Het Uitspansel

Het uitspansel

Als je Genesis 1 leest, dan komen er toch allerlei vragen op je af. God vertelt ons heel veel in Zijn Woord, maar aan de andere kant ook niet. De Bijbel is een openbaring van God, wat een bepaald deel van Zijn schepping laat zien. Er was een schepping van Gen 1:1 waar ons zo goed als niets van wordt verteld.

De Bijbel laat zien, dat Gods voornemen der eeuwen door Hemzelf wordt volvoerd in de tegenwoordige schepping van hemelen en aarde. Maar we weten ook dat die tegenwoordige schepping van hemelen en aarde voorbij zullen gaan en dat er een nieuwe schepping zal komen. Dan staat er geschreven dat de eerste hemelen en aarde voorbij zijn gegaan (2 Petr 3:6).

Hoe is nu de schepping van Gen 1 vanaf vers 3 in 6 dagen geschapen? Wanneer we dat onderzoeken, dan ontdekken we dat het eigenlijk meer een herschepping is. Nadat de schepping van Gen 1:1 verwoest was geworden, nadat de aarde woest en ledig werd, begon de Heere met die herschepping. In hoeverre is die herschepping die daar plaatsvond volmaakt? We lezen steeds dat God zag dat het goed was, maar Hij zegt niet dat het volmaakt was, maar bewaard wordt ten vure. 2 Petr.3:10

  • Maar de dag des Heren zal komen als een dief. Op die dag zullen de hemelen met gedruis voorbijgaan en de elementen door vuur vergaan, en de aarde en de werken daarop zullen gevonden worden.”

De elementen die we heden tendage kennen, zullen door vuur vergaan. Dat geeft wel aan, dat deze tegenwoordige schepping van hemelen en aarde, toen ze gemaakt werden, van tevoren al vast stond bij God, dat het maar tijdelijk was. Waarom schiep God niet direkt de nieuwe schepping van Openbaring 21:1? Waarom een schepping in zes dagen, wat eigenlijk alleen maar tijdelijk is voor Gods plan der eeuwen? (Ef. 3:11)

Was die schepping waar Adam in werd geplaatst – op die zesde dag in de hof van Eden – soms al aangetast door de zonde? Was er al zonde in de schepping voordat Adam en Eva in de zonde vielen? Als je kijkt naar dat oordeel van Gen 1:2, dat de aarde woest en ledig werd, was dat een gevolg van de zonde. De zonde, de opstand van de satan. Daardoor was de zonde alreeds in de schepping. Plotseling was daar zomaar een verleider in de hof, de verzoeker, satan in de gestalte van een slang, die verleidde hen.

Daar stond opeens die verleider. Waarom liet God die verleider toe in de hof? Was alles goed in de hof? Waarom stond daar een boom van goed en kwaad? We kunnen al dat soort vragen proberen te beantwoorden, maar we moeten wel oppassen als mens, dat dan de beantwoording van dat soort vragen, meer giswerk wordt, dan dat er een bijbelse uitleg is.

Dat is één ding, dat we niet moeten gaan doen, we moeten niet gaan speculeren. We moeten altijd binnen de bijbelse kaders blijven, die ons gegeven zijn en afblijven wat de bijbel ons niet openbaart. Het is goed er wel bewust van te zijn, dat ons heel veel informatie wordt onthouden. Het is niet zo, zoals in het algemeen wordt voorgesteld, dat door de zondeval van Adam en Eva het zonde probleem in de schepping is gekomen, maar dat die er alreeds was!

Als je er dieper over nadenkt, dan denk je hé, Adam en Eva, met nadruk Eva, zij werd verleid. Dat geeft dus al aan dat er zonde in de schepping was. Dan is het dus ook zo, dat er voor “de grondlegging der wereld” (Grieks “de nederwerping van de cosmos”), Gods plan al vast stond. Die nederwerping vond plaats in Gen 1:2, de aarde nu werd woest en ledig. Heel veel informatie wordt ons onthouden.

Als we denken aan de geschiedenis van Job, dan wordt ons een kijkje achter de schermen gegund. Want het boek Job begint niet met een situatie op aarde, maar begint met het beeld van Gods troon in de hemel. Dat zonen Gods voor Gods troon verschijnen, en één van hen is de satan. De satan begint dan te spreken over Job en daar vinden dan gesprekken plaats voor Gods troon. Aan satan wordt toegestaan om al die narigheid, al die ellende en al die ziekte, over Job te brengen.

Maar bij Eva, in de hof van Eden, die ook te maken krijgt met dat optreden van satan, in de gestalte van een slang, krijgen we – net als bij Job – ook een blik achter de schermen.

We moeten ook niet de andere kant opgaan en gaan denken: “Ach, God deelt ons daarover toch niets mee in Zijn Woord.” En dat we om die reden dat onderwerp toe dekken en sluiten. We moeten goed opmerkzaam zijn wat God ons wel in Zijn Woord openbaart.

Laten we Gen.1 nog maar eens aandachtig lezen, wat God wel openbaart, nadat die schepping van Gen.1:1 in vers 2 woest en ledig werd. En dan lezen we Gen 1:3-5:

  • En God zeide: Er zij licht; en er was licht. En God zag, dat het licht goed was, en God maakte scheiding tussen het licht en de duisternis. En God noemde het licht dag, en de duisternis noemde Hij nacht. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de eerste dag.”

Die uitdrukking “dat het goed was”, volgt ook als het land is drooggevallen en als de wateren zijn samen gevloeid in één plaats. Want we lezen in vers 10:

  • En God noemde het droge aarde, en de samengevloeide wateren noemde Hijzeeën. En God zag, dat het goed was.”

En ook op de 3e dag vinden we die uitdrukking terug in vers 12:

  • En de aarde bracht jong groen voort, gewas, dat naar zijn aard zaad geeft, en geboomte, dat naar zijn aard vruchten draagt, welke zaad bevatten. En God zag, dat het goed was.”

Ook vind je de aanwijzing van de zon en de maan en zij heersen over de dag en de nacht en ook daar de uitdrukking “dat het goed was” en dat gaat zo door. Op de 6e dag bracht de aarde het vee voort naar zijn aard en de wilde dieren naar hun natuur. Een wild dier handelt naar zijn aard. Daar zit moreel gezien, geen goed en kwaad in. Een dier handelt naar zijn instinkt en beantwoord naar zijn aard, hij is wild.

Alles wat er op aarde wemelt en kruipt is op die dag geschapen. Ook daarvan zegt God dat het goed was in vers 25. Ook de mens (de Adam in het Hebreeuws) werd geschapen op de 6e dag.

  • En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; man en vrouw (grondtekst: mannelijk en vrouwelijk) schiep Hij hen. En God zegende hen…

Die 6e dag gaat niet voorbij, voordat er melding wordt gemaakt, dat die zeer goed was. Zeven keer vindt je in die zes dagen de uitdrukking “dat God zag dat het goed was.” Dan is er één dag bij, dat God dat niet zegt. Je zou er haast overheen lezen, je zou bijna aannemen dat alle dagen goed waren en toch vermeldt de Schepper van de tegenwoordige schepping, dat er één dag niet goed was, Hij laat het weg. Het is de 2e dag waarop God het uitspansel maakte, waarvan Hij later zegt dat Hij het hemel noemt. Gen.1:6-8

  • En God zeide: Daar zij een uitspansel in het midden der wateren, en dit make scheiding tussen wateren en wateren. En God maakte het uitspansel en Hij scheidde de wateren die onder het uitspansel waren, van de wateren die boven het uitspansel waren; en het was alzo. En God noemde het uitspansel hemel. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de tweede dag.”

Hier lees je niet, dat God zegt dat het goed was. Waarom zei God dat niet ? De lezer zal direkt opmerken dat ons in Gen 1:1 verteld wordt over de schepping van hemelen en aarde, maar dat al in het 2e vers alleen de aandacht gevestigd wordt op de aarde, die woest en ledig werd. De aarde werd bedekt met de wateren, waar Gods Geest over zweefde. Er wordt in vers 2 niets gezegd over de hemelen, dat die veranderen in chaos, dat ook die woest en ledig werden. Die hemelen worden niet terug gebracht in het licht. Als we komen op de 2e dag, die in relatie staat met de 1e dag, dan staat daar dat God het uitspansel maakt en dat Hij dat uitspansel hemel noemt. 

In den beginne schiep God de hemelen en de aarde, die hemelen worden echter niet verwoest. Op de 2e dag, terwijl de aandacht gericht is op de aarde, maakt God een uitspansel en Hij noemt dat “hemel”. Dat betekent dat “de hemelen” die wij zien, niet de hemelen zijn van Gen 1:1. Die hemelen zijn er nog, want die zijn niet verwoest, noch ledig geworden. We weten alleen, dat God op de 2e dag tussen de hemelen van Gen.1:1 en de aarde een uitspansel gemaakt heeft. En God noemt dat “hemel”.

Er is dus een tijdelijke hemel gekomen, voor de loop der aionen, om het voornemen van God van de eeuwen te volvoeren. Dat woord “uitspansel” is het Hebreeuwse woord “rakia”. Dat komt van het werkwoord “raka”, dat betekent, uitstrekken, uitspannen. Dit woord wordt in Job gebruikt .

Job 37:18:

  • Kun jij dan als hij de hemelkoepel uithameren, die zo hard is als een gegoten spiegel?”
  • NBG: “Kunt gij zoals Hij de wolken maken tot een uitspansel, vast als een gegoten spiegel?”

 Je ziet dat, dat uitspansel als eerste bestaat uit de wolken hemel, en dat we verder nog in de rest van de teksten ontdekken, dat ook de sterrenhemel daartoe behoort.

 In Ex 39:1-3 lezen we :

  • Van het blauwpurper, roodpurper en scharlaken maakten zij ambtsklederen voor de dienst in het heiligdom; ook maakten zij deheiligeklederen die voor Aäron bestemd waren, zoals deHeereMozesgeboden had.Hij maakte de efod van goud, blauwpurper, roodpurper, scharlaken en getweernd fijnlinnen. Zij pletten de gouden platen en hij sneed ze in draden, om die te verwerken tussen het blauwpurper, het roodpurper, het scharlaken en het fijnlinnen: kunstig werk.”

Je leest dat er twee Israelieten waren, waar de Geest van God op rustte om ze bekwaam te maken, om dit te doen. Normaal zou een mens zoiets nooit zo kunnen vervaardigen. Die twee mensen werden afgezonderd, en de Geest van God rustte op hen, en die Geest maakte hen bekwaam om al het gerei van de tabernaken en ook deze klederen voor de priesters en de hogepriester te maken. Hier komt dat woord “rakia” ook voor. We zien het daar met “pletten” vertaald. Zij pletten de gouden platen, zij dreven die uiteen.

Zij maakten het helemaal plat en zij dreven het zelfs in draden, een draad van garen zo dun. Die gouden draad gingen zij verwerken in het hogepriesterlijk kleed, tot een kunstig werk. Als je kijkt naar al die kunstwerken, die hier worden vervaardigd, zoals de ark des verbonds, de tafel der toonbroden, de gouden kandelaar, het werd allemaal gemaakt uit één klomp goud, dat werd uitgedreven.

Er staat ook in de bijbel, dat de Geest van God op hen rustte. Toen ze klaar waren ging de Geest weer weg. Ze maakten het zoals de Heere Mozes geboden had, die aan Mozes als een maguette getoond werd in de hemel. Ze dreven dat goud uit en maakten daarvan ook een efod van goud, een onderdeel van het priesterlijk kleed. Dat werk van die goudsmid dat hij dat plette, dat vind je ook terug in het woord ”raka” in Jes.40:19

  • Een vakman giet het beeld en een goudsmid overdekt het met goud en smeedt er zilveren ketenen voor.

Dat “overdekken” dat is het woord “raka”, dat is uitdrijven van het goud, dat het goud zo wordt bewerkt dat het plat wordt.

Samengesteld door Wieb Rodenhuis.

 

De Lichten aan het Uitspansel

 Op de vierde dag maakte God de lichten.

 Gen.1:14-19

  • 14 En God zeide: Dat er lichten zijn in het uitspansel des hemels, om scheiding te maken tussen den dag en tussen den nacht; en dat zij zijn tot tekenen en tot gezette tijden, en tot dagen en jaren! 15 En dat zij zijn tot lichten in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde! En het was alzo. 16 God dan maakte die twee grote lichten; dat grote licht tot heerschappij des daags, en dat kleine licht tot heerschappij des nachts; ook de sterren. 17 En God stelde ze in het uitspansel des hemels, om licht te geven op de aarde. 18 En om te heersen op den dag, en in den nacht, en om scheiding te maken tussen het licht en tussen de duisternis. En God zag, dat het goed was. 19 Toen was het avond geweest, en het was morgen geweest, de vierde dag.” (St.Vert.)

 

Je ziet dus dat die vierde dag direct in relatie staat met de tweede dag. Je gaat op de vierde dag iets zien dat geschiedde aan het uitspansel des hemels. Wat God op die tweede dag had uitgespannen. Je moet opmerkzaam zijn, anders lees je het niet goed, dan valt het je niet op. Het is al bijzonder dat de gewone naam die wij geven aan dat grote licht, n.l. die naam “zon”. Er wordt hier niet gesproken over de zon, dat woord zon komt pas in Gen.15:17. Ook het kleinere licht “de maan”, ook die naam komt hier niet voor. We komen de benaming “maan” voor het eerst tegen in Gen 37:9.

 

De namen die in Gen. 1 genoemd worden, zijn als het ware titels. Er wordt gesproken over het grootste licht en het kleinere licht. Verder moeten we ons realiseren dat hier ook gesproken wordt over de sterren. De vertaling frommelt die een klein beetje weg, alsof die niet zo belangrijk zijn. Ze staan in één zin dat ze geschapen zijn in relatie met de 2 grote lichten, die heersen samen met de sterren. Die sterren staan ook in verband met hun aanwijzing en hun aanstelling.

 

Eerst maar eens de zon. De zon wordt in totaal zes keer in Genesis genoemd en heel wonderlijk, Ook zes keer staat het in relatie met het sluiten van een verbond.

 

De eerste maal kom dat tegen in Gen.15:

  • 12 En het geschiedde, als de zon was aan het ondergaan, zo viel een diepe slaap op Abram; en ziet, een schrik, en grote duisternis viel op hem. 13 Toen zeide Hij tot Abram: Weet voorzeker, dat uw zaad vreemd zal zijn in een land, dat het hunne niet is, en zij zullen hen dienen, en zij zullen hen verdrukken vierhonderd jaren. 14 Doch Ik zal het volk ook rechten, hetwelk zij zullen dienen; en daarna zullen zij uittrekken met grote have. 15 En gij zult tot uw vaderen gaan met vrede; gij zult in goeden ouderdom begraven worden. 16 En het vierde geslacht zal herwaarts wederkeren; want de ongerechtigheid der Amorieten is tot nog toe niet volkomen. 17 En het geschiedde, dat de zon onderging en het duister werd, en ziet, daar was een rokende oven en vurige fakkel, die tussen die stukken doorging. 18 Ten zelfden dage maakte de HEERE een verbond met Abram, zeggende: Aan uw zaad heb Ik dit land gegeven, van de rivier van Egypte af, tot aan die grote rivier, de rivier Frath.”

 

Je ziet hier de verbondsluitng met Abram. Het is bijzonder in die verbondslui-ting met Abram, dat de inhoud van dat verbond te maken heeft met het nakome-lingschap van Abram. Er staat: wees voorzeker dat uw nakomelingen vreemde-lingen zullen zijn in een land dat het uwe niet is. Dat is het land Egypte en dat zij de Egyptenaren 400 jaar zullen dienen, waarna dan ook de uittocht, de Exodus zal plaatsvinden. Dat wordt hier allemaal al voorzegd.

 

Heel bijzonder dat hier wordt gezegd in vers 12 dat de zon op het punt stond onder te gaan en toen kwam een dikke duisternis. In feite zag je dat de zon onderging over Abram, zijn nakomelingen kwamen in de verdrukking, in de duisternis van Egypte, heel symbolisch. De zon heeft zeker een betekenis.

 

Ook zo de tweede keer in Gen.19:17-25:

  • 17 En het geschiedde als zij hen uitgebracht hadden naar buiten, zo zeide Hij: behoud u om uws levens wil; zie niet achter u om, en sta niet op deze ganse vlakte; behoud u naar het gebergte heen, opdat gij niet omkomt. 18 En Lot zeide tot hen: Neen toch, Heere! 19 Zie toch, Uw knecht heeft genade gevonden in Uw ogen, en Gij hebt Uw weldadigheid groot gemaakt, die Gij aan mij gedaan hebt, om mijn ziel te behouden bij het leven; maar ik zal niet kunnen behouden worden naar het gebergte heen, opdat mij niet misschien dat kwaad aankleve, en ik sterve! 20 Ziet toch, deze stad is nabij, om derwaarts te vluchten, en zij is klein; laat mij toch derwaarts behouden worden (is zij niet klein?) opdat mijn ziel leve. 21 En Hij zeide tot hem: Zie, Ik heb uw aangezicht opgenomen ook in deze zaak, dat Ik deze stad niet omkere waarvan gij gesproken hebt. 22 Haast, behoud u derwaarts; want Ik zal niets kunnen doen, totdat gij daarhenen ingekomen zijt. Daarom noemde men den naam dezer stad Zoar. 23 De zon ging op boven de aarde, als Lot te Zoar inkwam. 24 Toen deed de HEERE zwavel en vuur over Sodom en Gomorra regenen, van den HEERE uit den hemel. 25 En Hij keerde deze steden om, en die ganse vlakte, en alle inwoners dezer steden, ook het gewas des lands.”

 

Hier gaat de zon op, dat staat in tegenstelling met dat de zon ondergaat, in iemands leven. Het opgaan van de zon is een teken van zegen. De zon gaat onder over Sodom en Gomorra. Lot en zijn vrouw en kinderen vluchten. Dan wijst Lot een klein plaatsje aan waar hij heen wil vluchten en dat plaatsje Zoar wordt gespaard, als Lot daar aankomt. Het wonderlijke is dat er dan staat: de zon kwam op toen Lot in Zoar aankwam.

 

En de 3e plaats waar “zon” voorkomt is in Gen.28:11-21:

  • 11 En hij geraakte op een plaats, waar hij vernachtte; want de zon was ondergegaan; en hij nam van de stenen dier plaats, en maakte zijn hoofdpeluw, en legde zich te slapen te dierzelver plaats.12 En hij droomde; en ziet, een ladder was gesteld op de aarde, welker opperste aan de hemel raakte; en ziet, de engelen Gods klommen daarbij op en neder.13 En ziet, de HEERE stond op dezelve en zeide: Ik ben de HEERE, de God van uw vader Abraham, en de God van Izaäk; dit land, waarop gij ligt te slapen, zal Ik aan u geven, en aan uw zaad.14 En uw zaad zal wezen als het stof der aarde, en gij zult uitbreken in menigte, westwaarts en oostwaarts, en noordwaarts en zuidwaarts; en in u, en in uw zaad zullen alle geslachten des aardbodems gezegend worden.15 En zie, Ik ben met u, en Ik zal u behoeden overal, waarheen gij trekken zult, en Ik zal u wederbrengen in dit land; want Ik zal u niet verlaten, totdat Ik zal gedaan hebben, hetgeen Ik tot u gesproken heb.16 Toen nu Jakob van zijn slaap ontwaakte, zeide hij: Gewisselijk is de HEERE aan deze plaats, en ik heb het niet geweten!17 En hij vreesde, en zeide: Hoe vreselijk is deze plaats! Dit is niet dan een huis Gods, en dit is de poort des hemels! 18Toen stond Jakob des morgens vroeg op, en hij nam dien steen, dien hij tot zijn hoofdpeluw gelegd had, en zette hem tot een opgericht teken, en goot daar olie boven op.19 En hij noemde den naam dier plaats Beth-El; daar toch de naam dier stad te voren was Luz.20 En Jakob beloofde een gelofte, zeggende: Wanneer God met mij geweest zal zijn, en mij behoed zal hebben op dezen weg, dien ik reize, en mij gegeven zal hebben brood om te eten, en klederen om aan te trekken;21 En ik ten huize mijns vaders in vrede zal wedergekeerd zijn; zo zal de HEERE mij tot een God zijn!”

 

Je leest in Gods Woord dat Jacob zijn thuis heeft verlaten, is gevlucht, een vreemdeling en een bijwoner wordt. Hij had eigenlijk de zegen van Izaäk geroofd en de zegen zich toegeëigend. Als hij dan gevlucht is voor Ezau, valt hij in zijn vlucht onderweg in slaap en dan heeft hij een visioen. In die droom ontvangt hij de zegen en de belofte, die God aan Abraham had gedaan. Als hij wakker wordt dan geeft hij die plaats waar hij zijn droom had, de naam Bethel.

 

Je ziet hier dat ook weer de zon verbonden is met die verbondsluiting, niet alleen met Abraham, maar ook met Jacob, waarop dat verbond overging.

 

De 4e keer dat zon voorkomt is in Gen.32.

Dat is ook weer een verbond met Jacob, want op een gegeven ogenblik, keert hij na jaren terug, met zijn vrouwen en kinderen, naar zijn vaderlijk huis. Dan is hij toch bang voor Ezau. Hij laat dan zijn hele gezin de Jabok oversteken. Gen.32:26-31

  • 26 En Hij zeide: Laat Mij gaan, want de dageraad is opgegaan. Maar hij zeide: Ik zal U niet laten gaan, tenzij dat Gij mij zegent.27 En Hij zeide tot hem: Hoe is uw naam? En hij zeide: Jakob. 28 Toen zeide Hij: Uw naam zal voortaan niet Jakob heten, maar Israël; want gij hebt u vorstelijk gedragen met God en met de mensen, en hebt overmocht. 29 En Jakob vraagde, en zeide: Geef toch Uw naam te kennen. En Hij zeide: Waarom is het, dat gij naar Mijn naam vraagt? En Hij zegende hem aldaar. 30 En Jakob noemde den naam dier plaats Pniël: Want, zeide hij, ik heb God gezien van aangezicht tot aangezicht, en mijn ziel is gered geweest. 31 En de zon rees hem op, als hij door Pniel gegaan was; en hij was hinkende aan zijn heup.”

 

Daar is die worsteling met een Persoon. Wij weten wel met Wie hij daar streed, met Christus streed hij en hij werd getroffen aan zijn heupgewricht. Let er wel op toen de dageraad kwam en toen hij gezegend werd, dat hij een naamsveran-dering onderging. Van Jacob werd hij een Israël, van een hielenlichter werd hij een vorst Gods, dat is de betekenis van die namen.

 

Toen ging de zon op over Israël, zijn nieuwe naam, dit wil zeggen: de zegen! De zon heeft steeds een betekenis hier in Genesis.

 

Ook de vijfde keer, de laatste keer in Gen.37 daar lees je over Jozef die een droom had over de zon, maan en 11 sterren. Hij was zelf de 12e ster.

  • 9 En hij droomde nog een anderen droom, en verhaalde dien aan zijn broederen; en hij zeide: Ziet, ik heb nog een droom gedroomd, en ziet, de zon, en de maan en elf sterren bogen zich voor mij neder. 10 En als hij het aan zijn vader en aan zijn broederen verhaalde, bestrafte hem zijn vader, en zeide tot hem: Wat is dit voor een droom, dien gij gedroomd hebt; zullen wij dan ganselijk komen, ik, en uw moeder, en uw broeders, om ons voor u ter aarde te buigen? 11 Zijn broeders dan benijdden hem; doch zijn vader bewaarde deze zaak.”

 

De zon, de maan en de 11 sterren die buigen voor Jozef neer. We weten dat Jozef verhoogd werd aan de hof van Farao en onderkoning van Egypte werd. Zijn Vader en zijn moeder en zijn 11 broers zijn naar hem toegekomen en ook in werkelijkheid zich voor hem hebben neergebogen. Dit gebeuren spreekt niet alleen van Jozef maar typologisch van de Grotere van Jozef, van de Heere Jezus Christus, voor Wie Israël zich ook zal neerbuigen.

 

Een symbolische betekenis wordt er wel degelijk gegeven aan de zon ook aan de maan, die aan het uitspansel gegeven zijn. Dit gaat nog veel verder dan dat de zon in relatie staat met de verbondsluiting in Genesis. Of dat de zon in relatie staat met iemands leven, waar soms de zon over opgaat of soms ook de zon over ondergaat.

 

In Mal.4:2 lezen we:

  • Maar voor u die Mij vreest, zal de zon der gerechtigheid opgaan, en er zal genezing zijn onder haar vleugelen, gij zult uitgaan en springen als kalveren uit de stal.

 

Wie is Die zon der gerechtigheid? Dat is Christus. Hier wordt gesproken over het volk van Israël; maar voor u (Israël) zal de zon der gerechtigheid opgaan en dan zal er genezing zijn onder Zijn vleugelen, vreugdevol zullen ze dan zijn, als springende kalveren in de wei die uit de stal komen. Alles wat aan Abraham, Izaäk en Jacob al beloofd is, dit zal allemaal een feit worden.

 

Dan zal als Christus wederkomt, Hij als de grote Jozef, genezing brengen onder dit volk en zullen zij opspringen van vreugde zoals kalveren in de wei.

 

Verder moeten we nog iets meer begrijpen, dat niet alleen de zon een soort type is van de Zon der gerechtigheid, Jezus Christus, maar er is nog meer aan de hand. God spreekt tegen Job over de inzettingen des hemels:

 

Job 38:31-33

  • Kunt gij de banden der Pleiaden binden.
  • Of de boeien van de Orion slaken.
  • Doet gij de tekenen van de Dierenriem te rechter tijd opgaan,
  • En bestuurt gij de Beer met zijn jongen
  • Kent gij de inzettingen des hemels,
  • Bepaalt gij zijn heerschappij over de aarde ?

 

Die inzettingen des hemels, als je dat opzoekt in het Hebreeuws, dan komt dat meer in het O.T. voor. God schiep op de vierde dag dat uitspansel, dat Hij toen dat uitspansel als een tent uitspande en daar die grote lichten een plaats in gaf en ook de sterren.

 

Het zetten van de sterren van de zon en de maan, die staan daar vast en zeker. Dat deed God met een bepaalde bedoeling om een orde in te stellen.

 

Jer. 31:35:

  • Zo zegt de HEERE, Die de zon ten lichte geeft des daags, de ordeningen der maan en der sterren ten lichte des nachts, Die de zee klieft, dat haar golven bruisen, HEERE der heirscharen is Zijn Naam: 36Indien deze ordeningen van voor Mijn aangezicht zullen wijken, spreekt de HEERE, zo zal ook het zaad Israëls ophouden, dat het geen volk zij voor Mijn aangezicht, al de dagen. 37Zo zegt de HEERE: Indien de hemelen daarboven gemeten, en de fondamenten der aarde beneden doorgrond kunnen worden, zo zal Ik ook het ganse zaad Israëls verwerpen, om alles, wat zij gedaan hebben, spreekt de HEERE.”

 

We moeten dit niet zien of dat er een moment zal aanbreken, dat de Heere God de inzettingen of ordeningen voor Gods ogen zullen wankelen, nee het wordt juist onderstreept, dat die verordeningen des hemels nimmer zullen wankelen. Dat de hemel boven niet is na te meten. Omdat het nooit is na te meten, zal ook dat nageslacht van Israël nooit ophouden voor Gods ogen. Dat staat zo vast als een huis, zegt God.

 

Net zoals de hemelen niet na te meten zijn en de fundamenten beneden niet na te speuren zijn, zo zal Ik Israël nooit verwerpen. Dat zelfde herhaalt Jeremia in Jer.33:19:

  • Het woord des Heren kwam tot Jeremia: Zo zegt de Heere: Indien gij Mijn verbond aangaande de dag en de nacht kunt verbreken, zodat er geen dag en nacht meer zou zijn op hun tijd, dan zal ook Mijn verbond met Mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon, en met de de levieten, de priesters, mijn dienaren.

 

Kan de mens verbreken dat de dag en de nacht 24 uur duurt, wat God gemaakt heeft? Met de zon de maan en de sterren in hun ordening? Dit kan de mens nooit, als dat zou kunnen, dan zal Ik ook dit verbond met David kunnen verbreken en zal er geen zoon van hem op zijn troon zitten. Dan zal Jezus Christus ook niet zitten op Zijn troon.

 

Natuurlijk is geen mens instaat om de loop van 24 uur van de dag en de nacht te verbreken. Zo zeker als het is, dat de dag 24 uur duurt met 12 uur dag en de nacht met 12 uur, zo zeker is het, zegt God, dat Mijn Zoon Jezus Christus, zal zitten op de troon van Zijn vader David: Jer 33:

  • 21 Dan zal ook mijn verbond met mijn knecht David verbroken worden, dat hij geen zoon meer hebben zal, die koning is op zijn troon, en met de Levieten, de priesters, mijn dienaren. 22 Zoals het heer des hemels niet geteld en het zand der zee niet gemeten kan worden, zo talrijk zal Ik maken het nageslacht van mijn knecht David, en de Levieten, die Mij dienen. 23 Het woord des Heren kwam tot Jeremia: 24 Hebt gij niet gemerkt, wat dit volk spreekt: De twee geslachten, die de Here verkoren heeft, heeft Hij verworpen? En mijn volk verachten zij, alsof het in hun ogen geen volk meer is. 25 Zo zegt de Here: Indien Ik mijn verbond aangaande de dag en de nacht, de verordeningen van hemel en aarde, niet heb vastgesteld, 26 Dan zal Ik ook het nakroost van Jakob en mijn knecht David verwerpen, dat Ik uit zijn nazaten geen heersers neem over het nageslacht van Abraham, Isaak en Jakob, want Ik zal een keer brengen in hun lot en Mij over hen ontfermen.

 

In vers 22 van Jer.33 zegt God over het nageslacht van David en de levieten; dat het talrijk zal worden als het zand der zee. God zal Zich ontfermen over Zijn volk, Hij zal een keer brengen in hun lot. Wat ook andere volken mogen zeggen over dit volk, zegt de Heere. Want dit volk zeggen zij; ach die 2 en die 10 stammen geslachten heeft God verworpen.

 

Zo zal alles wat in het boek van God geschreven staat ook uitkomen, dat is wat Jeremia hier onderschrijft. Als je kijkt naar de jaargetijden, naar het voorjaar, de zomer, de herfst en de winter en daarin te zaaien en te oogsten, dan lees je in Gen.1:14:

  • En God zeide: Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht, en dat zij dienen tot aanwijzing zowel van vaste tijden als van dagen en jaren.”

 

De NBG vertaalt hier niet zoals eigenlijk de grondtekst weergeeft. De St.Vert. doet het beter. Er staat in vers 14: “….vaste tijden en tot dagen en jaren.”

 

Die lichten zijn tot tekenen en tot gezette tijden. Twee dingen zijn van belang: Die gezette tijden dat is in het Hebreeuws “moud”, dat is een van tevoren vastgestelde tijd en tijdstip, vaak in de NBG vertaald met “ter bestemder tijd”. Steeds als je de Profeten leest, b.v. in Daniël, dan staat er dat woord “moud”. En is dat steeds vertaald met “gezette tijd” en “bestemde tijd”.

Dan.8:

  • 19 En zeide: Zie, ik maak u bekend wat geschieden zal in het laatst van de gramschap; want het doelt op het tijdstip van het einde.”

 

Dan kijken we niet waar die profetieën over gaan, maar vestigen we de aandacht op de gebeurtenissen waar die profetieën op wijzen, en die voor een deel ook al zijn vervuld op een van tevoren vastgestelde tijdstip, die hebben al plaats gevonden.

 

Dan.11

  • 27 En die beide koningen zullen kwaad in de zin hebben, en aan een tafel gezeten, zullen zij leugens spreken, maar het zal niet gelukken, want nog toeft het einde tot de vastgestelde tijd. (De NBG heeft het hier goed vertaald; de vastgestelde tijd.”

 

Ook Dan.12:7

  • 7 Toen hoorde ik de man die met linnen klederen bekleed was en zich boven het water van de rivier bevond, zweren bij Hem die eeuwig leeft, terwijl hij zijn rechterhand en zijn linkerhand naar de hemel hief: Een tijd, tijden en een halve tijd; en wanneer er een einde komt aan het verbrijzelen van de macht van het heilige volk, dan zullen al deze dingen voleindigd zijn.”

 

Een tijd, tijden en een halve tijd. De St.Vert. heeft het correcter vertaald: “Na een bestemde tijd, bestemde tijden en een halve tijd.” Als we nu terug gaan naar Gen.1:14 daar staat dat God lichten maakte, dat die zijn in het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen dag en nacht en dat zij zijn tot tekenen en tot vastgestelde tijden.

 

Die gezette tijden wijzen op bakens van tijd, het lopen van de tijd. Totaal zijn aan die verordeningen des hemels er tien te onderscheiden, tien tijds-cycli. Na 24 uur begint het overnieuw. Als je kijkt naar de maan, dan heeft de maan ook een cyclus, dan zie je dat die maan zich verplaatst, niet in 24 uur de zelfde baan volgt maar van dag tot dag iets verandert van baan.

 

De zon heeft ook een draaiing, tegen de winter staat die steeds lager en tegen de lente, komt hij a.h.w. weer terug. De zon heeft een baan van 365 dagen, daarna komt hij weer in de stand waar hij voor die 365 dagen stond.

 

Zo zijn er veel meer van die banen aan te wijzen. Als we kijken naar andere hemellichamen, b.v. die van Venus en die komt in de bijbel terug, ook die van Sirius, die maken nog een veel langere baan. Zo is in het begin, toen God op die vierde dag het tezamen met de sterren daar aan het uitspansel schiep, dat geheel als het ware in werking gesteld. Toen hadden al deze hemellichamen een gezamenlijke start.

 

Vanaf dat moment is de zaak in beweging gezet. Deze hemellichamen geven bepaalde tijden aan, net als een klok die geeft. Als je dan s’avonds naar de hemel kijkt, zou je kunnen zien hoe laat het is op Gods klok. Dan moeten we eerst leren klok kijken, dat is het probleem.

 

In de oudheid kon men veel beter klokkijken dan tegenwoordig, dat heeft men verleerd. In de oudheid keken ze naar Gods klok, ze werden er ook wel eens bang van, dat lezen we in Jer.10

  • 1 Hoort het woord, dat de Here tot u spreekt, huis van Israël! 2 Zo zegt de Here: Gewent u niet aan de weg der volken en schrikt niet voor de tekenen aan de hemel, omdat de volken daarvoor schrikken.”

 

Het lezen op God's klok vormde best wel een schrik voor de volkeren. Het geschreven Woord van God, waarin de gebeurtenissen in profetische zin aan ons door de profeten geopenbaard zijn, was er in die eerste 2500 jaar vanaf Adam en Eva niet. Er was alleen maar Gods boodschap geschreven in de sterren.

 

Als we dan op Gods klok kijken, op die gezette tijden, die van te voren vastge-stelde tijden, bepaalde gebeurtenissen, daar schrokken de volkeren van.

 

De volkeren waren er erg in geïnteresseerd, Babel was ook met nadruk geïnteresseerd om die geheimen des hemels te onthullen en er zelfs invloed op te hebben.

 

Je leest in Gen.11:4

  • 4 Ook zeiden zij: Welaan, laten wij ons een stad bouwen met een toren, waarvan de top tot de hemel reikt, en laten wij ons een naam maken, opdat wij niet over de gehele aarde verstrooid worden.”

 

Dat was een sterrenkundige toren, waarmee men de sterren beschouwde. Er staat van die toren dat de top tot in de hemel rijkte. Het gaat er niet om dat die toren zo hoog was, waarvan de top in de hemel rijkte (grondtekst), maar beter vertaald is: “waarvan die top de hemel beschrijft.” Net zo goed je in andere sterrenwach-ten, die er in Egypte en in Griekenland enz, wel gevonden zijn. Dan was tegen die sterrenwachtkoepel aan geschreven, al die sterrenbeelden met hun betekenis daaraan verbonden. Je kon vanuit zo’n sterrenwacht zien, datgene wat tegen die koepel aangeschreven stond, je kon eigenlijk Gods boodschap zien wat daarop geschreven stond. Dan kon je daar als het ware doorheen kijken en dan zag je op Gods klok, en kon je dan uitleg geven aan de hand van de sterren.

 

Zo probeerden zij dat te doen, door een stad te bouwen met een toren waarvan de top als het ware de hemelen beschreef.

 

Die wijzen uit het oosten kwamen ook oostelijk van Jeruzalem vandaan, vermoedelijk uit de landstreken van Babel. Er staat dat zij Zijn ster hadden gezien en er zijn ook vele getuigenissen uit die tijd dat er een speciale ster was, die gezien werd. Lezen we Matt.2:1-2

  • Toen nu Jezus geboren was te Betlehem in Judea, in de dagen van koning Herodes, zie, wijzen uit het Oosten kwamen te Jeruzalem, 2 en vroegen: Waar is de Koning der Joden, die geboren is? Want wij hebben zijn ster in het Oosten gezien en wij zijn gekomen om Hem hulde te bewijzen.”

 

In het oosten was deze ster ook bekend. In het sterrenbeeld Coma (de begeerde) was bekend dat er een nieuwe ster zou verschijnen. Ook in Numeri wordt die ster genoemd, Num. 24:17

  • Ik zie hem, maar niet nu; ik schouw hem, maar niet van nabij; een ster gaat op uit Jakob, een scepter rijst op uit Israël, en verbrijzelt Moabs slapen, en verplettert alle zonen van Set.”

 

Dat is wat God Biliam gaf te spreken in die geschiedenis met Balak. Deze profetie wijst dus aan waar die ster zou verschijnen. Zo je verder kunt lezen zijn die wijzen uit het oosten, heel erg verblijd als ze wederom die ster ontdekken. Ze weten van die ster en daarom zijn ze ook gekomen naar Jeruzalem, want ze wisten ook waar die ster op doelde, die wijst op de Begeerde, op de komende Koning, de Heerser van alle natieen. Zo is het niet alleen dat hij zou verschijnen, maar ook waar die ster op doelde, namelijk de Christus, maar ook nog waar dat Kind geboren zou worden.

 

Dat had te maken met die ster, die opging uit Jacob, dat had te maken met Jacobs land, met Bethel, waar God dat beloofde, het land waar hij op lag te slapen.

 

Al die verbonden, die met Abraham, Izaäk en Jacob en met de twaalf zonen geloten waren, die wezen allemaal in één richting, op dit land met de hoofdstad Jeruzalem. Daarom gingen die wijzen naar Jeruzalem en vroegen ze waar is die Koning Die geboren zou worden, de Begeerde, waarvan ze de ster hadden gezien, in het sterrenbeeld Coma.

 

Daarvan vertelt ook Ps.19

  • Voor de koorleider. Een psalm van David. 2 De hemelen vertellen Gods eer, en het uitspansel verkondigt het werk zijner handen; 3 de dag doet sprake toestromen aan de dag, en de nacht predikt kennis aan de nacht. 4 Het is geen sprake en het zijn geen woorden, hun stem wordt niet vernomen: 5 toch gaat hun prediking uit over de ganse aarde en hun taal tot aan het einde der wereld. –Hij heeft daarin een tent opgeslagen voor de zon, 6 die is als een bruidegom die uit zijn bruidsvertrek treedt, jubelend als een held om het pad te lopen.7 Van het ene einde des hemels is haar opgangen haar omloop tot het andere einde; niets blijft verborgen voor haar gloed.”

Hier zie je dus dat de hemelen Gods eer verkondigen. Het is wonderlijk dat de structuur van deze Psalm uit 2 delen bestaat. Het eerste deel gaat over de hemelen en met nadruk over de zon, waar een prediking vanuit gaat. Dat iedereen over de ganse aarde die prediking kan waarnemen, maar het is niet een prediking met woorden, maar wel een prediking die gezien kan worden.

Het 2e gedeelte van Psalm 19:8-15

  • 8De wet des Heren is volmaakt, zij verkwikt de ziel; de getuigenis des Heren is betrouwbaar, zij schenkt wijsheid aan de onverstandige. 9De bevelen des Heren zijn waarachtig, zij verheugen het hart; het gebod des Heren is louter, het verlicht de ogen. 10De vreze des Heren is rein, voor immer bestendig; de verordeningen des Heren zijn waarheden zoeter dan honig, ja, dan honigzeem uit de raat. 12Ook laat uw knecht zich daardoor ernstig vermanen; in het houden ervan ligt rijke beloning. 13afdwalingen – wie bemerkt ze? Spreek van de verborgene mij vrij. 14Behoed ook uw knecht voor overmoed, laat die over mij niet heersen; dan ben ik onberispelijk en vrij van grove overtreding. 15Mogen de woorden van mijn monden de overleggingen van mijn hart U welgevallig zijn, o Here, mijn Rots en mijn Verlosser.”

 

Hier gaat het over de wet of wel het Woord van God en daar wordt hier de aandacht op gevestigd. Er is dus een grote parallel tussen de 2 delen van deze Psalm en die kun je met elkaar vergelijken. Ook als Christus wederkomt, zal er een teken aan de hemel zijn, niet alleen in Bethlehem, dat er een ster verschijnt maar ook dan: Matt. 24:

  • 30En dan zal het teken van de Zoon des mensen verschijnen aan de hemel en dan zullen alle stammen der aarde zich op de borst slaan en zij zullen de Zoon des mensen zien komen op de wolken des hemels, met grote macht en heerlijkheid. 31En Hij zal zijn engelen uitzenden met luid bazuingeschal en zij zullen zijn uitverkorenen verzamelen uit de vier windstreken, van het ene uiterste der hemelen tot het andere.”

Een teken zal verschijnen aan de hemel, dat is nou precies het woord teken dat ook gebruikt wordt in Gen. 1:4-10. Dat er lichten zijn aan het uitspansel des hemels om scheiding te maken tussen de dag en de nacht en dat ze zijn tot gezette tijden. Dat teken werd gegeven aan de wijzen uit het oosten, toen Jezus Christus kwam. Ook zal er een teken zijn aan de hemel als Jezus Christus wederkomt.

 

Als men in de toekomst dus let op de sterrenhemel, in de toekomst als Christus wederkomt, dan zal net als bij Zijn komst op aarde in Bethlehem, zal er wederom een teken zijn aan de hemel, een ster dus die van de Heere spreekt in het Hebreeuws. Het teken is eigenlijk een teken van iemand die komt, het is een voorteken van iemand die komt.

 

God heeft niet zomaar wat sterren aan de hemel gemaakt, Hij heeft ze geteld en Hij heeft die sterren ook allemaal een naam gegeven, Ps.147: 4 en 5:

  • 4Hij bepaalt het getal der sterren, Hij roept ze alle bij name. 5 Groot is onze Here en geweldig in kracht, zijn verstand is onbeperkt.”

Hij kent ze dus alle en Hij heeft het aantal der sterren bepaald. Veel namen van de sterren zijn verloren gegaan. Toch zijn er zo’n 100 namen bewaard gebleven. Dat komt ook omdat heel wat namen van sterren in het Hebreeuws in het O.T. gegeven zijn. Vooral in het boek Job en ook in het boek van de Koningen zijn er heel wat bekend. De bijbel laat zien dat er 12 tekenen zijn van de Kodiak (dierenriem) wat eigenlijk betekent “graden of treden”. Het wijst ons op de stadia van de loop van de zon door de hemelen, dat hij in 12 maanden van het jaar doorloopt.

 

Als je de loop van de zon door de sterren het hele jaar volgt, dan wordt elk jaar ons het hele evangelie verteld. De mensen in de oudheid hoefden alleen maar het hele jaar omhoog te kijken, dan zagen ze niet alleen aan de wijzers van Gods klok al hoe laat het was. Ernaast konden ze zien aan de tekenen van de Kodiak, de evangelie boodschap der hemelen op die manier aan hun verkondigt.

 

De hemelen vertellen Gods eer, ze profeteren dag en nacht en die boodschap ging rond over de hele aarde. Het gaat in die verkonding over de komst des Heeren, dat is Gen. 3:15

  • En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.”

 

Het gaat over komst van de Begeerde, de komst van Christus. Die in Zijn eerste komst verwond zal worden aan Zijn hiel, Hij zal genageld worden aan een kruis, maar in Zijn wederkomst zal Hij de kop van de slang vermorzelen. Hij is de leeuw uit de stam van Juda, geboren uit de maagd. Bijzonder is dat de leeuw een sterrenbeeld is en ook de maagd is een sterrenbeeld.

 

Ook bijzonder is dat hier op aarde een sfinx in Egypte is uitgebeeld, waar duizenden toeristen langs trekken, die zonder het te weten, dat in de oudheid die sfinx te maken had met de Christus, Die komen zou, namelijk de leeuw uit Juda, geboren uit de maagd. De sfinx betekent in het Grieks “vereniging”. De sfinx verenigt twee dingen, het lichaam van de leeuw en de kop van een vrouw, de maagd.

 

Als je die zon gaat volgen in zijn baan – de zon beweegt dus en staat niet stil zoals de wetenschap beweert – als je die volgt door de 12 maanden van het jaar, door die 12 tekenen van de kodiak heen, dan begint het sterrenbeeld met de maagd en eindigt in het sterrenbeeld de leeuw. Christus is geboren uit de maagd en Hij komt straks weder als de leeuw uit de stam van Juda.

 

Natuurlijk is daar meer van te zeggen, want je bent wel even bezig in de Bijbel voordat je erdoor heen bent, van Genesis tot Openbaring. In de oudheid hadden ze geen Bijbel zoals wij nu, ze hadden alleen de sterrenhemel, en zo was je met de sterrenhemel ook wel even bezig, want je had niet alleen die twaalf sterrenbeelden, die waren verdeelt in drie boeken van vier hoofdstukken, drie delen van vier tekenen:

  • Het eerste deel gaat over Zijn eerste komst
  • Het tweede boek over de verlosten.
  • Het derde boek ging over de Verlosser in Zijn wederkomst.

 

Die 4 hoofdstukken waren ook nog weer verdeelt in 3 paragraven, en dan kom je op 48 sterrenbeelden. Ook deze 48 bestonden weer uit een groot aantal sterren die daarbij behoorden en ieder van die sterren had God een naam gegeven, met een bepaalde betekenis. Een enorm verhaal die de sterren in de oudheid als evangelie verkondigden.

 

De sterren verkondigen Gods eer, ze verkondigen in feite, dat Jezus Christus zou komen en dat Hij zal overwinnen.

 Opgemaakt door Wieb Rodenhuis naar aanleiding van een bijbelstudie van Denijs van Zuylekom – september 2015

 

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk