Dispensationele plaats van het Johannes Evangelie

De dispensationele plaats van het Johannes Evangelie (1) [geplaatst op deze site op 4 jan 2016]

 

We willen ons in dit onderwerp bepalen bij de vraag, welk positie het Johannes Evangelie in de Bijbel inneemt. En ook waar in de tijd we het Johannes Evangelie moeten plaatsen. Als je een brief in de Bijbel gaat lezen, dan is het altijd goed je af te vragen van:

  • Waarom is die brief geschreven,
  • Wanneer is die brief geschreven,
  • En onder welke omstandigheden is die brief geschreven,
  • En aan wie is die brief geschreven.

 

Als je je dat realiseert, dan gaat zo'n brief voor je leven, en dan ben je ook beter in staat de brief in Gods plan der aionen te plaatsen.

We weten hoe belangrijk het is om de verschillende brieven juist in te delen.

We weten dat de indeling van de Bijbelboeken door mensen is gemaakt. En dat door die menselijke indeling nogal wat verwarring is ontstaan.

Zo is het boek Job ergens midden in de Bijbel weggestopt, terwijl dat eigenlijk het eerste boek van de Bijbel had moeten zijn.

Wanneer Job als eerste Bijbelboek was geplaatst, dan was meteen duidelijk geweest dat er een satan was, die binnen door God bepaalde grenzen zijn gang kon gaan. En ook nergens wordt zo mooi over de eerste schepping gesproken als in het boek Job.

 

Ook in het Nieuwe Testament zijn de Bijbelboeken op een heel verwarrende manier door elkaar heen geplaatst. We weten dat. Velen hebben geen kennis van de vroege en late brieven van de apostel Paulus, en hebben één grote hutspot van de brieven gemaakt. Alles staat doorelkaar heen.

Maar ik heb vooral de laatste tijd gemerkt, dat voor velen ook de plaats van het Johannes Evangelie nogal wat problemen geeft.

Ook wordt duidelijk, dat door het Johannes Evangelie een verkeerde plaats te geven, vele misvattingen ontstaan in het verstaan van de overige brieven van het Nieuwe Testament, ja zelfs misvattingen ontstaan omtrent de positie van gelovigen.

 

Deze bijbelstudie is gemaakt naar aanleiding van het boek van Ch. Welch: “The four Gospels”. Dat boek bevat vergelijkende studie over de vier Evangeliën, die voor het eerst verscheen in de “Berean Expositor” (1950-52) onder de betreffende titel "Fundamentals van dispensationele Truth.”

En met name het laatste hoofdstuk van dat boek, wat over het Johannes Evangelie gaat, heb ik voor deze bijbelstudie gebruikt, en daar zou ik graag in deze bijbelstudie bij willen stilstaan.

Ik heb dat laatste hoofdstuk uit dat boek voor u vertaald, en daar een kleine brochure van gemaakt, die ik u op het einde van deze bijbelstudie wil toesturen.

 

In deze bijbelstudie zullen we zien welke dispensationele plaats dit Evangelie van Johannes in Gods Woord inneemt. Dit betekent: Waar in de tijd moeten we dat Evangelie van Johannes plaatsen?

Nadat Welch vele studie omtrent dit onderwerp had gedaan stelt hij vast als een zeker feit, dat de “eerste gelovigen” (voor de duidelijkheid: hiermee worden de gelovigen in de Handelingen en ook na Handelingen 28 bedoeld) drie Evangeliën tot hun beschikking hadden, en niet meer dan drie (zegt Welch met nadruk). En na zelf ook al deze dingen bestudeert te hebben, moet ik het met hem eens zijn. En met die drie Evangelien worden Mattheus, Marcus en Lukas bedoeld.

 

Naar alle waarschijnlijkheid, hebben deze drie, Mattheus, Marcus, Lukas, en ook Petrus, en Paulus nooit het Evangelie van Johannes gezien, en zij hadden er geen kennis van. Ook Paulus niet. Zij waren allen reeds vóór het verschijnen van het Evangelie van het Johannes omwille van hun geloof in Christus vermoord. De bewijzen hiervan worden ons aangeleverd ten eerste door de Bijbel zelf, en ten tweede door de betrouwbare geschiedschrijving.

 

Ene H. Bultema, heeft zeer diepgaand historisch onderzoek gedaan naar de eerste gelovigen in het begin van onze jaartelling. Van deze Bultema zijn ook enkele boeken op de site “levendwater.org” geplaatst.

We komen bij het onderzoeken van die dingen tot verrassende zaken, die wel niet tot de geïnspireerde Schrift behoren, maar toch wel zeer waarheidsgetrouw zijn:

 

Polycarpus (69 - 156 na Christus) Hij werd 87 jaar

 

Polycrates blijkt een discipel van Johannes geweest te zijn, en deze Polycarpus vertelt over het feit dat Johannes in Efeze verbleef tot de tijden van keizer Trajanus, en dat Johannes in Efeze stierf in hoge ouderdom. Keizer Trajanus was Romeins keizer van 98 tot 117.

Johannes heeft ook nogal wat gereisd, want hij is ook in Smyrna geweest.

Polycarpus was een leerling van Johannes in Smyrna, en Polycarpus is door Johannes aangesteld tot voorganger van de gelovigen in Smyrna. Poycarpus behoorde tot de z.g. apostolische vaderen, dat zijn mensen die leerlingen waren geweest van de apostelen.

 

Hij was één der jongste leerlingen van Johannes. Van hem is bekend dat hij de marteldood stierf vanwege zijn geloof. Hij leerde, dat de aarde gedurende het duizendjarig rijk zeer vruchtbaar zal zijn. Hij geloofde, op grond van de profeten, in een herbouwd, versierd, vergroot en bewoond Jeruzalem, alsmede in een duizendjarige Christusregering.

Eén van de volgelingen van deze Polycarpus was Justinus de Martelaar (ca. 105-165). Van Die Justinus is bekend, dat deze tien jaar oud toen Johannes stierf.

 

Dit zijn historisch vastgestelde feiten, getuigenissen die elkaar versterken en bevestigen. Dan moet Johannes volgens die ooggetuigen in ieder geval tussen 98 en 117 na Christus gestorven zijn, en heeft daarmee alle anderen overleefd, en naar alle waarschijnlijkheid is Johannes in 115 na Christus gestorven, omdat die Justinus in 105 werd geboren, en Johannes 10 jaar later gestorven zou zijn.

 

Er zijn meer gegevens van dergelijke aard uit de overgeleverde geschiedenis bekend, die allemaal in dezelfde richting wijzen over de ouderdom van Johannes én over het tijdstip van ontstaan van het Johannes Evangelie.

In het algemeen wordt ervan uitgegaan dat het Evangelie van Johannes rond 90-110 na Chr. zijn vorm heeft gekregen.

Dat is dus zeker ca. 20 á 30 jaar nadat Israël Lo-Ammi was geworden.

 

Dan moeten we ons afvragen: Er zijn velen die ervan uitgaan dat het Johannes Evangelie net als de andere drie Evangelien voor Israël is geschreven.

Maar wat voor zin heeft het om een Evangelie te gaan schrijven aan een volk

  • wat eigenlijk niet meer is te vinden,
  • en wat 20 á 30 jaar (na 70 na Chr) eerder in de diaspora in gegaan,
  • en als slaven zijn verkocht,
  • en wat bovendien door de Heere zelf Lo-Ammi wordt genoemd?

 

In het voorjaar van 2015 kreeg ik een mail van onze broeder Hoite Slagter, die mij schreef over het ontstaan van het Johannes Evangelie:

  • Het ontstaan van het Johannesevangelie wordt gemiddeld genomen geschat op de periode tussen 85 en 98 na Christus.” “En aangezien de vooronderstelling leeft, dat dit het evangelie is dat voor de wereld bestemd is, zou dat betekenen dat God gedurende 15 tot 28 jaar geen boodschap had voor de wereld. (Persoonlijk neig ik overigens meer naar een vroegere datum van het ontstaan van het Johannesevangelie).” (einde citaat).

 

Kortom, dit alles samenvattende is het Johannes Evangelie geschreven tussen 85 en 110 na Christus.

Een bijzondere tekst over Johannes, en waar ook nog wel eens een misverstand betreffende Johannes over is ontstaan (zelfs bij de discipelen) is de tekst uit Joh 21:23:

  • Toen hij deze zag, zeide Petrus tot Jezus: Here, maar wat zal met deze gebeuren? (Petrus wees op Johannes) 22 Jezus zeide tot hem: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan? Volg gij Mij. 23 Dit gerucht ging dan uit onder de broeders, dat die discipel (Johannes) niet sterven zou; doch Jezus had niet tot hem gezegd, dat hij niet zou sterven, maar: Indien Ik wil, dat hij blijft, totdat Ik kom, wat gaat het u aan?”

 

Overigens krijgt deze tekst wel enigszins “krediet” vanwege het feit dat Johannes alle andere apostelen overleefde.

 

Het is duidelijk dat de Evangelieën van Mattheüs, Marcus en Lukas allemaal het onderwijs bevatten wat tijdens die periode van essentieel belang was.

En die drie Evangelieën behandelen de geschiedenis én de toekomst van Israël.

En dat onderwijs van die drie Evangelieën werd beheerst door de hoop van Israël.

 

Verklaringen, die in het Johannes Evangelie voorkomen, over de "wereld", over "wie" en over de "andere schapen", zouden in de tijd van de andere drie Evangelieën zeer voorbarig of "ondispensationeel" zijn geweest op dat moment.

Zulke verklaringen pasten volkomen niet in die tijd.

Stel dat Johannes een Evangelie voor Israël zou zijn, en dat ook aan Israël zou hebben verkondigd, hoe zou dat in de oren van de Joden hebben geklonken, wanneer dat Evangelie steeds over de wereld gaat?

De discipelen hadden toch de opdracht om uitsluitend tot de verloren schapen van het huis Israëls te gaan? Ze zouden waarschijnlijk hebben gezegd: “Waar heb je het over Johannes?” Ze zouden het niet hebben begrepen.

Alleen al de tekst: “Hij kwam voor de Zijnen, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen,” slaat nergens op wanneer we het Evangelie van Johannes niet in de juiste tijd plaatsten.

 

Wanneer we dit gegeven van het tijdstip van het ontstaan van het Johannes Evangelie gaan toepassen bij het lezen van de Bijbel, dan krijgt het Johannes Evangelie een heel bijzondere plaats in het Nieuwe Testament.

Dan moet Johannes niet als vierde boek, maar als één na het laatste boek van het N.T. zijn plaatst krijgen, vlak voor de Openbaring van Jezus Christus, die ook door Johannes is geschreven.

Hieronder is een schema opgenomen zoals dat volgens het Woord, en volgens Gods plan der aionen tot ons komt:

 

1.

Evangelieën

Nieuwe verbond in werking na het kruis. Matt., Mark en Lukas. Koning en Koninkrijk verworpen.

 

2.

Handelingen

Nieuwe verbond in werking.

Koning en Koninkrijk opnieuw aangeboden.

Israël verworpen. Hoop van Israël opgeschort.

 

3.

De Verborgenheid

Nieuwe verbond niet in werking.

Paulus' gevangenis brieven.

Alle heiligen in Azië hebben zich van Paulus afgekeerd.

 

4.

Johannes Evangelie

Nieuwe verbond niet in werking.

Betreft de wereld. Betreft de andere schapen.

(na omverwerping van de olijfboom = Israël).

Het Evangelie van het leven van de toekomende eeuw.

 

5.

De Openbaring

Hervatting van het Nieuwe Verbond.

De dag van Christus Jezus, de Heere.

 

We zien in dit schema dat het Johannes Evangelie eigenlijk ná de late brieven van Paulus geplaatst moet worden. Deze positie en plaats van het Johannes Evangelie wordt eigenlijk in het verborgen al door de Heere bekend gemaakt in Mattheüs.

In het Mattheüs Evangelie (= het Evangelie voor Israël) lezen we in Matth 22 over de gelijkenis van de bruiloft van de koningszoon, die gelijkenis is verdeeld in drie fasen. Deze drie fasen komen respectivelijk overeen met drie periodes, en corresponderen met:

  • (1) de drie Evangeliën,
  • (2) de Handelingen en vervolgens
  • (3) het Evangelie van Johannes.

 

De tekst uit Matth 22 is als volgt:

  • 3 En hij (die koning) zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. (dat is in de drie Evangelieën) 4 Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. (dat is in de Handelingen periode) 5 Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. 6 De overigen grepen zijn slaven (slaven zijn de dienaren van God), en zij mishandelden en doodden hen. 7 En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand. (70 na Chr) 8 Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden waren het niet waard. 9 Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. (dat gebeurt al 2000 jaar lang door het Johannes Evangelie) 10 En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.”

 

De eerste uitnodiging (Matt. 22:3)

 

uitnodiging tot de bruiloft. Ze wilden niet komen.

De drie Evangeliën, Math, Marc en Lucas

Tweede uitnodiging

(Matt. 22:4-7)

 

wederom de uitnodiging tot de bruiloft. Ze wilden weer niet komen.

De periode van de Handelingen

Derde uitnodiging

(Matt. 22:8-10)

"verzamelden allen... zowel goede als slechte"

Het Johannes Evangelie

[In dit overzicht missen we natuurlijk bediening van Paulus late brieven, omdat die bediening ten tijde van het uitspreken van deze gelijkenis een verborgenheid was.]

 Deel 2 volgt DV

 Bert Boersma, oktober 2015, boersmaklm@hetnet.nl

 

 

De dispensationele plaats van het Johannes Evangelie (2)

De vorige keer hebben we als laatste de tekst uit Math 22:3-10 behandeld. En wanneer we de tekst uit Matth 22:6 onderzoeken dan komen we iets bijzonders tegen. Er staat in Matth 22:6:

  • De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen.”

 

Die “overigen” doden de dienaren van God. In de HSV staat “de anderen grepen zijn slaven.” Dat woordje “overigen” of “anderen” is vertaald uit het Griekse woord “loipoy”, wat afkomstig is van het Griekse woord “leipo”.

Van dit woord “leipo” is nog een ander Grieks woord afgeleid, namelijk “leimma”. Dit “leimma” wordt in onze vertalingen vaak vertaald met “overblijfsel”.

Dit samenvoegende, kan dus worden gesteld dat “overigen” zeer nauw verwant is met “overblijfsel”, en ook als zodanig mag worden vertaald.

Dus spreekt de gelijkenis uit Matth 22 erover, dat door “de overigen”, dus door een “overblijfsel” uit Israël de diensknechten van God werden uitgemoord.

Dit “overblijfsel” moeten we niet verwarren met het z.g. “gelovig overblijfsel”, waar later sprake van is. Maar deze “overigen” of “anderen” uit Matth 22 was een negatief “overblijfsel”, een werktuig in handen van Gods tegenstander.

En daaruit leren we dat satan's zaad zich in de gehele geschiedenis tegen Gods zaad keert, en erop uit is om Gods zaad te vernietigen.

Vervolgens lezen we in Matth 22:7:

  • En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand.”

 

Dit alles was een gelijkenis van de Heere Jezus, die al snel zijn vervulling kreeg. De bestraffing van degenen die niet wilden ingaan op die tweede uitnodiging vond plaats tussen Handelingen 28:28 en 70 na Christus, toen Jeruzalem werd verwoest.

 

Nog even iets over die verwoesting van Jeruzalem, en daarmee over de verwoesting van Israël. Er woedde een oorlog in Judea en Galilea van 66 tot 70 na Chr. Dat wordt de z.g. “Joodse Oorlog” genoemd.

Joodse rebellen, aangevoerd door de Zeloten, kwamen in opstand tegen de Romeinen. Met de val van Jeruzalem en de verwoesting van de tempel (29-30 augustus 70) kwam er een einde aan de oorlog, hoewel pas met de verovering van Masada (in 73 na Chr.) een einde kwam aan het laatste Joodse verzet.

 

De overgeleverde geschiedenis

Vanaf ongeveer 6 na Chr. werd het gebied van Israël geregeerd door Romeinse procurators. Zij waren verantwoordelijk voor de rust en belasting-inning.

Rome stelde een bepaald belastingtarief vast dat afgedragen moest worden. Meestal werd hiervan misbruik gemaakt door de procurator door meer te heffen dan nodig was en dat te veel in eigen zak te steken.

Deze hoge belastingdruk was al een reden voor de Joden om opstandig te worden. Toen Rome de Hogepriester in de joodse tempel van Jeruzalem zelf ging benoemen, kwam er nog een twistpunt bij.

In 39 na Chr. wenste keizer Caligula een standbeeld van zichzelf, dat vereerd moest worden. Dat beeld moest in alle tempels in het rijk geplaatst worden, dus ook in Jeruzalem. De Joden weigerden dat, omdat ze het als een aanval op één van de kernpunten van hun godsdienst beschouwden. (Gij zult geen andere goden........). Net voordat de spanning uitbarstte in een openlijke opstand stierf Caligula in 41 na Chr., zodat de gemoederen daaromtrent enigszins bedaarden.

 

Gedurende de volgende jaren waren er voortdurend irritaties en provocaties wederzijds maar tot een regelrechte opstand leidde dit nog niet.

Maar toen in 66 na Chr. procurator Gessius Florus in opdracht van keizer Nero een groot bedrag uit de tempelkas nam, die bestond uit de tienden die iedere Jood jaarlijks afstond voor de instandhouding van de tempeldienst, brak een opstand uit in Caesarea nadat Grieken de plaatselijke synagoge hadden ontheiligd. De opstand sloeg over naar Jeruzalem waar het Romeinse garnizoen door de Joden werd verslagen. De Romeinse bestuurder van Syrië stuurde versterkingen naar Judea om de rust te herstellen maar deze werden eveneens door de Joden verslagen.

 

Toen greep keizer Nero in en stuurde zijn generaal Vespasianus naar Caesarea met 60.000 Romeinse legioensoldaten. Vespasianus ging grondig te werk en tegen 68 na Chr. had hij Galilea en de kuststrook onder controle.

De overlevende opstandelingen verschansten zich in Jeruzalem. In Jeruzalem ontstond toen een korte burgeroorlog tussen de bewoners en een groep Joodse fanatiekelingen, de z.g. Zeloten. Alle joden die wilden onderhandelen met de Romeinen werden vermoord door die Zeloten, dus door hun eigen mensen.

Ondertussen was Nero in 68 na Chr. gestorven en Vespasianus' soldaten verklaarden hun generaal tot de nieuwe keizer. Vespasianus ging naar Rome om de troon op te eisen en liet het verder neerslaan van het verzet over aan zijn zoon Titus.

 

Titus begon onmiddellijk met de belegering en omsingeling van Jeruzalem. Nadat de Joodse verdediging ernstig verzwakt was door hongersnood, kwam de laatste bestorming door de Romeinen op 29-30 augustus van het jaar 70.

Dit wordt nog steeds door de joden herdacht op “Tisja be'Aaw”.

 

Tisja Be’Aaw is een rouwdag waarop men de verwoesting herdenkt van de Eerste Tempel door Nebukadnezar, de koning van Babylon, in het jaar 586 voor onze jaartelling. Het is ook de dag van de verwoesting van de Tweede Tempel, in het jaar 70 van onze jaartelling, door Titus, de keizer van Rome. Deze dag markeert ook het begin van de verdrijving van de Joden uit Spanje in 1492, in opdracht van de Spaanse monarchie. Dit alles heeft deze dag tot de belangrijkste gemaakt van alle andere rouwdagen in de Joodse kalender. Er zijn nog drie andere rouwdagen met betrekking tot de verwoesting van de Eerste en Tweede Tempel, maar Tisja Be’Aaw is daarvan de belangrijkste.

 

Er was geen houden meer aan en de hele stad werd in 70 nan Chr. In de as gelegd. Hoewel Titus de tempel ongeschonden in handen wilde krijgen, ging deze eveneens in vlammen op. Naar schatting 100.000 verdedigers en inwoners kwamen om het leven. Het totale aantal slachtoffers van deze oorlog wordt geschat op 600.000 tot 1.300.000 doden. De Romeinen slachtten hele families af, waaronder iedereen die verdacht werd een afstammeling te zijn van het huis van koning David.

 

De overlevenden werden verkocht op de slavenmarkten van het Midden-Oosten, waarbij de prijs door de grote aanvoer enorm kelderde. De laatste Joodse verzetshaarden, waaronder het fort Massada aan de Dode Zee, werden opgeruimd in 73 na Chr..

 

Keizer Domitianus, de broer en opvolger van Titus, liet later in Rome een triomfboog oprichten ter ere van het neerslaan van de opstand in Israël.

Op deze z.g. Boog van Titus is thans nog te zien hoe veroverde tempelschatten zoals de zevenarmige kandelaar in triomf door Rome gedragen werden.

(zie afbeelding hieronder)

Een belangrijke informatiebron voor de Joodse oorlog is de Joodse geschiedschrijver Flavius Josephus, die onder andere een boek over de Joodse Oorlog schreef.

 

Na Handelingen 28

Na Handelingen 28, dus kort na het jaar 66 na Chr. brak de periode aan waarin de bedeling/bediening van de verborgenheid door de apostel Paulus werd geopenbaard. Hij werd door sommigen geloofd en vervolgens grotendeels weer verlaten.

Jaren na de dood van Paulus schreef Johannes zijn Evangelie tussen ca 85 – 110 na Chr, daarmee gaf hij een boodschap en een oproep tot de "wereld".

En Johannes onthulde dat de Heere nog "andere schapen" had, die niet van Israël waren, en dat ook die schapen (= gelovigen) moeten worden verzameld, zodat het uiteindelijk zal worden: "Eén kudde en Eén Herder".

Charles Welch schrijft in zijn boek over de gelovigen van de tegenwoordige tijd:

  • “At the present time there is an inner circle, embracing that small company of believers that are members of the Body of Christ and blessed under the terms of the Mystery, with Paul the prisoner as the appointed channel of teaching and truth, and a large outer circle embracing a vast number of believers, who while they have life, have no clear idea as to what is the hope of their calling. These find their gospel, comfort and teaching in John's Gospel.”

 

Ik heb geprobeerd het zo letterlijk mogelijk te vertalen:

  • “In de tegenwoordige tijd is er is een binnenste cirkel, die dat kleine bedrijf (company = gemeente) van gelovigen omarmt, die lid zijn van het Lichaam van Christus en zijn gezegend onder de voorwaarden van de verborgenheid, met Paulus de gevangene, als het aangewezen kanaal van onderwijs en waarheid. En een grote buitenste cirkel, die een groot aantal gelovigen omarmt, die terwijl zij leven hebben, hebben zij geen duidelijk idee over wat de hoop van hun roeping is. Deze vinden hun evangelie, “comfort” en onderwijs in het Johannes Evangelie.”

 

Dus welch ziet duidelijk het verschil in de groepen gelovigen in deze tijd. Hij maakt dat duidelijk door het inzichtelijk te maken met een grote cirkel waarin zich alle gelovigen bevinden, en daarbinnen in die cirkel een kleine cirkel, die de gemeente, het Lichaam van Christus voorstelt.

Laten we eens kijken naar het karakter van de tijden waarin het Johannes Evangelie opereert. Daarbij moeten we goed letten op het karakter van de tijden die vallen onder de drie Evangelieën, Matth, Marcus en Lukas en de Handelingen. Eigenlijk zou ik zeggen: Zoek de verschillen!

 

Tijdens de aardse bediening van Christus, beperkt de Heere zijn bediening nadrukkelijk tot de verloren schapen van het huis van Israël, en verbood Hij zijn discipelen om naar de andere volkeren te gaan.

Deze beperking is zeker niet meer van toepassing in het Johannes Evangelie.

Het meest prominent aanwezige woord in het Johannes Evangelie is "de kosmos", de wereld (Grieks “kosmos). In het Johannes Evangelie komt dat woord 79 voor, tegenover vijftien keer in Matth, Marcus en Lukas tezamen.

 

Het grootste deel van de Schriften, het oude en nieuwe Testament, werd geschreven voor Israël, over Israël, of geschreven voor de begeleiding door Israël van de andere volken die werden "gezegend tezamen met de gelovige Abraham". Vandaag de dag, sinds Handelingen 28, is Israël al lange tijd in de positie, die we kennen als “Lo-ammi”, dat is “niet mijn volk” (Hosea 1:9).

 

Wanneer we nu weten dat het Johannes Evangelie behoort tot de periode dat Israël als natie niet meer bestaat, en voor God “Lo-ammi” is, dan dient dat tot bewijs dat het Johannes Evangelie is geschreven voor niet-Joodse lezers.

En dat wordt ook heel duidelijk uit de manier van verwoording van Johannes, dat hij termen gebruikt en uitlegt, die elke Jood reeds uit de kindertijd weet. Voor een Jood zou het een beetje onzin zijn die termen en woorden te moeten uitleggen. Hiervan zijn vele voorbeelden in het Johannes Evangelie:

  • "Zij zeide tot hem: Rabbi, (dat betekent, Meester) waar houdt Gij verblijf?" (Joh 1:38).
  • "Wij hebben gevonden de Messias, wat betekent: Christus.'' (Joh 1:41).
  • "Nu waren daar zes stenen watervaten neergezet volgens het reinigingsgebruik der Joden." (Joh 2:6).
  • "En het Pascha der Joden was nabij." (Joh 2:13);
  • "En het Pascha, het feest der Joden, was nabij." (Joh 6:4);
  • "Nu was het Pascha der Joden nabij en velen van het land gingen op naar Jeruzalem, nog vóór het Pascha, om zich te reinigen." (Joh 11:55).
  • "Nu was het feest der Joden, het Loofhuttenfeest, nabij." (Joh 7:2).
  • "Toen kwam het Vernieuwingsfeest te Jeruzalem; het was winter." (Joh 10:22).
  • "De Samaritaanse vrouw dan zeide tot Hem: Hoe kunt Gij, als Jood, van mij, een Samaritaanse vrouw, te drinken vragen?” (Joh 4:9). De Joden hebben geen omgang met de Samaritanen"
  • "Ga heen, was u in het badwater Siloam, hetgeen vertaald wordt door: uitgezonden." (Joh 9:7).
  • "Gij zijt Simon, de zoon van Johannes, gij zult heten Kefas, wat vertaald wordt met Petrus." (Joh 1:42).

 

Het is duidelijk dat geen enkele Jood behoefde te worden verteld wat de betekenis is van Rabbi, Messias, of Cephas, en ook hoefde een Jood geen instructie's dat het Pascha of Loofhuttenfeest feesten van de Joden waren.

 

Bij het openen van elk van de drie eerste Evangeliën, ontdekken we dat Christus gepresenteerd wordt aan Israël als de lang beloofde koning en Verlosser, totdat we na verloop van tijd ergens midden in die drie Evangeliën ontdekken dat Israël hun koning zal verwerpen.

In het Johannes Evangelie wordt de afwijzing van Israël meteen in het eerste hoofdstuk benadrukt! Dit kon pas geschreven worden, toen vast en zeker door de Heere, door de mond van Paulus vast vastgesteld, dat Israël “Lo-Ammi” was geworden. Dus na Handelingen 28:28:

  • "Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen." (Joh 1:11).

 

De dispensationele plaats van het Johannes Evangelie (3)

We zijn de vorige keer geëindigd met: In het Johannes Evangelie wordt de afwijzing van Israël meteen in het eerste hoofdstuk benadrukt! Dit kon pas geschreven worden, toen vast en zeker door de Heere, door de mond van Paulus vast vastgesteld, dat Israël “Lo-Ammi” was geworden. Dus na Handelingen 28:28 kon Johannes schrijven:

  • "Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen." (Joh 1:11).

 

Zoals in de afwijzing (door Israël) van Mattheüs 12 en 13 en Handelingen 28 wordt geschreven, zo is het ook in de woorden van Johannes 9:39:

  • “En Jezus zeide: Tot een oordeel ben Ik in deze wereld gekomen, opdat wie niet zien, zien mogen, en wie zien, blind worden.”

Het verband met Jesaja 6:10 (geciteerd in zowel Mattheüs 13 en Handelingen 28) is duidelijk. We lezen die tekst uit Jes 6:

  • “9 Toen zeide Hij: Ga, zeg tot dit volk: Hoort aldoor – maar verstaat niet, en ziet aldoor – maar merkt niet op. 10 Maak het hart van dit volk vet, maak zijn oren doof en doe zijn ogen dichtkleven, opdat het met zijn ogen niet zie en met zijn oren niet hore en opdat zijn hart niet versta, zodat het zich niet bekere en genezen worde.”

 

Dit wordt herhaald in Math 12 en later nogmaals in Handelingen 28. Dit wordt door de Heere gezegd, nadat de maat vol is.

 

De eerste drie Evangeliën opereren onder de voorwaarden van het oude verbond, maar gaandeweg wordt het nieuwe verbond ook zichtbaar en bijgevolg dat nieuwe verbond wordt het herinnerings-feest, beter bekend als de de maaltijd des Heeren gehouden. Die maaltijd krijgt een prominente plaats in alle drie Evangeliën, en ook in de Handelingen.

 

En wanneer we het Johannes Evangelie niet zijn juiste plaats geven, dan kan het enigszins verrassend zijn, om te ontdekken dat Johannes geen melding maakt van de instelling van het avondmaal in zijn Evangelie!

 

Maar wanneer we het Johannes Evangelie wel zijn juiste plaats geven, dan zouden we hebben mogen verwachten, dat Johannes niet over die maaltijd des Heeren spreekt, omdat die maaltijd alles te maken heeft met dat nieuwe verbond, wat uitsluitend met Israël in verbinding staat.

 

Nogmaals: Wanneer we niet beseffen in welke tijd en voor wie het Johannes Evangelie is geschreven, dan zouden we misschien verwachten dat Johannes ook over die maaltijd des Heeren spreekt als instelling voor de gelovigen.

 

Maar omdat we nu weten dat die instelling van die maaltijd des Heeren niet aan de orde komt in het Johannes Evangelie, is dat des te meer een bewijs dat het Johannes Evangelie zich onderscheid van de andere drie Evangelien.

 

Johannes tot de wereld spreekt, die niets met enig verbond te maken heeft.

 

Johannes Evangelie ná de late Brieven van Paulus

Wanneer we nu het Johannes Evangelie de juiste plaats hebben gegeven, dan weten we ook dat de openbaring van de verborgenheid via de gevangenis- brieven van Paulus reeds bekend was geworden, jaren voordat het Johannes Evangelie het licht zag.

 

Dus hoewel Johannes niet de waarheid van die onnaspeurlijke verborgenheid leerde, moet hij daar niet onwetend van zijn geweest, en het is dan ook mooi een vergelijking te treffen in het Woord. Een vergelijking met enerzijds de leer van Christus, tot ons gekomen door het Evangelie van Johannes, met anderzijds de eerdere openbaring van Paulus gevonden in bijvoorbeeld Kolossenzen.

Dit toont prachtig aan hoe deze twee bedieningen naast elkaar samenlopen.

 

En dit toont ons ook, dat het twee totaal verschillende bedieningen waren. Zo heeft de Heere deze verschillende bedieningen geopenbaart aan zijn dienaren.

 

De bediening van Johannes aan de wereld en Paulus' bediening, via zijn late gevangenis brieven, aan de uitverkoren gelovigen:

 

Johannes 1

Kolossenzen 1

Het Woord

Het Beeld

Niemand heeft God gezien

Van de onzichtbare God

De enige verwekte

De eerstgeborene

Alle dingen zijn door Hem gemaakt

Alle dingen geschapen (gemaakt)

Zijn volheid

Alle volheid

Het Woord is vlees geworden

Het Lichaam van Zijn vlees

Voorkeur voor alle mensen

Hij is vóór alle dingen

Hij was vóór mij

Hij heeft voorrang

 

Dan is er ook nog iets bijzonders in het verslag van het gesprek van onze Heiland met de Samaritaanse vrouw. Daar vult Johannes in een mum van tijd aan de woorden van de Heere toe, om aan te geven dat wat de Heiland had gezegd tegen de vrouw, op het moment van het schrijven van de Johannes brief reeds is voldaan.

 

Op het moment dat de Heere Jezus tot deze vrouw sprak was het nog steeds zo dat de zaligheid voor de Joden was, en dat Jeruzalem de plaats was voor de eredienst. Dat was door de Heere zelf zo vastgesteld.

 

Maar de Heere zegt hier iets bijzonder tegen deze heidense vrouw.

 

Want Hij openbaarde aan deze vrouw dat er een dag komen zou, wanneer dit zou zijn veranderd, zeggende: Joh 4:21:

  • "Jezus zeide tot haar: Geloof Mij, vrouw, de ure komt, dat gij noch op deze berg, noch te Jeruzalem de Vader zult aanbidden". (Joh 4:21).

 

We moeten bij het volgende vers in gedachten houden, dat Johannes zijn Evangelie jaren later schrijft, na de late brieven van Paulus, en dan schrijft Johanes in Joh 4:23:

  • "Maar de ure komt en is nu, dat de waarachtige aanbidders de Vader aanbidden zullen in geest en in waarheid; want de Vader zoekt zulke aanbidders." (Joh 4:23).

 

Het gaat om de woorden “en is nu!” Het Johannes Evangelie bestrijkt de periode aangegeven door de woorden "en is nu!".

 

Deze zin wordt gedeeltelijk herhaald in Joh 5:25-28 en verwijst naar de gave van het leven, wat de centrale boodschap van Johannes' Evangelie is:

  • “25 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, (= heden) dat de doden (geestelijke doden) naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. 26 Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven, leven te hebben in Zichzelf. 27 En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is. 28 Verwondert u hierover niet, want de ure komt (= toekomst), dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, 29 en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.” (Joh 5:25-29).

 

Wanneer we het Johannes Evangelie de plaats geven, die het op grond van het door hem geschrevene, in het Woord verdient, namelijk bestemd voor de tijden waarin wij nu leven, voor de wereld, dan zullen enkele vraagstukken, die moeilijk leken, gemakkelijk kunnen worden opgelost.

 

Wanneer we deze dingen tot ons laten doordringen, dan is het heel bijzonder dat Johannes in zijn Evangelie helemaal niet spreekt over de laatste bediening van Paulus, terwijl hij er wel van wist.

 

Juist daardoor leren wij dat Johannes een totaal andere bediening van de Heere had gekregen voor deze tijd. Een bediening voor de wereld. Ook Johannes heeft zijn Evangelie geschreven onder inspiratie van de Heere zelf. De Heere heeft Johannes ingeblazen wat hij moest schrijven. En dat was jaren nadat Israël Lo-Ammi was geworden.

 

En dan is het heel bijzonder, wanneer Paulus op het einde van zijn leven zegt: “Allen hebben mij verlaten”, dan betekent dat, dat allen zijn Evangelie hebben verlaten. En wat doet God dan? Zegt de Heere dan: “Nou heb ik jullie alle kansen gegeven, nou moet je het maar bekijken?”

 

Nee, we zien dat de Heere dan de mensheid niet aan hun lot overlaat.

 

De Heere toont opnieuw zijn grote genade, door aan de wereld het Johannes Evangelie te geven. Jaren nadat Paulus reeds was vermoord. Ook een Evangelie (van Johannes) wat getuigd van Gods grote genade voor de wereld.

 

Want God wil niet dat er één verloren gaat, maar dat allen tot erkentenis der waarheid komen. En daarom lopen er in deze huidige tijd twee bedieningen naast elkaar.

 

Johannes voor de wereld, en Paulus voor de getrouwe apart geplaatsten.

 

Johannes om mensen te nodigen tot de bruiloft van het Lam, en Paulus om de uitverkorenen aan te sporen hun eigen roeping waardig te wandelen, zodat zij op het einde van hun leven als navolgers van Paulus kunnen zeggen: “Ik heb de goede strijd gestreden, in ben blijven staan op dát geloof, en nu ligt voor mij gereed de erfenis in Christus Jezus, Mijn Heiland.”

 

Voor de volledigheid wil ik graag nog enkele dingen uit het Johannes Evangelie met u behandelen, die aantonen dat het werkelijk na Handelingen 28 is geschreven voor de wereld.

 

Alles in het Johannes evangelie staat in het teken van het verzamelen van allen die hij aantreft op de kruispunten der wegen, om hen uit te nodigen voor de bruiloft des Lams.

 

Het Evangelie van Johannes opgebouwd rondom de acht tekenen, die de Heere Jezus doet, en Hij begint bij de bruiloft te Kana, waar de Heere Jezus genodigd is, en zijn discipelen, als gasten.

 

Acht tekenen

Acht is het getal van het nieuwe begin.

Dat nieuwe begin zal voor de wereld zal aanvangen op de zevende dag als de Heere Jezus Christus als de bruidegom komt, en er een bruiloft zal zijn op aarde tussen een bruid en een bruidegom, en vele gasten, die in de tijd (tussen Handelingen 28 en heden) geroepen zijn, uitgenodigd zijn, en zullen komen. Een geweldige bruiloft, met een geweldig impact. Want er is dan feest in het land.

 

Profetisch gezien tonen de acht tekenen van het Johannes Evangelie het verloop van de bediening van Johannes vanaf Handelingen 28 tot in de wederkomst van Christus, de komst van de Bruidegom.

  • De acht tekenen handelen over de tijd warin wij leven.
  • Acht tekenen handelen ook over de terzijde plaatsing van Israël in deze 2000 jaar.
  • Acht tekenen, die ook over de toekomst van Israël profeteren.
  • Acht tekenen handelen over de uitnodiging van de heidenen op de kruispunten der wegen.

 

Het eerste teken is de bruiloft te Kana. Wat was nou ook al weer het probleem bij die bruiloft? De moeder van de Heere Jezus zei het Hem: “Heere, zij hebben geen wijn.” De wijn was op. En dat geeft eigenlijk de situatie aan van na Handelingen 28. De wijn is op. En wat gebeurde er op die bruiloft?

 

De Heere maakt van water wijn, die veel beter was dan de eerste wijn.

Welk beeld zien wij hierin? Na Handelingen 28 was het verbond met Israël niet meer werkzaam. Met de terzijde plaatsing van Israël was ook het verbond met Israël terzijde gezet. De wijn was op.

 

En de wijn die de Heere maakte op die bruiloft was van een veel betere kwaliteit dan de eerdere wijn. Die wijn is een beeld van het eerste en het tweede verbond. Dat tweede verbond zal van een veel betere “soort” dan het eerste verbond. Maar in deze 2000 jaar waarin wij leven is de wijn op.

 

Het tweede teken is de opwekking van de zoon van de hoveling.

Na twee dagen wordt de zoon opgewekt. = zoon type van Israël, dat na twee dagen van 1000 jaar zal worden opgewekt.

 

Het derde teken is het teken van die machteloze man, die daar ligt aan het badwater van Bethesda. Die man lag daar al 38 jaar, en dat getal 38 vinden we ook in O.T. Israël was 38 jaar zwervende door de woestijn in ongeloof. Israël zwerft 38 jaar in ongeloof in de woestijn van deze wereld voordat ze het beloofde land konden binnengaan.

Nu nog is Israël zwervende door deze wereld in ongeloof!

 

Het vierde teken = spijziging van 5000. 5 = getal van genade. 1000 = geeft de ontelbaarheid van de genade aan, een enorme menigte.

Het vierde teken verwijst naar het getal 4, en 4 is het getal van de wereld.

 

Het vierde teken laat zien hoe het in de wereld gaat:

Tijden de bediening van Johannes in de afgelopen 2000 jaar is er ontelbaar veel genade in de wereld, en duizenden komen tot geloof door de bediening van Johannes, en de feestzaal loopt vol.

De vijfduizend worden gespijzigd met 5 broden en twee vissen.

Christus = genade brood = brood des levens, wat uitgedeeld wordt aan de wereld. Twee verwijst naar de verzoening en verlossing. Vis spreekt van de gemeente die voortgebracht wordt. Eindresultaat is: Iedereen in de wereld wordt verzadigd. Er is in deze tijd genoeg te eten voor iedereen, die wil eten!

 

Het eindresultaat is ook: als heel de wereld is verzadigd, is er nog veel over. Hoeveel is er over nadat allen zijn verzadigd? Er zijn 12 korven over = beeld voor Israël! Twaalf korven zijn bestemd voor de twaalf stammen van Israël, die zullen mogen eten (tot geloof komen) als laatsten. (Vele eersten, het heil werd eerst aan Israël aangeboden, zullen de laatsten zijn).

 

Israël mag als laatste toch eten, Gods genade is groot. Er is een volheid over voor Israël. God zal de draad met Israël weer opnemen. Maar daarvoor zal het nog stormen in hun leven. (grote verdrukking).

 

De dispensationele plaats van het Johannes Evangelie (4)

De vorige keer hebben we de eerste vier tekenen uit het Johannes Evangelie behandeld, we gaan nu door naar het vijfde teken.

 

Het vijfde teken

In het vijde teken zien we twaalf discipelen helemaal alleen op de zee. Dit is een beeld hoe Israël in de problemen komt op de (volkeren)zee in de eindtijd. Maar Christus grijpt in. Ze vrezen voor hun leven. Christus komt naar hun scheepje toe, en Hij stapt in dat scheepje en terstond komen ze aan land.

 

Christus komt weder, en dán zal de storm voor Israël voorbij zijn. Al het woeden van satan is in één keer gestild. Christus stilt de storm, en het beloofde land ligt voor hen.

 

Het zesde teken is het teken van de blindgeborene, z'n ogen worden geopend, Hij heeft nog nooit gezien. Hij ziet de Heere Jezus als eerste. Christus is het licht der wereld. Deze blindgeborene is een type van Israël. In de toekomst zal de Heere de ogen van Israël openen, en zij zullen zien!

 

Het zevende teken = de opwekking van Lazarus. Na hoeveel dagen gaat de Heere Jezus pas naar het graf van Lazarus in Bethanië? Joh 11:17: “Toen Jezus dan aankwam, bevond Hij, dat hij reeds vier dagen in het graf lag.”

Na 4 dagen wordt Lazarus door de Heere Jezus opgewekt.

 

Als Christus wederkomt, hoelang ligt Israël dan eigenlijk al in het graf? En dan moeten we gaan rekenen vanaf de tijd Van Abrahem, Izaäk en Jacob. En dan komen we op vier dagen van duizend jaar! Na die vier dagen, zal geheel Israël opstaan en zien, net als Lazarus. Hiervan spreekt de opstanding van Lazarus.

 

Het achtste teken is de wonderbare visvangst. Hier gaan we wat langer bij stilstaan. Een enorme visvangst uit de volkerenzee.

Als eerste: De Heere heeft tevoren aan Zijn discipelen gezegd, wat hun bediening is en zal zijn. Ze zullen het Evangelie aan Israël moeten brengen, en zij zullen vissers van mensen worden (Mar 1:17).

Maar wanneer we dit achtste teken geestelijk mogen onderscheiden, dan zullen we ontdekken, dat de Heere hier eigenlijk in het verborgen aan de apostelen laat zien hoe het na de Handelingen zal gaan met de Evangelieverkondiging aan de wereld.

 

Eigenlijk was het achtste teken een verborgenheid, want de discipelen hadden hun bediening voor Israël, terwijl de Heere in die wonderbare visvangst ook laat zien hoe er na de afwijzing van Israël, na Handelingen 28 een geweldig Evangelie aan de wereld verkondigd zal worden, het Evangelie van Johannes!

 

Het was ook niet nodig dat de discipelen dit wisten, want het zou alleen maar grote verwarring voor hen hebben gebracht, omdat zij bediening hadden voor Israël. Denk maar eens aan Petrus toen hij naar Cornelius moest gaan, toen was er tot drie keer toe een gezicht van de Heere voor nodig om Petrus zo ver te krijgen. Logisch dat de discipelen die profetische betekenis van dit achtste teken niet konden begrijpen, omdat zij een andere bediening hadden.

Maar wij staan achter de feiten, en mogen door Gods geestelijke bril het geheel overzien.

Over dat achtste teken lezen we in Joh 21. Maar er was al eens eerder een grote visvangst geweest. En over die eerdere visvangst lezen we in Lukas 5:1-6:

  • “En het geschiedde, toen de schare op Hem (de Heere Jezus) aandrong en naar het woord Gods hoorde, dat Hij zelf aan de oever van het meer Gennesaret stond, en Hij zag twee schepen aan de oever liggen. 2 De vissers waren eruit gegaan en spoelden de netten. 3 Hij ging in één van de schepen, dat van Simon, en vroeg hem de zee in te gaan, niet ver van de oever. En Hij zette Zich neder en leerde de scharen van het schip uit. 4 Toen Hij opgehouden had met spreken, zeide Hij tot Simon: Ga naar diep water en zet uw netten uit om te vissen. 5 En Simon antwoordde en zeide: Meester, de gehele nacht door hebben wij hard gewerkt en niets gevangen, maar op uw woord zal ik de netten uitzetten. 6 En toen zij dit gedaan hadden, haalden zij een grote menigte vissen binnen, en hun netten dreigden te scheuren.”

 

Hieruit leren we dat het totaal ongebruikelijk was om op die tijd te gaan vissen. 's Nachts was de tijd van vissen. En daarna was het zinloos. En dat zei Petrus toen eigenlijk ook tegen de Heere Jezus, maar hij zei er eigenlijk bij: “Omdat u het vraagt, zal ik het doen.” Groot moet hun verbazing zijn geweest.

 

En nadat de Heere was opgestaan, en voor de derde keer aan de discipelen verscheen, gebeurt er weer zoiets. Weer op een ongebruikelijke tijd.

 

Petrus wist vast nog wel van die eerste visvangst, want we lezen in Johannes niets van tegenwerpingen, de discipelen doen gewoon wat de Heere zegt. En dan vindt er weer een enorme visvangst plaats op Gods tijd!

 

Een enorme visvangst. Een ontelbaar aantal kinderen Gods worden verzameld, en worden door de netten binnengehaald. Het zijn zij, die niet zien en toch geloven in de afgelopen 2000 jaar. Het zal een enorme schare zijn. Die schare wordt ons eigenlijk van te voren al getoond in het Johannes Evangelie door dit achtste teken. Joh 21:1-11:

  • “Hierna openbaarde Jezus Zich opnieuw (derde keer na Zijn opstanding) aan de discipelen bij de zee van Tiberias en Hij openbaarde Zich aldus. 2 Daar waren bijeen Simon Petrus, Tomas, genaamd Didymus, Natanaël van Kana in Galilea, de zonen van Zebedeüs en nog twee van zijn discipelen. 3 Simon Petrus zeide tot hen: Ik ga vissen. Zij zeiden tot hem: Wij gaan met u mede. Zij vertrokken en gingen scheep, en in die nacht vingen zij niets. 4 Toen het reeds morgen werd, stond Jezus aan de oever; de discipelen wisten echter niet, dat het Jezus was. 5 Jezus zeide tot hen: Kinderen, hebt gij ook enige toespijs? Zij antwoordden Hem: Neen. (want zij hadden immers niets gevangen). 6 Hij nu zeide tot hen: Werpt uw net uit aan de rechterzijde van het schip en gij zult vinden. (Die “rechterzijde” is in Gods Woord een ereplaats, dat is een speciale plaats, waar ook alle uitverkorenen geplaatst zullen worden in Christus, dat is de plaats waar Christus is, aan de rechterzijde van Gods troon, eigenlijk in de macht van God! En juist daar “aan de rechterzijde”werden die “vissen” gevangen).

  • 6b Zij wierpen het (net) uit en konden het niet meer trekken vanwege de menigte der vissen. 7 Die discipel dan, dien Jezus liefhad, zeide tot Petrus: Het is de Here. Simon Petrus dan, toen hij hoorde, dat het de Here was, sloeg zijn opperkleed om, want hij was ongekleed, en wierp zich in zee; 8 maar de andere discipelen kwamen met het schip, want zij waren niet ver van het land, slechts ongeveer tweehonderd el (ca 120 m), en zij sleepten het net met de vissen. 9 Toen zij dan aan land gekomen waren, zagen zij een kolenvuur liggen en vis daarop en brood. 10 Jezus zeide tot hen: Brengt van de vissen, die gij thans gevangen hebt. 11 Simon Petrus ging aan boord en sleepte het net aan land, vol grote vissen, honderd drieënvijftig; en hoewel er zovele waren, scheurde het net niet.”

 

De Bijbel vertelt expliciet dat er 153 vissen in het net waren.

Voor Joden hebben getallen vaak een specifieke betekenis. Doordat letters van het Hebreeuwse en Griekse alfabet ook als cijfers kunnen worden gebruikt is elk woord eveneens een getal.

 

Wanneer we deze dingen onderzoeken, dan komen we tot prachtige ontdekkingen. U weet dat alle woorden in de Bijbel een getalswaarde hebben. Nu blijkt dat 153 de getalswaarde is van het woord Paaslam.

 

Voor de liefhebber: Hier volgen de getalswaarden van de 22 letters:

'alef = 1; bet = 2; gimel = 3; dalet = 4; he = 5; waw = 6; zajin = 7; chet = 8; tet = 9; jod = 10; kaf = 11 en 20; lamed = 12 en 30; mem = 13 en 40; nun = 14 en 50; samek = 15 en 60; 'ajin = 16 en 70; pe = 17 en 80; tsade = 18 en 90; qof = 19 en 100; resj = 20 en 200; sin/sjin = 21 en 300; taw = 22 en 400.

 

Over de 153 vissen, die de discipelen van de Heere Jezus volgens Johannes 21:11 op diens aanwijzingen gevangen zouden hebben, is veel gespeculeerd. Maar dat gaan we niet doen. De enig juiste verklaring is dat met de 153 vissen de gelovigen, die door het Johannes Evangelie uit alle volken worden verzameld, worden gesymboliseeerd.

 

Wanneer er getallen in het Woord worden genoemd, is dat nooit zomaar. Het aantal van 153 vissen is niet toevallig. En wanneer we gaan onderzoeken, wat dit betekent dan vinden we prachtige dingen. Het getal 153 vertegenwoordigt alle gelovigen. Het getal 153 is namelijk de totale getalswaarde van het Hebreeuwse begrip “kinderen Gods”.

 

Het getal 153 is de getalswaarde van de negen (!) letters van de Hebreeuwse woorden bnj h'lhjm (= “beneej haa-èloohiem”), en dat woord betekent “kinderen van God” (2 + 50 + 10 + 5 + 1 + 30 + 5 + 10 + 40 = 153).

 

Dit betekent in feite dat de opgestaane Heere Jezus aan Zijn discipelen eigenlijk een profetisch vergezicht geeft aangaande de verzameling van de gelovigen, de kinderen Gods die verzameld zullen worden uit de wereld.

 

Dus wie werden er met de netten verzameld? 153 vissen: “beneej haa-èloohiem”, en dat woord betekent “kinderen van God”.

 

Hebreeuwse Letter

Naam

Getalswaarde

ב

bet

2

נ

noen

50

י

jod

10

ה

hee

5

א

alef

1

ל

lamed

30

ה

hee

5

י

jod

10

מ

mem

40

 

Totaal

153

 

Maar er is nog meer aan de hand met dit getal 153.

 

153 is het driehoeksgetal van 17, wat betekent dat de som van de getallen 1 t/m 17 = 153. Dus 1+2+3+4+5+6+7+8...........+ 17 = 153.

 

De Naam van God is JaHWeH, in het Hebreeuws “JHWH” = 10+5+6+5 = 26.

 

Maar in het Hebreeuws mag je ook nog een andere berekening van die getallen maken, en dan kom je op een ander getal voor JHWH, namelijk 1+0+5+6+5=17

(De “Jod” is dan gerekend als 1 + 0)

 

Het getal 153 is tevens een veelvoud van het Godsnaamgetal 17 (9 x 17 = 153).

 

De symbolische betekenis van het getal 17 overal elders in de Bijbel ligt daarin, dat het als Godsnaamgetal de aanwezigheid van God tot uitdrukking brengt. In dit geval van het achtste teken symboliseert het Gods aanwezigheid bij het bijeenbrengen van de 'kinderen van God'. Het is dus Gods werk!

 

153 = 17 x 9.

De 17 kan staan voor de 17de dag van het jaar, de 17de dag van de eerste maand, de dag van de opstanding van Christus (17 Nisan). Op de 10de van de eerste maand nam men het paaslam in huis en was de "intocht" in Jeruzalem.

Een week later stond de Heer op uit de dood en was het dus de 17de van de eerste maand.

 

Israël trok op de 17de van de eerste maand door de Schelfzee. Een beeld van opstanding. De 17de was ook de dag waarop de ark van Noach rustte op de berg Araràt. Dat was weliswaar de 17de van de zevende maand, maar later wordt die zevende maand toch tot eerste maand gesteld. Dan krijgt de nieuwe wereld als het ware gestalte.

 

Als je het uitrekent blijkt diezelfde 17de dag ook de dag te zijn waarop Abraham in Kanaän aankwam, hoewel het niet expliciet vermeld staat.

 

De 17de was ook de datum waarop Esther voor de koning verscheen en redding kreeg. En het zou mij niets verbazen, dat de Heere straks terug komt op een 17e dag van een maand. Maar dat weet natuurlijk niemand, maar het zou niet vreemd zijn.

 

153 = 17 x 9.

Dus 17 wijst op de opstanding van Christus en op een nieuw begin. Maar ook het getal 9 wijst op alles wat met Christus te maken heeft.

 

We hebben gezien dat woord bnj h'lhjm (= “beneej haa-èloohiem”), dat woord bestaat uit negen letters in het Hebreeuws.

 

Het getal 9 heeft in de Bijbel te maken met geboren worden, lijden en beproeving, dus wijst op datgene wat de wedergeborenen zullen meemaken.

 

Maar bij dat alles is Christus aanwezig!!!

 

Conclusie: Door de opstandingskracht van God stond de Zoon van God op de 17e dag van de maand Nisan op en toen werd het begin van de nieuwe schepping een feit. Maar Hij was de eerste van vele “Zonen Gods” die Hem zullen volgen. Al deze zonen worden in de Bijbel ook aangeduid als eerstelingen.

 

Dit proces van geboren worden in de nieuwe schepping wordt gesymboliseerd door het getal 9: het getal van de geboorte (van de zonen) door lijden en beproeving heen. Zo zien we dat het getal negen ook duidelijk te maken heeft met het vangen van die 153 vissen. Die gelovigen zullen door hun geboorte, hun wedergeboorte te maken krijgen met lijden en beproeving om Christus wil.

De volgende keer gaan we verder met het getal 153.

 

De dispensationele plaats van het Johannes Evangelie (5)

 

De vorige keer hebben we het gehad over de visvangst van de 153 vissen, en we zagen: 153=17x9. Het getal 9 is ook het kwadraat van 3. (3 x 3 = 9).

Drie heeft te maken met de dag van de opstanding. 3 maal 3 (= 3 kwadraat) spreekt over de vervulling van de 3, namelijk dat dingen gestalte krijgen.

Drie staat immers niet alleen voor opstanding, maar ook voor dingen die compleet en voltooid zijn.

 

Het getal 153 is ook de getalswaarde van het woord “uitstrooien of uitwerpen”, wat weer ziet op het uitstrooien, het verspreiden van het Evangelie van Johannes over de wereld. En zoals we hebben gezien is de Heere zeer nauw betrokken bij het “uitstrooien” van het Evangelie.

 

In dit verband is de tekst uit Joh 3:16 heel duidelijk:

  • “Want alzo lief heeft God de wereld gehad, dat Hij zijn eniggeboren Zoon gegeven heeft, opdat een ieder, die in Hem gelooft, niet verloren ga, maar eeuwig leven hebbe. 17 Want God heeft zijn Zoon niet in de wereld gezonden, opdat Hij de wereld veroordele, maar opdat de wereld door Hem behouden worde.”

 

Het is de boodschap van redding en verlossing door het volbrachte werk van onze Heiland. Een boodschap aan de wereld, nadat Israël Lo-Ammi was geworden. Een boodschap die door het Johannes Evangelie naar deze wereld wordt gebracht.

 

Nog even terug naar de Naam van God. Die is Jahweh, in het Hebreeuws "JHWH" = 10+5+6+5 = 26. Het getal 17 (1+0+5+6+5) hebben we de vorige keer behandeld, maar nu nog even naar dat getal 26.

26:2=13. En 13 is een mooi getal, zo we zullen zien.

Dus 2x13 zit opgesloten in de naam van God, zoals de Vader én de Zoon samen de Godheid vormen.

 

Het getal DERTIEN

Het getal dertien wordt door de wereld gezien als het ongeluksgetal. Zelfs het woord “ongeluksgetal” heeft dertien letters. Vrijdag de dertiende wordt in veel landen als een ongelukkige dag beschouwd, in Spaans- en Griekstalige landen is dat dinsdag de dertiende. De angst voor het getal dertien heet “Tris-kai-de-ka- fobie.” In verband met het bijgeloof rond het getal 13 hebben in de Verenigde Staten sommige hotels geen kamer 13 en sommige gebouwen geen 13e verdieping (boven de 12e verdieping is dan de 14e). In Parijs ligt een straat waarbij huisnummer 13 is overgeslagen. In vrijwel ieder vliegtuig is er geen rij 13; op rij 12 volgt rij 14. In de autosport wordt traditioneel geen startnummer 13 toegekend.

Zo werd Gerard van het Reve, die op 13 december is geboren, ingeschreven op de 14e. Maar ik ken een jongetje, die geboren is op 13 augustus 2014, en ook op die 13 augustus is ingeschreven! Zijn naam is Rayhèno.

 

Voor wat betreft het getal dertien is er ook een theorie die teruggrijpt op de oude Egyptische kalender, en persoonlijk denk ik dat die “Tris-kai-de-ka-fobie” daar zijn oorsprong heeft.

Die Egyptische kalender telde 12 maanden van 30 dagen en had dus 5 extra dagen nodig om het jaar vol te maken. Die 5 dagen vielen in een extra 13e maand van 5 dagen, met op elke dag de verjaardag van een belangrijke god.

In die dertiende maand moest men zich zeer beheerst gedragen en niets bijzonders ondernemen om niet de toorn van de betreffende god op te wekken.

Aldus ontstonden al die meningen en dat bijgeloof over het getal 13.

 

Maar wat zegt de Bijbel over dit getal 13?

 

We kennen de tekst uit Deut 6:4:

  • “Hoor, Israël: de Here is onze God; de Here is één!”

 

De getalswaarde van het telwoord “één”, is in het Hebreeuws “èchad” = chd, = אחד . De getalswaarde van dit Hebreeuwse woord is 1 + 8 + 4 = 13.

Hierbij moeten we er acht op slaan dat het Hebreeuws alleen maar medeklinkers kent, en dit geval dus maar drie letters telt (chd).

Dit woord met dit getal 13 komt veelal voor in teksten waarin over de éénheid en enigheid en uniekheid van God wordt gesproken. [in de grondtekst komt het 476 voor].

Het feit dat het getal 13 in de Bijbel naar de uniekheid van God verwijst, laat zien hoe ver het latere bijgeloof, als zou 13 een ongeluksgetal zijn, van de Bijbelse traditie af staat.

Dit laat tevens zien dat bijgeloof leidt tot afgoderij, en dat afgoderij (= van God af) door satan wordt aangemoedigd. Mogen we dan stellen, dat satan er alles aan gelegen is, om alles wat maar enigszins op God wijst, zoals het prachtige getal 13, in een kwaad daglicht te stellen?

 

Paulus wordt wel eens de dertiende apostel genoemd. Dat krijgt in dit licht wel een bijzondere betekenis. Hij was uniek! Want Paulus was echt een apostel van Jezus Christus, en Hij sprak voluit over Zijn Heiland met groot gezag.

 

We hebben dus gezien dat “JHWH” het getal 26 vertegenwoordigt.

26:2=13, dan zien we eigenlijk door die getalswaarden 26 en 13, in de Naam JHWH zit opgesloten: De Vader én de Zoon. Twee keer 13. Twee keer de uniekheid van God!

En dan krijgt de tekst uit Joh 10:30 nog meer inhoud, waar staat:

  • “De Heere getuigde weer van Zichzelf: “Ik en de Vader zijn één.”

 

Zo zien we wat soms één woord of één getal (153) ons wil meedelen. En in dit alles zien we hoe geweldig bijzonder Gods Woord in elkaar zit. Onvoorstelbaar rijk. Wanneer we al deze dingen overdenken, dan wordt het des te meer duidelijk door alles wat we hebben behandeld in welke tijd we het Johannes Evangelie moeten plaatsen.

En daarom is dat laatste, achtste teken van die wonderbare visvangst een heel duidelijk teken waarin de Heere laat zien, wat de bedoeling is van het Johannes Evangelie, het verzamelen van “beneej haa-èloohiem”, van de “kinderen van God”

 

Goed, we gaan verder met het Johannes Evangelie.

 

Schapen

 

Die 153 vissen, die “beneej haa-èloohiem” worden in het Johannes Evangelie de schapen genoemd. Maar dan wel de schapen die willen horen!

Uiteindelijk zal het worden: De gelovige heidenen samen met het gelovig overblijfsel van Israël, onder één herder, en het zal zijn één kudde, waarvan Jesaja al profeteerde.

 

Jes 56:6-8:

  • “En de vreemdelingen die zich bij de HERE aansloten om Hem te dienen, en om de naam des HEREN lief te hebben, om Hem tot knechten te zijn, allen die de sabbat onderhouden, zodat zij hem niet ontheiligen, en die vasthouden aan mijn verbond: hen (die vreemdelingen) zal Ik brengen naar mijn heilige berg en Ik zal hun vreugde bereiden in mijn bedehuis; hun brandoffers en hun slachtoffers zullen welgevallig zijn op mijn altaar, want mijn huis zal een bedehuis heten voor alle volken. Het woord van de Here HERE, die de verdrevenen van Israël bijeenbrengt, luidt: Ik zal daartoe (dus naast Israël) nog meerderen bijeenbrengen, dan er reeds toegebracht zijn.” (HSV Ik zal er tot Hem nog meer bijeenbrengen, naast hen die al tot Hem bijeengebracht zijn.)

 

Wanneer we zeker willen weten, wie die vreemdelingen zijn, dan moeten we dat woord onderzoeken. Voor vreemdelingen vinden we het woord “e-nkr”. Voor wat betreft “de mensen” vinden we dit woord slechts twee keer in de grondtekst, en wel in Jes 56:3 en vers 6.

Verder vinden we dit woord nog 7 keer, maar dan altijd in het verband met “vreemde goden” die uit het midden van Israël moesten worden verwijderd.

En net zo goed die vreemde goden absoluut niet in het midden van Israël thuishoorden, hoorden die vreemdelingen ook van oorsprong niet thuis in het midden van Israël. Het waren echt buitenstaanders v.w.b het volk Israël. En toch zullen die gelovige vreemdelingen, de heidenen, worden bijeengebracht door de Heere onder één Herder.

 

En wanneer we dan gaan naar Johannes 10, vinden we daar niet hetzelfde?

  • “Nog andere (= allos) schapen heb Ik, die niet van deze stal (niet van Israël = Lo-Ammi) zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem (in deze 2000 jaar) horen en het zal worden één kudde, één herder.” (Joh 10:16).

 

Voor de volledigheid wil ik graag even stilstaan bij ons woordje “andere”. In het Grieks kennen we namelijk twee woorden, “allos” en “heteros”, die in het Nederlands beide met “andere” worden vertaald. Onderstaande voorbeelden maken het verschil duidelijk.

  • “En Ik zal de Vader bidden en Hij zal u een andere (= allos) Trooster geven om tot in eeuwigheid bij u te zijn.” (Joh 14:16) [= een trooster van dezelfde soort]

  • “Totdat er over Egypte een andere (heteros) koning aan het bewind kwam, die Jozef niet gekend had.” (Hand 7:18) [=een hele andere koning van een totaal andere soort]

 

“Allos” geeft weer dat die “andere” wel een andere is, maar van dezelfde soort.

“Heteros” geeft weer dat die “andere” een totaal andere is, van een heel andere soort. En in de tekst van Joh 10 staat het woordje “allos”, dat weergeeft dat die “andere” schapen van dezelfde soort zijn. Het betreft schapen van dezelfde soort, omdat zij gelovigen zijn! Ook zij horen naar de stem van de herder, en het betreft dus gelovigen. Ze staan op hetzelfde fundament, “Jezus Christus en dien gekruisigd”, en zijn daarom van dezelfde soort.

 

Broeders en zusters, het gaat hier in Johannes om het Evangelie aan de wereld, in deze 2000 jaar, wie betreft dit dan? Wie zijn die “andere” schapen?

In de afgelopen 2000 jaar is er een enorme groep mensen tot geloof gekomen, die niet van Israël zijn, en wel naar Christus stem horen, en samen zullen zij als gasten verschijnen op de bruiloft des Lams. Daar sprak de Heere Jezus immers al van in Zijn gelijkenis.

 

Wanneer we willen weten wie die schapen zijn, dan gaan we lezen wat de Heere over die schapen zegt: Joh 10:

  • Vers 7: “Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen.”

  • Vers 9: “Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden.” (voor wie geldt dit? Alleen voor Israël? Nee, voor allen die Hem aannemen).

  • Vers 10: “Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.” Ja, dat was wel de bedoeling voor Israël, maar wat hebben we ook al weer eerder gelezen in Joh 1:11-12? “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen. Doch allen, die Hem aangenomen hebben, (zowel Jood als Griek) hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven.”

  • Vers 11: “Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen.” 17x9=153. De Heere is er van alle kanten bij!

 

Voor wie heeft de Heere Zijn leven ingezet? Voor wie heeft de Heere aan het kruis gehangen? Voor de zonde der gehele wereld!

  • Vers 14 -15: “Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen.” Voor “beneej haa-èloohiem”, voor de “kinderen van God

 

De dispensationele plaats van het Johannes Evangelie (6)

 

De vorige keer hadden we het over de “schapen. De laatste tekst die we toen hebben gelezen was Joh 10:14 -15:

  • “Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen.” De Heere heeft Zijn leven ingezet voor “beneej haa-èloohiem”, voor de “kinderen van God.”

 

Geldt dit alleen voor Joden, of is dit evangelie voor een ieder die het hoort en gelooft? Het is treffend, wat de Heere in Johannes 10:26 tegen Israël zegt:

  • “Maar gij (Israëlieten) gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.”

 

Daarentegen zegt de Heere over de schapen: vers 27

  • “Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid en niemand zal ze uit mijn hand roven.” (Joh 10:27-28)

 

Ik geloof dat dit voor alle gelovigen geldt! En dan gaan we nogmaals terug naar Joh 10:16:

  • “Nog andere schapen heb Ik, die niet van deze stal zijn (in de context geplaatst betekent dit dat die andere schapen niet van Israël, niet van de 12 stammen zijn); ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.”

 

We moeten goed bedenken:

Al de schapen Israëls waren van dezelfde stal, de Heere was niet terug gekomen om zijn koningschap op te richten voor twee stammen, maar Zijn komst in vernedering naar deze aarde was om Koning te worden van de 12 stammen.

Wie werden in Handelingen 28 terzijde gesteld? De twee stammen? Of de 10 stammen? Nee, broeders en zusters, in Handelingen 28 werden alle 12 stammen, zijnde gans Israël terzijde gesteld.

Reeds in het eerste hoofdstuk van het Johannes Evangelie is Johannes duidelijk:

  • “Hij kwam tot het zijne, en de zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Dit is duidelijke taal, vooral wanneer we beseffen dat het Johannes Evangelie na Handelingen 28 is geschreven. Maar Johannes laat ons meer weten en hij gaat verder in het volgende vers 12: “Doch (= echter, maar....) allen, die Hem aangenomen hebben, hun heeft Hij macht gegeven om kinderen Gods te worden, hun, die in zijn naam geloven.”

 

Wanneer er dan ook nog andere schapen zijn, die niet van deze stal, lees daarom: die niet van Israël, die niet van de 12 stammen zijn, waar zijn ze dan van? Dan zijn die andere schapen de heidenen, die tot geloof komen.

Wanneer het over schapen gaat, heeft het dan altijd betrekking op Israël? Natuurlijk zal meestal Israël worden bedoeld wanneer het over schapen gaat, want 97 % van het Woord gaat over Israël, dus meeste kans dat “schapen” op Israël slaat. Maar daarnaast ontdekken we bovendien dat schapen altijd te maken heeft met geloof, of met gelovigen in het algemeen.

Wanneer er bijvoorbeeld in Math 25:32 sprake is van de scheiding van volken, worden die volken daar genoemd “schapen en bokken”, dus betreft daar “schapen” ook heidenen.

  • Ook in Hand 20, en 1 Kor 9 en 1 Petr 5, brieven, geschreven in de Handelingen tijd, gaat het over een kudde schapen.

  • En we weten dat in die Handelingen tijd gelovige heidenen waren geënt op de edele olijf, en deel hadden aan de zegeningen van Israël, en behoorden tot de gemeente van eerstgeborenen, en in die context behoorden ook heidenen tot de kudde schapen. Lees de teksten maar: Hand 20:28-29, 1 Kor 9:7 en 1 Petr 5:2-3.

 

We moeten proberen deze dingen te zien in een groter geheel. Daarmee plaatsen we deze dingen in een grotere context. En om deze dingen aangaande de “schapen” goed te verstaan is het zinvol om Joh 10 met Matt 22 te vergelijken:

We zien in Joh 10 eigenlijk hetzelfde gebeuren als datgene waar de Heere het in Math 22 ook al over heeft. Math 22 wijst naar de tijd dat de Heere terug komt op aarde. Zowel in Math 22, als in Joh 10 spreekt de Heere over de toekomst, over de tijd dat Hij Koning zal zijn.

 

Wanneer we in Math 22 lezen

  • “dat de bruiloftszaal vol zal worden met hen die aanlagen”,

En wanneer we in Joh 10 lezen

  • “dat het zal worden één kudde en één Herder”,

Dan weten we over welke tijd dat gaat. Het gaat over hetzelfde onderwerp.

Beide Bijbel-gedeelten moeten we dan ook lezen in die toekomende tijd.

 

Het is wel bijzonder, maar die gelijkenis uit Mat 22 kunnen we bijna letterlijk leggen op Johannes 10. Leest u het thuis maar eens na.

 

Math 22

De Heere spreekt die gelijkenis in Math 22:

  • de Koning stuurt zijn slaven om de genodigden (Israël) te roepen,

  • maar tot twee keer toe wilden die genodigden niet komen,

  • en uiteindelijk worden de slaven uitgezonden om allen aan de kruispunten der wegen te nodigen voor de bruiloft van het Lam.

 

En op het eind lezen we:

  • “En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.”

 

Leest u voor uzelf die gelijkenis maar eens. Math 22:1-10:

  • “En Jezus antwoordde en sprak wederom in gelijkenissen tot hen en zeide: 2 Het Koninkrijk der hemelen is gelijk aan een koning, die voor zijn zoon een bruiloft aanrichtte. 3 En hij zond zijn slaven uit om de ter bruiloft genodigden te roepen, doch zij wilden niet komen. (= de eerste afwijzing van Israël) 4 Wederom zond hij andere slaven uit, met de boodschap: Zegt de genodigden: Zie, ik heb mijn maaltijd bereid, mijn ossen en gemeste beesten zijn geslacht en alles is gereed; komt tot de bruiloft. 5 Maar zij sloegen er geen acht op en gingen heen, de een naar zijn akker, de ander naar zijn zaken. 6 De overigen grepen zijn slaven, en zij mishandelden en doodden hen. (= tweede afwijzing van Israël) 7 En de koning werd toornig, en hij zond zijn legers uit en verdelgde die moordenaars en stak hun stad in brand. (Is in 70 na Christus gebeurd) 8 Toen zeide hij tot zijn slaven: De bruiloft is wel gereed, maar de genodigden (= Israël) waren het niet waard. 9 Gaat daarom naar de kruispunten der wegen en nodigt allen, die gij aantreft, tot de bruiloft. 10 En die slaven gingen naar de wegen en verzamelden allen, die zij aantroffen, zowel slechten als goeden. En de bruiloftszaal werd vol met hen, die aanlagen.”

 

Wie werden daar gevonden aan de kruispunten der wegen? Op de handelswegen die vanuit het buitenland Israël doorkruisten? De heidenen.

 

In Johannes 10 vinden we een vergelijkbare geschiedenis:

Joh 10:17-20

  • “Hierom heeft Mij de Vader lief, omdat Ik mijn leven afleg om het weder te nemen. 18 Niemand ontneemt het Mij, maar Ik leg het uit Mijzelf af. Ik heb macht het af te leggen en macht het weder te nemen; dit gebod heb Ik van mijn Vader ontvangen. 19 Er ontstond opnieuw verdeeldheid onder de Joden om die woorden. 20 En velen van hen zeiden: Hij is bezeten en waanzinnig; waarom luistert gij naar Hem?” We zien hier een afwijzing van de Joden.

 

We lezen verder:

Joh 10:30:

  • De Heere getuigde weer van Zichzelf: “Ik en de Vader zijn één. 31 De Joden droegen weder stenen aan om Hem te stenigen. (weer ongeloof van de Joden) 32 Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken doen zien vanwege mijn Vader; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? 33 De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt. 34 Jezus antwoordde hun: Is er niet geschreven in uw wet: Ik heb gezegd: Gij zijt goden? 35 Als Hij hén goden genoemd heeft, tot wie het woord Gods gekomen is, en de Schrift niet kan gebroken worden, 36 zegt gij dan tot Hem, die de Vader geheiligd en in de wereld gezonden heeft: Gij lastert, omdat Ik heb gezegd: Ik ben Gods Zoon? 37 Indien Ik de werken mijns Vaders niet doe, gelooft Mij niet, 38 doch indien Ik ze doe en gij Mij toch niet gelooft, gelooft dan de werken, opdat gij weten en erkennen moogt, dat de Vader in Mij is en Ik in de Vader.

 

En tot slot in Joh 10:39

  • Zij trachtten Hem dan weder te grijpen, (weer ongeloof) maar Hij ontkwam uit hun handen.

 

En dan lezen we waar het uiteindelijk op uit zal lopen lezen:

  • “En het zal worden één kudde, één herder.” Waar gaat het dan over?

  • Zien we in deze hele geschiedenis de paralel tussen Math 22 en Joh 10?

  • In beide gevallen wilde Israël, NIET geloven, en zij verwierpen de Christus.

  • In Math 22 stuurt de koning zijn slaven naar de kruispunten der wegen om allen te nodigen die zij daar aantreffen. (dus heidenen)

  • In Johannes spreekt de Heere over “Mijn schapen”, die naar Zijn stem horen, en dan doelt de Heere niet op de ongelovige Joden, maar op heidenen, waarvan Hij zegt dat ze naar Zijn stem horen, en dat Hij ze kent, en zij volgen Mij, en niemand zal ze uit Zijn hand roven.

 

In beide gevallen gaat het erover dat de plaats van ongelovigen Israëlieten wordt ingenomen door gelovige heidenen. (en dan gaat het over echte heidenen, mensen die niet tot de 12 stammen behoorden). Overigens gebeurde dit ook in de Handelingen periode, ook daar werden heidenen als “takken” geënt op de edele olijf. (Rom 11).

 

Maar laten we voor de duidelijkheid het hele gedeelte van Joh 10 lezen. Dan lezen we in de eerste 10 verzen over de huidige en toekomstige situatie van de kudde onder één herder, waar de Heere over verteld:

  • “Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, wie niet door de deur de schaapskooi binnenkomt, maar op een andere plaats inklimt, die is een dief en een rover; 2 maar wie door de deur (= Christus) binnenkomt, is de herder der schapen. 3 Voor hem doet de deurwachter open en de schapen horen naar zijn stem en hij roept zijn eigen schapen bij name en voert ze naar buiten. 4 Wanneer hij zijn eigen schapen alle naar buiten gebracht heeft, gaat hij voor ze uit en de schapen volgen hem, omdat zij zijn stem kennen; 5 maar een vreemde zullen zij voorzeker niet volgen, doch zij zullen van hem weglopen, omdat zij de stem der vreemden niet kennen. 6 In dit beeld sprak Jezus tot hen, maar zij begrepen niet, wat het was, dat Hij tot hen sprak. 7 Jezus zeide dan nogmaals: Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u: Ik ben de deur der schapen. 8 Allen, die vóór Mij gekomen zijn, zijn dieven en rovers, maar de schapen hebben naar hen niet gehoord. 9 Ik ben de deur; als iemand door Mij binnenkomt, zal hij behouden worden; en hij zal ingaan en uitgaan en weide vinden. 10 De dief komt niet dan om te stelen en te slachten en te verdelgen; Ik ben gekomen, opdat zij leven hebben en overvloed.”

 

Ja, daarvoor was de Heere naar deze aarde gekomen. Hij kwam tot het Zijne, maar de Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” Dan lezen we verder:

  • “Ik ben de goede herder. De goede herder zet zijn leven in voor zijn schapen.”

 

We weten dat de Heere in eerste kwam voor Israël, om voor Israël het Koninkrijk op te richten. En we weten ook wat daarvan is terecht gekomen. Maar hierbij moeten we ons wel afvragen: “Voor wie heeft de Heere aan het kruis van Golgotha gehangen?” Het antwoord moet zijn: Voor de zonde der gehele wereld! Voor iedereen!

 

Verder lezen we in vers 14:

  • “Ik ben de goede herder en Ik ken de mijne en de mijne kennen Mij, 15 gelijk Mij de Vader kent en Ik de Vader ken, en Ik zet mijn leven in voor de schapen.” (Joh 10:14-15).

 

Hierbij mogen we weer de vraag stellen:

  • Voor wie heeft de Heere Zijn leven ingezet?

  • Voor wie heeft de Heere Zijn leven gegeven? Voor allen!

 

Let op: Schapen wijst in al deze teksten vaak duidelijk op diegenen die GELOVEN! Lees maar het volgende vers:

 

Joh 10:27-29:

  • “Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij, en Ik geef hun eeuwig leven [= het leven van de aionen – meervoud] en zij zullen voorzeker niet verloren gaan in eeuwigheid [in de aioon – enkelvoud] en niemand zal ze uit mijn hand roven. Wat mijn Vader Mij gegeven heeft, gaat alles te boven en niemand kan iets roven uit de hand mijns Vaders.”

 

En wanneer de Heere hier spreekt over Mijn schapen, over wie heeft Hij het dan? Dan heeft de Heere het over gelovigen, die horen, en die gevolg geven aan Zijn roepstem. Eigenlijk staat hier veel in deze tekst. Die schapen (gelovigen) zullen niet verloren gaan in de (toekomende) eeuwen, en niemand zal hen kunnen roven uit Christus' hand. Dit betekent dat hen ook het toekomstig Koninkrijk in de volgende aioon ten deel zal vallen, en dat ze tevens de aioon daaropvolgend zullen meemaken, waarin “God alles in allen” zal plaatsten.

 

In dit verband moeten we goed in het oog houden wat we lezen in Johannes:

  • “En Jezus wandelde in de tempel, in de zuilengang van Salomo. De Joden dan omringden Hem en zeiden tot Hem: Hoelang houdt Gij onze ziel nog in spanning? Indien Gij de Christus zijt, zeg het ons ronduit. Jezus antwoordde hun: Ik heb het u gezegd en gij gelooft het niet; de werken, die Ik doe in de naam mijns Vaders, die getuigen van Mij; maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort. Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.” (Joh 10:23-27).

 

De Heere zei: “Ik heb U gezegd Wie Ik ben, maar Gij gelooft het niet.” En even later lezen we dat de Joden zich zo intens ergerden aan de woorden van de Heere, dat ze Hem zelfs wilden stenigen: (Joh 10:31-33).

  • “De Joden droegen weder stenen aan om Hem te stenigen. Jezus antwoordde hun: Ik heb u vele goede werken doen zien vanwege mijn Vader; om welk van die werken wilt gij Mij stenigen? De Joden antwoordden Hem: Niet om een goed werk willen wij U stenigen, maar om godslastering en omdat Gij, een mens, Uzelf God maakt.”

 

Met dit gegeven gaan we nogmaals Joh 10:16 lezen:

  • “Nog andere [“allos” = andere van dezelfde soort = ook gelovigen] schapen heb Ik, die niet van deze stal [= die niet van de stal van Israël zijn] zijn; ook die moet Ik leiden en zij zullen naar mijn stem horen en het zal worden één kudde, één herder.”

 

Het is in dit verband heel treffend, dat de Heere zelf tegen de Joden zegt in Joh 10:26:

  • “Maar gij gelooft niet, omdat gij niet tot mijn schapen behoort.”

 

Voor de duidelijkheid nogmaals: Wanneer de Heere zelf tot Israël zegt dat zij niet geloofden, en daarom niet tot Zijn schapen behoorden, over wie heeft de heere het dan wel, wanneer Hij zegt “Mijn schapen horen naar mijn stem en Ik ken ze en zij volgen Mij.” Dan spreekt de Heere over gelovige heidenen, die wel willen horen!

 

En weet u wie er ook tot Zijn schapen behoorden?

Allen die tot geloof kwamen daar in Samaria, waar de Heere twee dagen verbleef. En zo zien we temeer, dat het Johannes evangelie voor de heidenen is geschreven, opdat zij zouden geloven!

 

De dispensationele plaats van het Johannes Evangelie (7)

 

We gaan verder met de “schapen” uit Joh 10, waar we in het vorige deel mee bezig waren. Nog een heel bijzondere tekst in dit verband staat er in Joh 11:47-52:

  • “De overpriesters en de Farizeeën dan riepen de Raad samen en zeiden: Wat doen wij, want deze mens doet vele tekenen? 48 Als wij Hem zo laten geworden, zullen allen in Hem geloven en de Romeinen zullen komen en ons zowel onze plaats als ons volk ontnemen. 49 Maar één van hen, Kajafas, de hogepriester van dat jaar, zeide tot hen: Gij weet niets, 50 en gij beseft niet, dat het in uw belang is, dat één mens sterft voor het volk en niet het gehele volk verloren gaat. 51 Doch dit zeide hij niet uit zichzelf, maar als hogepriester van dat jaar profeteerde hij, dat Jezus zou sterven voor het volk, 52 en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen.”

 

Dit is eigenlijk een heel bijzondere tekst. Prachtig te lezen, hoe Johannes hier ons door de Heilige Geest meedeelt hoe Kajafas een profetie uitsprak over het sterven van de Heere Jezus tot redding van de mensen. En wanneer we ons dan realiseren, dat Johannes dit na Handelingen 28 opschreef, dan wordt uit de woorden “dat Jezus zou sterven voor het volk, 52 en niet alleen voor het volk, maar om ook de verstrooide kinderen Gods bijeen te vergaderen”, ook duidelijk dat naast Israël ook de kinderen Gods uit de heidenen worden bedoeld.

 

Wanneer we nu uit het Woord weten, dat Johannes net als de andere apostelen door de Heere zelf ná zijn opstanding onderwezen is aangaande de dingen van het Koninkrijk Gods (Hand 1:2-4), en van de Heere de opdracht kreeg om tot de verloren schapen van het huis Israëls te gaan met hun boodschap, dan mogen we veronderstellen dat ook Johannes dat gedaan heeft.

Dan kan hij onmogelijk in de periode tot Handelingen 28 zijn Evangelie aan de wereld schrijven.

En dan kan hij ook pas na Handelingen 28, na de terzijde plaatsing van Israël schrijven: “De Zijnen hebben Hem niet aangenomen.” En daarna (ruim na Handelingen 28) kan Johannes zijn Evangelie aan de wereld schrijven, wat vol van genade is voor een ieder die dat wil geloven!

 

We moeten overigens tevens goed beseffen wie er in Handelingen 28 terzijde werden gezet, wanneer we lezen over de profetie van Jesaja in Handelingen 28:26-27. Daar werd het gehele volk Israël, alle 12 stammen terzijde geplaatst door de Heere. Daar werd de gehele olijfboom omgehakt. Dit betreft alle 12 stammen Israëls. En daarna wordt het heil (= Christus) naar de heidenen gezonden, en die zullen dan ook horen! (Hand 28:28). In de eerste plaats konden ze horen naar de apostel Paulus, en uiteindelijk konden ze horen naar het Evangelie van de apostel Johannes. Dát is rijkdom van genade voor de wereld!

 

Tot Slot

Nog een gedeelte uit de Kolossenzen brief. Paulus begint de brief in Kol 1:2 met:

  • “Aan de heilige en gelovige broeders in Christus te Kolosse.

  • Eigenlijk staat er: Aan de apart geplaatste en getrouwe broeders te Kolosse.

 

Kol 1:3-5

  • “Wij danken God, de Vader van onze Here Jezus [Christus], te allen tijde bij ons bidden voor u, 4 daar wij gehoord hebben van uw geloof in Christus Jezus en van de liefde, die gij al de heiligen toedraagt, 5 om de hoop, die voor u is weggelegd in de hemelen.”

 

Kol 1:9-12

  • “Daarom houden ook wij sedert de dag, dat wij dit gehoord hebben, niet op voor u te bidden en te vragen, dat gij met de rechte kennis van zijn wil vervuld moogt worden, in alle wijsheid en geestelijk inzicht, 10 om de Here waardig te wandelen, Hem in alles te behagen, in alle goed werk vrucht te dragen en op te wassen in de rechte kennis van God. 11 Zo wordt gij met alle kracht bekrachtigd naar de macht zijner heerlijkheid tot alle volharding en geduld, 12 en dankt gij met blijdschap de Vader, die u toebereid heeft voor het erfdeel der heiligen in het licht.” (Kol 1:9-12)

 

Ja, dit zouden we eigenlijk moeten laten bezinken bij onszelf in ons hart. En wanneer we deze dingen laten bezinken in ons hart, en er zó persoonlijk mee aan de slag gaan, dan krijg je geestelijk onderscheidings vermogen, dan krijg je geestelijk inzicht in Gods plan, in Gods voornemen, en dan ontvang je geopende ogen des harten. Dan gaat het voor je leven.

 

En dan ga je, natuurlijk de Meester, de Heere, die de ander de voeten wastte,

  • dan ga je waardig wandelen,

  • dan ga je ook automatisch de ander de voeten wassen,

  • dan ga je ook te allen tijde de eenheid des geestes bewaren door de band des vredes.

  • Ga je samen lopen op de renbaan.

 

Het begint dus bij onze gezindheid, het vernieuwd worden, het verjongd worden van de geest van ons denken,

  • Dan als gevolg daarvan zal die wandel vanzelf volgen,

  • omdat je inzicht krijgt in je roeping, en wat daar allemaal aan vast zit.

  • Dan zal je groeien in het geloof, omdat je je op Christus richt.

 

En als je je zó op Christus zo richt, en met Christus zó de weg gaat, dan is het niet allen zo, zoals je vaak in getuigenissen hoort van:

  • “20 jaar geleden heb ik Christus aanvaard, en dat was het geestelijk hoogtepunt in mijn leven.”

 

Nee, dan gaat het in ons leven van hoogtepunt naar hoogtepunt, van Feest tot Feest, want dan leidt God je in Zijn grote genade van heerlijkheid tot heerlijkheid. En dan denk je misschien, het kan niet mooier, en het wordt toch steeds mooier. En dan zijn we eigenlijk bij Efeze 1:3, bij al de geestelijke zegeningen die ons bij dat wandelen één voor één worden geschonken, en die we één voor één mogen ontdekken, door de geopende ogen, die we door genade hebben mogen ontvangen.

 

Nog een tekst ui de Efeze brief wil ik tot slot u meegeven:

  • “Als gevangene in de Here, vermaan ik u dan te wandelen waardig der roeping, waarmede gij geroepen zijt, met alle nederigheid en zachtmoedigheid, met lankmoedigheid, en elkander in liefde te verdragen, en u te beijveren de eenheid des Geestes te bewaren door de band des vredes: één lichaam en één Geest, gelijk gij ook geroepen zijt in de ene hoop uwer roeping.” (Ef 4:1-4).

 

Als laatste:

Waarom heb ik nu deze bijbelstudie met u behandeld, broeders en zusters?

Om door het Woord duidelijk te maken dat beide bedieningen, zowel van Johannes als van Paulus in deze tijd werkzaam zijn.

En dat de Heere door beide bedieningen in deze tijd tot Zijn doel komt.

En wanneer we dat op de juiste wijze zijn belangrijke plaats geven in het Woord van God, dan zullen we de overige Schriften beter verstaan, en die Schriften recht kunnen indelen. Want wanneer we dat niet doen, en het Johannes Evangelie niet zijn juiste plaats geven, dan blijft er voor deze tijd maar één Evangelie over, en dat zijn de late brieven van Paulus.

En dan is het gevaar zeer groot dat alle gelovigen onder dat éne Evangelie van Paulus worden geplaatst.

En dan gaan we het Woord vanuit die gedachte kloppend maken:

  • Dan kan ook niemand de erfenis missen, terwijl Kol duidelijk zegt dat je gediskwalificeerd kunt worden.

  • Dan wordt van het missen van de prijs = erfenis een krans gemaakt, die je kunt mislopen, wat Bijbels gezien niet klopt.

  • Dan wordt Gods “uitverkiezing uit gelovigen” ook weggeredeneerd.

  • Dan zijn alle gelovigen opeens “heiligen”, apart geplaatsten.

  • Dan is zelfs het lopen van de loopbaan niet meer belangrijk, omdat toch alle gelovigen de erfenis wel krijgen.

  • En zo kan ik nog wel even doorgaan.

 

Door het Johannes Evangelie niet zijn juiste plaatst te geven, krijgen we deze vreemde gedachtengangen. Dan wordt vanuit dát denken de Bijbel uitgelegd.

 

Daarenboven krijgen we dan vreemde uitspraken als: “Ja, alle gelovigen horen wel bij het Lichaam van Christus, maar ze kunnen wel de prijs (= de kroon/krans) missen.”

 

Maar de Bijbel zegt heel duidelijk dat niemand van het Lichaam van Christus de krans of de kroon zal missen. Een heel duidelijk Bijbels bewijs daarvan is de tekst:

Kol 3:4:

  • “Wanneer Christus verschijnt (= “phaneroo”) , die ons leven is, zult ook gijmet Hem verschijnen (= sun “phaneroo”) in heerlijkheid.”

 

In dat eerste gedeelte waar staat “Wanneer Christus verschijnt”, staat voor verschijnen het Griekse woord “phaneroo”. En voor “zult gij verschijnen met” staat in het Grieks: “sun phaneroo”.

Dit is een hele indrukwekkende tekst, die zegt dat allen die tot het Lichaam van Christus behoren op dezelfde manier als Christus (SUN) zullen verschijnen in heerlijkheid.

 

Want dát geeft het woordje “sun” aan, wat hier in verband met Christus verschijning wordt genoemd. Dit is heel belangrijk broeders en zusters, want deze tekst geeft het Bijbels bewijs, dat allen die tot het Lichaam van Christus behoren op exact dezelfde wijze als Christus met Hem zullen verschijnen in heerlijkheid. Kan er dan sprake zijn van het missen van een krans of een kroon voor hen die tot Zijn Lichaam behoren? Onmogelijk!

 

Wanneer we deze grote dingen overdenken, en wanneer we mogen weten, dat Paulus al deze dingen wist, dan gaat de volgende tekst ook veel meer betekenis krijgen: 1 Petr 4:13 (geldt ook voor ons):

  • “Verblijdt u naarmate gij deel hebt aan het lijden van Christus, opdat gij u ook met vreugde zult mogen verblijden bij de openbaring Zijner heerlijkheid.”

 

Voor het Lichaam van Christus: “Sun phaneroo”, broeders en zusters!

 

En daar mogen we naar uitzien. Allen, die tot het Lichaam van Christus behoren zullen in Christus deel krijgen aan die toekomstige verschijning in heerlijkheid. En wanneer we net hebben mogen lezen dat die verschijning in heerlijkheid van het Lichaam van Christus identiek is aan Christus' verschijning in heerlijkheid, dan mogen we ook vaststellen dat allen als onderdeel van de erfenis ook de kroon (of de krans) der rechtvaardigheid vast en zeker zullen ontvangen. Dat heeft Christus bereid voor Zijn Lichaam, en dát mag Paulus ons verkondigen!

En dáár bidt Paulus ook voor, wanneer hij vraagt voor de apart geplaatsten, dat zij mogen krijgen:

  • Verlichte ogen [uws] harten, zodat gij weet, welke hoop zijn roeping wekt, hoe rijk de heerlijkheid is zijner erfenis bij de heiligen (grondtekst: “In het Heilige der Heiligen).” (Ef 1:18).

 

Ik heb de tekst van Kol 3:4 ook reeds genoemd in deel 19 van de bijbelstudie over het Lijden, maar pas enkele weken geleden drong de diepe betekenis van deze tekst echt tot mijn hart door.

En zo werkt dat broeders en zusters, en dat wil ik toch graag op het einde van deze bijbelstudie aan u meegeven. Blijf bezig met het Woord, en u zult ontdekken, dat de Heere bezig blijft met u. Opeens krijg je open ogen voor een tekst, en ga je een tekst begrijpen. De Heere geeft dat op Zijn tijd!

Hij is werkelijk een beloner voor wie Hem ernstig zoeken!

Amen.

 

Bert Boersma, januari 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk