De Zonde van de mens

De Zonde van de mens

 

Inhoud

 

Deel 1.........

Inleiding - De Toestand op Aarde tijdens en ná de herschepping

Deel 2.........

De Engelen - Engelen kunnen niet sterven.

Deel 3.........

Waar bevinden zich de geesten (= demonen)?

Deel 4.........

De hemelse gewesten - Wat zijn de hemelse gewesten?Demonen op aarde.

Deel 5.........

Adam type van Christus

Deel 6.........

De Schepping van Adam.

Deel 7.........

De Ziel - Over het Geslachtsregister van Genesis 2.

Deel 8.........

Wie is verleid? - De offers van Abel en Kaïn.

Deel 9.........

Het Spijsoffer.

Deel 10........

Adam's Opdracht - Door God gemaakt - Bewerken en Bewaren.

Deel 11........

Het verbond van God met Adam - Wat er verder gebeurde.

Deel 12........

Ik zal hem een hulpe maken - Het geluid van de Heere.

Deel 13........

De zonde door één mens.  

Deel 14........

Wat was de zonde van Adam? Onder invloed der zinnen.

Deel 15........

Rom 5:14: Niet gezondigd áls Adam - In Adam - Het eten van de vrucht in een ander licht

Deel 16........

Rom 5:12: In Adam zondigden alle mensen - Gaan er mensen verloren door hun zonden? Door het geloof VAN Christus.

Deel 17........

De verzwegen verborgenheid van Rom 17.

Deel 18........

De structuur van de Romeinen brief - Kunnen wij ons doel missen? Adam als type van het Lichaam van Christus - Slot.

 

De Zonde van de mens (deel 1)

Inleiding

 

Bij het onderzoeken van het Woord, wat nodig was voor het op papier zetten van dit stuk, ben ik mij er temeer van bewust geworden, dat velen (mijzelf inbegrepen) zich bij het vormen van meningen over feiten uit het Woord heel vaak hebben laten leiden door vooropgezette, vastgestelde leringen uit het verleden.

Daarom is het van belang dat we altijd proberen het Woord van God te onderzoeken zonder daarbij rekening te houden met die al vaststaande leringen.

Want het zou best eens zo kunnen zijn dat de Heere ons door aanhoudend onderzoek door Zijn Geest steeds weer nieuwe dingen laat zien, die helemaal niet kloppen met eerdere uitleggingen.

 

De Toestand op Aarde tijdens en ná de herschepping

 

Om de dingen van dit onderwerp, “De zonde van de mens”, goed te verstaan, is het van belang dat we begrijpen hoe de situatie op aarde was tijdens en vlak na de herschepping.

 

We weten uit de Schrift dat satan in opstand is gekomen tegen God, en dat hij met een groot aantal engelen, die satan in zijn ongehoorzaamheid volgden, uit de hemel is geworpen. De prachtige schepping die God gemaakt had in Genesis 1:1, is toen door de opstand van satan dusdanig in disharmonie gebracht, dat het eerste oordeel over de aarde kwam, en dat oordeel van God bracht de aarde in woestheid, ledigheid en duisternis.

De eerste "ajoon" was voorbij en alles wachtte op herstel door de Schepper. (zie voor uitvoerige behandeling de bijbelstudie “In den Beginne”)

 

Meestal wordt gedacht dat er niemand op aarde was, toen God de aarde begon te herstellen, waarvan we kunnen lezen in Gen 1 vanaf vers 3.

Maar er was wel iemand aanwezig, er waren zelfs een heleboel aanwezigen.

Gods herstellende scheppingswerk werd aanschouwd door satan en zijn aanhang. Ik denk niet dat zij het leuk vonden dat God weer licht bracht in de duisternis.

 Hoe was het in den beginne? – Gen 1:1

Dat lezen we in Job 38:

  • 4 Waar waart gij, toen Ik de aarde grondvestte?
  • Vertel het, indien gij inzicht hebt!
  • 5 Wie heeft haar afmetingen bepaald? Gij weet het immers!
  • Of wie heeft over haar het meetsnoer gespannen?
  • 6 Waarop zijn haar pijlers neergelaten,
  • of wie heeft haar hoeksteen gelegd,
  • 7 terwijl de morgensterren tezamen juichten,
  • en al de zonen Gods jubelden?

 

Vervolgens lezen we over één van die morgensterren in Ez 28 vanaf vers 11:

  • 11 Het woord des Heren kwam tot mij: 12 Mensenkind, hef een klaaglied aan over de koning van Tyrus en zeg tot hem: zo zegt de Here Here:
  • Volmaakt zijt gij van gestalte,
  • vol van wijsheid, volkomen schoon.
  • 13 In Eden waart gij, Gods hof;
  • allerhande edelgesteente overdekte u:
  • rode jaspis, chrysoliet en prasem,
  • turkoois, chrysopraas en nefriet,
  • lazuursteen, hematiet en malachiet.
  • Van goud was het werkstuk, waarin zij waren gevat
  • en aan u vastgehecht;
  • toen gij geschapen werdt, waren zij gereed.
  • 14 Gij waart een beschuttende cherub met uitgespreide vleugels;
  • Ik had u een plaats gegeven:
  • gij waart op de heilige berg der goden,
  • wandelend te midden van vlammende stenen.
  • 15 Onberispelijk waart gij in uw wandel,
  • vanaf de dag dat gij geschapen werdt,
  • totdat er onrecht in u werd gevonden:
  • 16 door uw uitgebreide handel zijt gij vervuld geraakt
  • met geweldenarij en kwaamt gij tot zonde.
  • Van de berg der goden verbande Ik u
  • en deed u weg, gij beschuttende cherub,
  • van tussen de vlammende stenen.
  • 17 Trots was uw hart op uw schoonheid –
  • met uw luister hebt gij ook uw wijsheid teniet doen gaan.
  • Ter aarde wierp Ik u neer,
  • en maakte u tot een schouwspel voor koningen
  • om met leedvermaak naar u te zien.
  • 18 Door uw vele ongerechtigheden,
  • door het onrecht bij uw koophandel,
  • hebt gij uw heiligdommen ontwijd.
  • Vuur deed Ik oplaaien uit uw midden
  • dat verteerde u!
  • Ik maakte u tot as op de grond
  • voor de ogen van allen die u zagen.
  • 19 Allen die onder de volken u kennen,
  • ontzetten zich over u;
  • een verschrikking zijt gij geworden,
  • verdwenen zijt gij – voor altijd!

 

Hier in Ezechiël wordt ons het begin en het einde van “lucifer” voor de ogen gespiegeld. De "vorst der duisternis" had Gods prachtige schepping, waar satan in den beginne (Job 38:7) nog juichend bij aanwezig was, in disharmonie én duisternis gebracht. Maar vanuit die duisternis bracht God als allereerste Zijn licht (Gen 1:3), en begon God Zijn herstellende werk.

Dat kon eigenlijk ook niet anders, dat God eerst het licht maakte, want God, die licht is, kan alleen maar Zijn werk doen in het licht. Er staat in 1 Joh 1:5:

  • "God is licht en in Hem is in het geheel geen duisternis."

 

Er kwamen allerlei dieren op aarde, en velerlei bomen en planten met hun vruchten, bovendien maakte God ook de mens, met een heel speciale opdracht (hierover later meer), die Hij ook nog een prachtige "hof" gaf om beschermd in te leven. Het was satan een doorn in het oog om al het goede wat God deed, te moeten aanschouwen, en hij broedde al op plannen hoe hij dit alles in de war zou kunnen brengen en kon vernietigen. Satan is immers de “diabolis”, dat betekent “de door de war brenger”.

 

Dát was de situatie in den beginne. De mensen begonnen zich te vermenigvul-digen, en satan zag dat de vrouwen van de mensen "schoon" waren, en hij kon mooi zijn getrouwe gevallen engelen gebruiken voor zijn demonisch plan. Want satan wist van Gods belofte aan Eva (Gen 3:15).

En reken maar dat satan vanaf die tijd dat zaad der vrouw goed in de gaten heeft gehouden. Want uit haar zaad zou Iemand voortkomen, die hem de kop zou vermorzelen. Hij heeft er alles aan gedaan om dat zaad daarvoor ongeschikt te maken. Satan was reeds de overste van deze aarde, en uit zijn brein kwam dit plan voort:

Gen 6:1-4:

  • Toen de mensen zich op de aarde begonnen te vermenigvuldigen en hun dochters geboren werden, zagen de zonen Gods, dat de dochters der mensen schoon waren, en zij namen zich daaruit vrouwen, wie zij maar verkozen. En de HEERE zeide: Mijn Geest zal niet altoos in de mens blijven, nu zij zich misgaan hebben; hij is vlees; zijn dagen zullen honderd twintig jaar zijn. De reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam.”

 

Wie zijn die "zonen Gods"? Deze uitdrukking komen we 6 keer tegen in het Oude Testament, namelijk in Gen 6:2, Gen 6:4, Job 1:6, Job 2:1, Job 38:7 en in Daniël 3:25.

Gelukkig laat Gods Woord ons niet in het ongewisse over wie die zonen Gods uit Gen 6 zijn, want een duidelijke tekst hierover is 2 Petr 2: 4-5:

  • "Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond (= tartarus) te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren; en de wereld (= kosmos) van de voortijd niet gespaard heeft, maar Noach, de prediker der gerechtigheid, met zeven anderen bewaard heeft, toen Hij de zondvloed over de wereld (= kosmos) der goddelozen bracht."

 

Hier lezen we over die engelen, welke in Gen. 6 "zonen Gods" genoemd worden, engelen die gezondigd hadden. Dat kunnen alleen maar de engelen zijn, die satan in zijn opstand tegen God zijn gevolgd.

God heeft hen ten tijde van de zondvloed niet gespaard, maar heeft hen (hun geesten) in de “afgrond” (= tartarus) geworpen, en daar worden ze bewaard tot het oordeel. En die “reuzen” uit Gen 6:4 zijn de “vruchten” (in negatieve zin) van de gemeenschap der goddeloze “zonen Gods” en de dochters der mensen, wat ook wel duidelijk uit de tekst blijkt.

 

Wat gebeurt hier broeders en zusters? Wat zit hier achter? Wat is satan's bedoeling met deze dingen? We weten wat de Heere zei tegen de slang in Genesis 3:

  • 14 Daarop zeide de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen.” (Gen 3:14-15).

 

Ik geloof dat de satan deze woorden goed heeft gehoord. Want hij heeft er alle eeuwen wel naar gehandeld, gezien zijn pogingen om Gods plannen te dwarsbomen. Wanneer God zegt, dat er iemand zal komen die je kop gaat vermorzelen, dan moet je oppassen. En de Heere had ook nog gezegd waardoor dat zou gebeuren. Door een nakomeling van de vrouw Eva.

Dus satan moest die nakomelingen van Eva goed in de gaten houden. Vooral die nakomelingen die de Heere dienden. En we zien satan's pogingen om het zaad van de vrouw te vernielen door de ongepaste gemeenschap met gevallen engelen, die een verminkt zaad voortbrachten, namelijk wangedrochten, reuzen!

 

En dat lukte satan ook nog bijna. Want op een gegeven ogenblik was het zo erg geworden dat de Heere spijt had, dat Hij de mensen had gemaakt:

Gen 6:5-8:

  • Toen de Here zag, dat de boosheid des mensen groot was op de aarde en al wat de overleggingen van zijn hart voortbrachten te allen tijde slechts boos was, 6 berouwde het de Here, dat Hij de mens op de aarde gemaakt had, en het smartte Hem in zijn hart. 7 En de Here zeide: Ik zal de mensen, die Ik geschapen heb, van de aardbodem uitroeien, de mensen zowel als het vee en het kruipend gedierte en het gevogelte des hemels, want het berouwt Mij, dat Ik hen gemaakt heb.”

 

Maar God had een belofte gedaan in Gen 3:15, namelijk dat het zaad van de vrouw de kop van satan zou vermorzelen. En God maak Zijn beloften altijd waar! Daarom staat er ook in Gen 6:8:

  • Maar Noach vond genade in de ogen des Heren.”

 

Zo zien we ook dat Gods plannen nooit falen, want door de hele Bijbel zien we dat God het “zaad der vrouw” bewaart. Als een rode lijn loopt door de hele Bijbel het zaad der vrouw, wat uiteindelijk hét Zaad zal voortbrengen, dé Christus!

 

Nog even over die gevallen engelen, die in de opstand in de hemel de zijde van satan hebben gekozen. Het is belangrijk deze dingen te onderscheiden, om een goed beeldte krijgen op de tegenwoordige tijd waarin wij leven. Waar het om gaat, is de veronderstelling van velen, dat er heden ten dage geen "demonen" meer zijn. Laten we maar eens zien wat er toen allemaal gebeurde.

Want hoe was het mogelijk dat engelen gemeenschap hadden met de mensen?

Daar gaan we DV de volgende keer mee verder in deel 2

Bert Boersma, februari 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

 

De Zonde van de mens (deel 2)

De Engelen

 

Eerst iets over de engelen. In den beginne was alles één in de hemel. God was er, Christus was er, en satan was er ook als een lichtende morgenster, Lucifer genaamd. En er was een grote schare engelen.

Toen satan in opstand kwam, heeft een gedeelte van de engelen de zijde van satan gekozen. Engelen komen in het Woord naar voren als dienende wezens.

De engelen Gods – noem ze maar de goeden – dienen God, en de anderen – de slechten – dienen satan.

Over dat dienen lezen we bijvoorbeeld in Math 4:10-11:

  • Toen zeide Jezus tot hem: Ga weg, satan! Er staat immers geschreven: De Here, uw God, zult gij aanbidden en Hem alleen dienen. 11 Toen liet de duivel Hem met rust en zie, engelen kwamen en dienden Hem.”

 

Een prachtige tekst over dat dienen van de engelen lezen we in Matteüs 26.

Dat gaat over de arrestatie van de Heere Jezus in de hof van Getsemané.

Toen de Heere door Judas was verraden, kwam Petrus in het geweer, en sloeg de slaaf van de hogepriester het oor af. En toe zei de Heere:

Math 26:52-54:

  • Toen zeide Jezus tot hem: Breng uw zwaard weder op zijn plaats, want allen, die naar het zwaard grijpen, zullen door het zwaard omkomen. 53 Of meent gij, dat Ik mijn Vader niet kan aanroepen en Hij zal Mij terstond meer dan twaalf legioenen engelen terzijde stellen? 54 Hoe zouden dan de Schriften in vervulling gaan, die zeggen, dat het aldus moet geschieden?”

Hoeveel is nu een legioen? Nou, dat woord legioen is ontleend aan het Romeinse leger, dat op dat moment de macht had in Israël. Het was dus een legeronderdeel en zo’n onderdeel bestond uit 6000 soldaten.

12 Legioenen komen dus neer op 12 x 6.000 = 72.000. Dus de Heere Jezus kon zo maar 72.000 engelen roepen om Hem te bevrijden van die soldaten die Hem gevangen namen.

 

Het is dus heel bijzonder, maar dat Hij dat niet deed. Dat kwam omdat Hij besloten had, uit eigen beweging in volledige gehoorzaamheid die weg naar het kruis te gaan. Hij kende de prijs en accepteerde dat het Hem zijn leven zou kosten, maar Hij deed het uit liefde voor ons, omdat wij anders allemaal verloren zouden zijn gegaan.

 

Hoeveel engelen zijn er eigenlijk? Heel veel. De Hebreeën brief heeft het over tienduizendtallen van engelen. We horen van God spreken als de “HERE der heerscharen”. In de Nieuwe Bijbelvertaling wordt gesproken van de “Heer van de hemelse machten”.

 

Johannes krijgt in de Openbaring een machtig leger van engelen te zien. En hij heeft geprobeerd hun aantal onder woorden te brengen en de uitslag is: “Hun getal was tienduizenden tienduizendtallen en duizenden duizendtallen” (Openb 5:11).

 

Johannes gebruikte waarschijnlijk de grootste getallen die hij kende, want het waren er zoveel dat hij ze niet kon tellen. Maar het zou mij niet verbazen dat er verschillende miljoenen engelen zijn.

 

Van die grote aantallen engelen heeft een flink gedeelte de zijde van satan gekozen. Hoeveel? Ik heb dat niet echt kunnen vinden in het Woord.

 

Maar persoonlijk denk ik dat het wel één derde van alle engelen is, omdat de Bijbel heel vaak in dat derde deel rekent, maar ik heb daarvan geen Bijbelse onderbouwing, dus laat dat maar. Maar dat het er veel zijn, dat blijkt uit de tekst die we vinden in Openbaring 12:7:

  • En er kwam oorlog in de hemel; Michaël en zijn engelen hadden oorlog te voeren tegen de draak; ook de draak en zijn engelen voerden oorlog.”

 

Om een oorlog aan te gaan tegen Michaël en zijn engelen, moet je wel een strijdmacht hebben om die oorlog aan te gaan. Dat was een strijd van het licht tegen de duisternis. En we lezen ook hoe die oorlog afliep:

Openb 12:8-9:

  • Maar hij (de draak) kon geen standhouden, en hun plaats werd in de hemel niet meer gevonden. 9 En de grote draak werd (op de aarde) geworpen, de oude slang, die genaamd wordt duivel en de satan, die de gehele wereld verleidt; hij werd op de aarde geworpen en zijn engelen met hem.”

 

Over de engelen is nog heel veel te zeggen, maar we bepalen ons hier nu even tot die gevallen engelen, die de zijde van satan gekozen hebben.

Over die gevallen engelen lezen we in Judas 1:6-7

  • "Dat Hij engelen, die aan hun oorsprong ontrouw werden en hun eigen woning verlieten, voor het oordeel van de grote dag met eeuwige banden onder donkerheid heeft bewaard gehouden; zoals Sodom en Gomorra en de steden in hun nabijheid, die op gelijke wijze als genen haar hoererij hebben botgevierd en ander (= heteros) vlees achternagelopen zijn, daar liggen als voorbeeld, onder een straf van eeuwig vuur. (= het vuur van de eeuw, de Gehenna)"

 

Ja dat is de eindbestemming van satan en zijn aanhang. Dat lezen we in Math 25:41, waar staat dat zij “naar het eeuwige vuur (= het vuur van de eeuw) gaan, dat voor de duivel en zijn engelen bereid is.”

 

De benaming “eeuwige vuur” kan zeer verwarrend zijn, omdat men daaruit kan concluderen: “Zie je wel, dat vuur brandt eeuwig.” Maar dat staat er helemaal niet. Er staat in de Griekse grondtekst: “het aionios vuur”, dat betekent “het vuur van de eeuw”, en we weten dat het vuur van de toekomde eeuw zal zijn, de Gehenna.

 

We lezen in Judas 1 dat engelen hun oorsprong ontrouw werden, dat is gebeurd toen ze satan volgden in zijn opstand, vervolgens staat er dat die engelen "hun eigen woning verlieten". Het woord wat hier in het Grieks voor "woning" staat, is "oikhthrion" (= oiketerion), dit komen we slechts twee keer tegen in de Schrift, namelijk in Judas 1:6, en in 2 Kor 5:2, deze laatste tekst geeft wat meer duidelijkheid over wat er met “die woning” wordt bedoeld:

  • Want wij weten, dat, indien de aardse tent, waarin wij wonen, wordt afgebroken, wij een gebouw van God hebben, in de hemelen, niet met handen gemaakt, een eeuwig huis. Want hierom zuchten wij: wij haken ernaar met onze woonstede (=oikhthrion = oiketerion) uit de hemel overkleed te worden, als wij maar bekleed, en niet naakt, zullen bevonden worden. Want wij, die nog in een tent wonen, zuchten bezwaard, omdat wij niet ontkleed, doch overkleed willen worden, opdat het sterfelijke door het leven worde verslonden. God is het, die ons juist dáártoe bereid heeft en die ons de Geest tot onderpand gegeven heeft.” (2 Kor 5:1-5)

We zien hier dat het aardse lichaam wordt vergeleken met een tent, maar wanneer dat lichaam (tent) wordt afgebroken zullen de gelovigen met een geestelijk lichaam (= oikhthrion = oiketerion) uit de hemel overkleed worden.

 

Deze woonstede, deze "oiketerion" (= oikhthrion), dit geestelijk lichaam, wat de gevallen engelen in eerste instantie hadden, waren die engelen nou juist ontrouw geworden, zij hadden hun geestelijk lichaam verlaten.

 

Die gevallen engelen moesten een ander, aards lichaam aannemen om gemeenschap met de mensen te kunnen hebben, ze hadden zich daartoe als het ware "gematerialiseerd" op aarde tot een lichaam wat voor hun verderfelijk doel geschikt was.

 

Vrijwillig verlieten deze engelen hun eigen "woning", hun geestelijk lichaam. Daarmee gaven zij ook al de privileges en kenmerken op, die bij dat "engelen-lichaam" behoorden. Zij gebruikten hun ingeschapen macht, die ze blijkbaar hadden, om hun lichaam te verlaten, en een ander lichaam aan te nemen, een lichaam dat geschikt was om met de dochters der mensen gemeenschap te hebben.

 

Het gevolg van deze gemeenschap is dat we lezen dat er

  • "Reuzen waren in die dagen op de aarde, en ook daarna, toen de zonen Gods tot de dochters der mensen kwamen, en zij hun (kinderen) baarden; dit zijn de geweldigen uit de voortijd, mannen van naam." (Gen 6:1-4).

 

We zullen begrijpen dat uit deze gemeenschap geen dienaren van God werden voortgebracht, maar juist geweldadigentegen het Woord van God, daarom werden ze dan ook "geweldigen" genoemd, in de betekenis van geweldadigen, mannen van (beruchte) naam. (Gen 6:4).

 

Mede door toedoen van deze satanische infitratie in het menselijk ras, werd die wereld van de z.g. "voortijd" zo verdorven, dat het God berouwde dat Hij de mensen gemaakt had, en dat God die wereld oordeelde door de zondvloed.

 

Dan staat er nog iets bijzonders in het Woord over de engelen. Een tekst waar men tegenwoordig eigenlijk geen raad meer mee weet. Laten we maar eens lezen:

1 Korintiërs 11:9-10:

  • De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10 Daarom moet de vrouw een macht op het hoofd hebben vanwege de engelen.”

 

Wat betekent dit, dat de vrouw een macht op het hoofd moet hebben vanwege de engelen? We kunnen er van alles van maken, en men heeft er o.a. ook van gemaakt dat de vrouw een hoedje op moet hebben, maar de werkelijke betekenis gaat terug naar die gevallen engelen, die voortdurend bezig zijn mensen te beïnvloeden. En blijkbaar heeft de vrouw een bescherming nodig vanwege die gevallen engelen.

 

En de bescherming van de vrouw is haar man, die weer onder de bescherming van Christus staat. En wanneer we in die ordening gaan staan, staan we uiteindelijk allen onder de bescherming van Christus.

We lezen hierover in 1 Kor 11:3-10:

  • Ik wil echter, dat gij dit weet: het hoofd van iedere man is Christus, het hoofd der vrouw is de man, en het hoofd van Christus is God. 4 Iedere man, die bidt of profeteert met gedekten hoofde, doet zijn hoofd schande aan. 5 Maar iedere vrouw, die blootshoofds bidt of profeteert, doet haar hoofd schande aan, want zij staat gelijk met ene, die kaalgeschoren is. 6 Want indien een vrouw zich het hoofd niet dekt, moet zij zich ook maar het haar laten afknippen. Doch indien het een schande is voor een vrouw, als zij zich het haar laat afknippen of zich kaal laat scheren, dan moet zij zich dekken. 7 Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods, maar de vrouw is de heerlijkheid van de man. 8 Want de man is niet uit de vrouw, maar de vrouw uit de man. 9 De man is immers niet geschapen om de vrouw, maar de vrouw om de man. 10 Daarom moet de vrouw een macht (bescherming) op het hoofd hebben vanwege de engelen.”

 

Engelen kunnen niet sterven

Die engelen kunnen niet sterven. We lezen in 2 Petrus 2:4:

  • Want indien God engelen, die gezondigd hadden, niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrond te werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren.” (2 Petr 2:4).

 

Dus God heeft die engelen en ook de wereld van de goddelozen niet gespaard in die voortijd. Maar we lazen ook dat God die gevallen engelen wel bewaard in “de afgrond”.

 

Uit de Bijbel weten we dat engelen niet kunnen sterven, wat blijkt uit bijvoorbeeld Lukas 20:34:

  • "En Jezus zeide tot hen: De kinderen dezer eeuw huwen en worden ten huwelijk genomen, maar die waardig gekeurd zijn deel te verkrijgen aan die eeuw en aan de opstanding uit de doden, huwen niet en worden niet ten huwelijk genomen. Want zij kunnen niet meer sterven; immers, zij zijn aan de engelen gelijk en zij zijn kinderen Gods, omdat zij kinderen der opstanding zijn." (Lukas 20:34-36)

 

Lukas 20:36 maakt duidelijk dat engelen niet sterven, maar wat is er dán met de gevallen engelen gebeurd, die hun eigen "woning" hebben verlaten?

 

We weten dat de mensen zijn omgekomen tijdens de zondvloed, ook de nakomelingen van de gevallen engelen. Maar die engelen zelf dan?

 

Niets in het Woord wijst erop dat die engelen toen ook gestorven zijn. Wel lazen we in 2 Petr 2:4 dat God hen niet gespaard heeft, maar hen, door hen in de afgrondte werpen, aan krochten der duisternis heeft overgegeven om hen tot het oordeel te bewaren.

Waar zijn die gevallen engelen dan nu?

Wanneer we deze tekst in de St Vert lezen dan vinden we: 2 Petr 2:4:

  • "Want indien God de engelen, die gezondigd hebben, niet gespaard heeft, maar, die in de hel geworpen hebbende, overgegeven heeft aan de ketenen der duisternis, om tot het oordeel bewaard te worden."

 

De volgende keer (deel 3) gaan we zien waar die gevallen engelen zich nu bevinden.

Bert Boersma, februari 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

 

De Zonde van de mens (deel 3)

Waar bevinden zich de geesten (= demonen)?

 

We zouden proberen te ontdekken aan de hand van het Woord, waar die gevallen engelen zich nu bevinden. We lazen de vorige keer in 2 Petr 2:4 "in de afgrond" (NBG), en we lazen "in de hel" (St Vert), maar waar zijn ze nou echt?

 

Wanneer we het woord wat vertaald is met “afgrond” in de Griekse grondtekst opzoeken, dan vinden we het woord "ταρταρωσας" (= tartarus).

 

Dit woord komt uitsluitend hier in deze tekst voor in Gods Woord. We hebben dus geen vergelijkende teksten. Er zijn vele bijbelverklaarders, die samengevat zeggen dat het woord "Tartarus" de plaats aanduidt in de laagste delen van onze atmosfeer, die om onze aardbol is gelegen, namelijk de lucht.

 

Het normale woord voor ‘afgrond’ is in het Grieks: ‘Abyss’. Dat komt zes keer voor in het N.T. Het woord dat hier echter gebruikt wordt is: ‘Tartarus’. Dit woord komt maar één keer in de Bijbel voor en wel hier in 2 Petrus 2:4.

 

In de Griekse mythologie is de Tartarus de gevangenis van Cronos en de Titanen. Het is een verschrikkelijke, duistere afgrond. Wat is zijn betekenis? Hoe gebruikten de oude Grieken het in de dagen van de apostelen?

 

Wat verstonden zij er onder?”

  • Lucian zegt: "De atmosfeer wordt Tartarus genoemd."
  • Suidas zegt: "Het drukt uit de plaats in de wolken of in de lucht."
  • Parkhurst zegt: "Het schijnt ... dat met Tartarus in een fysieke betekenis de grenzen van deze stoffelijke schepping werd bedoeld."
  • Dr. Whateley zegt: "Het woord moet worden opgevat als onze donkere, sombere aarde met zijn mistroostige, donkere wolken, smerige dampen en nevelachtige atmosfeer."
  • Plutarchus zegt: "Onze lucht wordt Tartarus genoemd."
  • Hesiod en Homer noemen het: "De Tartarus is in de lucht."
  • Grotius zegt: "Dát wordt Tartarus genoemd, wat het laagste is in wat dan ook, of dit nu de aarde is, of in het water, of zoals hier in de lucht."

 

Volgens deze verklaringen duidt het woord Tartarus op de laagste delen in de atmosfeer, die de aardbol omhult, namelijk de lucht.

 

Maar voor we iets in ons hart vastleggen, moet Gods Woord ons dat in onze harten bevestigen, daarom gaan we zoeken naar wat het Woord ons in dezen nog meer heeft te vertellen. We weten nu dat de engelen hun eigen geestelijke lichaam hadden verlaten. Ze hadden zich een aards lichaam aangemeten, om op aarde hun wellust bot te vieren. Dat aardse vernederde lichaam hebben zij bij de zondvloed verloren, hoewel zij niet als de mensen konden sterven.

 

Het gevolg was dat zij als ontlichaamden, zonder lichaam, als geesten, als demonen gekluisterd waren in de tartarus, waar ze "aan ketenen der duisternis bewaard worden tot het oordeel." Dat zegt 2 Petr 2:4 St. Vert.

 

Deze demonen vormen samen onder aanvoering van satan, de boze geesten in de lucht, de wereldbeheersers dezer duisternis.

 

In Efeze 6:10-12 lezen we:

  • "Voorts, weest krachtig in de Here en in de sterkte zijner macht. 11 Doet de wapenrusting Gods aan, om te kunnen standhouden tegen de verleidingen des duivels; 12 want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten."

 

Deze "boze geesten" zijn zij, wat er is overgebleven van de gevallen engelen, die hun eigen oorspronkelijke lichaam (woonstede) hadden verlaten, en in de zondvloed hadden ze hun (aangenomen) aardse lichaam ook verloren, en daarna waren ze tot "boze geesten", tot demonen verworden.

 

De overste van deze "macht der lucht" is satan. Tezamen bezetten zij de lucht, waar die "boze geesten" als het ware door ketenen zijn gebonden.

 

Dit betekent niet dat die boze geesten geen bewegingsvrijheid hebben, maar dat zij uitsluitend in de hun toegemeten ruimte in de lucht kunnen opereren.

 

Zij zijn nog wel steeds bezig hun verderfelijke werkzaamheden in die hun toegewezen oorden te verrichten. Maar zij zijn als het ware gevangen in dat hun toegemeten deel van de lucht.

 

Het aantal van die boze geesten is niet bekend, maar het zijn er velen.

 

Toen Christus op aarde was, en Zijn werkzaamheden verrichtte, zien we bij herhaling dat Christus hun werken verbreekt, en de geesten uitwerpt, nadat zij, die boze geesten, die zonder lichaam waren, hun intrek hadden genomen in het lichaam van een mens of van een dier.

 

Hieruit blijkt dat die geesten nog steeds bezit kunnen nemen van een ander lichaam, om hun verderfelijke invloed te laten gelden.

 

In verband met het oordeel van de gevallen engelen, en de plaats waar ze zich bevinden, is het van belang de tekst uit 1 Petr 3 nader onder de loep te nemen:

  • Want ook Christus is eenmaal om de zonden gestorven als rechtvaardige voor onrechtvaardigen, opdat Hij u tot God zou brengen: Hij, die gedood is naar het vlees, maar levend gemaakt naar de geest,in welke Hij (in een geestelijk lichaam) ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis, die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach, terwijl de ark in gereedheid werd gebracht, waarin weinigen, dat is acht zielen, door het water heen gered werden.” (1 Petr 3:18-20)

 

Dit is een moeilijke tekst, die vaak niet wordt verstaan. We gaan ons niet bezighouden met allerlei menselijke uitleggingen, die in de loop der tijden over deze tekst zijn gevormd, maar we gaan proberen te ontdekken wat Gods Woord ons in deze tekst wil zeggen. In 1 Petr 3:18 is het duidelijk dat "vlees" staat tegenover "geest". Christus kwam in het vlees, om in het vlees Zijn werk te doen, en zo stierf Christus ook in het vlees. Maar Hij werd opgewekt in een geestelijk lichaam, en werd zo een levendmakende Geest.

  • "Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest." (1 Kor 15:45).

 

Het is duidelijk dat deze "geest" van 1 Kor 15:45 en ook van 1 Petr 3:18 niet slaat op de geest van Christus in het graf zijnde, maar dat deze "geest" slaat op de levendmakende Geest, waarin Christus opstond.

 

Uit het verdere van 1 Petr 3 wordt dan ook duidelijk, dat Christus, toen hij dood was, niet in het graf, of zoals sommigen zeggen, in het dodenrijk gepredikt heeft, of zoals sommige belijdenis geschriften ons willen doen geloven: "Hij is nedergedaald ter helle".

 

Maar Christus heeft gepredikt, geproclameerd, nadat hij is levend gemaakt in een geestelijk lichaam, "in welke hij is heengegaan" naar de hemel. Hij is in een geestelijk lichaam de hemelen doorgegaan! Dat lezen we in 1 Petr 3:22:

  • Die aan de rechterhand Gods is, naar de hemel gegaan, terwijl engelen en machten en krachten Hem onderworpen zijn.”

 

We gaan nogmaals naar 1 Petr 3:19:  

  • in welke (in de Geest, waarin Hij was levend gemaakt) Hij ook heengegaan is en gepredikt heeft aan de geesten in de gevangenis."

 

Die geesten, die in de gevangenis zitten zijn geen mensen, maar engelen, zoals uit de tekst van 1 Petr 3:20 kan worden opgevat: "die eertijds ongehoorzaam geweest waren, toen de lankmoedigheid Gods bleef afwachten, in de dagen van Noach.” En die “gevangenis” is de ruimte die aan de demonen is toegewezen. Daar zijn die demonen als het ware door “ketenen gebonden”.

 

Het is Bijbels niet te onderbouwen, dat de "geesten in de gevangenis" van 1 Petr 3:19 geesten van mensen zijn. Het woord wat het Grieks ons hier vermeld voor "geest" is "πνευμασιν" (= pneuma). Het woord "pneuma" wordt nergens in de Bijbel gebruikt voor de geesten van mensen, als dit er niet nadrukkelijk bij wordt vermeld. Waar het woord "pneuma" voor personen wordt gebruikt, is dat voor demonen en voor engelen. Enkele voorbeelden: Lukas 4:33:

  • "En in de synagoge was iemand met een boze, onreine geest (= "pneuma") 34 en hij schreeuwde met luider stem: Ha, (beter vertaald: Laat af), wat hebt Gij met ons te maken, Jezus van Nazaret? Zijt Gij gekomen om ons te verdelgen? Ik weet wel, wie Gij zijt: de heilige Gods. 35 En Jezus bestrafte hem en zeide: Zwijg stil en vaar uit van hem. En de boze geest (= daimonion = duivel) wierp hem in het midden neer en voer van hem uit zonder hem enig kwaad te doen. 36 En er kwam verbazing over allen en zij spraken erover tot elkander en zeiden: Wat voor spreken is dit? Want Hij legt met gezag en macht aan de onreine geesten (= "pneuma") zijn bevelen op en zij varen uit. 37 En er ging een roep van Hem uit naar alle plaatsen in de omtrek. " (Lukas 4:33-37).
  • "Doch verblijdt u daarin niet, dat de geesten (= "pneuma")u onderworpen zijn; maar verblijdt u veel meer, dat uw namen geschreven zijn in de hemelen." (Lukas 10:20)
  • "En zij werden allen verbaasd, zodat zij onder elkander vraagden, zeggende: Wat is dit? Wat nieuwe leer is deze, dat Hij met macht ook den onreine geesten (= "pneuma") gebiedt, en zij Hem gehoorzaam zijn!" (Markus 1:27)
  • "Maar de Geest (= "pneuma") zegt nadrukkelijk, dat in latere tijden sommigen zullen afvallen van het geloof, doordat zij dwaalgeesten (= "pneuma") en leringen van boze geesten (= daimonion = duivelen) volgen.” (1 Tim 4:1).

 

Verder weten we uit het Woord dat alle mensen (uitgezonderd zij, die tot het Lichaam van Christus behoren) die gestorven zijn, zich in het graf bevinden, waar ze wachten op de voor hen bestemde opstanding, en daar in dat graf weten ze van niets! (Pred 9:5)

 

Nergens in de gehele Schrift is sprake van een heengaan van wie dan ook, tot de geesten van gestorven mensen, die van niets weten!

 

Ook de opgestane Christus is niet in het graf (of ter helle) nedergedaald om dáár aan dode mensen een boodschap door te geven. Dat zou Bijbels gezien onzin zijn!

 

Die doden in het graf hebben (volgens het Woord) immers nergens benul van, en zijn al helemaal niet aanspreekbaar en kunnen ook niet horen!

 

Wanneer we dan niet met geesten van mensen te maken hebben in 1 Petr 3:19, dan blijft er maar één groep over die ongehoorzaam waren in de tijd van Noach, en dat zijn (de geesten van) de gevallen engelen, die, nadat ze hun aangemeten aardse lichaam hadden verloren in de zondvloed, als geesten na de zondvloed in hun gevangenis waren geplaatst. Een gevangenis, die is begrensd tot de lagere aardse regionen, de atmosfeer rondom de aarde.

 

Het was ook geen blijde boodschap die de Heere verkondigde aan die geesten in de gevangenis. Het was geen boodschap van redding en verlossing, maar de boodschap die de opgestane Heer, de levendmakende Geest predikte, was een boodschap van berisping en oordeel, en een boodschap dat Hij de overwinning had behaald op hun overste.

 

De Heere verkondigde tevens de boodschap van de aankondiging dat die geesten daar terecht gevangen zaten tot hun oordeel voltrokken zal worden.

 

Deze boodschap werd gebracht in de gevangenis, alwaar de geesten (demonen) geketend waren op hun plaats in de lucht (= tartarus), omdat die door satan geïnspireerde engelen een misdaad hadden gedaan (en nog doen) van een enorme omvang, namelijk Gods schepping hadden misvormd en vernield!

 

Zó is Christus als de Opgestane, de hemelen doorgegaan om Zijn overwinning te proclameren. (Hebr 4:14).

 

Diezelfde "geesten" of demonen komen we ook tegen in Ef 4:8-10:

  • "Daarom heet het: opgevaren naar den hoge voerde Hij krijgsgevangenen mede, gaven gaf Hij aan de mensen. Wat betekent dit: Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen."

 

Vaak wordt deze tekst uitgelegd, alsof Christus in het “dodenrijk” zou zijn geweest, waar hij zielen van de dood heeft vrijgemaakt, en aldus mee naar boven heeft genomen. Dit zijn evenwel menselijke redeneringen, die terug te voeren zijn tot de kabbalistische zienswijze der Farizeers, die van het dodenrijk (wat Bijbels gezien niet eens bestaat) een hele "leer" hadden gemaakt. (die gelijkenis van de schoot van Abraham)

 

Maar we hebben in het voorgaande al gezien, dat Christus als de levendmaken-de Geest niets met een graf of dodenrijk of hel van doen heeft gehad. De foute redeneringen zijn door alle eeuwen heen doorgegaan, want nog steeds wordt in hedendaagse kerken geloofd en voorgelezen "dat Christus is nedergedaald ter helle", niet wetende wat men daar dan mee aan moet, en hoe dit uit te leggen.

 

Maar er staat in Ef 4:8 dat Christus is "opgevaren naar den hoge", dat is heel wat anders, dan de overlevering ons wil doen geloven. En de rest van de tekst laat ons zien dat zoals hij is opgevaren, zo is hij ook nedergedaald op de aarde (Ef 4:9), en vers 10 wil dat nog eens benadrukken: Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen: Ef 4:9-10:

  • "Hij is opgevaren, anders dan dat Hij ook nedergedaald is naar de lagere, aardse gewesten? 10 Hij, die nedergedaald is, Hij is het ook, die is opgevaren ver boven alle hemelen, om alles tot volheid te brengen",

 

Wanneer is de Heere nedergedaald? Toen Hij zijn goddelijke waardigheid aflegde, om als kindje op deze aarde geboren te worden, om als zondeloos “mens” voor de zonde te sterven.

 

Een moeilijkheid kan nog zitten in dat tekst gedeelte "voerde Hij krijgsgevangenen mede" (Ef 4:8), maar dat heeft de Staten Vertaling beter vertaald:

  • "Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen, en heeft den mensen gaven gegeven."

 

Zo op het oog lijkt ook deze meer naar de grondtekst vertaalde tekst moeilijk te verstaan, maar in het licht van het overwinnende verlossingswerk van Christus zal deze tekst toch op zijn plaats vallen.

 

Christus heeft niet alleen de zonde aan het kruis weggedaan, maar Hij heeft ook de dood overwonnen, en Hij heeft de werken van satan verbroken, ja zelfs satan teniet gedaan. Daarna heeft Hij door Zijn opstanding ook bewezen dat de dood was overwonnen. Hij heeft zo onvergankelijk leven aan het licht gebracht.

 

Toen Christus ten hemel voer, is Hij de hemelen doorgegaan, waar hij de geesten van de gevallen engelen tegenkwam, en dáár heeft hij aan die geesten in hun gevangenis de boodschap van Zijn totale overwinning geproclameerd, deze proclamatie was tegelijk de aanzegging van hun oordeel.

 

Aldus heeft hij door Zijn glorieuze overwinning als het ware de gevangenschap van de geesten in die gevangenis bevestigd, en aldus de "gevangenis gevangen genomen". Tevens was zijn "doorgaan door de hemelen", een heenwijzing aan die geesten dat hun gevangenschap terecht was, dat ze daar terecht vast zaten, ze hadden hun verdiende loon, omdat ze willens en wetens satan waren gevolgd!

 

Een tekst heel nauw met bovenstaande verbonden, is Kol 2:15:

  • "Hij heeft de overheden en machten ontwapend (= gevangen genomen) en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd."

 

Zó heeft onze Heiland, de Heere Jezus Christus door Zijn opstanding én door Zijn hemelvaart getoond (tentoon gesteld) dat niet satan, maar Hij alle macht heeft in de hemelen (ook in de eerste hemel en de tweede hemel, waar de geesten gevangen zitten) en op de aarde. Hij heeft aan de geesten in die gevangenis geproclameerd dat zij hun straf niet zullen ontlopen.

 

Samenvattend: Door het volmaakte, volbrachte werk van Christus heeft Christus:

  • De zonde aan het kruis verzoend,
  • heeft Hij de dood overwonnen,
  • heeft Hij de werken van satan verbroken,
  • en heeft Hij satan's macht teniet gedaan.
  • Daarna heeft Hij door Zijn opstanding de overheden en machten ontwapend, en openlijk tentoongesteld en zo over hen gezegevierd.
  • Dit ontwapenen wijst op een machteloos maken, terwijl wij juist zijn bewapend met de allerbeste wapenrusting Gods. (Ef 6)

 

De "tentoonstelling" van de "machten der lucht" wijst op de vernederde positie van satan en zijn volgelingen in die gevangenis. Dit alles wijst op datgene wat we in Efeze 4:8 lazen:

  • "Daarom zegt Hij: Als Hij opgevaren is in de hoogte, heeft Hij de gevangenis gevangen genomen."

 

Hij heeft als het ware zo "de gevangenis gevangen genomen", Hij heeft de gevangenen in de gevangenis (= de boze geesten in de lucht, in de tartarus) door Zijn overwinning veroordeeld!

 

Dan rest nog te kijken naar de plaats waar de geesten gevangen zitten.

 

In Efeze 6:12 lezen we:

  • Want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten.”

 

En daar gaan we de volgende keer DV mee verder in deel 4.

Bert Boersma, maart 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

De Zonde van de mens (deel 4)

De hemelse gewesten

 

De plaats waar God de Vader de rijkdommen van Christus en van Zijn Lichaam heeft geplaatst, geeft Paulus in eerste instantie weer door de uitdrukking "in de hemelse gewesten". Deze woorden "in de hemelse gewesten" zijn uniek voor de Efeze-brief. Vijfmaal komen ze alleen in deze brief voor:

  • Ef 1:3: "Gezegend zij de God en Vader van onze Here Jezus Christus, die ons met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten (= epouranios) gezegend heeft in Christus";
  • Ef 1:20: "... die Hij heeft gewrocht in Christus, door Hem uit de doden op te wekken en Hem te zetten aan Zijn rechterhand in de hemelse gewesten (= epouranios) ...";
  • Ef 2:6: "... en heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten (= epouranios), in Christus Jezus";
  • Ef 3:10: "...opdat thans door middel van de gemeente aan de overheden en de machten in de hemelse gewesten(= epouranios) de veelkleurige wijsheid Gods bekend zou worden ..." en
  • Ef 6:12: "... want wij hebben niet te worstelen tegen bloed en vlees, maar tegen de overheden, tegen de machten, tegen de wereldbeheersers dezer duisternis, tegen de boze geesten in de hemelse gewesten (= epouranios)".

 

Wat zijn de hemelse gewesten?

 

Veel is al over de betekenis van in de hemelse gewesten gezegd en geschreven.

De Statenvertaling vertaalt doorgaans met "in de hemel" en zelfs met "in de lucht" (Efe. 6:12). De N.B.G.-vertaling en de NBV zijn hierin consequenter en geeft de oorspronkelijke woorden telkens weer met "in de hemelse gewesten".

De vraag blijft echter, waar we nu precies aan moeten denken.

Willen we enigszins zicht krijgen op de plaats van de zegeningen voor hen die tot het Lichaam van Christus behoren, dan is het nodig even door de nu volgende moeilijke stof heen te bijten.

 

In het Grieks staat er voor hemelse gewesten: “en tois epouraniois”. Wanneer we deze uitdrukking wat uitpluizen, verschaft ons dat meer duidelijkheid. De eerste twee woorden zijn vrij gemakkelijk te begrijpen. “En” betekent “in”.

Hierbij moeten we denken aan “het zich bevinden in” (een plaats, dan wel situatie), niet aan het ingaan in iets (hiervoor heeft het Grieks een ander voorzetsel, namelijk “eis”).

 

Het Griekse “en” duidt een situatie van rust aan. In Efeziërs 1 wordt vaak gesproken over “in” Christus en “in” Hem. Daar wordt dit voorzetsel “en” gebruikt.

De apart geplaatsten (Ef 1:4) die tot het Lichaam van Christus behoren, hoeven deze positie in Christus niet meer in te gaan, maar zijn dáár reeds door genade in Hem gesteld. Zij mogen als het ware rusten in Hem. En je in dienst stellen van Hem, en Hem Zijn gang laten gaan in jouw!

 

Weet je dáár je plaats, dan heb je/krijg je door te wandelen in Hem deel aan al die rijke zegen.

Tois” is het lidwoord “de” in het meervoud; om precies te zijn: mannelijk of onzijdig, derde naamval. Dit ene woordje geeft aan dat het om een meervoudig begrip gaat.

 

Maar nu het moeilijkste:epouraniois (derde naamval meervoud; uit te spreken als: èpoeraniois).

Zonder de twee voorafgaande woorden - en tois - komt dit vaker voor in het Nieuwe Testament. Zie: Matteüs 18:35; Johannes 3:12; 1 Korintiërs 15:40 (2x), 48 (2x) en 49; Filippenzen 2:10; 2 Timoteüs 4:18; Hebreeën 3:1; 6:4; 8:5; 9:23 (het tweede hemelse); 11:16 en 12:22.

 

Epouraniois” is een bijvoeglijk naamwoord zoals dat ook uit vrijwel al deze teksten blijkt; het zegt iets van het zelfstandig naamwoord wat erop volgt (bijvoorbeeld: een hemels vaderland, Hebr. 11:16). In een aantal gevallen wordt dit bijvoeglijke naamwoord ook zelfstandig gebruikt (bijvoorbeeld: het hemelse, 1 Kor. 15:48). In deze laatste vorm komt het ook in de Efezebrief naar voren.

 

Epouranios is samengesteld uit twee andere woorden: epi (op, bij, boven, over) en “ouranios” (hemels, behorend tot de hemel).

Epouranios” betekent dan ook zoiets als “boven-hemelse” of “ boven hemelse dingen”. “En tois epouraniois” kunnen we dan het beste opvatten als een gebied (sommigen zeggen “sfeer”) boven hemelse dingen.

 

Hemelse dingen bevinden zich in de hemel, zoals aardse dingen zich op de aarde bevinden.

De Bijbel spreekt ook over een "derde hemel" (2 Kor. 12:2). Dit houdt in dat er ook een eerste en een tweede is. Deze eerste twee zijn de geschapen hemelen (vergelijk Kol. 1:16), let daarbij vooral op het meervoud!

 

Wij zijn over het algemeen niet gewend om de luchtlaag die zich direct boven de aardbodem bevindt tot aan de dampkring “hemel” te noemen.

In de Bijbel ligt dat anders; daarin zegt de Here Jezus bijvoorbeeld: "De vossen hebben holen en de vogelen des hemels nesten, maar de Zoon des mensen heeft geen plaats om het hoofd neer te leggen" (Luc. 9:58).

Waarmee maar duidelijk wordt, dat het luchtruim waarin de vogels normaal gesproken rondvliegen hemel genoemd wordt. Hier mogen we de eerste hemel onder verstaan.

 

Het gebied achter de dampkring wordt in de volksmond ook wel de sterrenhemel genoemd. Dit is de tweede hemel.

De Bijbel noemt die plek ook hemel; zie bijvoorbeeld:

  • "En Ik zal uw nageslacht vermenigvuldigen als de sterren des hemels, en Ik zal uw nageslacht al die landen geven, en met uw nageslacht zullen alle volken der aarde gezegend worden ..." (Gen. 26:4).

 

In elke hemel bevinden zich hemelse dingen. In de hiervoor genoemde teksten zijn dat achtereenvolgens de vogels en de sterren.

Als we bij de uitdrukking "in de hemelse gewesten" nu moeten denken aan een gebied dat ligt boven hemelse dingen, dan begint dit gebied direct boven de eerste plaats waar zich hemelse dingen bevinden.

Vanaf de aarde gerekend is de eerste plek waar we hemelse dingen tegenkomen de eerste hemel waar zich de vogels des hemels bevinden.

Onder de hemelse gewesten moeten we dan dus het gebied verstaan dat direct daarboven, boven die eerste hemelse dingen (de vogels) begint, oftewel de tweede en de derde hemel.

 

Wanneer we de teksten met "in de hemelse gewesten" erop na slaan dan blijkt dat dit daar ook mee overeenstemt. Efeziërs 1:3, 20 en 2:6 gaan over de derde hemel, terwijl Efeziërs 3:10 en 6:12 gaan over de tweede hemel.

 

De tegenstander en zijn overheden en machten kunnen vanwege hun zonde niet hoger komen dan de tweede hemel en niet in dezelfde hemel (derde) aanwezig zijn, als die hemel waar God woont.

 

Wanneer we nu uit het Woord weten dat Christus de hemelen (meervoud) is doorgegaan, en daar aan de “gevangenen” Zijn overwinning heeft geproclameerd, dan mogen we aannemen dat die geesten in die hemelen (1e en 2e) gevangen zijn. Dat is ook de plaats waar satan zich bevind. Ook Hij heeft geen toegang meer tot de derde hemel.

 

Nu kunnen we ons nog de volgende vraag stellen:

Zijn de leden van het Lichaam van Christus met alle zegeningen gezegend in de tweede of in de derde hemel? Beide hemelen worden immers ook omvat door de uitdrukking “in de hemelse gewesten”.

Het antwoord op deze toch wel belangrijke vraag hebben we al gelezen in Efeziërs 1:3: "... Die ons met alle geestelijke zegen in de hemelse gewesten gezegend heeft in Christus"!

De positie van het Lichaam van Christus bevindt zich in dát gedeelte van de hemelse gewesten waar Christus Zich bevindt.

 

Zie voor wat betreft onze positie ook onderstaande teksten, waar tevens duidelijk wordt dat Christus in de derde hemel is gezeten.

  • En heeft ons mede opgewekt en ons mede een plaats gegeven in de hemelse gewesten, in Christus Jezus.” (Ef 2:6).
  • Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten.” (Fil 3:20).

 

Letterlijk vertaald volgens de grondtekst staat hier: “Want wij bezitten het burgerschap in de hemelen.” En vanuit dát burgerschap, wat wij reeds hier en nu bezitten verwachten wij de Heere Jezus Christus!

Dus vanuit onze “boven-positie” verwachten wij dat Hij als Verlosser zal optreden. (zie tekst hieronder)

  • Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. 2 Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. 3 Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. 4 Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen in heerlijkheid.” (Kol 3:1-4).

 

Daar waar Paulus in de Efeze brief spreekt over de overheden en de machten (= satan en zijn volgelingen) in de hemelse gewesten, daar ontbreekt vanzelfsprekend de uitdrukking "in Christus".

Zij bevinden zich dan ook - voor zover het de hemelse gewesten aangaat - niet in de derde, maar in de eerste en de tweede hemel.

 

Toen satan voor God verscheen tezamen met de zonen Gods (Job 1:6 en 7), kwam hij dan ook niet verder dan tot aan de grens van Gods hemel (= derde hemel). Vanuit onze rijke positie, dat burgerschap in de hemelen, tonen wij Gods veelkleurige wijsheid aan deze duivelse machten. Allen, die tot het Lichaam van Christus behoren bevinden zich door Gods rijke genade op een plaats waar zij (die gevallenen) maar al te graag hadden willen zijn!

Dat was immers het oude streven van satan: zich aan de Allerhoogste gelijkstellen.

En nu heeft God ons leven verborgen met Christus in God (Kolossenzen 3:3). Wat een rijkdom van genade ...!

 

Demonen op aarde

 

De geesten van de gevallen engelen, die momenteel in hun gevangenis verblijven, zitten niet stil. Het lichaam wat zij door de zondvloed hebben verloren zijn ze kwijt, en daarom zijn ze door alle eeuwen heen druk zoekende naar een ander (menselijk) lichaam waar ze hun intrek in kunnen nemen, om zo doende hun verwoestende werk te kunnen voortzetten.

Want die geesten hebben maar één doel, door hun overste ingefluisterd, zoveel mogelijk de schepping en het schepsel van God aftrekken, en proberen te vernietigen, om Gods plannen te dwarsbomen.

Dat kan ook niet anders, want hun "baas" is de mensenmoorder van den beginne, en de vader der leugen.

We zien dit anti-goddelijke plan vandaag tot ontplooiing komen. We zien de werkzaamheden van de geesten der leugen in allerlei bewegingen op deze aarde. We zien die werken der duisternis ook in de kerken van vandaag de dag.

 

Misschien vinden we het vreemd dat die geesten zich op de aarde kunnen manifesteren. Want ze zaten toch gevangen in de lucht, wat hun gevangenis wordt genoemd.

Dan moeten we niet vergeten dat de lucht, en de atmosfeer om de aarde, bij de aarde behoort. Het luchtruim hoort bij de aardse sfeer, net zoals de vogelen des hemels eigenlijk ook in lucht in hun "gevangenis" zitten. De vogels kunnen in de lucht vliegen, en kunnen niet boven het aardse luchtruim uitstijgen, maar ze kunnen wel op aarde vertoeven, zó zijn de geesten van de gevallen engelen gebonden in de lucht met een vrije beweging naar de aarde.

 

De realiteit van demonen wordt ook heden ten dage zichtbaar in de geestes-manifestaties van zowel de New Age beweging, als in de Oecumenische beweging, maar ook in de Charismatische beweging, en in veel evangelische gemeenten én in de R.K. kerk.

Alle hedendaagse verschijningen van Maria, van een z.g. Jezus, en noem maar op, zijn verschijningen van demonen, die zich voordoen als lichtende sterren.

Zij brengen de argeloze toeschouwer tot de binding aan die demonen, en zij leiden totaal af van de Waarheid, zij bereiden de argeloze mens voor op de komst van de valse messias, die zal komen met dezelfde bedrieglijke wonderen en tekenen als waarmee zij nu reeds kennismaken.

 

Wanneer Gods tegenstander werkelijk zichtbaar op aarde verschijnt, dan zal er ook herkenning zijn, omdat ze alreeds nu met de valse geesten hebben kennis gemaakt.

Het zijn de geesten van de vader der leugen die hand over hand toenemen in het dagelijks leven en jammer genoeg ook in de gemeenten van "gelovigen", die op zoek zijn naar "ervaringen" en "entertainment", terwijl de gelovige zou moeten onderzoeken aan de hand van Gods Woord of deze dingen wel van God zijn.

 

Maar zij hebben de liefde tot de Waarheid ingeruild voor de dingen die voor ogen zijn, en worden daardoor door allerlei wind van leer tot de valse geesten geleid!

 

De demonen zijn een realiteit. De wereld om ons heen is geen paradijs. We zien de demonen niet, maar ze zijn er wel. De satan is de overste van deze wereld.

Dat is hij al heel lang, alreeds voor de herschepping van Genesis 1.

Ook is satan de overste van de macht der lucht.

 

En daar gebeurt heel veel wat zich aan ons oog onttrekt.

Wist u dat er soms een oorlog gevoerd wordt in de hemelse gewesten?

Een tipje van de sluier wordt soms opgelicht door het Woord.

Zo mogen we (de volgende keer) in het boek Daniël even achter de schermen kijken.

 

Deel 5 volgt DV

Bert Boersma, maart 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

De Zonde van de mens (deel 5)

 

In de hemelse gewesten gebeuren soms dingen die zich aan ons oog onttrekken.

Wist u dat er soms een oorlog gevoerd wordt in de hemelse gewesten? Een tipje van de sluier wordt soms opgelicht door wat de Bijbel ons aanreikt. In Daniël 10 is Daniël ontzet door een gezicht, hij bidt en vast drie weken lang. Na drie weken verschijnt hem een Engel met een boodschap van God.

 

Dan 10:1-Dan 11:2:

  • In het derde jaar van Kores, de koning der Perzen, werd aan Daniël, die Beltesassar genoemd werd, een woord geopenbaard; dat woord was waarheid en sprak van grote nood. En hij gaf acht op dat woord en had aandacht voor het gezicht. 2 In die dagen bracht ik, Daniël, drie volle weken door met rouw bedrijven; 3 smakelijke spijze at ik niet, vlees noch wijn kwamen in mijn mond en ik zalfde mij in het geheel niet, tot er drie volle weken verlopen waren. 4 Op de vierentwintigste dag nu van de eerste maand, terwijl ik mij aan de oever van de grote rivier, dat is de Tigris, bevond, 5 sloeg ik mijn ogen op en zie, daar zag ik een Man in linnen klederen gekleed en de lendenen omgord met goud van Ufaz; 6 zijn lichaam was als turkoois, zijn gelaat schitterde gelijk de bliksem, zijn ogen waren als vurige fakkels, zijn armen en voeten glanzend van gepolijst koper, en het geluid van zijn woorden als het gedruis van een menigte. (We zien hier de Heere Jezus in Zijn heerlijkheid) 7 Alleen ik, Daniël, zag dat gezicht, maar de mannen die bij mij waren, zagen het niet; doch een grote schrik overviel hen, zodat zij vluchtten en zich verborgen; 8 zo bleef ik alleen over. Toen ik dat grote gezicht zag, bleef er in mij geen kracht meer; alle kleur week van mijn gelaat, en ik had geen kracht meer over. 9 Toen hoorde ik het geluid Zijner woorden, en toen ik het geluid Zijner woorden hoorde, viel ik bezwijmd op mijn aangezicht, met mijn aangezicht ter aarde. 10 En zie, een hand raakte mij aan en deed mij op knieën en handen sidderend oprijzen. 11 En hij zeide tot mij: Daniël, gij zeer beminde man, let op de woorden die Ik tot u spreek, en ga rechtop staan, want nu ben Ik tot u gezonden. Toen Hij dit tot mij sprak, stond ik bevende op. 12 En Hij zeide tot mij: Vrees niet, Daniël, want van de eerste dag af, dat gij uw hart erop gezet hadt om inzicht te verkrijgen en om u voor uw God te verootmoedigen, zijn uw woorden gehoord, en Ik ben gekomen op uw woorden. (dus de Heere was meteen op weg naar Daniël gegaan, toen Daniël begon met bidden, drie weken eerder) 13 Maar de vorst van het koninkrijk der Perzen stond eenentwintig dagen tegenover Mij; doch zie, Michaël, een der voornaamste vorsten, kwam Mij te hulp, zodat ik daar, bij de koningen der Perzen, de overhand behield; 14 en Ik ben gekomen om u te verstaan te geven wat uw volk in het laatst der dagen overkomen zal; want wederom is het een gezicht aangaande de toekomst. 15 Toen Hij op deze wijze met mij sprak, boog ik mijn gelaat ter aarde en was verstomd. 16 Maar zie, iets als een menselijke gedaante raakte mijn lippen aan; toen opende ik mijn mond en begon te spreken, en ik zeide tot Hem die vóór mij stond: Mijn heer, vanwege het gezicht hebben mij weeën overvallen, en ik heb geen kracht meer over. 17 Hoe kan ik, de knecht mijns heren, spreken met U, Mijnheer? Ik heb immers geen kracht meer en alle adem is mij benomen. 18 Toen raakte Hij, die er uitzag als een mens, mij wederom aan en gaf mij kracht 19 en Hij zeide: Vrees niet, gij zeer beminde man, vrede zij u, wees sterk, ja, wees sterk! En terwijl Hij met mij sprak, werd ik gesterkt en ik zeide: Mijn Heer spreke, want gij hebt mij kracht gegeven. 20 Toen zeide Hij: Weet gij, waarom Ik tot u gekomen ben? Terstond moet Ik terugkeren om met de vorst der Perzen te strijden, en zodra Ik uitgegaan ben, zie, dan zal de vorst van Griekenland komen –; 21 nochtans zal Ik u mededelen wat geschreven staat in het boek der waarheid. – En niet één staat Mij vastberaden tegen hen terzijde, behalve uw vorst Michaël. 11-1 Ik echter, Ik stond in het eerste jaar van Darius de Meder hèm tot een helper en toevlucht –. 2 Nu dan, Ik zal u de waarheid bekendmaken. Zie, nog drie koningen zullen in Perzië opstaan, en de vierde zal grotere rijkdom bezitten dan alle anderen............”

 

Het is verbazingwekkend om te lezen, dat deze Engel door God meteen op weg was gestuurd naar Daniël toen hij begon met bidden, maar die Engel (De Heere Jezus Christus) was drie weken door een medewerker van satan, de "luchtvorst van Perzië" tegengehouden.

Uiteindelijk moest de "vorst van Israël", de aartsengel Michaël, eraan te pas komen om de Engel (de Heere) vrije doorgang naar Daniël te geven.

De Engel (= de Heere) die bij Daniël is, weet al dat bij zijn vertrek van de aarde, na zijn bezoek aan Daniël, dat er twee "luchtvorsten" klaar zullen staan, die zijn terugreis naar God willen verhinderen, namelijk de vorst van Perzië en de vorst van Griekenland, maar ook dan zal de aartsengel Michaël hem terzijde staan.

 

Hierin zien we ook dat satan er alles aan gelegen is om Gods werk en Gods profetiën tegen te gaan en te dwarsbomen.

Ook zien we hierin dat de satanische machten der lucht op een geweldige manier zijn georganiseerd, met maar één doel: Gods plannen te allen tijde tegenwerken, en zo mogelijk vernietigen.

En mocht dat tegenwerken niet lukken, dan proberen Gods plannen in het geniep zó om te buigen, dat ze op waarheid lijken, maar in werkelijkheid leugen voortbrengen.

 

Het toppunt van de leugen en verleiding zal zich in de toekomst afspelen op de navel der aarde, daar waar Gods volk Israël woont. Satan weet van de liefde van God voor dat volk, en hij weet ook van de beloften van God voor dat volk, maar hij zal er alles aan doen om Gods plannen proberen te verijdelen.

Daarom zal de leugen en verleiding dáár tot een hoogtepunt komen, en daar, in Jeruzalem zal hij een beeld ter ere van hemzelf oprichten, en daar zal hij zich laten aanbidden.

 

We zien om ons heen dat de demonen altijd "medewerkers" vinden door wie zij heen kunnen spreken, om hun boodschap aan de man te brengen. Zelfs een boodschap waarbij de naam Jezus veelvuldig wordt gebruikt, wordt gebruikt om de toehoorders op het verkeerde been te zetten.

Er is maar één remedie tegen die verleidingen des duivels, dat is de wapenrusting Gods, die we mogen aantrekken, en waarin we kunnen standhouden. (Efeze 6). Dan zullen we in staat zijn om al de brandende pijlen van de boze te doven en te ontmaskeren.

 

Het onderwerp “De zonde van de mens”, waar we vandaag mee verder gaan is geen gemakkelijk onderwerp. En ik kan me levendig voorstellen dat u gaandeweg deze bijbelstudie vragen hebt. Maar er zijn heel veel zaken die betrekking hebben op dit onderwerp, die stuk voor stuk behandeld zullen worden. En daarom is het van belang dat we het geheel overzien, en het geheel overziende kunnen we die dingen ook vastleggen in ons hart.

 

In de inleiding van deze bijbelstudie hebben we het uitvoerig gehad over satan en zijn gevallen engelen, en waar die zich bevinden. Ik denk dat die inleiding een beter zicht geeft op de situatie van de herschepping door de Heere, waarover we lezen in Gen 1 vanaf vers 3.

Toen God in Gen 1:3 begon met het herscheppen van de aarde was de situatie zo, dat satan met zijn gevallen engelen op de aarde en in de lucht daaromheen waren, want daarheen waren ze door hun ongehoorzaamheid verbannen. Zij zagen alles wat God deed, en het was hen een doorn in het oog. Zij beraamden meteen al plannen hoe zij Gods werk zouden kunnen dwarsbomen en verwoesten.

Er werd door God wel een paradijs ingericht voor Adam, maar de aarde was zeker geen paradijs, omdat satan en zijn volgelingen al op de loer lagen om al het schone wat God had gemaakt, weer kapot te maken.

 

We gaan nu naar de schepping van Adam, Adam als een type van Christus.

 

Adam type van Christus

 

Op die duistere aarde, waarin God inmiddels weer het licht had gebracht, werd de eerste mens geschapen. Eigenlijk kunnen we stellen, dat Adam werd geplaatst in een door de zonde bedorven aarde. Immers satan en zijn volgelingen waren reeds op de aarde. En eigenlijk was Adam hierin ook al een type van Christus. Want ook Christus kwam naar een wereld vol van zonde. Maar Christus was de Enige die alles weer heel heeft gemaakt.

 

Dit beeld is wel bijzonder, broeders en zusters, want Adam werd geplaatst in een wereld vol van zonde en afgoderij. En op die aarde, vol van zonde, plaatst de Heere een mens met de opdracht om eigenlijk vanuit het paradijs de aarde weer onder heerschappij van God te brengen. Dát beeld komt naar voren, zoals we in het vervolg van deze bijbelstudie zullen zien. We weten hoe alles is gegaan.

 

We gaan nu onderzoeken wat de eerste hoofdstukken van de Bijbel ons te zeggen hebben over de "eerste mens" Adam, en over de "tweede Mens" Christus Jezus, onze Heere. Zeker is dat Adam in Gods plan een zeer belangrijk persoon is geweest, er wordt zelfs in Genesis 2 en in Genesis 5 een geslachtsregister van Adam in het Woord genoemd. Alleen van hen die voor Gods plan der eeuwen voor God belangrijk waren, wordt een geslachtsregister genoemd. Daarom vinden we ook een geslachtsregister in het Woord van De Heere Jezus Christus in Math 1.

 

Er is in het Woord sprake van "de eerste mens" en de "tweede Mens".

Dit “eerste en tweede “ geeft aan in welke bediening ze stonden. In welke bediening ze door God waren geplaatst.

 

Adam en Christus zijn typen van elkaar toen Adam nog in een rechte verhouding tot God stond:

 

ADAM

CHRISTUS

De eerste mens Adam is geworden tot een levende ziel.

De laatste Adam tot een levendmakenden Geest.

Adam is uit de aarde, aards (ook in zijn ongevallen staat)

Christus is uit de hemel, hemels

Adam was de vertegenwoordiger van God op aarde.

Christus was (en zal zijn) de vertegenwoordiger van God op aarde.

Adam is de zoon van God (Luc 3:38).

Christus is de Zoon van God.

Bij een Zoonschap hoort een erfenis.

De erfenis van Adam is overgegaan op Christus.

Was Adam ook een verlosser der wereld? Of in ieder geval, dat had hij moeten zijn? Die opdracht kreeg Adam wel van de Heere.

Christus is de Verlosser der wereld.

Adam was het hoofd van de oude schepping.

Christus is het Hoofd van de nieuwe schepping.

Adam is door God gemaakt uit het stof der aarde.

Christus is door God gemaakt, en later door Gods Geest bij Maria verwekt op deze aarde.

Allen in Adam behoren tot de oude schepping.

Allen in Christus behoren tot de nieuwe schepping.

Adam was niet volmaakt, hij kon zondigen.

Christus was wel volmaakt, Hij kon niet zondigen.

Adam's leven was voorwaardelijk (Gen 2:17).

Het leven van Christus, én in Christus is onvoorwaardelijk.

 

Het mooie voor ons gelovigen is dat God ons niet meer in Adam ziet, maar in Christus. 1 Kor 15:46-49:

  • "Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen." (1 Kor 15:46-49).

 

Dit wordt reeds gezegd tegen de gelovigen in de Handelingen. Zij zullen het beeld van de hemelse dragen. Maar voor hen die mogen weten, bij het Lichaam van Christus te horen, geldt dat zij niet alleen het beeld van de hemelse zullen dragen, maar dat zij in die Hemelse, in Christus geplaatst zullen zijn.

 

We zien dat beeld van “de eerste” en “de tweede” door de hele Bijbel heen:

  • Dat begon al meteen bij de kinderen die Adam en Eva kregen:
  • De eerste, Kaïn, was vleselijk = zaad van de slang, de tweede, Abel, was geestelijk, in die zin dat hij gehoorzaam was = zaad van de vrouw.
  • De eerste komst van Christus was een komst in vernedering, die tot Zijn vernedering leidde, alhoewel Hij de overwinning behaalde, maar Zijn tweede komst zal in heerlijkheid zijn.
  • De eerste zoon van Abraham (Ismaël) zou niet de door God bedoelde zoon zijn, maar wel de tweede zoon (Izaäk).
  • De eerste zoon van Izaäk (Ezau) zou niet geplaatst worden in de geslachtslijn van Christus, maar de tweede zoon (Jacob) wel.
  • De eerste zoon van David en Batseba (niet bij name genoemd) sterft, maar hun tweede zoon (Salomo = type van Christus) wordt koning van Israël.
  • In Gen 38 zien we een prachtig beeld van de eerste en de tweede: De eerst geboren zoon van Tamar was niet de lijn in het zaad van Christus, maar wel de tweede, die met dat rode lint om zijn handje. Een prachtig beeld zien we hierin van de twee kinderen die Tamer baardde.
  • De eerste (Zerach = opgaand licht, stralend licht) kwam even een beetje tevoorschijn, en kreeg dat rode lintje om zijn hand, maar hij trok zich terug – Later werd deze eerste als tweede geboren. In die ene, in Zerach zien we een beeld beeld van de eerste komst én de tweede komst van Christus. Bij zijn eerste komst kreeg hij dat rode lintje om zijn hand, wat wijst op de rode kleur van het bloed.
  • De eerstgeborene heette Peres (=breuk, scheur). Eigenlijk zorgde Peres voor de breuk tussen de eerste en de tweede komst van Christus.
  • Niet de eerste schepping was blijvend, maar de tweede schepping zal wel blijvend zijn.
  • Niet de eerste uittocht uit Egypte brengt het volk Israël blijvend in het beloofde land, maar wel de tweede uittocht uit de volkeren in de toekomst.
  • Niet het eerste verbond was blijvend, maar wel het tweede, het nieuwe verbond zal blijvend zijn.
  • Niet de eerste mens Adam is erfgenaam der wereld en bestemd om te heersen, maar wel de laatste `Adam`, oftewel de tweede mens, Jezus Christus.
  • Eerst komt het natuurlijke, wat vergaat, dat is datgene wat behoort bij de oude schepping en voortkomt uit Adam, en daarna komt het geestelijke, wat blijvend is, en wat behoort bij de nieuwe schepping en wat voortkomt uit Christus. 1 Kor 15 vers 46.

 

NB. Wat ook een mooi beeld is:

Beide kinderen van Adam en Eva, Abel en Seth zijn een beeld van Christus:

  1. Abel werd door zijn gehoorzaamheid gedood door zijn broeder naar het vlees (net zoals Christus door Zijn broeders naar het vlees, door Israël werd gedood).
  2. Seth was de “plaatsvervanger” van de Abel, zoals Christus de “plaatsvervanger” is van Jezus.

 

Deel 6 volgt DV

Bert Boersma, april 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

 

De Zonde van de mens (deel 6)

De Schepping van Adam

Gen 1:26-31:

  • “En God zeide: Laat Ons mens (enkelvoud – grondtekst = adam = één mens) maken naar ons beeld, als onze gelijkenis, opdat zij heersen (grondtekst: opdat hij heerse) over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over het vee en over de gehele aarde en over al het kruipend gedierte, dat op de aarde kruipt. 27 En God schiep de mens naar zijn beeld; naar Gods beeld schiep Hij hem; (die ene mens Adam, tot nu was het steeds enkelvoud in de grondtekst); …......(gezien wat er verder volgt in Gen 2, wat we direct zullen zien, volgt hier een tijdsinterval, dat zien we wel vaker in Gods Woord, en na dat tijdsinterval lezen we:)... man en vrouw schiep Hij hen (grondtekst = meervoud). 28 En God zegende hen (meervoud) en God zeide tot hen (meervoud): Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, heerst over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt. 29 En God zeide: Zie, Ik geef u al het zaaddragend gewas op de gehele aarde en al het geboomte, waaraan zaaddragende vruchten zijn; het zal u tot spijze dienen. 30 Maar aan al het gedierte der aarde en al het gevogelte des hemels en al wat op de aarde kruipt, waarin leven is, (geef Ik) al het groene kruid tot spijze; en het was alzo. 31 En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed. Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de zesde dag.” (Gen 1:26-31).

Aangaande Gen 1:26 vinden we in de grondtekst: = u-irdu = וירד

וירד= Gen 1:26 = Zij heersen (volgens de grondtekst staat hier ook “hij”).

וירד= Num 24:19 = Hij zal heersen.

וירד= Jesaja 19:4 = Hij zal heersen.

Num 24:18-19:

  • “Dan zal Edom een veroverd gebied wezen, en Seïr zal een veroverd gebied wezen – zijn vijanden. Maar Israël zal kracht oefenen, 19 en hij zal heersen uit Jakob, en de vluchtelingen uit de stad verdelgen.”

Jesaja 19:4:

  • “St.Vert.: En Ik zal de Egyptenaars besluiten in de hand van harde heren, en een strenge koning zal over hen heersen, spreekt de Heere Heere der heerscharen.”

Ik denk dat deze twee teksten (twee getuigen) aantonen dat in Genesis 1:26 ook sprake is van één mens die mag heersen.

Wanneer we even beginnen te lezen in Gen 1:23: over die zesde dag:

  • “Toen was het avond geweest en het was morgen geweest: de vijfde dag.” En dán begint de zesde dag: “En God zeide: Dat de aarde voortbrenge levende wezens naar hun aard, vee en kruipend gedierte en wild gedierte naar hun aard; en het was alzo. En God maakte het wild gedierte naar zijn aard en het vee naar zijn aard en alles wat op de aardbodem kruipt naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.”

En dan begint God aan iets heel nieuws.

Over de mens lezen we niet: “naar zijn aard”.

In de grondtekst staat “adam”, dat is enkelvoud. Hier schept God een mens, in de gelijkenis van Ons beeld (grondtekst), dus naar de gelijkenis van God.

Maar, kunnen we ons afvragen, hoe kan een mens geschapen worden die op God lijkt? We weten immers:

  • God is alom tegenwoordig.
  • God is alwetend.
  • God is een heilig God.
  • God is Geest.

Aan deze vier dingen kon de mens niet voldoen. Hoe moeten we dan verstaan “naar de gelijkenis van Ons beeld”? Want ook na de zondeval is de mens nog steeds “als beeld Gods”. In Gen 9:6 zegt God:

  • “Wie des mensen bloed vergiet, diens bloed zal door de mens vergoten worden, want naar het beeld Gods heeft Hij de mens gemaakt.”

En in 1 Kor 11:7 lezen we

  • “Want een man moet het hoofd niet dekken: hij is het beeld en de heerlijkheid Gods.

In Jac 3:8-9 lezen we:

  • “Maar de tong kan geen mens bedwingen. Zij is een onberekenbaar kwaad, vol dodelijk venijn. Met haar loven wij de Here en Vader en met haar vervloeken wij de mensen, die naar de gelijkenis Godsgeschapen zijn.”

Wanneer we Gen 1:26 lezen, dan moeten we op Christus zien, want van Hem wordt gezegd in Kol 1:15-16 en in 2 Kor 4:4:

  • “Hij is het beeld van de onzichtbare God, de eerstgeborene der ganse schepping, want in Hem zijn alle dingen geschapen, die in de hemelen en die op de aarde zijn, de zichtbare en de onzichtbare, hetzij tronen, hetzij heerschappijen, hetzij overheden, hetzij machten; alle dingen zijn door Hem en tot Hem geschapen.” (Kol 1:15-16)
  • “Christus, die het beeld Gods is.” (2 Kor 4:4)

Ook Adam werd in Christus geschapen. Dus er werd een mens geschapen die op Christus leek, naar de gelijkenis van het beeld van Christus.

Mede daarom wordt deze eerste mens ook een type van Christus genoemd.

Een type is altijd een voorafschaduwing. De schepping van Adam was eigenlijk Gods antwoord op de rebellie en ongehoorzaamheid van satan en zijn volgelingen. God schept een mens die op Christus lijkt!

En vervolgens gaan we naar Genesis 2, waar we een nadere uiteenzetting krijgen over Genesis 1. We lezen daar:

  • “Toen formeerde de HERE God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.” (Gen 2:7).

Zoals we hebben gezien werd de mens (ha-Adam) in Gen 1:26 geschapen. Daarvan vinden we in Gen 2 een bevestiging, en leren we uit Gen 2:

  • dat die mens uit het stof der aarde is gemaakt,
  • en dat die ene mens de levensadem in zijn neus werd ingeblazen door de Heere. De mens ging ademen door zijn neus. (Gen 2:7)

In 1 Kor 15:45 lezen we ook over die eerste levende ziel:

  • “Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest.”

Dit lezen we ook in Gen 2:7:

  • “En de HEERE God had (verleden tijd) den mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen den adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.

Zo legt 1 Kor 15 een link tussen Gen 1:26 en Gen 2:7.

Er zijn meer redenen om aan te nemen dat in eerste instantie de ene mens Adam in Gen 1:26 werd geschapen, en niet op hetzelfde ogenblik twee mensen:

  • In 1 Kor 15:45 lazen we dat Adam de eerste mens is.
  • In Gen 1:26 staat dat die ene mens moest heersen. Dat lezen we later niet van Noach. Wel van Christus, die zal heersen. Hierin was die mens Adam dus ook een type van Christus. Er zijn geen andere mensen door God aangewezen, die op die manier moesten heersen.
  • We lezen niet iets nieuws in Gen 2, maar een nadere uitvoeriger uitleg omtrent Gen 1. In Gen 2:4 lezen we:

Lezen Gen 2:

  • “1 Alzo werden voltooid de hemel en de aarde en al hun heer. 2 Toen God op de zevende dag het werk voltooid had, dat Hij gemaakt had, rustte Hij op de zevende dag van al het werk, dat Hij gemaakt had. 3 En God zegende de zevende dag en heiligde die, omdat Hij daarop gerust heeft van al het werk, dat God scheppende tot stand had gebracht. 4 Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, 5 – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, (Dit is de situatie van Gen 1:3), want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; 6 maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem – (En dan springen we in één keer naar Gen 1:26) 7 toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.” (Hier is sprake van de schepping van één mens!).

 

Het paradijs

  • “8 Voorts plantte de Here God een hof in Eden, in het Oosten, en Hij plaatste daar de mens, die Hij geformeerd had. (God plaatste daar één mens. Adam was een tijdje alleen in die hof). 9 Ook deed de Here God allerlei geboomte uit de aardbodem opschieten, begeerlijk om te zien en goed om van te eten; en de boom des levens in het midden van de hof, benevens de boom der kennis van goed en kwaad. 10 Er ontsprong in Eden een rivier om de hof te bevochtigen, en daar splitste zij zich in vier stromen. 11 De naam van de eerste is Pison; deze stroomt om het gehele land Chawila, waar het goud is; 12 en het goud van dat land is goed; daar is de balsemhars en de steen chrysopraas. 13 De naam van de tweede rivier is Gichon; deze stroomt om het gehele land Ethiopië. 14 De naam van de derde rivier is Tigris; deze stroomt ten oosten van Assur. En de vierde rivier is de Eufraat.15 En de Here God nam de mens (alleen Adam) en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. 16 En de Here God legde de mens het gebod op (alleen Adam kreeg in eerste intstantie dit gebod): Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, 17 maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven (grondtekst = stervende sterven). 18 En de Here God zeide: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past. (dit toont aan dat Adam eerst alleen was in de hof) 19 En de Here God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten. 20 En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste. HSV: maar voor de mens vond hij geen hulp als iemand tegenover hem. 21 Toen deed de Here God een diepe slaap op de mens vallen; en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees. 22 En de Here God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens. 23 Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees; deze zal „mannin” heten, omdat zij uit de man genomen is. 24 Daarom zal een man zijn vader en zijn moeder verlaten en zijn vrouw aanhangen, en zij zullen tot één vlees zijn. 25 En zij beiden waren naakt, de mens en zijn vrouw, maar zij schaamden zich voor elkander niet.”

Gen 2:4: We hebben gelezen:

NBG: Gen 2:4b

  • “Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte.”

St. Vert.:

  • “Dit zijn de geboorten des hemels en der aarde, toen zij geschapen werden; ten dage als de Heere God de aarde en de hemel maakte.”

HSV:

  • “Dit is wat uit de hemel en de aarde voortkwam, toen zij geschapen werden. Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte.”

Maar in werkelijkheid staat er in de grondtekst:

  • Dit is het geslachtsregister van de hemelen en de aarde toen zij geschapen werden”.

תולדת= Gen 2:4 zou ook vertaald moeten zijn “geslachtsregister”.

תולדת= Gen 5:1 = geslachtsregister

Dit is het eerste geslachtsregister. In Genesis vinden we in totaal 11 geslachtsregisters. De volgende in Gen 5:1-2. Staat in verband met Gen 2.

Gen 5:1:

  • NBG: “Dit is het geslachtsregister van Adam.” (is juist volgens de grondtekst).
  • St.Vert.: “Dit is het boek van Adams geslacht.”
  • HSV: “Dit is het boek van de afstammelingen van Adam.”

Eigenlijk is Gen 2 een verduidelijking over wat er gebeurde in Gen 1.

Vooral wordt ons ook duidelijk dat er geen twee mensen op hetzelfde moment geschapen werden, maar dat er eerst één mens was, Adam. En daarom mogen we ook een tijdsinterval lezen in Gen 1 tussen vers 27 en vers 28.

We krijgen in Gen 2 opeens veel meer details aangereikt over de schepping, ook over de schepping van de mens.

Gen 2:

  • “7 toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

Ook het kruid en de planten bestaan uit het stof uit de aarde. Ook ons eten bestaat uit stof. We eten stof, en we worden tot stof. Ook de dieren zijn uit het stof, en alles keert tot stof weder. De mens is aards, is Adam, is aards, is Adama.

Ja maar, zeggen velen, Adam ontving een ziel, en de andere schepselen niet. Maar is dat zo?

Gen 2:7 S.V.

  • “En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.”

Daar gaan we DV de volgende keer mee verder in deel 7

Bert Boersma, april 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

De Zonde van de mens (deel 7)

De Ziel

De vorige keer zijn we geëindigd met de opmerking: De mens is aards, is Adam, is aards, is Adama. Ja maar, zeggen velen, Adam ontving een ziel, en de andere schepselen niet. Maar is dat zo?

Gen 2:7 S.V

  • “En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; alzo werd de mens tot een levende ziel.”

Over die ziel is een hele platonische (afkomstig van Plato) gedachte ontstaan dat de mens een onsterfelijke ziel heeft, en aldus eigenlijk onsterfelijk is.

Dat is de leugen, die satan vanaf den beginne in de wereld heeft gebracht, maar die nog steeds voortduurt tot in het heden.

Denk maar aan de uitspraken van mensen, die zeggen wanneer iemand sterft, dat zijn ziel dan naar de hemel gaat en dat die mens in de hemel voortleeft door zijn ziel. Maar dat alles is Bijbels gezien grote onzin. Want ook de dieren hebben een ziel. Gen 1:30:

  • “S.V.: Maar aan al het gedierte der aarde, en aan al het gevogelte des hemels, en aan al het kruipende gedierte op de aarde, waarin een levende ziel (= grondtekst) is, heb Ik al het groene kruid tot spijs gegeven. En het was alzo.”

We zien hier dus dat ook dieren een “ziel” hebben. Dit toont wel aan dat niet alleen de mens een levende ziel is.

Gen 1:20:

  • “En God zeide: Dat de wateren overvloedig voortbrengen een gewemel van levende zielen; en het gevogelte vliege boven de aarde, in het uitspansel des hemels! 21 En God schiep de grote walvissen, en alle levende wriemelende ziel, welke de wateren overvloedig voortbrachten, naar haar aard; en alle gevleugeld gevogelte naar zijn aard. En God zag, dat het goed was.”

Gen 1:24:

  • “En God zeide: De aarde brenge levende zielen voort, naar haar aard, vee, en kruipend, en wild gedierte der aarde, naar zijn aard! En het was alzo.”

En net zo werd er uit het stof der aarde een levende ziel geschapen naar Gods beeld, de mens. Ziel = “nephesh”, komt 13 keer voor in Genesis, waarvan 10 keer in de rechtstreekse relatie tot de dieren.

Wanneer we Paulus lezen in de Korinthe brief, dan wordt het duidelijk, dat hij helemaal het idee niet huldigde, dat de mens onsterfelijk is, want Paulus gebruikt juist het gedeelte van Gen 2:7 in 1 Kor 15 om het tegenovergestelde te vertellen. 1 Kor 15:44:

  • “Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt.”

Dat woord “natuurlijk” is eigenlijk het woord “psuchikos”, en daar is eigenlijk geen goed Nederlands woord voor. Psuche = ziel, en “psuchikos” is het bijvoeglijk naamwoord van ziel, dus eigenlijk “zielijk”

Dus een “zielijk” lichaam staat tegenover een “geestelijk” lichaam. Verder staat hier dat het “zielijke lichaam” wordt gezaaid, en dat het geestelijk lichaam wordt opgewekt. Dat zielijke lichaam is eigenlijk verbonden met.......3 dingen.

Lees vanaf 1 Kor 15:42:

  • “Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; 43 er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid; er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. 44 Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt.”

Dus waar is die toestand van het ziellijke lichaam mee verbonden?

Dat is verbonden met vergankelijkheid, en met oneer, en met zwakheid.

Je zou kunnen zeggen, dat ziellijke lichaam dat heeft drie kenmerken: Het is vergankelijk, het is in oneer, en het is ook in zwakheid.

Terwijl het geestelijk lichaam – dat staat er recht tegenover – dat is onvergankelijk, dat is in heerlijkheid, en dat is in kracht!

Dat zaaien in deze verzen hoeft niet perse te slaan op het begraven van de doden. Deze teksten worden bij begrafenissen vaak zo gebruikt, maar die beeldspraak gaat niet helemaal op.

Want een boer zaait geen dood zaad in de akker, want wanneer hij dat zou doen, dan weet hij één ding, dan komt dat zaad nooit op. Dat vergaat in de aarde. En ook een mens vergaat in de aarde. Een boer zaait levend zaad in de aarde.

Deze tekst slaat erop hoe de mens in deze wereld binnen komt, namelijk in vergankelijkheid, in oneer en in zwakheid.

Net zo goed die mens bij de opstanding een hemelse wereld binnen komt, en dat gebeurt in onvergankelijkheid, én in heerlijkheid, én in kracht!

Dus niet dood en opstanding worden in deze teksten vergeleken, maar de geboorte van de mens in deze wereld, én de opstanding, het komen in de hemelse wereld.

Dus de komst van een baby in deze wereld is een zaaien, en sinds Adam en Eva ontkiemt het zaad van de man in de schoot van de vrouw.

Dus het zaaien, het voortbrengen van de mens geschied sinds Adam in vergankelijkheid, in oneer en in zwakheid. En deze toestand van de mens verbind de apostel Paulus met Adam zelf.

En we moeten goed begrijpen broeders en zusters, deze vergankelijke toestand verbind Paulus niet met Adam in zijn gevallen staat, maar deze vergankelijke toestand verbind Paulus met Adam's ongevallen staat, zoals Adam kwam uit de handen van Zijn Schepper.

En dat lezen we ook in het vervolg van 1 Kor 15:

  • “44 Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam. 45 Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. 46 Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke (= het ziellijke), en daarna het geestelijke. 47 De eerste mens is uit de aarde, (= Gen 2:7) stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. 48 Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. 49 En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.”

Nadat Paulus deze tegenstellingen heeft benadrukt, spreekt hij verder in vers 50:

  • “Dit spreek ik evenwel uit, broeders: vlees en bloed kunnen het Koninkrijk Gods niet beërven en het vergankelijke beërft de onvergankelijkheid niet.”

Dus de eerste mens Adam was vanaf het eerste moment dat hij geschapen werd, ongeschikt voor het Koninkrijk Gods. Hij kon dat niet beërven.

Heeft de mens een onsterfelijke ziel? De mens heeft geen ziel, maar de mens is een ziel, een ziel van vlees en bloed. Lev 17:11:

  • “Want de ziel van het vlees is in het bloed en Ik heb het u op het altaar gegeven om verzoening over uw zielen te doen, want het bloed bewerkt verzoening door middel van de ziel.”

Het is duidelijk dat vlees en bloed verbonden zijn met ziel. Wij zijn mensen van vlees en bloed. En vlees en bloed is allerminst geestelijk. En de mens is niet geestelijk. Het geestelijke komt niet het eerste, maar het zielijke. En daarom zijn wij een ziel. En 1 Kor 15 spreekt over dat natuurlijke lichaam, over dat zielijke lichaam, over een lichaam van vlees en bloed. En dat natuurlijke lichaam is zielijk, en dat is de mens van nature.

En als wij leven, dan zijn wij een levende ziel, en als wij sterven, dan zijn wij een dode ziel, dan zijn wij een dood lichaam. Wij zijn hier allemaal samen als levende zielen. En als ik honger krijg, dan heeft niet één of ander aparte ziel in mij honger, nee, dan heb ik honger, dan heeft mijn maag zin in eten.

Geen mens heeft een apart zieltje. En dat idee, wat uit de Griekse wijsbegeerte komt, ja eigenlijk komt uit de koker van satan, die de mens wijsmaakte dat hij niet zou sterven, zit er bij de mens zo vast in. Maar de mens is een sterfelijke ziel.

En wanneer je dan gaat naar Gen 2:7, dan is het een algemeen verspreidde foutieve gedachte, dat men erover gaat spreken dat de mens een ziel heeft, terwijl hier dus staat dat de mens een ziel is:

Gen 2:7:

  • “En de Heere God had de mens geformeerd uit het stof der aarde, en in zijn neusgaten geblazen de adem des levens; (= grondtekst: En hij ademde met zijn neus de levensadem); alzo werd de mens tot een levende ziel.”

Adam krijgt hier van de Heere niet een levende ziel ingeblazen, maar de mens gaat ademen door zijn neus, zodat zijn lichaam kan gaan leven.

We hebben gezien dat Gen 2 een uiteenzetting, een opsomming, een opeenvolging van zaken is van wat er eerder in Gen 1 gebeurde.

Er wordt een duidelijke brug geslagen tussen Gen 1:26 en Gen 2:7, en ook naar Gen 5. Het gaat overal over dezelfde schepping en over dezelfde Adam.

Er worden meerdere dingen duidelijk gemaakt doordat er in herhaling op in wordt gegaan. Dit toont ook aan dat er in Gen 1 op de helft van vers 27 een tijdsinterval gelezen moet worden. Want Adam was eerst een tijdje alleen in de hof, en daarna werd Eva geschapen. Ditzelfde tijdsinterval vinden we ook in Gen 5:

Gen 5:1-3 verbind ook Gen 1:26 met Gen 2:7:

  • “Dit is het geslachtsregister van Adam. Ten dage, dat God Adam schiep, maakte Hij hem naar de gelijkenis Gods; (hier weer een tijdsinterval – want Adam was eerst alleen in de hof, en een tijdje later kwam Eva) 2 man en vrouw schiep Hij hen, en Hij zegende hen en noemde hen „mens” ten dage, dat zij geschapen werden.” (dit alles gaat in eerste instantie over de éne mens Adam, die op een later tijdstip zijn vrouw krijgt).
  • Het geslachtsregister van Gen 2 en Gen 5 betreft de herschepping van Genesis 1.

 

Over het Geslachtsregister van Gen 2

In de schepping in Gen 1:1, in die wonderschone schepping (voor de val van satan) is in de plantenwereld veel zaad gelegd, teneinde op een door God bepaald ogenblik veel vrucht voort te brengen. Zo ook voor wat betreft de mens, in Adam werd eigenlijk de mensheid geschapen, want ook in de schepping van de eerste mens zat veel zaad “opgesloten”. We weten dat uit Adam's zaad de Christus is geboren. In Adam's zaad zit de Christus al ingesloten.

Wat stond er in dat geslachtsregister van Gen 2:4?

  • “Dit is de geschiedenis van de hemel en de aarde, toen zij geschapen werden. Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, 5 – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten, want de Here God had het niet op de aarde doen regenen, en er was geen mens om de aardbodem te bewerken; 6 maar een damp steeg op uit de aarde en bevochtigde de gehele aardbodem – 7 toen formeerde de Here God de mens van stof uit de aardbodem en blies de levensadem in zijn neus; alzo werd de mens tot een levend wezen.”

Elk plantje werd apart door God geschapen. Dit wordt niet duidelijk in de NBG vertaling.

NBG: Gen 2:4b-5

  • “Ten tijde, dat de Here God aarde en hemel maakte, 5 – er was nog geen enkel veldgewas op de aarde, en er was nog geen enkel kruid des velds uitgesproten.

St. Vert.:

  • “Ten dage als de Heere God de aarde en de hemel maakte, 5 En alle struik des velds, eer hij in de aarde was, en al het kruid des velds, eer het uitsproot.

HSV:

  • “Op de dag dat de HEERE God aarde en hemel maakte – 5 er was nog geen enkele veldstruik op de aarde en er was nog geen enkel veldgewas opgekomen.

Hierbij moeten we ons realiseren, wanneer “maakte God de hemelen en de aarde? In den beginne. Wat was er daarvoor? Voor zover wij weten: Niets.

En toen begon God Zijn prachtige schepping, waar de morgensterren bij stonden te juichen. En toen maakte God “alle struik des velds, en al het kruid des velds, eer het in de aarde was, zo leert ons Gen 2.

Daarna is alles woest en ledig geworden, en laghet zaad weer in de aarde om bij de z.g. herschepping weer te ontkiemen. Bij de herschepping, waarvan we lezen in Gen 1 vanaf vers 3, lezen we dat het zaad, wat reeds vanaf de eerste schepping in de aarde lag, weer uitsproot. Daar lezen we niets over schepping van struiken en bomen. Die kwamen voort uit de aarde.

Bijv Gen 1:12: 

  • “En de aarde bracht jong groen voort, gewas, dat naar zijn aard zaad geeft, en geboomte, dat naar zijn aard vruchten draagt, welke zaad bevatten.”

Elk plantje en elke struik wat apart door God geschapen was, wordt vermeld in dat geslachtsregister. Deze tekst uit Gen 2:5 betekent dat de struiken compleet met het zaad van de struiken, dus de complete plant met alles erop en eraan er het eerst waren, en stuk voor stuk door God werden geschapen, voordat zij in de aarde waren.

In Gen 2 worden meer details aangereikt. Na het kruid kwam de mens. Bovendien laat Gen 2 zien wat er in Gen 1:26 is gebeurd:

  • Het kruid kwam uit het zaad uit de aarde (uit stof).
  • De mens kwam uit de aarde (uit stof).

Alles bestaat uit het stof der aarde, en zal ook tot stof wederkeren.

In deel 8 gaan we verder over de mens, wat er verder gebeurde.

Bert Boersma, april 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

De Zonde van de mens (deel 8)

Wie is verleid?

Bijna iedereen kent de geschiedenis van Genesis, hoe de mens ten val kwam. Eva werd verleid door de schitterende "nachash", zoals de slang zich toen aan Eva vertoonde. En Adam at ook van de vrucht. En, zo wordt ons altijd meegedeeld, daardoor is de zonde in de wereld gekomen, en daardoor is de zonde doorgegaan tot alle mensen. Maar is dit wat de Schrift ons leert?

We kunnen ons afvragen, waarom stond nou die ene boom in de hof, waarvan niet gegeten mocht worden? Wat staat er ook alweer geschreven?

Gen 2:16b-17:

  • “En de Here God legde de mens het gebod op: Van alle bomen in de hof moogt gij vrij eten, 17 maar van de boom der kennis van goed en kwaad, daarvan zult gij niet eten, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven (grondtekst: zult gij stervende sterven).”

Er waren zoveel bomen en zoveel vruchten, waarvan gegeten mocht worden. Waarom nou net die die ene boom? Die boom stond daar als een teken van gehoorzaamheid van de mens Adam aan God, zo wordt meestal uitgelegd.

Ja, dat is waar, maar we zullen in het vervolg van deze bijbelstudie zien, dat er een belangrijkere reden was waarom die boom in het midden van de hof stond.

God had vanaf den beginne de mens Adam gemaakt als zelfstandig wezen, die zelf besluiten mocht en kon nemen, die zelf mocht kiezen. God had geen marionet geschapen, maar een mens met een eigen verantwoordelijkheid.

Bovendien had God uit Zijn liefde een plan met de mens Adam, en daarvoor was volledige gehoorzaamheid aan God nodig. En om dat plan van God te verwezenlijken was een volkomen gerichtheid op God nodig. Maar God dwong die gehoorzaamheid niet af. God wilde dat Zijn liefde tot de mens doordrong en wederzijds werd. Afgedwongen liefde bestaat niet! De mens mocht zelf zijn keus maken om God te dienen en te gehoorzamen, en zo de relatie met Hem te onderhouden.

Wat gebeurde er? Laten we gaan lezen. In 1 Tim 2:13-14 lezen we:

  • “13 Want eerst is Adam geformeerd (Gen 1:26), ........en daarna Eva. 14 En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding (= Grieks: parabasis) gevallen."

Deze tekst is tevens het bewijs dat Adam en Eva niet gelijktijdig zijn geschapen. Maar we moeten even vasthouden, dat er staat:

  • “Adam heeft zich niet laten verleiden.”

Teksten met overtreding (“parabasis”) zijn:

Gal 3:19:

  • “Waartoe dient dan de wet? Om de overtredingen te doen blijken is zij erbij gevoegd, totdat het zaad zou komen, waarop de belofte sloeg.”

Hebr 9:15:

  • “En daarom is Hij de middelaar van een nieuw verbond, opdat, nu Hij de dood had ondergaan om te bevrijden van de overtredingen onder het eerste verbond, de geroepenen de belofte der eeuwige erfenis ontvangen zouden.”

Rom 2:23:

  • “Die u op de wet beroemt, onteert gij God door uw overtreden van de wet?”

Rom 4:15:

  • “Want de wet werkt toorn; want waar geen wet is, daar is ook geen overtreding.”

Al deze teksten hebben betrekking op de overtreding die iemand maakt ten opzichte van de wet. Dit gegeven van “het overtreden van de wet” moeten we vasthouden. Zo heeft ook Eva samen met Adam door hun overtreding de toen geldende “wet” overtreden: “Gij zult niet eten van de boom der kennis van goed en kwaad, want ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij voorzeker sterven.”

Romeinen 7:7

  • “Wat zullen wij dan zeggen? Is de wet zonde? Volstrekt niet! Ja, ik zou de zonde niet hebben leren kennen, tenzij door de wet; immers, ook van de begeerlijkheid zou ik niet geweten hebben, indien de wet niet zeide: gij zult niet begeren.”

Romeinen 5:13

  • “Want reeds vóór de wet was er zonde in de wereld. Maar zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is.”

Ja maar, zeggen we dan, Adam heeft wel gegeten van de verboden vrucht. Maar we moeten vast houden aan wat er staat: "Adam heeft zich niet laten verleiden!" Tenminste, toen niet.  wet (in de 10 geboden bestaande) was er toen nog niet, er was wel slecht één van God opgelegd gebod, waaraan een straf gekoppeld was. Eigenlijk was dat ook een soort wet.

God vroeg slechts in dat éne gebod gehoorzaamheid. Niet Adam, maar Eva heeft zich laten verleiden, en dat gebod overtreden. Dát staat in 2 Tim 2:14. Adam zag dat zijn vrouw at van de vrucht die de Heere verboden had. Wat moest Adam doen? Hij wist van de straf waarvan de Heere gesproken had: "Ten dage, dat gij daarvan eet, zult gij stervende sterven." (= grondtekst). Moest hij nu blijven leven, terwijl zijn vrouw zou sterven? Ook hierin vinden we Adam als type van Christus. Typologisch een beeld van de liefde van Christus voor Zijn vrouw (bruid = Israël).

Christus kwam op aarde voor de Zijnen, Hij, die zonder zonde was, is tot zonde gemaakt, en heeft in liefde de zonde van de Zijnen, én die der gehele wereld op zich genomen. Ook Adam heeft uit liefde voor Zijn vrouw gedeeld in haar overtreding en de straf daarvoor gekregen. Hij heeft wel het verbod overtreden, maar Adam heeft zich toen niet laten verleiden, zo staat er geschreven.

In 1 Tim 2:15 lezen we verder:

  • "Doch zij zal behouden worden, kinderen ter wereld brengende, indien zij blijft in geloof, liefde en heiliging, met ingetogenheid."

Dit “behouden worden” heeft te maken met nageslacht voortbrengen, met het kinderen ter wereld brengen, want uiteindelijk leidde dit "kinderen ter wereld brengen" tot de geboorte van Het Kind, dat de zonde der wereld zou wegnemen.

 

De Offers van Abel en Kaïn

Het eerste offer wat op aarde werd gebracht voor de zonde der mens was een offer met bloed, wat tegelijk diende om de mens te bekleden met vellen.

Zo zal elke gelovige uiteindelijk worden overkleed (bekleed) worden door het bloed van Christus Jezus. Het is prachtig te zien dat God de mens met vellen bekleedde, en dat daarvoor een dier geslacht moest worden, om de zonde van de mens te bedekken. Maar God zag de zonde niet door de vingers, en daarmee zien we dat God genadig is, maar ook rechtvaardig. Want de mens werd uit de hof verwijderd, en kon niet meer eten van de boom des levens.

Dan gaan we nu eens kijken naar de offers, die Abel en Kaïn brachten:

Gen 4:1-16:

  • “De mens nu had gemeenschap met Eva, zijn vrouw, en zij werd zwanger en baarde Kain; en zij zeide: Ik heb met des Heren hulp een man verkreg-en. 2 Voorts baarde zij zijn broeder Abel; en Abel werd schaapherder, Kain landbouwer. 3 Na verloop van tijd nu bracht Kain van de vruchten der aarde aan de Here een offer; 4 Ook Abel bracht er een van de eerste-lingen zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 Maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen werd Kain zeer toornig en zijn gelaat betrok. 6 En de Here zeide tot Kain: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? 7 Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen. 8 Maar Kain zeide tot zijn broeder Abel: [Laten] [wij] [het] [veld] [ingaan]. Toen zij nu in het veld waren, stond Kain tegen zijn broeder Abel op en doodde hem. 9 Toen zeide de Here tot Kain: Waar is uw broeder Abel? En hij zeide: Ik weet het niet; ben ik mijns broeders hoeder? 10 En Hij zeide: Wat hebt gij gedaan? Hoor, het bloed van uw broeder roept tot Mij van de aardbodem. 11 En nu, vervloekt zijt gij, ver van de bodem, die zijn mond heeft opengesperd om het bloed van uw broeder van uw hand te ontvangen. 12 Wanneer gij de aardbodem bewerken zult, zal hij u zijn volle opbrengst niet meer geven; een zwerver en een vluchteling zult gij op de aarde zijn. 13 Toen zeide Kain tot de Here: Mijn misdaad is te groot om de straf te dragen. 14 Zie, Gij verdrijft mij heden uit het land en ik zal voor uw aangezicht verborgen zijn, een zwerver en een vluchteling op de aarde; ieder, die mij aantreft, zal mij doden. 15 Toen zeide de Here tot hem: Geenszins; ieder, die Kain doodt, zal zevenvoudig boeten. En de Here stelde een teken aan Kain, dat niemand, die hem zou aantreffen, hem zou verslaan. 16 Toen ging Kain weg van het aangezicht des Heren, en ging wonen in het land Nod, ten oosten van Eden.”

Uit deze hele geschiedenis wordt iets openbaar broeders en zusters, namelijk dat er vanaf den beginne zaad van de vrouw, zaad van Christus was, en daarnaast zaad van de slang. En uit dit Bijbelgedeelte blijkt dat Kaïn zaad van de slang was.

Adam en Eva verloren er op die dag twee zonen, Abel werd vermoord en Kaïn moest vertrekken uit omgeving van God en uit de omgeving van Adam en Eva.

De naam “Abel” betekent “ijdelheid, vergankelijkheid, een damp, trots”

IJdelheid is vergankelijkheid – “alles is ijdelheid” zegt de Prediker.

Om deze dingen uit genesis 4 te begrijpen, moeten we Schrift met Schrift vergelijken. Wanneer we dan in Hebr 11:4 lezen:

  • “Door het geloof heeft Abel Gode een beter offer gebracht dan Kain; hierdoor werd van hem getuigd, dat hij rechtvaardig was, daar God getuigenis gaf aan zijn gaven, en hierdoor spreekt hij nog, nadat hij gestorven is.

En in 1 Joh 3:11-12:

  • “Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt: dat wij elkander zouden liefhebben; Niet gelijk Kain: hij was uit de boze en vermoordde zijn broeder. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig.”

En in Judas 1:10-11:

  • “Zij echter lasteren al wat zij niet kennen en in hetgeen zij, gelijk de redeloze wezens, van nature weten, ligt hun verderf. 11 Wee hun, want zij zijn de weg van Kain opgegaan, zij zijn voor de verleiding van een Bileamsloon bezweken en door het verzet van een Korach ten onder gegaan.”

Let wel broeders en zusters, dit wordt gezegd over gelovigen, die zelf persoonlijk een keuze konden maken. Was dit een les voor Adam en Eva? Hoe gingen zij hiermee om? Hoe gaan wij daarmee om? Hoe worden wij? Zijn wij in God of in den boze? Uit bovenstaans Schriftgedeelte leren we dat Abel was in God en Kaïn was uit den boze. Ook leren we hieruit dat de mens een keuze mogelijkheid heeft. Abel maakte een andere keus dan Kaïn.

Dan kijken we vervolgens nogmaals wat er vanuit Woord tot ons komt over Kaïn en Abel:

  • Math 23:34-35: “Daarom, zie, Ik zend tot u profeten en wijzen en schriftgeleerden. Van hen zult gij sommigen doden en kruisigen en van hen zult gij anderen geselen in uw synagogen en vervolgen van stad tot stad, 35 Opdat over u kome al het rechtvaardige bloed, dat vergoten werd op de aarde van het bloed van Abel, de rechtvaardige, tot het bloed van Zacharias, de zoon van Berekja, die gij vermoord hebt tussen het tempelhuis en het altaar.”
  • Luk 11: 50-51: “Opdat van dit geslacht afgeeist worde het bloed van al de profeten, dat vergoten is sinds de grondvesting der wereld, 51 Van het bloed van Abel tot het bloed van Zacharias, die omgebracht is tussen het altaar en het tempelhuis. Ja, Ik zeg u, het zal afgeeist worden van dit geslacht.”
  • Hebr 11:4: Zie tekst boven.
  • Hebr 12:24: “En tot Jezus, de middelaar van een nieuw verbond, en tot het bloed der besprenging, dat krachtiger spreekt dan Abel.”

Uit bovenstaande blijkt overduidelijk dat Abel is rechtvaardig en Kaïn is onrechtvaardig. Kaïn en Abel brachten beiden wel een offer!

Abel was duidelijk een profeet = iemand die Gods boodschap brengt. Door het goede handelen gaf Adam getuigenis van Gods Woord!

Dat Abel een profeet was blijkt uit Mat 23:34-35, waar Abel als eerste profeet wordt genoemd. Wat heeft Abel dan geprofeteert? Abel profeteerde door zijn handelen, dat hij het zaad van de vrouw was. En hij profeteerde dat de mens in afhankelijkheid en gehoorzaamheid aan God moet handelen.

De eerste profeet was Abel de rechtvaardige, de laatste profeet in het Oude Testament was Zacharias.

In Math 23:29-31 lezen we:

  • “Wee u, schriftgeleerden en Farizeeen, gij huichelaars, want gij bouwt de grafsteden der profeten en verfraait de gedenktekenen der rechtvaardigen, 30 En gij zegt: Indien wij geleefd hadden in de dagen onzer vaderen, zouden wij met hen geen gemene zaak gemaakt hebben ten opzichte van het bloed der profeten. 31 Gij getuigt dus van uzelf, dat gij zonen zijt van de moordenaars der profeten.”

Dus het allereerste bloed was het bloed van de profeet Abel.

God verbleef na het eten van die ene boom tussen de cherubs aan de ingang van de hof van Eden. Adam en Eva werden bekleed met een offer.

De verkondiging van Abel was de manier waarop hij zijn offer aan de Heere bracht. Abel gaf daarmee getuigenis dat hij het zaad der vrouw was.

Abel's profetie was ook gelegen in het doen van zijn rechtvaardige daden!

Abel was dus een profeet – Abel de rechtvaardige – Kaïn vergooit rechtvaardig bloed, en in navolging van Kaïn deden de schriftgeleerden en Farizeeen dat ook. Zelfs de Christus hebben zij omgebracht!

De volgende keer gaan we verder met het offer van Abel.

Bert Boersma, mei 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

De Zonde van de mens (deel 9)

De Offers van Gen 4

(vervolg van deel 8)

De Offers die Kaïn en Abel brachten waren geen offers voor de zonde, het waren geen z.g. zondoffers, het waren offers ter aanbidding van God. Het Hebreeuwse woord wat hier in Gen 4 voor “offer” wordt gebruikt is “minach” wat voor 90% in het Oude Testament met “spijsoffer” wordt vertaald. Ook wordt het “minach” met “geschenk” vertaald. Een mooi voorbeeld van zo'n “offer” lezen we in Gen 32:11-14, de geschiedenis van Jacob:

  • “Red mij toch uit de hand van mijn broeder, uit de hand van Esau, want ik ben bevreesd voor hem: misschien zal hij komen en mij verslaan, zowel moeder als kinderen. 12 Gij toch hebt gezegd: Ik zal u zeker weldoen en uw nageslacht maken als het zand der zee, dat wegens de menigte niet geteld kan worden. 13 En hij bleef daar die nacht over. Toen nam hij van hetgeen hij verworven had een geschenk (= “minach” = “offer”) voor zijn broeder Esau: 14 Tweehonderd geiten en twintig bokken, tweehonderd ooien en twintig rammen.”

Jacob stuurde allemaal geschenken. Hier in gen 32 wordt hetzelfde Hebreeuwse woord voor öffers” gebruikt in bij de “offers” van Gen 4, van Kaïn en Abel. Dus in Gen 4 betreft het geen zondoffer.

Er wordt meestal gezegd dat God het offer van Kaïn weigerde, omdat het zonder bloed was, maar dat is dus niet zo, daar gaat het hier niet om. Het gaat hier om heel andere zaken.

In Gen 4:3 brachten beiden, Kaïn én Abel aan de Heere een geschenk, een spijsoffer.

Kaïn een spijsoffer van de vruchten des lands, en Abel een spijsoffer, een geschenk van de eerstelingen der schapen. Beiden brachten een geschenk, een liefdesgave aan de Heere.

Wat was er dan mis met het offer van Kaïn? Want we lezen in Hebr 11 dat Abel een beter offer bracht dan Kaïn. Hieruit valt veel te leren. We leren hier onder anderen uit dat Abel is rechtvaardig, en Kaïn niet. Verder moeten we oppassen, dat we niet de latere toekomstige dingen (= de offers, die later door Israël voor hun overtredingen werden gebracht) gaan verklaren naar de gebeurtenissen in Gen 4 toe. En dat doen we wel wanneer we beweren dat de Heere het bloedloze offer van Kaïn minder vond dan het bloedoffer van Abel, want daar ging het helemaal niet om.

We moeten niet door deze gedachtengang de verlossing door het bloed inbrengen in de offers van Kaïn en Abel.

In Gen 4 was de vraag niet hoe de rechtvaardigheid was verkregen, maar: of de rechtvaardigheid verkregen was! Hoe Abel rechtvaardig was geworden, wordt ons nergens verteld, wel dat hij rechtvaardig was! Daar gaat het om! Dat wordt in Hebr. 11 onderstreept. Abel was een rechtvaardig man.

En omdat de Bijbel dat zegt mogen we vaststellen, dat Abel God diende, dat de gezindheid van Abel t.o.v. God juist was, en die van Ezau niet!

Het spijsoffer

Ieder bracht zijn eigen spijsoffer! Waar moest een spijsoffer aan voldoen?

In Lev 2 lezen we over dit spijsoffer:

  • “Indien gij de Here een spijsoffer der eerste vruchten zult brengen, dan zult gij in het vuur geroosterde aren, fijngewreven graankorrels, als spijsoffer uwer eerste vruchten brengen.” (Lev 2:14).

We lezen over dit spijsoffer niets over het slachten van een dier, niets over het storten van bloed. Er wordt vaak gezegd, omdat Abel een dier slachtte, en daarbij bloed vergoot, was dat een beter ofer dan het offer van Kaïn. Dat zou dan het verschil zijn, maar dat is niet waar! Maar zo wordt het wel vaak gebracht.

Het was een spijsoffer. Beiden brachten een geschenk. En wanneer we naar Lev 2 kijken, en dan alleen naar het offer kijken, dan bracht Kaïn eigenlijk een beter offer (van de vruchten der aarde = een spijsoffer) dan Abel. Toch staat er dat Abel een beter offer bracht, dan moet dat een andere oorzaak hebben.

Het zit in het karakter van Kaïn en Abel, in de innerlijke gesteldheid, eigenlijk in de gezindheid van Kaïn en Abel. Abel was rechtvaardig en Kaïn was uit den boze.

In Gen 4:3-5 lezen we:

  • “Na verloop van tijd nu bracht Kain van de vruchten der aarde aan de Here een offer; 4 Ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 Maar op Kain en zijn offer sloeg Hij geen acht.”

En meteen daarna lezen we:

  • “Toen werd Kain zeer toornig en zijn gelaat betrok. 6 En de Here zeide tot Kain: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? 7 Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen.” (Gen 4:5b-7).

Het moge duidelijk zijn: Kaïn handelde in zijn leven niet goed, en daarom kon God zijn offer niet accepteren. Zelfs als Kaïn een dier had geslacht, dan nog had de Heere het hart van Kaïn aangezien, en zijn offer geweigerd.

Er staat: “Indien gij goed handelt”. Dat “handelen” heeft alles te maken met het wandelen, met de wandel in geloof van Kaïn. En omdat Kaïn's wandel niet deugde, kon God geen acht slaan op het offer van Kaïn. Daarom kon God het offer van Kaïn niet accepteren.

Kaïn toonde ook geen berouw, want toen hij bemerkte dat God zijn offer niet accepteerde werd hij “toornig” lazen we. Hij kreeg geen spijt van zijn handelen, van zijn wandel, maar werd zeer boos. En dat was nu net wat Kaïn niet had moeten doen, want daarmee zette hij de deur wagenwijd open voor Gods tegenstander, die altijd op de loer ligt. En dat betekent vers 8:

  • “Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen.”

Kaïn heeft niet over de zonde geheerst. We zien dus dat het niet om het offer gaat, maar om de gezindheid van de offeraar. Het gaat om de wandel van Kaïn.

Ook in Math 5:23-24 zien we hetzelfde principe:

  • “Wanneer gij dan uw gave brengt naar het altaar en u daar herinnert, dat uw broeder iets tegen u heeft, 24 Laat uw gave daar, voor het altaar, en ga eerst heen, verzoen u met uw broeder en kom en offer daarna uw gave.”

Het gaat erom hoe je tot de Heere komt. Het gaat niet om het offer. Het gaat erom wie je bent, hoe je wandelt. Hoe zit dat bij ons? Wat ziet God in ons leven? Kunnen we over de zonde heersen?

Rom 6: Door Christus dood voor de zonde.

  • “8 Indien wij dan met Christus gestorven zijn, geloven wij, dat wij ook met Hem zullen leven, 9 daar wij weten, dat Christus, nu Hij uit de doden is opgewekt, niet meer sterft: de dood voert geen heerschappij meer over Hem. 10 Want wat zijn dood betreft, is Hij voor de zonde eens voor altijd gestorven; wat zijn leven betreft, leeft Hij voor God. 11 Zo moet het ook voor u vaststaan, dat gij wèl dood zijt voor de zonde, maar levend voor God in Christus Jezus. 12 Laat dan de zonde niet langer als koning heersen in uw sterfelijk lichaam, zodat gij aan zijn begeerten zoudt gehoorzamen, 13 en stelt uw leden niet langer als wapenen der ongerechtigheid ten dienste van de zonde, maar stelt u ten dienste van God, als mensen, die dood zijn geweest, maar thans leven, en stelt uw leden als wapenen der gerechtigheid ten dienste van God. 14 Immers, de zonde zal over u geen heerschappij voeren, want gij zijt niet onder de wet, maar onder de genade.”

1 Joh 3: thema: De praktische openbaring van de rechtvaardigheid t.o.v. de broederliefde in ons leven (t.o.v. Broeders en zusters).

  • “1 Ziet, welk een liefde ons de Vader heeft gegeven, dat wij kinderen Gods genoemd worden, en wij zijn het (ook). Daarom kent de wereld ons niet, omdat zij Hem niet kent. 2 Geliefden, nu zijn wij kinderen Gods en het is nog niet geopenbaard, wat wij zijn zullen; (maar) wij weten, dat, als Hij zal geopenbaard zijn, wij Hem gelijk zullen wezen; want wij zullen Hem zien, gelijk Hij is. 3 En een ieder, die deze hoop op Hem heeft, reinigt zich, gelijk Hij rein is. 4 (vers 4-7 gaat over het goed of slecht handelen – wandelen – twee groepen) Ieder, die de zonde doet, doet ook de wetteloosheid, en de zonde is wetteloosheid. 5 En gij weet, dat Hij geopenbaard is, opdat Hij de zonden zou wegnemen, en in Hem is geen zonde. 6 Een ieder, die in Hem blijft, zondigt niet; een ieder, die zondigt, heeft Hem niet gezien en heeft Hem niet gekend. 7 Kinderkens, laat niemand u misleiden. Wie de rechtvaardigheid doet, is rechtvaardig, gelijk Hij rechtvaardig is; 8 wie de zonde doet is uit de duivel, want de duivel zondigt van den beginne. Hiertoe is de Zoon van God geopenbaard, opdat Hij de werken des duivels verbreken zou. 9 Een ieder, die uit God geboren is, doet geen zonde; want het zaad (Gods) blijft in hem en hij kan niet zondigen, want hij is uit God geboren. 10 Hieraan zijn de kinderen Gods en de kinderen des duivels kenbaar: een ieder, die de rechtvaardigheid niet doet, is niet uit God, evenmin als wie zijn broeder niet liefheeft. 11 Want dit is de verkondiging, die gij van den beginne gehoord hebt: dat wij elkander zouden liefhebben; 12 niet gelijk Kaïn: hij was uit de boze en vermoordde zijn broeder. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig. 13 Verwondert u niet, broeders, wanneer de wereld u haat. 14 Wij weten, dat wij overgegaan zijn uit de dood in het leven, omdat wij de broeders liefhebben. Wie niet liefheeft, blijft in de dood. 15 Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven blijvend in zich heeft. 16 Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten. 17 Wie nu in de wereld een bestaan heeft en zijn broeder gebrek ziet lijden, maar zijn binnenste voor hem toesluit, hoe blijft de liefde Gods in hem?

We zien hier het verschil tussen de kinderen Gods en de kinderen des duivels. Het verschil is het doen van de werken der rechtvaardigheid (door God in de mens) of de werken der zonde (door satan in de mens).

Tweede herkennend verschil: onderscheid in liefhebben....of haten (vs10).

vs 11-17: voorbeeld van Kaïn en Abel – verschil te herkennen aan de daden.

Het gaat om die twee voorbeelden, om die twee zaden, het zaad van de vrouw én het zaad van de slang te kunnen herkennen in de praktijk van het leven (aan hun daden).

Jac 1: horen.....ook doen

  • “19 Weet (dit) wel, mijn geliefde broeders: ieder mens moet snel zijn om te horen, langzaam om te spreken, langzaam tot toorn; 20 want de toorn van een man brengt geen gerechtigheid voor God voort. (denk maar aan Kaïn) 21 Legt dus af alle vuilheid en alle uitwas van boosheid en neemt met zachtmoedigheid het in u geplante woord aan, dat uw zielen kan behouden. 22 En weest daders des woords en niet alleen hoorders: dan zoudt gij uzelf misleiden. 23 Want wie hoorder is van het woord en niet dader, die gelijkt op een man, die het gelaat, waarmede hij geboren is, in een spiegel beschouwt; 24 want hij heeft zich beschouwd, is heengegaan en heeft terstond vergeten, hoe hij er uitzag. 25 Maar wie zich verdiept in de volmaakte wet, die der vrijheid, en daarbij blijft, niet als een vergeetachtige hoorder, doch als een werkelijk dader, die zal zalig zijn in zijn doen.”

De nadruk ligt hier helemaal niet op de rechtvaardigheid die is op grond van het geloof zonder werken. Daar gaat het hier niet over. Het gaat over het goed doen, het rechtvaardig handelen. Het rechtvaardige doen in de praktijk, of niet (de zonde doen in de praktijk). Daaraan kan je zien wie wie is, ook al doen ze zich voor als twee broeders, als twee gelovigen. Het gaat erom dat je kunt herkennen in de praktijk wie rechtvaardig is, wie uit God is, en wie onrechtvaardig is, wie uit den boze is.

Hoe? Door de liefde! Werd die liefde openbaar in Gen 4? Ja, wel bij Abel.

Het gaat er dus niet om hoe je rechtvaardig wordt, maar of je rechtvaardig bent.

Kaïn deed zich voor als Abel's broeder. Het leek aan de buitenkant allemaal wel goed. Kaïn offerde aan God, zijn offer voldeed eigenlijk nog meer aan het spijsoffer dan het offer van Abel. En uiterlijk gezien lijkt het allemaal prima in orde, beiden bogen hun knieën. Het zaad van de slang lijkt als twee druppels water op het zaad van de vrouw.

Maar God ziet het hart aan. God sloeg acht op Abel.

In 1 Joh 3:12 hebben we gelezen dat Kaïn uit den boze was, en zijn broeder vermoordde. En waarom vermoordde hij hem? Omdat zijn werken boos waren en die van zijn broeder rechtvaardig. Kaïn wist het! De zonde kreeg de overhand. Kaïn luisterde niet.

Het winnen van “het hart” van een persoon is een mysterie. God doet dat, en satan doet dat ook. Dit mysterie begrijpen wij niet. God heeft ons gewonnen. Wij zijn uit God en daarom kinderen van God. We kunnen dit aan anderen nooit verklaren.

Geboren worden van boven af is een mysterie (zowel van God als van satan).

Ook satan wint harten. Twee groepen onder de mensen, het zaad van de slang en het zaad van de vrouw.

1 Joh 3:16: zover gaat broederliefde (tegenover doodslag):

  • “Een ieder, die zijn broeder haat, is een mensenmoorder en gij weet, dat geen mensenmoorder eeuwig leven blijvend in zich heeft. 16 Hieraan hebben wij de liefde leren kennen, dat Hij zijn leven voor ons heeft ingezet; ook wij behoren dan voor de broeders ons leven in te zetten.”

Gen 4:7: Nadruk op dat goede handelen. Kaïn kwam niet tot bekering, anders had God zijn offer aanvaard.

Gen 4:

  • “Na verloop van tijd nu bracht Kaïn van de vruchten der aarde aan de Here een offer; 4 ook Abel bracht er een van de eerstelingen zijner schapen, van hun vet; en de Here sloeg acht op Abel en zijn offer, 5 maar op Kaïn en zijn offer sloeg Hij geen acht. Toen werd Kaïn zeer toornig en zijn gelaat betrok. 6 En de Here zeide tot Kaïn: Waarom zijt gij toornig en waarom is uw gelaat betrokken? 7 Moogt gij het niet opheffen, indien gij goed handelt? Doch indien gij niet goed handelt, ligt de zonde als een belager aan de deur, wiens begeerte naar u uitgaat, doch over wie gij moet heersen.

Kaïn ging een andere weg. Zijn eigen weg. Hij kwam niet tot berouw, maar werd zeer toornig! Wee hun...... Judas 1:11:

  • “Wee hun, want zij zijn de weg van Kaïn opgegaan, zij zijn voor de verleiding van een Bileamsloon bezweken en door het verzet van een Korach ten onder gegaan.”

Dat is de grote les uit deze geschiedenis, broeders en zusters. Hoe onze gezindheid is ten opzichte van God. God ziet ons hart aan! De Heere rekende het Kaïn wel toe!

En daarom mogen we stellen: Kaïn zondigde willens en wetens!

Deel 10 volgt DV

Bert Boersma, mei 2016, boersmaklm@hetnet.

 

De Zonde van de mens (deel 10)

Adam's opdracht

Adam kreeg van God een opdracht, waarin hij faalde. Hij heeft zijn opdracht niet kunnen volbrengen. Daarom was de komst van de tweede Mens (Christus) nodig om die taak wel te volbrengen. God had met Adam een heel speciale bedoeling op een hele speciale plaats. Adam was als het ware de eerste uitverkorene (eerste mens) om een hele belangrijke opdracht te vervullen: Gen 1:28:

  • “Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, en heerst.........over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.!” (Gen 1:28).

Een geweldige opdracht krijgt Adam hier van de Heere. We zien in deze opdracht aan Adam een geweldig type van Christus: We zien in deze opdracht steeds het beeld van de eerste en de tweede naar voren komen:

  1. Ten eerste:het vruchtbaar zijn”........ Adam moest vruchtbaar zijn. Dit betekent ten diepste dat Adam een geslacht moest voortbrengen in de gelijkenis van Christus. Wat is daarvan terecht gekomen? Denk maar aan de zondvloed. Christus heeft en zal dat wel kunnen voortbrengen!
  2. Ten tweede: Wordt talrijk........ Ook hier hetzelfde verhaal. De mensen vermenigvuldigden zich, maar uiteindelijk bleef er maar één over, Noach en de zijnen. Maar Christus zal (1) een volk voortbrengen als het zand der zee, en (2) nog een volk als de sterren des hemels, die Hem toegewijd zijn, en (3) een hele schare gelovigen, die zullen aanzitten aan de maaltijd van het Lam Gods, en (4) een Lichaam wat Hem toebehoort en zal delen in Zijn zegeningen.
  3. Ten derde: Vervult de aarde....... Ja, de bedoeling was dat zij uit Adam, die in de gelijkenis als Adam, dus getrouwen aan de Heere, de aarde zouden volmaken. Maar hiertoe was Adam niet in staat. Maar denk eens aan die steen bij dat beeld van koning Nebucadnessar, die steen raakte los, en verbrijzelde dat beeld, en die steen vulde de gehele aarde. Die steen, die rots was Christus! Hij vulde de gehele aarde!
  4. Ten vierde: Onderwerpt haar........ De bedoeling was dat Adam de aarde weer onder heerschappij van God zou brengen, maar er is maar één die dat op het einde van de aionen (= de eeuwen) zal doen.
  5. Ten vijfde: En heerst......... Daartoe was Adam geschapen, om vanuit de hof over de aarde te regeren. Maar ook hiertoe was Adam in zijn gevallen staat niet in meer in staat, maar er zal in de nabije toekomst Eén komen, die over de aarde rechtvaardig zal heersen.

De mens Adam, zo is gebleken, was tot dit alles niet in staat, maar Christus zal het wel doen! Deze opdracht was uitsluitend aan Adam gegeven. Noach kreeg later een andere opdracht:

  • "Weest vruchtbaar, wordt talrijk en vervult de aarde." (Gen 9:1).

Het heersen door de mens was toen niet meer aan de orde. De mens (Adam) had laten zien, dat dit “heersen” voor de mens van vlees en bloed niet mogelijk was. De tweede Adam (Christus) zal in de toekomst heersen!

En het bijzondere is, dat er na Adam nooit een mens is geweest, die naar recht en gerechtigheid heeft kunnen heersen. De mens in zijn gevallen staat kan dat niet aan! Dat wordt een groot fiasco!

Adam heeft dat in zijn mens-zijn ook niet kunnen volbrengen. Het gevolg was dat door zijn wandel de dood tot alle mensen is doorgegaan, en daarom was de tweede Mens nodig. Hij die zonder zonde was, en die niet kon zondigen, kon alleen de breuk met God herstellen. Hij, Christus Jezus, de Heere, heeft alles volbracht, en zal in de toekomst voltooien wat Adam niet kon, namelijk alles weer onder heerschappij brengen van God de Vader.

We weten dat God een prachtige schepping had gemaakt in Gen 1:1, getuige het jubelen en juichen van al de morgensterren en de zonen Gods (Job 38), en dat die prachtige schepping door de opstand van satan en zijn volgelingen is nedergeworpen in chaos, ledigheid en duisternis. Die nedergeworpenen hadden hun vernietigende invloed op aarde ten tijde van de herschepping en ten tijde van de schepping van Adam. Moest Adam van God als een soort verlosser, als heerser op deze aarde optreden, om die aarde (in eerste instantie de hof) in gehoorzaamheid aan God te bewaren?

Dit kon dan uitsluitend gebeuren door een zeer nauwe relatievan Adam met God, te vergelijken met de relatie Vader – Zoon, zoals die in Christus openbaar is geworden. In deze relatie was God zijn Leider, zijn Hoofd, zijn Opvoeder, die hem inwijdde in al de wijsheid, die nodig was om die dienst recht te staan.

Daarbij paste (net als bij Israël) geen andere relatie.

We weten dat de komst van de Messias in deze wereld voor de Zijnen tot bedoeling had, dat de Zijnen, het volk Israël, Hem zou aanvaarden in geloof, en dan zou de Heere Jezus Koning over hen zijn geworden.

Dan zou Israël zijn gaan fungeren als het Hoofd der volkeren, en dan zou vanuit Jeruzalem de aarde geregeerd worden. Dat is toendertijd niet gebeurd, maar zal zeker in de toekomst in vervulling gaan.

Adam (type van Christus) was in de hof (= ook beeld van het land Israël) geplaatst, om vanuit de hof de aarde onder gehoorzaamheid aan God te brengen, om te heersen over de aarde. Immers de aarde was het domein van de overste der aarde met zijn afvallige engelen. Was Adam hiertoe in staat?

 

Door God gemaakt

Hoe was Adam ook alweer gemaakt door de Heere? We hebben gelezen in 1 Kor 15:42-44 dat Adam is gezaaid in vergankelijkheid, in oneer en in zwakheid.

Was zo'n mens in staat om de opdracht van God te vervullen?

Ja, Adam wás daartoe in staat, want Adam was een door God uitverkoren werktuig, en door God zelf geformeerd voor die speciale bediening (heersen).

Door de opdracht van God aan Adam blijkt dat Adam ertoe in staat was, want God geeft geen opdracht die onmogelijk door Adam is te vervullen.

Maar achteraf kunnen we ook ontdekken, dat God deze opdracht aan Adam geeft opdat Adam's gezindheid aan het licht moest komen. God heeft voorkennis van alle dingen. God wist op voorhand over de keuzes die Adam zou maken.

Ook weten we dat God een voornemen in Zichzelf had besloten, reeds voor de nederwerping der kosmos. We lezen bijvoorbeeld in Efeze 1:4, dat Hij Zich een groep gelovigen heeft uitverkoren vóór de grondlegging (= katabole) der wereld, “opdat zij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde.”

En ook is toen reeds door God besloten hoe dat zou gebeuren, door Zijn Zoon als Verlosser naar deze wereld te sturen.

Ik wil graag nog even iets zeggen over deze tekst uit Ef 1:4. Ik heb deze tekst vaak gelezen, maar vorige week viel opeens mijn oog “nieuw” op deze tekst.

In de NBG staat:

  • “Hij heeft ons immers in Hem uitverkoren vóór de grondlegging der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor zijn aangezicht. (HIER STAAT EEN PUNT). En dan volgt vers 5: In liefde heeft Hij ons tevoren ertoe bestemd als zonen van Hem te worden aangenomen door Jezus Christus.”

Maar de S.V. En ook de HSV hebben vertaald:

  • “Gelijk Hij ons uitverkoren heeft in Hem, vóór de grondlegging (= katabole) der wereld, opdat wij heilig en onberispelijk zouden zijn voor Hem in de liefde;” (Hier staat de punt achter “liefde”).

De NBG heeft het zo vertaald alsof “de liefde” bij het plan van de Heere behoort. En dat is natuurlijk ook waar. Gods plan der aionen getuuigd alleen maar van “liefde”. Maar Paulus spreekt hier de uitverkoren in Christus aan, en hij zegt tegen die uitverkoren, dat zij reeds vóór de grondlegging der wereld uitverkoren zijn, met als doel dat zij heilig en onberispelijk IN DE LIEFDE zouden wandelen voor zijn aangezicht.

Ik denk dat de S.V. “de punt” op de goede plaats heeft gezet. Wij behoren “heilig en onberispelijk” voor Hem te wandelen, en hoe doen we dat? IN DE LIEFDE, in de onvoorwaardelijke “agapè”.

Deze woorden verbinden eigenlijk Ef 1:4 met Fil 2:5: “Laat die gezindheid in u zijn.........” Die gezindheid getuigd van de onvoorwaardelijk liefde van onze Heiland. En in die liefde, die onvoorwaardelijke liefde (= agapè) behoren ook de Zijnen te wandelen. Alleen in die gezindheid én in die liefde kunnen wij heilig en onberispelijk wandelen. Alleen dan kan de Heere Zijn wandel in ons bewerken!

Dan terug naar Adam.

We moeten proberen die situatie te begrijpen, broeders en zusters, er was nog geen zonde in Adam, toen de Heere Adam gemaakt had, en God aan Adam zijn opdracht gaf. Er was geen enkele belemmering tussen God en Adam.

De enige relatie die Adam had, was met God, in de persoon van Christus! Hij leek ook op Christus. Hij was immers geschapen in de gelijkenis van Christus!

En wanneer Adam in die toestand was gebleven, in die toestand, dat de liefde (agapè) in hem werkzaam bleef, dat betekent, dat hij zich onvoorwaardelijk op zijn Schepper bleef richten, alleen dan – in volledige afhankelijkheid – had hij de hem opgedragen taak kunnen verrichten.

Maar we zullen zien – in het vervolg van deze bijbelstudie – Adam verliet zijn eerste Liefde, en werd verliefd op een ander, en toen ging het mis.

Voor de zondeval van Adam had de mens Adam rechtstreeks omgang met God.

Er was toen geen scheiding tussen God en de mens. Die scheiding was er wel na de zondeval van Adam. Dus na de zondeval waren allen uit Adam niet meer zoals Adam in eerste instantie door God gemaakt was, maar waren allen als de gevallen Adam. Maar eerst nog over de opdracht van Adam:

Bewerken en Bewaren

We gaan nogmaals kijken naar de opdracht van Adam:

  • "En de HERE God nam de mens en plaatste hem in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren." (Gen 2:15).

We lezen allereerst dat de HERE God de mens (Adam) nam, en hem plaatste in de hof van Eden om die te bewerken en te bewaren. Wanneer we willen zien wat dit in werkelijkheid betekent, dan moeten we naar de grondtekst, en proberen te ontdekken waar we dit "bewerken en bewaren" meer tegenkomen, en wat het daar uitdrukt.

Het woord "bewerken" is in het Hebreeuws "lobde", wat zes keer voorkomt in de Schrift. De eerste keer in Gen 2:15. De volgende keren in Num 4:35, Num 4:39, Num 4:43, 1 Kron 25:1 en 1 Kron 26:8.

In al die teksten wil het Hebreeuwse woord tot uitdrukking brengen dat de betreffende persoon(en) dienstbaar waren in de dienst van God (bijv. in de tent der samenkomst). God had die dienst vastgesteld, en uitsluitend in die door God vastgestelde dienst konden ze dienstbaar zijn voor God.

Het Hebreeuwse woord wat in Gen 2:15 vertaald is door "bewaren", is "ulshmre", wat alleen in deze tekst voorkomt. Echter, het woord "ushmru", zeer nauw verwant aan "ulshmre", komt 18 keer voor in de Schrift. Voor de duidelijkheid hieronder allemaal genoemd:

Een paar teksten: 

  • Gen 1819 "Want Ik heb hem gekend, opdat hij gebieden zou, dat zijn zonen en zijn huis na hem de weg des HEREN zouden bewaren door gerechtigheid en recht te doen, opdat de HERE aan Abraham vervulle wat Hij over hem gesproken heeft."
  • Gen 41:35 "En dat zij alle spijze van deze aankomende goede jaren verzamelen, en koren opleggen, onder de hand van Faraö, tot spijze in de steden, en bewaren het."
  • Ex 31:16 "Dat dan de kinderen Israëls den sabbat houden, den sabbat onderhoudende in hun geslachten, tot een eeuwig verbond."
  • Lev 22:9 "Zij zullen dan Mijn bevel onderhouden, opdat zij geen zonde daarover dragen en daarin sterven, als zij die ontheiligd zouden hebben; Ik ben de HEERE, Die hen heilige!"
  • Num 1:53 "Maar de Levieten zullen zich legeren rondom den tabernakel der getuigenis, opdat geen verbolgenheid over de vergadering van de kinderen Israëls zij; daarom zullen de Levieten de wacht van den tabernakel der getuigenis waarnemen."
  • Num 3:7 "En dat zij waarnemenzijn wacht, en de wacht der gehele vergadering, voor de tent der samenkomst, om den dienst des tabernakels te bedienen;"
  • Num 3:8 "En dat zij al het gereedschap van de tent der samenkomst, en de wacht der kinderen Israëls waarnemen, om den dienst des tabernakels te bedienen."
  • Num 3:10 "Maar Aäron en zijn zonen zult gij stellen, dat zij hun priesterambt waarnemen (= bedienen); en de vreemde, die nadert, zal gedood worden."
  • Num 9:19 "En als de wolk vele dagen over den tabernakel verbleef, zo namen de kinderen Israëls de wacht des HEEREN waar, en verreisden niet."
  • Num 18:3 "En zij zullen uw wacht waarnemen, en de wacht der ganse tent; doch tot het gereedschap des heiligdoms en het altaar zullen zij niet naderen, opdat zij niet sterven, zo zij als gijlieden."
  • Num 18:4 "Maar zij zullen u bijgevoegd worden, en de wacht van de tent der samenkomst waarnemen, in allen dienst der tent; en een vreemde zal tot u niet naderen."
  • Deut 31:12 "Vergadert het volk, de mannen, en de vrouwen, en de kinderen, en uw vreemdelingen, die in uw poorten zijn; opdat zij horen, en opdat zij leren, en vrezen den HEERE, uw God, en waarnemen te doen alle woorden dezer wet."
  • 2 Kon 11:7 "En de twee delen van ulieden, allen, die op den sabbat uitgaan, zullen de wacht van het huis des HEEREN waarnemen bij den koning."
  • 2 Kon 17:13 "Als nu de HEERE tegen Israël en tegen Juda, door den dienst van alle profeten, van alle zieners, betuigd had, zeggende: Bekeert u van uw boze wegen en houdt (= houdt vast) Mijn geboden, en Mijn inzettingen, naar al de wet, die Ik uw vaderen geboden heb, en die Ik tot u door de hand van Mijn knechten, de profeten, gezonden heb;"
  • 1 Kron 23:32 "En dat zij de wacht van de tent der samenkomst zouden waarnemen, en de wacht des heiligdoms, en de wacht der zonen van Aäron, hun broederen, in den dienst van het huis des HEEREN."
  • Ezra 8:29 "Waakt en bewaart het, totdat gij het opweegt, in tegenwoordigheid van de oversten der priesteren en Levieten, en der vorsten der vaderen van Israël, te Jeruzalem, in de kameren van des HEEREN huis."
  • Jer 31:10 "Hoort des HEEREN woord, gij heidenen! en verkondigt in de eilanden, die verre zijn, en zegt: Hij, Die Israël verstrooid heeft, zal hem weder vergaderen, en hem bewaren als een herder zijn kudde."
  • Ez 44:16 "Die zullen in Mijn heiligdom ingaan, en die zullen tot Mijn tafel naderen, om Mij te dienen, en zij zullen Mijn wacht waarnemen."

Dus God had Adam in de hof geplaatst om die te bewerken en te bewaren.

In bovenstaande hebben we gezien dat "bewerken" erop wijst dat Adam dienstbaar moest zijn in een vastgestelde dienst van God. Verder hebben we gezien dat "bewaren" wijst op een bewaren, onderhouden, en de wacht houden.

In deel 11 gaan we DV verder.

Bert Boersma, Juni 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

 

De Zonde van de mens (deel 11)

In deel 10 zijn we geëindigd met de opmerking: Dus God had Adam in de hof geplaatst om die te bewerken en te bewaren. Toen hebben we gezien dat "bewerken" erop wijst dat Adam dienstbaar moest zijn in een vastgestelde dienst van God. Verder hebben we gezien dat "bewaren" wijst op een bewaren, onderhouden, en de wacht houden.

Wanneer we dan bovendien weten dat Adam het type van Christus is, en wanneer we weten dat Christus in de toekomst de “hof van Eden” (Israël) zal bewaren, dan zien we dat in dit bewaren tevens een soort “uitbreiden” opgesloten zit. Want zoals Christus in de toekomst Zijn “hof” zal bewaren, en zal heersen, en tot zegen zal zij voor de gehele aarde, zo moest Adam als type van Christus de hof bewaren en heersen en tot zegen zijn voor de gehele aarde.

Adam moest zich totaal in dienst van God stellen, en alzo de hem opgelegde taak vervullen. Daarbij legde de Heere slecht één gebod op, hij mocht niet eten van de boom der kennis van goed en kwaad. Maar we zullen straks zien, dat God daarnaast ook nog een verbond met Adam had gesloten.

Wanneer we dit alles overdenken, dan mogen we ons afvragen: Heeft God Adam ook richtlijnen gegeven, hoe hij die Hof moest bewaren en bewerken?

Ik denk het wel. Wanneer we door de hele Bijbel heengaan, heeft God zijn dienstknechten altijdrichtlijnen én beloften gegeven.

Denk in dit geval maar eens aan Israël: Deut 12:1:

  • Dit zijn de inzettingen en de verordeningen, die gij naarstig zult onderhouden in het land dat de Here, de God uwer vaderen, u gegeven heeft om het te bezitten, zolang gij op de aardbodem leeft.”

Jer 7:23-25: Daar zegt de Heere tot Israël:

  • Hoort naar mijn stem, dan zal Ik u tot een God en zult gij Mij tot een volk zijn, en wandelt op de ganse weg die Ik u gebied, opdat het u welga. 24 Doch zij hoorden niet, noch neigden hun oor, maar zij wandelden naar de verstokte overleggingen van hun boos hart en keerden zich achterwaarts en niet voorwaarts, 25 van de dag af dat uw vaderen uit het land Egypte gingen tot op deze dag.”

Exodus 19:5 Aan Israël:

  • 5 Nu dan, indien gij aandachtig naar Mij luistert en mijn verbond bewaart, dan zult gij uit alle volken Mij ten eigendom zijn, want de ganse aarde behoort Mij. 6 En gij zult Mij een koninkrijk van priesters zijn en een heilig volk. Dit zijn de woorden die gij tot de Israëlieten spreken zult. 7 Toen kwam Mozes en ontbood de oudsten van het volk en legde hun al deze woorden die de Here hem geboden had, voor. 8 En het gehele volk antwoordde eenparig: Alles wat de Here gesproken heeft, zullen wij doen.”

Wanneer we dit overdenken, dan heeft de Heere aan Adam ook vast Zijn richt-lijnen gegeven hoe hij de hof van Eden moest bewerken en bewaren. God heeft daaromtrent een verbond met Adam gesloten, zo lezen we in de Schrift (komen we op terug). Zowel de positie van Adam, als de positie van Israël t.o.v. de Heere waren hetzelfde. Wat was de opdracht ook alweer, die Adam van de Heere had gekregen?

  • Weest vruchtbaar en wordt talrijk; vervult de aarde en onderwerpt haar, en heerst.........over de vissen der zee en over het gevogelte des hemels en over al het gedierte, dat op de aarde kruipt.!” (Gen 1:28).

Dit kon Adam uitsluitend door in volledige afhankelijkheid en toewijding en gehoorzaamheid aan de Heere uitvoeren. Hierin is Adam een type van Christus. De Heere Jezus heeft door Zijn volledige afhankelijkheid en toewijding én gehoorzaamheid aan de Vader Zijn werk volbracht!

Maar tegelijk is Adam ook een type van Israël. Want zoals Israël in de toekomst gebruikt zal worden om onder Koningschap van Christus de aarde weer onder heerschappij van de Vader te brengen, totdat het zal zijn: “God alles in allen”, zo moest Adam onder leiding van de Heere de aarde weer onder heerschappij van de Vader brengen.

Tegelijk weten wij, die 6000 jaar later leven, dat door Adam duidelijk moest worden, dat er maar één dat belangrijke werk – wat gedaan moest worden – kon uitvoeren, en dat er geen mens is die tot enig goeds in staat is. Maar dat alleen Christus als de zondeloze mens dat werk kon voltooien. Alleen Hij, die zelf God was, kon zeggen: “Het is volbracht”.

Eigenlijk wordt vanaf de eerste mens duidelijk in het Woord, dat de mens in zijn zielijke staat niet in staat is gebleken om iets goeds voort te brengen.  

De hele Bijbel getuigd van het onvermogen van die zielijke mens. Er is niemand, die doet wat goed is, zelfs niet één!  

Vanaf den beginne wist God van de zwakheid van de mens. En vanaf den beginne wist God dat alleen Hijzelf – in de persoon van Christus – orde op zaken moest stellen. Maar God had wel de mens zijn eigen verantwoordelijk-heid gegeven om eigen keuzes te maken. En God had ook de mens Adam de mogelijkheden gegeven om zijn opdracht te vervullen. Maar de mens faalde.

 

Het Verbond van God met Adam 

God had zelfs een verbond met Adam gesloten. In Hosea lezen we:

  • "Want in liefde heb Ik behagen en niet in slachtoffer, in kennis van God en niet in brandoffers. Maar zij (Israël) hebben áls Adam het verbond overtreden; daar hebben zij Mij trouweloos bejegend.” (Hosea 6:6-7).  

Een verbond is iets totaal anders dan het opleggen van een gebod.

In Gen 2:15 krijgt Adam van de Heere een gebod: “Gij zult niet......” In het Hebreeuws vinden we daar het woord "ויצו" (=u-itzu). Dit is op verschillende manieren vertaald: o.a door: “Hij legde een gebod op” en “Hij bevool”, en Hij beval”.

In Hosea 6:7 lezen we over het verbond. Dat verbond kom van het Hebreeuwse ''ברית" (= b-rith). Een verbond zitten meestal afspraken en beloften in opgesloten.

Gebod = (=u-itzu)

Verbond = (= b-rith)

Bovenstaande twee worden geven duidelijk aan dat “gebod” en verbond” twee totaal verschillende woorden zijn. In deze dingen betreffende “het verbond” mag Adam een type van Israël worden genoemd. Dus Israël heeft God trouweloos bejegend, en als er staat: “Zij hebben áls Adam het verbond overtreden”, dan mogen we hieruit concluderen dat ook Adam God trouweloos heeft bejegend, en dat Adam aldus door trouweloosheid een verbond heeft overtreden.

Om een verbond te kunnen overtreden, moet er wel een verbond zijn. Adam wordt hier in Hosea vergeleken met Israël. Zoals Israël het verbond overtrad door trouweloosheid, zó heeft Adam door trouweloosheid ook zijn verbond met de Heere overtreden. Wat was er dan gebeurd?

Hoe had Israël het verbond met God overtreden? We weten dat de Heere Zijn verbond met Israël had opgericht. De Heere was Koning over zijn volk. Het volk Israël was steeds opstandig, en dwaalde steeds af, ondanks de indrukwekkende goddelijke zorg, die o.a. zichtbaar was in de wolkolom overdag, en de vuurkolom 's nachts.

Steeds dwaalde Israël van God af. Om het volk toch in de wegen des Heeren te leiden, werden Richteren gezonden in Israël. Maar uiteindelijk keek (zij zagen op het zichtbare) Israël teveel naar de omringende volkeren, die allemaal een koning hadden, en zij wilden ook zo'n zichtbare koning over zichzelf aanstellen.  

Eigenlijk was dat een slag in Gods aangezicht.  

Israël had de allerbeste en hoogste "Koning" die zich konden wensen, met daarbij de allerbeste regels, om in alle vrede en in alle overvloed in het land te wonen, maar het volk vond dat niet genoeg, ze beseften het in ieder geval niet, en wilden een andere, zichtbare koning.

De Heere God gaf hun daarin ook nog toe, en zo werd Saul hun eerste koning.

Tevens weten we hoe Israël door alle tijden onder de meeste koningen, en onder alle profeten de inzettingen van God negeerde, en als gevolg daarvan in “armoede” leefde. Met al deze dingen verwierpen zij Gods Verbond.

Dit is een voorbeeld van hoe Adam zijn verbond heeft overtreden, zo lazen we in Hosea 6:7.

Hoe heeft Adam dan het verbond met God overtreden? We lezen hier zo goed als niets over in de Schrift. Wat wel duidelijk wordt uit de Schrift, is

  • dat God geen andere goden naast Zich duldt,
  • Hij wil niet dat Israël andere goden dient,
  • Hij wil dat Israël Hem als hun Hoofd aanvaard,
  • Hij wil dat Het volk de relatie met Hem onderhoud.
  • Ditzelfde gold ook voor Adam.

Israël was door de Heere uit alle volken uitgekozen om Zijn volk te zijn, en uit dat volk zou de Messias geboren worden, en dat zou volk zou als een zendingsvolk optreden, en dat volk zal in de toekomst aan de spits der natieën staan, onder koninschap van Christus.

En dan zal de aarde weer onder de macht van Christus komen te staan.

Adam was door God uitgekozen om in Zijn dienst te staan. Adam was de uitverkoren mens om de aarde, die onder heerschappij van satan en zijn aanhang was, terug te brengen naar de heerschappij van God. Het moet haast wel zo zijn dat God over deze dingen een verbond had gesloten met Adam.

Adam had Gods gebod overtreden toen hij met Eva meeging in het eten van de verboden vrucht, maar dat is geen verbonds-breuk. Dat is de overtreding van een gebod. Er moet iets anders hebben plaats gevonden. Daarvoor moeten we kijken naar wat er in den beginne heeft plaatsgevonden, en ons proberen te verplaatsen in de wereld van toen.

In het geheel van Gods schepping had de mens Adam als persoon een heel speciale positie, en die mens Adam werd ook op een hele speciale plaats door God geplaatst, omdat God een speciaal doel voor ogen had met Adam.

God had Adam een vijfvoudige opdracht gegeven, zoals we eerder hebben gezien. Zou God Adam daarvoor geen richtlijnen hebben gegeven, zoals God altijd richtlijnen gaf aan Zijn dienstknechten en ook aan bijvoorbeeld Israël?

En, maar dat weten we niet, maar misschien is daaromtrent wel een verbond gesloten met Adam. Maar dat er verbond was, dat wordt duidelijk uit Hosea.

Maar we zullen zien, in het vervolg van deze bijbelstudie, waardoor Adam zijn doel miste.

 

Wat er verder gebeurde

Nu gaan we zien wat er verder gebeurde, toen Adam nog alleen was. Toen speelde zich nog iets af, iets wat ons vertelt waarom het eigenlijk mis ging.

In Gen 2:19-20 lezen we:

  • "En de HERE God formeerde uit de aardbodem al het gedierte des velds en al het gevogelte des hemels. Ook bracht Hij het tot de mens, om te zien hoe deze het noemen zou; en zoals de mens elk levend wezen noemen zou, zo zou het heten. En de mens gaf namen aan al het vee, aan het gevogelte des hemels en aan al het gedierte des velds, maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste. "

Wat gebeurde hier? Alle dieren die de Heere geschapen had, liet hij langs Adam (die toen nog alleen was) gaan, om te zien welke namen Adam aan die dieren zou geven. Heel bijzonder eigenlijk, want hierin zien we dat Adam een grote wijsheid bezat, om de dieren, die allemaal hun speciale karakter eigenschappen hadden, een zeer passende naam te geven. Ze waren allen naar hun eigen aard geschapen.

Adam zag de prachtigste dieren aan zich voorbijkomen. En het bijzondere was dat het allemaal paartjes waren, zowel mannetjes als vrouwtjes.

Waarschijnlijk verwonderde Adam zich daarover. Want hijzelf was alleen. Hij had geen gelijksoortig schepsel naast zich.  

Hij keek waarschijnlijk steeds uit naar de volgende, die hij een naam moest geven, om te zien of die bij hem paste, maar steeds vond hij er geen die op hem leek. Hijzocht werkelijk, wat er staat immers in Gen 2:20:

NBG: "Maar voor zichzelf vondhij geen hulp, die bij hem paste."

  • St. Vert: “Maar voor de mens vond hij geen hulp, die als tegen hem over ware.”
  • Dat Hebreeuwse woord voor “vinden” komt 25 keer voor in de grondtekst, en altijd is dat correct met “vinden”of “vond” vertaald. Als je iets niet kunt vinden, ben je wel aan het zoeken. Dat “vinden” en “zoeken” is onlosmakelijk met elkaar verbonden. Een prachtige tekst die duidelijk maakt hoe we dat “vinden” moeten lezen, en dat vinden onlosmakelijk aan “zoeken” vast zit, staat in

Gen 31:33-35:

  • 33 Toen kwam Laban in de tent van Jakob en in de tent van Lea en in de tent der beide slavinnen, maar hij vond ze niet (die gestolen terafim's, de afgoden, die Rachel van haar vader had gestolen). Nadat hij (Laban) uit de tent van Lea gegaan was, kwam hij in de tent van Rachel. 34 Rachel nu had de terafim genomen en in het kameelzadel gelegd, en was daarop gaan zitten. En Laban doorzocht de gehele tent, maar vond ze niet. 35 En zij zeide tot haar vader: Mijn heer worde niet toornig, omdat ik voor u niet kan opstaan, want het gaat mij naar de wijze der vrouwen. En hij zocht nauwkeurig, maar vond de terafim niet.”

We mogen aannemen dat Adam in de hof ook al steeds de dieren in paartjes bij elkaar zag, en steeds heeft hij zich daar waarschijnlijk al over verwonderd, en zich afgevraagd, waarom hij alleen was, en geen soortgenoot naast zich had.

Niet beseffende dat hij reeds een relatie had met zijn "Soortgenoot", want hij was immers geschapen naar het beeld én de gelijkenis van Christus!

Adam kreeg (net als Israël) een verlangen naar iets anders dat bij hem zou passen, toen hij de dieren voorbij zag gaan als mannelijk en vrouwelijk.

Hij zocht iets voor zichzelf, iets om een relatie mee aan te gaan, iets wat ook hij naast zich zou hebben, terwijl hij nota bene de Allermooiste en de Allergrootste relatie naast zich had, namelijk de Heere God zelf, in de gestalte van Christus. Daarom was Adam niet alleen in de Hof!

Alleen, Adam keek de verkeerde kant op!

In Johannes 10:30 staat: “Ik en de Vader zijn één.” Dat was eigenlijk een beetje de situatie in den beginne ook van Adam, die nog zonder zonde was. Hij was geschapen naar het beeld en de gelijkenis van God, van Christus. En God had Adam eigenlijk dezelfde opdracht gegeven als Christus later. Ook Adam had een zeer nauwe relatie met God. Hij wandelde met God in die hof. En vanuit die hof moest Adam de aarde terug brengen onder heerschappij van God.

Deel 12 volgt DV

Bert Boersma, juni 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

De Zonde van de mens (deel 12)

 

De vorige keer zijn we geëindigd met het feit dat Adam in de hof een zeer nauwe relatie had met God. Hij wandelde met God in die hof. En vanuit die hof moest Adam de aarde terug brengen onder heerschappij van God.

 

Maar God, (God openbaarde Zichzelf heel vaak als Christus in het Oude testament), was in Adam's ogen niet zo tastbaar en lijfelijk aanwezig als wat Adam zag bij de relatie bij de dieren. Wanneer Adam in de hof sprak met God, zal hij zijn verlangen misschien wel aan God kenbaar hebben gemaakt. Adam was geschapen met een vrije wil. God dwong hem niet om alleen bij God zijn heil te zoeken. Adam kon kiezen. En Adam koos!

Hij zocht een vleselijke zielijke soortgenoot om mee te leven.

Hij zocht iets tastbaars en zichtbaars om bij zich te hebben. Ziet u de vergelijking met de aardse koning, die Israël zich verkoos boven de Heere?

Adam zocht horizontaal naar een relatie, terwijl hij verticaal moest zien, en dan alleen kon hij de relatie zien in Christus! Waar hij zelfs op leek!

 

En net zoals Israël haar zin kreeg, kreeg ook Adam zijn zin. De Heere formeer-de uit Adam een vrouw voor hem. Hiermee was de eenheid verdwenen, die er voorheen wel was in Adam's relatie met Christus.

Eigenlijk had Adam door zijn keuze voor een vrouw zich van God verwijderd, want hij zei daardoor in feite dat de relatie met God in Christus eigenlijk niet voldoende was. Adam werd door de zienlijke dingen verleid, en die verleiding kwam voort uit "de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte".

 

In Jak 1:13-15 lezen we:

  • "Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort."

 

In dit verband lezen we ook 1 Kor 1:13, waar ook verdeeldheid was: "Ik ben van Paulus! En ík van Apollos! En ík van Kefas! En ík van Christus! Is Christus gedeeld?" Christus was niet gedeeld, maar Hij was één in God de Vader.Als type van Christus wás Adam ook niet gedeeld,maar hij was één in God de Vader. Hij was de zoon van God, zo zegt Gods Woord!

 

Dat Adam de “zoon van God” was, lezen we namelijk in Lukas 3, waar we een geslachtsregister vinden van Jozef, de man van Maria. En op het einde in vers 38 lezen we:

  • de zoon van Enos, de zoon van Set, de zoon van Adam, de zoon van God.”

 

Maar door Adam's zoektocht naar een soortgenoot werd hij wél gedeeld, en kwam er een breuk in de relatie met zijn Soortgenoot. Adam is daardoor uitgevallen op de weg die hij gaan moest, een weg waarop hij anderen tot zegen had kunnen zijn. Hij heeft een val gemaakt uit de eenheid in Christus, zoals hij door God gemaakt was. Door die val is hij uiteindelijk, toen hij het gebod overtrad, en de zonde toegerekend kon worden, van levende ziel tot stervende man geworden.

 

"Ik zal hem een hulpe maken"

 

Het is in dit verband wel opvallend dat we lezen in Gen 2:18:

  • "En de HERE God zeide: Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past."

 

In Gen 1:31 lezen we, nadat God de Mens had gemaakt:

  • En God zag alles wat Hij gemaakt had, en zie, het was zeer goed.”

 

En hier in Gen 2:18 lezen we: “Het is niet goed......” Wat was er inmiddels veranderd? Met alle respect, had God de mens dan niet goed gemaakt?

Zeer zeker wel! God had de mens gemaakt als een zelfstandig wezen, die zelf zijn beslissingen en keuzes kon maken. Maar het ging om de gezindheid van Adam!

Adam was “zeer goed” gemaakt door God, en de reden dat God zei: “Het is niet goed dat de mens alleen zij”, moet dan wel gelegen zijn in een verandering van de gezindheid van Adam.

We zouden denken dat de Heere dan ook direct Adam zijn hulpe geeft, maar de Heere geeft Adam eerst nog een opdracht. Hij plaatst Adam midden tussen de dieren, en door de gezindheid van Adam wordt dat één grote "verleiding", één grote beproeving. Hierbij moeten we goed bedenken dat God géén verleiding geeft, maar dat ook hier de gezindheid van Adam aan het licht moest komen.

 

Adam moest al die stelletjes dieren aanschouwen en namen geven. Was dit Adams zoveelste beproeving? Wilde God hem voor de laatste keer nog een kans geven, om Adam's gezindheid te testen?

En wanneer Adam tot het einde toe blijft volharden in het zoeken naar een "soortgenoot", krijgt hij van God datgene waar hij naar verlangde.

God zag hoe Adam in de hof dienstbaar was, en Hij zag dat de mens Adam naar iets verlangde dat, zo meende hij, hem nog ontbrak, maar God liet het initiatief en de keuze over aan die mens zelf. Misschien had God wel gezien dat Adam vaak in gedachten naar de dieren staarde, en wist God dat Adam tussen de werkzaamheden door op zoek was naar een "hulpe" voor hemzelf.

Zag God dat de mensAdam zich liet afleiden door wat hij zag, door wat voor ogen was?

 

Zag God dat Adam zich liet afleiden van zijn door God gegeven opdracht om te heersen, en de aarde weer onder heerschappij van God te brengen, en aldus door zijn zoeken niet goed functioneerde voor die opdracht? En daarom gaf God Adam zijn "hulpe". Omdat: Adam zag wat voor ogen is!

Dáárom lezen we:

  • "Het is niet goed, dat de mens alleen zij. Ik zal hem een hulp maken, die bij hem past."

 

In de laatste opdracht van God, om alle dieren hun naam te geven, kwam Adam's gezindheid duidelijk aan het licht. God bracht alle dieren tot de mens, om te zien welke namen Adam de dieren zou geven. Ziet u Adam bezig alle dieren hun naam te geven? Ziet u Adam al uitzien naar de volgende soort, die misschien op hem lijkt?

 

De teleurstelling van Adam kwam tot een climax, toen alle dieren voorbij waren gekomen. Tussen de regels door lezen we eigenlijk een verzuchting: Zijn "soort" was er niet bij! God zag ook Adam's teleurstelling. God zag Adam zoekende. Dit mogen we stellen op grond van de tekst "maar voor zichzelf vond hij geen hulp, die bij hem paste." (Gen 2:20).

 

Dán (pas) geeft de Heere Adam zijn zin:

  • "Toen deed de HERE God een diepe slaap op de mens vallen; en terwijl deze sliep, nam Hij een van zijn ribben en sloot haar plaats toe met vlees. En de HERE God bouwde de rib, die Hij uit de mens genomen had, tot een vrouw, en Hij bracht haar tot de mens. (Gen 2:21-22).

 

Ik geloof dat God niet zomaar Adam terwille was, net zoals God niet direct Israël ter wille was om hen een koning te geven. Adam heeft zeker menige beproeving moeten doorstaan alvorens God aan Adam zijn hulpe gaf. Maar om-dat Adam volhardde in zijn zoektocht, was de Heere hem uiteindelijk terwille. Net zoals Israël bleef roepen om een koning, kregen ze hem uiteindelijk.

 

Adam vond voor zichzelf geen hulpe”. Het woord "vinden" heeft in de Schrift twee betekenissen. Het kan betekenen dat men graag iets wil terug krijgen, wat men mist of verloren is. Dan is er de tweede betekenis, dat men iets begeert!

Iets begeren kan wel goed zijn, in die zin als men bijvoorbeeld rust begeert te vinden. Maar Adam's begeren was een begeren van God af.

Het was daarom een onzuivere begeerte.

 

Wanneer Adam uit zijn diepe slaap ontwaakt, is hij blij verrast.

In de NBG lezen we: "Toen zeide de mens: Dit is nu eindelijk been van mijn gebeente en vlees van mijn vlees."

En de St Vert zegt: "Toen zeide Adam: Deze is ditmaalbeen van mijn benen, en vlees van mijn vlees! (Gen 2:23).

 

Beide vertalingen zijn goed. De woorden “nu eindelijk” en “ditmaal” zijn afkomstig van het Hebreeuwse woord “הפעם" (= e-phom), wat 13 keer voorkomt in het O.T. En het wordt vertaald met: 7x “ditmaal”, en 2x éénmaal”,

en 3x “nu eindelijk”, en 1x “nu”.

 

In dit geval zien we dat vertalingen elkaar soms aanvullen. Na zoveel zoeken had Adam "ditmaal" eindelijk de passende partner naast hem, zo dacht hij.

En als laatste van alle namen mocht hij zijn door God gegeven vrouw haar naam geven: "Deze zal „mannin” heten, omdat zij uit de man genomen is." (Gen 2:15-23).

 

Echter, door die gezindheid was Adam's positie en relatie ten opzichte van God wel veranderd. Zo God eerst alle aandacht van Adam kreeg, ging nu alle aandacht uit naar zijn pas verworven vrouw. Hoe menselijk allemaal.

Wat we ons kunnen afvragen, was het nou verkeerd van Adam om te verlangen naar een "hulpe" naast hem? Of nog sterker gezegd, was het zonde van Adamom dat verlangen te hebben?

Of anders gesteld: Miste Adam zijn doel door dat verlangen te hebben?

Adam zocht naar een aardse relatie, terwijl hij een hemelse relatie had.

We gaan proberen te ontdekken of er werkelijk een relatie bestond tussen Adam en de Heere in de hof.

 

Het geluid van de Heere

 

Wij vinden waarschijnlijk Adam's verlangen naar een hulpe een logische gedachtengang. Hij was toch immers alleen? Nee, dat is nu juist waar het om gaat, hij was nietalleen in de hof. Om te zien of Adam alleen was, gaan we eerst eens kijken naar wat er gebeurde nadat Adam en Eva van de boom hadden gegeten: Gen 3:8-10:

  • "8 Toen zij het geluid van de HERE God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de HERE God tussen het geboomte in de hof. En de HERE God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? En hij zeide: Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij." (Gen 3:8-10).

 

In de King James vertaling staat:

  • “And they heard the voice (= de stem) of the LORD God walking in the garden in the cool of the day: and Adam and his wife hid themselves from the presence of the LORD God amongst the trees of the garden.”

 

Het Hebreeuwse woord “het geluid” is קול = gul. Dat komt 163 keer voor in het O.T., en is ook vertaald met “de stem”, “geruis”, “het suizen”, het geroep, : geluiden”, “geroep”, “het geklank” enz.

 

En Adam zeide: Gen 3:8: “Toen ik uw geluid in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij.”

 

We lezen meer over “het geluid” van de Heere in 1 Kon 19:10-13: gaat over Elia, en hier vinden hetzelfde Hebreeuwse woord:

  • Ik heb zeer geijverd voor de HERE, de God der heerscharen, want de Israëlieten hebben uw verbond verlaten, uw altaren omvergehaald en uw profeten met het zwaard gedood, zodat ik alleen ben overgebleven, en zij trachten mij het leven te benemen. Daarop zeide Hij: 11 Treed naar buiten en ga op de berg staan voor het aangezicht des HEREN. En zie, toen de HERE juist zou voorbijgaan, was er een geweldige en sterke wind, die bergen verscheurde en rotsen verbrijzelde, die voor de HERE uitging. In de wind was de HERE niet. En na de wind een aardbeving. In de aardbeving was de HERE niet. 12 En na de aardbeving een vuur. In het vuur was de HERE niet. En na het vuur het suizen קול (hetzelfde woord als bij Adam) van een zachte koelte. 13 Zodra Elia dit hoorde, omwond hij zijn gelaat met zijn mantel, ging naar buiten en bleef in de ingang van de spelonk staan.” (1 Kon 19:10-13).

 

Het is wel bijzonder dat Elia niet reageerde op de sterke wind, en ook niet op de aardbeving, en ook niet op het vuur, maar toen Elia het “suizen van een zachte koelte” hoorde, toen regaarde Elia wel. (dit “zachte koelte” kan beter vertaald worden met “zachte stem”). Hij wist dat dit de Heere was. Hoe wist Elia dat? Dit geluid was van alle vier tekenen het zachtste en minst indrukwekkende, en toch wist Elia dat in het suizen van die zachte koelte (beter vertaald: in het geluid van die zachte stem) de Heere aanwezig was. Omdat Elia vaker met de Heere gesproken had, herkende Elia het “geluid”, de “zachte stem” van de Heere.

 

In Hand 2 komen we ook een tekst tegen waar hierover gesproken wordt:

  • En toen de Pinksterdag aanbrak, waren allen tezamen bijeen. 2 En eensklaps kwam er uit de hemel een geluid als van een geweldige windvlaag en vulde het gehele huis, waar zij gezeten waren.” (Hand 2:1-2)

 

Dit is een hele rare vertaling in Hand 2. In Hand 17:25 is hetzelfde Griekse woord “pnoe” vertaald met “adem die God geeft”, en wat in Hand 2 met “een geweldige wind, of windvlaag” is vertaald.

 

Ik heb het vergeleken in de Septugintha – de Griekse vertaling van het Oude Testament – en daar vinden we vergelijkbare woorden, en dan vallen Gen 3:10, en 1 Kon 10:12 en Hand 2:2 en Hand 17:25 ineen, het gaat over hetzelfde, over het geluid van de Heere, wat in Handelingen door de gebruikte Griekse woorden sterk aanwezig was.

 

Nog een prachtig voorbeeld over “de stem” van de Heere lezen we in

1 Sam 3:4-10:

  • Toen riep de Here Samuël, en hij zeide: Hier ben ik. 5 Toen snelde hij naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Doch deze zeide: Ik heb niet geroepen, leg u weer neer. Toen ging hij heen en legde zich weer neer. 6 En de Here riep Samuël opnieuw. Toen stond Samuël op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Doch deze zeide: Ik heb niet geroepen, mijn zoon; leg u weer neer. 7 Samuël nu kende de Here nog niet; nog nooit was hem een woord des Heren geopenbaard. 8 En de Here riep Samuël nog eens, voor de derde maal. Toen stond hij op, ging naar Eli en zeide: Hier ben ik, gij hebt mij immers geroepen. Toen begreep Eli, dat de Here de jongen riep. 9 Daarom zeide Eli tot Samuël: Ga heen, leg u weer neer, en als Hij u roept, zeg dan: spreek Here, want uw knecht hoort. En Samuël ging heen en legde zich weer op zijn plaats neer. 10 Toen kwam de Here, bleef daar staan en riep als de vorige keren: Samuël, Samuël! En Samuël zeide: Spreek, want uw knecht hoort.”

 

Samuël had dit nog nooit meegemaakt. Hij kende de stem van de Heere nog niet. Het staat er ook zo mooi omschreven “dat Samuël de stem van de Heere nog niet herkende, want er was hem nog nooit een woord van de Heere geopenbaard”. Maar vanaf die tijd heeft Samuël vast en zeker de stem van de Heere herkend, wanneer Die tot hem sprak.

 

Toen Adam nog alleen was, was het blijkbaar gebruikelijk in de Hof van Eden dat de Heere (Christus) zeer nauwe omgang had met Adam. We lazen dat Adam het geluid van de HEERE God hoorde, die in de hof wandelde in de avondkoelte. Waarschijnlijk (eigenlijk wel zeker) was dat veel vaker gebeurd, anders zou er geen herkenning zijn geweest van het geluid, van “de stem” van de Heere in de hof. Dat moet wel een heel herkenbaar speciaal geluid zijn geweest.

 

Er is zeker door de Heere God ook heel wat besproken met Adam in de Hof, aangaande de bedoeling van God met de wereld en Adams taak in die wereld, want wanneer de mens zo'n opdracht van de Heere krijgt dan valt er wel wat te bespreken. En wanneer we nu weten, dat de Heere ook een verbond met Adam had gesloten, dan is de inhoud van zo'n verbond ook besproken. Wij weten daar niets van, en dat was blijkbaar ook niet nodig.

Dit alles laat wel zien, dat Adam niet alleen was in de hof. Hij had in de Hof de allerbeste Relatie die maar denkbaar was. En toch koos Adam voor een andere relatie, en daardoor miste Adam zijn doel om de door God gegeven opdracht uit te kunnen voeren.

Dus Adam was niet alleen, dat moeten we goed voor ogen houden. Maar er is meer wat met dit onderwerp te maken heeft.

 

Daarover de volgende keer DV in deel 13

 

 

De Zonde van de mens (deel 13)

De zonde door één mens

In Rom 5:18 lezen we:

  • "Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. 19 Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van één zeer velen rechtvaardigen worden." (Rom 5:18-19).

De ongehoorzaamheid van één (let wel, er staat één, niet twee in Rom 5:19) bracht scheiding, en de gehoorzaamheid van Eén bracht herstel. Maar wanneer er staat “van één”, dan moeten we onderzoeken, wie die éne was.

Door één mens is de zonde de wereld binnengekomen, zo lezen we in Rom 5:12. Maar volgens Gen 3 is niet door één mens, maar door twee de zonde in de wereld gekomen. Eva zag dat de boom goed was om van te eten, en zij at, en zij gaf ook haar man, en hij at ook. (Gen 3:6).

  • En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at.”

Wanneer we dit zo lezen, dan waren daar twee mensen. Maar satan sprak de vrouw aan. We horen hier niets van Adam. De vrouw was het die verleid werd door de satan, zij liet zich overhalen door de leugen van de satan. En de vrouw beging die overtreding. In 1 Tim 2:14 staat duidelijk dat de vrouw in de overtreding is gevallen:

  • En Adam heeft zich niet laten verleiden, maar de vrouw is door de verleiding in overtreding gevallen.”.

Nietemin maakt Paulus in Rom 5 (gaan we direct lezen) niet de tegenstelling Eva - Christus, maar Adam - Christus. Dit probeert men wel uit te leggen door te zeggen dat het gezag, het hoofdschap en de verantwoordelijkheid niet bij Eva, maar bij Adam lag, dus dat hij alleen de zonde in de wereld kon toelaten, maar dat is slechts een veronderstelling, en dat is niet in staat het besliste "één" te verklaren, wat steeds op Adam wijst.

Dit "één" komt niet minder dan negen keer voor in Romeinen 5: Door één mens kwam de zonde. We gaan nu samen een gedeelte uit Romeinen 5 lezen, en dan wil ik u vragen om het te lezen zonder een vooringenomen standpunt.

Want ik denk, wanneer we die tekst lezen, dan denken we onwillekeurig aan die éne overtreding, aan het eten van die verboden vrucht. Maar de vraag is of dat zo is. In de tekst uit Romeinen 5 staat steeds dat die “ene overtreding”, “door één”, of door “die éne” werd gedaan. Kun je met met die éne overtreding van “die éne” dat eten van die verboden vrucht bedoelen?

Want die overtreding van die verboden vrucht gebeurde door twee personen.

We lezen in deze tekst zes keer over die éne mens, waardoor de zonde in de wereld is gekomen. De vraag die zich voordoet is deze:

  • Wat is die ene daad van overtreding die door één werd gedaan?”

Steeds zien we de vergelijking “Adam – Christus”. Geen spoor van Eva. Terwijl Eva een hoofdrol speelde in de geschiedenis van het eten van de verboden vrucht. Zij was toen in die overtreding gevallen, zo lazen we in 1 Tim 2:14.

Nu gaan we Rom 5 lezen:

Rom 5:12-19:

  • 12 Daarom, gelijk door één mens de zonde (is doelmissing) de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben; 13 want reeds vóór de wet was er zonde in de wereld. Maar zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is. 14 Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende. 15 Maar het is met de genadegave niet zo als met de overtreding (S. V. “misdaad”), want, indien door de overtreding (= misdaad) van die ene zeer velen gestorven zijn, veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene Mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden. 16 En het is met het geschenk niet zo als door het zondigen van één; want het oordeel leidde van één overtreding (= misdaad) tot veroordeling, maar de genadegave van vele overtredingen (misdaden) tot rechtvaardiging. 17 Want, indien door de overtreding (misdaad) van de ene de dood als koning is gaan heersen door die ene, veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de Ene, Jezus Christus. 18 Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding (één misdaad) voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven. 19 Want, gelijk door de ongehoorzaamheid van één mens zeer velen zondaren geworden zijn, zo zullen ook door de gehoorzaamheid van Eén zeer velen rechtvaardigen worden.”

In Rom 5:14 lazen we:

  • Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende. 

In Rom 5 is steeds sprake van die éne mens, Adam. En wanneer we dan lezen, dat Adam een beeld is van de Komende, dan staat in Rom 5 steeds Adam tegenover Christus. Steeds zien hierde ongehoorzaamheid van één tegenover de gehoorzaamheid van Eén 

 

Rom 5

Adam

Christus

Vers 15:

Door de overtreding van die ene zijn zeer velen gestorven zijn.

Veel meer is de genade Gods en de gave, bestaande in de genade van de ene Mens, Jezus Christus, voor zeer velen overvloedig geworden.

Vers 16:

Want het oordeel leidde van één overtreding tot veroordeling.

Maar de genadegave (Christus) van vele overtredingen tot rechtvaardiging.

Vers 17:

Want door de overtreding van de ene is de dood als koning gaan heersen door die ene.

Veel meer zullen zij, die de overvloed van genade en van de gave der gerechtigheid ontvangen, leven en als koningen heersen door de Ene, Jezus Christus.

Vers 18:

Gelijk het door één daad van overtreding (door die ene) voor alle mensen tot veroordeling is gekomen.

Zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven.

Vers 19:

Door de ongehoorzaamheid van één mens zijn zeer velen zondaren geworden.

Door de gehoorzaamheid van Eén zullen zeer velen rechtvaardigen worden.

 

Bovendien hebben gelezen in vers 13:

  • Zonde wordt niet toegerekend als er geen wet is.”

Dus zonder wet, zonder het gebod, gij zult niet....wordt zonde niet toegerekend. Dus dan kon de zonde, die Adam eerder had gedaan, door te kiezen voor een vleselijke relatie, hem pas toegerekend worden na het eten van die verboden vrucht.

Romeinen 4:15: “De wet immers bewerkt toorn; waar echter geen wet is, is ook geen overtreding.”

Hieronder de negen keer waar “die ene mens” in Rom 5 voorkomt:

  • vers 12, 16, door één mens kwam de zonde in
  • vers 12, 17, 18, er was de misdaad van één
  • vers 19, één was ongehoorzaam
  • vers 15, door Eén komt de genade
  • vers 17, door Eén komt de overvloed der genade
  • vers 19, door Eén worden de velen tot rechtvaardigen gesteld

Het Woord zegt: Door één mens is de zonde in de wereld ingekomen.Niet door twee. Zonde is een doelmissing. Kon Adam het door God gestelde doel, die vijfvoudige opdracht nog waarmaken, toen hij zich als het ware van God had vervreemd? Miste Adam toen zijn doel? Het antwoord kan niet anders dan een “ja” zijn. Dan was dat de zonde van Adam. Toen hij een vleselijke horizontale relatie belangrijker achtte dan de geestelijke verticale relatie met Christus, miste Adam zijn doel.

Bovendien laat Gen 3 een (wets) overtreding van een gebod van twee mensen zien. We hebben gelezen dat Rom 5:12-19 handelt over de overtreding van één mens. Wanneer we nu uit het Woord mogen constateren, dat in Gen 3 het eten van de verboden vrucht (dus die overtreding) TWEE mensen betreft, en wanneer we daarnaast in Rom 5 lezen over de misdaad van EEN, en dat er EEN ongehoorzaam was, gaat dat dan over hetzelfde feit? Of betreft dat twee verschillende dingen?

Het is in dit verband wel bijzonder dat op het eind van Gen 3:6 staat:

  • En zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at.”

Broeders en zusters, Adam was bij haar. Je zou bijna zeggen: Hij stond erbij en keek ernaar. Want in de grondtekst vinden we in Gen 3:6 het woord עמה = “om-e”, wat verder in 34 teksten voorkomt, en het is steeds vertaald met: bij haar – in de nabijheid – samen oplopen – tezamen – gemeenschap hebbende met haar.

Dus ik kan niet anders, dan op grond van de Bijbel tot de conclusie komen dat het over twee verschillende gebeurtenissen gaat:

  1. Gen 3: De verleiding van Eva en het meedoen van Adam (betreft twee mensen).
  2. Rom 5: De misdaad van één. (betreft één mens Adam, die het verbond trouweloos heeft overtreden. (Hosea 6).

Is dat misschien de verborgenheid waarover Rom 16 spreekt? (komen we nog op terug).

Alle zonde heeft een bron, waaruit ze opwelt. Ook de zonde (het horizontale zoeken = zoeken van God af) van Adam, en ook de verleiding van Eva door de satan. Die bron geeft Jacobus 1: 14-15 aan:

We beginnen te lezen in vers 12: 

  • 12 Zalig is de man, die in verzoeking volhardt, want, wanneer hij de proef heeft doorstaan, zal hij de kroon des levens ontvangen, (geldt ook in de Handelingen periode voor de gemeente van eerstgeborenen), die Hij beloofd heeft aan wie Hem liefhebben. 13 Laat niemand, als hij verzocht wordt, zeggen: Ik word van Godswege verzocht. Want God kan door het kwade niet verzocht worden en Hijzelf brengt ook niemand in verzoeking. 14 Maar zo vaak iemand verzocht wordt, komt dit voort uit de zuiging en verlokking zijner eigen begeerte. 15 Daarna, als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort.

Dus de bron van zonde is de begeerte. Dit is een vijfvoudig proces:

  • het afgetrokken worden
  • het verlokt worden
  • het ontvangen der begeerte
  • het baren der zonde
  • het voeren tot de dood. 

Er staat trouwens nog een mooie tekst hierover in Romeinen 13:14:

  • 11 Gij verstaat immers de tijd wel, dat het thans voor u de ure is om uit de slaap te ontwaken. Want het heil is ons nu meer nabij, dan toen wij tot het geloof kwamen. 12 De nacht is ver gevorderd, de dag is nabij. Laten wij dan de werken der duisternis afleggen en aandoen de wapenen des lichts! 13 Laten wij, als bij lichte dag, eerbaar wandelen, niet in brasserijen en drinkgelagen, niet in wellust en losbandigheid, niet in twist en nijd! 14 Maar doet de Here Jezus Christus aan en wijdt geen zorg aan het vlees, zodat begeerten worden opgewekt.”

Dus hoe worden begeerten opgewekt? Door zorg te besteden aan het vlees, door op het vlees te zien! Door horizontaal te zien! Door te zien op wat voor ogen is!

De volgende keer gaan we hier mee verder.

Deel 14 volgt DV.

Bert Boersma

 

 

 

De Zonde van de mens (deel 14)

 

Nogmaals: Wat was de zonde van Adam?

 

Om deze vraag te beantwoorden moeten we goed beseffen dat God Adam in de hof had geplaatst om die als een dienstknecht met daarvoor door God gestelde regels te bewerken en te bewaren en te heersen. We hebben gezien dat deze taak vooral een bewakende en heersende taak was. Waarvoor moest Adam de hof bewaken?

 

De satan en zijn trawanten hadden nog steeds invloed op aarde. Adam moest als een van God gezondene, als een soort verlosser op deze aarde optreden, om in eerste instantie de hof, en als dat alles goed ging, misschien in latere instantie wel de gehele aarde in gehoorzaamheid aan God bewaren. Als het ware als een wachter.

 

Net zoals Ezechiël door God tot wachter over het huis Israël was aangesteld (Ez 3:17), was Adam over de hof als wachter aangesteld. De hof wordt ook wel het paradijs genoemd, maar buiten de hof zal het hoogstwaarschijnlijk geen paradijs zijn geweest, gezien de invloed van satan en de zijnen op de aarde.

 

Adam was daarom als een soort "verlosser" (nog zonder zonde – type van Christus) aangesteld om de hof, en vanuit de hof de aarde weer terug te brengen tot de gehoorzaamheid aan God. Net zoals Christus in de toekomst vanuit een hof (Israël) de aarde tot gehoorzaamheid zal brengen.

 

Dit kon dan uitsluitend gebeuren door een zeer nauwe relatie van Adam met God. In deze relatie was God zijn Leider, zijn Hoofd, zijn Opvoeder, die hem inwijdde in al de wijsheid, die nodig was om in die dienst recht te staan.

 

En daarbij moeten we goed bedenken: Nog nooit in heel het Woord heeft God een diensknecht van Hem zonder “gereedschap” een opdracht gegeven.

 

Om die dienst, die vijfvoudige grote opdracht naar behoren te kunnen uitvoeren, voor de volle 100% goed uit te kunnen voeren, was het voor Adam ook noodzakelijk om voor 100% op God gericht te zijn.

 

Daarbij had hij de beste relatie die maar denkbaar was, namelijk de leiding van die Ene, die op Adam leek, namelijk Christus!Daarbij paste geen andere relatie.

 

Broeders en zusters, in dit opzicht heeft Adam dus zijn doel gemist, en uit de Schrift weten we dat "het doel missen" gelijk is als "zonde doen".

 

Miste Adam zijn doel toen hij van de verboden vracht at? Of miste Adam zijn doel toen hij niet meer in staat was zijn door God gegeven opdracht te vervullen?

 

Dan nogmaals de vraag: Was het zonde van Adam om dat verlangen te hebben? Of anders gezegd: Miste Adam zijn doel toen hij zocht om een hulpe naast zich, of anders gezegd, toen Adam geen hulpe vond voor hemzelf?

 

Adam is geschapen naar Gods Beeld. Dit Beeld is Hij, die later als Christus is verschenen (2 Kor 4:4). Innerlijk kreeg hij een begaafdheid, die hem boven het dier verhief, en hij had verstand en wil. Adam werd door God geformeerd buiten de hof (Gen 2:8), en later werd hij in de hof geplaatst. Daar in de hof is er een ogenblik gekomen waarop hij door eigen toedoen, afgetrokken werd van de Heere. Hij beschouwde de bezoeken van de Here en de relatie met de Heere niet meer als het hoogste goed, hij verstopte zichzelf immers voor de Heere. Het aardse lokte hem, en er kwam een zekere begeerte in hem op. Deze begeerte was de horizontale relatie naar een ander zielijk wezen. Maar Adam's begeren was een begeren van God af. En daarom miste Adam zijn doel. Het was daarom een onzuivere begeerte.

 

Onder invloed der Zinnen  

Dat de eerste twee mensen, Adam en Eva, reeds “gevallen” waren vóór het eten van de boom van kennis van goed en kwaad, blijkt vervolgens ook uit de gezindheid van Eva. (en ook van Adam, die erbij staat).

En moet u eens opletten wat er gebeurt, wanneer de door Adam gezochte Eva ten tonele verschijnt. Eva is nog maar amper door de Heere uit Adam gemaakt, of de satan ziet zijn kans schoon, en slaat toe:

Gen 3:1-19:

  • "De slang nu was het listigste van alle dieren des velds, die de Here God gemaakt had; en zij zeide tot de vrouw: God heeft zeker wel gezegd: Gij zult niet eten van enige boom in de hof? 2 Toen zeide de vrouw tot de slang: Van de vrucht van het geboomte in de hof mogen wij eten, 3 maar van de vrucht van de boom, die in het midden van de hof staat, heeft God gezegd: Gij zult daarvan niet eten noch die aanraken; (het cursieve gedeelte voegde Eva aan Gods Woord toe); anders zult gij sterven. 4 De slang echter zeide tot de vrouw: Gij zult geenszins sterven (= leugen), 5 maar God weet, dat ten dage, dat gij daarvan eet, uw ogen geopend zullen worden, en gij als God zult zijn, kennende goed en kwaad (dit laatste was waar, maar satan vermengd waarheid met leugen). 6 En de vrouw zag, dat de boom goed was om van te eten, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, dat de boom begeerlijk was om daardoor verstandig te worden, en zij nam van zijn vrucht en at, en zij gaf ook haar man, die bij haar was, en hij at. 7 Toen werden hun beider ogen geopend, en zij bemerkten, dat zij naakt waren; zij hechtten vijgebladeren aaneen en maakten zich schorten. 8 Toen zij (ze hoorden beiden de stem van God) het geluid van de Here God hoorden, die in de hof wandelde in de avondkoelte, verborgen de mens en zijn vrouw zich voor de Here God tussen het geboomte in de hof. 9 En de Here God riep de mens tot Zich en zeide tot hem: Waar zijt gij? 10 En hij zeide: Toen ik uw geluid (stem) in de hof hoorde, werd ik bevreesd, want ik ben naakt; daarom verborg ik mij. 11 En Hij zeide: Wie heeft u te kennen gegeven, dat gij naakt zijt? Hebt gij van de boom gegeten, waarvan Ik u verboden had te eten? 12 Toen zeide de mens: De vrouw, die Gij aan mijn zijde gesteld hebt, die heeft mij van de boom gegeven en toen heb ik gegeten. 13 Daarop zeide de Here God tot de vrouw: Wat hebt gij daar gedaan? En de vrouw zeide: De slang heeft mij verleid en toen heb ik gegeten. 14 [vervolgens zien we de drie personen tot wie de Heere spreekt:] [Als eerste de slang:] 14 Daarop zeide de Here God tot de slang: Omdat gij dit gedaan hebt, zijt gij vervloekt onder al het vee en onder al het gedierte des velds; op uw buik zult gij gaan en stof zult gij eten, zolang gij leeft. 15 En Ik zal vijandschap zetten tussen u en de vrouw, en tussen uw zaad en haar zaad; dit zal u de kop vermorzelen en gij zult het de hiel vermorzelen. [Als tweede de vrouw:]16 Tot de vrouw zeide Hij: Ik zal zeer vermeerderen de moeite uwer zwangerschap; met smart zult gij kinderen baren en naar uw man zal uw begeerte uitgaan, en hij zal over u heersen. [En als derde Adam:]17 En tot de mens zeide Hij: Omdat gij naar uw vrouw hebt geluisterd en van de boom gegeten, waarvan Ik u geboden had: Gij zult daarvan niet eten, is de aardbodem om uwentwil vervloekt; al zwoegende zult gij daarvan eten zolang gij leeft, 18 en doornen en distelen zal hij u voortbrengen, en gij zult het gewas des velds eten; 19 in het zweet uws aanschijns zult gij brood eten, totdat gij tot de aardbodem wederkeert, omdat gij daaruit genomen zijt; want stof zijt gij en tot stof zult gij wederkeren.”

De satan sprak Eva aan, en het wordt heel duidelijk dat Eva reeds vóór het eten van de verboden vrucht onder de invloed der zinnen stond, want we lezen:

  • St. Vert.: “En de vrouw zag, dat die boom goed was tot spijze, en dat hij een lust was voor de ogen, ja, een boom, die begeerlijk was om verstandig te maken; en zij nam van zijn vrucht en at; en zij gaf ook haar man met haar, en hij at.” (Gen 3:6).

Wat hebben we nu eigenlijk gelezen?

  • zij zag aan wat voor ogen is, namelijk dat de boom goed was tot spijze,
  • zij had de begeerte des vleezes (de boom was een lust voor de ogen),
  • zij had de begeerte der ziel (Ja, een boom om verstandig te worden, en als God te zijn),
  • en zij had de grootsheid (eigenwijsheid) des levens. (zij nam en at tegen Gods wil ingaande)

Dit alles was niet uit God, maar uit de wereld, zoals Johannes dit later noemt:

1 Joh 2:16-17:

  • "Want al wat in de wereld is: de begeerte des vlezes, de begeerte der ogen en een hovaardig leven (St. Vert = grootsheid des levens = eigenwijsheid), is niet uit de Vader, maar uit de wereld. 17 En de wereld gaat voorbij en haar begeren, maar wie de wil van God doet, blijft tot in eeuwigheid.” (1 Joh 2:16-17).

Eva werd, of we kunnen beter zeggen, liet zich bovendien bedriegen door satan, die haar als een engel des lichts (nachash), in een glanzende gedaante is verschenen. En voor dat bedrog waarschuwt Paulus in 2 Kor 11:3:

  • "Maar ik vrees, dat misschien, zoals de slang met haar sluwheid Eva verleidde, uw gedachten van de eenvoudige [en loutere] toewijding aan Christus afgetrokken zullen worden. 4 Want indien de eerste de beste een andere Jezus predikt, die wij niet hebben gepredikt, of gij een andere geest ontvangt, die gij niet hebt ontvangen, of een ander evangelie, dat gij niet hebt aangenomen, dan verdraagt gij dat zeer wel.”

Bovendien heeft Eva de slang niet onderkend omdat zij niet in de rechte “staat” was om te onderscheiden. Want indien zij in de rechte, zondeloze toestand was geweest zou zij satan zeer zeker als een verleider en leugenaar hebben ontmaskerd. Maar zij vertrouwde op haar eigen inzicht, ze ging niet te rade bij de Heere! Dit geeft eigenlijk ook al aan dat er geen relatie met de Heere was.

Eva vertouwde op eigen kunnen, en ging niet te rade bij de Heere.

De slang verkondigde een keiharde leugen, en ging regelrecht in tegen datgene wat God had gezegd, namelijk dat de mens bij overtreding de dood zou sterven.

Adam stond erbij, en viel haar zonder enig verzet bij, en bewees daardoor reeds in diezelfde gevallen sfeer te staan. Samen bewezen zij zo, dat zij niet meer in de ware innerlijke gemeenschap met God stonden.

Hieruit volgt, vooral door de gezindheid van Eva, maar niet minder door de aanwezigheid en het meedoen van Adam (Gen 3:6), dat er reeds vóór het eten van de verboden vrucht iets gebeurd is, en hierop wijst nu Rom 5:12:

  • "Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo de dood tot alle mensen doorgegaan is, in welken allen gezondigd hebben."

In Jak 1:15 lazen we:

  • "Als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort."

Adam had al de tijd (hoe lang weten wij niet) in de hof vertoeft zonder van de boom te eten, hij had het verbod van de Heere niet overtreden. Adam zal Eva best wel verteld hebben over het gebod van de Heere. De Heere had gezegd:

  • "Maar van den boom der kennis des goeds en des kwaads, daarvan zult gij niet eten; want ten dage, als gij daarvan eet, zult gij den dood sterven."

Eva zei bijna hetzelfde tegen de slang, maar ze voegde er iets aan toe, iets wat de Heere niet had gezegd, namelijk:

  • "Gij zult van die [boom] niet eten, noch die aanroeren, opdat gij niet sterft."  

Zo sprak Eva een halve waarheid, en de satan ook. En het is wonderlijk dat Adam niet ingreep, terwijl hij erbij stond. We weten waartoe halve waarheden leiden. We kennen het resultaat van zowel Adam's zonde als van de overtreding die Adam en Eva samen deden:

  • "Als die begeerte bevrucht is, baart zij zonde; en als de zonde volgroeid is, brengt zij de dood voort."

Daarom "heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes", zo lezen we in Rom 5:14. Deze tekst heeft in het verband van deze hele geschiedenis een dubbele betekenis:

Ten eerste was Adam ingegaan op de verleiding om te verlangen naar een andere "hulpe" naast hem, terwijl hij met God, nota bene de beste Hulp die er bestaat, wandelde in de hof. Daardoor heeft Adam zijn doel gemist door niet volledig in de dienst van God te staan.

Ten tweede was Eva ingegaan op de verleiding van satan, en met haar ook Adam, en hebben zij daardoor samen gezondigd tegen het gebod van de Heere.  

Dan is er nog een belangrijk punt: In Rom 5:14 staat dat niemand op gelijke wijze als Adam heeft gezondigd. En daar gaan we de volgende keer mee verder.

Deel 15 volgt DV.

Bert Boersma, augustus 2016, boersmaklm@hetnet.nl

De Zonde van de mens (deel 15)

 

Rom 5:14: Niet gezondigd áls Adam

In Rom 5:14 lezen we:

  • Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad (St. Vert.: “in de gelijkheid van de overtreding van Adam”), die een beeld is van de komende.”

De overtreding. Dit is één van de woorden om Adam's zondeval te beschrijven. Het Griekse woord "parabasis" betekent "een er naast treden", of "een over iets heengaan", of "een ontwijken" en ook "een voorbijgaan".

We vonden reeds in 1 Tim 2:14 dat Eva in overtreding is geweest, dit wordt daar niet van Adam gezegd, die is wel meegegaan in die overtreding.

In Rom 5:14 staat echter dat Adam in overtreding is geweest, een misdaad heeft begaan. (St. Vert.)

De overtreding van Eva is in Gen 3 geopenbaard, en ook al staat het feit vast, dat Adam door zijn mede-eten ook overtreden heeft, we geloven niet dat Rom 5 spreekt van het overtreden van het verbod, niet van de verboden vrucht te eten – wat Adam en Eva samen deden – maar dat hier iets anders wordt bedoeld.

Dit volgt immers uit Rom 5:12, waar we lezen dat door één mens de zonde ingekomen is in de wereld.

Deze overtreding heet in Rom 5:15, 16, 17 en 18 een val (St. Vert. een misdaad), en ze betreft steeds de éne mens.

De tekst uit Rom 5:14 is trouwens in ons verband wel bijzonder, want er staat in de gehele tekst:

  • NBG: "Toch heeft de dood als koning geheerst van Adam tot Mozes, ook over hen, die niet gezondigd hadden op een gelijke wijze als Adam overtrad, die een beeld is van de komende.”
  • En de St Vert zegt: "Maar de dood heeft geheerst van Adam tot Mozes toe, ook over degenen, die niet gezondigd hadden in de gelijkheid der overtreding (= misdaad) van Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou."

Dit betekent dat geen der uit Adam geborenen heeft gezondigd op een gelijke wijze als Adam. Het gaat hier dus niet over de overtreding van een gebod, want alle mensen hebben geboden overtreden!

Maar Adam had als een speciaal mensdie nog zonder zonde was (type van Christus) een speciale opdracht van God gekregen, waarin hij zijn doel miste.

En er zijn na Adam niet zulke mensen geweest, die ten eerste zonder zonde waren, en die ten tweede op zo'n speciale manier een opdracht van God hebben gekregen. En met die zondeloze mens had God een verbond gesloten.

Niemand na Adam kon in dat opzicht ook niet op gelijke wijze hun doel missen = zondigen.Adam was uniek, hij was in eerste instantie zonder zonde!

Daarom was het uitgangspunt van Adam totaal anders dan van alle mensen na hem. Adam was geschapen zonder zonde! Hij was ook daarom uniek! Hij kon kiezen om te zondigen!

Alle mensen na Adam zijn IN de zonde geboren! Zij hebben geen keus v.w.b hun zonde. Zij zijn in zonde geboren. Daarom lezen we ook dat er geen mens gezondigd had op gelijke wijzeals Adam.

Deze tekst uit Rom 5 kan daarom niet slaan op de overtreding die Adam samen met Eva beging, toen hij het verbod overtrad, toen zij van de boom aten, want dat is een overtreding die we allemaal maken, die ieder mens maakt.

Maar wel zien we in deze tekst (Rom 5:14) naar voren komen dat Adam een speciale zonde heeft gedaan, die tot gevolg heeft, dat de dood als koning heeft geheerst van Adam tot Mozes. Dat wijst er mede op dat Adam een speciale positie én opdracht van God had gekregen, die hij (zo zagen we) niet heeft kunnen volbrengen.

Dát was het bijzondere van die ENE mens, van Adam's overtreding (= misdaad). Hij heeft door eigen “falen” zijn belangrijke opdracht niet kunnen uitvoeren. En door eigen falen heeft die éne mens de zonde de wereld binnen gebracht! Alle mensen na Adam, zijn in zonde geboren!

Aan het eind van de tekst lazen we nog dat "Adam, welke een voorbeeld is Desgenen, Die komen zou." Dit bevestigd nogmaals dat Adam een type is van Christus, en ook de opdracht van Adam t.o.v. de aarde, mogen we typologisch vergelijken met de opdracht van Christus t.o.v. de aarde.

Adam was niet in staat dé verlosser te zijn. Er is maar Eén, die daarvoor in aanmerking komt, de Heere Jezus Christus, die in volkomen gehoorzaamheid, de heerlijkheid bij de Vader opgaf, om in volkomen afhankelijkheid te wandelen onder de Zijnen, en door de Zijnen aan het kruis te worden genageld, terwijl hij juist toen Zijn doel had bereikt!

We hebben gezien dat de eerste Adam faalde, maar we weten dat in de toekomst alles goed zal komen, wanneer "de tweede Adam", Christus zal optreden.

Hij zal wél voleindigen, datgene waar de eerste Adam in heeft gefaald.

Christus zal de gehele schepping terug brengen tot God, zodat uiteindelijk God "alles in allen" zal zijn.

1 Kor 15:20-22:

  • "Maar nu, Christus is opgewekt uit de doden, als eersteling van hen, die ontslapen zijn. Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden."

 

In Adam”

Maar er komt nóg iets bij. In 1 Kor 15:22 staat dat allen in Adam sterven:

  • Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.”

 

"In Adam" wil zeggen in zijn persoon en natuur begrepen.

  • Als Eva als een zondeloze vrouw uit een zondeloze Adam was voortgekomen, en dus gezondigd had na haar schepping, door van de verboden vrucht te eten, dan zou zij door haar eigen zonde gestorven zijn, en dan zou zij niet in Adam gestorven kunnen zijn.
  • Dan zou Eva niet in Adam gezondigd kunnen hebben, en dan zou zij ook niet in Adam gestorven kunnen zijn.
  • Maar wanneer er staat dat door één mens de zonde de wereld ingekomen is, had Eva de reeds zondige menselijke natuur van Adam in zich, toen zij door de Heere uit Adam gemaakt werd, evenals allen die in de lijn der geslachten uit hem en haar geboren zijn.
  • Dit betekent, dat toen Eva uit Adam gemaakt werd, kwam zij uit een mens die reeds zondig was (gezondigd had).

Bovendien: Eva laten zondigen buiten Adam om maakt 1 Kor 15:22 krachteloos:

  • "Want gelijk zij allen (ook Eva) in Adam sterven, alzo zullen zij ook in Christus allen levend gemaakt worden."

Evenmin dat "in Christus" inhoudt, dat buiten Hem ook nog iemand anders zou kunnen levend maken, betekent het "in Adam" dat Eva ook niet buiten hem gestorven is. Uit één zijn allen voortgekomen, en in één zijn allen gestorven (of sterven allen) omdat deze éne (Adam) gezondigd heeft en zijn natuur op allen overdraagt. Ook hier gold:

  • Wie zal een reine geven uit een onreine, niet één!” (Job 14:4).

Gezien de voorgaande teksten mogen we dan ook stellen: Dus dan kwam Eva ook uit een “onreine” Adam. Een Adam die reeds voor het eten van de verboden vrucht een “zonde” had begaan, zijn doel had gemist, waardoor allen na Adam in Adam sterven. Ook Eva!

 

Het was geen verrassing voor God dat Adam zondigde. God wist van de zwakheid van de mens. God had zijn plan der aionen reeds klaar. Naar God's recht hadden Adam en Eva moeten sterven, want het wezen der zonde vraagt om vergelding. Maar naar Zijn liefde wilde Hij de mens sparen. God loste dit – in onze ogen een dilemma, maar voor God niet – op door beide te doen, de dood als oordeel, maar niet terstond, en het leven in de vorm van het voortgezette leven door het “Zaad” van de vrouw.

En door dat “Zaad” zou Hij Zichzelf als de “Tweede Mens” uit het geslacht van Adam laten geboren worden. En zo liet God recht en liefde tot hun recht komen. En door het oordeel heen komt Gods liefde en genade tot de mens! Ook hier geldt: O diepte des rijkdoms.

Wij, die nu leven, en achter alle feiten staan, weten dat God Zijn plan der ajonen al voor de nederwerping der kosmos gereed had, en dat Gods plan zeer vast staat. Zo ook al deze dingen die in deze bijbelstudie de revue passeren.

De Heere wist hoe alles zou verlopen, maar Hij had de mens geschapen met een vrije wil en die mens mocht eigen keuzes maken.

Maar ondanks alle verkeerde keuzes die de mens Adam, en later alle mensen na Adam maken, komt God zeer zeker uiteindelijk tot Zijn voorgenomen doel!

 

Het Eten van de vrucht in een ander licht

Met de zonde van de éne mens, Adam, komt het zogenaamde gebod (niet van die ene boom eten) in een heel ander licht te staan. Dit gebod bedoelde niet alleen om tot een gehoorzaamheid en een kiezen voor God te komen, zoals veelal wordt geleerd, maar veel meer om de zonde die er reeds tevoren was, te openbaren, aan het licht te brengen, en te veroordelen.

Rom 5:13 zegt:

  1. "Maar de zonde wordt niet toegerekend, als er geen wet is."

God stelde een wet, (één gebod) die overtreden kon worden. Adam én Eva mochten niet eten van die ene boom. God wist dat Eva dit zou doen omdat ze reeds zondaar was, omdat ze uit een onreine Adam voortkwam En God wist dat Adam dit samen met Eva zou doen.

Evenmin als Israël bij de Sinaï de wet kreeg opdat zij die onberispelijk zouden kunnen gaan houden, (wat ze in hun hoogmoed wel dachten te kunnen), maar de wet werd gegeven, opdat zij tot kennis der zonde zouden komen, want "door de wet is de (volle) kennis der zonde, zo lezen we in Rom 3:20.

Evenmin kreeg Adam het gebod, opdat zó zijn trouw jegens God geopenbaard zou worden, doch juist opdat zijn ontrouw aan het licht zou komen.

Door dit gebod kon God de zonde van Adam tot overtreding maken.

Juist door het eten van de verboden vrucht (= overtreding van het gebod) werd de zonde openbaar, die tevoren door Adam was gepleegd.

Er was geen wet gegeven tegen het uitvallen uit Zijn eenheid (Zijn relatie), waar Adam voor had gekozen, daarom kon dát (het horizontale zoeken van God af) Adam niet toegerekend worden.

Er werd wel een gebod gegeven tegen de gevolgen van het eten van de verboden vrucht. Daardoor werd de zonde levend, en toen pas bemerkte de mens dat hij naakt was, en kon de dood als oordeel volgen.

Want God is een rechtvaardig God!

Maar, en dan zien we meteen ook Gods grote liefde en genade, dán kan ook de Bevrijder, de Verlosser aangeboden worden. En dát alles zat reeds opgesloten in Gods plan der aionen, zo mogen wij weten, die achter al deze feiten, nu in deze tijd leven.

Dan hebben we ook het antwoord op de vraag die we eerder stelden:

  • Waarom stond nou die ene boom in de hof, waarvan niet gegeten mocht worden?”

Wel, broeders en zusters, om de zonde openbaar te maken, om de zonde aan het licht te brengen. Dus om de zonde tot overtreding te maken.

Want pas toen kon ook het heil van God aangeboden worden in de vorm van Gods belofte, namelijk dat het vrouwenzaad het zaad van de slang zou vermorzelen.

Geweldig te zien hoe de Heere hier een prachtige belofte aan de mens geeft aangaande het zaad van de vrouw, wat wijst op Christus. En dat Christus als de overwinnaar uiteindelijk de satan zal vermorzelen. Dat is ook de reden, waarom wij door de hele Bijbel heen zien, hoe satan heeft getracht dat zaad van de vrouw aan te tasten, of te vernietigen.

Deze belofte van God was niet een antwoord van God op de zonde van Adam en Eva. Met andere woorden, God had Zijn belofte niet bedacht na het zondigen om het mensdom te redden, maar deze redding van de mens, het offeren van Zijn eigen Zoon aan Golgotha's kruis, was reeds door God besloten vóór de nederwerping der kosmos. Het lag reeds vast in Zijn plan der eeuwen!

Deel 16 volgt DV

Bert Boersma

 

 

De Zonde van de mens (deel 16)

 

Rom 5:12: In Adam zondigden alle mensen

De ene zonde van Adam brengt veroordeling over allen. De dood is er het gevolg van. De mens wordt als zondaar aangemerkt als uit Adam geboren en in hem begrepen. De apostel Paulus gebruikt daarom in de grondtekst in Rom 5:12 de verleden tijds-vorm: "in wie allen zondigden".

Rom 5:12:

  • NBG: “Daarom, gelijk door één mens de zonde de wereld is binnengekomen en door de zonde de dood, zo is ook de dood tot alle mensen doorgegaan, omdat allen gezondigd hebben
  • St.Vert.: “Daarom, gelijk door één mens de zonde in de wereld ingekomen is, en door de zonde de dood; en alzo is de dood tot alle mensen doorgegaan, in welke (in Adam) allen gezondigd hebben.

 

Indien Paulus bedoeld had te zeggen dat, omdat de mens persoonlijk zondigt, en hij hij daarom sterft, dan had hij de andere aoristvorm, de tijdloze vorm gebruikt. Hij doet dit niet, maar bezigt de verleden tijd, de aorist 2, hiermee aangevende, dat dit zondigen van de mens geheel in de verleden tijd ligt, in Adam.

 

Dat tijdsgebruik van die Aorist 2 wil de nadruk leggen op het resultaat van de verleden handeling, die voortduurt tot in het heden.

 

Dit kan alleen als men ziet dat allen in Adam zondigden (ook Eva) en de dood daarvan het gevolg is. Het bewijs is de dood van onbewuste kinderen. Zij sterven zonder dat ze gezondigd hebben, en toch zijn ze zondig. Onwetend, ja meer nog, ongeboren zondigen zij reeds omdat God hen ziet in Adam inliggend. Vandaar de verleden tijd van Rom 5:12.

 

Zonde is in wezen wetteloosheid. Ze is negatief een tekort schieten aan wat verwacht kan worden, een uitvallen uit de loop, een niet voldoen aan Gods wet op alle gebied van het leven, in één woord: Een missen van het doel waartoe het wezen bestemd is.

 

De mens zocht om er iets anders voor in de plaats te stellen, een ander doel na te jagen. Door zijn zonde kon Adam het door God gestelde doel niet meer bereiken, daartoe had hij zijn relatie in Christus moeten vasthouden!

 

Vanaf Adam tot Mozes was er geen geopenbaarde wet. Toch stierven de mensen ook toen reeds. Hiervoor moet een oorzaak zijn. Deze is: de toerekening van de zonde. En dan niet volgens de geopenbaarde wet. Ook niet door de hun van nature bekende wet. De zonde werd dus toegerekend op grond van iets anders:

 

Op grond van Adam's overtreding!

 

Hij was de wortel of de basis waarin allen zondigden.

Hij zondigde tegen de wet der liefde, en op grond van Hosea mogen we zeggen: Hij heeft trouweloos het verbond verbroken jegens God, van Wie hij zich vervreemde. Hij viel uit de eenheid in Christus.

 

In Rom 13:10 staat: “De liefde (agapè) is de vervulling der wet.” Door deze wet der liefde, door het verbond met God te overtreden (Hosea 6:6-7), ontstond er een toestand, waarin allen, (ook Eva) die uit hem voortspruiten, zijn gaan verkeren. Hierbij aangetekend dat ál Gods verbonden vol zijn van Zijn Liefde.

 

En die Liefde van God is “agapè”, dat is onvoorwaardelijke Liefde. Die liefde komt zonder voorwaarden van God af naar de mens toe. Maar het is wel de bedoeling dat die Liefde wederzijds wordt.

 

De zonde van Adam laat ons zien dat geen mens van vlees en bloed in staat was om recht te staan tegenover God.

  • Want allen (inclusief Adam) hebben gezondigd en derven de heerlijkheid Gods, en worden om niet gerechtvaardigd uit zijn genade, door de verlossing in Christus Jezus.” (Rom 3:23-24).

 

De toestand van de mens wordt ons ook goed geschilderd in Efeze 2:3-5:

  • Wij verkeerden: “in de begeerten van ons vlees, handelende naar de wil van het vlees en van de gedachten, en wij waren van nature, evenzeer als de overigen, kinderen des toorns –, Door Gods liefde zijn we geworden: 4 God echter, die rijk is aan erbarming, heeft, om zijn grote liefde, waarmede Hij ons heeft liefgehad, 5 ons, hoewel wij dood waren door de overtredingen mede levend gemaakt met Christus.”

 

Het is wel bijzonder vast te mogen stellen, dat de verleidende, valse aanval van satan in Gen 3 zich meteen tegen hemzelf keert. De satan denkt een overwinning te hebben behaald door de mens te laten eten van de verboden vrucht, maar het blijkt dat hij toen reeds de nederlaag heeft geleden.

 

Dat komt omdat hij als de vorst der duisternis is verduisterd in zijn verstand.

De satan weet niets van Gods plan der aionen. Hij snapt er helemaal niets van.

En van al die profetieën over Christus in het Oude Testament, snapt hij ook niets. Omdat hij ongeestelijk is. Hij heeft de verkeerde bril op. Het is hem totaal duister. Hij bedenkt steeds weer wat, maar het breekt hem “God zij dank” bij de handen af!

 

De dood

Door de zonde de dood (Rom 5:12). Het gevolg van de zonde is de dood.

Hieronder moet men niet de geestelijke dood verstaan. Deze geestelijke dood was reeds ingetreden doordat de begeerte had gezegevierd, ja reeds toen Adam van God afgetrokken, en verlokt werd.

 

Toen reeds ontstond de verduistering in het verstand, en daardoor de geestelijke dood. Maar dit bedoelde Paulus niet. Hij heeft de lichamelijke of "natuurlijke" dood op het oog. Velen zien de natuurlijke dood als een natuurlijk proces. Dit mag dan zo zijn in de lagere wereld van planten en dieren, hij is het niet in de mensenwereld. Daar is de dood het gevolg van de zonde.

 

Gaan er mensen verloren door hun zonde?

Ja, heel veel gelovigen denken, dat wanneer iemand niet tot geloof komt, dat dan die mens verloren gaat. Maar is dat zo? En kan dat wel?

 

Dan kijken we eerst eens naar die baby, die zonder tot besef te zijn gekomen sterft. Ook die baby is in zonde ontvangen en geboren, zoals dat zo mooi heet.

 

De kerk heeft daar een oplossing voor gevonden. Die zegt dat door de doop dat kindje is ingelijfd bij de gemeente, en daardoor behouden is. Maar ook dit zijn menselijke verzinsels. We moeten goed beseffen, dat we een rechtvaardige en liefdevolle God hebben.

 

Waarvoor heeft de Heere Jezus aan het kruis gehangen?

Johannes 1:29:

  • De volgende dag zag hij Jezus tot zich komen en zeide: Zie, het lam Gods, dat de zonde der wereld wegneemt.”

1 Johannes 2:2:

  • En Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.

 

Dus de Heere Jezus heeft de zonde der gehele wereld weggenomen. Kan er dan nog iemand, groot of klein, verloren gaan om zijn zonde? Die zonde is immers weggenomen aan het kruis! Voor alle zonde van de gehele wereld is betaald aan het kruis van Golgotha! Zijn dan alle mensen behouden? Dat staat nergens in de Bijbel. Wel staat in Gods Woord:

 

1 Johannes 2:2

  • Hij is een verzoening voor onze zonden en niet alleen voor de onze, maar ook voor die der gehele wereld.”

 

Dus alle zonde van de hele wereld is verzoend. Dit betekent dat de toegang tot Gods genadetroon voor iedereen toegankelijk is. Dat heeft de Heere Zelf laten zien, toen bij het sterven van de Heere Jezus het grote voorhangsel in de tempel tussen het Heilige en het Heilige der Heiligen door God Zelf van boven naar beneden kapot getrokken werd.

 

Dus alle zonde van de gehele wereld is verzoend. Betekent dat dat alle mensen ook behouden zijn? Nee, dat staat nergens in het Woord. En dat is de grote fout die alverzoeners maken. Die blijven steken in die verzoening. Zij willen eigenlijk niet verder lezen, dat de mens alleen door geloof behouden kan worden.

 

Dat geloof kan nú worden geopenbaard, maar dat geloof moet zeer zeker in de volgende aioon worden geopenbaard, nadat ieder mens is opgestaan.

 

Want ieder mens zal opstaan:

Hand 24:14-15: Toen Paulus zich verantwoorde voor de stadhouder Felix:

  • Maar dit erken ik voor u, dat ik naar die weg, die zij een secte noemen, inderdaad de God der vaderen vereer, gelovende al hetgeen in de wet en in de profeten geschreven staat, 15 terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn.”

 

1 Kor 15:21-22:

  • Want, dewijl de dood er is door een mens, is ook de opstanding der doden door een mens. 22 Want evenals in Adam allen sterven, zo zullen ook in Christus allen levend gemaakt worden.”

 

En hoe worden dan allen levend gemaakt? In Christus!

1 Kor 15:35-49:

  • Maar, zal iemand zeggen, hoe worden de doden opgewekt? En met wat voor lichaam komen zij? 36 Dwaas! Wat gij zelf zaait, wordt niet levend, of het moet gestorven zijn, 37 en als gij zaait, zaait gij niet het toekomstige lichaam, maar slechts een korrel, bijvoorbeeld van koren, of van iets anders. 38 Maar God geeft er een lichaam aan, gelijk Hij dat gewild heeft, en wel aan elk zaad zijn eigen lichaam. 39 Alle vlees is niet hetzelfde, maar dat van mensen is anders dan dat van beesten, en het vlees van vogels weer anders dan dat van vissen. 40 Er zijn hemelse en aardse lichamen, maar de glans der hemelse is anders dan die der aardse. 41 De glans der zon is anders dan die der maan en der sterren, want de ene ster verschilt van de andere in glans. 42 Zo is het ook met de opstanding der doden. Er wordt gezaaid in vergankelijkheid, en opgewekt in onvergankelijkheid; 43 er wordt gezaaid in oneer, en opgewekt in heerlijkheid;er wordt gezaaid in zwakheid, en opgewekt in kracht. 44 Er wordt een natuurlijk lichaam gezaaid, en een geestelijk lichaam opgewekt. Is er een natuurlijk lichaam, dan bestaat er ook een geestelijk lichaam. 45 Aldus staat er ook geschreven: de eerste mens, Adam, werd een levende ziel; de laatste Adam een levendmakende geest. 46 Doch het geestelijke komt niet eerst, maar het natuurlijke, en daarna het geestelijke. 47 De eerste mens is uit de aarde, stoffelijk, de tweede mens is uit de hemel. 48 Gelijk de stoffelijke is, zijn ook de stoffelijken, en zoals de hemelse is, zijn ook de hemelsen. 49 En gelijk wij het beeld van de stoffelijke gedragen hebben, zo zullen wij het beeld van de hemelse dragen.”

 

Alle mensen zullen opstaan!

Joh 5:25-29.

  • 25 Voorwaar, voorwaar, Ik zeg u, de ure komt en is nu, dat de doden naar de stem van de Zoon van God zullen horen, en die haar horen, zullen leven. 26 Want gelijk de Vader leven heeft in Zichzelf, heeft Hij ook de Zoon gegeven, leven te hebben in Zichzelf. 27 En Hij heeft Hem macht gegeven om gericht te houden, omdat Hij de Zoon des mensen is. 28 Verwondert u hierover niet, want de ure komt, dat allen, die in de graven zijn, naar zijn stem zullen horen, 29 en zij zullen uitgaan, wie het goede gedaan hebben, tot de opstanding ten leven, wie het kwade bedreven hebben, tot de opstanding ten oordeel.” (Oordeel is voor satan en zijn volgelingen, die willens en wetens hem dienden, dat is “het kwade bedrijven”).

 

Hand 24:15:

  • Terwijl ik van God hoop, gelijk ook dezen zelf het verwachten, dat er een opstanding van rechtvaardigen en onrechtvaardigen zal zijn.”

 

Dan 12:2:

  • Velen van hen die slapen in het stof der aarde, zullen ontwaken, dezen tot eeuwig leven en genen tot versmading, tot eeuwig afgrijzen. 3 En de verstandigen zullen stralen als de glans van het uitspansel, en die velen tot gerechtigheid hebben gebracht als de sterren, voor eeuwig en altoos.”

 

Hier zie je drie keer dat gelovigen en ongelovigen tegelijk zullen opstaan.

Er zijn nogal wat mensen, die tijdens dit aardse leven niet tot geloof komen.

Wanneer zij sterven, zijn zij als mens gezaaid in vergankelijkheid, en ook zij zullen worden opgewekt in Christus in een geestelijk lichaam. Dát is Gods genade. Christus heeft de dood overwonnen. Immers, allen sterven in Adam, en allen worden in Christus opgewekt.

 

1 Korintiërs 15:21

  • Want, dewijl de dood er is door een mens (Adam), is ook de opstanding der doden door een mens (Christus).”

 

1 Korintiërs 15:26

  • De laatste vijand, die onttroond wordt, is de dood”

 

1 Korintiërs 15:54

  • En zodra dit vergankelijke onvergankelijkheid aangedaan heeft, en dit sterfelijke onsterfelijkheid aangedaan heeft, zal het woord werkelijkheid worden, dat geschreven is: De dood is verzwolgen in de overwinning.”

 

Door het geloof van Christus!

Maar God is ook rechtvaardig. Er is één ding waar het niet zonder kan, en dat is geloof! Door het geloof wordt je behouden!

Marcus 5:34

  • En Hij zeide tot haar: Dochter, uw geloof heeft u behouden; ga heen in vrede en wees genezen van uw kwaal.”

 

Handelingen 13:48

  • Toen nu de heidenen dit hoorden, verblijdden zij zich en verheerlijkten het woord des Heren; en allen, die bestemd waren ten eeuwigen leven, kwamen tot geloof.

 

Romeinen 1:17

  • Want gerechtigheid Gods wordt daarin geopenbaard uit geloof tot geloof, gelijk geschreven staat: De rechtvaardige zal uit geloof leven.”

 

Romeinen 4:5

  • Hem echter, die niet werkt, maar zijn geloof vestigt op Hem, die de goddeloze rechtvaardigt, wordt zijn geloof gerekend tot gerechtigheid.”

 

Galaten 3:24

  • De wet is dus een tuchtmeester voor ons geweest tot Christus, opdat wij uit geloof gerechtvaardigd zouden worden.”

 

Hebreeën 11:6 DOOR HET GELOOF

  • Maar zonder geloof is het onmogelijk (Hem) welgevallig te zijn. Want wie tot God komt, moet geloven, dat Hij bestaat en een beloner is voor wie Hem ernstig zoeken.”

 

Want wie dan – in die komende aioon – niet gelooft, of niet tot geloof komt, zal zeer zeker in de “Gehenna” terechtkomen, dat is de tweede dood, waaruit niemand zal opstaan, en waarin iedereen – die daarin terecht komt – door het vuur verteerd zal worden. Maar...zullen we ons misschien afvragen, wanneer alle mensen zullen opstaan in een geestelijk lichaam, hoe kunnen ze dan (met een geestelijk lichaam) alsnog in de “Gehenna” terecht komen?

 

Je komt uitsluitend in de “Gehenna” terecht, wanneer je willens en wetens niet wilt geloven. Er zal geloof in Christus geopenbaard moeten worden. En ook al mag een ongelovige dan opstaan in een geestelijk lichaam, hij/zij zal wanneer hij/zij niet tot geloof komt, toch in de “Gehenna” worden geworpen, net zoals satan en zijn gevallen engelen, die ook een geestelijk lichaam hebben, en ook in de “gehenna” terecht komen.

 

Deel 17 volgt DV

Bert Boersma, september 2016,

boersmaklm@hetnet.nl

 

De Zonde van de mens (deel 17)

 

De verzwegen verborgenheid van Rom 17

In verband met het onderwerp “de zonde van de eerste mens” is het van belang dat we proberen te ontdekken wat de verborgenheid van Rome 16 inhoud.

 

Naast de verborgenheid, waar de gelovigen van het Lichaam van Christus nu deel van mogen uitmaken binnen de nieuwe mens, het lichaam van Christus, zijn er meer verborgenheden in Gods Woord, onder andere:

  1. De verborgenheden van het koninkrijk der hemelen.
  2. De verborgenheid van een gedeeltelijke verharding over Israël.
  3. De verborgenheid van het Evangelie van Paulus, dat aionen lang verzwegen is (van Romeinen 16).
  4. De verborgenheid, in Paulus late brieven, die onnaspeurlijk was, en in God verborgen.

 

In Romeinen 16:25-26 lezen we over de verborgenheid die verzwegen was:

  • "Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie (1) en de prediking van Jezus Christus (2), naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwenverzwegen is geweest; 26 Maar nu (= hier in de Romeinen brief) geopenbaard is, en door de profetische Schriften, naar het bevel des eeuwigen Gods, tot gehoorzaamheid des geloofs, onder al de heidenen bekend is gemaakt (wanneer werd het aan de heidenen bekend gemaakt? Op dat moment van het schrijven van de Romeinen brief!); 27 Denzelven alleen wijzen God zij door Jezus Christus de heerlijkheid in der eeuwigheid (= in de eeuwen der eeuwen). Amen."

 

Het allereerste wat opvalt in dit Bijbelgedeelte is dat Paulus hier over zijn eigen evangelie spreekt (“Mijn Evangelie) en daarmee doelt zijn prediking van Jezus de Christus in de Handelingen periode.

Van belang is dat we proberen te ontdekken over welke verborgenheid het hier in de Romeinen brief gaat. Velen denken dat Paulus hier een blik geeft op de onnaspeurlijke verborgenheid welke Paulus na Handelingen 28 bekend moest maken. Maar uit de gehele context en uit het geschrevene blijkt dat dat niet zo is.

 

Het tijdstip van het schrijven van de Romeinen brief toont aan dat Paulus niet over dé onnaspeurlijke verborgenheid van Efeze (Ef 3:8-9) gesproken kán hebben tegen Israël en de Romeinen, omdat dat toen nog helemaal niet aan de orde was. Israël was nog niet terzijde gesteld, wat pas in Hand 28:28 zou gebeuren, en het heil werd in de Romeinen brief nog steeds aan de Joden aangeboden. (zelfs nog toen Paulus later in Rome was in Handelingen 28).

 

Paulus zegt hier in de Romeinen brief dat deze verborgenheid in de tijden van de aionen verzwegen is geweest.

Nou heeft die uitspraak inderdaad wel iets weg van wat Paulus schrijft over de verborgenheid betreffende de nieuwe mens, het lichaam van Christus, waarvan Christus het Hoofd is. Maar laten we die teksten uit Paulus late brieven over die verborgenheid er eens naast leggen:

  • Efeze 3:8-9: “Mij, verreweg de geringste van alle heiligen, is deze genade te beurt gevallen, aan de heidenen de onnaspeurlijke rijkdom van Christus te verkondigen, 9 en in het licht te stellen (wat) de bediening van het geheimenis (= verborgenheid = Musterion) (inhoudt), dat van eeuwen her verborgen is gebleven in God, de Schepper van alle dingen.”
  • Kolossenzen 1:26 “Thans verblijd ik mij over hetgeen ik om uwentwil lijd, en vul ik in mijn vlees aan wat ontbreekt aan de verdrukkingen van Christus, ten behoeve van zijn lichaam, dat is de gemeente. 25 Haar dienaar ben ik geworden krachtens de bediening, die mij door God is toevertrouwd, om onder u het woord van God tot zijn volle recht te doen komen, 26 het geheimenis, dat eeuwen en geslachten lang verborgen is geweest, maar thans geopenbaard aan zijn heiligen. 27 Hun heeft God willen bekendmaken, hoe rijk de heerlijkheid van dit geheimenis is onder de heidenen.”

 

De teksten in Efeze en Kolossenzen zijn totaal eensluidend en spreken dus inderdaad over hetzelfde, namelijk de nieuwe mens, het lichaam van Christus, waar Christus het Hoofd van is. Voor die Gemeente kiest God uit gelovigen. En de Heere wil die gelovigen tot de volwassenheid in Christus leiden. Dát is het onderwerp in Efeze en Kolossenzen.

Deze verborgenheid in Paulus' late brieven was totaal verborgen. Verborgen in God. Ze waren tot de tijd van Paulus' bekendmaking totaal onbekend. Er was geen kennis van. Ze waren ook niet in bedekte vorm verborgen in Gods Woord.

 

Dit feit, dat de verborgenheid uit Efeze reeds van voor de nederwerping der kosmos totaal verborgen was in God, laat het verschil zien met de verborgen-heid uit Romeinen 16. Er is een duidelijk verschil met een verborgenheid die totaal verborgen is en een verborgenheid, die verzwegen is.

Rom 16:25-26:

  • Hem nu, Die machtig is u te bevestigen, naar mijn Evangelie (1) en de prediking van Jezus Christus (2), naar de openbaring der verborgenheid, die van de tijden der eeuwenverzwegen is geweest; 26 Maar nu (= hier in de Romeinen brief) geopenbaard is, en door de profetische Schriften,

 

Een verzwegen verborgenheid is wel bekend, maar er wordt niet over gepraat, er wordt over gezwegen! Wat was het onderwerp van deze verborgenheid in Romeinen 16? Dat onderwerp lezen we ook in Rom 16:25, namelijk het Evangelie van Paulus was het onderwerp. En juist dát Evangelie van Paulus in de Romeinen brief was volgens Rom 16 de openbaring van deze verborgenheid.

Wat is dan Paulus Evangelie? Paulus spreekt over “zijn” Evangelie aan het slot van de brief, waarin hij zijn hele Evangelie uiteenzet, de Romeinenbrief.

 

Wat was het evangelie van Paulus?

Wanneer we de hele brief van Paulus aan de Romeinen doorlezen, dan ontdekken we één centaal thema: “Hoe wordt een mens rechtvaardig voor God?” De gerechtigheid of de rechtvaardigheid van God, en het gerechtvaardigd worden is het centrale thema van de brief.

Een paar voorbeelden:

  • Romeinen 3:22 De rechtvaardigheid van God door het geloof van Jezus Christus, tot in allen,
  • Romeinen 3:26 God betoont Zijn gerechtigheid in de tegenwoordige tijd, zodat Hij rechtvaardig is, en hem rechtvaardigt, die uit het geloof van Jezus is.

 

Broeders en zusters, en dit is van wezenlijk belang: Ook onze rechtvaardiging is dus op grond van het volbrachte werk van onze Heiland, en op grond van het feit dat Christus Jezus God de Vader volledig geloofde en vertrouwde. Het was het werk van God, de Vader in Zijn Zoon, waardoor wij allen gerechtvaardigd worden. Totaal geen enkel werk van ons mensen.

 

Was dit gegeven, dat zo specifiek als Paulus' Evangelie bekend werd, nou een totaal onbekend gegeven in het Oude Testament, zodat Paulus het een verborgenheid noemt?

Jesaja 61:3 Zij worden bomen van de gerechtigheid genoemd, planten van Yahweh, tot Zijn verheerlijking.

Jesaja 61:10 Ik verheug mij in Yahweh, en mijn ziel is vrolijk in mijn God; want Hij heeft mij kleren van redding aangetrokken, en met de rok van de gerechtigheid bekleed.

Lukas 15:22 De vader zei tegen zijn knechten: Brengt het beste kleed.

 

De Vader bekleedt ons met Zijn gerechtigheid. Het is Zijn werk in de Zoon. Het is door het geloof van Christus Jezus. Dit was al bekend bij de profeten in het Oude Testament. In de Evangeliën werd er door de Heere al onomwonden over gesproken. En natuurlijk liggen de typen en schaduwbeelden van het Evangelie van Paulus vanaf het allereerste begin van de Schepping in de Bijbel al voor het oprapen. Denk alleen maar aan de bekleding van Adam en Eva in de boeken van Mozes, oftewel in de wet. Maar wist Israel hiervan? Nee, totaal onbekend.

 

De godsdienstige Joden waren wel ijverig, maar….................wat lezen we in

Romeinen 10:2-3?

  • Want ik getuig van hen, dat zij ijver voor God bezitten, maar zonder verstand. 3 Want onbekend met Gods gerechtigheid en trachtende hun eigen gerechtigheid te doen gelden, hebben zij zich aan de gerechtigheid Gods niet onderworpen.”

 

Waar in Rom 10:2 staat “zonder verstand”, staat in de grondtekst het Griekse woord “epignosis”. Dus eigenlijk moeten we daar lezen dat zij wel een ijver voor God bezitten, maar zonder kennis!

  • Epignosis” heeft te maken met het in geloof aanvaarden van God (Rom 1:28, 1 Tim 2:4, 2 Tim 2:25, 2 Tim 3:7, Hebr 10:26)
  • Epignosis” heeft te maken met het leren kennen van Gods plan door de verlichte ogen des harten, zodat wij weten welke hoop zijn roeping wekt, en hoe rijk de heerlijkheid is Zijner erfenis bij de heiligen. (Ef 2:11-18).
  • Epignosis” heeft te maken met helder inzicht in de Schrift (Fil 1:9, 2 Petr 1:3, Rom 10:2, Titus 1:1, 2 Petr 1:8, Rom 3:20)

 

Israël wist het niet. Ze waren er onbekend mee. Ze hadden er geen kennis van. De heerlijke boodschap van rechtvaardiging op grond van het geloof van Christus Jezus was voor hen een onbekend gegeven omdat het verzwegen was, terwijl het wel open en bloot in Gods Woord staat.

Maar de verkondiging in alle tijden had zich toegespitst op het doen van de werken, op het naleven van de wetten, waarvan men er veel had bijgemaakt.

 

De verborgenheid van het Evangelie van Paulus was vanaf de eerste bladzijden van de Bijbel terug te vinden, namelijk dat de mens gerechtvaardigd wordt op grond van het geloof van Christus Jezus. Maar deze waarheid, die in Rom 16 een verborgenheid wordt genoemd, was in al de tijden van de aionen verzwegen. Het gevolg was dat de godsdienstige Joden wel degelijk op zoek gingen naar gerechtigheid, maar zij verwachten het van werken der wet.

Romeinen 9: 31-32:

  • Israël, dat een wet ter gerechtigheid najaagde, is aan de wet niet toegekomen. Waarom niet? Omdat het niet op grond van geloof, maar op grond van werken gebeurde. Zij hebben zich gestoten aan de steen des aanstoots,

 

Hier staat duidelijk dat Israël niet aan de echte inhoud van de wet was toegekomen. Wat was die inhoud? Dat was dat Evangelie van Paulus, dat was zijn prediking van Jezus Christus. Dat was dat ieder mens uitsluitend gerechtvaardigd wordt door het geloof van Christus Jezus.

Dat had iedere Jood al kunnen weten vanuit het getuigenis van de complete geopenbaarde Schrift over de bekleding met Gods gerechtigheid.

Dát was de echte inhoud van de wet. Dat was die steen des aanstoots: Christus Jezus.

Maar ze hadden nou juist hun wet op de eerste plaats gezet, alsof die opdroeg hoe ze zich moesten gedragen, en alsof die wet hun heil kon bewerken. Daarmee gingen ze voorbij aan de inhoud van Gods Woord. De hele werkelijke inhoud van de wet (gerechtigheid door Gods genade) was al die aionen lang verzwegen. Eigen werken werden gepredikt!

 

Bovendien was Paulus ook nog eens de apostel van de heidenen. Het Joodse volk had de mogelijkheid om zich op de wet te richten en eventueel de werkelijke inhoud van de wet te ontdekken. De heidenen hadden die wet niet. De woorden van God waren aan de heidenen niet toevertrouwd en niemand had hen daarover geïnformeerd. Voor de heidenen nog meer dan voor de Joden was dit een verborgenheid gebleven.

 

Nog even doordenkend over dat verzwijgen. Nog steeds, 2000 jaar later is deze boodschap een verborgenheid. En nu is het zelfs heel actueel voor de meeste christelijke gelovigen. Het is een verborgenheid binnen het christendom omdat de boodschap van genade grotendeels verzwegen wordt.

 

Op grond van deze feiten mogen we stellen:

  • De verborgenheid in Romeinen 16 betreft de boodschap van rechtvaardiging, en dat de mens op grond van die rechtvaardiging een relatie in Christus kon onderhouden.

 

Die boodschap is in heel de Bijbel terug te vinden, maar die boodschap, die verborgenheid werd allerwege verzwegen, en we kunnen ook wel rustig zeggen “verzwegen wordt”.

Deze verborgenheid is dus geheel iets anders dan de verborgenheid, die verborgen was in God, zoals Paulus dat in Efeze en Kolossenzen over ons schrijft als die nieuwe mens, het lichaam van Christus.

 

Eigenlijk wordt ons in de kern van de Romeinen brief iets geopenbaard, wat sedert Gen 2 en 3 verzwegen is.

Rom 5:18:

  • Derhalve, gelijk het door één daad van overtreding voor alle mensen tot veroordeling gekomen is, zo komt het ook door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven.”

 

Het staat hier prachtig weerdgegeven: “Door één daad van gerechtigheid voor alle mensen tot rechtvaardiging ten leven.” “Ten leven” Dit betekent echt leven in Christus. Dit betekent een relatie hebbende in Hem! Door het volbrachte werk van Christus is dat weer mogelijk!

Dus niet door werken der wet wordt de mens gerechtvaardigd, maar door het werk van he Heere Jezus Christus!

Centraal in de Romeinen brief staat het feit, dat alle mensen in Adam zondigden, en door die ene daad van overtreding komt de veroordeling tot alle mensen. Maar daartegen staat de geweldige boodschap dat door één daad van gerechtigheid de redding in Christus wordt aangeboden.

Dit heilsfeit wordt eigenlijk reeds in Gen 3:15 bekend gemaakt, wanneer de Heere tegen de slang zegt dat zijn kop zal vermorzelt worden door het “zaad” van de vrouw.

Door het volbrachte werk van Christus werd de toegang tot de Vader vrijgemaakt. Door het volbrachte werk van Christus werd het de mens gegeven om door het geloof weer relatie, gemeenschap te hebben met Christus. Dát was Paulus' evangelie in de Handelingen periode.

 

Uit het Woord ontdekken we dat Paulus in Korinthe de Romeinen brief aan de gelovigen te Rome schreef. Hij schreef hen onder anderen om hen voor te bereiden op zijn bezoek aan Rome, nadat hij Jeruzalem zou hebben aangedaan, en om ervan verzekerd te zijn dat zij hem zouden voorthelpen, als hij naar Spanje zou afreizen (Rom 15:22-29). Hij schreef dat het hem spijt dat hij nog niet de gelegenheid heeft gehad om de gelovigen in Rome te bezoeken.

 

In Romeinen 1:10-13 lezen we dat Paulus was:

  • "biddende, of mij eindelijk door de wil van God eens een weg gebaand moge worden om tot u te komen. Want ik verlang u te zien om u enige geestelijke gave mede te delen tot uw versterking, dat is te zeggen: onder u mede bemoedigd te worden door elkanders geloof, van u zowel als van mij. Doch ik stel er prijs op, broeders, dat gij weet, dat ik dikwijls het voornemen heb opgevat tot u te komen – waarin ik tot nu toe verhinderd ben – om ook onder u enige vrucht te hebben, evenals onder de andere heidenen." (Rom 1:10-13).

 

In Rom 15:22-23 en in Handelingen 19:21 maakt Paulus dit verlangen om de gelovigen in Rome te bezoeken ook kenbaar. Het feit dat Paulus de Romeinen brief schreef gedurende zijn drie maandelijks verblijf in Korinthe, wordt duidelijk door de aanhaling van de voorgenomen reis van de apostel naar Jeruzalem met de collecte voor de armen:

Rom 15:23-28:

  • "Daarom werd ik dan ook herhaaldelijk verhinderd tot u te komen. Maar thans, nu mij in deze streken geen arbeidsveld meer overblijft en ik sedert tal van jaren verlangend ben tot u te komen, zodra ik naar Spanje reis – ik hoop u namelijk op mijn doorreis met eigen ogen te zien en door u voortgeholpen te worden voor mijn tocht daarheen, wanneer ik eerst enigermate van u genoten heb. Maar thans ben ik op reis naar Jeruzalem ten dienste van de heiligen. Want Macedonië en Achaje hebben goedgevonden een handreiking te doen aan de armen onder de heiligen te Jeruzalem. Zij hebben het immers goedgevonden, maar zijn het ook jegens hen verplicht, want indien de heidenen aan hun geestelijke goederen deel hebben gekregen, behoren zij ook met hun stoffelijke goederen hen te dienen. Wanneer ik mij dan hiervan gekweten en hun deze opbrengst afgedragen heb, zal ik over uw stad naar Spanje reizen." (Rom 15:23-28).

 

Aangezien deze collecte ook al was benadrukt in de eerdere brieven aan Korinthe (1 Kor 16:1-4, 2 Kor 8:1-24 en 2 Kor 9:1-15), is het duidelijk dat de Romeinen brief direct na de tweede Korinthe brief geschreven is, want de apostel staat nu gereed om vanuit Korinthe naar Jeruzalem te reizen (Rom 15:25). Vergelijk ook Rom 15:30-31 met Handelingen 21:17-30.

Het feit dat Febe, een diacones van de gemeente te Kenchreeën, een dorp vlakbij Korinthe, naar Rome ging, gaf Paulus de gelegenheid de christenen van Rome een brief te zenden (= de Romeinen brief).

 

De volgende keer gaan we verder over de verborgenheid uit Rom 16.

Deel 18 (slot) volgt DV

Bert Boersma

 

De Zonde van de mens (deel 18)

 

De Structuur van de Romeinen brief

De kern van de Romeinen brief is het centrale binnenste gedeelte van de Romeinen brief, namelijk Rom 5:12 tot Rom 8:39.

 

Met Rom 5:12 begint het binnendeel van de Romeinen brief. Dit binnendeel neemt een centrale plaats in. Het handelt over dingen die Paulus in Rom 16:25-26 een verborgenheid noemt.

 

Rom 5: Deze omvat het teruglopen op Adam, en het handelen over de eerste en de tweede Mens, de twee personen die de geschiedenis van het hele mensengeslacht radicaal beheersen.

 

Romeinen 5 spreekt over de zonde van één mens, waarin allen sterven. (terwijl Gen 3 spreekt over de zonde van twee mensen).

 

Rom 6 en 7 gaat over de verhouding van zonde en genade en over de crisistijd van de overgang van een geestelijk herborene tot gerechtvaardigde.

 

Rom 8: Besluit met een machtig loflied dat doet horen welke middelen God gebruikt om dit alles uit te werken en juicht over de heerlijkheid der liefde van Christus.

 

Paulus zegt dat de verborgenheid die hij in Rom 16:25-26 openbaart, verzwegen is geweest gedurende de "tijden der eeuwen" (Gr: aionische tijden). In dit verband betekent dit, dat deze verborgenheid tijden de voorafgaande eeuwen verzwegen is geweest. Dat “verzwegen” is een eigenaardig woord. Het zegt dat er eertijds niet over werd gesproken, men zweeg erover. De verborgenheid van Christus, genoemd in Ef 3, is niet verzwegen geweest, maar onnaspeurlijk, dus nergens te vinden. (Efeze 3:8). Die verborgenheid van Efeze is van eeuwen her (alle voorgaande eeuwen) verborgen gebleven in God, de Schepper van alle dingen.

 

Dus de in Rom 16 genoemde verborgenheid is in haar geheel verzwegen geweest. Er was wel een kennis van, maar het werd verzwegen.

 

Die verborgenheid wordt door Paulus in de Romeinen brief in het licht geplaatst en geopenbaard, en wel aan Israël en de volken, de natiën buiten Israël, en dat, in gehoorzaamheid des geloofs.

 

Die hier genoemde profetische Schriften (in Rom 16:26) zijn dus geen Schriften van O.T., maar van N.T. tijd, namelijk deze brief van Paulus aan de Romeinen.

 

Want buiten Paulus' brief aan de Romeinen hebben we geen ander Geschrift in dezen, wat deze verborgenheid openbaart, daarom spreekt hij in Rom 16:25 ook over "mijn evangelie".

 

De kern, het “binnendeel” van de Romeinenbrief, Rom 5:12 tot Rom 8:39 handelt dus over een verborgenheid die steeds verzwegen is geweest, en pas toen door Paulus is geopenbaard. En op grond van het door Paulus geschrevene moeten we de verzwegen verborgenheid in Romeinen zelf zoeken. Romeinen loopt op twee personen terug, op Abraham en op Adam. In het eerste gedeelte van de Romeinen brief vinden we "mijn evangelie" wat handelt over Abraham. En in het centrale deel van de Romeinen brief vinden we in Adam "de verzwegen verborgenheid". Met dit voor ogen kunnen we de Romeinen brief in drie hoofddelen indelen met als sluitstuk een samenvatting.

 

Voor ons onderwerp is het binnendeel van Romeinen van belang. Dit vinden we in Rom 5:12 tot Rom 8:39. Hier lezen we van de zonde, en van Adam, niet van Abraham, Jood of Heiden. Dit binnendeel handelt over de verzwegen verborgenheid.

 

Wanneer we de structuur (ontleend aan C. H. Welch) van de Romeinen brief bekijken, wordt het één en ander nog duidelijker, we hebben dus:

 

Hoofddeel 1: Rom 1:1 tot 5:11 "mijn evangelie"

Hoofddeel 2: Rom 5:12 tot 8:39 "verzwegen verborgenheid"

Hoofddeel 3: Rom 9:1 tot 16:23 "mijn evangelie"

Sluitdeel   4: Rom 16:25-27 samenvatting (sleutel)

N.B.: Rom 16:24 valt uit, omdat dat vers niet in de grondtekst staat.

 

Elk hoofdeel laat zich weer onderverdelen:

 

Hoofddeel 1

 

A1 – Rom 1:1-18: Het evangelie van te voren beloofd. Tot gehoorzaamheid des geloofs voor alle heidenen.

    B1 – Rom 1:18 tot 3:20: Jood en Heiden beide schuldig voor  God.

      C1 – Rom 3:21-31: De heerlijkheid van God. Gemist en geopenbaard.

        D1 – Rom 4:1-25: Lichaam als dood aangemerkt.

               E1 – Rom 5:1-11: Verzoening, Innerlijk. 

Hoofddeel 2 

              F1 – Rom 5:12-21 Veroordeling in Adam.

                G – Rom 6 en 7 Vraag en antwoord.

              F2 – Rom 8 Geen veroordeling in Christus

Hoofddeel 3

           E2 – Rom 9, 10 en 11: Verzoening. Uiterlijk.

        D2 – Rom 12 en 13: Lichaam als levende offerande.

     C2 – Rom 14 tot 15:7: De heerlijkheid van God. Betoond en ontvangen.

   B2 – Rom 15:8 tot 16:23: Jood en heiden beide aannemelijk bij God.

A2 – Rom 16:25-27: Verborgenheid, te voren verzwegen, tot gehoorzaamheid des geloofs onder alle heidenen bekend gemaakt.

 

Wat opvalt in deze structuur is dat A1 en A2, dus het begin van Romeinen én het einde op elkaar aansluiten. En wat bovendien opvalt is dat Hoofdeel 2 centraal staat in de Romeinen brief. Wanneer we hier over nadenken, wordt duidelijk dat we allen uit Adam als zondaren geboren worden, en we hebben de Christus nodig om gerechtvaardigd te worden. Dat staat niet alleen in de Romeinen brief, maar in geheel Gods Woord centraal.

 

Tevens blijkt uit deze structuur dat het einde van de Romeinen wel behoort tot de verborgenheid in de Romeinen zelf omschreven. Het is één geheel met de rest. Daaruit blijkt ook duidelijk dat we verborgenheid in het middelpunt van de Romeinen brief moeten zoeken.

 

De Les van deze Bijbelstudie = Kunnen wij ons doel missen?

Als eerste wil ik dan graag met u kijken naar het gevolg van het misverstaan van de eerste zonde van de mens. Want is het niet zo, dat men vanaf het begin tot nu aan toe, heeft gedacht dat God de mensen geboden heeft opgelegd, en men daardoor heel wettisch ging leven?

 

En dat ging en gaat soms zelfs zover, dat men dacht daardoor hun zaligheid te kunnen verdienen. Denk maar eens hoeveel misstanden in dezen in de RK kerk zijn binnen gedrongen, en nog zijn.

 

Die eerste zonde, en dan gaat men uit van het eten van de verboden vrucht, brengt een denken voort, dat men zich moet houden aan Gods geboden.

 

En wanneer men dat doet – zo wordt tot op de dag van vandaag veel gedacht en geleerd – dan komt alles goed. Maar men beseft vaak niet, dat er niemand is die dat kan volbrengen. Er is niemand die goed doet!

 

Wanneer we nu inzien, dat de eerste zonde van de mens het verbreken van de relatie is, die Adam met de Heere had, dan werpt dát een volkomen ander licht op de zonde. Dan werpt dat een totaal ander licht op het feit hoe de mens zijn doel miste. Dan ontdekken we dat het belangrijkste is, dat de mens zijn relatie met God onderhoudt, en dat is mogelijk dankzij Christus!

 

Dan gaat men veel meer zien op de genade die we nodig hebben, in plaats van op de werken, die wij niet kunnen volbrengen, maar die alleen Hij in ons kan volbrengen!

 

Tot slot willen we naar onszelf zien. Kunnen wij ook ons doel missen?

 

Hebben wij ook een (belangrijke) opdracht van God? Wij hebben zeer zeker een doel, waarin een opdracht zit opgesloten, wat in onderstaande tekst zeer duidelijk tot uitdrukking komt.

 

Fil 3:14:

  • "Maar één ding (doe ik): vergetende hetgeen achter mij ligt, en mij uitstrekkende naar hetgeen vóór mij ligt, jaag ik naar het doel, om de prijs der roeping Gods, die van boven is, in Christus Jezus." (Fil 3:14)

Daarom: Kol 3:1-4:

  • "Indien gij dan met Christus opgewekt zijt, zoekt de dingen, die boven zijn, waar Christus is, gezeten aan de rechterhand Gods. Bedenkt de dingen, die boven zijn, niet die op de aarde zijn. Want gij zijt gestorven en uw leven is verborgen met Christus in God. Wanneer Christus verschijnt, die ons leven is, zult ook gij met Hem verschijnen (sun-phaneroo) in heerlijkheid." (Kol 3:1-4)

 

En broeders en zusters, al deze dingen:

  • Dat jagen naar het doel,
  • Dat zoeken van de dingen die boven zijn,

 

Kunnen wij dat? Ja, dat kunnen wij alleen wanneer wanneer wij in die gezindheid staan van Fil 2:5. Wanneer wij ons willen vernederen voor onze Heiland, zodat Hij dat alles in ons kan bewerken!

 

In de zonde van Adam zien we eigenlijk waar het door alle eeuwen heen aan heeft ontbroken. Men zag aan wat voor ogen was, en heeft de ogen niet omhoog geslagen. De eerste Adam heeft al laten zien hoe het niet moest. Daarom moge dit ons allen tot lering zijn. We leven nog in het oude sterfelijke lichaam, maar God ziet ons in Christus. Laten wij dan ook zó wandelen, als burgers van een rijk in de hemel, bewapend met Gods wapenrusting! Ons oog omhoog gericht, onderhoudende de relatie in Christus!

 

Moge het voorbeeld van Cornelius, die God “geduriglijk” (Hand 10:2) biddende was, ons tot voorbeeld zijn. Uit Hand 10:6 blijkt dat Cornelius God in zijn gebeden vroeg wat hij moest doen. Dit vragen moet wel een vragen zijn geweest hoe hij God ten diepste en het beste kon dienen. En op zo'n bidder slaat God acht. Een bidder die “geduriglijk” zijn relatie met God onderhield.

 

God stuurde nota ben Petrus naar Cornelius, die apostel die echt niet uit zichzelf naar de heidenen toe zou gaan, en daarom krijgt Petrus tot drie keer toe een gezicht van God, met de aanwijzing om naar Cornelius toe te gaan, en Petrus moest Cornelius de kennis bijbrengen, hoe hij recht God kon dienen. Cornelius wilde op de juiste manier zijn relatie met God onderhouden. Dat was zijn diepe verlangen.

 

De relatie met God, daar gaat het om! Dát was waar de eerste mens reeds in faalde, zijn doel miste. Dit alles ons tot lering! We hebben in het voorgaande uitvoerig stilgestaan bij het feit dat Adam een type van Christus is.

 

We weten dat het Lichaam van Christus in Christus is geplaatst. Dan is de vraag gerechtvaardigd, is Adam dan ook een type van het Lichaam van Christus?

 

En ik zal u proberen te laten zien, dat dat werkelijk het geval is: 

Adam als type van het Lichaam van Christus

 

ADAM

LICHAAM VAN CHRISTUS

Adam was eerst niet geplaatst in de hof.

De gelovige (baby) was eerst niet geplaatst in de bovenhemel in Christus

Als speciaal door God uitverkoren mens werd Adam in de hof geplaatst.

De Heere heeft Zijn uitverkorenen in de “Hof” geplaatst.

Adam werd geschapen naar de gelijkenis van Christus.

De leden van het Lichaam van Christus zijn geschapen in Christus (gelijke – sun – sun – leden).

Adam's relatie wás met God.

De relatie van een ieder die tot het Lichaam van Christus behoort ís in God.

Adam zocht een andere relatie en verloor daardoor zijn positie, hij werd uit de hof geplaatst.

Als wij een andere relatie zoeken, oftewel de wereld lief krijgen, kunnen we daardoor ook onze positie verliezen, en uit de “hof” worden geplaatst. (diskwalificatie).

Adam kon na zijn doel-missing niet meer heersen.

Wij kunnen na onze doel-missing niet meer heersen (geen kroon = niet gelijk Christus).

Adam werd uit de hof geplaatst doordat...........

Wij zullen uit de bovenhemel worden verwijderd als.........we niet in navolging van Paulus gaan wandelen.

Wij zullen uit de bovenhemel worden verwijderd als we de wereld liefkrijgen, en gaan wandelen als vijanden van het kruis van Christus.

Adam heeft niet volhardt in het onderhouden van zijn relatie met Christus.

Volharden wij in onze relatie in Christus?

Volharden wij, die in de gelijkenis van Christus geschapen zijn, in Hem?

Adam had de belofte van het beloofde zaad van de vrouw.

Wij staan in de overwinning van het volbrachte werk van het zaad van de vrouw = Christus!

 

Tot slot

Ik begrijp dat ik met deze bijbelstudie nogal wat “overhoop” kan hebben gehaald, omdat het de dingen van de eerste zonde van dé mens (Adam) in een totaal ander licht heeft geplaatst. Toch heb ik getracht enkel en alleen de Schrift te laten spreken, en wanneer de Schrift spreekt, wordt Christus groot gemaakt.

 

Ook moet een bijbelstudie nooit iets afbreken, maar juist iets opbouwen, en ons dichter bij onze Heere brengen.

 

De overweldigde les van deze hele geschiedenis van Adam is, dat De Heere vanaf het begin de mensheid een spiegel wilde voorhouden. Maar duidelijk is geworden, dat men veelal deze les niet heeft begrepen. De Heere wil maar één ding, dat we in het volste vertrouwen zien op Hem. Leren te vertrouwen op Hem. Wetende, dat geen mens door eigen werken zaken tot een goed einde kan brengen, maar de mens alleen door de relatie met de Heere te onderhouden, in grote afhankelijkheid in Hem kan wandelen. Waarbij onze gezindheid van levensbelang is.

 

Ik hoop dat deze bijbelstudie tot lering is geweest, omdat onze wandel in Christus wordt bepaald door de relatie, die wij met Hem hebben. Hierbij wetende dat Hij relatie met ons wil hebben, daartoe heeft Hij de weg vrijgemaakt. Het ligt aan die gezindheid, welke Hij in ons gestalte wil laten krijgen, waarbij het absoluut nodig is om de ogen op Hem gericht te houden.

 

En daarom is het volstrekt nodig om in die gezindheid te gaan staan, welke ook in Christus Jezus was, en te doen waartoe Paulus ons oproept:

 

Fil 3:17 en vers 20:

  • 17 Weest allen mijn navolgers, broeders, zegt Paulus, en ziet op hen, die evenzo wandelen, gelijk gij ons tot voorbeeld hebt.”
  • 20 Want wíj zijn burgers van een rijk in de hemelen, waaruit wij ook de Here Jezus Christus als verlosser verwachten.”

 

Bert Boersma, oktober 2016, boersmaklm@hetnet.nl

 

Schrijf een commentaar: (Klik hier)

123website.nl
Tekens over: 160
OK Verzenden.
Bekijk alle commentaren

Nieuwe commentaren

12.04 | 11:24

Maar zegt u nu eens waar u terecht bent gekomen komende uit de Geref. Kerk (evenals ik) waar komt u zondags samen?

...
08.03 | 22:20

bedankt,heel leerzaam

...
01.02 | 11:15

Prima doorgaan zo!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!!

...
17.12 | 23:09

erg bemoedigend

...
Je vindt deze pagina leuk