Val van de mens

Deze bijbelstudie omvat twee delen. Als eerste "de Val van de mens", en als tweede, wat ook heel nauw met de val van de mens te maken heeft: "De geweldigen van de Voortijd"

1. De Val van de mens

Samengesteld door Wieb Rodenhuis n.av. een bijbelstudie van broeder Denijs van Zuylekom.

We lezen Gen.2:8-25

  • Voorts plantte de Heere God een hof in Eden, in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had. 9 Ook deed de Heere God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad. 10 Er ontsprong in Eden een rivier om de hof te bevochtigen, en daar splitste zij zich in vier stromen. 11 De naam van de eerste is Pison; deze stroomt om het gehele land Chawila, waar het goud is; 12 en het goud van dat land is goed; daar is de balsemhars en de steen chrysopraas. 13 De naam van de tweede rivier is Gichon; deze stroomt om het gehele land Ethiopië. 14 De naam van de derde rivier is Tigris; deze stroomt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat. 15 En de Here God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. 16 En de Here God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, 17 maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven. 18 En de Here God zeide: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past. 19 En de Here God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten. 20 En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste. 21 Toen deed de Here God een diepe slaap op de mens vallen; en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees. 22 En de Here God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens. 23 Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal „mannin” heten, omdat zij uit de man genomen is. 24 Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn. 25 En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet.”

De eerste bedeling eindigt hier met de val van Adam, die je hier direct na Gen 2 krijgt in Gen. 3. Er lijkt geen twijfel te bestaan, dat deze eerste bedeling, die eigenlijk zijn aanvang neemt in Gen. 2:8, en die door gaat tot Gen. 2:25, dat die eerste bedeling de kortste is van alle bedelingen, die er geweest zijn.

Een verklaring die de rabbijnen hebben op grond van Ps. 49:8:

  • Niemand kan ooit een broeder loskopen, noch Gode zijn losprijs betalen, 9 (Te hoog immers is de prijs voor hun leven, en voor altoos ontoereikend) 10 Dat hij voor immer zou voortleven, de groeve niet zou zien. 11 Veeleer ziet hij, dat wijzen sterven, dat dwazen en redelozen tezamen te gronde gaan en hun vermogen aan anderen nalaten. 12 Hun diepste gedachte is, dat hun huizen altoos zullen bestaan, hun woningen van geslacht tot geslacht; zij noemen de landen naar hun namen.”

Het gaat in dit gedeelte over de mens want, het is altijd ontoereikend dat een mens een ander mens los kan kopen, nooit verlossen kan. Die losprijs kan niet aan God betaald worden, die prijs is altijd te hoog voor iemands leven en dat hij eeuwig zou leven en het graf niet zou zien.

Het enige wat een mens kan doen en gaan denken: “Mijn huis zal voor altijd bestaan.” Als je jezelf belangrijk vindt, dan kan je nog wel je naam achterlaten.

Als je naar het Hebreeuws kijkt, dan zeggen de rabbijnen, dat deze tekst in feite naar Adam verwijst. Zij zien hier dan een getal in, dat Adam niet stand kon houden, hij met al zijn waardigheid. Het verging hem gelijk de dieren:

Ps 49 vers 13:

  • Maar de mens met al zijn praal houdt geen stand; hij is gelijk aan de beesten, die vergaan.”

Uit het Hebreeuws maken de rabbijnen dan op [dat kunnen wij uit het Nederlands hier niet halen] dat hij op de tiende dag na de scheppingsweek is gevallen. Dat dus die eerste bedeling 10 dagen duurde. Een bedeling is een uitdeling van een boodschap. God heeft hier de boodschap aan de mens gegeven om zich te onthouden van maar één boom, een boom der kennis van goed en kwaad. Van alle andere bomen daar mocht hij van eten, maar hij moest zich alleen onthouden van één boom die in het midden van de hof stond.

Verder moest Adam al die dieren en al die vogels en al die levende wezens een naam aan geven, en dat deed Adam ook.

De rabijnen die zeggen: Kijk die periode, hier beschreven van Gen. 2:8 – Gen. 3, waar de mens Adam in de zonde viel, dat is een periode van 10 dagen, omdat de verzoendag op de tiende van de maand, daar dan op zou wijzen.

Als we Gen. 2:8-25 doorlezen komen we niet tot de indruk, dat dat nou een verschrikkelijke lange periode is geweest. Er wordt beschreven, hoe God daar een hof plantte in Eden en die beschrijving is maar heel beperkt. Is beperkt tot de bomen, tot de vier rivieren die de hof water geven. Van alle bomen die in die in de hof geplant werden, worden er maar 2 uitgelicht. Dat is de boom des levens en de boom van kennis van goed en kwaad.

De opdracht is dan daar niet van te eten, want als je dat doet, betekent dat onherroepelijk de dood. Heel veel is geschreven aangaande deze boom der kennis van goed en kwaad en de straf die daarop zou volgen, als je het gebod zou overtreden en je hiervan zou eten.

Als je die verklaringen van de rabbijnen leest, dan moeten we eigenlijk tot de conclusie komen, dat er wel heel veel giswerk wordt verricht, dat wel heel veel fantasie wordt toegevoegd. Laten wij niet verder gaan dan wat de bijbel hierover spreekt.

De woorden die God hierover tegen Adam zegt zijn heel eenvoudig, een kind kan het begrijpen. God geeft hier een waarschuwing, iets is dus verboden met die boom van kennis van goed en kwaad en brengt direkt de dood met zich mee. Zo wordt het tegen Adam en Eva gezegd. Eet je van die boom, van de vrucht van die boom dan zul je onherroepelijk sterven, dan ga je direkt dood. Zo is het echter niet gelopen. Dat oorspronkelijke oordeel, wat God hiervoor zei, die doodstraf die nam in deze geschiedenis een heel andere vorm aan.

Dat God een boom zou planten, die zulke vruchten droeg, is alleen uit te leggen, als we ons realiseren dat God er ongetwijfeld een groter doel mee op het oog had.

We mogen ook gerust aannemen, dat tot dat moment van het eten van die boom, noch Adam, noch Eva enige kennis bezaten van goed en kwaad.

Het ware paradijs met zijn rivieren des levens, met zijn bomen des levens, wordt hier niet geopenbaard. Op de laatste pagina van de Bijbel, daar vind je het ware paradijs van God. Op de begin pagina van de Bijbel vind je alleen maar een schaduwbeeld van het paradijs en in die schaduw, in dat type van het paradijs, daarin waren Adam en Eva geplaatst.

Vaak gaan heel wat verklaringen daar de mist in, want ze spreken over het paradijs, de hof van Eden, alsof dat het ware paradijs is en dat vind je pas aan het eind van de Bijbel. Het ware paradijs overtreft dit paradijs. De schaduw valt vaak in het niet, als de werkelijkheid aan ons wordt geopenbaard.

Wanneer we nadenken over het doel van dit alles, en wat van belang was, dan moeten we ons ook realiseren, dat er op dit moment hier, al reeds gevallen geesten waren, gevallen wezens waren. Die we hier wel niet waarnemen en die ook niet door Adam en Eva werden waargenomen, die zeer waarschijnlijk ook aan Adam en Eva op dit moment volkomen onbekend waren. Adam ging alleen maar met het zichtbare om. Hij gaf aan alle geschapen dieren, allemaal namen, daar is hij heus wel een paar dagen met bezig geweest. Het hele dierenrijk en vogelrijk komt aan hem voorbij, dan ben je wel even bezig.

In dat tijdsbestek, waarvan de rabbijnen zeggen; dat duurde 10 dagen. Aan het eind komt Adam tot de conclusie, dat er geen hulp is die bij hem past. God laat dan een slaap over Adam komen en neemt de rib van Adam, die God uit zijn zijde neemt en formeert God zijn vrouw Eva. Die hij dan noemt mannin.

Adam heeft in die periode geen geestelijk wezen gezien. Toch waren ze er, gevallen geestelijke wezens.

Dat lees je als je in Gen 3:1, dan plotseling staat daar zo’n geestelijk wezen, de slang en die was het listigste van alle dieren des velds, die de Heere God gemaakt had. Deze slang zeide tegen de vrouw: “God heeft zeker wel gezegd; gij zult niet eten van enige boom in de hof ?”

De eerste die we hier dan zien, die Adam en Eva hier dan ook zien, dat is die overdekkende Cherub [beschreven in Ez.28] die gevallen is in de zonde van hoogmoed, die zich ook schitterend voordoet aan Eva als een geestelijk wezen.

We moeten ons realiseren, dat de Schrift niet spreekt over het voornemen van de verlossing als iets wat God wel moest inbrengen als een remedie tegen het kwaad dat Adam de schepping heeft binnen gehaald, door zijn ongehoorzaamheid. Want de verlossing was al geplant voordat de mens was geschapen. De verlossing is niet een gevolg van de val van de mens. Jezus Christus was al bestemd als het Lam Gods, van voor de grondlegging der wereld, of beter vertaald; voor de nederwerping van de cosmos [Ef.1:4]. Dat verwijst dan weer naar Gen. 1:2 dat de aarde woest en ledig werd. Dus voor Gen. 1:2 was Christus al voorbestemd als het Lam Gods en als het Lam Gods op te treden, dat is wonderbaarlijk.

Het gebod tot Adam blinkt eigenlijk uit in zijn eenvoudigheid. Alles wat Adam te doen staat is, heerlijk te eten, samen met zijn vrouw Eva, van alle bomen van de hof. Maar ze moeten zich van één ding onthouden, dat is te eten van die boom der kennis van goed en kwaad. Dat gebod is helemaal niet zo moelijk om te begrijpen en niet moeilijk te onthouden.

Adam wordt hier niet gesteld om een wet met allerlei geboden, allerlei verordeningen, die hij heel zorgvuldig moet betrachten. Hij is omgeven van alles wat goed is, hij moet zich aan één regel houden. De menselijke natuur wordt hier beproefd, de test is heel eenvoudig. Er wordt geen belofte gegeven, wat Adam zou ontvangen, als hij zich wel aan het gebod zou houden, daar wordt helemaal niet over gesproken.

Velen leren dat als Adam gehoorzaam zou zijn gebleven, dat hij dan naar de hemel zou zijn gegaan of dat hij eeuwig leven zou hebben ontvangen Maar dat is pure speculatie, de Bijbel zegt daar niets over.

Wat was nou de consequentie dat hij van die boom at? Als je naar die boom gaat kijken en naar die woorden; goed en kwaad, gaat kijken, dan komt dat in Gen.2 twee maal voor in vers 9 en in vers 17:

  1. Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad.”

  2. Maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.”

Het Hebreeuws heeft hier twee maal het woord sterven, daardoor wordt het dubbel benadrukt.

Deze teksten spreken van de boom zelf, van zijn positie in de hof, hij stond in het midden en ze spreken van het verbod, om van de vrucht te eten. Ook in Gen. 3 vind je daar twee maal dat daarover wordt gesproken, in vers 5 en vers 22:

  1. Maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad.”

  2. En de Here God zeide: Zie, de mens is geworden als Onzer een door de kennis van goed en kwaad; nu dan, laat hij zijn hand niet uitstrekken en ook van de boom des levens nemen en eten, zodat hij in eeuwigheid zou leven.”

Deze teksten spreken van de consequentie als je er van eet. Je ogen zullen worden geopend en je zult als God zijn. God zegt daarvan in vers 22: “Zie de mens is geworden één onzer, door de kennis van goed en kwaad.”

De verleider, die hier optreedt, vermengt hier waarheid met zijn eigen leugens en dat heeft satan vanaf het begin altijd gedaan en dat doet hij nog steeds. Zijn leugen was vers 4:

  • De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven.”

Dàt was de leugen. Er was geen leugen te vinden in wat hij daarna zei. God beaamt dat in feite ook, want God weet als je daarvan eet zul je ogen geopend worden en gij zult als God zijn kennende goed en kwaad. Het kennen van goed en kwaad is geen verkeerd ding. In de bijbel wordt zelfs het onderkennen van goed en kwaad gezien als een teken, dat iemand volwassen geworden is in het geloof. Dat lezen we in Hebr.5:12b-14:

  • En gij hebt nog melk nodig (en) geen vaste spijs. 13 Want ieder, die nog van melk leeft, heeft geen weet van de rechte prediking: hij is nog een zuigeling. 14 Maar de vaste spijs is voor de volwassenen, die door het gebruik hun zinnen geoefend hebben in het onderscheiden van goed en kwaad.”

Een zuigeling leeft bij de melk en hij heeft helemaal geen kennis, hij weet nog niets van de rechte prediking. Hij moet volwassen worden, dan moet hij gaan eten van de vaste spijs en dan wordt hij volwassen. Het kenmerk van goed en kwaad is dus een kenmerk van volwassen zijn in het geloof, dan heb je kennis van de rechte prediking.

Op zich had die boom best een doel, die boom der kennis van goed en kwaad. Die boom was niet kwaad, daar was niets mis mee. Het was ook Gods bedoeling waarschijnlijk wel geweest, maar dan gaan we speculeren, dat die mens op een gegeven ogenblik van de boom wel mocht eten. De Heere God had niet gezegd; je zult er nooit van eten. Ze moesten er niet nu van eten.

Het was verkeerd dat de mens die zich nog in zijn zuigelingen staat bevond, die nog niet gegroeid was in het geloof, nog in zijn kinderlijke staat was en dan ineens in zijn zuigelinge staat de ogen zouden worden geopend, in het onderscheiden van goed en kwaad. Want hetgeen hij zou zien, zou hij niet aankunnen.

Dat kon Adam ook niet aan, geen enkel mens kan dat aan. Wij onderscheiden wel goed en kwaad, dat kent ieder mens, maar hij heeft niet die volwassen staat bereikt, dat hij het goede kan doen en het kwade kan laten. Vaak zie je in het geloofs leven, in de groei naar volwassenheid, dat christenen hier heel wat moeilijkheden mee hebben. Zoals Paulus dat ook verwoord heeft: “Als ik het goede wil doen, ligt het kwade me altijd nabij.”

Daarom zegt Christus ook: “Wie zonder zonden is, werpe de eerste steen.”

Het was dus niet goed, dat hun ogen werden geopend op dit moment hier in de hof. Satan, de slang dacht hiermee zijn doel hiermee te kuinnen bereiken, n.l. ; de val van de mens, de doodsval van de mens.Want God had gezegd; ten dage als gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven. Helemaal geen kinderen krijgen en dat soort van dingen. Het was gelijk de doodstraf.

Dan was het gelijk alles voorbij. Dat oordeel werd uiteindelijk niet zo uitgevoerd. De proef die God aan Adam en Eva had gegeven, die eenvoudige regel, niet van die boom te eten, die wordt in feite veranderd. Doordat een wijzer en veel superieurder wezen zijn intrede doet hier in de hof. Satan veranderde deze eenvoudige test van God, door te gaan verleiden, de mens te misleiden.

Dat veranderde de test voor Adam en Eva. Als wij deze verandering opmerken, dan zijn we ook in staat op te merken, dat daardoor ook de straf veranderde, n.l. van de doodstraf in een heel andere straf.

Om dit te begrijpen moeten we moeten we eens denken aan de geschiedenis van Job. Satan werd toegestaan om Job ook te beproeven tot in het extreme aan toe.

Aan het eind van het boek Job, zien we dat Job het dubbele ontvangt, van wat hij verloren had. We zien ook dat satan daar eigenlijk de nederlaag leidt. In het bijbelboek Job is het van God vastgelegd, hoe satan, in het geval van Job, zijn hand helemaal overspeelde. Dat uit al het kwaad, wat satan over Job bracht, God daaruit al het goede voortbracht en dat Job de glorieuse overwinnaar is en dat satan het nakijken heeft en zijn doel niet bereikt.

Dat zelfde mogen we veronderstellen van Adam. In het geval van Job, mogen we gelukkig een glimpje zien van de hemel en een glimpje zien van de onzichtbare kant van het hele verhaal. Een glimp die Job in zijn nood helemaal niet gegeven werd. Want toen hij daar op die ashoop zich zat te krabben met zo’n potscherf en zijn vrienden op bezoek kwamen, wist hij helemaal niet wat hem overkwam, dat er in de hemel over hem gesproken was. Job wist niet dat God toestemming aan satan had gegeven om dit hem allemaal aan te doen.

Echter zo’n doorkijk in de geschiedenis van Job, wordt ons hier in Gen. 3 niet gegeven in het geval van Adam en Eva, in de hof van Eden die hier verleid worden door satan. Plotseling staat daar in de hof de verleider en hij komt met vragen, ten aanzien van de wil van God, wat God gesproken heeft.

De satan houdt het aas voor, zou je kunnen zeggen: "Gij zult als God zijn", en Eva die hapt toe. Hij liegt dat hij zegt; gij zult geenszins sterven. De vrouw wordt hier verleid. Adam werd niet verleid. Ook Paulus merkt dat nog op in 2 Kor.11:3:

  • Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige [en loutere] toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden.”

De slang heeft met haar sluwheid Eva verleid, niet Adam. Ook Adam wordt door de Heere ondervraagd in Gen.3:12

  • Toen zeide de mens: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten.”

We moeten niet geloven dat Adam aan zijn verklaring weinig waarde hechte en dat hij zich met een Jantje van leiden zich ervan heeft afgemaakt, toen God hem ter verantwoording riep. Adam stond hier in zijn schaamte voor God en we mogen geloven dat hij naar waarheid zijn eigen situatie, hier aan God vertelt, hoe hij er toe gekomen is, dat hij at.

Hij zegt inderdaad; de vrouw die Gij aan mijn zijde gesteld heeft, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten, zo was het ook geschied. Adam had niet gesproken met de slang, Eva wel.

Hij werd niet verleid, Eva werd verleid, maar hij kwam tot zonde, omdat hij verbonden was met die vrouw, die aan zijn zijde gegeven was. Hij was a.h.w. één met haar. Omdat Eva tot zonde gekomen was en gegeten had, deed hij dat ook. Wat hij hier zegt is volkomen waar.

De Heer neemt genoegen met zijn verklaring, want de Heer gaat gelijk Zijn aandacht richten op de vrouw in vers 13:

  • Daarop zeide de Here God tot de vrouw: Wat hebt gij daar gedaan? En de vrouw zeide: De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten.”

Het antwoord wat de vrouw geeft, is ook waarheidsgetrouw. Wat opvalt is dat, geen woord van oordeel wordt geuit tegen het schuldige paar, tegen Adam en Eva. De vloek die dan wordt uitgesproken is in eerste instantie gericht op de slang, niet op de mens. Vervolgens zegt God:

  • En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.”

Met deze voorzegging, met deze profetie, wordt hier voor het eerst naar de Messias wordt verwezen. Adam en Eva moeten zich hier over wel verwonderd hebben, want dit is eigenlijk wel een uiting van genade!

De doodstraf die ze verdiend hadden, die kwam niet. “Tendage dat gij daarvan eet, zult gij de dood voorzeker sterven.” Die doodstraf kwam niet. Inplaats daarvan wordt de slang vervloekt en hem wordt voorzegt, dat er uit Eva Iemand zal voortkomen, Die hem de kop zal vermorzelen. Die doodstraf wordt veranderd, omdat de verleider hier verleid heeft.

God had gewild dat ze zouden leven, dat ze daar zouden opgroeien en zeer vermoedelijk, maar dat is speculatief, maar dat ze volwassen zouden worden in het geloof, dat ze daarna van die boom zouden eten.

God had gezegd; onthoud je van het eten van die boom van kennis van goed en kwaad, dat vast zit aan de volwassenheid, daar ben je a.h.w. nog niet aan toe.

Ze moeten zich verwonderd hebben hier over die genade die aan hun wordt bewezen. Dat de doodstraf hun niet wordt aangezegd maar een ander wordt aangezegd, n.l. de verleider, de slang. Ook hier zien we weer als in de zelfde geschiedenis van Job, dat de boze zijn hand heeft overspeeld. Het was zijn bedoeling, het bewerkstelligen van de val van de mens, maar het werd in plaats daarvan, zijn eigen val.

Zijn verleiding, zijn misleiding gaf God de gelegenheid om de mens genade te schenken.

Tot de vrouw die gezondigd had, onder invloed van de verleiding van de slang en wiens uitnodiging ook Adam was ingegaan en zo ook tot zonde kwam, zegt de Heer in vers 16 en 17:

  • Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen. 17 En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft.”

Die doodstraf is dus verandert in heel wat anders. Moeite en smart wordt hier voorzegd aan Eva, maar ook aan Adam. Smart komt hier de schepping binnen, het zuchten van barensnood voor de ganze schepping. Toch als je dat leest over wat tegen Adam wordt gezegd in vers 17 dan klinkt daar ook genade in door; Ten dage als gij daarvan eet zult gij zeker sterven. Maar wat zegt God; zolang gij leeft.

Doornen en distels zal hij u voortbrengen. Ook daarin overheerst smart, maar aan de andere kant spreekt dit ook van Gods genade. Want Adam en Eva zouden oorspronkelijk de doodstraf hebben gekregen en nu is er sprake van leven. De doodstraf wordt achter gehouden.

Zoals een geestelijk wezen van buitenaf hier was binnen gekomen om te verleiden, zo zou God net zo goed en dat deed Hij ook, een geestelijk wezen van de andere kant, binnenbrengen in de sfeer van de mens, om de mens te verlossen.

Als Adam en Eva direkt gestorven zouden zijn, dan zou er helemaal geen nakomelingschap zijn geweest, dan zou er helemaal geen leven van vele jaren voor hen zijn geweest. Zo zou er ook de mogelijkheid niet zijn geweest, dat de Verlosser zou zijn gekomen.

De verleider haastte zich om die mens uit te schakelen. Hij wist als hij die mens zou uitschakelen door hem aan te moedigen te eten van die boom van die verboden vrucht, dan zou God die mens wel de doodstraf moeten geven.

Maar net zo de verleider zich zou haasten, om zo de mens voorgoed uit te schakelen, zal het Lam van God zich haasten om de mens te verlossen door het leven dat God hem zal schenken. Satan heeft zijn doel niet bereikt, omdat God die doodstraf wel geeft, maar het is een uitgestelde doodstraf.

De beproeving voor Adam, die eerst zo eenvoudig was, was zo enorm zwaar geworden door die verleiding. God heeft echter een opening gegeven om genade te kunnen schenken aan de mens.

Het conflict, wat alreeds liep, wat alreeds tot uiting gekomen was, in Gen.1:2 “de aarde nu werd woest en ledig”, dat grote conflikt wordt hier in feite in Gen. 3:15 op scherp gezet. Het is voor satan een tikkende tijdbom. “Ik zal vijandschap zetten tussen haar zaad en uw zaad”.

Haar zaad, dat is Christus, zal u de kop vermorzelen, dat wordt deze verleider aangezegd.

De mens, verantwoordelijk voor zijn ongehoorzaamheid, gaat gelukkig niet alleen in zijn smart. Ja hij moet lijden, het loon der zonde dragen, maar er wordt hem ook de mogelijkheid gegeven, om dat korte leven, wat hem geschonken wordt, voordat de dood komt en hij tot stof wederkeert, dat hij zal kunnen leren, kennis kan nemen van goed en kwaad, dat hij geestelijk volwassen wordt, dat hij kan groeien in geloof. Adam en Eva kenden niet het geduld van het geloof en het geduld van de hoop, maar nu leerden ze die.

De mens tegenwoordig, als die zich tot Gods Woord richt en gaat daarvan uit, dan leert hij kennen, en leert hij om geduld te oefenen. Om geloof te openbaren, om te hopen op Christus, op het zaad der vrouw, die de kop van de slang zal vermorzelen.

Nu in zijn gevallen staat, heeft de mens te maken met aan de ene kant de kwade motieven van de slang, maar aan de andere kant de voorziening van God, hoe hij mag leven, hoe hij geestelijk mag groeien, tot volwassenheid mag komen. Hoe hij mag komen tot verlossing die Christus ook ons geeft. Hoe die mens a.h.w. groeit in het geloof, tot die vaste zekerheid mag komen, dat hij voor zijn verlies door de val, door het geloof van Christus dubbel vergoed zal worden. Zoals Job ook dubbel in het eind van zijn leven vergoed is geworden.

Wij hebben te maken met een rechtvaardig en goede God.

25 januari 2016

 

2. De “geweldigen” van de voortijd

Gen. 6:1-5:

  • Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 Zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de Here zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. 4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun [kinderen] baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. 5 Toen de Heere zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 Berouwde het de Heere, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de Heere zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des Heren.

In de vorige hoofdstukken, Gen. 4 en 5, waar die twee geslachtsregisters staan vermeldt, zowel van Kaïn als van Seth, zie je de enorme verschillen van de levensopvattingen tussen die twee geslachten. Het is het verschil in levenshouding, tussen de gelovigen en de ongelovigen. De gelovige die in zijn leven rekening houdt met God en de ongelovige die geen rekening met God.

Aan de hand van die details, die ons in die twee hoofdstukken gegeven zijn over deze mensen, ontdekken we dat het geslacht van Seth leefde in gemeenschap met God en dat het geslacht van Kaïn zonder God leefde in die wereld, goddeloos, zonder God. Van het geslacht van Seth lezen we over Henoch die wandelde met God. Niet alleen Henoch wandelde met God, maar ook zijn nakomelingen, ook zijn kleinzoon Lamech wandelde met God, want hij keek niet uit naar de troost die de wereld hem kom bieden, de wereld, die het geslacht van Kaïn had gebouwd, maar Lamech keek uit naar de troost die Christus, het beloofde vrouwenzaad, hem alleen kon geven. Hij zegt ook in Gen. 5:28-31:

  • Toen Lamech honderd tweeëntachtig jaar geleefd had, verwekte hij een zoon, 29 En gaf hem de naam Noach, zeggende: Deze zal ons troosten over de moeitevolle arbeid onzer handen op deze aardbodem, die de Here vervloekt heeft. 30 En Lamech leefde, nadat hij Noach verwekt had, vijfhonderd vijfennegentig jaar, en hij verwekte zonen en dochteren. 31 Zo waren al de dagen van Lamech zevenhonderd zevenenzeventig jaar; en hij stierf.”

 

Deze Lamech die richtte zich niet op deze wereld, de wereld die Kaïn zo had ingericht, maar hij richtte zich op God. Hij hoopte van God troost te ontvangen. Hij verlangde naar troost in die wereld waarin hij leefde, als vader van Noach. Die wereld was een demonische wereld, een occulte wereld geworden. Dat kwam doordat er van alles in die wereld geschiedde, dat zullen we verder zien.

 

Zijn zoon Noach, die zal die troost geven. Hij spreekt over Noach als over Christus, Noach is in die zin ook een type van Christus. De naam Noach betekent rust, dit wil ook zeggen; vrede met God. Hij vond genade in de ogen des Heren. Het laatste vers van Gen 5 laat ons het geslacht van Noach zien. Want er staat op het eind van Gen 5:32:

  • Toen Noach vijfhonderd jaar oud geworden was, verwekte Noach Sem, Cham en Jafet.”

 

Het wonderlijk is hier, dat we opeens de afsluiting van dit hoofdstuk krijgen en dat we dan opeens gaan naar Gen. 6. Echter, die indeling in hoofdstukken is gemaakt door mensen, die is niet van Godswege gemaakt.

 

Het is de dan ook de grote vraag of je hier met een volgend hoofdstuk zou moeten beginnen. De vraag is of hier dit geslachtsregister, waar Gen. 5 zich met bezig houdt, hier wel eindigt. In feite loopt dat geslachtsregister door in Gen. 6. De eerste 8 verzen behoren ook bij het geslachtregister van Gen. 5. Daarom is die hoofdstuk verdeling wat ongelukkig. Je zou wel kunnen zeggen, dat opeens ingegaan wordt – heel specifiek – op die dagen waarin Noach leefde, waarover we lezen in Gen. 6:1-8:

  • Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, 2 Zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. 3 En de Here zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn.4 De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun [kinderen] baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam. 5 Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 Berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb. 8 Maar Noach vond genade in de ogen des Heren.

 

Dit hoort wel degelijk bij Genesis 5. Genesis 5 Vertelt ons over Adam in vers 1-2:

  • Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; 2 man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen „mens” ten dage, dat zij geschapen werden.”

 

En Hij zegende hen.” Je zou kunnen zeggen, je vindt in het geslachtsregister wat hier staat opgeschreven staat over Adam in Genesis 5 waar het geslachtsregister volgt via Seth, daarin vind je eerst de zegen, maar als je aangekomen bent bij Noach, dan wordt bij Noach in feite teruggegrepen naar Gen. 5:1, naar Adam, dat zullen we zo zien. Er wordt niet vermeld aan de ene kant welke zegen er aan de mens gegeven werd, aan het geslacht van Seth, dat ze mochten wandelen met God, dat ze in gemeenschap met God voorwaarts mochten gaan, maar dat ze aan de andere kant ook te maken hadden met de vloek. Dus met de zegen én de vloek. De aardbodem werd vervloekt. Daar spreekt Lamech ook over, de omstandigheden op aarde werden moeilijk, heel erg moeilijk.

 

Je dient er alert op te zijn in Gen. 6, dat daar niet gesproken wordt over de mensen, maar dat daar gesproken wordt over Adam. Het is anders vertaald in Gen. 6:1, maar Gen 6:1 grijpt terug naar Adam, helemaal naar het begin, naar Gen.5:1-2. Waar terug gegrepen wordt naar de dagen van Adam, waarin in die zin staat geschreven, over de zegen én de vloek.

 

In Gen.6:1 staat niet het woord “mensen” in de tekst “toen de mensen zich op de aardbodem begonnen te vermenigvuldigen”, dat staat er niet! Er staat niets in het meervoud in de grondtekst, het staat er in het enkelvoud. Dus gewoon “mens”. Verder vinden we ook dat hier het lidwoord “de” wordt gebruikt, aantonende dat het Adam is en het geeft niet de mens in het algemeen weer in het Hebreeuws. Het woord mens en het woord Adam is in het Hebreeuws hetzelfde woord.

 

Als je het Hebreeuwse woord Adam gewoon met de naam Adam vertaalt en niet met mensen of mens, zoals hier is gedaan, dan ontdek je dat het bij het geslachtsregister behoort van Gen.5, en dat dat geslachtsregister doorloopt in Gen. 6. Dan krijg je een heel andere betekenis in deze verzen. We lezen nog eens Gen. 6:1-3 en in plaats van “mensen” lezen we dan “Adam”.

  • Toen [de] Adam zich op de aarde begon te vermenigvuldigen en hem dochters geboren werden, 2 Zagen de zonen Gods, dat de dochters van [de] Adam schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen.3 En de Here zeide: Mijn Geest zal niet altoos in [de] Adam blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij (= Adam) is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn.”

 

Als je hier niet door Adam vertaalt, maar door mens, ook in het laatste vers, dan zitten verklaarders er altijd mee te stoeien, wat dit toch betekent. Dan staat er over de mens: “hij is vlees, zijn dagen zullen 120 jaar zijn”. Daar weet men geen enkele betekenis aan te geven.

 

Maar die 120 jaar hebben wel degelijk een betekenis, want vers 3 geeft ons eenvoudig de boodschap, dat Adam vlees is, d.w.z. hij, Adam is ook sterfelijk net als de andere mensen, net als zijn nakomelingen, en hij zal ook sterven.

 

Er wordt ons hier verteld, dat bij een bepaalde gebeurtenis, die hier in Gen. 6 beschreven staat, dat na die gebeurtenis, God het berouwde dat Hij de mens geschapen had, dat God dan opmerkt, hoe lang Adam nog zal leven. Namelijk na die gebeurtenis nog 120 jaar, en dan zal hij sterven. Toen God zag dat de zonen Gods, de dochters van Adam namen, toen zei de Heer, dat Adam nog 120 jaar te leven had en zou sterven. Ja, dat ook Adam vlees was en zou sterven.

 

Er staat in Gen 6:1-2, dat toen Adam zich begon te vermenigvuldigen, er aan hem dochters geboren werden en dat de zonen Gods de dochters der mensen zagen, dat ze schoon waren, dat ze mooi waren. Zo namen zij zich daaruit vrouwen wie zij maar verkozen. Je zou kunnen zeggen dat die dochters van Adam stonden te trappelen van ongeduld, om maar verkozen te worden door de zonen Gods.

 

Die “zonen Gods” in het Hebreeuws is een heel bijzondere uitdrukking en we vinden dit maar eenmaal in de Bijbel gebruikt voor een mens. Dat is in het N.T. in het geslachtsregister van de Heere Jezus in Lukas 3, waar de hele lijn van het menselijk geslacht van het vrouwenzaad wordt opgesomd. Daar lezen we steeds: “die was een zoon van”, en dan komt Lukas uiteindelijk bij Adam uit, en schrijft Lukas: ”hij was de zoon van God”.

 

Verder komt die uitdrukking “zonen van God” wel voor, maar dan wordt het nooit gebruikt voor een mens. In Gen. 6:1-2, staan de zonen Gods rechtstreeks in verbinding met de dochters van Adam. De naam Adam wordt hier in deze verzen letterlijk gebruikt en niet figuurlijk. Die dochters van hem, dat zijn letterlijke dochters van hem. Dat woord dochter staat hier tegenover het woord zoon.

 

De uitdrukking “dochters van Adam”, staat tegenover de uitdrukking “zonen van God”. Als de zonen van God mensen waren, zoals vaak wordt beweerd, dan heeft dat tot gevolg, dat hier in dit vers die hele tegenstelling wegvalt.

 

Wat hier tegenover elkaar wordt gezet, “de dochters der mensen” en “de zonen van God” laat juist zien, dat we hier te maken hebben met een heel ander geslacht. Hier wordt gesproken over een hemels geslacht. In het boek Job komen we de uitdrukking “zonen van God” ook tegen. Daar vind je ze niet op aarde, maar in de hemel. Het geeft ook aan dat het helemaal geen mensen zijn, maar dat het engelen zijn. (Job 1:6).

  • Op zekere dag nu kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan.”

 

Hier wordt ons een blik gegund in de hemel. Een blik die Job niet gegund werd. Misschien later, toen hij het Bijbelboek schreef – hoewel we niet zeker weten of hij de schrijver is – heeft Job dat ook gezien.

 

We zien hier in Job dat niet alleen satan zich voor God stelt, maar dat ook de zonen van God zich hier voor de Heere stellen. Je vindt het ook in Job 2:1.

  • Op zekere dag kwamen de zonen Gods om zich voor de Here te stellen, en onder hen kwam ook de satan om zich voor de Here te stellen.”

 

Weer is daar in de hemel een gesprek. Het geeft dus weer dat deze “zonen Gods” hemelse wezens zijn, net als ook de satan, wat ook een hemels wezen is. Dit zijn bovennatuurlijke wezens. In Job 38:4-7 komen we de uitdrukking nog een keer tegen:

  • Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte? Vertel het, indien gij inzicht hebt! 5 Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers! Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen? 6 Waarop zijn haar pijlers neergelaten, of wie heeft haar hoeksteen gelegd, 7 terwijl de morgensterren tezamen juichten, en al de zonen Gods jubelden?”

 

Hier wordt gesproken over het grondvesten der aarde, dat God een meetsnoer spande, en dat daarbij “de zonen Gods” jubelden. Dus bij de schepping toen de mens er nog niet was, is er al sprake van “zonen Gods”. Dat maakt duidelijk dat deze zonen Gods geen zonen van Adam waren, en ook geen mensen waren.

Ook in de Psalmen keren ze terug Ps. 29:1 Een psalm van David:

  • Geeft de Here, gij hemelingen, geeft de Here heerlijkheid en sterkte.”

 

Daar is zelfs in onze vertaling vertaald door “hemelingen”, terwijl er in de grondtekst “zonen Gods” staat. Die hemelingen zijn de zonen Gods, en denken de vertalers hier aan engelen. Een andere parallel vinden we in Daniël 3, het is daar Nebukadnezar, die de woorden “zonen van God” in de mond neemt.

 

In Daniël 3 zien we dat de drie vrienden van Daniël in de vurige oven worden geworpen. Als Nebukadnezar dat ziet, dan ontdekt hij een vierde persoon, die zich bij de drie vrienden van Daniël voegt. Hij ziet dat deze vierde persoon over hen waakt en dat die drie vrienden niet verbranden door het vuur. Dan gaat hij proberen te verklaren wat hij ziet. Hij spreekt hier geen Hebreeuws, hij spreekt hier in het Aramees en hij gebruikt dan in zijn taal, de uitdrukking “zonen van God”. Zo staat het ook hier in Dan. 3:22-25:

  • Omdat nu het bevel des konings streng was en de oven bovenmatig was opgestookt, doodde de vlam van het vuur de mannen die Sadrak, Mesak en Abednego naar boven gebracht hadden. 23 En die drie mannen, Sadrak, Mesak en Abednego, vielen gebonden in de brandende vuuroven. 24 Toen schrok koning Nebukadnezar en stond ijlings op; hij nam het woord en zeide tot zijn raadsheren: Hebben wij niet drie mannen gebonden in het vuur geworpen? Zij antwoordden de koning: Zeker, o koning. 25 Hij zeide: Zie, ik zie vier mannen vrij wandelen midden in het vuur, en zij hebben geen letsel, en het uiterlijk van de vierde gelijkt op dat van een zoon der goden.

 

Een “zoon der goden”. Je kan je gaan afvragen, waarom een heidense koning dat kende en het zo benoemde. Hij gaat het nog nader verklaren, want hij zegt in vers 28:

  • Nebukadnessar hief aan en zeide: Geloofd zij de God van Sadrak, Mesak en Abednego! Hij heeft zijn engel gezonden en zijn dienaren bevrijd, die zich op Hem hebben verlaten, het bevel des konings hebben overtreden, en hun lichamen prijsgegeven, omdat zij geen enkele god willen vereren of aanbidden dan alleen hun God.”

 

Gods engel, dat is Zijn engel, zegt Nebukadnezar, dus hij was met het fenomeen “engel” bekend. In het O.T. zie je dat mensen engelen hebben ontmoet. Zelfs in de Hebreeën brief lezen we, dat mensen engelen hebben geherbergd, zonder dat ze wisten dat ze engelen waren, dat ze engelen in huis hadden genomen. In het O.T. zien we talloze verhalen, dat engelen verschenen aan mensen. Engelen waren in die tijd, dienaren van God.

 

We kennen in onze tijd helemaal geen engelen en ze verschijnen in deze tijd ook niet. Er zijn mensen in deze tijd, die aan engelenverering doen, maar Paulus waarschuwt tegen die engelenverering, tegen die godenverering. Als tegenwoordig engelen aan je verschijnen, zijn dat engelen die niet komen als dienaren van God. Dan zijn dat engelen, die komen uit een andere hoek, uit een duistere hoek, en daar moet je bijzonder goed op letten, wanneer je met die z.g. bovennatuurlijke dingen mee te maken krijgt.

 

Ook satan kan zich voordoen als een engel des lichts. Het lijkt misschien wel echt, maar dat is het niet. Wanneer onze tijd gaat lijken op de tijd van Noach, dan zullen we er rekening mee moeten houden, dat ook in onze dagen de wereld steeds demonischer wordt. Paulus waarschuwt ons daar ook voor, want hij zegt in 2 Tim. 3:1

  • Weet wel, dat er in de laatste dagen zware tijden zullen komen.”

 

Het gaat hier in het bijzonder over de laatste dagen van de gemeente der uitverkorenen, van het Lichaam van Christus, die nu zich op aarde vormt, de gemeente der verborgenheid. De “Zware tijden” heeft de betekenis in de zin van demonische tijden, de dagen worden steeds occulter. De moderne mens krijgt te maken met een actieve tijd van het bovennatuurlijke, net als in de dagen van Adam en Noach.

 

Men komt tot een soort verering van bovennatuurlijke wezens. Onze dagen zijn daar ook bijna op voorbereid. Dat doet Hollywood, dat begint al met tekenfilms voor de kinderen, waarin we zien, dat de Aliens, in wat voor vorm dan ook ons voor de ogen worden geschilderd. Dat zien we uitgebeeld in Star Wars en allerlei sciensfiction films, die er gekomen zijn. Talloze cartoons en striphelden, die in de jaren 30, 40, 50 zijn opgeschreven.

 

Tegenwoordig worden daar hele films van gemaakt, de ene stripheld na de andere, die bovennatuurlijke krachten heeft, treed daarin op. Men denkt daar niet over na, wat Gods Woord daarover zegt. Als je christen bent en je leest over die zonen Gods en over die morgensterren die juichten en je leest in Gods Woord, wat er allemaal naast de mens geschapen is door God, dan sta je daar niet zo vreemd van te kijken. Maar Gods Woord waarschuwt ons daar wel voor.

 

De mensen van de voortijd, die wisten daar wel van, die leefden daarmee. De dochters der mensen, die wilden graag ook geslachtsgemeenschap hebben met deze engelen, die daar verschenen, die interesse hadden in de dochters van Adam.

 

In het boek van Judas lees je ook dat er een val van engelen is geweest, Judas vers 6:

  • En dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; 7 zoals Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid,die op gelijke wijze als genen haar hoererij hebben botgevierd en ander vlees achternagelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur.”

 

Judas spreekt hier over engelen die hun oorsprong ontrouw werden. Ze verlieten hun eigen woning, in het Grieks is hier het woord voor “woning” het Griekse woord “oiketerion” gebruikt. Een andere keer gebruikt Paulus in het N.T. in 2 Kor. 5:2 ook het woord oiketerion”, waar het te maken heeft met het hemels huis. Niet zo zeer het hemels huis waar in je woont, maar waar een lichaam mee wordt bedoeld.

 

Die gevallen engelen moesten deels van hun oorspronkelijke hoedanigheden afzien. Ze verlieten een deel van hun wezen, van hun oorsprong. Het was voor hun een stap naar de aarde toe, waardoor ze niet meer terug konden en waardoor zij ook hun eigenschappen verloren, die aan engelen zijn verbonden.

 

Het was dus wel een stap, die ze moesten maken, maar ze werden duidelijk verleid. Ze zagen dat de dochters van Adam schoon waren en ze willen met hen gemeenschap hebben.

 

Vaak wordt over de steden Sodom en Gomorra gedacht aan homofilie. De stad Sodom, waar het woord “sodomie” vanaf geleid is. Maar daar was het niet de homofilie waar het om gaat. Er wordt over deze engelen uit de voortijd, een vergelijking getrokken met Sodom en Gomorra, die op gelijke wijze hoererij hebben gebotvierd en “ander” vlees zijn achterna zijn gelopen.

 

We hebben in Judas gelezen dat die engelen “ander” vlees achterna gelopen zijn. Daar staat in de Griekse grondtekst voor “ander” het woord “heteros”.

Heteros” betekent echt van een andere soort. Dus niet het menselijke soort.

Als er een ander Grieks woord had gestaan voor “ander”, namelijk “allos”, dan zou het van dezelfde vleselijke soort zijn geweest. Wanneer er “allos” vlees had gestaan dan zou dat erop gewezen hebben dat het vlees betreft van hetzelfde menselijke soort. Het nalopen van dat “allos” vlees van is van de zelfde soort. Hier in Judas staat niet “allos” [ander vlees], hier staat “andersoortig” (heteros) vlees, dus van een totaal andere soort.

 

Hier wordt het Griekse woord “heteros” gebruikt in het boek Judas. Het zijn ook engelen, die hebben gemeenschap met de dochters van Adam, het is totaal ander vlees. De inwoners van Sodom en Gomorra hadden ook in hun tijd gemeenschap met engelen, ook zij liepen ander (heteros) vlees dan menselijk vlees achterna en hadden daar gemeenschap mee.

 

Zo vermeldt Judas het ook, hij ziet dat heel duidelijk terug, want toen Sodom en Gomorra dat oordeel ontving, kwamen daar twee Gods gezanten bij Lot op bezoek, om hem en zijn gezin uit Sodom te verlossen.

 

Wie stuurde de Heere? Dat waren twee engelen. En met die engelen wilden de inwoners van Sodom gemeenschap hebben. Dat waren niet twee mensen die in het huis van Lot verbleven. Ze wilden gemeenschap hebben met die twee engelen. Lot herbergt die twee engelen, die boodschappers ven God.

 

Ze vroegen Lot om uitlevering van die twee engelen. Zij wilden geslachtgemeenschap met die engelen hebben. Je ziet dus dat men daar in die dagen wel degelijk mee bekend was.

 

Gods Woord zegt dat de mens maar iets minder dan engelen is gemaakt. Er is niet zoveel verschil tussen mens en engel.

 

Petrus sprak eigenlijk ook over die gebeurtenis en plaatst deze in de dagen va Noach.

2 Petrus: 2-5:

  • Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; 5 en de wereld van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld der goddelozen bracht; 6 en de steden Sodom en Gomorra tot as verbrand, tot omkering gedoemd en ten voorbeeld gesteld heeft voor hen, die goddeloos zouden leven, 7 maar de rechtvaardige Lot, die zwaar te lijden had onder de losbandige wandel dier zedelozen, heeft behouden.”

 

Ook hier weer de link naar de steden Sodom en Gomorra, die tot as werden verbrand, ten voorbeeld gesteld heeft voor hen die goddeloos zouden leven. Zowel voor, als ook na de zondvloed, heeft er zo’n val van engelen plaatsgevonden. Het enige wat God kon doen, ingrijpen met een enorm oordeel en deze steden om te keren en te verwoesten, net als ook de wereld van de voortijd werd verwoest.

 

Wanneer er in de Bijbel over engelen wordt gesproken, dan wordt dat meestal zo voorgesteld dat die engelen er uitzien als mensen. Dat mensen zich engelen voorstellen met allerlei vleugels, komt omdat in de Bijbel ook gesproken wordt over cherubs. Maar een cherub is een heel ander wezen.

 

Engelen in de Bijbel treden altijd naar de mens toe, in hun uiterlijk bevonden als een mens. Daarom konden de dochters van Adam ook geslachtsgemeenschap hebben met engelen.

 

Als dan dit plaatsvindt in Genesis 6, toen Adam zich begon te vermenigvuldigen en hem dochters geboren werden, zagen de zonen van God dat die dochters van Adam heel mooi waren. Zij namen zich daaruit vrouwen wie ze maar verkozen.

De Heere zeide daarop:

  • Mijn Geest zal niet altoos in Adam blijven, nu zij zich misgaan hebben. Hij, Adam is vlees en zijn dagen zullen nog 120 jaar zijn.”

 

Gods Geest, de levensadem, houdt de mens en hier ook Adam in leven. Want als de levensadem wordt teruggetrokken dan sterft de mens. Als de mens de geest geeft – zoals wij dat uitdrukken – dan sterft de mens. Ook Adam is van oorsprong net als wij vlees, ook hij zal sterven. Adam sterft dan ook en wij weten uit Gen. 5, dat hij sterft op 930 jarige leeftijd. Maar deze gebeurtenis met zijn dochters, vond plaatst ongeveer plaats 120 jaar voordat hij stierf, dus op de leeftijd van 810 jaar.

 

Het onmiddellijke gevolg van deze gebeurtenis, van deze val van engelen lezen we in Gen 6:4:

  • De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”

 

In die dagen”, kan alleen maar slaan op het vorige vers 3, op die 120 jaar.

De reuzen waren in die dagen, in die120 jaar, op de aarde en ook daarna, ook na die 120 jaar. Want het duurde nog vele jaren, voordat de zondvloed kwam, nadat Adam was gestorven.

 

Het woord “reus” of “reuzen”, dat is in de “Septuagint” het woord “gigantes”. Dat is wel heel bijzonder, want het Griekse woord “gigantes”, legt meteen de link naar heel de Griekse mythologie, waar we de “giganten” vinden, waar de Grieken ook veelvuldig over spraken.

 

Het Griekse woord “gigantes” spreekt niet alleen dat iemand groot is van gestalte, dat hij lang is. Maar “gigantes” is ook afgeleid van het Griekse woord “gegenes”, wat betekent “aardsgeboren”. Toen deze zonen van God, deze engelen gemeenschap hadden met de dochters van Adam, werden die nakomelingen niet hemels geboren, maar aardsgeboren.

 

Het Hebreeuwse woord voor deze nakomelingen, voor deze reuzen is “nefilim”, wat betekent “gevallenen”.

 

Dat geslacht was een gevallen nageslacht, het waren de gevallenen, ze waren ontstaan uit de gemeenschap van mensen met de gevallen engelen, die hun woonplaats hadden verlaten. Al die families die op de aarde daardoor ontstonden, hadden niet meer de toegang tot Gods hemel. De mensen die uit dit geslacht ontstonden, waren half engel half mens, dat waren dus de “geweldigen”. Dat staat er ook achter in de tekst: “De reuzen waren in die dagen op de aarde en ook daarna.” (Gen.6:4). Dit zijn de “geweldigen” in de wereld van de voortijd, de “gibbor” staat er in het Hebreeuws. Daar spreekt Petrus over, de “geweldigen” uit de voortijd, in de tijd van Noach, mannen van naam.

 

Ook na de zondvloed zien we deze “geweldigen” terug. Ook Nimrod wordt zo genoemd. Ook in de ongewijde geschiedenis is bekend, dat Nimrod de taal der engelen sprak en zich daarmee onderhield. Hij was ook de bouwer van Babel, waarin hij de toren van Babel bouwde, wiens opperste toren tot in de hemel moest reiken. Het was ook meer bedoeld om de geheimen van de hemelen proberen te ontsluiten. Dat lukte ook bijna. Maar daardoor moest God ook die stad verwoesten en de spraak der mensen verwarren, om te zorgen dat die mens die kennis niet kon verkrijgen.

 

Dat deze “nimfen” ook letterlijk heel groot waren en echte reuzen waren, zien we terug aan een bed, waar iemand in sliep. Zoals de koning van Og, die sliep in een enorm bed. We lezen daarover in Deut. 3:11:

  • Alleen Og, de koning van Basan, was overgebleven als laatste der Refaïeten; zie, zijn rustbank was een rustbank van ijzer; zij staat immers in Rabba der Ammonieten. Negen el is zij lang (= ca 4.50 m) en vier el breed (= ca 2.00 m) naar de gewone el.”

 

Toen de verspieders in Kanaän kwamen en dat geslacht van Enak zagen, zijn ze daar zo van onder de indruk, dat zij zelfs aan het volk Israël daarvan getuigen: “Wij waren als sprinkhanen in hun ogen.”

 

Deze “mannen van (beruchte) naam” hebben heel veel kunstwerken nagelaten, die we vinden over heel de wereld van de tijd voor de zondvloed, waar de mensen van tegenwoor-dig zich nog steeds over verwonderen. Hoe zijn bijvoorbeeld de piramiden zijn gebouwd? Dat moeten wel mensen zijn geweest die deels bovennatuurlijk waren, dat moet een soort supermenselijk geslacht zijn geweest, half god half mens. Zelfs de hedendaagse wetenschap is nog niet instaat om dat na te doen.

 

Voor wat betreft die piramiden komen daar ook nog berekeningen bij die vaak een weerspiegeling zijn van de hemelse dingen. En wanneer je die maten nagaat, dan lijkt alles vaak op de millimeter te kloppen. Er zijn in die zaken in de oudheid helemaal geen fouten gemaakt. Dan vraag je je af, wat voor kennis hadden die mensen wel niet? Dat gaat zelfs de kennis van de moderne mens te boven.

 

Deze mannen van naam, deze “geweldigen” uit de voortijd zijn geen verbintenissen tussen gelovigen en ongelovigen, zoals soms wordt uitgelegd, daar komen geen reuzen uit voort. Deze reuzen waren “giganten” en het geeft ook aan dat dit een super ras is geweest, die bovennatuurlijke vermogens hadden.

 

Mythologische verhalen getuigen daar ook van in de Griekse mythologie. De helden in die verhalen waren allemaal half god half mens, zoals een Heracles. Al die geschiedenissen die over heel dat geslacht zijn opgeschreven, grijpen in feite terug op de god Zeus, die op de berg de Olympus woonde.

 

De hele Griekse mythologie grijpt terug op die gevallen engelen, die gemeenschap hadden met de dochters van Adam, die daar een geslacht van mensen op aarde brachten van half goden en half mensen. De (normale) mensen keken daar enorm tegen op.

 

Nu even een stukje uit de Griekse mythologie, het is geen christelijk boek, maar daarin wordt het volgende geschreven:

  • De twaalf goden van de Olympus, hadden over de tijd, dat zij over de hemel en de aarde heersten, hun macht en bevoegdheden verdeelt volgens de wensen van Zeus. Hun woning was de Olympus, de hoogste berg in Griekenland, maar zij daalden regelmatig af, en voegden zich tussen de mensen om hulp te bieden en te straffen en ook om kinderen te verwekken. De kinderen die geboren werden uit die verbinding van een god en een mens werden halfgod genoemd. Zij hadden bijzondere eigenschappen. Zij verrichten hele series heldendaden en genoten de bewondering van iedereen. De goden aten rozijnen en dronken nectar, dit was alleen voorbehouden aan deze goden. Ze aanvaarden wel de brandoffers die de mensen hun brachten, in de vorm van vee of landbouw producten. Zij hielden zich aan de beloften die ze deden, die gepaard gingen met een heilige eed. De Olympus-goden waren bijna oppermachtig, in de zin dat de macht van elk van hen ophield waar het ambtsterrein van de ander begon. Alleen Zeus was oppermachtig. In veel zaken leken zij op mensen, zij hadden hun zwakheden en zelfs passies, en dezelfde gevoelens. Ze werden kwaad, ze werden jaloers, afgunstig en zij hadden lief net als de mensen.”

 

Wanneer je nagaat wat over deze goden geschreven staat, dan lees je hoe Zeus en die goden zich gewoon te buiten gingen aan de dochters van de mensen. Ze brachten hele geslachten voort. Ze heersten over de mens en de kinderen, die voortkwamen uit hun gemeenschap, namen allemaal bijzondere eigenschappen aan van dat engelen geslacht. En zo onderscheiden zij zich van de andere mensen.

 

De hele Griekse mythologie is heel uitgebreid en ook andere mythologieën, die je in de wereld vindt, zijn rijk aan hele geslachtslijnen, met hun intriges in die families. Hoe er sprake was van onsterfelijkheid, maar ook hoe de één de ander wist te doden. Er vond ook allerlei moord en overspel plaats. Je zou er hele hedendaagse soapseries van kunnen maken, zodat iedereen gekluisterd zit aan de buis.

 

Die verhalen zijn natuurlijk niet zomaar uit de dikke duim van de Griekse schrijvers gekomen, dat heeft allemaal een hele grote achtergrond. Je kunt in die Griekse mythologie lezen over de strijd der giganten. Hoe men met elkaar omging, en hoe er vaak een hele strijd tussen die giganten is geweest. Je leest dan ook, dat er een god was van boven, die wordt dan wel Zeus genoemd.

 

Het was uiteindelijk de Heere God die ingreep en hen allen strafte. Dat is waar Petrus over spreekt. Dat Hij hen in de “Tartarus” heeft opgesloten, waar ze gebonden zijn tot de dag van het oordeel. Toen de Heere dat alles zag, en het heeft het nog lang geduurd vanaf Noach. Want niet alleen van die tijd dat Noach leefde, die laatste 120 jaar, maar ook nog die tijd die na hem kwam, en dat was nog een hele tijd, ruim 800 jaar, zag de Heere hoe dit op heel de toenmalige wereld verkeerd ging, en hoe heel dat mensengeslacht verdorven werd.

 

En de Heere zag hoe door al die verbintenissen met mensen met engelen, dat het hele zaad van de mens verontreinigd werd met “ander” vlees en hoe heel de komst van dat “vrouwenzaad” in gevaar kwam. Dat lees je ook in Gen. 6:5-6 :

  • Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was (= uit de boze, verbintenis had met de boze), 6 Berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.”

 

Gelukkig te midden van die wereld stond Noach. En van hem staat geschreven in Gen 6:8-9:

  • Maar Noach vond genade in de ogen des Heren. 9 Dit is de geschiedenis van Noach. Noach was onder zijn tijdgenoten een rechtvaardig en onberispelijk man; Noach wandelde met God.”

 

Zó onderscheidde Noach zich van zijn tijdgenoten. Hij deed hetzelfde als zijn overgrootvader, hij wandelde met God. Hij was onberispelijk, hij had geen geslachtsge-meenschap met wat voor nazaten dan ook uit dat boze geslacht. Hij bewaarde zich rein, hij was onberispelijk in zijn wandel. Hij was rechtvaardig, hij wandelde met God. Door hem kon God dat beloofde vrouwe zaad als het ware voortzetten.

 

Het was wel kritiek, het was op het nippertje, want ieders geslacht had zijn weg op de aarde verdorven. We lezen in Gen 6:10:

  • En Noach verwekte drie zonen: Sem, Cham en Jafet.”

 

Maar hoe was het met de rest van de mensheid?

  • De aarde nu was verdorven voor Gods aangezicht, en de aarde was vol geweldenarij. 12 En God zag de aarde aan, en zie, zij was verdorven, want al wat leeft had zijn weg op de aarde verdorven. 13 Toen zeide God tot Noach: Het einde van al wat leeft is door Mij besloten, want door hun schuld is de aarde vol geweldenarij, en zie, Ik ga hen met de aarde verdelgen.”

 

De aarde was seksueel verdorven, God kon niet anders dan deze wereld brengen onder het oordeel, deze wereld verwoesten, en zorgen dat er een gereinigde aarde kwam. God kon dat menselijk geslacht voortzetten via de rechtvaardige Noach met zijn 3 zonen en aanverwanten.

 

Het was satan haast gelukt, om de komst van het beloofde vrouwenzaad van Gen. 3:15 onmogelijk te maken, door zijn verleiding met engelen, die gemeenschap kregen met de dochters der mensen, om met dat hele geslacht de wereld te domineren.

 

Eerst had satan dat getracht door de geboorte van Kaïn. Johannes zegt: “Kaïn was uit de boze.” De satan trachtte door middel van Kaïn met een moord op Abel, om zo de komst van het vrouwe zaad te verijdelen. Maar toen God Seth in de plaats stelde van Abel, trachtte satan dat hele mensengeslacht te verontreinigen, door het te vermengen met “ander” vlees.

 

Van die “zonen van God” vielen een aantal, een groep waarvan we in de Griekse mythologie lezen, die hadden gemeenschap met de dochters van Adam. Maar de satan echter faalde gelukkig weer in zijn opzet. Hij kon Gods voornemen der eeuwen niet verijdelen, hoe hij dat ook probeerde te doen. Er was maar één man, Noach die onderscheidde zich van de rest, die wandelde met God, hij was onberispelijk onder zijn tijdgenoten. Daarin zorgde God dat de lijn van het vrouwenzaad kon worden voortgezet.

 

Zo mogen wij ook, onberispelijk, rechtvaardig zijn. Wandelen met God in deze wereld van vandaag. Wij zijn als uitverkorenen Gods zijn gerechtvaardigd in de Geliefde, de Heere Jezus Christus. (Ef.1:6) Amen.

Opgemaakt door W. Rodenhuis, april 2017

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk