen, al de geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten, en we hoeven ons nergens meer druk om te maken?

Want dát is wel wat ik vaak om me heen hoor en ook zie gebeuren. En weet u wat je dan krijgt?

 

Dan krijg je lauwe gelovigen, ja, vergeef mij het woord, maar dan krijg je luie gelovigen, want ja, zeggen we dan, we hebben toch immers alles al ontvangen, waarvoor zou ik mij nog inspannen? En weet u wat er in Jer 48:10 staat over die lauwheid? Ja, schrik niet:

  • Vervloekt, wie het werk des HEREN met lauwheid verricht.

 

In de HSV staat het woord “traag”, dat is hetzelfde. Dat “lauwheid” is in de grondtekst het woord “rmie”, dit komt 14 keer voor in het O.T. Het wordt 5 keer vertaald door “bedrog, en ook 5 keer door “bedrieglijk”, dan nog drie keer door “traag”, en één keer door “lauwheid”.

 

Wanneer we dit naar de context van nu verplaatsen, betekent dat “vervloekt” niet dat gelovigen verloren zijn, of verloren kunnen gaan, maar het geeft wel aan dat lauwheid de Heere een gruwel is. Want we hebben met dezelfde God te maken, die toen en nu een hekel heeft aan lauwheid, aan traagheid. Die God wil dat wij het werk des Heeren, wat Hij door ons heen wil werken met ijver en oprechtheid verrichten.

 

Dat “vervloekt” geeft dus niet aan dat iemand een vervloeking over zich uitgesproken krijgt, in die zin dat iemand voor altijd verdoemd is, maar het geeft aan dat iemand ergens van uitgesloten wordt, het is eigenlijk een soort “ban” waar diegene wordt ingedaan. Het heeft altijd de betekenis, dat je geen deel krijgt aan datgene, waar je normaal gesproken wél deel aan zou hebben.

 

En wat is nu het werk des Heeren in onze dagen?

Dat werk des Heeren vloeit voort uit Zijn rijke genade.

 

Dat genade-werk des Heeren in onze dagen is dat Hij:

  • Ten eerste het evangelie van Johannes laat horen voor ongelovigen, waardoor alle mensen tot geloof kunnen komen. Dat klinkt voor iedereen! En iedereen mag komen! Is dat geen genade? Ja, dat is genade!
  • Ten tweede klinkt er een evangelie voor de gelovigen, dat is het evangelie van Paulus, wat hij in zijn latere brieven bekend mag maken. Daarin laat God zien, dat Hij uit de gelovigen, die door het Johannes evangelie tot geloof zijn gekomen, kiest voor Zijn Lichaam! Het Lichaam van Christus. Dat is een nog verder gaande genade. Dat is overweldigende genade.

 

Dát is het werk wat God in onze dagen doet. En verder wil God in ons werken door Zijn grote genade, Hij wil ons opvoeden, Hij wil ons opvoeden tot zonen, zodat wij in staat zijn de erfenis in ontvangst te nemen.

God wil dat wij in onze roeping waardig wandelen. Dat wij Zijn werk, wat Hij in ons wil verrichten, niet met lauwheid verrichten, maar dat wij ons uitstrekken naar de hemelse dingen, dat we daar mee bezig zijn. Dat we dat met ijver doen.

 

Wat kan de Heere behagen? Dat we navolgers worden van Hem, van Christus, en dat we navolgers worden van Paulus, waartoe we zo vaak in Paulus' brieven worden opgeroepen!

 

En Paulus zag in zijn tijd ook het grote gevaar voor broeders en zusters van een afdwalen, en de grote bewogenheid van Paulus blijkt ook uit zijn veelvuldige oproepen, en zijn vurige gebeden voor gelovigen. Het gaat steeds om gelovigen!

 

Paulus zegt in Kol 1:9

  • Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u (wie zijn die U? Zie Ef 1:1) te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis (= epignosis) van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht.”

 

Bidden voor elkaar

En Paulus roept ook de gelovigen op om toch vooral voor elkaar te bidden. Om voortdurend voor elkaar waakzaam te zijn.

Met name de nadruk op dat voortdurend! Kijk maar eens wat er staat geschreven:

  • En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.” (Ef 6 :18).

 

En wat doen we daarmee? Met die oproep? En waarom die oproep van Paulus? Wat is hier aan de hand?

Paulus vraagt hier aan de geadresseerden van de Efeze brief, dus aan de apart-geplaatste en getrouwe gelovigen, om toch vooral met aanhoudend gebed en smeking bij elke gelegenheid in de Geest te bidden voor diezelfde groep gelovigen, voor die apart geplaatsten en die getrouwen. Dus Paulus vraagt hier dat we voor elkaar bidden!

 

Dat is eigenlijk heel bijzonder, want dat laat wat zien aan ons.

We weten, het betreft gelovigen, zij zijn behouden, hun behoud ligt vast in Christus Jezus. Daar hoefden die gelovigen niet voor te bidden. Daar kun je alleen maar voor danken!

Nou, zullen velen misschien denken, dan is toch alles klaar, want wie in deze tijd behouden is, hoort ook bij het Lichaam van Christus. Horen we dat niet steeds? Maar zo is het niet!

 

Waarom dan deze zo dringende oproep van Paulus? Het gaat hier in Efeze 6 over het aantrekken van de wapenrusting. Waartoe dient die wapenrusting?

Broeders en zusters, die wapenrusting dient om toch vooral waardig te kunnen gaan wandelen, en om stand te kunnen houden in die waardige wandel. Letterlijk zegt Paulus:

  • Neemt daarom de wapenrusting Gods, om weerstand te kunnen bieden in de boze dag en om, uw taak geheel vervuld hebbende, stand te houden.” (Ef 6:13).

 

Er staat dat we onze taak dienen te vervullen, dat betekent dat we onze taak volmaken, en dan moet ik meteen denken aan hetgeen Paulus zei in 2 Tim 4:

  • Want wat mij aangaat, reeds word ik als plengoffer geofferd en het tijdstip van mijn verscheiden staat voor de deur. Ik heb de goede strijd gestreden, ik heb mijn loop ten einde gebracht, ik heb het geloof behouden.”

 

Dan pas aan het einde van Paulus' leven durft hij deze dingen te zeggen, dan pas weet Paulus dat hij zijn taak heeft vervuld, dat hij zijn loop ten einde heeft gebracht, en dan weet hij ook dat de prijs (= alles in Christus) voor hem gereed ligt.

 

Wanneer we deze dingen zo in het Woord terug vinden, dan moeten we ons niet boven het Woord verheffen, en zeggen dat wij “alles in Christus” reeds hebben ontvangen, toen wij tot geloof kwamen, terwijl Paulus dat pas aan het eind van zijn leven kon zeggen.

Bovendien lezen we ook nog in Efeze 6:16, dat we de wapenrusting als een schild des geloofs ter hand dienen te nemen, waarmede wij al de brandende pijlen van de boze zullen kunnen doven.

En daarbij moeten we goed beseffen, dat satan niets aan ons behoud kan doen, omdat dat vast ligt in het volbrachte werk van Christus. Maar satan kan er wel voor zorgen dat we lauwe, luie gelovigen worden, door ons in te fluisteren dat we reeds alles hebben ontvangen, en dat we ons nergens meer voor hoeven in te spannen. Dan heeft hij voor dat deel zijn zin, want lopen we niet meer de loopbaan des geloofs, waar Paulus ons zo vaak toe aanspoort. Satan weet dat lauwheid, en traagheid de Heere een gruwel is!

 

Die wapenrusting dient om ons te beschermen tegen de verleidingen van de boze machten der lucht. Want die machten der lucht, die boze geesten willen niets liever dan dat we lui zijn, en NIET gaan wandelen, onze roeping waardig.

En die boze machten beseffen drommels goed, dat wij de plaats zullen innemen, die zij eerste boven hadden! Satan wil niets liever dat wij onze hoge roeping mislopen door lauwheid en traagheid van hart!

En daarom hamert Paulus bij voortduring op die wandel. Die loopbaan, die we mogen lopen in navolging van Paulus!

 

Paulus zegt dat we wakende moeten zijn met alle volharding en smeking voor alle heiligen.

Broeders en zusters, doen we dat voor elkaar? En waarom zouden we dat doen voor elkaar?

Blijkbaar is dat waakzaam zijn voor elkaar nodig.

Nodig om toch vooral niet lauw te worden, maar met alle volharding te blijven lopen in de loopbaan, die God voor ons ieder persoonlijk heeft uitgestippeld. Om te jagen naar de prijs der roeping Gods. Dat is ook zoiets waar we door Paulus voortdurend toe worden opgeroepen.

Want als we dat niet doen, geen gevolg geven aan die voortdurende oproep, en niet gaan wandelen onze roeping waardig, dan heeft dat gevolgen voor onze persoonlijke positie in Christus.

 

Dat heeft geen gevolgen voor ons behoud in Christus, maar dat heeft gevolgen voor het behoren tot het Lichaam van Christus.

Daarom is Paulus zo voortdurend bewogen om de broeders en zusters.

En dát wil ik proberen u aan de hand van het Woord aan te tonen.

 

Daarbij moet u niet mij geloven, maar u bent zelf verantwoordelijk om de dingen uit het Woord te toetsen aan de Schrift, dat heilig Woord van God, wat de Waarheid is.

U moet altijd oppassen broeders en zusters, dat u niet afhankelijk wordt van geen enkele voorganger, en dat u niet na een spreekbeurt of een bijbelstudie zomaar zegt:

Wat was het weer mooi”, maar:

  • Dat u heel persoonlijk al het gebrachte, toetst aan Gods Woord,
  • en wanneer na die toetsing blijkt dat de dingen alzo zijn,
  • dan pas kan u ook de dingen vastleggen in uw hart.

 

En dan kunt u pas zeggen: “Dank u wel Heere dat u mij weer wilde leren door Uw Woord.”

We moeten leren om zelfstandige gelovigen te zijn, met een heel persoonlijke relatie met Christus. En dán krijgt u van Hem ook geopende ogen des harten om Zijn Woord te verstaan.

 

We hebben het de vorige keer uitvoerig gehad over Gods uitverkiezing uit gelovigen.

We hebben de vorige keer ook gezien, dat door de gebruikte Griekse tijd, de Aoristus 1, wij nu nog niet gezegend zijn met alle geestelijke zegeningen in de hemelse gewesten in de hemel in Christus, maar dat dat een proces is, waar God mee bezig is.

 

En ik heb toen het voorbeeld genoemd van Jozua 1, waar de Heere tegen Israël zei, dat overal waar zij hun voeten zouden zetten, dat zij dát land zouden ontvangen.

En dat wij precies zo in geloof ons hart mogen zetten op al de zegeningen die God ons in Zijn Woord wil openbaren, dat wij dan die zegeningen één voor één van Hem ontvangen.

Dat wij dan geopende ogen van Hem ontvangen, om die zegeningen één voor één te ontwaren.

 

Ook heb ik toen gezegd, en aangetoond uit het Woord, dat er voorwaarden aan vast zitten om die zegeningen in ontvangst te kunnen nemen.

  • Dat dat alles met onze wandel in Christus te maken heeft.
  • We hebben toen ook gezien, dat het een roeping van God is.
  • En dat we die roeping waardig moeten wandelen.

 

En hoe kunnen we nou onze roeping waardig wandelen?

Ik denk dat we dan het beste naar ons grote voorbeeld, in dit geval Israël, moeten kijken.

  • De doortocht door de Jordaan – beeld van sterven en opstaan.
  • Dan de besnijdenis, voor het Pascha, voor het Feest des Heeren.

Ook voor ons:

 

  • Eerst tot geloof komen, door die Jordaan heen, dat sterven en opstaan in Christus persoonlijk beleven.
  • Dan volgt die besnijdenis des harten, dat we leren ons oude vlees, en daarmee de oude dingen voor dood te houden.
  • En dan volgt het Feest des Heeren in ons beloofde land, in de hemelse gewesten!
  • Wanneer we die besnijdenis van ons hart in ons toelaten, dan zullen we ontdekken, dat dat een VOORTDUREND proces is, dat gaat steeds maar door.
  • Steeds komen we ons oude vlees weer tegen.
  • dat we ons eigen vlees voor dood houden,
  • dat we zoeken de dingen die boven zijn.

 

De volgende keer wil ik graag verder gaan met “de prijs der roeping Gods”, die we in onderstaande tekst vinden:

  • maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die BOVEN is, IN Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt (= volwassen) zijn, aldus gezind zijn.” (Fil 3:14-15)

 

Deel 14 volgt DV.

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

 

Het Lichaam van Christus deel 14

 

De Prijs

De vorige keer zijn we geëindigd met de tekst:

  • maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die boven is, in Christus Jezus. 15 Laten wij dan allen, die volmaakt (= volwassen) zijn, aldus gezind zijn.” (Fil 3:14).

 

Aan die roeping Gods, zit dus een prijs aan vast.

Waar is die prijs? Dat hebben we net gelezen, die prijs is boven, en die prijs is IN Christus Jezus!

De Prijs = ook Christus' prijs

Net zoals het ook Christus roeping is, waar de leden van Zijn Lichaam in zullen delen, is ook de prijs Christus' prijs.

 

We gaan nog een tekst lezen over die prijs, ook die hebben we al eerder gelezen, maar herhaling is de beste leermeester:

  • Maar alles wat mij winst was, heb ik om Christus’ wil schade geacht. Voorzeker, ik acht zelfs alles schade, omdat de kennis van Christus Jezus, mijn Here, dat alles te boven gaat. Om zijnentwil heb ik dit alles prijsgegeven en houd het voor vuilnis, opdat ik (een krans moge winnen? Nee) opdat ik Christus moge winnen.” (Fil 3:7-8).

 

Dus wat valt er te winnen? Een krans, een kroon? Ja, dat hoort ook bij de prijs, dat is een onderdeel van de prijs, maar de prijs is Christus!

Opdat ik Christus moge winnen!” En alles wat IN hem is, dát zit in deze tekst opgesloten.

 

Dat is belangrijk, dat we dat beseffen: Alles in Hem! Dat betekent, dat we deel zullen krijgen aan alles wat Christus ook deelachtig is geworden!

Het was immers Christus' roeping, en het betreft ook Christus' prijs, die de getrouwen ten deel zal vallen! Niet meer en niet minder!

 

Dat woord prijs is “brabeon”, afgeleid van het Griekse “brabeus”, dat betekent scheidsrechter. En die “brabeus” dat was de scheidsrechter bij de Griekse spelen.

Prijs = brabeon, en scheidsrechter = brabeus,

 

En als we nou gaan naar die tekst in Kol 2:18-19:

  • Laat niemand u (Wie zijn dit? = dat zijn die getrouwen en apart geplaatsten) de prijs doen missen (HSV: Laat u niet de prijs ontzeggen) door gewilde nederigheid en engelenverering, als ingewijde in wat hij heeft aanschouwd, zonder reden opgeblazen door zijn vleselijk denken, (= aardsgezind), terwijl hij zich niet houdt aan het hoofd, waaruit het gehele lichaam, door pezen en banden ondersteund en samengehouden, zijn goddelijke wasdom ontvangt.”

 

Zo kan je dus de prijs missen. Door vleselijk te denken, en door met aardse zaken bezig te zijn, die in ieder geval hun hart hadden, en hun afhielden van de hemelse dingen. Zo konden die apart geplaatsten en getrouwen de prijs missen.

Alleen het feit al dat er staat, “Laat niemand u de prijs doen missen”, betekent dat de gelovigen, dat zelfs de apart geplaatsten de prijs konden mislopen. Dat zou ons allen al waakzaam moeten maken, opdat ons dat niet overkome.

Voor “prijs missen” staat daar het Griekse woord “katabrabeuo”. (komt maar één keer voor in de grondtekst)

Eigenlijk is de echte betekenis van “katabrabeuo” een beetje wegvertaald.

Want als je het beter zou vertalen, staat er eigenlijk: “diskwalificatie door de scheidrechter.” Wie diskwalificeert? De scheidsrechter. En wie is de scheidrechter in ons leven?De Heere Jezus Christus. Dus Christus kan je diskwalificeren. “Laat niemand u de prijs doen missen!”

 

Dit betekent, wanneer je geroepen wordt, en je geen acht slaat op Zijn roeping, of je wilt er niet van horen, van die “hoge” boodschap van Paulus, en je gaat willens en weten niet wandelen je roeping waardig, dan zul je daarvan worden gediskwalificeerd, dan zul je niet in aanmerking komen voor je geroepen positie. Dan zul je niet in aanmerking komen voor die prijs der roeping Gods.

Dan wordt je gediskwalificeerd. Dan lijdt je schade (verderf = apoleia)

 

En die schade, dat is dat verderf uit Fil 2, waar gelovigen waren, die als vijanden van het kruis van Christus wandelden. (gaan we direct nog lezen).

 

Let dus op, deze diskwalificatie betreft uitsluitend iemands positie. Wanneer je tot geloof gekomen bent, dan raak je je behoud nooit meer kwijt, dat ligt vast in het volbrachte werk van Christus. Maar het ingelijfd zijn én ingelijfd blijven in het Lichaam van Christus hangt af van iemands wandel, hangt af van iemands gezindheid!

Nogmaals lezen: Kol 2:18 en 19 heel kort samengevat:

  • Laat niemand worden gediskwalificeerd, doordat hij zich niet houdt aan het Hoofd!”

 

Over deze diskwalificatie lezen we ook in Fil 3:17-19: de tekst die we zouden lezen:

  • Weest allen mijn navolgers, broeders, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt. 18 Want velen (= gelovigen) wandelen – ik heb het u dikwijls van hen gezegd, maar nu zeg ik het ook wenende – als vijanden van het kruis van Christus. 19 Hun einde is het verderf, hun God is de buik, hun eer stellen zij in hun schande, zij zijn aardsgezind.” (Net als Demas).

 

En er is nog een heel groot voorbeeld in de Bijbel van een hele grote groep mensen, die werden gediskwalificeerd.

Wanneer we lezen dat het volk Israël door Mozes uit Egypte werd geleid, hoe ging dat in zijn werk?

Ze kregen de opdracht om een lam te slachten, en ze moesten dat bloed van het lam aan de deurposten van hun huizen strijken.

Zo werd het gehele volk Israël door het bloed van het lam gered. Het waren verlosten die daar uit Egypte werden geleid. Ze hadden Gods belofte van een land overvloeiende van melk en honing. Nota bene, de belofte van God zelf! Een belofte dat ze zouden erven!

 

Maar wat gebeurde er? Kregen ze hun erfenis? Nee, die kregen ze niet door hun ongeloof!

Want toen de 12 verspieders van hun verkenning terug kwamen, geloofden zij de 10. die zeiden dat de bewoners van het land te sterk waren. Terwijl de Heere hun het land had beloofd. En ze stierven door hun ongeloof allen in de woestijn! Waren ze toen verloren? Dat lezen we nergens, maar ze beërfden het land niet. Ze werden gediskwalificeerd van hun erfenis, en er kwamen anderen, een nieuw geslacht voor hen in de plaats, die het land wel beërfden.

 

Deze dingen zijn allemaal ons tot een voorbeeld! Ook wij zijn gered door het bloed van het Lam. Daarmee ligt ons behoud vast. Maar wanneer we horen van de boodschap van Paulus' latere brieven, en we gaan er bewust niet op in, dan krijgen we ook geen deel aan het aan ons beloofde land, aan de hemelse erfenis.

 

Wanneer wordt je nou geroepen?

Zodra je van deze dingen hoort, en God de Vader geeft je geopende ogen om deze dingen te begrijpen, deze hoge dingen van Paulus,

  • je dan dus echt roept,
  • en als je het hoort,
  • en je gaat het begrijpen,
  • dan wordt je/dan ben je geroepen.

 

En wanneer je deze dingen ook met je hart gelooft,

  • dan krijg je deel aan Christus' roeping,
  • dan krijg je deel aan Christus' erfenis,
  • dan krijg je deel aan Christus' opstanding,
  • aan Christus' opstandingskracht.

 

Dus als je dan deze dingen hoort, dus als je geroepen wordt,

  • dan dien je deze roeping wel te bevestigen in je leven,
  • dan dien je die roeping wel te beantwoorden,
  • dan dien je die roeping wel vast te maken,
  • dan dien je waardig te gaan wandelen in de roeping waarmee je geroepen bent.
  • Dan dien je wel dat kruis op je te nemen.
  • Dan dien je die besnijdenis van je hart door God toe te laten.

 

Doe je dat niet, en dat heb ik niet bedacht, maar dat hebben we net gezien in het Woord, dan kan je afgewezen worden van de positie en de plek die God met je op het oog heeft.

Want er is sprake van diskwalificatie van gelovigen in het Woord, dat ze hun positie kunnen verliezen.

Laat niemand uwer de prijs den missen.” zegt Paulus tegen zijn toehoorders. Dat hebben we gelezen.

 

Om die prijs te behalen, moet je naar beneden gaan, moet je jezelf vernederen, en als je naar beneden gaat, dan kom je juist boven, dan kom je geestelijk in de hemelse gewesten.

Maar er hoort nog iets bij. Want wanneer we jagen naar die prijs der roeping Gods, dan ontvangen we ook een kruis!

Wanneer we de prijs willen ontvangen, dan ontvangen we eerst een kruis. Want zonder kruis geen kroon, en de kroon zit in de prijs. (komen we direct nog op terug)

Zonder vernedering geen verhoging (Fil 2:5 e v).

 

Dus eerst jezelf verliezen!

  • Je oude mens,
  • alle eigen werken,
  • alle eigen inspanningen opgeven,
  • die gezindheid kennen wij van nature niet, maar die zien wij wel bij de Heere Jezus Christus.

 

Laat die gezindheid van Hem In u zijn........, dat is een gezindheid die het eigen “ik” met trappen steeds verder naar beneden voert.

Kijk nog eens één keer naar Paulus.

  • Wat was hij een hoogstaand persoon in Israël, opgevoed aan de voeten van Gamaliël.
  • Hij bezat echt een positie.
  • Hij was in aanzien.

 

Maar toen hij door Christus letterlijk gegrepen werd, wat bleef daar van over toen hij daadwerkelijk ging lopen in de loopbaan die God voor hem op het oog had?

  • Bijna iedereen spuugde op hem.
  • Overal werd hij eruit gegooid.
  • De ene verdrukking na de andere stond hem te wachten.
  • Maar hij bleef staan in die strijd, want hij wist waar hij het voor deed.

 

En hij bleef bewogen om de broeders en zusters, om hen toch mee te krijgen op die loopbaan, die loopbaan......

  • die naar de overwinning zou leiden,
  • die naar de prijs = Christus zou leiden.

Dát is ons voorbeeld broeders en zusters.

 

Voor alle duidelijkheid: Veel mensen hebben er altijd moeite mee, om te onderscheiden:

  1. de staat van de gelovige,
  2. en de toestand van de gelovige.

 

En dat halen ze dan altijd door elkaar heen. Moeten we niet doen, het zijn twee verschillen-de zaken, die beide met Gods grote genade te maken hebben.

De staat van de gelovige in Christus is altijd onveranderlijk dezelfde. Dat ligt aan Gods kant, dat ligt vast in Christus' volbrachte werk, en die kan je nooit verliezen, nimmer, Hij blijft getrouw, Zichzelf verloochenen kan Hij niet. Ons behoud is vast en zeker in Christus Jezus.

 

Maar de toestand van de gelovige, ja, dat is mijn, dat is uw verantwoordelijkheid, dat ligt aan mijn kant, dat ligt aan uw kant, en die kan verschillen.

  • In de eerste plaats is mijn gezindheid (Ef 2:5) van groot belang
  • En het ligt eraan, hoe ik in die gezindheid gegroeid ben in het geloof,
  • en of ik vanuit dat kindschap doorgegroeid ben naar de volwassenheid, zoals het normaal zou moeten gebeuren,
  • of ik gehoorzaam ben,
  • of ik echt wandel op Gods weg, mij richt op het Woord,
  • of ik op die baan blijf, mijn baan,
  • of ik let op het wit, op de witte krijtstreep van die baan,
  • of ik let op de baan, die de Heere mij laat lopen,
  • en of ik daar niet vanaf wijk.

 

Dit alles heeft te maken met onze gezindheid!

Want het is loon naar werken, wie onrecht doet, zal onrecht ontvangen. Er is geen aanziens des persoons, zegt Paulus in Kol 3:25, en de prijs kan je verliezen.

 

Hoe kun je nou die prijs behalen?

In Hebr 6:1 zegt Paulus in een heel ander verband:

  • Laten we ons richten op het volkomene.”.

 

Dit betekent:

  • Laten wij dan voortvaren naar de volmaaktheid”,

 

Nog beter vertaald:

  • Laten wij dan voortvaren naar de volwassenheid.

 

Want volmaaktheid en volwassenheid is in het Grieks in feite één woord.

Je kan het door beide vertalen.

En de prijs der roeping Gods zit vast aan de volwassenheid.

Want we weten allemaal, een kind kan niet erven. Daarvoor moet je opwassen tot zoon.

 

Er is in Gods Woord sprake van drie zonen, hier is een aparte bijbelstudie van te maken, maar even heel kort:

  • De eerste zoon (Israël) heeft een aardse bestemming
  • De tweede zoon (de gemeente van eerstgeboren) heeft een hemelse bestemming.
  • En de derde zoon (het Lichaam van Christus) heeft een boven-hemelse bestemming.

 

En wanneer we het Woord zouden bestuderen, dan zullen we ontdekken, dat alle zonen tot volwassenheid moeten komen, om te kunnen erven. Om echt de zoon-plaats te kunnen innemen. En daarvoor spant Paulus zich ook enorm in. Om de gelovigen, de geadresseerden van zijn late brieven te laten opwassen tot de volwassenheid, tot het Zoon-schap.

 

En dat zie je in Kol 1:28-29:

Hier zie je ook weer de inspanning van Paulus voor de Kolossenzen:

  • Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, (WAAROM?) om ieder mens in Christus volmaakt(= volwassen) te doen zijn. 29 Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar zijn werking, die in mij werkt met kracht.”

 

Onder zware strijd”, het kruis van Christus op zich nemen, willen lijden om Christus wil, daar ging het om,

  • om mensen op te voeden,
  • dat ze niet in hun kindschap zouden blijven steken,
  • geen zuigelingen zouden blijven,
  • dat ze geen onmondigen zouden blijven.

Nee, dat er groei zou zijn. Hij wilde ze leiden, die kinderen Gods, die geadresseerden van de Kol brief, tot de volwassenheid.

 

We lezen dat ook in Kol 2:2-3:

  • Opdat hun harten getroost, en zij in de liefde verenigd worden tot alle rijkdom van een volledig (volwassen) inzicht, en zij het geheimenis Gods mogen kennen, Christus, 3 in wie al de schatten der wijsheid en kennis verborgen zijn.”

 

Een volwassene, wat heet die als kenmerk?

Het gaat om een volledig inzicht.

Een volwassene die jaagt naar een volledig (volwassen) inzicht in de Schrift,

die ontvangt een volledig (volwassen) inzicht in die roeping, en een kind niet, hij heeft geen weet van de rechte prediking, maar een volwassene wel.

Niet iedereen is even ver op de loopbaan, maar de maatstaf = onze gezindheid!

 

Als je volwassen bent geworden, en je een volledig inzicht hebt gekregen, ja dan is de kindertijd voorbij, dan is de tijd voorbij dat je geen weet hebt van de rechte prediking, maar je weet het nu wel.

  • Toen ik een kind was, sprak ik als een kind, voelde ik als een kind, overlegde ik als een kind. Nu ik een man ben geworden, heb ik afgelegd wat kinderlijk was. 12 Want nu zien wij nog door een spiegel, in raadselen, doch straks van aangezicht tot aangezicht. Nu ken ik onvolkomen, maar dan zal ik ten volle kennen, zoals ik zelf gekend ben. 13 Zo blijven dan: Geloof, hoop en liefde, deze drie, maar de meeste van deze is de liefde.” (1 Kor 13:11-13).

 

Deel 15 (slot) volgt DV.

Bert Boersma maart 2013 boersmabpost@kpnmail.nl

 

Het Lichaam van Christus deel 15 (slot)

 

Het Voorbeeld

Ja, welke gezindheid moeten we krijgen, nou de gezindheid van de apostel Paulus.

Fil 3:17

  • weest allen mijn navolgers broeders en zusters, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.

 

Dat “voorbeeld”, dat woord “voorbeeld”, dat is het Griekse woord “typos”, het woord “patroon”, gelijk gij ons tot patroon hebt, tot voorbeeld hebt. En wij hebben ook een patroon, en dat voorbeeld is Paulus zelf.

Gelijk gij ons tot voorbeeld hebt”, tot patroon hebt, en je mag dus Paulus volgen, je mag hem kopiëren.

Nou zeggen sommigen, ja, maar ik ga niet Paulus volgen, ik wil Christus volgen. Ja, maar, Paulus zegt: “Ik volg Christus”. 1 Kor 11:1:

  • Wordt mijn navolgers, gelijk ook ik Christus navolg.”

 

En als je zo met hem als voorbeeld verder gaat, ja dan ga je winnen!

Dat leidt tot de eindstreep. Want het leven is mij Christus, en het sterven is gewin. Daar heb je de winst. En ook verlang je dan misschien om heen te gaan, als je nog een traject hebt af te leggen, dan moet het wel eerst afmaken:

  • Want het leven is mij Christus en het sterven gewin. Indien ik in het vlees blijf leven, betekent dat voor mij werken met vrucht, en wat ik moet kiezen, weet ik niet. Van beide zijden word ik gedrongen: ik verlang heen te gaan en met Christus te zijn, want dit is verreweg het beste; maar nog in het vlees te blijven is nodiger om uwentwil.” (Fil 1:21-24).

 

Ja, het is verreweg het beste om met Christus te zijn, maar als je nog een traject hebt af te leggen, en je ziet op de witte krijtstreep van je baan, ja, dan moet je dat eerst nog afmaken voordat je bij die eindstreep aankomt.

Het lopen van deze wedloop loopt uit op het kennen van de Heere Jezus Christus.

 

Want broeders en zusters, daar gaat het om. Het kennen van Christus Jezus, onze Heere! En om Hem te kennen is het van het grootste belang dat we de oude dingen, de oude tradities, enz, achter ons hebben gelaten. Er is een spreekwoord dat zegt: “De overlevering is de vijand van de ware kennis.” En dat is waar, want wanneer wij die overlevering kostte wat het kost willen vasthouden, dan zijn we daar vol van, en dan is er geen ruimte in ons die de Heere kan vullen met Zijn overweldigende zegeningen.

 

En wat valt er te winnen? Wat is de Prijs?

Het gaat erom dat wij Christus winnen! En dát is winnen, Hij is de prijs!

  • alles wat met Hem te maken heeft,
  • Zijn positie,
  • Zijn dood,
  • Zijn opstanding,
  • De kracht van Zijn opstanding
  • en het heersen in Hem.
  • ALLES in HEM!

 

Het is niet alleen zo, dat we eventueel een kroon of een een krans zouden kunnen missen,

we kunnen alles winnen, of alles verliezen, daar gaat het om in de loopbaan! Het is echt alles of niets!De prijs is Christus, en is IN Christus, en alles in Hem.

 

En dat zegt het Woord ook: Kol 1:26-27 dat gaat over dit geheimenis:

  • Het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen. 27 Hun (die apart geplaatsten) heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen: Christus onder (= IN = grondtekst) u, de hoop der heerlijkheid. 28 Hem verkondigen wij, wanneer wij ieder mens terechtwijzen en ieder mens onderrichten in alle wijsheid, om ieder mens in Christus volmaakt (= volwassen) te doen zijn. 29 Hiervoor span ik mij ook in, onder zware strijd, naar zijn werking, die in mij werkt met kracht.”

 

Het woordje “SUN”

Efeze 2 spreekt ook over die prijs, waar we lezen:

Ef 2:5-6:

  • hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt (=suzoopoieo (sood-zo-op-oy-eh'-o = afgeleid van sun en zoopoieo) met Christus, – door genade zijt gij behouden –, 6 en heeft ons mede opgewekt(= sunegeiro (soon-eg-i'-ro = afgeleid van sun en egeiroen) ons mede een plaats gegeven (= mede geplaatst = sugkathizo (soong-kath-id'-zo) = afgeleid van sun en kathizo) in de hemelse gewesten, in Christus Jezus.”

 

Wanneer we dit bijbelgedeelte iets nader bekijken, en naar de Griekse tijden van de werkwoorden kijken, dan valt er iets op. Alles staat hier in de eerder genoemde Aoristus-1- -tijd. Dat was immers de tijd, die weergaf dat iets nog steeds bezig is te gebeuren, iets wat nog niet vervuld was, maar dat het dingen betreft, waar God nu nog steeds mee bezig is.

Het enige wat in deze tijd definitief is vervuld, is “door genade zijt gij behouden”. Alleen dat gedeelte staat echt in een voltooide tijd.

 

Dit gegeven geeft mede aan dat God bezig is om gelovigen te plaatsen in het Lichaam van Christus, maar dat het blijven in die positie afhangt van iemands wandel op de loopbaan.

 

We gaan nog even door in de Efeze brief:

  • (dit geheimenis), dat de heidenen mede-erfgenamen (= sugkleronomos (soong-klay-ron-om'-os) = afgeleid van sun en kleronomosen) zijn, medeleden (= sussomos (soos'-so-mos [HSV: tot hetzelfde Lichaam behoren] = afgeleid van sun en soma) en medegenoten (= summetochos (soom-met'-okh-os) = afgeleid van sun en metochos) van de belofte in Christus Jezus door het evangelie, 7 waarvan ik een dienaar geworden ben naar de genadegave Gods, die mij geschonken is naar de werking zijner kracht.” (Ef 3:6-7).

 

Dat woordje “mede” is het Griekse woord “SUN”, wat de betekenis heeft van samen, gelijk, identiek, op exact dezelfde manier, enz.

 

Dus broeders en zusters, samengevat: Allen die tot het Lichaam van Christus behoren zijn op dezelfde manier als Christus in Christus gezegend. Maar we moeten goed beseffen dat deze dingen voortdurend staan in de Aoristus-1 tijd. Dat betekent, dat die zegeningen moeten worden vastgemaakt door een waardige wandel in de Heere. Het is Zijn wandel, Hij wil zorgen dat wij die roeping waardig wandelen. En daarbij moeten wij in de juiste gezindheid staan.

 

Zoals reeds genoemd, lezen we vaak in de Griekse vertaling het woordje “sun”, wat in onze vertalingen vaak door “mede” is vertaald, maar dat is een heel zwakke vertaling van de werkelijke betekenis van “sun”, want de werkelijke betekenis drukt een absolute onderlinge gelijkheid uit. Ditbetekent dat ieder lid van het Lichaam van Christus op absolute gelijke wijze deelt

  • in de erfenis
  • én de positie,
  • én de plaatsing in de hemel,
  • én het met Hem als koning heersen, enz.
  • Totaal volledig gelijk!

 

Onderstaan schema laat zien waar we “SUN” vinden:

 

met Hem begraven zijn

= sunthapto

van sun en thapto

Kol 2:12

mede levend gemaakt

= suzoopoieo

van sun en zoopoieo

Efeze 2:5

mede opgewekt

= sunegeiro

van sun en egeiro

Efeze 2:6

mede een plaats gegeven

= sugkathizo

van sun en kathizo

Efeze 2:6

mede-erfgenamen

= sugkleronomos

van sun en kleronomos

Efeze 3:6

medeleden = van hetzelfde lichaam

= sussomos

van sun en soma

Efeze 3:6

medegenoten

= summetochos

van sun en metochos

Efeze 3:6

mede gebouwd worden

= sunoikodomeo

van sun en oikodomeo

Efeze 2:22

met Hem verschijnen

= sunphaneroo

van sun en phaneroo

Kol 3:4

met Hem (als koningen) heersen

= sumbasileuo

van sun en basileuo

2 Tim 2:12

Volledige gelijkheid wordt hier uitgedrukt. In alle opzichten. Hier mankeert niets aan, en hier ontbreekt ook niets aan.

Al deze overweldigende zegeningen zullen aan de leden van het Lichaam van Christus op dezelfde manier aan alle leden geschonken worden, zoals ze aan Christus gegeven zijn. Het is niet zo, dat er iets, bijvoorbeeld een kroon aan zal kunnen ontbreken, of iets anders, het is volkomen compleet, en identiek.

 

Broeders en zusters, is dit geen overweldigende genade?

Paulus zegt in de Filippenzen brief:

  • Zó van u allen te denken spreekt voor mij dan ook vanzelf, omdat ik u op het hart draag, daar gij allen, zowel bij mijn gevangenschap als bij mijn verdediging en bevestiging van het evangelie, deelgenoten zijt van de mij verleende genade.” (Fil 1:7).

 

Fil 1:29

  • Want aan u is de genade verleend, voor Christus, niet alleen in Hem te geloven, maar ook voor Hem te lijden.”

 

Dit is overweldigende genade, dit is genade op genade, wat betekent genade in plaats van genade. We hadden al genade ontvangen, toen we tot geloof kwamen, maar deze genade (SUN-SUN-SUN) stijgt boven alles uit, en in deze overweldigende genade mogen wij roemen!

 

Broeders en zusters.'nog even ter verduidelijking: Waar is Christus nu? Waar is Christus geplaatst? In de rechterhand van God. Daar zit Hij als overwinnaar. En daar is ook de positie van allen die tot het Lichaam van Christus behoren. Ja toch?

En wanneer we dan bedenken, dat die rechterhand van God de betekenis heeft van het in de macht van God zitten, en macht betekent heersen. En heersen betekent dat je een kroon zult ontvangen. Dus allen die tot het Lichaam van Christus behoren zullen worden geplaatst “in de macht van God”. Dan is het totaal ondenkbaar, dat er één lid geen kroon zal ontvangen.

Allen, die tot Zijn Lichaam behoren, hebben en zullen alles in Christus ontvangen.

 

Dit zeg ik met alle nadruk, omdat er soms in een uitleg wordt verkondigd, dat wanneer men niet goed “loopt” op de loopbaan, dat je dan een krans of een kroon kunt missen. Je zou dan ten allen tijde blijven ingelijfd in het Lichaam van Christus, maar je zou dan de kroon kunnen missen. Maar zo is het dus niet. Zoals eerder al is genoemd, het is alles of niets!

 

Met dit gegeven kijken we ook nog een naar de tekst uit 2 Tim 2:12, die we in deel 10 al behandeld hebben:

  • Indien wij volharden, zullen wij ook met Hem als koningen heersen; indien wij Hem zullen verloochenen, zal ook Hij ons verloochenen; indien wij ontrouw zijn, Hij blijft getrouw, want Zichzelf verloochenen kan Hij niet.”

 

Wanneer we dan zoals in deze tekst staat, “met Hem als koningen zullen heersen, dan betekent dat in de context van bovenstaande, dat we de prijs (= Christus) zullen ontvangen, omdat de prijs alles in Christus omvat, en een onderdeel van de prijs is “het heersen met Hem”. En daarvoor is het noodzakelijk dat we de loopbaan met volharding lopen aan Zijn hand.

Maar als we niet ingaan op die hoge boodschap van Paulus, en dus niet gaan “lopen op de renbaan”, dan verloochenen wij eigenlijk die hoge boodschap, die hoge positie, en dan zullen ook wij daarvoor niet in aanmerking komen. Dát betekent: “zal ook Hij ons verloochenen.” Dan zijn we voor wat betreft die hoge roeping ontrouw. Maar zelfs als we daarin ontrouw, dan zal Hij nooit het volbrachte werk op Golgotha verloochenen. Daarin blijft Hij getrouw. Want Zichzelf verloochenen kan Hij niet. Voor een gelovige staat het behoud te allen tijde vast!

 

En als we dan zo'n tekst tegenkomen waar sprake is van een krans of een kroon, Zoals bijvoorbeeld Fil 4:1, waar staat:

  • Daarom, mijn geliefde broeders, naar wie mijn verlangen uitgaat, mijn blijdschap en kroon, staat alzo vast in de Here, geliefden!”

 

Of: 2 Tim 2:5

  • En ook als iemand aan een wedstrijd deelneemt, krijgt hij geen krans als hij de spelregels niet in acht heeft genomen.”

 

Dan moeten we die teksten in diezelfde context plaatsen, en dan betekent zo'n tekst, dat Paulus door zijn wandel, door zijn verkondiging, en door zijn voortdurende bewogenheid voor broeders en zusters, kortom door zijn wandel in Christus, mag weten dat hij DE PRIJS (= alles in Christus) zal ontvangen, inclusief zijn kroon.

 

En omdat er zoveel op het spel staat waarschuwt en vermaant Paulus ook voortdurend, om toch vooral die loop, ieders eigen persoonlijke “loop” in alle rust en vertrouwen aan Zijn hand te lopen. Daarom zegt Paulus in Ef 6:18:

  • En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

 

Ik ben me ervan bewust dat ik nog lang niet alles aangaande dit onderwerp heb behandeld, er is nog heel veel over te zeggen, maar ik heb in deze bijbelstudie een aanloop tot dit onderwerp willen geven, zodat we zelf hiermee aan de slag kunnen. En wanneer we er persoonlijk mee aan de slag gaan, en deze dingen in ons hart vastleggen, dan zullen al gaandeweg op de loopbaan bemerken, dat er meer dingen uit het Woord op hun plaats vallen. Dan zullen we bij voortgaande studie tevens ontdekken, dat al deze dingen door het Woord zelf worden bevestigd!

We moeten eigenlijk ook elke bijbelstudie als een handvat zien, waarmee we zelf verder kunnen met het Woord. Want het zal u ook zo gaan, als mij, dat tijdens zo'n bijbelstudie je gedachten soms alle kanten uit gaan, en dat raakt dan vaak weer andere kanten van het onderwerp. En ik denk dat dat ook de bedoeling is.

 

Het is een biddend overdenken, en het zelf ter hand nemen van het Woord.

Daarvoor, en dat wil ik graag met alle nadruk zeggen, daarvoor is het noodzakelijk een Bereër te zijn. Als een Bereër nagaan, of deze dingen alzo zijn. Zelf het Woord ter hand nemen, niet zomaar je dingen laten aanpraten, maar door persoonlijke bijbelstudie deze zaken door het Woord vastleggen in je hart. Want alleen het Woord heeft zeggenschap!

En alleen door heel persoonlijk met het Woord om te gaan, dan maak je het je eigen.

 

Wanneer je biddende al deze dingen aan de hand van het Woord onderzoekt, dat je dus eigenlijk bidt voor inzicht en wijsheid, dan geeft God je ook geopende ogen des harten, dan geeft God je inzicht in Zijn Woord.

We moeten bij al deze dingen oppassen dat we niet gaan oordelen, want we hebben in deze bijbelstudie gezien dat God kiest. En we mogen weten dat we in deze dingen die we van Paulus hebben gehoord, en hebben begrepen, dat we in die gezindheid voorwaarts mogen gaan op de loopbaan. Niet oordelen, want God kiest.

 

Dat we met deze dingen voorzichtig moeten om gaan, wordt ons in Efeze 1 duidelijk voorgehouden:

  • Staten Vertaling: “In Welken (In Hem) wij hebben de verlossing door Zijn bloed, namelijk de vergeving der misdaden, naar den rijkdom Zijner genade, 8 Met welke Hij overvloedig is geweest over ons in alle wijsheid en voorzichtigheid; (HSV vertaald: bedachtzaamheid) 9 Ons bekend gemaakt hebbende de verborgenheid van Zijn wil, naar Zijn welbehagen, hetwelk Hij voorgenomen had in Zichzelven.” (Ef 1:7-9).

 

In2 Tim 2:2 zegt Paulus:

  • En wat gij van mij gehoord hebt onder vele getuigen, vertrouw dat toe aan vertrouwde mensen, die bekwaam zullen zijn om ook anderen te onderrichten.”

 

Een kind neem je bij de hand, je wilt hem voor struikelen bewaren, een volwassenne kan op eigen benen staan, kan zelf lopen.

Ga dus ook nooit zeggen: “dan hoort die en die niet bij het Lichaam.” Je hebt genoeg aan jezelf, en dank God maar dat jij het wel mag zien. God kiest, en laten we dat dan maar aan hem over!

 

Zijn die anderen dan minder? Dat maken wij niet uit!

Misschien heeft God wel een hele andere bedoeling met hen.

En vergeet het niet: Het Johannes evangelie moet nog steeds gepredikt worden, zodat er mensen tot geloof kunnen komen. Dus ook die predikers hebben hun bediening! En gelukkig zegent de Heere ook dat werk. En ook met die gelovigen heeft de Heere een doel.

 

En... tegen ons zegt Paulus:

  • In hetgeen wij bereikt hebben, in dat spoor dan ook verder!” (Fil 3:16)

En dat is onze opdracht! Verder lopen op de loopbaan aan de hand van Paulus, met hem als patroon in de goede gezindheid! In die gezindheid, welke ook in Christus Jezus was!

 

Natuurlijk is het een geweldige Waarheid dat De Heere Zijn heerlijkheid, die Hij bij de Vader had, heeft opgegeven, en dat Hij door Zijn gehoorzaamheid alles heeft volbracht, en de zonde der gehele wereld heeft verzoend! Daarmee heeft Hij de ganse wet vervuld. Hij was het enige offer dat de prijs kon betalen voor altijd! Nooit hoeft er meer enig offer voor de zonden te worden gebracht. HET IS VOLBRACHT!

 

Broeders en zusters, laat dan die gezindheid IN u zijn, welke ook in Christus Jezus was, die, in de gestalte Gods zijnde, het Gode gelijk zijn niet als een roof heeft geacht, maar Zichzelf ontledigd heeft, en de gestalte van eenDienstknecht heeft aangenomen, en aan de mensen gelijk geworden is. En in Zijn uiterlijk als een mens bevonden, heeft Hij Zich vernederd en is gehoorzaam geworden tot de dood, ja, tot de dood des kruises.

  • "Daarom heeft God Hem ook uitermate verhoogd en Hem de Naam boven alle naam geschonken, opdat in de Naam van Jezus zich alle knie zou buigen van hen, die in de hemel en die op de aarde en die onder de aarde zijn, en alle tong zou belijden: Jezus Christus is Here, tot eer van God, de Vader!" (Fil 2:5-11).

 

Deze tekst kennen we allemaal. Maar broeders en zusters, willen wij ook die weg gaan?

  • Die weg van vernedering,
  • van buigen voor Christus,
  • van je laten besnijden aan je hart,
  • je oude dingen wegdoen,
  • je eigen vlees voor dood houden?

 

Ik wil eindigen met een tekst uit Romeinen 15 vers 4-6:

  • Al wat namelijk tevoren geschreven is, werd tot ons onderricht geschreven, opdat wij in de weg der volharding en van de vertroosting der Schriften de hoop zouden vasthouden. De God nu der volharding en der vertroosting geve u eensgezind van hetzelfde gevoelen te zijn naar (het voorbeeld van) Christus Jezus, opdat gij eendrachtig uit één mond de God en Vader van onze Here Jezus Christus moogt verheerlijken.”

 

Amen.

Bert Boersma December 2012 boersmaklm@hetnet.nl

 

 

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk