Schepping en Herschepping van God

Schepping en Herschepping van God

 

We gaan stilstaan bij de oorspronkelijke schepping, dat is in Gen. 1:1

  • “In den beginne schiep God de hemel (grondtekst: hemelen) en de aarde.”

 

In 2 Petr. 3:13 lezen we

  • “Wij verwachten echter naar zijn belofte nieuwe hemelen en een nieuwe aarde, waar gerechtigheid woont.”

 

Hier lezen we over andere hemelen en aarde, dat zijn niet dezelfde als die genoemd in Gen 1:1. De derde keer dat het voorkomt in de bijbel is in Openb. 21:1

  • "En ik zag een nieuwe hemel en een nieuwe aarde, want de eerste hemel en de eerste aarde waren voorbijgegaan, en de zee was niet meer.”

 

Tussen de 2 schrift plaatsen van Gen. 1:1 en Openb. 21:1 ontvouwt zich het grote voornemen der eeuwen in Gods plan. Daar worden we opeens geconfronteerd met het feit, dat de Bijbel in hoofdzaak niet handelt over de hemelen en aarde in de beginne. En dat de Bijbel in feite maar heel weinig spreekt over de nieuwe hemel en de nieuwe aarde, maar ons bepalen bij datgene wat 2 Petr. 3:7 zegt, en ons wijst op de tegenwoordige hemelen en aarde :

  • “7 Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen.” (2 Petr 3:7).

 

Je wordt met deze tekstplaatsen in feite geconfronteerd met 3 hemelen en een aarde. De aarde die vermeld wordt in Gen.1:1 is de oorspronkelijke aarde, en de aarde van 2 Petr. 3:7 is de tegenwoordige aarde, deze laatste aarde is vanaf Gen. 1:2 en duurt voort tot Openb. 21:1, waar sprake is van de nieuwe hemelen en een nieuwe aarde. Petrus 2 Petr. 3:13 voegt hier nog aan toe, dat hij die nieuwe hemelen en die nieuwe aarde verwachtte.

Die oorspronkelijke schepping van Gen 1:1, staat in feite apart van de rest in de bijbel. Want in Gen.1:2 komen we terecht in een sfeer van duisternis en chaos, als je daar leest:

  • “De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren.”

 

Daarmee vangen de tegenwoordige hemelen en aarde aan. Er komt dan een soort herschepping op gang, die de tegenwoordige hemelen en aarde kenmerken. Toch ondanks dat je verder leest in die 6-daagse schepping van de tegenwoordige schepping, wijzigt die situatie van Gen. 1:2 eigenlijk niet. Al spoedig is daar weer woestheid en duisternis. Want wanneer die aarde dan geschapen wordt in 6 dagen en de mens Adam er op wordt gezet en later Eva, dan dringt daar weer woestheid en duisternis binnen. Die tegenwoordige hemelen en aarde worden gekenmerkt door woestheid en duisternis.

 

Je zou kunnen zeggen, dat die sfeer van duisternis en van chaos pas verwijderd wordt, als het ware Licht in de nieuwe hemel en aarde verschijnt waarop gerechtigheid woont. Waar de eerste dingen voorbij gegaan zijn, waar die eerste aarde, die nu is, voorbij gegaan is.

 

Wat zijn nu de kenmerken van de tegenwoordige hemelen en aarde, die dus zijn vanaf de eerste Adam. Gen 1:16

  • “En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschappij over de dag, en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht, benevens de sterren.”

 

God schiep de zon voor de dag. Kijk je echter naar die hemel en aarde in Openb. 21:23, dan lezen we daar:

  • “En de stad heeft de zon en de maan niet van node, dat die haar beschijnen, want de heerlijkheid Gods verlicht haar en haar lamp is het Lam.”

 

Je vind dus als een kenmerk van de tegenwoordige hemelen en aarde, dat de zon schijnt, maar een kenmerk dat spreekt van de nieuwe hemel en aarde, dat daar geen zon meer is. In Openb. 22:5

  • “En er zal geen nacht meer zijn en zij hebben geen licht van een lamp of licht der zon van node, want de Here God zal hen verlichten en zij zullen als koningen heersen tot in alle eeuwigheden.”

 

In onze tijd heeft de dag 24 uren, ongeveer de helft daarvan is duisternis. De duisternis in op de nieuwe aarde geheel verdwenen. Zo lees je in Gen. 1:10 over zeeën, in Openb. 21:1 is er geen zee meer. Heel veel kenmerken die wij verbinden aan de tegenwoordige hemelen en aarde die zijn dan in de toekomst volledig afwezig.

Er staat: In het zweet uw aanschijns moet gij uw brood verdienen en die aarde is vervloekt, hij brengt doornen en distels voort. Over de boom des levens, die daar in die hof stond, lees je in Gen.3:23-24:

  • “Toen zond de HERE God hem weg uit de hof van Eden om de aardbodem te bewerken, waaruit hij genomen was. 24 En Hij verdreef de mens en Hij stelde ten oosten van de hof van Eden de cherubs met een flikkerend zwaard, dat zich heen en weer wendde, om de weg tot de boom des levens te bewaken.”

 

De boom des levens werd op dat moment bewaakt, de mens had er geen toegang meer toe. Echter die boom des levens die keert weer terug op de nieuwe hemel en aarde, want je leest in Openb. 22:2:

  • “En hij toonde mij een rivier van water des levens, helder als kristal, ontspringende uit de troon van God en van het Lam. 2 Midden op haar straat en aan weerszijden van de rivier staat het geboomte des levens, dat twaalfmaal vrucht draagt, iedere maand zijn vrucht gevende; en de bladeren van het geboomte zijn tot genezing der volkeren.”

 

En in vers14 lezen we:

  • “Zalig zij, die hun gewaden wassen, opdat zij recht mogen hebben op het geboomte des levens en door de poorten ingaan in de stad.”

 

Een ieder heeft recht om van die boom – die twaalf keer per jaar vrucht draagt – om daarvan te eten. Zo zie je, en ontdek je dat meteen al in Genesis er de confrontatie is, dat daar die oorspronkelijke schepping voorbij is gegaan en daar verder geen aandacht verder aan wordt besteed. Alleen de toestand wordt verklaard, hoe die ontstond, namelijk dat die woest en ledig werd (was, is een foute vertaling). Dat de duisternis zweefde over de afgrond, over de vloed.

 

Dan ontdek je dat God de schepping in 6 dagen herschiep. Dan komen de tegenwoordige hemelen en aarde tot stand. De mens die daarop werd gesteld en daarop ook mocht heersen. Echter de heerschappij van de mens verdwijnt al heel snel. En de heerschappij van de satan begint daar eigenlijk onmiddelijk.

Wanneer je naar Openb. 21 en 22 gaat dan zie je dat daar de heerschappij van satan eindigt en dat de heerschappij van de mens wordt hersteld. In feite horen Gen. en Openb. bij elkaar. In Gen. 3:14-15 lees je over de oude slang:

  • “Daarop zeide de HERE God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.”

 

Die profetie die hier geuit wordt, die over die oude slang gaat, over die verzoeker van Eva, komt tot vervulling in Openbaring. Vlak voordat de tegenwoordige hemelen en aarde vergaan en dat daar nieuwe hemelen en aarde komen. Je leest in Opb. 20:10:

  • “En de duivel, die hen verleidde, werd geworpen in de poel van vuur en zwavel, waar ook het beest en de valse profeet zijn, en zij zullen dag en nacht gepijnigd worden in alle eeuwigheden.”

 

De profetie van Genesis wordt hier in Openbaring vervult. Dat zit dus allemaal vast aan de tegenwoordige hemelen en aarde, die komen dus onder het oordeel. En gelukkig alles wat in en van deze tegenwoordige hemelen en aarde is, is dus tijdelijk. De zon is tijdelijk, de nacht is tijdelijk, de zee is tijdelijk, het gaat allemaal voorbij. Maar gelukkig gaat nog meer voorbij, het gevolg van de zonde gaat voorbij.

De dood zal niet meer zijn en nog mooier, er zal geen rouw meer zijn, ook geen geklaag. Er zal ook geen moeite meer zijn, geen zweet meer om je brood te verdienen.

Toch moeten we vaststellen dat Adam en Eva die zondeval, waardoor die chaos en die duisternis verscheen, niet veroorzaakt hebben. Adam en Eva hebben dat alleen maar veroorzaakt in de tegenwoordige wereld. Want alreeds meteen na de oorspronkelijke hemelen en aarde, waarover we lezen in Gen. 1:1, dan lees je daar meteen opeenvolgend over de die chaotische situatie, die situatie van duisternis. Dat was lang voordat Adam werd geschapen op de 6e dag.

Dit duidt erop dat meteen na Gods prachtige schepping, die duisternis er al kwam.

 

Die schepping van in de beginne, was een perfecte schepping. De eerste zin in Gen.1 die duidt ons daar duidelijk op. Het is prachtig als je naar de uitdrukking “hemelen en de aarde” kijkt in het Hebreeuws, dat die uitdrukking 14 x voorkomen in het O.T.

Dat zegt wat in geestelijke zin; 14 x = 2x7 en 7 is het getal van de volheid, van de volmaaktheid. 14 duidt perfectie uit, eigenlijk 2 x vol, dubbel perfect.

 

Aan die oorspronkelijke schepping mankeert niets. Het is wonderlijk als je gaat kijken in Hebreeuwse tekst, dat die uitdrukking “hemelen en aarde” 14 x voorkomt, waarvan 13 x met het lidwoord, dan dus met het bepalend lidwoord ”de” hemelen en aarde. 1 x komt het voor zonder het lidwoord.

Het getal 13 wijst in de Bijbel op rebellie. Ondanks dat er perfectie gevonden werd in de beginne, is er ook sprake van rebellie.

Ook opvallend is dat het eerste vers in de Hebreeuwse tekst van Gen. 1 bestaat uit 7 woorden, dat weer perfectie uitdrukt. Het zijn ook 14 lettergrepen in het Hebreeuws en als je de Hebreeuwse letters van Gen. 1:1 gaat tellen, dan zijn het er 28 dat is 4x7. Het cijfer 4 duidt altijd op de aarde, zo ook de 4 hoeken/windstreken der aarde en ook 4 seizoenen, enz.

 

De aarde was in feite perfect, echter die schepping van den beginne, (van Gen 1:1) en de herschepping van die 6 dagen, zijn van elkaar gescheiden door vers 2. Tussen vers 1 en vers twee vinden we de scheiding van de oorspronkelijke schepping, én de herschepping van 6 dagen, de tegenwoordige schepping van hemelen en aarde.

 

Helaas zijn die woorden van Gen. 1:2 vertaald met het woordje “was” woest en ledig. Dat zou ons het idee kunnen geven, dat we daar geconfronteerd worden, a.h.w. met een soort chaotische toestand en dat God uit die chaotische toestand de wereld van vandaag heeft geschapen. Dat kan ook de gedachte voortbrengen, dat er sprake van een geleidelijke evolutie zou kunnen zijn, zoals dat ook in de evolutie theorie wordt geleerd. Zodat het leven is ontstaan uit een chaotische soep van allerlei moleculen en elementen en dat zo het leven langzamerhand vanzelf is ontstaan.

Ook de vertalers van de bijbel, die soms deze ideeën aanhangen, hebben het ook wel zo vertaald, namelijk: “De aarde was woest en ledig.”

Alsof dat de toestand was van Gen. 1:1. Eigenlijk moet je Gen. 1:2 als volgt vertalen:

  • “De aarde werd woest en ledig en de duisternis lag op de vloed en de Geest Gods zweefde over de wateren.”

 

Je moet dat zo vertalen omdat ook in Gen. 2:7 staat:

  • “Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

 

Daar wordt het zelfde Hebreeuwse woordje als in Gen. 1:2, vertaald met werd. Wat dan ook de juiste vertaling is.

Wanneer je nu kijkt naar de woorden “woest en ledig”, wat in het Hebreeuws is “tohu bohu”, dan lees je in Jes. 45:18:

  • “Want zo zegt de HERE, die de hemelen geschapen heeft – Hij is God – die de aarde geformeerd en haar gemaakt heeft, Hij heeft haar gegrondvest; niet tot een baaierd heeft Hij haar geschapen, maar ter bewoning heeft Hij haar geformeerd: Ik ben de HERE en er is geen ander.”

 

Dat Hebreeuwse woord “tohu” is vertaald met het woord “baaierd” in de NBG, en in de HSV weer wel met “woest”. De Heere God heeft de aarde niet woest geschapen, God schept nooit iets wat woest is, wat ledig is. God schept geen duisternis, God schept het licht. De aarde was niet woest geschapen, de aarde was mooi maar de aarde werd woest. Dan geeft dit veel meer zin aan dit hele Bijbelgedeelte.

 

Juist door die verkeerde vertaling van Gen. 1:2, gaat die scheiding tussen Gen. 1:1 en de schepping die wij kennen – in zes dagen – de tegenwoordige hemelen en aarde, gaat daardoor verloren. De vertalers verbinden juist deze verzen aan elkaar en maken daar geen scheiding tussen vers 1 en vers 2 van Gen. 1.

 

Gen. 1:2 duidt op een oordeel, omdat overal waar de woorden “tohu en bohu” in het O.T. worden genoemd, heeft het in de juiste context steeds te maken met oordeel. Jeremia spreekt daar over in Jer. 4:23:

  • “Ik zag de aarde, en zie, zij was woest en ledig; ik zag naar de hemel, en zijn licht was er niet. 24Ik zag de bergen, en zie, zij beefden, en alle heuvelen schudden. 25 Ik zag, en zie, er was geen mens, en al het gevogelte des hemels was weggevlogen. 26 Ik zag, en zie, de gaarde was woestijn, en al zijn steden waren in puin gestort, voor de HERE, voor zijn brandende toorn.”

 

Hier zie je oordeel, de aarde was woest en ledig (tohu bohu). Hier heeft het direct te maken met oordeel. Ook Gen. 1:2 duidt ons op oordeel. Lezen we ook Jes. 24:1en 3

  • “Zie, de HERE ontledigt en verwoest de aarde, keert haar onderstboven en verstrooit haar inwoners. verkoper als de koper, wie te leen ontvangt als wie te leen geeft, de schuldenaar als de schuldeiser.3 De aarde wordt volkomen ontledigd en geheel leeggeroofd, want de HERE heeft dit woord gesproken.”

 

De Heere maakt de aarde leeg en woest, dat is gebeurt in Gen.1:2, die oorspronkelijke schepping van Gen.1:1 werd ontledigd net als in de toekomst die zal worden ontledigd, zo lees je in Jes. 24:19-21:

  • “De aarde barst geheel open, de aarde schudt hevig, de aarde wankelt vervaarlijk; 20 de aarde waggelt zeer als een beschonkene en zwaait heen en weer als een nachthut; want haar overtreding drukt zwaar op haar; zij valt en staat niet weer op. 21 En te dien dage zal het geschieden, dat de HEERE bezoeking zal brengen over het heer der hoogte in den hoge en over de koningen der aarde op de aardbodem.”

 

Dat geschiedde er eigenlijk ook met de oorspronkelijke schepping van Gen1:1. Er kwam een oordeel over het heer der hoogte in de hoge. Dat waren wezens die leefden in de hoogte in de hemelen. Een ook zal er te dien dage zal de Heere bezoeking brengen over de koningen der aarde.

Natuurlijk is dit profetie, wat gaat over de toekomst, over de tegenwoordige hemelen en aarde, hoe de hemelen en aarde zullen worden geoordeeld.

 

Er zit duidelijk een dubbele bodem in die profetie, dat ons ook weer terug verwijst naar de oorspronkelijke hemelen en aarde, hoe die aan hun einde zijn gekomen. Hoe ons dat wijst op oordeel in Gen. 1:2, waar we lezen dat de aarde woest en ledig werd. En het gevolg was; duisternis die op de vloed lag. Dan zie je dat Gods Geest over de wateren zweefde. Die wateren zijn ook de afgrond waarover Gods Geest zweefde. Gods Geest had die afgrond, die kerker onder Zijn controle, waarin ook die wezens van de oorspronkelijke schepping, die gezondigd hadden, die daarin waren opgesloten en worden bewaard, totdat zij na vele dagen zullen worden bezocht.

Een zelfde situatie die er ontstaat bij Christus wederkomst.

 

Dan zegt Hij in Zijn profetische rede in Matt. 24 dat de sterren van de hemel zullen vallen en dat de machten der hemelen zullen wankelen vers 29:

  • “Terstond na de verdrukking dier dagen zal de zon verduisterd worden en de maan zal haar glans niet geven en de sterren zullen van de hemel vallen en de machten der hemelen zullen wankelen.”

 

Dit gebeurt dus in de toekomst, zoals dat in Jes. 24 ook over de toekomst gaat. Dit loopt parallel met Jes. 24:22

  • “En zij zullen bijeengebracht worden, zoals men gevangenen bijeenbrengt in een kuil, en zij zullen opgesloten worden in een kerker, en na vele dagen zullen zij bezocht worden.”

 

De Heere zal bezoeking doen aan het heer der hoogte, dat zijn zij, die de hemelen bewonen. Die tegenwoordige hemelen en aarde worden als een boekrol samen gerold. Bij dat oordeel is ook dat heer dat woont in de hoogte.

 

Ook vind je de woorden “tohu en bohu” in Jes. 34:11:

  • “Pelikaan en roerdomp nemen het in bezit, uil en raaf huizen daar; Hij spant daarover het meetsnoer der woestheid en het paslood der ledigheid.”

 

En in Jes 34:13 lezen we vervolgens:

  • “In zijn burchten schieten dorens op, netels en distels in zijn vestingen; en het zal een verblijf voor de jakhalzen zijn, een hof voor de struisvogels ontmoeten elkander.”

 

In vers 13 komen ook alle zaken weer terug die aanwezig zijn bij dat oordeel, daar lees je over dorens, netels en distels in zijn vestingen, die doen denken aan de gevolgen aan wat er staat in Gen. 3 van zonde en oordeel. Die aardbodem werd vervloekt en bracht dorens en distels voort. Zo is het in Jes. 34:9,10 ook het geval:

  • “Zijn beken verkeren in pek, zijn stof in zwavel en zijn land wordt tot brandend pek, 10dat dat noch nacht uitgaat; voor altijd stijgt zijn rook op, van geslacht tot geslacht ligt het woest, tot in alle eeuwigheden trekt niemand daardoor.”

 

Dat doet ons denken aan Sodom en Gomorra. Hier in Jesaja lezen we dat zijn beken verkeren in pek, zijn stof in zwavel.

In Jes. 34:4 lezen we vervolgens:

  • “Al het heer des hemels vergaat en als een boekrol worden de hemelen samengerold; al hun heer valt af, zoals het loof van de wijnstok en zoals het blad van de vijgeboom afvalt.”

 

Dit doet ons denken aan 2 Petr.3:10:

  • “Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.”

 

Al die teksten lopen dus paralel met elkaar. Net zoals de tegenwoordige hemelen en aarde eindigen met de grote doorluchte dag des Heren, waarop de hemelen met gedruis voorbij gaan en de elementen door vuur vergaan. Die lopen parallel met het oordeel wat er is geweest, aan het einde van die oorspronkelijke schepping in Gen. 1:2. Op het oordeel in de toekomst wijst ons 2 Petr. 3:12:

  • “Vol verwachting u spoedende naar de komst van de dag Gods, ter wille waarvan de hemelen brandende zullen vergaan en de elementen in vuur zullen wegsmelten.”

 

We lezen hier duidelijk wat het oordeel is van de tegenwoordige hemelen en de elementen, dat ze door vuur zullen vergaan. De oorspronkelijke schepping is door water vergaan. Het hele hoofdstuk van 2 Petr.3 is helemaal geweid aan die lessen die er getrokken kunnen worden aan de hemelen en aarde die er in het verleden waren en tevens op die er in de toekomst zullen zijn.

Hoofdstuk 3 van de tweede Petrus brief correspondeert met hoofdstuk 2, want daar krijg je iets bijzonders, met de voorbeelden die hij aanhaalt over de zondvloed van Noach. Het andere voorbeeld wat hij aanhaalt is, de verwoesting van Sodom en Gomorra. Hij gebruikt daar in feite deze twee voorbeelden. En Petrus wijst ons op een oordeel wat er in het verre verleden is geweest en het voorbeeld wat nog in de toekomst zal gebeuren.

 

De zondvloed gebruikt Petrus als voorbeeld van de oorspronkelijke wereld van Gen. 1:2 door water, ook een soort zondvloed, die veel groter van omvang was en waardoor de oorspronkelijke wereld verwoest is geworden. Zo gebruikt hij de verwoesting van Sodom en Gomorra, zoals de tegenwoordige hemelen en aarde zullen vergaan in de toekomst.

In 2 Petr.3:7 lezen we:

  • “Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen.”

 

Dit oordeel over de tegenwoordige hemelen en aarde lijkt dus op het oordeel over Sodom en Gomorra alleen het is vele malen groter dan die van Sodom en Gomorra, die werden verbrand door vuur.

De zondvloed in de dagen van Noach was een enorm oordeel, alleen het oordeel van Gen.1:2 was van veel grotere omvang dan ooit de zondvloed was geweest. De zondvloed van Noach heeft niet de hemelen aangetast, alleen de aarde en alles wat daarop was, is verwoest.

 

Net zo goed het oordeel van Sodum en Gomorra veel kleiner in omvang was, zo was het oordeel van de zondvloed ook van kleinere omvang dan het oordeel van Gen 1:2. Vaak wordt dit alles door elkaar gegooid en gaat men 2 Petr. 3 lezen dat die beide over de zondvloed gaat, dit is een verkeerde uitleg. We lezen in 2 Petr. 3:4:

  • “Want sedert de vaderen ontslapen zijn, blijft alles zó, als het van het begin der schepping af geweest is.”

 

Hier wordt gesproken over; het begin der schepping zoals die geweest is. Hij heeft het hier duidelijk over de schepping van in den beginne van Gen. 1:1 en niet over de tegenwoordige schepping. Dan 2 Petr 3:5-6:

  • “Want willens en wetens ontgaat hun, dat door het woord van God de hemelen er sedert lang geweest zijn en de aarde, die uit en door het water bestaat, 6 waardoor de toenmalige wereld is vergaan, verzwolgen door het water.”

 

Petrus heeft het hier niet over de hemelen en aarde van Noach's tijd, omdat daar tegenover staat vers 7, en in 2 Petr 3:7 lezen we:

  • “Maar de tegenwoordige hemelen en de aarde zijn door hetzelfde woord als een schat weggelegd, ten vure bewaard tegen de dag van het oordeel en van de ondergang der goddeloze mensen.”

 

Dit is de aarde van Adam en Eva en de aarde waarin Noach leefde. Het oordeel van Gen. 1:2 was zo erg, dat die hele schepping teloor ging namelijk; de hemelen én de aarde, terwijl bij de zondvloed van Noach alleen de aarde werd verwoest.

De tegenwoordige hemelen en aarde die wij kennen begon dus bij de schepping van zes dagen en die duurt nog steeds voort. Die wordt niet door water verwoest, die wordt als een schat weggelegd ten vure, tegen de dag van het oordeel. Dat moeten we goed in de gaten houden, anders ga je de zaak door elkaar halen.

 

Duisternis lag op de vloed en de Geest Gods zweefde over de wateren. Duisternis komt in de bijbel altijd voor in relatie tot (gevallen) engelen. Als engelen hebben gezondigd, dan lees je over duisternis en dan is het altijd een oordeel van God.

Bij alle plagen in Egypte kom je ook de plaag van duisternis tegen. Lees je in Openb. over de grote verdrukking, dan gaat het over de zoon des verderfs. Daarover komt ook een oordeel van de duisternis. Evenzo de woorden woest en leeg.

 

We kunnen de conclusie trekken dat zonde de schepping is binnen getrokken en dat is niet gekomen is door Adam en Eva, zoals algemeen wordt aangenomen. Lang voordat Adam en Eva geschapen werden op die zesde dag, lees je in de Bijbel al over duisternis, als gevolg van de zonde van Lucifer, de lichtende morgenster, die in opstand kwam tegen God. En die zonde had woestheid en ledigheid tot gevolg.

 

Je leest over wezens die bijeen gebracht werden, die na vele dagen zullen worden bezocht en worden geoordeeld. Het heeft niet alleen te maken met schepselen op aarde, maar ook met het heir der hoogte. De bijbel wijst ons er op, dat ook engelen zondigden.

De bijbel geeft niet aan hoe die toenmalige wereld is vergaan, is verzwolgen door water. Maar dat het is geschied, daar wijst Petrus ons op.

 

Wanneer je naar de dag van vandaag kijkt, van hier en nu, dan komen er heel wat vragen bij je op. Waarom gaat het zoals het gaat? Waarom is er lijden? Waarom die moeite, waarom is er de dood? Had het allemaal niet anders gekund? Daar krijg je geen antwoord op.

De bijbel gaat eigenlijk alleen maar over de tegenwoordige hemelen en aarde. De bijbel gaat dus over wat is ingeklemd tussen Gen. 1:1 en Opb. 21. Alles wat daar tussen staat gaat over het hier en nu. De bijbel laat ons eigenlijk niet zien, wat er voor was en wat er na zal zijn.

De bijbel laat ons gelukkig zien, dat die dood voorbij zal zijn, dat die duisternis er niet meer zal zijn ook geen rouw meer zal er zijn, geen klagen en geen moeite. Dat het allemaal het gevolg is van het offer van Jezus Christus, Die afgerekend heeft met de slang, die er in die toenmalige wereld al was. Dat Hij de kop vermorzelt van die slang, hetgeen uiteindelijk daar in Opb. geschiedt.

De Bijbel laat ons niet zien wat er gebeurd is in Gen. 1:2, hoe de oorspronkelijke schepping verzwolgen is door water. De bijbel vertelt ons wel wat de gevolgen daarvan waren, dat God de tegenwoordige hemelen en aarde, waar wij in leven, die ons gegeven is, om daarin met de mens Zijn doel te bereiken. Waardoor Hij uiteindelijk door middel van die mens, Zijn Naam zal verheerlijken. Alles is verbonden aan de Zoon des mensen, Jezus Christus.

 

Wij hebben een Bijbel die eigenlijk een uittreksel is uit een veel groter boek, wat er geschreven zou kunnen zijn. Wij hebben als het ware daar één hoofdstuk uit gekregen, zo zou je kunnen zeggen. Het hoofdstuk wat er voor zit en wat erna zit, dat zouden we willen weten. Dat zal dan wel kennis zijn die niet goed voor ons zou zijn.

Want God heeft ons Zijn Woord gegeven, zoals we het nu hebben. En Hij weet wat het beste is voor ons. En die Bijbel is voldoende om alle rijkdom in Christus te ontwaren.

We moeten het doen met de situatie dat de mens verleid is geworden door de verzoeker, die optrad in de hof ven Eden, waardoor de mens deel kreeg aan de zonde en de gevolgen daarvan.

 

Maar het antwoord op de zonde en de dood is: Jezus Christus. Verder moeten we het overlaten in Gods handen, er op vertrouwen dat waar de bijbel mee eindigt in Openb. 21 en 22 dat die tijd zal komen, nieuwe hemelen en een nieuwe aarde waarop gerechtigheid woont.

In Efeze wordt er op gewezen, dat gelovige uitverkorenen nu alreeds een nieuwe schepping zijn in Christus en door de gemeente van Jezus Christus die nieuwe schepping zal bereiken, dat God zal zijn, alles en in allen.

Hoe gaan wij daarmee om? Dat kunnen we alleen maar beleven door dat je allemaal toe te eigenen, door je geloofsoog te oefenen en zo te gaan wandelen. Dan krijg je opeens dat die Bijbel verandert van een droog boek over historie van verleden en toekomst, in een enorm belangrijk Boek voor het hier en nu.

 

Dan mogen we samen met Christus in het licht wandelen en weten, de dood is in feite voor mij niet meer. Toch is die moeite er, maar laten we onze aandacht voortdurend richten op de macht van onze Heere Jezus Christus en voorwaarts gaan in Zijn kracht!!

 

Samengesteld door Wieb Rodenhuis Januari 2015

 

 

De Herschepping in zes dagen (II) 

 

Er wordt zo goed als niets verteld over de oorspronkelijke schepping van Gen 1:1.

Die oorspronkelijke schepping wordt echter verwoest in Gen 1:2. Daaruit kunnen we constateren, dat God maar een bepaald deel van Zijn totale schepping bekend maakt.

We gaan nu eerst lezen Gen 1:1-31:

  •  In den beginne schiep God de hemel en de aarde. 2 De aarde nu was woest en ledig, en duisternis lag op de vloed, en de Geest Gods zweefde over de wateren. 3 En God zeide: Er zij licht; en er was licht. 4 En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. 5 En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag. 6 En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dit make scheiding tussen wateren en wateren. 7 En God maakte het uitspansel en Hij scheidde de wateren die onder het uitspansel waren, van de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo. 8 En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag. 9 En God zeide: Dat de wateren onder de hemel op één plaats samenvloeien en het droge te voorschijn kome; en het was alzo. 10 En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemde Hij zeeën. En God zag, dat het goed was. 11 En God zeide: Dat de aarde jong groen voortbrenge, zaadgevend gewas, vruchtbomen, die naar hun aard vruchten dragen, welke zaad bevatten, op de aarde; en het was alzo. 12 En de aarde bracht jong groen voort, gewas, dat naar zijn aard zaad geeft, en geboomte, dat naar zijn aard vruchten draagt, welke zaad bevatten. En God zag, dat het goed was. 13 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de derde dag. 14 En God zeide: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren; 15en dat zij tot lichten zijn aan het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde; en het was alzo.16 En God maakte de beide grote lichten, het grootste licht tot heerschappij over de dag, en het kleinere licht tot heerschappij over de nacht, benevens de sterren. 17 En God stelde ze aan het uitspansel des hemels om licht te geven op de aarde, 18 en om te heersen over de dag en over de nacht, en om het licht en de duisternis te scheiden. En God zag, dat het goed was. 19 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vierde dag. 20 En God zeide: Dat de wateren wemelen van levende wezens, en dat het gevogelte over de aarde vliege langs het uitspansel des hemels. 21 Toen schiep God de grote zeedieren en alle krioelende levende wezens, waarvan de wateren wemelen, naar hun aard, en allerlei gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 22 En God zegende ze en zeide: Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de wateren in de zeeën, en het gevogelte worde talrijk op de aarde. 23 Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag. 24 En God zeide: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo. 25 En God maakte het wild gedierte naar zijn aard en het vee naar zijn aard en alles wat op de aardbodem kruipt naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 26 En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. 28 En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. 29 En God zeide: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. 30 Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, (geef Ik) al het groene kruid tot spijze; en het was alzo. 31 En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.”

 

Op de 6e dag worden dus allerlei wezens geschapen namelijk: vee, kruipend gedierte, wild gedierte, en al het groene kruid wordt haar gegeven tot spijs en het was alzo. Ook de wilde dieren. Dan krijg je nog de schepping van de mens op die zesde dag en die mens mag heersen over al de dieren. De mens kreeg tot eten al het zaaddragende gewas van de hele aarde en van al het geboomte waaraan zaaddragende vruchten zijn, en het zal u tot spijze dienen, dat was de 6e dag. Dan krijg je nog de 7e dag, Gen. 2:1-4:

  • Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer. 2 Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. 3 En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht.”

 

Het eerste wat God verrichtte – vermeld in Gen.1:3 – dat was een daad van herstel. Je leest hier over Gods herstel van de schepping, nadat er een oordeel in vers 2 in die schepping is gekomen. God verrichtte hier een daad van leven geven uit de dood, een daad van licht geven in en uit de duisternis. Deze schepping van 6 dagen, is een daad van genade en is eigenlijk een voorbode van de heerlijkheid van de schepping die op deze tegenwoordige schepping van zes dagen volgt.

 

Wij zijn waarschijnlijk allemaal wel eens geconfronteerd in ons leven met de evolutie theorie. We kennen waarschijnlijk allen wel de argumenten die evolutionisten aandragen. Men heeft dan weer vondsten gedaan van zo’n klein mens, ergens op een eiland vlak bij Indonesië. Dat zou dan weer prachtig passen in de hele theorie van de evolutie. Vaak wordt dat dan in zo’n uitzending op het journaal gebracht met een tekening erbij. En dan zie je zo die voortplanting van de apen richting de mens. Dan wordt zo’n theorie gebracht alsof het een absolute waarheid is, waar totaal niet aan valt te twijfelen.

 

Daarom hebben vele gelovigen en ook vele theologen getracht om Gen.1 in overeenstemming te brengen met de geologie, wat er allemaal gevonden wordt in die aardlagen. Daar worden hele theorieen aan verbonden, vooral in de geologie dat je allemaal aardlagen hebt en hoe dieper je gaat, hoe meer je teruggaat in de tijd. Dat je in die aardlagen ook allemaal fossielen kunt vinden en hoe dieper je gaat hoe ouder het wordt. Als je er echter wetenschappelijk onderzoek naar gaat doen, dan ontdek je opeens dat je in die vondsten, precies die theorie omverwerpt. Dan blijken die aardlagen, die steeds dieper gaan, die onderste lagen ergens anders weer bovenaan te liggen. Ook liggen die lagen soms weer dwars door elkaar heen, waardoor van die theorie niet veel meer klopt.

 

Genesis is Gods openbaring en de geologie en alle theorieen, die daaraan verbonden worden, zijn in feite de onvolmaakte ontdekking van de mens ten aanzien van Gods werk in de schepping. Maar we heel voorzichtig zijn. We moeten altijd onderscheid maken tussen Gods openbaring in Zijn Woord én in de natuur, en daarnaast de interpretatie van de mens. Dat zijn twee dingen, aan de ene kant vind je Gods openbaring over wat Zijn Woord zegt, en aan de andere kant datgene wat je ziet in de natuur van de tegen woordige schepping om ons heen. En dat is in volledige overeenstemming, in harmonie met elkaar.

 

Zodra je naast die Goddelijke harmonie een menselijke theorie plaatst, die in konflikt is met Gods Woord, dan zit je wezenlijke dingen doorelkaar te halen. Als een theorie van de mens in konflikt is met Gods Woord, dan is die theorie ook in konflikt met Gods werk. Daarom moeten we heel erg voorzichtig zijn met die menselijke theorieen, zoals de evolutie-theorie, die gebaseerd is op het onderzoek van Gods schepping en Zijn werk in de natuur. In feite is geologie en theologie met het zelfde bezig, de theologie oderzoekt Gods Woord en de geologie onderzoekt Gods werk in de schepping. Net zo goed dat er theologen zijn die Gods Woord miskennen, zo zijn er ook geologen die Gods werk miskennen.

 

Hoewel geologische vondsten vaak niet in overeenstemming lijken te zijn met Gods Woord, zo bestaat er in werkelijkheid totaal geen tegenstrijdigheid tussen Gods Woord en Gods werken. Die zijn volledig met elkaar in harmonie en zijn niet met elkaar in tegenspraak. Alleen onze menselijke theorieen daarover kunnen veroorzaken dat die twee met elkaar in tegenspraak gelijken.

 

De situatie wordt vaak heel erg vertroebeld, doordat heel wat schriftverklaarders allerlei eigen theorieen baseren op Genesis, op Gods Woord, op Zijn tegenwoordige schepping. Je komt daardoor allerlei verschillende gedachtengangen tegen over wat in Gen.1 in die 6 dagen beschreven staat.

 

Zo zouden die 6 dagen van 24 uur hele lange tijds perioden zijn, die de evolutie natuurlijk nodig heeft, die miljoenen jaren, om ook te staven dat het ene dier uit andere dier is voortgekomen. Uiteindelijk dan uit de aap de mens. Meestal wordt er geen onderscheid gemaakt tussen Gen.1:1 en 2, en de rest van dit hele hoofdstuk, namelijk de herstellende (her)schepping van de tegenwoordige schepping in zes dagen. Dat verschil wordt vaak niet gezien. Men ziet dit alsof dat een schepping is in zijn totaliteit van “in de beginne” en 6000 jaar geleden geschied is.

 

Als wij eenmaal ontdekken, dat er een scheiding zit tussen de oorspronkelijke schepping in de eerste 2 versen van Gen. 1:1-2, en dus de rest van Gen. 1 een 2e schepping is, beter een herschepping van de tegenwoordige schepping in zes dagen, dan vallen ineens veel meer zaken op zijn plaats. Want veel wat men vindt in de aarde, zoals kolen, fossiele resten enz., die wijzen ons op een schepping van “de beginne”

 

Op die oorspronkelijke schepping van bijvoorbeeld de bossen die er zijn geweest op aarde van de toen malige schepping. Wordt hier in Genesis 1 groen en kruid dan allemaal geschapen? Nee, dat lees je niet, maar wel dat de aarde dat voortbracht. Het zat alreeds in de aarde. Je ziet hier een aanwijzing dat het zaad nog in de aarde aanwezig was en ontkiemt op die derde dag. Als de aarde droog wordt, dat die grassprieten ontkiemen en dat ook de bomen en al dat gewas allemaal opkomt.

 

Wanneer we eenmaal begrijpen, dat die schepping zes dagen in beslag nam, en dat die (her)schepping uit Gen 1 volgt op de schepping van “in den beginne”, dan verdwijnen ineens talloze aantijgingen vanuit de z.g. wetenschap, richting de Bijbel. We moeten we ons niet teveel laten meeslepen door allerlei menselijke theorieen die miljoenen jaren nodig hebben om hun theorie te staven. Zo’n evolutie theorie kent de Bijbel niet, die kent niet dat uit het ene dier het andere dier is voortgekomen en dan uiteindelijk de mens.

 

De zes-daagse schepping is voor ons in detail weergegeven, de orde en de rangschikking zijn er heel bewust bij gegeven, in verband met het voornemen der eeuwen, Gods alles omvattende plan. Dat er een heel duidelijke rangschikking is, wordt heel duidelijk wanneer je wat dieper over die zes dagen gaat nadenken. Dan ontdek je ineens een paralel, want dag één loopt paralel met dag vier. In dag één sprak Hij over een dag en een nacht, dat er licht komt en dat er opeens scheiding komt tussen dag en nacht, tussen licht en duisternis.

 

Echter op de vierde dag word je opnieuw bepaald bij dag en nacht, en dat er een scheiding is tussen dag en nacht. Opeens word je aandacht erop gevestigd, dat er lichtdragers zijn, namelijk de zon de maan en de sterren. Dus zo vind je hetzelfde terug in dag één en dag vier.

 

Met de tweede en de vijfde dag zie je hetzelfde principe. Op de vijfde dag lees je over een scheiding van wateren. Er is sprake van een uitspansel op de vijfde dag en je aandacht wordt gevestigd op de wateren. In die wateren worden de vissen geschapen en in dat uitspansel vliegen de vogels. Dus lopen dag twee en dag vijf paralel aan elkaar. Opde tweede dag de worden wateren gescheiden van elkaar in het uitspansel, waar de vogels in vliegen en de wateren beneden waar de vissen in zwemmen.

 

Ook de derde dag en de zesde dag, lopen paralel aan elkaar. Want op de derde dag wordt onze aandacht gevestigd op de aarde, en daar is ook sprake van een scheiding, en wel tussen zeeën en de aarde die droog valt. En is er sprake van gewas, kruid en bomen. Als je op de zesde dag kijkt, dan wordt ons oog alleen maar bepaald op die aarde, want op die droog gevallen aarde, daarop wordt het vee geschapen. Dat vee bedient zich van gras en van al het groene kruid. Naast alle dieren wordt dan de mens geschapen, die mag genieten van de vruchten en van het zaad.

 

Als je naar die eerste drie dagen kijkt, daar wordt de schepping in zijn breedte gewoon opgezet, zonder dat daar schepselen in zijn. In die drie dagen wordt dus eigenlijk niets geschapen, God bracht scheiding aan. Op de tweede drie dagen wordt de aarde gewoon gevuld, met de schepselen, die daarin gaan leven, zoals de zon, de maan en de sterren op de vierde dag. Op de vijfde dag de vogels en de vissen. Op de zesde dag het vee en al de dieren en ook nog de mens.

 

Die wateren werden ook niet geschapen, die waren er al. Je leest daarover in vers 2: “En de Geest Gods zweefde over de wateren.” Op de 2e dag komt er een scheiding tussen die wateren, de wateren van beneden en die van boven.

 

Je moet je eens voorstellen dat je daar in de duisternis in een bootje zit, daar op die verwoeste wereld van Gen. 1:2. En je bent omgeven door een zwarte dichte mist. We kennen wel eens een dag dat het verschrikkelijk donker kan worden, als er een onweersbui komt opzetten, die dan het licht helemaal wegneemt en het gewoon duister wordt. Dan moet je je voorstellen, dat er op de aarde een oordeel geweest is van water, die zijn weerga niet kent. Daar valt de vloed van Noach’s tijd gewoon bij in het niet.

 

Als je daarop die wateren bevindt, op die zee die heel de aarde bedekte, dan ontdek je dat je geen hand voor ogen kan zien. Alleen op die dag één zie je opeens dat die catastofe minder wordt, want God sprak “Er zij licht”.

 

Op de tweede dag trekt die donkere mist overdag weg, en kan je om je heen kijken en je ziet boven je die donkere zware bewolking die wij ons niet kunnen voorstellen. God maakt daar het uitspansel en God trok die wateren op, boven het uitspansel. Dat is iets wat de wetenschap niet kent, maar wat de bijbel wel kent. Daarom staat er in Ps.148:4-6:

  • “Looft Hem, hemel der hemelen,
  • en gij wateren boven de hemel.
  • 5 Dat zij de naam des HEREN loven,
  • want Hij gebood en zij waren geschapen;
  • 6 Hij zette ze vast voor immer en altoos,
  • Hij stelde hun een inzetting.”

 

Er zijn dus wateren boven de hemelen, niet wateren in de hemelen. Wij kennen wel wateren aan de hemel in het uitspansel, wat God gemaakt heeft, wij noemen dat, wolken en het regent er af en toe uit.

Je vindt dus in Gen. 1:6-8 dat er scheiding kwam tussen de wateren onder het uitspansel en wateren boven het uitspansel. Die wateren boven zijn waarschijnlijk gebruikt om de zondvloed te veroorzaken.

 

Op de derde dag is er ook een scheiding, dat wat beneden het uitspansel was. Want die wateren die vloeiden samen in zeeén en delen van de aarde vallen droog, dan ontkiemt er van alles op die droog gevallen aarde.

 

Op de zesde dag zien we dat op de aarde de dieren en de mens worden geschapen. De dieren het gras tot eten wordt gegeven en de mens het zaaddragende gewas evenals de vruchten van de bomen. Zo zien we dat Gods werk zich in twee delen in die zes dagen wordt voltooid.

 

Op de vijfde dag schiep God de vissen in de wateren en de vogels in de lucht. Hier ook weer die scheiding tussen die 2 soorten dieren.

 

In de zesde dag wordt de hele schepping afgerond.

Wanneer we naar die tegenwoordige schepping kijken, dan is alles in harmonie met elkaar. Alles is op elkaar afgestemd en klaar voor gebruik. Vanaf de zon, de insecten en de mieren in de grond, alles is in harmonie met elkaar. Als je naar natuur uitzendingen kijkt, waar er vele van zijn bij de BBC, dan ontdek je ook dat die tegenwoordige schepping zich in volledige harmonie met elkaar bevindt.

 

Op de zevende dag rustte God van Zijn werk. Wat dan opvalt is het woord “voltooien”, alzo werden “voltooid” de hemel en de aarde en al hun heer (Gen. 2:1). Het woord “voltooien” betekent: Dat het totaal af is, het is volgemaakt, het is compleet af, er valt niets verder aan te verrichten. Als je er nog een werk na de zes dagen op zou laten volgen, dan betekent dat je begint met iets nieuws.

 

Zo is het ook, God zal met een nieuwe schepping beginnen, die op de tegenwoordige schepping zal volgen. Maar de tegenwoordige schepping is compleet en bevat alle elementen voor Gods plan der eeuwen. Als je dan naar die tegenwoordige schepping kijkt, zal het best wel moeilijk zijn, dat te begrijpen.

 

Want als we naar Gods schepping gaan kijken, dan word je niet alleen geconfronteerd met prachtig mooie schepsels en allerlei mooie groenten en allerlei exotische vruchten, waarvan wij zeggen, dat is toch geweldig mooi en goed, maar we worden ook geconfronteerd met de andere kant, met talloze schepsels, die wij weerzinwekkend vinden, insekten die je steken, die allerlei ziekten voortbrengen, en dat onkruid in onze tuin. Wij zouden het nare dingen, het kwaad noemen.

 

Deze dingen zijn mysterieus en zijn onbeantwoordbaar, als wij het doel wat God met de eeuwen heeft niet kennen.

De bijbel zegt dat ijdelheid en vruchteloosheid geschreven zijn over deze tegenwoordige schepping, met zijn giftige slangen en met zijn mooie dieren, met zijn groene groente, maar ook met zijn onkruid, zijn dorens en distels.

 

Deze schepping met zijn licht maar ook met zijn duisternis. Deze schepping spreekt over de morele staat en zijn geestelijke toestand waar die zich in bevindt. Het is een fase waar deze aarde en hemelen doorheen moet gaan, voordat dit alles tot een nieuwe schepping wordt.

 

Deze dingen zijn niet gemakkelijk om te verstaan. Dan moeten we niet in de fout vervallen, dat we bij onszelf een wetje gaan maken en zelf gaan bepalen wat God wel en niet kan doen. We moeten oppassen, dat we God niet die door ons eigen gemaakte wet gaan opleggen. Om maar met Paulus te spreken in Rom. 9:20-21

  • Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt? 21 Of heeft de pottebakker niet de vrije beschikking over het leem om uit dezelfde klomp het ene voorwerp te vervaardigen tot eervol, het andere tot alledaags gebruik?”

 

Laten wij niet gaan denken dat God al het mooie in de schepping geschapen heeft, wat wij goed zouden noemen, maar niet al dat andere geschapen heeft, wat wij kwaad noemen. Hier wijst de apostel ons daarop.

  • Maar gij o mens, wie zijt gij, wie ben je wel, dat je God zou tegenspreken. Tegen onze Boetseerder zeggen; waarom hebt gij mij zo gemaakt, waarom hebt gij de schepping zo gemaakt?”

 

De Bijbel gaat ervan uit, dat God alles schiep, ook de wilde dieren, ook die kruipende dieren, die je zowel vindt in de grond van miertjes tot allerlei insecten en alles wat je vindt in de zeeën.

 

Een ander voorbeeld lees je in het boek Job. Job had zijn zaak verdedigd tegen zijn drie vrienden, dat hij in zo`n erbarmelijke toestand was gekomen. Job had zichzelf gerechtvaardigd voor God, hij was zelfs zover gegaan, dat hij God had aangeklaagd, dat God hem onrechtvaardig zou hebben behandeld. Daartoe komt hij uiteindelijk, hij wordt er toe geprest door die vrienden, die het hem heel erg moeilijk gingen maken, in de gesprekken die ze met hem hebben. Uiteindelijk komt hij tot die uitspraak.

 

Soms komen ook wij tot zo'n uitspraak, als wij lichamelijk lijden, dat God ons onrechtvaardig behandelt. Niets menselijks is ons vreemd, ook Job niet.

 

Dan dient uiteindelijk Elihu Job van repliek, zijn eerste rede, die Job aanhoort, in Job 33:8-12

  • "Welnu, ik was erbij terwijl je sprak,
  • ik heb gehoord hoe je woorden klonken:
  • 9 “Ik ben zuiver, ik heb niets misdaan,
  • ik ben rein, er kleeft geen schuld aan mij.
  • 10 Toch vindt God gronden voor een aanklacht,
  • hij beschouwt me als zijn vijand.
  • 11 Hij sluit mijn voeten in het blok,
  • hij bewaakt me waar ik ga of sta.”
  • 12 Maar je hebt ongelijk, ik zeg je:
  • God is de meerdere van de mens."

 

Ja, Job had zich gerechtvaardigd, gezegd dat God hem onrechtvaardig behandelt, door hem dit allemaal te laten overkomen.

 

Maar God is rechtvaardiger dan een sterveling. God is één en al gerechtigheid. Wij moeten ook oppassen in ons denken, over de tegenwoordige schepping, dat wij niet de fout maken net zoals Paulus in Rom.9 zegt: Wat zal het geboetseerde tegen de boetseerder zeggen. Wat zullen wij tegen God zeggen; waarom hebt U mij zo gemaakt, en dat we kritiek hebben op de tegenwoordige schepping en dan tot uitdrukking brengen wat goed en wat kwaad is. Die schepping is wel in harmonie met elkaar, maar is niet volmaakt.

 

Dan antwoord God in Job 38:1-3

  • En de HEER antwoordde Job vanuit een storm. Hij zei:
  • 2 ‘Wie is het die mijn besluit bedekt
  • onder woorden vol onverstand?
  • 3 Sta op, Job, wapen je;
  • ik zal je ondervragen, zeg mij wat je weet.”

 

De Heere God gaat de rollen omdraaien met die 3 vrienden. Hij gaat zeggen nu ga Ik jullie eens ondervragen, willen jullie mij dan eens onderrichten. Jullie hebben mij afgeschilderd, dat Ik niet helemaal te volgen ben en dat Ik misschien wel niet rechtvaardig ben en dat je in die natuur je tegenstrijdige zaken vind. Dan begint God te spreken, en dan komen we tot de conclusie: dat God de giftige slang ook geschapen heeft, dat God dat onkruid en die doornen en distels ook schiep. We moeten er goed van doordrongen zijn, dat de tegenwoordige schepping, totaal door God geschapen is en wel met een bedoeling, wat vastligt in Zijn plan, het voornemen der eeuwen.

 

God zegt in Job 38:4,5

  • 4 Waar was jij toen ik de aarde grondvestte?
  • Vertel het me, als je zoveel weet.
  • 5 Wie stelde haar grenzen vast? Jij weet dat toch?”

 

Iedereen die zo begint te denken van wat God wel kan doen en wat niet en God niet die dieren heeft geschapen, zoals die gevaarlijke sluipwesp en noem maar op. Dan zegt God; waar was je toen Ik de aarde grondvestte, vertel het indien je het weet, indien je inzicht hebt. Ook lees je in vers 16:

  • Betrad jij ooit de plaats waar de zee opwelt
  • heb jij over haar diepste bodem gewandeld?
  • 17 Zijn de poorten van de dood aan jou getoond,
  • de deuren van het diepste donker – heb je die gezien?
  • 18 Kun jij de aarde in haar volle uitgestrektheid bevatten?
  • Vertel het, als je het allemaal weet!”

 

God daagt dus Job uit, ook die 3 vrienden van Job. Zo gaat het maar door:

  • "22 Ken je de voorraadkamers van de sneeuw,
  • heb je de voorraadkamers van de hagel gezien,
  • 23 die ik heb aangelegd voor tijden van nood,
  • voor dagen van oorlog en strijd?
  • 24 Hoe kom je op de plaats van waar het licht verspreid wordt,
  • van waar de oostenwind over de aarde uitwaait?
  • 25 Wie heeft de geulen gekliefd voor de stromen,
  • de weg voor donder en bliksem gebaand,
  • 26 zodat de regen neervalt op de onbewoonde aarde,
  • op de woestijn waar geen mensen leven,
  • 27 en wildernis en woestenij doordrenkt raken.”

 

Hij vestigt ook nog de aandacht op de sterren:

  • "31 Kun jij de Plejaden aan banden leggen
  • of de ketenen van Orion losmaken?
  • 32 Kun jij de dierenriem op tijd laten schijnen
  • en de Grote Beer met haar jongen de weg wijzen?
  • 33 Ken jij de wetten van de hemel,
  • kun jij jouw orde aan de aarde opleggen?”

 

Dat is nogal wat, God wijst dus op heel de sterrenhemel en al wat daarin is. Hij vraagt of zij die inzettingen kennen en die kennen ze niet. Zo gaat het door in hoofdstuk 39:1-2:

  • "1 Kunt gij een prooi jagen voor de leeuwin
  • en de begeerte der jonge leeuwen vervullen,
  • 2 wanneer zij wegduiken in hun holen,
  • in het struikgewas op de loer liggen?”

 

God schiep dat alles, en zegt hier dat hier die leeuwen, die daar op de loer liggen om te grijpen wat ze grijpen kunnen. Zo komen hier heel wat dieren voorbij, tot je eenmaal terecht komt bij de valk en de gier vers 29-33

  • "29 Is het door uw inzicht, dat de valk vliegt,
  • zijn vleugels uitslaat naar het zuiden?
  • 30 Is het op uw bevel, dat de gier zich verheft
  • en zijn nest in de hoogte bouwt,
  • 31 op rotsen woont en vernacht,
  • op rotspunt en bergtop?
  • 32 Vandaar speurt hij naar voedsel,
  • zijn ogen turen in de verte;
  • 33 zijn jongen slurpen bloed,
  • en waar verslagenen liggen, daar is hij.”

 

Dat is met de gier zo en zijn jongen slurpen bloed, God schiep dat. Als God dan zo gesproken heeft in Zijn toorn, dan antwoord Job in vers 34:

  • "34 En de HERE antwoordde Job:
  • 35 Wil de bediller twisten met de Almachtige?”

 

God vat dat allemaal samen en dat is eigenlijk wat staat in Rom.9:20

  • "20 Maar gij, o mens! wie zijt gij, dat gij God zoudt tegenspreken? Zal het geboetseerde soms tot zijn boetseerder zeggen: Waarom hebt gij mij zo gemaakt?”

 

Zo zegt God dat ook tegen Job, tot 2 maal toe: Ga er niet mee door. Job wist nu een ding: Hij moest zijn mond houden.

Maar de Heere is nog niet klaar, Hij wil nog Zijn almacht laten zien, dat lees je in hoofdstuk 40:10-14:

  • "10 Zie toch het nijlpaard, dat Ik heb gemaakt, evenals u.
  • Het eet gras zoals het rund.
  • 11 Zie toch de kracht in zijn lendenen,
  • de sterkte in zijn buikspieren!
  • 12 Hij spant zijn staart als een ceder,
  • de spieren zijner dijen zijn samengestrengeld.
  • 13 Zijn beenderen zijn buizen van koper,
  • zijn knoken gelijk staven van ijzer.
  • 14 Hij is de eerste van Gods werken,
  • het schepsel, waaraan Hij zijn zwaard gaf.”

 

Dan beschrijft God een nijlpaard, en dat is niet een nijlpaard, want in het Hebreeuws staat er het woord “behemoth” en men weet niet exact hoe men dat zou moeten vertalen. Dat is een beest wat God Job en zijn vrienden onder de aandacht brengt, die Hij geschapen heeft. Als je dan naar Job 40:20 kijkt, dan krijg je een woord wat een beschrijving is van een krokodil.

  • "20 Kunt gij de krokodil met een vishaak optrekken,
  • met een touw zijn tong neerdrukken?”

 

Die beschrijving gaat zo door tot hoofdstuk 41:25. In Job 40:20 staat in de grondtekst “leviathan”, en men weet ook niet precies de vertaling van dat woord. Het is in ieder geval geen krokodil en geen nijlpaard. Het is waarschijnlijk een dinosaurus. De eerste dinosaurus zou dan worden beschreven in Job 40:10. Dat nijlpaard, die behemoth dat is in feite een dinosaurus, die alleen maar bladeren eet, dat is geen vleesetend dier. Want je had onder de dinosaurussen 2 soorten, namelijk de vleesetende en er waren die alleen maar groen aten. Je kan dat lezen in Job 40:10:14:

  • "10 Zie toch het nijlpaard, dat Ik heb gemaakt, evenals u.
  • Het eet gras zoals het rund.
  • 11 Zie toch de kracht in zijn lendenen,
  • de sterkte in zijn buikspieren!
  • 12 Hij spant zijn staart als een ceder,
  • de spieren zijner dijen zijn samengestrengeld.
  • 13 Zijn beenderen zijn buizen van koper,
  • zijn knoken gelijk staven van ijzer.
  • 14 Hij is de eerste van Gods werken,
  • het schepsel, waaraan Hij zijn zwaard gaf.”

 

Als je naar een nijlpaard kijkt, dan zie je maar een heel klein staartje als van een varken, dat zit er aan een nijlpaard. Hier staat dat zijn staart is als een ceder. Een cederboom is een enorme grote boom, die je vind in het middenoosten. Er zijn heel grote dinosaurussen gevonden, die een staart hebben van een enorme lengte en die ze kunnen spannen als een cederboom. De beschrijving gaat zo door, en we herkennen eigenlijk een enorme dinosaurus die planten eet.

 

Als je kijkt naar dat andere dier, dat is geen planteneter, maar een vleesetende dinosaurus. Vanuit de mens gezien heeft God ook de meest verschrikkelijkste wezens geschapen. Dit is de dinosaurus-tyrex, bij wijze van spreke. Enkele versen uit Job 41:

  • "1 Niemand is zo vermetel, dat hij hem zou durven tergen;
  • wie is het dan, die voor Mij kan standhouden?
  • 2 Wie zou Mij tegemoet treden, die Ik ongedeerd zou laten?
  • Wat onder de ganse hemel is, dat behoort Mij toe.
  • 3 Ik WIL niet zwijgen over zijn leden,
  • noch over zijn geweldige kracht en kunstige lichaamsbouw.”

 

En vervolgens in vers 9:

  • "9 Zijn niezen doet licht schitteren,
  • zijn ogen zijn als de wimpers van de dageraad.
  • 10 Uit zijn komen fakkels,
  • vuurvonken schieten eruit.
  • 11 Uit zijn neusgaten komt een damp
  • als uit een kokende en dampende pot.
  • 12 Zijn adem zet kolen in brand,
  • en een vlam stijgt op uit zijn muil.”

En we gaan verder in vers 24:

  • "24 Zijns gelijke is er op aarde niet,
  • een schepsel zonder vrees.
  • 25 Op al wat hoog is, ziet hij neer,
  • hij is koning over alle trotse dieren.”

 

Alleen de blik daarop, slaat je al onderste boven. Niemand zou hem durven tergen.

Dit is geen leeuw, zegt God, maar dit is de “leviathan”. Hij laat dus zien dat dat allemaal Zijn Schepping is, die Adam en Eva meemaakten toen zij de hof verlieten en kennis namen van de schepping, die God geschapen had in 6 dagen. En het was zeer goed.

 

Dan lees je in Job 42:1-6

  • "1 Toen antwoordde Job de HERE:
  • 2 Ik weet, dat Gij alles vermoogt,
  • en dat geen uwer plannen wordt verijdeld.
  • 3 Wie is het toch,
  • die het raadsbesluit omsluiert zonder verstand?
  • Daarom: ik verkondigde, zonder inzicht,
  • dingen, mij te wonderbaar en die ik niet begreep.
  • 4 Hoor nu, en Ik zal spreken;
  • Ik wil u ondervragen, opdat gij Mij onderricht.”
  • 5 Slechts van horen zeggen had ik van U vernomen,
  • maar nu heeft mijn oog U aanschouwd.
  • 6 Daarom herroep ik en doe boete in stof en as.”

 

Laten we dus voorzichtig zijn, als we naar Gods schepping kijken dat we denken dat God bepaalde dingen niet geschapen heeft. Deze tegenwoordige schepping en alle natuur films bewijzen dat die schepping harmonieus in elkaar zit. We worden er wel mee geconftonteerd en zien dat het nog onvolmaakt is. Maar het hoort wel bijelkaar, dat licht en die duisternis, die zon en die maan, maar zien tevens dat alles in feite nog onvolmaakt is. Het was dus wel zeer goed, maar niet volmaakt.

 

De nieuwe schepping moet nog komen. Als je Gods voornemen der eeuwen gaat begrijpen, dat er ten eerste sprake is van een oorspronkelijke schepping, en ten tweede een tegenwoordige schepping en als derde een nieuwe schepping die daarop volgt, dan wordt duidelijk hoe de Heere Zijn plan voltooit. Dat is de loop van de eeuwen.

 

Over die eeuwen spreekt Paulus in Ef 3:11:

  • "Opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden, 11 naar het eeuwige voornemen, dat Hij in Christus Jezus, onze Here, heeft uitgevoerd.”

 

Het is ook niet een “eeuwig voornemen”, een plan wat oneindig zou zijn, maar naar de grondtekst staat er: “Het voornemen der eeuwen”, wat slaat op bepaalde perioden, waarin Gods heilsplan wordt uitgevoerd, in Christus Jezus onze Heer. En ook voor wat betreft het laatste gedeelte van de tekst “heeft uitgevoerd”, staat er eigenlijk in de grondtekst: Dat de Heere dat plan der eeuwen in Christus gemaakt heeft.

 

Op deze manier krijg je hier antwoord op, hoe dat alles in zijn geheel past. Dan zie je ook wanneer God hier tegen Job en zijn vrienden spreekt, dat dan hun monden gesloten worden, en dat wij ook zeggen: “Laten wij zwijgen.” Dan zouden wij over dingen gaan spreken die te wonderlijk voor ons zijn en die we niet weten.

 

Een volgende keer meer hier over.

Samengesteld door Wieb Rodenhuis, April 2015.

 

 

De schepping van de mens

( auteur: Denijs van Zuylekom)

 

Dat geschiedde op de 6e dag. Gen.1:26-31

  • En God zeide: Laat Ons mensen maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw schiep Hij hen. 28 En God zegende hen en God zeide tot hen: Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. 29 En God zijde: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. 30 Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, (geef Ik) al het groene kruid tot spijze; en het was alzo. 30 En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.

Hier val al op dat, aan het eind van deze dag, als God dat allemaal overziet, de kroon op de schepping, namelijk de mens, dat God opmerkt: “Het was zeer goed”. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest de zesde dag. We lezen nog iets over de mens in het tweede hoofdstuk n.l. in vers 7:

  • Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

Letterlijk staat er tot een levende ziel. Het werk op de 6e dag in de schepping, begint net zo goed als op de zelfde wijze als op de andere dagen, die hieraan vooraf gaan. We beginnen wel in vs. 26, maar eigenlijk zouden we moeten beginnen in vs. 24, daar eindigt het scheppings werk de vijfde dag in vs. 23 en dan krijg je de zesde dag:

  • En God zeide: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo”

Dan krijgt de schepping ineens een heel andere wending en wordt die opeens heel persoonlijk, als verhaald wordt over de schepping van de mens in vs. 26.

De Companion-bijbel van Bullinger die laat zien dat in vs. 26 een stijlfiguur wordt gebruikt, een spreekwijze. Het is Bullinger geweest, die met nadruk daar een enorme studie van de schrift heeft ondernomen, over de spreekwijze. Het is belangrijk dat je van een taal, ook de zegswijze, de stijlfiguur kent, want als je de taal alleen kent en niet de spreekwijze, de gezegden en je gaat een studie maken van het Hebreeuws, dan zou je heel wat missen.

Bullinger heeft er een hele dikke pil van een boek van gemaakt, om alle stijlfiguren – en dat zijn er honderden in de schrift – allemaal op te schrijven en ook te laten zien waar die allemaal voorkomen in de Bijbel, dan wordt die Bijbel ineens veel rijker.

Een taal bestaat niet alleen uit woordjes maar ook uit talloze stijlfiguren. Dat hebben wij in onze taal, wij bemerken dat wel niet, maar als wij met elkaar in gesprek zijn, dan gebruiken wij talloze van die uitdrukkingen. Dat verrijkt enorm, dat maakt de taal bloemrijker. Als je een buitenlandse taal gaat leren, dan leer je op school vaak alleen maar woordjes en alleen maar spreken in die taal. Later kom je er achter als je dan met een Engelsman, een Duitser of een Fransman praat, dat die net als wij, ook die zegswijzen gebruiken in hun taal. Soms als je dan alleen maar afgaat wat er letterlijk wordt gezegd, dan begrijp je soms niet wat ze zeggen.

Als wij zeggen; wie een kuil graaft voor een ander, valt er zelf in. Dat is trouwens een bijbelse zegswijze, die we overgenomen hebben in het Nederlands. Maar wanneer je dat letterlijk zou horen in het Engels, dan zou je zeggen hé, wat zeg je nou? Die man zegt, als hij naar buiten gaat en die graaft een kuil en die valt er zelf in. Dat is niet wat er bedoeld wordt, het is een zegswijze, het is een stijlfiguur.

Het Hebreeuws heeft talloze stijlfiguren. Dat boek van Bulliger is zo’n 1500 pagina’s dik. In de Companion-Bijbel geeft hij in de appendix nr.6 een hele korte samenvatting van alle stijlfiguren die hij behandelt in dat dikke boek. Als je dan de Companion-Bijbel opslaat en je gaat kijken bij Gen.1:26 dan noemt hij, dat beeld en die gelijkenis, een stijlfiguur, een hendiadis, dat is twee voor één, twee woorden worden er gebruikt, maar er wordt maar één ding bedoeld.

In Ef.6:18 wordt dezelfde stijlfiguur gebruikt als in Gen.1:26:

  • En bidt daarbij met aanhoudend bidden en smeken bij elke gelegenheid in de Geest, daartoe wakende met alle volharding en smeking voor alle heiligen.”

Dat aanhoudend bidden en smeken, dat is nou twee voor één. Twee woorden worden er gebruikt, maar één ding wordt er bedoeld, dat is zo’n stijlfiguur. In Gen.1:26 is zo’n zelfde stijlfiguur gebruikt. Daar lezen we in de NBG vertaling: naar ons beeld, als onze gelijkenis. Je zou zeggen dat is een beetje dubbel. Eèn ding wordt hier ook maar bedoeld. In de St.Vert. staat in vs. 26:

  • Laten wij mensen maken naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis.”

Hier hebben ze vertaald naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis. Bullinger stelt dan ook voor, als je naar de vertaling kijkt van vs.26 naar dat stijlfiguur; naar Ons beeld, naar Onze gelijkenis, hij zegt dan, dat dit het beste te vertalen met: “in de gelijkenis van Ons beeld.” (in de Hebreeuwse tekst wordt ook het voorzetsel invermeld)

Tien keer lezen we hier in Gen. 1 ten aanzien van de verschillende delen van de schepping, die worden gemaakt, dat alles werd geschapen, naar zijn aard. Dat lees je ook weer op de 6e dag, dat de aarde voortbrenge, levende wezens naar hun aard, wild gedierte naar hun aard, het veenaar zijn aard en alles wat op de aarde kruipt naar zijn aard. Alles is naar zijn aard.

Nu lees je opeens in vs. 26 iets geheel anders, een geweldige mededeling. Want bij de mens daar staat niet naar zijn aard. Er staat, dat de mens is gemaaktin de gelijkenis van Ons beeld. Als wij de vertaling van de Companion-Bijbel aanvaarden, dan doemt natuurlijk de eerste vraag op: Naar welk beeld verwijst dat beeld dan, waar gelijkt de mens dan op? Dan zou je gaan denken: We gelijken dus op God. Je gaat dan vergelijken met de eigenschappen van God, dan is het nauwelijks mogelijk een vergelijking met God te maken.

De geschapen mens is helemaal niet alom tegenwoordig zoals God. Die geschapen mens is helemaal niet alwetend en hij is helemaal niet heilig zoals God heilig is. Je merkt al direkt dat zo’n vergelijking niet opgaat. Ook bijzonder is, als met de mens gesproken wordt na de zondeval, dat daar nog steeds gesproken wordt, dat de mens naar het beeld van God geschapen wordt en dat ook wij naar Gods beeld geschapen zijn. Wat wordt er over de mens gezegd na de zondeval in Gen. 9:6

  • Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt.”

Ook in 1 Kor.11:7:

  • Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man.”

Het beeld van God en de heerlijkheid van God, dat is de man. Als je kijkt naar Jacobus 3:9

  • Met haar (= de tong) loven wij de Here en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Gods geschapen zijn.”

Eén ding wordt hier wel duidelijk, als we gaan kijken naar die tekst, “laat Ons mensen maken in de gelijkenis van Ons beeld”, en we gaan zoeken naar die gelijkenis, dan is één ding wel duidelijk, dat we niet hoeven te zoeken naar een gelijkenis op het morele vlak. Het is toch ook niet voor te stellen, dat de mens lichamelijk geschapen is naar het beeld van God, want God is Geest. Het is moeilijk voor te stellen dat wij op God lijken. Daarom is het goed eerst te kijken in de Bijbel, naar wat de Bijbel leert over Christus. Als je die teksten leest, die over Christus gaan, dan stelt ons dat instaat om een juist zicht te krijgen op de betekenis van Gen.1:26.

Wat zegt Paulus I Kol. 1:15:

  • Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping.”

En in 2 Kor. 4:3-4

  • Indien dan nog ons evangelie bedekt is, is het bedekt bij hen, die verloren gaan, ongelovigen, wier overleggingen de god dezer eeuw met blindheid heeft geslagen, zodat zij het schijnsel niet ontwaren van het evangelie der heerlijkheid van Christus, die het beeld Gods is.”

 

Wonderlijk, Christus is dus het beeld Gods. Als het nu zo is dat de mens gemaakt is in Gen.1:26 in de gelijkenis van Gods beeld en Gods beeld is Christus, en de mens gelijkt op het beeld van God. Dan gelijkt de mens dus op Christus en is de mens geschapen in de gelijkenis van Christus, dat wordt eigenlijk gezegd in Gen.1:26. God is Geest, onzichtbaar, maar Christus is het beeld van God. De mens is geschapen in de gelijkenis van het beeld Gods, in de gelijkenis van Christus.

 

Dit plaats dan de mens Adam op aarde, in een typologische hoedanigheid, een vooraf schaduwing. Dan is Adam een schaduw van Christus vooruit. Een type is nooit de werkelijkheid, als de werkelijkheid die komt. De werkelijkheid is veel mooier en heerlijker dan dat ooit een type was. De mens Adam is dus een type van Hem die komen zou, n.l. de Heere Jezus Christus.

 

Aan de hand van Gen. 1:2 dat de aarde werd woest en ledig, lees je in Ez. 28 van die overdekkende cherub en daar ons een beeld wordt geschonken, in de wereld van Gen.1:1. Er was een overdekkende cherub, die als een hogepriester dienst deed voor de troon van God, zoals Ez. 28 ons openbaart en dat er zonde in hem werd gevonden. Daardoor ontstond er een toestand op aarde van woestheid en ledigheid, de aarde werd ontledigd, leeggemaakt van die er op woonden. Er was sprake van een oordeel in Gen. 1:2. Er heerste toen duisternis op aarde, de zonde was er binnen gedrongen. Dat gebeurde nog voordat Adam en Eva geschapen werden.

 

Dan kun je je afvragen, wat was nou het antwoord van God op die rebellie van satan, toen die schepping van Gen.1:1 in zonde viel. Gods antwoord is een herschepping in zes dagen, met de kroon van de schepping en Zijn voornemen der aionen, met de schepping van de mens Adam, die een type is van de laatste Adam, namelijk Jezus Christus. Gods antwoord op de rebellie van satan is in feite Jezus Christus, de Zoon des mensen. Daarom schiep God de mens, laat ons mensen maken in de gelijkenis van het beeld Gods, Christus. Daar had de satan nooit op gerekend, want Christus is het beeld van de onzichtbare God, Die een ontoegankelijk licht bewoont, die niet is waar te nemen, ook niet voor satan.

 

Daar binnen in God, daar werd de Heere Jezus Christus geopenbaard. Het geheimenis van Christus, dat was in Gen.1:1 geheim. Na de zondeval van de mens, openbaart God daar één ding: Hij zegt tegen satan: het Zaad der vrouw zal hem de kop vermorzelen (Gen.3:15) Als we de geslachtslijn volgen door de Bijbel, Wie dat vrouwenzaad is, dat zien we, dat is Christus.

 

Hij is het beeld van de onzichtbare God en de mens werd in de gelijkenis naar dat beeld geschapen. In God bevond zich het geheimenis van Christus, dat was geheim. We komen er achter in de Bijbel, dat heel veel ons niet wordt medegedeeld. Dat is ook omdat niet wij alleen de Bijbel lezen, maar de tegenstander, de satan leest die Bijbel ook.

 

Christus wordt geopenbaard door de Bijbel heen, als antwoord op de zonde, Die eigenlijk alles herstellen zal, want Hij is eigenlijk de uitvoerder van Gods plan der eeuwen. Hij zal uiteindelijk alles weer terug geven in de handen van God, dan zal God zijn alles in allen (1 Kor. 15:28). Dan denk je dat je met die openbaring van het geheimenis, dat je er bent, maar dan ontdek je nog iets, namelijk als je Christus hebt leren kennen, dat Paulus dan nog een ander geheimenis openbaart, dat is dat Christus binnen in je is, binnen in je woont (Ef. 3:17) Net als God binnen in Christus was (Joh.10:38).

 

Zoals je een ui kunt afpellen, het is natuurlijk oneerbiedig dat je God zou kunnen afpellen, tot in het binnenste, maar dan ontdek je daar binnen het lichaam van Christus, de Gemeente, die in Christus verborgen is. Het geheimenis wordt dat genoemd. Allen, die tot het Lichaam van Christus behoren zijn met Christus verborgen in God. Dat zal nog geopenbaard worden en heel gelukkig, zij zullen in Hem in Zijn heerlijkheid zijn (Kol. 3:3-4)

  • Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen (sun-phaneroo) in heerlijkheid.”

 

Dat de eerste mens Adam een type van Christus was, dat wordt wel heel erg duidelijk getoond in 1 Kor. 15:45-47:

  • Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel.”

 

Hier wordt dus de eerste Adam naast de laatste Adam gezet en de verschillen worden openbaar. Er wordt ons nog medegedeeld, dat we niet moeten denken, dat het geestelijke eerst komt. Eerst komt het natuurlijke, daarna het geestelijke. Dit Bijbelgedeelte gaat onmiddellijk verder met het spreken over het beeld, wat we ook tegenkomen in Gen. 1:26, “naar Ons beeld”. Vers 48 en 49 van 1 Kor. 15:

  • Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. 49 En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.”

 

Er zijn nogal wat Bijbel-leraren, die geloven dat de schepping van de mens in Gen. 1:26 verwijst naar een heel ander persoon dan die je vind uit Gen. 2:7, de mens die uit stof werd geformeerd, Gen 2 vanaf vers 4:

  • Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, 5 – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; 6 maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem – 7 toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

 

In feite zou je kunnen zeggen: Hier begint opnieuw een scheppings verhaal. Het scheppings verhaal van Gen. 1 eindigt in Gen. 2:3 Nadat God op de zevende dag rustte van al het werk wat Hij scheppende tot stand had gebracht. Die Bijbelleraren noemen dit een tweede scheppingsverhaal en zeggen dat die mens die hier geschapen werd in Gen. 1:26 een heel andere mens dan die geschapen werd in Gen. 2:7. Toch staat het zonder meer vast, dat de eerste mens Adam degene is wier schepping vermeld staat in Gen. 1:26. Dat blijkt ook wel uit zijn naam in het Hebreeuws van laat Ons mensen (grondtekst in het enkelvoud) maken. Er staat eigenlijk: “Laat Ons Adam maken, naar Ons beeld naar Onze gelijkenis.”

 

Zijn het nu één of twee Adams, één of twee verschillende mensen? Als we weer gaan naar 1 Kor. 15:45 De eerste Adam met een levende ziel, dat staat niet in Gen. 1:26 maar wel in Gen. 2:7. Nu verbindt dus Gen. 1:26 de eerste mens Adam met Gen. 2:7. Gen. 1:26 vermeldt niet dat die mens geformeerd werd uit stof der aarde en een levende ziel werd. In feite zegt 1 Kor. 15:45 in het begin van het vers: De mens is geworden, wat in Gen. 1:26 staat. Het tweede deel van het vers zegt: “Hij werd een levende ziel”, en hier haalt Paulus Gen. 2:7 aan. Hij maakt er dus één van. Dat laat dus zien dat we het hebben niet over twee personen, zoals vaak wordt geleerd.

 

Rom. 5 laat een ander aspect zien, dat Adam een type is van Christus, een afschaduwing van Hem die komen zou, Rom 5 vers 14:

  • Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende.” Namelijk; Christus.

 

De eerste Adam is stoffelijk de tweede Adam is uit de hemel. Die laatste Adam is dus de verkondiger, de Gever is van heerlijkheid. Dat is een zegen die de eerste Adam niet kende. Iets van die typologische positie van de mens wordt ons gegeven in dat 26e vers van Gen. 1. Als daar verder staat: “Laat Ons mensen maken in de gelijkenis van Ons beeld”, dan staat daar in het vervolg: “Dat zij heersen over de vissen, het gevogelte, over het vee, over heel de aarde en over al het kruipende gedierte”. Wat moest die mens dan wel doen? Opdat zij heersen over......, de St.Vert. heeft; “Opdat zij heerschappij hebben over.......”

 

Die mensen die zeggen, wat dat gedeelte van Gen. 2:4-7 betreft, dat is toch wat anders dan wat er staat in Gen. 1, diegene hebben dus niet helemaal ongelijk. Het is ook daadwerkelijk wel een tweede verhaal, een tweede scheppings verhaal, ondanks dat het over één en het zelfde feit gaat. In Gen. 2:7 gaat het alleen over Adam, dat staat er ook zo in het Hebreeuws. Dat de Heere God Adam uit het stof der aarde maakte. “Alzo werd Adam tot een levende ziel”, dan wordt echt over de persoon Adam gesproken.

 

Het valt op in Gen. 1:26-31, dat er steeds niet alleen in het meervoud aan de kant van God (“Wij” en “Ons”), maar ook in het meervoud aan de kant van de mens gesproken wordt. In vers 26 is de vertaling: “Laat ons mensen maken”, maar in het Hebreeuws, staat er: “Laat ons Adam of mens (in het enkelvoud) maken”.

 

Dat enkelvoud en dat meervoud komt steeds terug, want in vers 27 staat:

  • En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem (enkelvoud); man en vrouw schiep Hij hen (meervoud). En God zegende hen (meervoud) en God zeide tot hen (meervoud): Wees vruchtbaar enz.

 

Wanneer we vervolgens Genesis 2 zouden lezen, wat een nadere uiteenzetting (geslachtsregister) is van de gang van zaken gedurende de schepping van Genesis 1, dan weten we dat Adam eerst een tijdje alleen in de hof was, en dat later Eva uit Adam gemaakt werd door de Heere. Wanneer we dat in ogenschouw nemen, dan mogen we stellen, dat in Gen 1 in het midden van vers 27 een tijds-interval gelezen mag worden:

  • En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem (enkelvoud); (en hier zit die tijds-periode dat Adam eerst alleen in de hof was, en daarna:) man en vrouw schiep Hij hen (meervoud).

 

In Genesis 1:26-31 worden wij in ons denken niet beperkt tot maar één man. Hier wordt in feite de gehele mensheid beschouwd. Er wordt eigenlijk gesproken over de mensheid, die dus in de gelijkenis van het beeld Gods is geschapen. In Gen. 1 wordt niet alleen gekeken naar het individu. Naar Adam zelf wordt gekeken in Gen. 2:7 en later wordt Eva als individu, uit de rib van Adam genomen en aan haar wordt nog persoonlijke aandacht gegeven.

 

In Gen.1 wordt dus – omdat het later in het meervoud staat – de mensheid beschouwd. Ons wordt hier verteld, dat in die mens, in Adam er nog veel meer mensen vertegenwoordigd zijn. Dat die mens werd geschapen om heerschappij te hebben en te heersen. Het is dus voorafschaduwing, een type is van Christus. Dan is dat een voorafschaduwing van de heerschappij van de Zoon des mensen, de laatste Adam, Jezus Christus. Het is een voorafschaduwing van Zijn heerschappij over de vissen, over het gevogelte, over het vee, over de gehele aarde. Om die te onderwerpen en daar heerschappij over te voeren.

 

Wij weten dat de mens dat wel probeert in onze tijd, maar als we eerlijk zijn dan weten we ook dat die mens in dat heersen en dat onderwerpen, niet zoveel van bakt. Er zijn een aantal mensen die dat opvalt, die milieu groepen, die komen dan daartegen in verzet en vestigen daar dan de aandacht op.

 

Inderdaad, allerlei diersoorten zijn uitgestorven en als je het mag geloven dan zie je er elk jaar nog meer dieren uitsterven, het wordt steeds erger. En wat de mens aan vervuiling teweeg brengt op aarde heeft soms enorme gevolgen. Maar dat onderwerpen en heersen van de mens leidt tot niets. Alleen die heerschappij straks, onder de Heere Jezus Christus, dat leidt uiteindelijk tot een nieuwe schepping. Hier wordt een vooruit blik gegeven van die toekomst.

 

Als je terug keert naar 1 Kor. 15, dat in verband staat met Gen. 1, als daar Paulus dus zo spreekt over Adam, dan is de eerste mens een heel duidelijk type van de laatste Adam. Lezen we nog eens 1 Kor.15:45-49:

  • Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.”

 

Dat is ook zo geschiedt in Gen. 1, eerst kwam het natuurlijke, daarna en gelukkig maar, het geestelijke dat nog komt. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede Mens Jezus Christus is uit de hemel. Hierbij moeten we een ding goed beseffen als we deze verzen lezen. Paulus zegt deze dingen over Adam in zijn ongevallen staat. Hij zegt dat over Adam, zoals Adam hier voorkomt in Gen. 1, uit de handen van zijn Schepper. Hij is stoffelijk en dat komt eerst, hij is aards en niet hemels.

 

De eerste mens is dus stoffelijk (1 Kor 15:47), de tweede mens is uit de hemel, de laatste Adam die is hemels. Nadat Paulus hier zo die tegenstelling maakt, dus het stoffelijke tegenover het hemelse, benadrukt hij de lagere staat van Adam, van de mens in Gods schepping. Dan concludeert Paulus in 1 Kor. 15:50

  • Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.”

 

Daar blijkt uit dat Adam, zoals hij geschapen was, in zijn ongevallen staat, niet geschikt was, voor het Koninkrijk Gods. We moeten goed beseffen dat Adam, los gezien van zijn zondeval later, aards geschapen was. Geschapen is als vlees en bloed. Vlees en bloed kunnen het Koninkrijk niet beërven. Er wordt vaak de fundamentele vergissing begaan bij de schepping van de mens, om te denken, dat de mens door God volmaakt is geschapen. De mens is niet volmaakt geschapen.

 

De mens is wel zeer goed geschapen (Gen. 1:31), er mankeerde niets aan Adam, stoffelijk gezien, maar hij was niet hemels. Hij was een levende ziel, geen levend makende geest, hij was natuurlijk, niet geestelijk. Als zodanig kan hij het Koninkrijk Gods niet beërven, dan moet er nog meer gebeuren. Gelukkig geeft Paulus hier ook aan: Na het natuurlijke komt het geestelijke. Aan de eerste mens Adam zit de laatste Adam vast, waar hij een type van was. Die laatste Adam, dat is Christus, Die zorgt ervoor dat het hemelse wordt geopenbaard. Zodat ook wij mensen, nadat wij het stoffelijke hebben gedragen, door Christus te leren kennen en Hem te aanvaarden, wij het hemelse zullen dragen.

 

Nu gaan we over naar het “tweede” scheppings verhaal, Gen.2:4-7

  • Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem – toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

 

De NBG heeft vs.4 met; Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde toen zij geschapen werden. Lees je de St.Vert. dan lees je; dit zijn de geboortes des hemels en der aarde, als zij geschapen werden. Ga je echter naar de grondtekst, het Hebreeuws, dan lees je nog wat anders n.l.: “Dit is het geslachtsregister van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden”. de King-James vertaling heeft ook deze tekst zo vertaald. Zo vinden wij hier in Gen. 2:4-7 het eerste geslacht-register van het Bijbelboek Genesis. In Genesis zijn er 11 verschillende geslachtsregisters opgenomen. Het volgende geslachtsregister vind je in Gen. 5:1 en 2 en dit staat in verband met Gen.2, waar onze aandacht even wordt gevestigd op; het veldgewas, kruid des velds in vs.5, daarna gaat onze aandacht al gauw over naar vs.7, waar de aandacht wordt gevestigd op de mens.

 

Het tweede geslachts-register in Gen.5:1-3:

  • Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen „mens” ten dage, dat zij geschapen werden. man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen „mens” ten dage, dat zij geschapen werden. Toen Adam honderd dertig jaar geleefd had, verwekte hij (een zoon) naar zijn gelijkenis, als zijn beeld, en noemde hem Set.”

 

Wel bijzonder, want ook dit geslachtsregister begint vanaf het begin van de schepping, beide geslachtsregisters vanaf het begin. Deze mens Adam in Gen. 5, die ook vermeld staat in Gen. 1:26. Maar daar wordt meer gesproken over het algemeen over de mens, eigenlijk de mensheid. Ook hier in vers 1 wordt vermeld; dat de mens geschapen is naar de gelijkenis Gods en loopt daarmee parallel met Gen.1:26.

 

In Gen. 5:1-3 zie je dat er duidelijk een verbinding wordt geslagen, zowel aan de ene kant naar Gen. 1:26, waar gesproken wordt over de mens in zijn schepping als man en vrouw en de andere kant hier sprake is van, de schepping van man en vrouw. Tevens wordt er een verbinding gemaakt naar Gen. 2:7 waar staat:

  • Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

 

Gen. 5:1-3 laat zien, dat hier gesproken wordt zowel over de mensheid als over Adam. In vers 2 staat ; schiep Hij hen, hier weer in het meervoud. Eerst gaat het over Adam (enkelvoud) daarna al gauw weer naar; schiep Hij hen, overeen komend met Gen. 1:28. Waar God henzegende en noemde hen ; mens ten dage als zij geschapen werden.

 

In Gen. 5:1 en 2 werden Gen. 1:26 en Gen. 2:7 met elkaar verbonden en dat is één en dezelfde Adam. Het is dus niet zo, zoals er wordt geleerd, dat we twee verschillende scheppingsverhalen hebben, dat Adam van Gen. 1:26 een andere is dan die van Gen. 2:7. In feite is Gen.2:4-7 een scheppings verhaal in het klein, een heel kort geslachts-register. Daar wordt maar even ingezoemd op, niet alleen wat er staat over Adam, maar ook het kruid des velds. Je zou nog een geslachts-register kunnen maken, van dieren.

 

Als je naar de dierenwereld kijkt en de plantenwereld bekijkt, dan zie je ook een geslachtsregister. De ene plant brengt weer andere planten voort. Ze planten zich voort, ze leveren zaad, dat zijn ook vruchten wat hangt aan de bomen, dat valt op de aarde, dat ontkiemt in de aarde en brengt opnieuw weer allerlei kruid voort. In de dierenwereld werkt het ook zo. Honden b.v., als zij prijzen hebben gewonnen, houden we ook een stamboom van dieren bij. Dieren planten zich ook voort, denk aan paarden of koeien, daar worden ook boeken van bijgehouden.

 

Over die geslachtsregisters wordt maar heel weinig verteld. Het vertelt iets over het veldgewas en het kruid des velds, daarna gaat het al gauw weer naar de mens. Het is een verduidelijking, een nadere omschrijving, even in het kort gezegd, van wat er stond in het eerste scheppingsverhaal, maar de nadruk ligt op de schepping van de mens, hoe het nu precies plaatsvond.

 

Meteen in dat geslachtsregister van Gen. 2:4-7 wordt speciaal onze aandacht erop gevestigd, dat elk plantje voordat het uit de aarde opkwam, al apart door God geschapen was. In de NBG valt dat helaas helemaal weg:

  • Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem.”

 

In de St.Vert. lees je:

  • Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, toen zij geschapen werden; ten dage als de Heere God de aarde en de hemel maakte. 5 En alle struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot; want de Heere God had niet doen regenen op de aarde, ener was geen mens geweest, om de aardbodem te bouwen. 6 Maar een damp was opgegaan uit de aarde, en bevochtigde de ganse aardbodem.”

Het verschil zit hem dus in vers 5, dus eer dat het kruid uitsproot uit de aarde, schiep God het. Dus “Alle struik des velds werd door God geschapen eer het in de aarde was.” Dát staat in de grondtekst. Dus de complete plant met alles erop en eraan werd door God geschapen, eer het in de aarde was.

 

Toen het in de aarde was, kwam daar een damp, die bevochtigde de aarde, en zorgde voor voeding en voortgang van de plantenwereld. [N.B. Die plantenwereld kwam bij de herschepping vanaf Genesis 1:3 weer tevoorschijn uit de aarde].

 

We krijgen opeens in Gen. 2:4-6 veel meer details aangereikt en dat gebeurt ook als we aankomen in het geslachtsregister bij de schepping van de mens. Want nadat er is gesproken over het veldgewas en dat kruid des velds, wordt er verder nergens meer over gesproken. Verder wordt er alleen nog maar aandacht geschonken aan de mens:

Gen.2:7

  • Toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

 

Het is wel bijzonder, daar formeert God de mens uit de aarde, van stof uit de aardbodem. In de verzen daarvoor ging het ook over dat wat uit de aarde voortkwam. Het veldgewas en het kruid bestaat ook uit stof. Als je een maaltijd bereidt en je eet rode kool of groene kool, dat is ook uit de aarde voortgekomen, dan eet je stoffelijke dingen. De mens die geschapen is naar de gelijkenis, naar Gods beeld, werd geformeerd uit het stof der aarde. Evenals de elementen waar dus het kruid des velds uit bestaat, zelfs de bomen.

 

Maar ook de dieren en het vee, alles bestaat uit stof der aarde. Alles keert ook tot stof weder. Dat zie je ook als een oude boom uiteindelijk omvalt op de aarde terecht komt en na verloop van tijd wordt die weer aarde.

 

Met de dieren is het ook zo, als een dier sterft keert die ook weer terug naar de aarde. De mens keert ook terug tot de aarde, is gewoon identiek. Ze bestaan allen uit de dezelfde elementen, uit het stoffelijke. De mens is van de aarde aards. De naam van die eerste mens geeft het ook aan, zijn naam is Adam, God formeerde hem uit de aardbodem. In het Hebreeuws staat hier voor aardbodem, “adama”, waar je de naam Adam in terug vindt.

 

De NBG vertaalt Gen 2:7: “Alzo werd de mens een levend wezen,” maar de St.Vert. vertaalt vers 7: “Alzo werd de mens tot een levende ziel , wat er in de grondtekst ook echt staat n.l. het woord “nephesh”, dat is ziel Je zou misschien denken nou dat woord “ziel” dat komt in de Bijbel pas voor bij de schepping hier van de mens in Gen. 2:7. Als men dat denkt en wanneer dat in de vertaling zo voorkomt, dan doen de vertalers dat, omdat zij de visie volgen, dat de mens alleen een onsterfelijke ziel bezit en zien de ziel dan als een apart iets wat de mens tijdelijk heeft ontvangen.

 

Die gedachte komt uit de Griekse filosofie, wat eigenlijk een platonische gedachte is. Plato heeft dat bedacht. En in de heidenwereld wordt het in het algemeen geleerd, dat de mens onsterfelijk is.

Maar we lezen in Gen. 1:30:

  • Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is.....”

 

In deze tekst ontdek je dat het woord “leven”, zoals het in Gen. 2:7 vertaald is met “levend wezen”, in de grondtekst precies zelfde uitdrukking tegenkomt in vers 30. In de NBG hebben ze in Gen 1:30 het woord “ziel” (nephesh) gewoon weggelaten. In het Hebreeuws staat daarover de dieren: “waarin een levende ziel is”.

 

Ook de St.Vert. heeft het hier juist vertaalt met: “waarin een levende ziel is.” De St.Vert. houdt zich hier nauwkeurig aan de grondtekst.

 

Dan zie je dus dat niet alleen van de mens geschreven staat, dat hij een levende ziel werd, maar ook wordt dat gezegd van de vogels en al het kruipende gedierte op de de aarde, dat daarin ook een levende ziel is.

 

Dat woord levende ziel komt nog veel meer voor, niet in de NBG vertaling maar wel in de St.Vert. n.l. in Gen.1:20-24:

  • En God zeide: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! 21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wriemelende ziel, welke de wateren overvloedig voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was. 22 En God zegende ze, zeggende: Weest vruchtbaar, en vermenigvuldigt, en vervult de wateren in de zeeën; en het gevogelte vermenigvuldige op de aarde! 23 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vijfde dag. 24 En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.”

 

Die “levende ziel” dat is vee, kruipend gedierte en wild gedierte. De aarde bracht levende zielen voort, in dieren maar ook in de vorm van de mens, die in de gelijkenis van het beeld van God is geschapen.

 

Het woord “ziel” in het Hebreeuws “nepfesh”, en dit woord komt 13 maal voor in Genesis, het komt 10 maal voor, niet in de relatie met mensen, maar in rechtstreekse relatie met dieren. Het is duidelijk als je naar Paulus gaat en leest in de Korinthe brief, dat hij helemaal niet het idee van tegenwoordig huldigt, dat de mens onsterfelijk zou zijn. Want hij gebruikt juist dit gedeelte uit Gen. 2:7 om het tegenovergestelde te verklaren omtrent de ziel.

1 Kor.15:44:

  • Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt.”

 

Het woord “natuurlijk”, is in het Grieks; “psuchikos” en daar is eigenlijk geen Nederlands woord voor. “Psuche” is ziel, “psuchikos” is het bijvoegelijk naamwoord van het woord “ziel”. Als je daar een bijvoeglijk naamwoord van wilt maken dan kom je op het woord “zielijk”.Er wordt een zielijk lichaam gezaaid en een geestelijk lichaam opgewekt en die twee staan tegenover elkaar. Dat zielijk lichaam is verbonden met vers 42 uit 1 Kor 15:

  • Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht.”

 

Dat zielijk lichaam is verbonden met vergankelijkheid. In vers 43 is dat zielijk lichaam verbonden met oneer en met zwakheid. Dat zielijk lichaam heeft 3 kenmerken: Het is vergankelijk, het is in oneer en ook in zwakheid.

 

Dat geestlijk lichaam staat daar tegenover, want dat is onvergankelijk, dat is in heerlijkheid en dat is krachtig.

 

Dat zaaien hier in vers 42, 43 en 44 dat hoeft niet per se op het begraven van doden te slaan. Het wordt bij begrafenissen wel zo gebruikt, maar ergens gaat die beeldspraak helemaal niet op. Als een boer gaat zaaien dan strooit hij niet dood zaad in de akker, dat zou niet opkomen dat vergaat in de aarde.

Zo ook met een mens die gestorven is, kan je wel zaaien in de aarde maar hij vergaat daarin.

Dat zaaien slaat er in deze tekst op, en zo wordt de vergelijking gemaakt, hoe de mens deze wereld binnen komt. Net zo goed hij straks, ook als hij wordt opgewekt bij de opstanding, een hemelse wereld binnenkomt. Niet zo zeer dat dood en opstanding hier wordt vergeleken, maar de geboorte van de mens in deze wereld wordt vergeleken met de geboorte van de komende mens in de hemelse wereld.

 

Het leven wat het kindje, de baby ontvangt, als het geboren wordt uit de moeder, is een heel ander leven, want dat leven is vergankelijk, is in oneer, is zwak. En staat in grote tegenstelling tot de positie van de gelovige, die straks in de opstanding die hemelse wereld mag binnen gaan. Hetgeen niet vergankelijk blijkt te zijn, maar een onvergankelijk leven in heerlijkheid.

 

De komst van een baby in deze wereld is een zaaien. Sinds Adam em Eva ontkiemt het zaad van de man in de schoot van de vrouw. Het zaaien wat de mens doet en voortbrengen, dat is in zwakheid.

 

Deze toestand van de mens verbindt de apostel Paulus met dat zaaien in oneer, in zwakheid. Dat verbindt Paulus niet met Adam in zijn gevallen staat, maar in zijn ongevallen staat, zoals Adam kwam uit de handen van zijn Schepper. Dan gaat Pualus hierin verder in vers 45:

  • Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel.”

 

Dan zitten we in Gen. 2:7 voor de zondeval van Adam. De eerste mens is aards, hebben we gezien. Nadat Paulus zo de tegenstelling heeft benadrukt dan zegt hij in vers 1 Kor 15:50:

  • Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.”

 

Hier zegt Paulus niets over Adam in zijn gevallen staat, maar in zijn ongevallen staat. Adam in Gen. 2:7 is vanaf de eerste dag dat hij geschapen was, ongeschikt voor het Koninkrijk Gods. Hij kon dat niet beërven in die staat. Maar zegt Paulus: “Het zielijke komt ook eerst en daarna het geestelijke”.

 

De mens is van nature niet geschikt voor het Koninkrijk van God. Zelfs onafhankelijk gezien van de zonde en de zondeval. Wij hebben ook al gezien dat de mens geen ziel heeft, maar een ziel is, hij is een een ziel van vlees en bloed.

 

Je ontdekt in de Bijbel dat zowel bij het dier als bij de mens, dat de ziel van de mens zit in zijn bloed.

Lev.17:11

  • Want de ziel van het vlees is in het bloed.”

 

Het is duidelijk dat vlees en bloed verbonden zijn met de ziel. Wij zijn mensen van vlees en bloed, vlees en bloed is allerminst geestelijk. Wij zijn niet geestelijk. Het geestelijke komt niet eerst, maar het zielijke, bloed en vlees komt eerst.

1 Kor.15:44

  • Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam.”

 

Dat natuurlijke lichaam van vlees en bloed, dat geboren is uit een vrouw, gezaaid in feite door de man, is niet een geestelijk lichaam, maar een zielijk lichaam. Al onze individuele gevoelens, verlangens, al onze ervaringen in het leven, bestaat uit onze ziel. Dat ben ik, ik besta uit vlees en bloed en is aan te merken als mijn ziel, een levende ziel. Als wij leven zijn wij een levende ziel, maar als wij sterven, dan zijn wij een dode ziel.

 

Het is niet verwonderlijk, die ziel, dat ben ik zelf. Allerlei zaken, als het hebben van honger, mijn ziel heeft honger, niet een aparte ziel in mij heeft honger. Daarom lees je in de Bijbel, dat de ziel hongert. In Spreuken komt dat vaak voor. Daarnaast heeft de ziel ook vreugde en sprong hij ook op, d.w.z.: Ik zelf sprong op van vreugde.

 

We hebben niet een apart zieltje en toch, dat idee wat uit de Griekse wijsbegeerte komt, zit er bij de mensen zo vast in, omdat de mens de leugens van de tegenstander, de satan, wil geloven. Die leugen die hij tegen Adam en Eva zei, dat zij de dood niet zouden sterven. En de mens is de dood wel gestorven. De mens is niet onsterfelijk, hij is wel degelijk sterfelijk, hij is een sterfelijke ziel!

 

Daarom worden er ook allerlei organen vergeleken in die teksten, met ziel. Je kan lezen in de Bijbel over ons hart, onze buik en ook onze nieren, die zijn allemaal één. Al die organen worden in de bijbel ook gebruikt voor het woord “ziel”.

 

Als je gaat naar Gen. 2:7, dan is het een algemene verspreide foutieve gedachte, dat men ervan maakt, dat men een “ziel” heeft. Terwijl hier staat, dat men een ziel is. Hij werd een levende ziel, hij is niet bezitter van de ziel voor een tijdje, zoals de Griekse filesofie voorstelt. Ze beweren dan, dat het lichaam de kerker der ziel is en dat die ziel de kerker verlaat bij het sterven. Ze zeggen dan, dat die ziel een rivier oversteekt en dat die dan in een heel andere wereld terecht komt.

 

Dat woord ziel “nephesh” is nauw verbonden met “naphash”, dat vinden we in Ex.23:12

  • Zes dagen zult gij uw werk doen, maar op de zevende dag zult gij rusten, opdat uw rund en uw ezel uitrusten, en de zoon van uw slavin en de vreemdelingadem scheppen.”

 

Adem scheppen”, even tijd nemen, op die zevende dag even rusten. God blies de levensadem in zijn neus. Wat Hij niet doet, dat Hij Adam een ziel inblies, maar Hij blies Adam levensadem in zijn neus, waardoor Adam adem kon scheppen en alzo werd Adam tot een levende ziel. Het kenmerk van een levende ziel is, dat hij ademt.

 

Die levensadem van Gen.2:7 die wordt ook gebruikt in Jozia 10:40

  • Aldus sloeg Jozua het ganse land, het Gebergte, het Zuiderland, de Laagte en de hellingen, met al hun koningen; hij liet niemand ontkomen, maar hij sloeg al wat adem had met de ban, zoals de Here, de God van Israël, geboden had.”

 

Hij sloeg al wat adem had met de ban. Deze tekst staat paralel aan de tekst in vers 37

  • Zij namen het in en sloegen het met de scherpte des zwaards, ook zijn koning en al zijn steden en alle levende wezens, die daarin waren; men liet niemand ontkomen, geheel zoals men met Eglon gedaan had: men sloeg het en alle levende wezens, die daarin waren, met de ban.”

 

Je ziet hier uit deze 2 teksten het kenmerk van levende zielen, dat zij adem hebben. Al wat adem had werd gedood, zij sloegen het met de scherpte des zwaards. Alle zielen die in de steden waren. Het is hier te vergelijken, een levende ziel heeft adem. Zo ook Jozua 11:11-14

  • Zij versloegen alle levende wezens, die daarin waren, met de scherpte des zwaards, de ban voltrekkend; niets wat adem had, bleef over en Hasor verbrandde hij met vuur. Verder heeft Jozua alle steden van deze koningen, en al hun koningen, overwonnen en hen geslagen met de scherpte des zwaards; hij trof hen met de ban, zoals Mozes, de knecht des Heren, geboden had. De steden echter, die op haar heuvels lagen, heeft Israël niet verbrand, met uitzondering alleen van Hasor, dat Jozua verbrand had. De gehele buit uit deze steden, benevens het vee, hebben de Israëlieten buitgemaakt; alle mensen echter hebben zij geslagen met de scherpte des zwaards, totdat zij hen verdelgd hadden; zij lieten niets overblijven wat adem had.”

 

Als een mens niet meer ademt, dan gaat hij dood, we kunnen maar heel kort zonder adem.

Wat er letterlijk staat in Gen.2:7 is: “Alzo werd de mens een levende ziel, hij ademde.” Helaas vertaald de NBG: “En blies de levensadem in zijn neus.” In de grondtekst staat: “Hij ademde met zijn neus de levensadem en de mens en werd een levende ziel.” Er staat hier vertaald in Gen. 2:7 NBG: “En blies de levensadem in zijn neus.” In het Hebreeuws staat het woordje “in” er niet. Er staat in het Hebreeuws het voorzetsel “beth”, en dat betekent: “met”. Er staat niet “inblazen”, maar er staat het woord “ademen”, en de mens werd een levende ziel. God blies niet of dat God ademde, er staat hij ademde. Adam ademde niet in zijn neus, maar met zijn neus, wij ademen met onze neus. Die hij is Adam in het 2e gedeelte van het vers.

 

God schiep de dieren ook met een levende ziel (Gen. 1:30). Het woord ziel is hier niet vertaald in NBG, maar gewoon weggelaten. Als je over de schepping van de mens nadenkt en je betrekt de dieren daarbij, dan is het niet zo, dat de mens volmaakt geschapen werd. De mens was niet geestelijk geschapen, de mens was zielijk geschapen. De mens was niet bovennatuurlijk, hij was natuurlijk, zielijk.

De mens was vlees en bloed en de mens was ondanks dat hij onschuldig was hier in zijn schepping, was hij nog niet rechtvaardig.

Hij stond in gemeenschap met God, maar wel als een nog ongevallen schepsel. Van daaruit moest gaan blijken, aan de hand van zijn daden, wat hij zou worden.

Eerst kwam het zielijke, daarna zou het geestelijke komen. Zou hij door zijn daden tot dat hemelse komen? Het zou blijken dat door zijn daden, het sterfelijke zijn intrede verder zou doen. Het vergankelijke, in oneer en zou uitmonden in de dood.

Er wordt gezaaid in oneer en er wordt opgewekt in heerlijkheid.

1 Kor.15:43-49:

  • Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam. 45 Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. 46 Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. 47 De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. 48 Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. 49 En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.”

Samengesteld door Wieb Rodenhuis n.a.v. een bijbelstudie van broeder Denijs van Zuylekom,

November 2015

  

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk